Zoeken

De infiltrant

Ik ben niet bang. Nooit gedacht dat ik dat op een moment als dit nog helder in m’n hoofd zou kunnen prenten. Ik ben niet bang, hoewel ik meer reden heb om bang te zijn dan ooit tevoren. Terwijl mijn hoofd een zelden geziene, filosofische kant van zichzelf lijkt te hebben gevonden, duwt de zwaar behaarde vent me wat verder de container in. De geur van kleverig gedroogd fruit in combinatie met de muffe containerlucht doet m’n lege maag krimpen. Na 3 dagen lijk ik voedsel niet eens meer te missen. Een soort permanente waas van high, of hoe vasten je heel wat geld aan drugs zou kunnen besparen. De filosoof in mijn hoofd is vast een neveneffect van het acuut gebrek aan eten. Jammer, mijn vriendin had die diepzinnige ik vast interessanter gevonden de het kille lief dat ik de afgelopen maanden was geweest. Zonder veel finesse strompel ik voorover wanneer de man me met de achterkant van z’n geweer in de rug port. Hoe hard, koud en stoffig de containervloer ook mag zijn, liggen voelt als een wollige deken na een winterwandeling, dicht mijn hoofdfilosoof. Veel te gelukkig om me in deze allerminst aangename situatie te bevinden, nestel ik m’n hoofd op mijn samengevouwen handen en heel even waan ik me thuis. Thuis in ons Ikea-bed op een van onze doelloze zondagochtenden, die we vulden met croissants en seks. Amber toch, wat heb ik je aangedaan? Waarom was ik niet de man die ik eigenlijk voor je wilde zijn? Waarom moest net ik me aanbieden om deze zaak op te lossen, net nu we eindelijk weer samen gelukkig konden worden? “De aard van ’t beestje. Eens thrillseeker, altijd een thrillseeker”, had mijn moeder wel eens –trots op haar nieuwe, Engelse vocabulaire-verkondigd. Voor Amber was dit allesbehalve een troost geweest, meer een soort reden om me in al haar liefde nog meer te haten dan ze voordien al deed. God, wat zie ik haar graag. Drie dagen geleden zou ik me doodgeschaamd hebben voor de zielig onderdanige positie waarin ik me nu bevond- gelukzalig glimlachend, in foetushouding voor een gewapend strijder die me liefst zo snel mogelijk wilde afmaken. De trots is samen met mijn levenslust vertrokken. Doodgaan, hoe egoïstisch ik het van mezelf ook vind, is het mooiste wat me nu nog te wachten kan staan. De strijder roefelt wat in z’n achterzak en ik ben ervan overtuigd dat hij iets zal bovenhalen wat m’n dood alleen maar pijnlijker zal maken. Met verraad van Het Verbond, wordt bij die mannen niet gelachen. Even denk ik dat de vastenwaas me nu ook al hallucinaties bezorgt, als ik zie dat het voorwerp dat uit de zak van z’n lelijke groen-katoenen broek komt een eenvoudige iPhone is. Ik hoor mijn broer nog steeds monologen afsteken over de miserabele prijs-kwaliteitverhouding van die dingen en bedenk me dat geen broers zo verschillend konden zijn dan wij twee. Hij de econoom, ik de nuchtere infiltrant, de miseriezoeker die zo nu en dan al eens wat bendes wist op te rollen.  Met zijn vette vingers, die typen op zo’n touchscreen er waarschijnlijk niet makkelijker op maken, vormt hij aarzelend het nummer dat op de achterkant van een rekeningetje gekrabbeld staat. Een rekeningetje van Mc Donalds, merk ik verdacht helder op. Niet dat ik iets anders van deze obese, woesteling verwacht had, maar het blijft me storen dat niemand zich ook maar iets van de nutritionele waarde van voeding lijkt aan te trekken. Mijn afgedwaalde gedachten landen prompt terug op de containerbodem wanneer de vent me zijn iPhone aanreikt. Ik verwachtte de Leider te horen, die me een laatst mogelijke keer zou inwrijven dat mijn missie naar de knoppen is. Hij zou dan beschrijven hoe ze mijn dood zouden filmen, op Youtube posten en iedereen er zo van overtuigd zou zijn dat met Het Verbond niet te sollen valt. De stem die uit de speaker van de smartphone komt, lijkt in geen jaren op de hese gekir van de Leider. Ze weten wat psychologische oorlogsvoering is, die gasten, want deze stem is inderdaad dé manier om mijn laatste levensminuten pijnlijker dan mogelijk te maken. Het is haar stem, haar zachte volle stem. Lager dan de meeste mannen gepast zouden vinden voor een vrouw, maar zo vertrouwd, zo zoet. Haar stem is gezwollen van woede. Zonder ook maar iets aan mij te vragen begint ze me uit te schelden. Dingen over foto’s van een brunette op stiletto’s, scheidingspapieren en teleurstelling. Zonder dat ik ook maar een woord kan uitbrengen- in de veronderstelling dat ik daar op dit moment toe in staat zou zijn- schreeuwt ze dat ze dat ze nooit van me had mogen houden en begint schortend naar adem te happen terwijl haar uithalen afvlakt naar vermoeidheid en verdriet. Ik hoor iets te zeggen, niet? De filosoof in m’n hoofd weet het even ook niet meer. Het enige wat ik weet is dat ik verdomme zo graag zou willen dat dit een film was en er me nu op miraculeuze wijze iemand de kracht gaf die dikke vent knock-out te slaan, te ontsnappen en terug te gaan. Terug naar Amber. Ik zou haar ten huwelijk vragen, er zouden een paar wilde jaren verstrijken en dan zouden we kinderen hebben en nog lang en gelukkig leven. Einde verhaal. Aftiteling en opgewekte muziek. Amber snikt nog steeds en tegen alle regels der mannelijkheid in merk ik dat machteloosheid ook tranen uit mijn ogen heeft weten te wringen. De mollige strijder lijkt het sentimenteel schouwspel niet langer te kunnen verwerken, rukt de iPhone uit m’n magere, beverige handen en duwt Amber met 1 welgemikte por op het scherm weg uit mijn leven. Mijn leven, waarvan over enkele luttele seconden niet veel meer dan wat herinneringen zullen overschieten. Met zijn hoofd al bij de Big Macs  van straks maakt hij zijn pistool klaar om de routineklus af te handelen. Ik ben niet bang. De filosoof in mijn hoofd heeft het bij het rechte eind, ik bén niet bang. Ik ben klaar. Klaar om de zoveelste, gefaalde infiltrant te zijn. Ze zullen mijn naam na deze oorlog in een muur krassen en elk jaar zullen oude vrouwen wat bloemen bij de steen leggen. Iedereen zal ons prijzen voor onze moed en onze heldendaden. Ze moesten eens weten, hoe graag wij dappere helden op het einde net als iedereen ook gewoon naar de dood snakken. De dood, het einde van die tijdsverdoenerij hier op aarde. Tijdsverdoenerij die de één vult met hoofdbrekende economische theorieën over Apple, de ander met het idealistisch bestrijden van het kwaad. Keuzes, zijn het de ware schatten van het leven, denkt de filosoof nog in m’n hoofd. Een klik, een welgemikt schot. Zalige leegte die men de dood noemt.    

Anne-Sophie
0 0
Tip

Duivenpaleizen ten val

Als ge geluk hebt, wordt ge geboren in een tijd die bij u past. Een tijd als een soepel extra velletje, eentje zonder plaats te veel. Een tijd die u in uw waarde laat, u u laat zijn.   //   Gij, gij paste perfect in uwen tijd. Gewoon doen wat opgedragen, volgen, geen existentiële vragen of roekeloos gedrag, geen verre reizen of ontdekken van nieuwigheden.  Gij, uw constante huppelen achter de bazen, zoals uw kefferke thuis.  Geen ambitie, 45 jaar en hoogstens 5 dagen ziek, achter de band versleten. Moeder de vrouw had het eten ’s avonds gereed. Uw kinderen, noodzakelijk kwaad door God bepaald. Eén passie: uw duiven. Voor hen week alles. Uw grote geluk, uw goeroeloze meditatie, yoga, saunabeurt, enzomeer.   Gij, vervuld van liefde voor uw gevleugelde vrienden.   Uw vrouw, de kinderen, zij moesten het met elkaar beredderen. Zij hebben u nooit gekend, ge kende uzelf niet. Uw duiven, de enigen. De enigen die u steeds weer met groots enthousiasme verwelkomden.   Ge werd te oud, uw duiven moest ge laten gaan. Wat later waard gij zelf eraan.     //   In onze tuin kijken we recht op de ruïne, de stenen versie van uw stijlloos luxueus tuinhuis, de duivenrange, uw stille paleis, uw enige thuis. Het ligt er triestig bij. En toch, telkens we uw kleine paleis kruisen, komt er een warme gloed ons tegemoet.  Uw ziel bleef daar, uw liefde bleef steken. Onze kinderen bewonderen dat megalomane kasteel, plek van dierenverafgoding, zouden graag deelgenomen hebben aan de sport.  Te jong om te beseffen. Het vallen van de duiven.    De tijden zijn veranderd. Duiven in verval. Uw beste duif vloog zich te pletter tegen onze ruit. Het moet een voorteken geweest zijn. De blik in uw ogen toen ik ze verward terugbracht, was hartverscheurend. Ge wist het toen al, ik wist het, wij wisten dit toen al.   Duiven in verval. Niet alleen in onze achtertuin.   Kent gij nog jonge viriele mannen aan huis gekluisterd?   Mannen die het mountainbiken, skiën, snowboarden, hitchhiken, raften enzomeer laten staan voor hun tweevoetige vrienden thuis? Mannen die genieten van het stille oppervlakkige duivenleven, van het stront schrapen, de blauwe stofjas?  Mannen die de stilte claimen als hun duiven vallen, omdat zij zelf verlangen naar dat prikkelloze bestaan? Mannen die het gezinsleven zonder schaamte aan hun vrouw of man overlaten, wiens thuis een klein hok groot is, wiens grootste liefde minstens 10-koppig en 20-potig is?   Ik ken er geen een.   //   Wat doen dan al die mannen, voor het duivenmelken bestemd, vandaag?  

M A R T H E
86 8

DROOMTIJD

  Ik ben de slang, de kangoeroe, de hagedis, de dingo. Gedragen door de thermiek boven de gloeiend rode kiezel, Uluru genaamd, ontketen ik het eerste volk van dit continent. Ik vlieg. Ik droom. Hete wind raast in mijn oren. Schitterend licht lokt me hoger en hoger in het blauwe. Het rood is nu ver weg. Het blauw verdonkert, wordt indigo, wordt zwart. De Melkweg leidt me naar de diepste spelonken van de ruimte, waar de dromen ontstaan die de aarde hebben gevormd. In de ruimte ben ik niets, ik weeg niets, materie verdwijnt in het zwarte gat en ik zweef in het spoor van mijn droom. Lachvogels lokken me terug naar de aarde, naar de rode kiezel. Het zwart vervaagt, wordt weer indigo, de sterren vervagen, het licht keert terug en ik duik als een arend naar zijn prooi, naar Uluru. Rond de rots staan de stammen van Australië. Uit duizend didgeridoos klinkt de oertoon van Gaia, de diepe toon die je doet zinderen in harmonie met de aarde. Ik ben de slang, de kangoeroe, de hagedis, de dingo. Ik ben elk element van de droomtijd. Elke breuk, elke groef, elke holte in de heilige rots is een spoor van mijn verhaal. Ik wijs de weg terwijl ik droom. Ik word wakker in een houten hut op de camping nabij Ayers Rock. Ik ben een blanke westerling, een reiziger, een gast. Voor ik hierheen kwam voedden lectuur en films mijn nieuwsgierigheid naar het oervolk dat hier tot tweehonderd jaar geleden ongestoord heeft geleefd. De droom brengt me wel heel dicht bij de aboriginal, die me zal begeleiden tijdens een wandeling rond de rots. We ontmoeten mekaar aan de voet van Uluru, waar hordes toeristen zich verdringen aan 'The Climb', het spoor dat ze tekenen terwijl ze de top proberen te bereiken. Hun prestatie wordt beloond met een glas champagne en een T-shirt met 'I climbed Ayers Rock' erop. Renita is een Anangu, lid van de clan die enkele tientallen jaren geleden de rots heeft teruggekregen van de Australische overheid. Ze zal me meenemen in het traditionele leven van haar stam. Ze draagt het uniform van een park ranger, een toegeving aan de eisen van haar functie. Haar traditionele uiterlijk met de enorme donkere ogen in haar zacht, ronde gelaat, omkranst met een warrige bos blonde haren, haar brede glimlach, stellen me meteen op mijn gemak. We verwijderen ons van het hysterische circus bij 'The Climb' en stilaan nemen de geluiden van de woestijn bezit van Renita en mij. Ze zegt niets en ook ik zwijg. Als hoogpotige reigers proberen we de staalharde naalden van het spinifex gras te vermijden. De rode muur altijd dichtbij, overheersend maar niet bedreigend. Wat maakt dat schuifelend geluid? Een slang? Een hagedis? Een vogel lacht in een eenzame boom. Een koel briesje verzacht de hitte en kietelt mijn oren. Ik imiteer Renita als ik de opdringerige, alomtegenwoordige zoemende vliegen met een lome handbeweging voor mijn mond en ogen probeer te verjagen. We gaan zitten in het rulle, rode zand, in de schaduw, vlak bij de rots. De tjukurpa, de droomtijd, draagt me naar een oeroude herinnering. Ik ben Kuniya, de slang. De afdruk van mijn slingerend lijf staat in de rots gegrift en vertelt mijn verhaal. Ik leefde heel lang geleden in tjukurpa,. Op een dag werd ik aangevallen met speren door een groep Liru, mythische vijanden van de slang. Lang duurde mijn strijd terwijl ik kronkelend de scherpe punten probeerde te ontwijken. Mijn verhaal en de ontelbare pijnscheuten staan als diepe gaten in steen gebeiteld naast de slingerende lijn van mijn doodstrijd. Renita neuriet voor mij de gezangen van het landschap, het lied van de droomtijd, die haar de weg wijzen in de woestijn. Ik leg mijn vingertoppen op de heilige rots en voel de diepe trilling van dit oeroude continent. De vogel lacht en de wind zingt een lied in de groeven en spleten van dit magisch symbool.   Ik ben Japara, de kangoeroe. Ooit leefde ik in de zee tot een krachtige wervelwind me optilde en me over het land blies. Over wouden en bergketens werd ik gedragen naar de plaats die nu Uluru wordt genoemd. Daar kon ik met mijn staart en achterpoten houvast vinden aan een boom. De wind rukte en trok aan mijn lichaam en ik voelde mijn staart en poten uitrekken tot ze leken te scheuren. Plots loste de boom zijn greep op de aarde, zijn wortels openden de bodem en vormden een bron bij de rots. Ik lag uitgeput onder de boom: poten en staart verlengd en vervormd. Zo werd ik de kangoeroe die iedereen nu kent.   Zachtjes zingend, plukt Renita een besje hier, enkele blaadjes daar. Ik luister naar haar aangename, diepe stem en ik dompel mezelf onder in de restanten van de oeroude wereld die zij vertegenwoordigt. Wat ze plukt mag ik proeven: het zuur-zoete bushtomaatje, het eucalyptusblad met de citroensmaak, de pepersmaak van een wortel. In de schaduw van een boom houden we halt.   Ik ben Linga, de hagedis. Ooit maakte ik een boemerang, een perfecte boemerang, de beste die ik ooit had gemaakt. In die tijd was Uluru nog een zandige heuvel en toen ik mijn boemerang wierp, kwam hij niet terug, maar verdween hij in het zand. Ik moest en zou die boemerang terugvinden. Ik groef diepe holen in het zand, schraapte met mijn tenen aan de rand in mijn zoektocht naar het verloren kleinood. Ik kon het niet vinden. Mettertijd versteende het zand en bleven de gaten, holen en verticale kloven het zichtbare resultaat van mijn queeste.   Het water in de bron staat enkelhoog, maar we toch laten we ons met de kleren aan in het water vallen. In de hete middagzon gooien we lachend handenvol water naar mekaar toe, als kleine kinderen, tot we afgekoeld en uitgerust verder kunnen. Een nat spoor van de druipende kleren en voeten achtervolgt ons.   Ik ben Lungkata, de dingo. Bij aboriginals bestaat een wet die verbiedt dat ze vrouwtjes en pups van de dingo doden. Lang geleden doodde de jager, Kapiri, twee dingopups en at ze op. Die daad werd wreed gewroken door de dingo's zodra ze het gehuil van de moeder hoorden. De boosdoener zag de dingo's van alle kanten komen aanlopen en klom in de dichtstbijzijnde boom. Lungkata, uitzinnig van verdriet om haar pups, moedigde de dingo's aan om wraak te nemen. De hele meute begon aan de boom te schudden tot hij werd ontworteld. Met een smak viel hij op de grond en het lichaam van Kapiri viel in duizend stukken. De dingo-pups kwamen levend tevoorschijn en huppelden keffend naar hun moeder terug. In de grond gaapt nu een groot gat. De grond er rond ligt bezaaid met rode rotsblokken: het gestolde bloed van de jager die de wet had geschonden.     Mijn gids leidt me weg van Uluru, verder de woestijn in. Het is middag en de zon staat hoog aan een zinderende hemel. De hete lucht trilt en siddert voor mijn ogen, schildert de vormen en kleuren in een waas van oranjerood en grijsgroen. Zonder dat ik het heb gemerkt, hebben we een schuilhut, een wiltja, bereikt. Die zal ons enige bescherming bieden tegen de vurige zon. Handig draait Renita een puntig stokje in een houten plank. Al vlug ontsnapt door de wrijving een rookwolkje. Enkele pluisjes op de rokende plank, een zuchtje adem erbij en er brandt een vuur. Uit het niets, lijkt het wel, komen een man en een vrouw naar ons toe. De vrouw draagt een houten schaal met eten, de man heeft enkele gietijzeren potten bij zich. Renita legt haar oogst van bessen en bladeren op de schaal. Ze geven kruiding met het aroma van peper of citroen aan het gerecht. Terwijl de man en de vrouw boven het vuur het eten klaarmaken, laat mijn gids me proeven van geroosterde stukjes boomlarve. Die zijn een heerlijk nootachtig aperitiefhapje in afwachting van de stoofpot van slang. Door de ongewone maar samen passende smaken waan ik me in een westers gastronomisch restaurant. Een brede glimlach tovert zich op het gelaat van de koks als Renita mijn opmerking vertaalt. Net zo mysterieus als ze gekomen zijn, verdwijnen ze terug in de woestijn.   Door een koele bries en een schaduw voor de zon komen we uit de wiltja. Een donkere wolk bolt op boven Uluru. Achter onze schuilplaats wordt het zonlicht verduisterd door een tweede wolk. Een derde wolk verschijnt achter de eenzame boom. De lachvogel zwijgt. De hagedis kruipt weg onder de versteende resten van de dingo. De ogen van de kangoeroe lichten op in één van de holen in de rots. Stilte voor de storm.   Een strakke wind steekt op en drijft de dreigende luchtmassa's samen boven Uluru. Van wit en lichtgrijs, verdonkeren ze naar een groenig donkergrijs. De rots verkleurt van gelig oranje naar een vuil-paarse tint. De lucht knettert van een ingehouden energie die toch nog onverwacht uitbarst in een veelarmige flits, meteen gevolgd door de knal van de eerste donder. Wij schuilen onder de takkenbossen van de wiltja, die amper boven de vlakte opbolt. De eenzame boom splijt onder de kracht van het natuurgeweld. De hevige windvlagen borstelen over de woestijnbodem en spuiten het rode zand in mini tornado's hoog in de lucht, terwijl alle losse takken en bladeren over de grond worden meegesleurd in de woeste dans der elementen. Ook in mijn lijf knettert een tomeloze energie, de kick, de opwinding bij het ondergaan van dit natuurfenomeen. Na het vuur komt het water: onstuitbaar, met de kracht van een waterval. Bliksem en donder laten mekaar los en verdwijnen in de verte. Het water blijft de dorstige woestijn laven.   Als een Siamese tweeling komen Renita en ik uit de schuilplaats, we kijken elkaar aan, staan onder dezelfde spanning, en beginnen te dansen in de nog altijd gutsende regen. De armen hoog in de lucht, de benen wijd, het bekken schommelend in een aloude ode aan de vruchtbaarheid. Onze kleren doorweekt, het hoofd in de nek, geven we ons over aan de elementen. Wij zijn Anangu, de mens. De levenbrengende stortvloed dondert door de groeven en spleten van de rots, schuurt zich dieper in de steen en schrijft opnieuw geschiedenis. De sporen van champagne slurpende blanke kolonisators worden weggewassen. Uluru wordt herboren en morgen is de woestijn een bloemenzee.  

Lin Jansen
20 0

Tot ziens, Marianne (deel 5)

  “Goodmorning. Welcome on board, sir,” begroet een stewardess van Singapore Airlines me. Ik neem aan dat het een stewardess is, want haar uniform is érg atypisch. Ze draagt geen stijf mantelpakje, wel een soort van veredelde pyjama. Of juister: een kruising tussen een pyjama en een nachtjapon. Het bovenstuk is een nauw aansluitend vest en het onderstuk een lange rok die tot op de voeten reikt. De blauwe satijnachtige stof, waaruit beide zijn vervaardigd, is overvloedig bedrukt met rode, turquoise en lila bloemen. Heel apart. Ik knik haar gedag en duik de cabine in, waar ik al na enkele passen door een tweede kleurige dame word staande gehouden. Deze Aziatische versie van de harlekijn murmelt me iets toe in een taal die met wat goede wil enige gelijkenissen vertoont met het Engels. Als ze doorkrijgt dat ik haar niet begrijp, draait ze haar hoofd haast ondersteboven om het stoelnummer van mijn ticket af te kunnen lezen. Wanneer haar hoofd weer rechtop staat, wijst ze me de juiste richting aan.   Terwijl ik op mijn plaats toeloop, kijk ik om me heen. Het vliegtuig lijkt wel een kerk, met een brede beuk in het midden en twee smallere opzij. Enkel de pilaren ontbreken. En een altaar natuurlijk. Waar Jan zich bevindt, kan ik niet zo dadelijk uitmaken omdat het een hectische bedoening is aan boord. Mensen verdringen elkaar in de gangpaden om eerst bij hun plaats te raken. Ik zal wel op zoek gaan naar mijn kersverse vriend als we hoog in de lucht hangen. Dan is er tijd en gelegenheid genoeg.   Mijn zitje bevindt zich in de rechterzijbeuk en blijkt het middelste van drie te zijn. Verdomd jammer vind ik dat. Ik had graag aan het raampje gezeten, maar daar zit al een vent. Op de stoel naast het gangpad zit overigens een andere vent. Geflankeerd worden door twee bloedmooie jongedames had me lekkerder gezeten. Maar een mens heeft niet altijd te kiezen.   Ik moffel mijn handbagage weg en neem plaats tussen mijn bodyguards. In de wetenschap verkerend dat ik ettelijke uren in deze kerels hun gezelschap zal vertoeven, onderwerp ik hen vanuit mijn ooghoeken aan een grondige keuring. De man aan het raampje lijkt me een zakenman. Uitgedost in een keurig maatpak is hij voortdurend in de weer met een iPhone en een tablet. Hij heeft het te druk om ook maar enige aandacht aan me te besteden. De kerel langs het gangpad is van een heel andere soort. Met zijn afgesleten jeans en ruim houthakkershemd lijkt hij op een cowboy die uit een oude Hollywoodfilm is ontsnapt. Hij zweet als een rund, ademt een misselijkmakende alcohollucht uit en slaakt om de twee minuten een ergerlijke zucht die vanuit zijn tenen lijkt te komen. Net een neushoorn die op sterven ligt. Maar wat me vooral niet lekker zit, is de beenruimte die hij nodig heeft. Ik zit amper neer of hij duwt zijn knokige knie al tegen de mijne aan. Ik háát het aangeraakt te worden. En het helpt niet dat ik wegtrek, want hoe meer ik plaats maak, hoe breder zijn spreidzit wordt.   Na het verplichte circusnummertje dat door de stewardessen mooi synchroon wordt uitgevoerd, taxiet het toestel naar de startbaan, waarna we het luchtruim kiezen. Mijn twee buurmannen zijn allesbehalve vermakelijk gezelschap: de ene is kort na het opstijgen alweer druk doende met zijn batterij aan informaticatoestellen - alsof hij op kantoor zit - terwijl de andere zijn roes ligt uit te slapen. Snurken doet hij gelukkig niet. Zijn ademhaling lijkt eerder op het repetitieve gehijg van een automatische luchtpomp.   Zodra we onze maximumhoogte hebben bereikt en het seatbelt sign uitfloept, gesp ik mijn gordel los. Ik zit op hete kolen om op zoek te gaan naar Jan Byttebier. Maar zolang die uitgerafelde cowboy naast mij onderuitgezakt ligt, zie ik mijn weg versperd door twee horden. Wil ik ontsnappen, dan zie ik me verplicht om over zijn benen te klauteren, want wakker worden wil hij kenbaar niet. Ik sta op uit mijn zitje en hijs mijn been voorzichtig over het zijne. Ik waak ervoor hem niet te raken, want een dronkenlap die wakker schrikt, kan lelijk uithalen. Ik heb zijn knokkels eens bekeken. Het vel lijkt niet de tijd te krijgen er overheen te groeien. Ik tracht zo voorzichtig te zijn dat ik zelfs de lucht onbewogen laat. Desondanks lijkt hij toch iets gewaar te worden, want net wanneer ik me met mijn beide benen tussen zijn grand écart bevind, krijgt hij een soort van stuiptrekking waarbij hij zijn wolfsklem sluit. Ik verlies mijn evenwicht en kan me nog net aan de rugleuning voor hem vastklampen om niet op zijn schoot te belanden. Als een luiaard om een tak, hang ik te bengelen, zachtjes meedeinend op de golving van het luchtschip. Nadat hij een diepe zucht heeft geslaakt en zijn bezwete kop van links naar rechts heeft laten overrollen, spert hij zijn benen terug wijd open, waarna ik de tweede horde neem. Eindelijk bevrijd, begin ik aan mijn zoektocht. Ik heb geen idee met hoeveel we de overtocht maken, maar het zijn er te veel om in één oogopslag te overschouwen. Langzaam loop ik het gangpad door, voortdurend links en rechts kijkend. Al gauw zie ik mijn weg versperd door een paar dames in pyjama die met een cateringkarretje rondhossen. Zij nemen aardig hun tijd om iedere passagier van een maaltijd te voorzien. Ik denk dat je een rotje in hun kont moet duwen om ze vooruit te krijgen.   Ik blijf een hemels geduld oefenen, tot ik plots een eind naar het staartstuk toe een man uit zijn zitje zie oprijzen met een stevige bos krullen. Ik heb zijn gezicht niet kunnen zien, maar zijn haardracht en kleding laten er geen twijfel over bestaan dat het Jan betreft. Eindelijk heb ik hem gelokaliseerd! Ik denk overigens dat hij een plas moet maken, want hij stevent af op het toilet dat zich in de staart van het vliegtuig bevindt.   “Excuse me,” hijg ik de stewardess, die met haar rug naar me toegekeerd staat, in haar nek. Ze kijkt om. “Yes?”   “I have to go to the toilet,” zeg ik, wijzend op het wc in het achtereind van het toestel.   “There’s another toilet in the front, sir!” antwoordt ze hulpvaardig, waarna ze verder gaat met het uitdelen van maaltijden. Ik vloek in mezelf, maar geef me niet gewonnen. Ik tik haar op de schouder en zeg haar dat het toilet vooraan bezet is. Ze kijkt verbaasd om.   “No, it isn’t, sir,” antwoordt ze. “Look!” Ze richt haar vinger op het groene oplichtende mannetje boven de deur. “If the sign is green, it means it’s free!” Fuck! Dat mens laat zich niet in de luren leggen.   Ik blijf nog even staan wachten. Maar wanneer we enkele minuten later nog geen millimeter zijn opgeschoven, onderneem ik een poging om me voorbij het karretje te wringen. Helaas heb ik mijn rankheid overschat en kom knel te zitten. Dat op zich zorgt al voor commotie, maar dat ik daarbij ook nog eens een teen van een medepassagier plet onder mijn hiel, maakt het circus compleet. Er worden me wat onaardigheden in de maag gesplitst. Woorden die ik niet begrijp, maar de intonatie is duidelijk genoeg. Uiteindelijk weet de pyjamadame met een behendig manoeuvre het cateringkarretje even uit de weg te rijden, waardoor ik mezelf kan bevrijden. Onder een regen van afkeurende blikken vervolg ik mijn weg.   Vijf minuten later sta ik nog steeds te wachten bij de deur van het toilet. Ik begin me af te vragen of Jan misschien problemen heeft met zijn voorstanderklier. Ik besluit aan te kloppen. Maar net dan hoor ik het toilet doorspoelen. Wanneer de deur opengaat, is het echter niet Jan die verschijnt, wel een hoogblonde dame die een weinig verkwikkelijk aroma achter zich aan sleept. Alsof in heel Egypte alle grafkelders tegelijk zijn opengelegd. Ik slaak een vloek, die gelukkig verloren gaat in het geruis van de motoren, en keer op mijn stappen terug. Opnieuw zwiept mijn blik de hele tijd over en weer, als de lichtstraal van een vuurtoren. Ergens moet die krullenbol toch te zien zijn! En ja, hoor! Halverwege het vliegtuig ontwaar ik hem. Zijn hoofd komt net genoeg boven de rugleuning uit om zijn locatie prijs te geven. Eindelijk! Deze keer kan Jan me niet meer ontsnappen!   Ik sluip naderbij en klem mijn hand rond zijn schouder. “Dag Jan!” zeg ik.   Het volgende ogenblik deins ik geschrokken achteruit. De man die me vanonder de weelderige bos krullen aankijkt, lijkt in geen mijlen op Jan Byttebier!   “Can I help you, mate?” klinkt het in onvervalst Australisch Engels. Ik krijg geen letter uit mijn strot en maak me gauw uit de voeten.   Amper zit ik weer tussen mijn twee kompanen of er wordt me een maaltijd aangeboden. Of toch iets wat daarvoor moet doorgaan. Het ziet er niet uit, maar veel keuze is er niet. Ik moet het stellen met een bord noedels waar een smaakje aanzit en een stuk vlees waarvan ik vermoed dat het aan een straathond heeft toebehoord. De Aziatische keuken draagt niet meteen mijn voorkeur weg. Reken daarbij dat ook grootkeukens zelden hun weg naar mijn persoonlijke sterrengids vinden en je weet wat voor een marteling ik onderga. Ik slaag er nauwelijks in een kwart van de smurrie door mijn keel te krijgen. Om mijn honger te stillen, verzoek ik één der pyjamadames om een sandwich, maar die blijken op. Ik moet het stellen met een appel van Sneeuwwitje, rood als een kers, maar gelukkig niet giftig.   Op de luchthaven van Singapore, waar ik enkele uren op mijn aansluiting moet wachten, is het eerste wat ik doe een eettent zoeken. Bedoeling is een doodsimpel broodje kaas te scoren. Maar Gouda lijkt niet in de Aziatische atlassen te staan. Niks broodje kaas! Dan maar wat ongedierte uit de zee tot mij genomen. Niks dat me euforisch maakt, maar alles is beter dan hond. Zelfs zeehond. Na het verorberen van mijn zeevruchten even de darmen geledigd. Vertering is pure chemie, kan ik olfactorisch waarnemen. Ik ontvlucht het bouquet van mijn darminhoud vooraleer mijn neusbeentje aan het rotten slaat. Ik hoop dat de straathond, waarvan ik een klein deel tot mij heb genomen, niet aan een overdraagbare aandoening leed.   Bij de gate, waar ik ellendig lang op mijn aansluiting moet wachten, laat ik me moedeloos op een zitje ploffen. Ik heb amper twee derde van de afstand tussen Brussel en Sydney afgelegd, maar word nu reeds verteerd door heimwee. Waar ben ik in godsnaam aan begonnen? Wat heb ik in mijn hoofd gehaald? Ik ben er de jongen niet naar om alleen op stap te gaan. Dat is iets voor kerels die vrienden maken alsof het niets is. Even hun hengel uitgooien en er hangen vijf vissen aan hun lijn! Ik sla met een hijskraan nog geen sprotje aan de haak! En de droom dat Jan mee is op het vliegtuig kan ik nu wel opbergen. Tenzij hij zich schuilhoudt in het ruim, maar dan vrees ik dat hij intussen wel diepgevroren is. Nee, het was niet meer dan een illusie. Jammer.   Terwijl ik half ingedommeld onderuit geleund op mijn zitje hang, zie ik plots een meterslange blondine komen aanwandelen met de gratie van een middeleeuwse koningin. Op slag ben ik klaarwakker en zet me overeind. WTF is dit?!? Nooit eerder in mijn twintigjarig bestaan heb ik zo’n gracieuze verschijning gezien. De omgeving rond haar lijkt op te lichten, alsof haar aura baadt in een neongloed. Haar lange blonde haren heeft ze in een paardenstaart geknoopt, die tot halverwege haar rug reikt, en haar gelaatstrekken zijn zo verfijnd dat je zou geloven dat ze van de hand van een meester-beeldhouwer zijn. De nauwe spijkerbroek die ze omheeft en waarvan de pijpen in halfhoge lederen laarsjes verdwijnen, zit als een tweede huid rond haar kont. Verder draagt ze een rode sous-pull met opstaande col, en hangt over haar heupen losjes een brede ceintuur met koperen gesp te bengelen. Een korte jas met lederen mouwen en een modieuze hoed vormen de kers op de taart. Dit goddelijke wezen voldoet werkelijk aan elk denkbaar schoonheidsideaal. Eender welke beweging ze maakt, de gratie straalt er vanaf. Met een mond als een tochtgat zit ik toe te kijken hoe ze precies tegenover mij komt zitten, omdat zich daar toevallig het enige nog onbezette zitje bevindt. Ik smelt van verlangen haast door mijn plastic stoel.   Het volgende halfuur lijk ik als in een droom te beleven. Ik zie hoe miss Universe, als een koningin die van op haar troon haar volk aanschouwt, haar blik over de wachtende passagiers laat dwalen. Uit haar oogopslag spreekt een zekere zelfingenomenheid, maar dat is haar verwaardigd. Goden hóren zich boven de mensheid verheven te voelen. Daarom zijn het ook goden! Daar hoeven we niet kleingeestig over te doen.   Hoe langer ik naar haar kijk, hoe meer ik door haar gebiologeerd raak, tot ik me zelfs mijn eigen naam niet meer kan herinneren. Het valt me op dat ook zij met de minuut vaker - zogezegd toevallig - naar me kijkt. Telkens onze blikken elkaar kruisen, voel ik mijn ziel verwarmen. Haar blik heeft de kracht van een röntgenstraal! En iedere keer is er die aarzeling, alsof het haar moeilijk valt haar blik weer af te wenden.   Na een tijdje graait ze plots in haar handtas en diept haar telefoon op. Ik kijk als in trance toe hoe ze, met duimen als spechtensnavels, op het kleine klaviertje een bericht intikt… tot mijn trillend mobieltje in mijn broekzak me met een ruk uit mijn extase haalt. Ik diep het toestel op en kijk naar het oplichtende display. Net als vorige keer is het bericht afkomstig van een onbekend nummer. Ik duw op ontgrendelen en lees: 'Are you experienced?'. Ik voel mijn adem stokken en kijk van mijn toestel naar de blondine en weer terug. Hoe…? Ik voel me rood kleuren tot in mijn nek en durf haar niet meer aan te kijken. Maar dan staat ze plots op, gooit met een geroutineerde handbeweging haar paardenstaart los en hangt de riem van haar handtas over haar schouder. Nog even kijkt ze me indringend aan en zet dan koers richting toiletten. Alsof ik ontheven word aan de zwaartekracht, word ik uit mijn stoeltje gelicht en ga achter haar aan. Ik ben er me nauwelijks van bewust wat ik doe. Mijn lichaam lijkt een eigen leven te leiden. Nadat ze me nog een laatste zwoele blik van over haar schouder heeft toegeworpen, duikt ze de toiletten in. Vervreemd van iedere realiteitszin, ga ik haar achterna.     “Excuse me, young man, this is the ladies room,” klinkt het scherp. Ik kijk op en zie een lelijke vrouw van middelbare leeftijd via de spiegel naar me staan kijken. Ze heeft haar onderste ooglid met een wijsvinger naar beneden getrokken en houdt een zwart potlood in de aanslag. De betekenis van haar woorden dringt niet tot me door en ik loop verder. Van de blondine geen spoor. Zij zit wellicht reeds een klaterende gouden straal in een toiletpot te mikken.   “Son, now you get the hell out of here, or I call the security!” krijst het lelijke mens. Ik draai me om en sta oog in oog met haar. Ze heeft zich naar mij toegekeerd en houdt haar potlood als een puntige dolk naar mij toe gericht. Uit lijfsbehoud keer ik me vliegensvlug om en hol de toiletten uit. Buiten wachten lijkt me veiliger.   Enkele minuten later verschijnt de blondine opnieuw. Terwijl ze me voorbij loopt, werpt ze me een indringende blik toe. Opnieuw huppel ik in een soort van trance achter haar aan.   Onze zitplaatsen blijken intussen ingenomen te zijn. Noodgedwongen blijven we rechtstaan, zij ter hoogte van het raam, ik een meter of tien van haar vandaan. Ze steunt om beurten op haar linker- en rechterbeen en houdt dan telkens de knie van het andere been nonchalant gebogen, alsof ze poseert voor een foto. Ik kom haast klaar in mijn broek van verlangen en besluit nog wat dichter bij haar te gaan staan. Ik nader haar tot op een kleine meter en laaf me aan haar zoete parfum. Eerst doet ze nog even of ze me niet opmerkt, maar dan draait ze plots het hoofd naar me toe en kijkt me doordringend aan.   “Are you stalking me?” vraagt ze.   “W… wat?” stamel ik.   “Are you stalking me?” herhaalt ze. “Leave me alone, will you. Pervert!” Ze heft haar goddelijke lichaam van haar steunbeen en loopt van me weg.   De grond lijkt onder mijn voeten weg te zakken. Nu de zeepbel om mijn hoofd is ontploft, daagt het me dat ik me als een gek heb aangesteld. Hoe idioot moet ik zijn geweest om te denken dat deze godin het met mij zou aanleggen? Ik weet niet waar te kruipen van schaamte.   Een dik uur later, bij het inschepen, merk ik dat ze twee rijen voor mij zit. Dat laat me toe te zien dat ze zich erg hooghartig gedraagt tegenover het cabinepersoneel en ieder contact met medepassagiers vermijdt. Geen koningin zo mooi of haar troon is aangevreten door houtworm.   (foto: ©photosuus)

Lou Van Lier
0 0

I. De Reünie

Vanuit mijn wereld stappen in die van het verleden. Onmogelijk? Nochtans staat het me vandaag te gebeuren. Helemaal gepakt en gezakt gaat mijn hedendaagse leventje met het vliegtuig een 20-tal jaren terug. “Taxi!” Ik kijk nog één maal achterom: mijn huisje, mijn voortuin, mijn moto… Ik laat alles tijdelijk aan zijn levenloze lot over. Ik stap in, groet de chauffeur en bedenk me hoe belachelijk tradities eigenlijk wel zijn, maar tevens peins ik hoe suf het zou zijn moest ik als enige niet komen opdagen. De gehele rit zit ik uit de autoruit te staren, kijkend naar wat had kunnen zijn.   Om eerlijk te zijn had ik hier niet erg veel, maar het was genoeg. Zeker voldoende om het verre verleden uit mijn gedachten te bannen. Echter, toen kwam de brief of beter de uitnodiging van Sarah. Nooit gedacht dat ook maar iemand, behalve de harde kern van vrienden uit mijn geboortedorp, mijn nieuwste adres zou kennen. Zou Hij het gezegd hebben? Misschien. Volledig naast de kwestie piekerend stapte ik uit het witgele vervoermiddel. En na het onnoemelijk veel-te-veel-betalen, snel ik met mijn bagage bij de hand naar de ingang van het vliegveld. Ik nader de automatische schuifdeuren en begin hevig te zweten. Het gevoel dat een afstand van tien meter meer dan een volledig uur in beslag neemt – IJskoud is het hier in Barcelona. – De deuren openen niet, ze openen niet, “Yes!” Ze openen niet! Maar met mijn neus tegen de beglazing aangedrukt openen ze uiteindelijk dan toch.   Ik vind mijn kalmte terug en zorg ervoor dat ik mentaal klaar ben voor de periode van aanschuiven en wachten. Ik schakel mijn bewustzijn uit en reboot mezelf pas weer wanneer ik in het vliegtuig zit. Een nieuw model? Men kan bijna volledig door de zijkant en het uiterste deel van de onderkant kijken. Eindelijk lijkt het vliegen écht. Niet langer zit ik in een machinaal monster dat vervuiling als uitwerpselen creëert, maar wel in iets moois. Vliegen is nu het letterlijke beeld waarvan iedereen ooit eens heeft gedroomd. Dat is, als ik richting de zijkanten tuur, want kijk ik recht voor me uit dan zie ik nog steeds één of andere irritante kleuter in zijn toch voortdurend bewegend zitje dat periodiek tegen mijn knieën botst. Weg magie, daarom droom ik maar weg.   Ik ben nog niet wakker, neen, dat duurt nog een kwartiertje. Toch ben ik genoeg ontwaakt om het einde van mijn droom te beleven. Ik sta op een verlaagd platform, alleen en in het midden. Ik kijk om me heen en zie honderden roltrappen waarvan de bewegende band slechts naar me toe komt. Ontsnappen kan dus niet, de band beweegt immers razendsnel naar beneden toe. Desondanks staan er mensen aan de bovenkant en minstens tientallen begonnen te midden van de trap en geraakten zonder problemen boven. Verward word ik wakker en merk ik dat we aan het landingsmanoeuvre begonnen zijn.   Ik ben een vaste slaper.

LAC
0 0
Tip

Opportunist

Een terugblik.   Het is Aswoensdag en op de autoradio speelt Tourist LeMC. Hij zingt over de liefde en hoe daar niet mee hoort gesjacherd te worden. Vandaag begint Dagen Zonder Vlees en voor de vierde keer neem ik deel. Het lijkt routine geworden – kaas en veggiesmeersels op de boterham, quorn in de hutsepot – maar dit jaar is er iets verschoven, als een beeld dat door de cameralens eindelijk scherp wordt gesteld.   De voorbije jaren had ik een dubbele missie: niet alleen minderen in vlees en vis, maar ook nog eens in alcohol. Een bijna katholieke invulling: spijs en drank derven. Ik had een welomlijnd doel: als ik op het einde van de Dagen Zonder Vlees, met Pasen dus, aan vijftig dagen ‘zonder iets’ zou komen, dan was ik geslaagd. Een dag zonder vlees of vis was evenveel waard als een dag zonder alcohol. Een dag zonder beide telde dubbel. Op het prikbord hing een papier met twee kolommen: ‘vlees/vis’ en ‘alcohol’. Op elke dag zonder mocht ik een kruisje zetten. Soms dus twee.   Om dat doel te bereiken had ik een eigen telling. Twee dagen met alleen maar vis en geen vlees was toch goed voor één kruisje in de vlees/vis-kolom. Schaaldieren rekende ik niet mee, want die zijn vis noch vlees, toch? Dat maakte het handig om ‘s middags in de bedrijfskantine de dagschotel te omzeilen met een tomate-crevette. En een glaasje wijn na middernacht: ach kom, dat mocht wel op het conto van de volgende dag. Alles om de vijftig kruisjes te halen – wat op die manier ook gemakkelijk lukte.   U merkt het: arithmétique hollandaise. Ik maakte mijn eigen versie van Tourist LeMC zijn lied. Maar dit jaar reed ik op de eerste Dag Zonder Vlees naar de redactie en neuriede ik in mijn hoofd mee:   ik heb zitten marchanderen opportunist moar met ons eten onderhandelde ni   Gedaan dus. Geen rekensommetjes meer. Geen vlees-vis-garnaalgesjacher meer. Oké, ook geen grote alcoholdervingsplannen meer, maar je moet niet meer hooi – no pun intended – op de vork nemen dan je kunt dragen. Ik zou cold turkey gaan met vlees en vis. Die middag was er in de bedrijfskantine een vegetarisch alternatief voorzien. Het universum knipoogde naar mij.   Vijf weken later.   Cold turkey gaan bleek gemakkelijker dan verwacht. En het is nog gemakkelijker als je het met anderen deelt. Ik heb gemerkt: men is (doorgaans aangenaam) verrast, je krijgt tips, je wordt aangemoedigd… Ik heb ondertussen mijn weg naar de biowinkel gevonden, daar zijn meer alternatieven voorhanden en de veggiesmeersels zijn er smakelijker dan in de supermarkt – om van die mieters lekkere spinazieburgers nog te zwijgen.   Heb ik niet gezondigd in die vijf weken? Jawel. Ik heb op bezoek bij mijn moeder één keer vis gegeten. En op een quizavond zaten er plots enkele balletjes in de verse soep. En na het voetballen taste ik onnadenkend toe wanneer er een portie bitterballen op tafel verscheen. Waarmee nog maar eens bewezen is: bij een maaltijd denk je na, snacks werk je achteloos naar binnen. Soit. Vijf weken dus. En nog steeds geen afkickverschijnselen. Daar gaan we een glas op drinken.  

Peter Mangel Schots
24 0

Mijn tuin

Morgenrood stijgt op in het Oosten en kleurt de velden guldenroede. Dauwdruppels glijden van groene grassprieten, opgeslokt door de aarde nooit meer teruggezien. Vieze blote voeten steken de straat over op zoek naar weelde.   Goudgeel met zwart gestreepte bijen strijken neer op de bloeiende Hibiscus syriacus Coelestis, die met haar stampers en stempels menig insectenbeest naderbij lokt. Ook mijn ziel laat ze niet onbemind wanneer haar zoete aroma het diepste van mijn binnenste bereikt en mijn hart doet openbloeien.   M’n voeten zakken weg in de natte aarde wanneer ik dichterbij tracht te komen, maar de bijen zijn er snel bij om me weer weg te jagen. Iemand als ik is immers niet welkom in de wereld van de schoonheid.   Ik buig door mijn met aarde bevlekte knieën, mijn handen gravend in de laag haksel die het tuinperk omgrenst. Flinterdunne houtsplinters planten zich in mijn doorzichtige huid. Een enkele mier baant zich een weg door het pluis op m’n rechterarm. Een feestmaal: twee lange regenwormen komen aan hun eind.   De Helideca decapetalus woekert verder met een vastberadenheid zelden voorkomend in de wereld van de Hominidae, van morgenrood tot schemering over nacht en dageraad. Ik bewonder haar om haar onuitputtelijke wilskracht.   Naast de klokvormige Euchera staat de blauwviolette Houstonia Caerulea, net als ik verlangend naar idyllische vergezichten van bergen en stranden uit dromerige schilderijen. Maar mijn wereld is hier.   Als de heldere maan de plaats van de ondergaande zon inneemt ontsteken de Kniphofia’s. Hun helder licht hult het tuinperk in een bitterzoete oranjerode gloed. Voor ik naar huis terugkeer kijk ik een laatste maal om naar mijn tuin.   Vieze blote voeten steken de straat over en vinden hun weg terug naar het door de regen doorweekte kartonnen huis.

Orin
0 0

Tot ziens, Marianne (deel 2)

Hoewel het middag is en zonnig, is de woonkamer gehuld in een mistroostige schemer. Het rolluik is neergelaten tot op een hoogte van een paar centimeter, waardoor slechts wat diffuus daglicht de kamer binnenvalt. Moeder staat rechtop voor de bank, met haar vingers in elkaar gestrengeld als een ingewikkeld vlechtwerk, als tijdens de voorlezing van het evangelie in de kerk. Ze biedt een treurige aanblik. Zodra ze ons ziet verschijnen, zijgt ze neer op de bank en vist een zakdoek uit haar mouw, alsof ze net het overlijden van een dierbare heeft vernomen. Ik hou verward mijn passen in en voel mijn adem stokken. In een flash word ik teruggeworpen naar de dag toen opa doodging. Opa was een beroepsmilitair op rust, die een stuiver bijverdiende als tuinman bij de notaris. Die ochtend hadden ze hem gevonden in de grote tuin achter het notariaat. Enkel zijn voeten staken nog uit het struikgewas. Bezweken aan een hartaanval. Ik weet nog dat vader me op dezelfde manier de kamer binnenleidde. Moeder zat toen ook te wenen op de bank. Ik was vier en begreep niet wat er gebeurde. Er werd me verteld dat ik opa nooit meer zou zien. Maar de woorden “nooit meer zien” vormden een begrip dat mijn kleine hersens niet konden vatten. Van het woord “nooit” begreep ik de draagkracht niet. Later die dag kwam een vreemde man op bezoek die gekleed ging in een zwart pak en zijn haar in een keurige scheiding had. Deze man, die met een opvallend zachte stem sprak, toonde prentjes waarop kruizen stonden afgebeeld. En engelen. Of grafstenen. En hij liet vader en moeder tekstjes lezen of las ze zelf voor. Kleine gedichtjes. Vaak niet meer dan wat rijmelarij. Vijf dagen bleef het rolluik dicht. Vijf volle dagen! Het was alsof met opa ook de zon was heengegaan. De hele dag zaten we in het halfduister rond de tafel. De radio mocht niet aan, en als we praatten, werden we met een strenge blik tot stilte gemaand. Af en toe vergat ik dat ik me koest hoorde te houden en slaakte ik een kreetje of een lach, wat me telkens op een klap tegen mijn achterhoofd kwam te staan. Ik wilde niet ongehoorzaam zijn, maar van een kind van vier, dat niet begrijpt wat er aan de hand is, kun je niet verlangen dat het dagenlang stil op een stoel blijft zitten.   Vader geeft me een gemene por in mijn rug om me verder de woonkamer in te loodsen. Als een verdachte die wordt voorgeleid, moet ik verschijnen aan moeder. Ze heeft voor de gelegenheid haar haren in een ouwerwetse dot gedraaid. Op deze wijze herinnert ze me aan oma toen die al tegen de tachtig liep en geen raad meer wist met haar uitgedunde haardos. Ook zij droeg zo’n dot. Het valt me op dat moeder net zo’n kleine oorschelpen heeft als oma. Ze lijken wel tegen haar hoofd te plakken. Bij vooraanzicht merk je nauwelijks dat ze oren heeft. Ook het demonstratief aanwenden van haar zakdoek, heeft ze van haar moeder. Oma zag je na de dood van opa nooit meer zonder zakdoek. Haar neus droop voortdurend van het zelfmedelijden. Eigenlijk was oma een uitmuntende actrice. Ze beheerste ook perfect de rol van kreupele, herinner ik me. Ze bewoog zich voort als een kakkerlak die een paar poten miste. Tot ze ergens van schrok en de honderd meter liep binnen de tien seconden. Hoe ouder moeder wordt, hoe meer ze op oma begint te lijken.   Vader port me opnieuw in mijn rug. Met een nijdige vinger recht in mijn nier! Ik kijk geërgerd om. “Nou? Waar wacht je op?” vraagt hij. “Vertel je moeder maar wat je mij hebt verteld.” Ik kijk van hem naar moeder en voel mijn keel dichtslaan. “Nou?” Ik krijg geen woord over mijn lippen. “Hij blijft bij zijn plan om na zijn reis naar Australië op zichzelf te gaan wonen,” hoor ik vader dan maar zelf opwerpen. Hij heeft nu pal achter mij postgevat om de dreiging zo groot mogelijk te maken. Zijn zure adem in combinatie met zijn okselgeur doet me kokhalzen. Misschien moet moeder hem voor zijn verjaardag maar eens een deo cadeau doen. En een mondspray. “En hoe denkt hij dat te kunnen betalen?” vraagt moeder hem. “Als hij maar niet denkt dat wij hem geld gaan toestoppen!” snuift vader. “Ik zal wel een baantje vinden,” antwoord ik bedaard. “Een baantje?!? Maar dan komt er van studeren helemaal niets meer in huis!” roept moeder uit. Vader komt mijn gezichtsveld ingewandeld. Hij gaat naast moeder op de bank zitten en strijkt zijn haarlok glad. Met z’n tweeën kijken ze naar me op. Ik lijk wel terecht te staan voor een volkstribunaal! “Zullen we hem dan maar ineens zeggen waar het op staat?” vraagt vader met schuin geheven hoofd vanuit zijn mondhoek, zonder zijn blik van mij af te wenden. Zijn wimpers gaan tegen een haast supersonische snelheid op en neer. Moeder neemt het woord. “Kijk, jongen,” begint ze. “Je vader en ik hebben begrip getoond voor het feit dat je even op een dood spoor zat. We vonden het verschrikkelijk dat je stopte met je studies, maar we wilden je niet onder druk zetten. We hebben ingezien dat die rechtenstudie misschien wat te hoog gegrepen was voor jou. Wellicht hebben we je mogelijkheden wat te hoog ingeschat. Daarvoor slaan we mea culpa. Maar het is nooit onze bedoeling geweest om je te laten stoppen met studeren. Toen je kwam aanzetten met dat idee om een “sabbatjaar” in te lassen, zoals je het zelf noemt, hebben we ons enkel maar akkoord verklaard omdat je dit academiejaar toch nergens meer terecht kon. Er zat, met andere woorden, weinig anders op. Dat je daarna met de idee kwam aandraven om voor een half jaar naar Australië te gaan… dat was al een ander paar mouwen. En de reden die je opgaf! Om te ‘herbronnen’! In Australië, godbetert! Da’s aan de andere kant van de wereld! Alsof je in België of Nederland niet kunt ‘herbronnen’. In een Norbertijnenabdij kun je zo op retraite.” Vader steekt zijn vinger op om het woord te vragen, als een schooljongen in de klas. “Als ik daarover terloops mijn mening mag geven,” voert hij aan. “Ik vind het getuigen van een onvoorstelbare arrogantie dat steeds meer jongeren op kosten van hun ouders ergens grote sier gaan maken onder het mom van het houden van een ‘sabbatjaar’. In onze tijd was zoiets ondenkbaar! Wij waren al blij als we met onze ouders op bedevaart naar Lourdes mochten! Mèt onze ouders! Niet alleen!” Moeder legt haar hand op zijn arm om hem te sussen. Tenminste, daar heeft het alle schijn van. In werkelijkheid gaat ze liever door op haar elan. “In ieder geval,” zegt ze, “ook met dat plan hebben we ons akkoord verklaard, zij het niet met overtuiging. Maar we waren na veel wikken en wegen van oordeel dat het misschien van nut zou kunnen zijn. Al was het maar omdat je daardoor misschien eindelijk eens zou inzien hoe goed er hier voor je wordt gezorgd.” “En hoe moeilijk het is om voor jezelf te zorgen,” vult vader aan. Moeder neemt van de interventie van vader gebruik om haar neus te snuiten. Ze werpt een aandachtige blik op wat in haar zakdoek is achtergebleven. Alsof ze denkt dat er vreemde dingen in rondkruipen. “Maar dan…” gaat ze verder. “Gisteren! Alsof het allemaal nog niet erg genoeg was, kom je gisteren met het idiootste idee ooit aanzetten. Jongen, waar zit je met je gedachten? Om een flat te kunnen bekostigen, moeten je gaan werken. Maar hoe kun je ooit werk vinden als je geen diploma hebt? Je weet net zo goed als ik dat je zonder diploma geen kant uit kunt. Het is dus noodzakelijk dat je blijft studeren, jongen. We vinden wel een richting voor je waar je ’t makkelijker hebt…” “Ik wil niet meer studeren,” zeg ik beslist. Ze kijkt me met grote ogen aan. Verbijsterd. “Het is geen kwestie van willen, maar van moeten!” zegt ze ongemeen hard. Ze gooit een zijdelingse blik op vader, wiens hoofd heftig op en neer gaat als dat van een vilten hondje op de hoedenplank van een auto. “Je gaat je plooien naar onze wensen,” zegt hij. “Ik dacht het niet!” doe ik dapper. Ik tracht beheerst te klinken, maar er schemert onzekerheid door in mijn stem. Er valt een geladen stilte. Ze bekijken elkaar op een manier die mijn argwaan wekt. Het heeft er alle schijn van dat ze zich niet zomaar gewonnen zullen geven. Ik ben bang dat ze nog een joker achter de hand hebben. “Goed. Dan rest ons nog maar één mogelijkheid om jou tot rede te brengen,” werpt moeder op. Ik weet niet of het mijn verbeelding is, maar even meen ik een gemene grijns in haar mondhoeken waar te nemen. Ik voel me onrustig worden. Ik weet nu wel zeker dat ze het hier niet zullen bij laten. De aap staat op het punt uit de mouw te komen. Alsof ze me meedeelt dat ze voortaan de boodschappen op vrijdag zal doen in plaats van zaterdag, zegt ze me doodgemoedereerd dat het ticket naar Australië het laatste is wat ze voor me hebben betaald. Ze voegt er voor de duidelijkheid aan toe dat ik geen cent meer van hen zal zien. Ook niet om mijn verblijf in Australië te bekostigen! Ik voel me bleek wegtrekken. Als ik het goed begrijp, word ik drooggelegd! Dit is een uppercut waarmee ze me op de rand van de knock-out brengen. Ik bezit zelf geen rode duit, behoudens een klein bedrag dat ik om een bepaalde reden opzij heb gehouden. En wat spaargeld dat op een rekening staat waartoe ik pas op mijn 21 toegang krijg. Dat is maanden van vandaag. Ik sta voor een levensgroot dilemma. Als ik mijn plan doorzet, stort ik mezelf in armoede. Maar ga ik overstag voor een handvol klinkende munt, dan verlies ik al mijn geloofwaardigheid! Dus rest me maar één mogelijkheid: het been stijf houden! “Ik vind ginder wel een job,” antwoord ik moedig. Aan hun verbaasde blikken te oordelen, hadden zij deze repliek niet verwacht. Gelukkig merken ze niet dat ik op mijn benen sta te trillen. “Goed. Dan weet je waar je voor staat,” zegt moeder, terwijl ze zich overeind hijst. “Ga dan maar terug naar je kamer. Wij hebben jou niks meer te zeggen.” Dit zijn mijn ouders ten voeten uit. Ze behandelen me nog steeds als een kind. Ik mag niet doen waar ik zin in heb; moet naar mijn kamer gaan als zij het willen; moet mijn mond houden of ik krijg een klap... Ik hou dit leven geen halfjaar meer vol. Ik moét hier weg, of ik snijd mezelf de polsen over in een warm bad!   Ik word uitgeleide gedaan door vader, alsof ik de deur van de woonkamer zelf niet weet te vinden. Hij neemt me bij mijn bovenarm en drukt met opzet zijn vingers diep in mijn vlees. Voor hij me kamer uit duwt, geeft hij me nog gauw een gemene klap op mijn achterhoofd. Ik voel mijn knokkels jeuken, maar onderga eens te meer de vernedering.   Op mijn kamer sla ik meteen mijn laptop open en herlees het bericht dat ik amper een halfuur geleden op facebook heb gepost:   “Hallo iedereen! Goed nieuws! Ik heb jullie eerder via deze weg al verteld over mijn plannen om een halfjaar onderaan de wereld te gaan hangen. Volgende week is het zover! Down under, here I come! Het vliegtuig dat me via Singapore ter plaatse zal brengen, ondergaat momenteel de laatste controle. Kwestie dat jullie geen goede vriend ten onder zouden zien gaan in een air disaster. :-) Maar omdat ik niet zomaar met de noorderzon wil verdwijnen, geef ik een afscheidsdrink!!! Ja, jullie lezen het goed! Nu vrijdag 12 oktober zijn jullie allemaal van harte welkom in café De Aflaat, en dat vanaf 20 uur! Be there!”   Gezien de plotse wijziging in mijn financiële toestand, is dit een waanzinnig idee. Zo’n afscheidsdrink gaat me een bom duiten kosten. Geld dat ik de komende weken goed zal kunnen gebruiken. Ik tik meteen een tweede bericht in. “Hier ben ik weer. Amper een halfuur nadat ik jullie heb uitgenodigd voor een afscheidsdrink, zijn de plannen gewijzigd. Ik word namelijk door mijn ouders op droog zaad gezet. Ik heb dus geen geld om jullie van drank te voorzien. Daarom ben ik genoodzaakt…” Ik stop met typen en herlees wat ik heb geschreven. Ik twijfel. Als ik dit doorstuur, sta ik op het punt het malste figuur aller tijden te slaan! Ik, die dacht mijn vrienden eindelijk eens te kunnen tonen dat ik niet de slapjanus ben waarvoor ze me houden, ik ga weer eens buigen voor mijn ouders. Wat ben ik toch een lafbek! Ben ik een vent? Of ben ik werkelijk dat zachte eitje waar ik voor versleten wordt? Nog even denk ik na, maar neem dan een doortastende beslissing: al moet ik zand eten in Australië, of dien ik mijn tanden te zetten in een levende kangoeroe, ik moét hiermee doorgaan. Dit is mijn laatste kans om mezelf te bewijzen. Ik selecteer het stukje tekst dat ik net heb geschreven en druk op delete. Het weinige geld waarover ik nog beschik, zal opgaan aan een borrel voor mijn vrienden. Geen weg terug!   (foto: ©photosuus)

Lou Van Lier
0 0

Neer

Wat is zo’n huwelijksfeest meer dan de walmende lijfgeur van de liefde, bedacht Lennert zich. Hij wendde zijn blik vol minachting af van de feestzaal waar alle genodigden aan hun tafels hadden plaatsgenomen. Hij wachtte buiten op Lina, stak snel nog een sigaret op. Zo meteen zouden ze de zaal binnen paraderen, onder luid gejuich en applaus, want zo ging dat. Hij werd misselijk van al dat uiterlijk vertoon. Zweetvlekken op wat hij en Lina in alle rust en intimiteit jarenlang hadden opgebouwd. Maar Lina wou een groot feest, dus kreeg ze een groot feest. Een dag als een boodschappenlijstje, waarop elk uur iets geschrapt kon worden (stadhuis, kerkelijke plechtigheid, fotomoment, receptie). Zo voelde hij het aan, zo had hij het Lina ook gezegd. Maar kennelijk vond zij de echo van haar ‘ja’ belangrijker dan haar ‘ja’ zelf – zijn woorden, in een van de heftige disputen in aanloop naar deze dag. Vandaag onderging hij de bijverschijnselen van de liefde, zoals aan het einde van zijn vorige relatie.   Maar toen waren het bloedvlekken geweest. En Lina had hem genezen. Ze was een jarenlange therapie geweest. Hij moest de liefde weer leren, als iemand die opnieuw moest leren lopen na een zwaar ongeluk. Tot hij zich realiseerde dat Lina dan wel de vrouw van zijn leven moest zijn, als ze daarin geslaagd was. Op de dag van dat besef was hij genezen verklaard. Hij had, ergens in het niemandsland tussen pathetiek en romantiek, altijd in ‘die ene’ geloofd. Als een linker- bij een rechterarm. Een linker- bij een rechterlong. Benen, ogen, oren, nieren. De linker- en rechterkamer in het hart. Neem een van beide weg, en wat rest, is verminking.  En hij was verminkt sinds Kataline uit zijn leven was gestapt. Ze was op een avond thuisgekomen en had zes kogels op hem afgevuurd: “Ik wil dit nog niet, Lennert.” Beiden 24, hij toe aan zekerheid, zij aan ongedwongenheid. Het lag aan haar, niet aan hem. Dat soort algemeenheden, die hij nooit van haar had verwacht. Alsof hij haar nooit echt had gekend. “Je moet niet op me wachten”, had ze halverwege dat gesprek gezegd. “Ik wacht op je”, had hij aan het einde van het gesprek gezegd. Dat was vandaag exact acht jaar geleden. De huwelijksdatum was het enige wat hij zelf had gekozen. Het had een overwinning moeten zijn, een laatste dans op zijn ziekbed. Maar zo voelde het niet. En hij had aanvankelijk gewacht op Kataline. Tot hij met zijn beste vriend Joris in een kroeg beland was, en hij Lina’s naam had horen roepen. Hij was verliefd geworden op die naam, die als een echo van ‘Kataline’ klonk. Het was een klant die haar naam had geroepen om nog twee glazen bier. Ze antwoordde door stilzwijgend twee glazen in de spoelbak te duwen. Hij was naar haar blijven kijken. Haar glimlach naar hem was zijn eerste stap naar herstel geweest. Haar eerste woorden – “Jij drinkt hier het laatste glas vanavond” –  de eerste katheter in zijn lijf. Daar kwam Lina aangelopen. Haar opgestoken blonde haar gaf geen krimp. Ze hief haar brede witte jurk op zodat ze niet struikelde. Een mooie jurk, vond hij trouwens. Sober, zonder teveel bloemen of linten. Gewoon enkele pareltjes op de uitdijende lagen. Ze had een etalagepop gekocht waarop de jurk voortaan zou hangen thuis. “Ben je klaar voor ons moment, lieverd?” Ze haakte haar arm in de zijne en drukte een kus op zijn wang. Hij wilde zeggen dat geen enkel moment die dag “hun” moment zou zijn. Dat zelfs de vrijpartij tijdens de huwelijksnacht straks zou aanvoelen alsof alle gasten meekeken. Hij glimlachte maar. “Druk die sigaret uit. Wacht, je das hangt wat slordig. Lopen we arm in arm of hand in hand binnen?” Ze veegde wat roos weg van zijn schouders, trok zijn pak recht. Lina was vandaag niet langer zijn vriendin, maar zijn vrouw. Lennert hoopte dat dat verschil alleen vandaag zo groot zou zijn. De lucht kleurde valavondblauw. De lantaarns in de tuin lichtten zachtjes op. Lennert keek uit over het weliswaar prachtige domein van de feestzaal, met heggen die vanochtend nog zorgvuldig bijgeknipt leken. Het water van de fontein klaterde behoedzaam in de koi-vijver, de flamingo’s in het aanpalende park monsterden alles apathisch. “Deze wordt het!” had Lina gekird wanneer ze de flamingo’s had opgemerkt tijdens hun eerste verkenningsbezoek aan de zaal. De maître had naar Lennert geknipoogd met een air van: die doen het ’m altijd. Diezelfde man wenkte hen nu. “Als jullie klaar zijn…”, zei hij terwijl hij met een overdreven plechtig armgebaar het koppel aanmaande de zaal binnen te stappen. Hij deed teken naar de dj, die de muziek startte. Anonieme dancebeats opgeleukt met sambaritmes, ook door Lina gekozen. Niet bepaald Lennerts meug. Hij had de regie van die dag compleet uit handen gegeven, dacht hij. Misschien wel van zijn leven.   Ze stapten binnen in de zaal, verlicht door groene lampen aan de bakstenen muren en kandelaars op de tafels. Zijn mondhoeken kraakten bij het glimlachen. Hij waande zich op een praalwagen in een carnavalsstoet. Hij wuifde, speelde het rolletje dat Lina zelf geen rolletje vond. Hij zag nonkels en tantes met servetten zwaaien, zag anderen foto’s nemen, hoorde vrienden onverstaanbare dingen roepen, zag Joris vertwijfeld meeklappen op de maat. En dan zag hij haar. Achter de bar. Ze keek naar hem en Lina, maar wendde meteen haar blik af en ging verder met het ontkurken van flessen wijn. Alsof ze betrapt was. Lennert verstijfde, gejuich verstomde. Ze was hier. Werkte hier.   “Speech! Speech! Speech!” werd hem toegeroepen. Hij bleef naar de bar staren. Ze keek niet meer op. Lina trok zachtjes aan zijn arm. “Gaat het, lieverd?” Hij keek vluchtig opzij, mompelde “jaja”. Probeerde zich te herpakken. Faalde. De maître reikte Lennert een microfoon aan, wat hij negeerde. Het gejoel doofde zachtjes uit. Lina nam de microfoon aan. Hij hoorde niet wat ze zei. “De stress van zo’n dag”, suste Lennerts moeder. “Wat je zegt”, antwoordde Lina’s moeder.   Hij hoorde ook niks van wat er gezegd werd aan de bruidstafel. Hij waande zich in een sneeuwbol die zonet hevig door elkaar geschud was. Want dit was geen toeval. En indien wel: dan was het zijn lot. Hij volgde elke beweging die Kataline maakte. Hoe ze in colonne met de andere obers uit de keuken geraasd kwam, de borden op tafel zette en simultaan de deksels van de borden optilde. Hoe ze elk halfleeg glas wijn al snel bijschonk. En vooral: hoe ze hem negeerde. Ook wanneer ze de bruidstafel bediende, knikte of glimlachte ze met een professionalisme dat voor hem niet meer dan een eufemistische kilte was. Dat begreep hij niet. Wachtte ze op een ongedwongen moment waarop ze alleen waren? Had ze dit gepland of was ze even verrast als hij? Strafte ze hem omdat hij niet op haar gewacht had? Lennert voelde hoe hij neerging en zijn val niet kon stoppen. Dat niemand haar herkende, dacht hij. Zijn ouders, zijn vrienden, Joris vooral. Ze was niet hard veranderd, ook niet tegenover de foto’s waarop Lina haar had gezien, voor hij ze allemaal had versnipperd en in de rivier geworpen, op de plek waar ze elkaar voor het eerst gekust hadden tijdens een fietstocht. Dat was een idee van Lina geweest. Kataline droeg haar zwarte haar niet meer tot op haar schouders. Het stond haar wel. Maar haar houding en de blik in haar ogen die de vlakte tussen rationeel en onpeilbaar bescheen, waren nog steeds dezelfde. Hij kroop weer in zijn ziekbed en trok het laken over zich heen. Hij lag in foetushouding en bewoog niet. Lina kon hem niet helpen.   Lennert zag het dessert voor hem staan. Framboos, aardbei, witte chocolade, amandel. Hij zag Kataline Joris koffie uitschenken. Daar had je het. Hij zei iets tegen haar. Ze lachte, en zei iets terug. Dan keken ze naar hem en lachten weer. Hij liet zijn dessert onaangeroerd en beende naar het toilet. Hij gooide de deur open. Ging voor de spiegel staan, leunde met zijn armen op de wasbak. Hij wou de tijd de opgeflakkerde strijd met zijn verleden laten blussen. Maar die strijd zou hij altijd verliezen. Het maakte van zijn huwelijk tot zijn afgrijzen nu al een mislukking. Lina was niet alleen vandaag de persoon niet die hij acht jaar had gekend. Dat was ze simpelweg nooit geweest. Ze bleek een placebo die hem beter maakte zolang hij geloofde dat ze hem Kataline deed vergeten. Maar vergeten is een zinsbegoocheling. Herinneringen zijn als bloed dat gestelpt kan worden maar nooit kan stollen.   Hij wou hier weg. Hij duwde zich van de wasbak af en liep naar de deur. Die zwaaide net open. Hij botste op Joris. “Wat is er man?” “Dat ze hier is, Joris. Hoe kan dat? Zij! Net vandaag. Jij kunt erom lachen, blijkbaar. De lul, dat ben ik.” “Wat wauwel je?” Lennert stormde de deur uit. “Lennert!” Hij zag twee ooms uit Lina’s familie met een glas bier in de hand aan de rand van de dansvloer staan. Oom Dirk lalde iets tegen hem en begon te schaterlachen. Daarbij viel zijn glas uit zijn hand. Het spatte uit elkaar op de dansvloer. Lennert zag Kataline aankomen met een stofblik en een borstel. “Nee, laat mij, laat mij”, stamelde Lennert. Ze hurkten beiden neer. “Niet nodig, meneer,” zei ze. Lennert keek haar strak aan. “Meneer? Stop ermee, Kataline. Stop ermee. Ik heb me vergist, ik weet het. Maar ik heb op je gewacht. Ik zweer het je, ik heb gewacht.” Lennert graaide naar zijn portefeuille in zijn achterzak. Hij haalde achter zijn rijbewijs een foto van haar tevoorschijn. “Ik heb gewacht, Kataline.” Hij stond op en trok haar mee recht. “Dag op dag acht jaar geleden vandaag”, zei hij bijna stotterend. “Zie je het? Begrijp je? Dit moest gebeuren.” De dienster keek om zich heen met een blik die om hulp vroeg. “Kom, laten we dansen. Dit wordt onze dans, Kataline. Onze openingsdans.” Hij had geen oog voor Lina die op hem toestapte. Hij trok het meisje mee op de dansvloer. “Wacht hier. Ik vraag ons nummer aan.” Hij glimlachte naar haar. “Zie je wel, ik heb op je gewacht, Kataline”, zei hij zacht. “Echt.”

Philippe Nuyts
15 0

Puntloos

Wie er ooit mee begon weten wij niet en willen wij het wel weten of kan zo’n vragende zin in feite niet in deze stijlvorm vermits er hier dan een leesteken moet opduiken met name het vraagteken dat het uiteindelijk in vergelijking met andere leestekens nog goed doet beter dan bijvoorbeeld de komma die al jaren geleden een stille dood schijnt gestorven te zijn als men bijvoorbeeld vergelijkt met de Deense taal die haast onleesbaar en onuitspreekbaar zou zijn zonder het gebruik van komma’s wat ons brengt bij een vergelijking met het Nederlands dat alsmaar meer schrijvers telt dat de stijl van de eeuwige onophoudelijke zin huldigt waarbij het gebruik van de goede oude leestekens compleet geweerd wordt zodanig zelfs dat  anderstaligen die de taal nog niet meester zijn en ze dolgraag willen leren zich volledig verloren voelen want is het geen regel bij het leren van deze moeilijke taal om korte zinnetjes op te stellen die je toelaten snel een kort gesprek te leren voeren met de autochtone bevolking die daar gezien haar eigen taalgebruik blijkbaar niet op zit te wachten en al snel zelf naar haar kennis van de allochtone taal overschakelt die ze in de gebrekkige taalkennis van de ander meent te bespeuren waardoor er een vicieuze cirkel ontstaat en de al of niet gewenste immigranten nooit ingeburgerd geraken in het vreemde land van hun keuze zodat zij soms zodanig in moeilijkheden geraken dat zij geen andere keuze hebben dan zich meer nog dan voorheen in hun eigen wereld op te sluiten zowel op het vlak van de taal als van de religie of de gewoontes die ze niet eens van huis hebben meegekregen maar afkomstig zijn van hun voorouders die reeds enkele generaties geleden naar dit land kwamen om het werk te verrichten dat de autochtone bevolking zelf niet meer wilde uitvoeren en hoe moeilijk dit voor hen  was  gezien de uit te voeren taken toch door iemand moesten uitgelegd worden in een taal die ze niet begrepen wat  een beetje leek op de situatie van de Vlaamse jongens die aan het front in WO I en voor hen die het overleefden nog lange tijd nadien hun plan moesten trekken met de bevelen van de francofone legerleiding die het vertikte de taal van arbeiders en de boeren aan te leren tot er grote schrijvers opstonden die in die taal zowaar romans en poëzie begonnen te produceren  en bleven produceren tot hun dood of tot op heden terwijl sommigen onder hen recentelijk deze stijl zonder leestekens bedachten waaraan veel lezers geen boodschap hebben maar waar  zij ook geen punt van maken.

Vic de Bourg
39 3

Tot ziens, Marianne (deel 1)

   “Boris!” De stem van vader galmt luid door de gang. Ik klap mijn laptop dicht en richt mijn blik verschrikt op de wand voor me. Als vader me op deze manier roept, hangt er onheil in de lucht. Mijn ademhaling wordt meteen een stuk dieper en mijn ogen hechten zich vast aan de kinderlijke Disney-figuurtjes op het behang. Ik vind het opeens hallucinant dat ik als prille twintiger nog iedere nacht tussen de drie goede feeën Flora, Fauna en Mooiweertje slaap. Geen mens is ooit op het idee gekomen om het oude behang dat mijn kinderkamer sierde te overplakken. Dit is toch al te gek!   “Boris!!!” Ik rijd mijn bureaustoel achteruit. Door de ongelijke vloerplanken lijkt het of er een volgeladen vrachtwagen over een overweg davert. Dat heb je met zo’n aftands huis. Alles heeft zijn beste tijd gehad. Ik sta op en loop langs het raam. Mijn aandacht wordt getrokken door ons tuintje dat is omgeven door hoge muren, waardoor het op de luchtplaats van een gevangenis lijkt. Als achterophinkend nestkuiken bracht ik er de dagen alleen door. De door grootvader getimmerde schommel was het enige wat me vertier bood. Hoe vaak heb ik niet urenlang over en weer zitten wiegen tot ik misselijk van het plankje kroop en groen als een ui in het gras ging liggen? Ik heb de grootste moeite me in te beelden hoe het moet zijn geweest toen mijn broers en zussen er nog samen speelden. Zij hadden tenminste elkaar om…   “Boooriiies!!” Ik onttrek mijn blik aan het tuintje en begeef me schoorvoetend naar de deur. Ik zal maar gevolg geven aan vaders geroep, voor de grens van zijn geduld is bereikt. Je kunt de ouwe tarten, maar je mag het niet te ver drijven, want dan wordt hij giftig.   Ik loop de gang op en zie vanuit de studeerkamer vaders hoofd opduiken. Diagonaal! De uitdrukking die er op te lezen staat, liegt er niet om. Zijn geduld raakt uitgeput. Toch bewaar ik mijn slenterpas. Laat het een indicatie voor hem zijn dat ik geen zin heb in het nakende gesprek.   “Eindelijk!” bijt hij me toe. “Weet je wel hoeveel keer ik je geroepen heb?” Dat weet ik precies, maar ik ben niet van plan het hem te zeggen. Een klap tegen het achterhoofd is gauw gegeven.   “Kom binnen!” Hij plakt zich met zijn rug tegen de deurstijl om me door te laten. We raken elkaar even aan. Een secondelang vermengen onze aura’s zich. Voor een stukje. Als twee venndiagrammen die elkaar overlappen. Een onbehaaglijk gevoel.    “Ga zitten!” Ik neem plaats aan het bureau dat in het midden van de kamer staat opgesteld, met mijn rug naar de deur. Zo hoort het. Dat is ons zo aangeleerd. Als vader met zijn kinderen een gesprek onder vier ogen wil hebben, dan ontvangt hij ze als een ambtenaar. Lange tijd hebben mijn broers en zussen zich aan deze komedie moeten onderwerpen. Nu ben ik de enige op wie hij zijn pijlen nog kan richten. De andere vogels hebben het nest al lang verlaten. En dat is wat ik ook zinnens ben te doen. Dat doet me trouwens vermoeden dat het gesprek hierover zal gaan. Eén en ander wordt me wellicht niet gegund. Maar mijn vleugels zijn volgroeid. Het is de hoogste tijd om uit te vliegen.   Vader klapt de deur dicht en wandelt achter me door. Hij laat een penetrante geur na. Als hij geëmotioneerd is, zijn z’n zweetklieren de eerste organen die in werking treden. Dat doen ze overvloedig. En zodra hij zich opwindt, begint ook zijn adem te stinken. Zijn adrenaline heeft een hoogst onaangename geur. En het maakt zijn mond droog als kurk. Hij smakt dan als een bejaarde die zijn prothese niet in bedwang kan houden en drinkt overvloedig.   Terwijl ik zo ongeïnteresseerd mogelijk voor me uit zit te staren, neemt hij plaats tegenover me en bekijkt me doordringend, wel een minuut lang. Dat voel ik. Met die starre blik tracht hij me te intimideren. Nooit heeft de klok trager getikt dan nu, tenzij die keer dat ik mijn adem inhield in een vergeefse poging een chocoladereep af te dwingen. Het is alsof de secondewijzer de grootste moeite heeft om rond te raken. Af en toe slaakt vader een zucht, als een locomotief die een overschot aan pressie kwijt moet. Met dat hinderlijke geluid wil hij de spanning nog wat opvoeren.   Uiteindelijk wint hij het pleit. Ik kijk hem aan van onder mijn wenkbrauwen en voel een walging in me opkomen. Met zijn hoofd lichtjes schuin gehouden en zijn gezicht in een ernstige plooi lijkt hij wel de Godfather die zich opmaakt om de verdediging te aanhoren van een man die zichzelf in diskrediet heeft gebracht. Hij lijkt klaar te zitten om met een simpele handbeweging over mijn leven te beschikken. Maar het vertoon is lachwekkend. Van een tweedehands Marlon Brando gaat geen dreiging uit. Hij kan niet verbergen dat moeder hem weer eens een kelk heeft toegeschoven die hij liever aan zich voorbij had laten gaan. Dat komt zijn geloofwaardigheid niet ten goede. Overigens beginnen de tics, die hem kenmerken als hij nerveus is, de kop op te steken. Zijn neuspunt beweegt af en toe bliksemsnel van links naar rechts. En bij tussenpozen knippert hij met zijn wimpers met de snelheid van libellenvleugels. Als de tensie nog wat groter wordt, zal hij met zijn hand langs zijn haren beginnen te strijken. Of wat daar nog van overblijft. De bovenkant van zijn schedel is kaal als een varkensblaas en daar schaamt hij zich kennelijk over. Hij heeft de schaarse haren boven zijn rechteroor laten doorgroeien met als doel dat desolate schedellandschap te bedekken. ’s Morgens, na de douche, spreidt hij dat busseltje armetierige pijlen zorgvuldig uit over zijn kale kruin, om het vervolgens de hele dag met een kundige handbeweging op zijn plaats te houden. Met pink en ringvinger schuift hij onder de lok door, terwijl de andere vingers er zachtjes overheen strijken, zodat alles weer netjes komt te liggen en opnieuw de illusie kan worden gewekt dat hij haar op zijn kruin heeft. Hoe nerveuzer hij wordt, hoe frequenter hij deze dwanghandeling toepast. Ik denk plots terug aan die keer aan zee toen hij zijn haarlok met een bus lak te lijf was gegaan, in een poging de nijdige stormwind het hoofd te bieden. Bij de eerste forse rukwind klapte het luik open alsof er een springveer in zat, en leek het alsof er aan de zijkant van zijn hoofd een dakgoot hing te bengelen. Wat heb ik me toen kapot gegierd.   “Zit jij daar te monkellachen?” hoor ik hem vragen. Ik tracht mijn mondhoeken in bedwang te houden en blijf emotieloos voor me uit zitten staren. Uiteindelijk steekt hij van wal. Best, anders zaten we hier overmorgen nog.   “Jongen... je weet wellicht waarom ik je heb geroepen?” vraagt hij. Ik hef mijn schouders hoog. Natuurlijk meen ik te weten waarover hij gaat zitten zeiken, maar dat hoef ik hem niet kenbaar te maken. Het initiatief hoort volledig bij hem te liggen.   “Die plannen van je…” Hij bouwt een weloverwogen stilte in. “Je weet wat ik bedoel?” Ik haal opnieuw mijn schouders op. Mijn apathie versterkt zijn nervositeit. Onder zijn oksels begint zijn hemd al wat donkerder te kleuren en het eerste gesmak klinkt op. Hij schraapt zijn keel. Een teken dat het echte sermoen gaat losbarsten.   “Jongen…” De geladenheid waarmee hij dat woord uitspreekt… “er is iets dat je dient te weten. Je beseft dat je de laatste bent van vijf om het nest te verlaten?” Ja, natuurlijk besef ik dat! Wat denkt hij dan?   “Maar besef je ook dat de laatste de moeilijkste is om te laten gaan? Zeker voor een moeder die zo met haar kinderen is begaan als die van jullie. Moeder leeft voor haar kinderen, jongen. Dat weet je toch.” Ik richt mijn ogen verveeld op het plafond. Die overlangse barst lijkt met de dag breder te worden. Vroeg of laat valt ons huis in twee gelijke delen uit elkaar! Dat lijkt me een zekerheid. Vader gaat intussen onverstoorbaar verder. “Moeder heeft het altijd al moeilijk gehad als er eentje wegging,” hoor ik hem doorzeuren. “Ze zijn ook allemaal zo vroeg vertrokken, je broers en zussen. Bea was natuurlijk een apart geval. In haar toestand konden we haar niet langer thuishouden. Maar de andere drie… ze konden niet gauw genoeg de deur uit zijn...” Ik meen een vreemde klank in zijn stem waar te nemen. Alsof zijn keel dicht zit. Onwillekeurig kijk ik hem aan. Ik wil zien wat in zijn ogen speelt. Verbaast het hem werkelijk dat mijn broers en zussen zo snel mogelijk wegwilden uit dit onaandoenlijke nest?! Of is hij geëmotioneerd bij de gedachte aan Bea die ze in een instelling hebben geplaatst omdat ze door een autismespectrumstoornis al sinds haar geboorte in een ‘andere wereld’ leeft? Ik zie hem dromerig voor zich uit kijken, alsof hij de mislukkingen van zijn leven aan zijn geestesoog voorbij ziet trekken. In colonne. Maar dan schudt hij zijn demonen van zich af met een bruuske hoofdbeweging, die zijn haarlok voor zijn ogen doet schuiven.   “Boris, geef toe: jullie hebben het hier toch goed gehad…” zegt hij, terwijl hij met zijn vingers de lok weer goed legt. Zijn toon duidt op diepgewortelde twijfel. Hij buigt zijn bovenlichaam naar me toe en kijkt me indringend aan. “Wees eerlijk, jongen, jullie hebben toch nooit iets tekort gehad.” Hij sméékt haast om een bevestiging. “Mama heeft jullie een onbezorgde kindertijd gegeven. Ze was er altijd. Ze voedde jullie, kleedde jullie, zorgde ervoor dat jullie altijd piekfijn in orde waren, dat jullie op tijd op school kwamen. Ze deed de was, de plas, de strijk… En ik wil mezelf niet op een voetstuk plaatsen, maar ook ik heb me uit de naad gewerkt, jongen. Dag en nacht. Ik heb me uitgesloofd voor jullie. Als een slaaf. Besef je dat?” Ik zwijg in alle talen. “Boris?” Ik knik vaag. “Ik wil het je horen zeggen.”   “Ja, vader.”   “Wel dan!” In die twee woorden zit alles vervat. Alle frustraties die moeder en hij delen. Wat zijn ze toch een zielig stel.   “Is dat alles wat je kwijt wilt? Besef je wel wat je ons aandoet?” Hij kijkt me aan met de blik van een rechercheur die vastbesloten is een bekentenis los te peuteren bij een man die is voorgeleid bij gebrek aan een echte verdachte. Om de communis opinio te sussen, die belichaamd wordt door moeder.   “Wat doe ik jullie dan aan?” vraag ik. Hij gooit zijn handen in de lucht. “Je gaat me toch niet vertellen dat het je niet kan schelen dat je moeder kapot gaat van verdriet door jouw schuld! Door jouw schuld!!!” Omdat ik stoïcijns blijf onder zijn emotionele chantage, begint hij zijn geduld kwijt te raken, met als gevolg dat zijn redevoering wanordelijker begint te worden. Hij springt van de hak op de tak, alsof hij de draad kwijt is. Als een acteur die een black-out heeft en dan maar alle zinnen begint op te dreunen die hij zich herinnert, in de hoop zo weer to the point te komen. Plots heeft hij het over mijn studies die ik heb stopgezet omdat ik er niks van bakte. Dat de door hen gekozen studie te hoog gegrepen was voor een middelmatig begaafde jongen als ik, schijnt bij hen nog steeds niet door te dringen. Tegelijk splitst hij me het verwijt in de maag dat ik beter af en toe een boek zou vastpakken in plaats van de hele dag op die “stomme” computer te zitten tokkelen. Een typische uitlating van een informatica-Neanderthaler die er nog net in slaagt om een telefoonnummer in te toetsen, maar zelfs geen sms kan sturen. Daarna gaat hij even door over de gezondheid van moeder. Hij wilt me écht doen geloven dat ze ziek is van mijn beslissing. Maar als ze érgens ziek van is, dan is het van haar zin niet te krijgen. Ik ken haar! Vervolgens heeft hij het nog even over het vage begrip ondankbaarheid, om via die weg te belanden bij de essentie van zijn betoog. Het heeft er alle schijn van dat mijn geplande sabbatjaar in Australië, waarmee ze kwaadschiks hebben ingestemd, niet het grootste struikelblok is. Wel dat ik me in een onbewaakt ogenblik heb laten ontvallen dat ik na mijn terugkeer op mezelf wil gaan wonen. Dat had ik beter niet gedaan. Maar hoe gaat dat als je hart ergens van vol is? De mond loopt er dan gauw van over. Hij wilt dat ik hem één goede reden geef waarom ik dat zou doen, op mezelf gaan wonen. Ik kijk hem aan. Als ik op mijn deductie mag vertrouwen, verraadt zijn blik een zekere angst. Volgens mij is hij bang om alleen met moeder achter te blijven. Dát is het! En eerlijk: ik kan me daar iets bij voorstellen. Het wordt geen pretje voor hem, alleen met moeder. Ze kan het bloed vanonder zijn nagels halen. Maar mijn bestaan wordt niet gerechtvaardigd door het fungeren als bliksemafleider. Ik deel hem mee dat ik over enkele maanden 21 word. Ik meld het maar even, je weet nooit dat het hen ontgaan is. Ze behandelen me tenslotte nog steeds als een jochie dat pas uit de baarmoeder is gefloept. Met hun achterlijke behang!   Zijn neuspunt gaat nu haast onophoudelijk over en weer. En zijn zweetgeur is niet meer te harden. Kan er misschien een raam worden opengezet? Hij smakt enkele keren en giet water uit een kruik over in een glas dat hij op voorhand op zijn bureau heeft klaargezet. Hij drinkt gulzig, als een diabeticus. Er loopt zelfs een fijn straaltje water over zijn kin. Na zijn mond bevochtigd te hebben, begint hij opnieuw over moeder. Het klinkt alsof hij een ingestudeerde tekst opzegt. Hij drukt me nogmaals op het hart dat ze het er verschrikkelijk moeilijk mee heeft me te moeten afgeven. Hij voegt er aan toe dat het voor haar veel meer is dan het omslaan van een bladzijde; dat ze het gevoel heeft na mijn uittocht aan het laatste hoofdstuk van haar leven te beginnen. Ik antwoord dat ik daar begrip voor heb, maar dat ik niet tot aan mijn pensioen onder hun vleugels wil blijven leven. En dan begaat hij de kapitale fout om me te zeggen dat ik later, als ik zelf kinderen zal hebben, wel anders zal piepen. Ik voel mijn bloed stollen. Begrijpt hij dan niet dat adolescenten, met inbegrip van jong volwassenen, een hekel hebben aan zulke uitlatingen? Ik werp hem in het gezicht dat ik nooit kinderen zal hebben; dat ik niet inzie waarom ik mijn bedenkelijke genen zou moeten doorgeven en dat de wereld toch al overbevolkt is. Meteen eindigt het gesprek. Zodra vader aanvoelt dat zijn argumentatie tekortschiet tegen die van zijn opponent, haalt hij bakzeil.   “Goed,” zegt hij, nadat hij nog een slok heeft genomen. “Je denkt dus vastbesloten te zijn?”   “Ik bén vastbesloten,” verbeter ik.   “Oké, dan zijn wij uitgepraat.”  Hij hijst zich overeind en gebiedt me eveneens op te staan. Ik laat me de gang opjagen en wil naar mijn kamer gaan, maar hij roept me terug.   “Jij gaat naar beneden,” zegt hij.   “Beneden? Wat moet ik daar gaan doen?”   “Denk je er zo vanaf te komen? Jij gaat het zelf uitleggen aan je moeder, jongen!” Ik voel het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Een preek van vader doorsta ik moeiteloos. Maar een scène van moeder…   Gelaten daal ik achter hem de trap af. Mijn hart klopt in mijn keel als we halt houden voor de deur van de woonkamer.   (foto: ©photosuus)

Lou Van Lier
0 0