Zoeken

Kruidvat

Waar liefdesverdriet precies begint, weet ik nog altijd niet. Het begint niet bij die ene zin. Niet bij “we zien elkaar beter even niet”. Dat is te netjes. Te laat ook. Dat is zoals in de geschiedenisles. Bij mevrouw Bracke. Mevrouw Bracke rook altijd naar Acqua di Giò. Fris, een beetje zwoel ook, alsof ze net van ergens kwam waar de zon scheen en de dingen helder waren. Ze stond vooraan in de klas, krijtje in de hand, en ze kon dat uitleggen alsof ze er zelf bij was geweest. Alsof ze persoonlijk had staan kijken in Sarajevo, die dag dat aartshertog Franz Ferdinand werd doodgeschoten door Gavrilo Princip. Maar ze begon daar nooit. Nee, ze begon met: “Kinderen, een oorlog begint nooit op één dag.” En dan vertelde ze over dat kruidvat. Over landen die elkaar niet vertrouwden. Over bondgenootschappen die eerder op ruzies leken. Over dingen die gezegd werden en dingen die vooral niet gezegd werden. Ze tekende pijlen op het bord. Veel pijlen. Te veel pijlen. En wij zaten daar en dachten: amai, dat komt hier niet goed. En dan, pas dan, kwam dat schot. De aanleiding. Niet de oorzaak. Bij ons was dat ook zo. Een broeiend kruidvat.Van alles wat er was maar niet gezegd werd.Halve zinnen die bleven hangen.Te lange interpretaties.Te veel gedacht vanuit ik en te weinig vanuit ons.(maar gij ook, hé. Zeker gij ook.) En dan dat kleine, bijna puberale verzet.Een beetje testen.Wat langer wegblijven.Iets “vergeten” te zeggen.Die rommel net groot genoeg maken om hem te voelen, maar niet groot genoeg om hem op te ruimen. En ergens daar, in dat spel van bijna’s en misschien’s, valt het schot. Niet in Sarajevo, maar in een berichtje.Jij die per se die andere moest kussen.Ik die daar een drama van maakte.Of die avond met te veel cava waarop ik te vaak zei dat “ze allemaal hetzelfde zijn”. En dan komt hij.De zin.Alsof hij niets met de rest te maken heeft.Alsof hij uit de lucht valt. “Misschien moeten we elkaar wat minder zien.” In een berichtje nog wel. Van u. Dat vond ik minder. Om niet te zeggen: degoutant. En nu zitten we elk op onze berg. Afstand. Even mezelf terug voelen, zeggen ze.Mijn vriendinnen knikken verstandig en zeggen dat het goed is. Dat ik beter verdien.Mijn kinderen kijken mij aan en zeggen dat ik mijn lat eens wat hoger moet leggen.Mijn zus zegt dat ik het misschien allemaal niet zo dramatisch moet bekijken.Buurman zegt dat elk einde een nieuw begin is.En de Flair zegt dat ik dringend iets moet doen aan mijn buikvet en dat ze daar een wandelapp voor hebben. Mijn kat kijkt naar mij en vraagt vooral hoe lang het nog gaat duren voor ze eten krijgt. En dat is misschien nog het eerlijkste van allemaal. Want op die berg moet ik ook eten. Zelf koken. Zelf zorgen. Zonder een berichtje dat “goedemorgen” zegt. Zonder een “x, ly” midden op de dag. Dat doet pijn. Dat is wat ze liefdesverdriet noemen. Maar het is ook gewoon dit: dat ge plots alleen zit met alles wat er daarvoor nog samen was. En soms denk ik terug aan mevrouw Bracke.Hoe ze daar stond, voor dat bord vol pijlen en spanningen en kleine dingen die te groot waren geworden. Ze heeft ons veel geleerd over oorlog. Over oorzaken en aanleidingen. Over hoe iets klein kan ontsporen in iets dat ge niet meer terug in uw handen krijgt. Maar over bergen heeft ze het eigenlijk nooit gehad. Behalve dan die ene keer, over Hannibal Barca die met olifanten over de Alpen trok. Maar dat was iets anders. Want daar ging iemand tenminste nog ergens naartoe. En wij… wij zitten gewoon elk op onze eigen berg.

Katrien Daniels
36 4
Tip

Een papa voor mij

Soms begint een verhaal met een naam die ge niet moet verzinnen. Emile. We zullen hem gewoon Emile noemen. Dat is het gemakkelijkst. Want zo heet hij ook. En zijn familienaam smaakt naar chocolade, maar als we daar nu op ingaan, geraken we nooit tot aan de bakker. Ik lag te slapen op de zetel. De avond hing nog in mijn mond. Rode wijn, een beetje te laat gaan slapen, een lichaam dat nog niet helemaal mee was met de ochtend. En dan voelde ik het. Geen geluid eerst, maar aanwezigheid. Zo’n kleine aanwezigheid die zich groot houdt. Hij kwam op zijn kousenvoeten naar mij geslopen. Half acht. En ja, het mocht. We hadden dat afgesproken. Wij twee. Naar de bakker. Zijn mama en zijn papa moesten dat niet weten. Ons geheimpje. Ik sprong recht. Jeans aan. Dikke trui. Geen spiegel, geen plan. Gewoon vertrekken. De kou in, de straat op, de Bredabaan over. Zo’n ochtend die nog niet beslist heeft wat ze wil zijn. Emile babbelde honderduit. Dat doet hij altijd. Emile heeft veel woorden. En hij deelt ze gul met mij. Over Louise in zijn klas. Over dat ze volgende week over het bos gaan leren. Over tekenen, dat hij dat graag doet, maar dat zijn zus dat eigenlijk beter kan. Dat laatste zei hij zachter. Alsof hij dat niet helemaal wilde weten. En dan werd het stil. Zijn handje in de mijne. Koude wind in ons gezicht. Auto’s die door plassen rijden. De geur van diesel in het ochtengloren zoals je dat alleen in de stad kan ruiken.  Ik voelde het nog voor hij het zei. Zo’n vraag die eerst in een lijf zit en dan pas in woorden. “Waarom heb jij geen papa, Katrien?” Het ging niet over mijn vader. Dat wist ik meteen. Het ging over een man. Over een plek naast mij. Over een leegte die blijkbaar zelfs voor kinderen zichtbaar is. “Ik had eens een papa,” zei ik.“Maar die woont nu in een ander huisje. Omdat hij me niet meer zo graag ziet.” “Ah,” zei Emile.“Oh jammer.” En we wandelden verder. Sommige dingen moet je gewoon naast u laten stappen. Hoe dichter we bij de bakker kwamen, hoe sneller hij ging. Hij geloofde volgens mij dat verdriet iets is dat ge kunt inhalen met suiker. Zijn woorden kwamen terug. Koeken met chocolade. Met crème. Met pecannoten. Hoeveel per persoon?  Of ik wel genoeg centen mee had? En of we het gingen doen zoals anders?  "Natuurlijk nemen we een geheime koek voor onszelf onderweg, Emile."  De bakkerij was warm. Vol volk. Zondagochtend in zijn meest eerlijke vorm: te veel mensen in te dikke jassen, kinderen met plakkerige neuzen, een rij die net traag vooruitgaat en veel geuren. Gelukkig kon die van 'vers gebak' die van 'nog niet gewassen' overstijgen.  Ik bestelde. En natuurlijk ook onze extra koek voor onderweg. We waren niet voor niets als eerste opgestaan. Buiten, ergens tussen deur en stoep, beet hij al zijn eerste stiekeme hap. Dat was echt ons moment.  En toen stopte hij. Hij keek mij aan. Serieus. Zoals alleen kinderen dat kunnen. Zonder ironie. Zonder reserve. “Ik vind het zo erg dat je geen papa hebt,” zei hij.“Maar weet je… als jij nu stopt met jarig zijn, en ik probeer elk jaar twee keer zo snel te groeien… dan kan ik toch jouw papa worden.” Ik zei hem dat dat misschien wel een idee was om over na te denken. Nu zijn we jaren later. De kleine Emile is verdwenen. Of nee, hij zit ergens verstopt in een jongen die plots schouders heeft. Blond. Knap. Waarschijnlijk al eens gekust. Misschien al eens zijn hart een beetje kwijtgespeeld. Ons groeiplan is mislukt. Ik ben blijven verjaren. Hij is niet snel genoeg gegroeid. Maar soms, als ik langs een bakker wandel op een zondagochtend, denk ik eraan. En vraag ik me af, heel even maar,  of hij nog altijd mijn papa wil zijn.

Katrien Daniels
75 7

Hallo!

Even geleden werd ik voor een fuji geplaatst omdat mensen mij op de foto wilden. Niet voor de berg in Japan trouwens maar dat weet je wel. Het was niet moeilijk recht in de lens te kijken. Mijn ogen hebben iets. Ik weet niet wat (talent, karakter) maar ze hebben iets. De fotograaf maakte van mij een zwart-wit keeshondje maar je moet me zien rennen rondom het huis met mijn blonde pels op korte pootjes. Het keffertje dat je in mij zou kunnen vermoeden is onbestaand, ik ben zo stil als het verlangen naar stilte. Vaak zijn het mensen die zo'n verlangen hebben in een luide wereld die hen omringt. Ik ben geen zwart-wit denker want in mijn kopje zit kleur, heel veel kleur hoewel het roze manifest aanwezig is. Mijn verzorgers kozen voor mij omdat ik er niet groot en gevaarlijk uitzie. Bijkomend kunnen ze niet zonder huisdier. Blij dat ik was toen ze mij verhuisden van het ene naar het andere! In het andere (mijn nieuwe thuis) vinden geen mishandelingen plaats, ik moet mijn kopje niet laten onderduiken als een hand het wil strelen. Aai me maar, ik heb geleerd dat de angst mag verdwijnen. Ps: ik zoek een derde thuis. Mijn verzorgers verblijven respectievelijk in de kliniek (hij) en dolend in de aandoening dementie. Hij is er erg aan toe. Ik ben voorlopig nog bij haar (mijn moeke) en krijg de laatste dagen veel porties eten, alsof ze het tellen verleerd is. Ze zegt nog altijd meisje tegen me. Schatje, zoetje. Sinds gisteren mag ik in bed of is dat inbeelding? Het voelde toch alsof ik naast haar had geslapen, zo geloofwaardig vertelde ze het. Hallo, jij daar! Kijk nog eens naar mijn foto en in mijn ogen. Zeg niets, ontferm je over mij.

Ingrid Strobbe
3 0