Zoeken

Drie weken Blankenberge

Nadat hij voor de zoveelste keer de bons had gekregen – deze keer was hij te impulsief geweest volgens zijn ex-vriendin – besloot Milan met een dokter te gaan praten, want misschien lag het toch aan hem. Hoewel hij wist dat hij eerst een afspraak diende te maken, bij voorkeur gebruik makend van het daartoe voorziene, erg handige online consultatiesysteem, was hij meteen na zijn date richting zijn huisarts vertrokken. Het zou toch niet de eerste keer zijn dat er iemand tussenuit viel. Terwijl hij zijn tranen verbeet, peperde Milan zichzelf in dat dit géén impulsieve beslissing was maar een pure noodzaak, het kon niet langer wachten. ‘Dag dokter.’ ‘Gaat u zitten,’ sprak de dokter eentonig en hij nam een pen ter hand, zette zijn bril, die een opvallend montuur had zowel qua vorm als qua kleur, op zijn rechte neus en richtte zich op een vel papier dat geklemd zat tussen een klembord. Het verbaasde Milan dat een arts anno 2026 nog zo’n attribuut gebruikte, maar het vulde hem ook met respect. Bovendien gaf het hem het gevoel serieus te worden genomen. Iets waar hij al zo lang naar verlangde, iets wat hij in zijn relaties miste.‘Vertel het eens, waar hebt u last van?’ stak de dokter van wal, en hij zette de punt van zijn pen verwachtingsvol in de linkerbovenhoek van zijn A4’tje. ‘Wel, het is niet zo dat ik ergens pijn heb,’ begon Milan, ‘maar het is ook niet zo dat ik nergens geen pijn heb.’ De dokter liet een kuch ontsnappen die hij vakkundig opving in zijn behaarde vuist, en zonder zijn patiënt aan te kijken, ging hij verder.‘Maakt u zich ergens druk om?’ Daar moest Milan even diep over nadenken. Uiteindelijk zei hij iets in de stijl van ‘ik weet het niet’. ‘Hoe voelt u zich op dit moment?’ ‘Redelijk goed, maar…’ ‘U bent hier natuurlijk niet zomaar’, maakte de dokter zijn zin af. ‘Wat is het dat u doet van werk?’ ‘Ik werk voor een bedrijf.’ ‘Juist, ja.’ De dokter kribbelde enkele dingen op zijn papier en onderlijnde zo goed als alles wat hij net had neergeschreven. De laatste woorden werden zelfs dubbel onderlijnd. Helaas kon Milan niet lezen wat er stond. Hij werkte dan wel bij een bedrijf, erg bedrijvig was hij niet. Allerminst in handschriften lezen, laat staan die van dokters en ondersteboven.‘Hoeveel mensen werken er in uw bedrijf?’ ‘O, maar het is niet mijn bedrijf, ziet u. Ik ben maar een werknemer. Ik denk dat er om en bij de vijftig mensen werkzaam moeten zijn.’ ‘Wat is juist uw titel of functie?’ ‘Ik ben recent gepromoveerd tot floor manager.’ De dokter keek voor het eerst op van zijn klembord en keek Milan indringend aan. ‘Floor manager? Bent u van het onderhoudspersoneel?’ Hij toonde een goedbedoelde glimlach, maar noteerde verder, dus Milan besefte dat de dokter een grap maakte.‘Kan u mij eens een gewone werkdag beschrijven?’ Milan vertelde dat hij rond 7u ’s morgens opstond, het nieuws las, een douche nam, een ei bakte, een glas melk dronk en een gezonde smoothie maakte van selder, appel en kiwi voor in de auto. ‘Is er tot dan toe een moment waarop u zich niet goed voelt?’ ‘Nee. Of jawel, wanneer ik het nieuws lees, dat is soms heftig op een lege maag. En ja, in de auto soms ook.’ ‘Ja, we zijn niet gemaakt voor de ochtendspits.’ ‘Nee, dokter, nu ja, u hebt gelijk, maar dat bedoelde ik eigenlijk niet. Kijk, ik rijd met een Tesla, van het bedrijf – anders zou ik nooit een Tesla hebben gekozen – u begrijpt allicht dat de huidige omstandigheden rond dat merk me opzadelen met een schuldgevoel van zodra ik de wagen start.’ De dokter gaf blijk van antwoord met een monotoon geluid, waarvan Milan niet met zekerheid kon zeggen of de man het nu wel of niet begreep.‘En daarna? Wanneer u arriveert op uw werk…?’ gebaarde hij door met zijn pen enkele kleine cirkels in de lucht tussen hen beiden te tekenen. ‘Euh… Dan ga ik naar binnen door de glazen deur, neem ik de lift naar de achtste verdieping en ga achter mijn bureau zitten.’ ‘Ja?’ ‘Ja.’ ‘En wat doet u daar dan?’ ‘Dan doe ik mijn werk. Of wat wil u zeggen?’ ‘Kan u me zeggen wat dat is?’ zei de dokter, terwijl hij zichzelf een kop thee inschonk. Milan wilde iets antwoorden, maar vond plots geen woorden. Hij aarzelde en zei ten slotte dat het nogal complex was om zo even de inhoud van zijn job te omschrijven, vooral aan iemand zonder ervaring met dit soort werk. Maar wat hij zeker wist, is dat er veel mensen baat bij hadden. ‘Probeert u toch maar.’ Milan deed verwoede pogingen om exact te beschrijven wat hij daar een hele dag deed maar had niet het gevoel dat hij daarin slaagde. Hij viel over zijn eigen tong, verhaspelde woorden die hij niet kon vertalen, twijfelde over de betekenis van sommige woorden, sleurde er termen bij die hij eigenlijk zelf nooit helemaal heeft gevat. ‘Goed. En dan is het lunchtijd? Hoe verloopt dat?’ ‘Meestal ga ik naar beneden, naar de eetzaal, maar het gebeurt ook dat ik buiten iets ga eten. Soms praat ik met collega’s, soms scroll ik wat op mijn telefoon…’ ‘Waarover wordt er gesproken?’ ‘Gewoon, over de staat van de wereld, of over onze job.’ Opnieuw onderstreept hij iets.‘Bon. Ik ga u enkele korte vragen stellen en u moet even bondig antwoorden, zonder te veel na te denken. Zal dat lukken denkt u?’ Milan knikte. ‘Daar gaan we. Vraag één: voelt u zich soms heel klein, zo klein dat u nergens deel van uitmaakt?’ Milan knikte opnieuw. ‘Is uw leven nodeloos ingewikkeld? Zou u alles willen geven om het eenvoudiger te maken?’ Milan knikte hevig. ‘Ja, dit is helemaal mijn wens!’ ‘Vindt u het allemaal te groots? Vraagt u zich soms af waar het kleine geluk is gebleven?’ ‘Ja!’ ‘Hecht u veel belang aan de natuurlijke gang der zaken?’ Omdat Milan niet meteen met een antwoord kwam, keek zijn interviewer hem aan door zijn opvallend roze bril, waarvan het montuur onderaan een dikke rand had en bovenaan geen rand, waardoor het leek alsof de drager enorme wallen had. Het was ook daardoor dat Milan zich niet op de vraag kon concentreren, hij stelde zich vragen bij dit brilontwerp.‘Als u daarmee bedoelt dat ik de oude waarden respecteer, moet ik daar volmondig ja op antwoorden.’ ‘Hebt u op dit moment een relatie?’ ‘Nee, en dat is eigenlijk ook waarom ik hier ben.’ ‘Hoe is de relatie geëindigd? Wat was de reden?’ ‘Zij heeft er een punt achter gezet omdat ik een grens was overgegaan.’ ‘En geeft u haar gelijk?’ ‘Wel, ik wist zelfs niet dat daar een grens lag! Ze zei iets van dat ik te impulsief was.’ ‘Interessant.’ Opnieuw noteerde hij enkele dingen. ‘En hebt u spijt?’ ‘Ja, ook al vind ik niet echt dat ik schuld tref, kan ik een groot schuldgevoel niet van me afschudden. En dat gaat niet enkel over deze relatie, dokter. Ik heb het gevoel dat ik mijn verleden constant meedraag. Alsof ik er niet vanaf geraak. Begrijpt u? Aan de andere kant kan het me ook allemaal niet zoveel schelen.’ ‘U bedoelt dat u de andere de schuld geeft?’ ‘Nee, ik bedoel dat ik niets voel. Helemaal niets. En die combinatie, dat schuldgevoel en die totale leegte, dat vond ik niet gezond. Daarom dacht ik dat ik eens met een dokter moest spreken.’ ‘En helpt het?’ ‘Ja, het doet deugd om er eindelijk met iemand over te spreken. Kan ik misschien een wekelijkse sessie krijgen, althans voorlopig?’ ‘Dat zal niet nodig zijn,’ sprak de dokter gedecideerd, en hij trok een horizontale lijn onderaan het papier en legde het klembord voor zich op tafel. ‘U lijdt duidelijk een acute vorm van Europeïsme.’‘Europeïsme? Wat is dat?’‘Tja, dat weten we niet.’ ‘En nu? Wat moet ik ertegen doen?’ ‘Er valt weinig tegen te doen, vrees ik.’ ‘Kan ik dan helemaal niets doen?’ ‘Het hangt af van hoeveel u nu al doet’ zei de dokter met de stem der gewoonte.‘U kan, om maar iets te noemen, het nuttigen van een maaltijd bijvoorbeeld gaan bekijken als iets volstrekt functioneels, in plaats van iets dat genietbaar moet zijn. Maar het is bijzonder moeilijk om die switch te maken. Hoe zit het met uw alcoholinname?’ ‘Euh, ik drink graag een glaasje, maar geen excessieve hoeveelheden.’ ‘Mijn advies is dat u uw inname verhoogt tot dagelijks enkele glazen, ofwel volledig stopt met alcohol drinken.’ ‘Ik drink eigenlijk vooral als er andere mensen bij zijn.’ ‘Probeer eten los te koppelen van sociale interactie. Eet en drink zoveel mogelijk alleen. Koop grote merken, of ga naar de markt. Koopt u uw fruit en groenten volgens het seizoen?’ ‘Nee, maar ik weet dat het beter is voor het milieu.’ ‘Ja, maar niet voor uw mentaal welzijn! Stop ook met koffie drinken. Schakel over op thee, of alcohol natuurlijk. Schrap brood van het menu en eet uitsluitend rijst. Het is ook aangeraden om vroeg op te staan, tussen vijf en zes uur. Doe aan yoga of neem tijd voor een uitgebreid, liefst warm, ontbijt, met de belangrijke toevoeging dat u niet geniet van het eten, maar het als een natuurlijk proces beschouwt.’ ‘Oké, dank u dokter. En wat met het werk? Is het eigenlijk besmettelijk?’ ‘Besmettelijk?’ spuugde de dokter, waarbij Milan hoopte dat de dokter zelf niet met een besmettelijke ziekte rondliep.‘Het is een ware pandemie! Iedereen van uw leeftijdscategorie die hier binnenwandelt zonder duidelijke fysieke klachten schrijf ik hetzelfde voor.’Hij scheurde een briefje van een notitieblok, krabbelde er iets op en schoof het over de tafel in de richting van Milan. Zoals het een dokter betaamt, was het totaal onleesbaar. ‘Excuseer, dokter, maar wat staat er?’ ‘Drie weken Blankenberge, in Hotel Transit,’ sprak het heerschap, en Milan bemerkte een lichte trots in die woorden, alsof hij hiermee eer opstreek. Milan draaide het briefje om, al wist hij wel dat er niets op de achterkant stond. De dokter ging verder: ‘Boek een kamer in dit hotel, volpension, geen zicht op zee, dat is belangrijk. Maar als u dit briefje aan de receptie toont, weten ze genoeg.’ Ja maar, wat moet ik daar dan doen?’ ‘Zo weinig mogelijk. Lees geen boeken, bezoek geen musea en praat met zo weinig mogelijk mensen. Zeg enkel het strikt noodzakelijke. U hoeft niets te vinden of te kiezen, niets te voelen of te begrijpen. Als u toch enige gedachten of gevoelens zou ontwikkelen, meldt u zich meteen aan de balie.’ Milan keek de dokter vertwijfeld aan en keek dan nog eens naar het briefje in zijn hand.‘En dit zal me helpen?’ ‘Nee. Maar dat is niet het punt. De meeste patiënten knappen zichtbaar op. Niet omdat ze zich beter voelen, maar omdat ze ophouden met zich vragen te stellen of het beter kan. Wanneer u terug bent, evalueren we de situatie en kijken we na of u vatbaar bent voor betekenis.’ ‘En als dat zo is?’ ‘Kijk, zulke vragen zal u hopelijk niet meer stellen. Dan verlengen we de kuur.’De dokter nam zijn klembord weer op.‘De volgende!’

Lennart Vanstaen
0 0

Bedorven

Vanwege mijn aangeboren onhandigheid doe ik het niet zo graag, een kar kopen. Je weet wel, aan de ingang van de supermarkt staan wriemelen met een muntstuk, het in zo'n rondje passen, dat metalen dingetje dichtschuiven en daarna een winkelwagentje losrukken uit het winkelwagentjestreintje. Altijd loopt er bij mij wel iets fout, of toch bijna. Deze keer dacht ik geen kleingeld bij te hebben. Gelukkig vond ik in een bijna vergeten uithoekje van mijn portefeuille nog een muntstuk van twee euro.  Twee euro is best veel, dacht ik bij mezelf. Het zou de eerste keer niet zijn dat ik bij het terugbrengen van zo'n boodschappenvoertuig problemen heb om het muntje er weer uit te krijgen, of het ding gewoon terug in het treintje schuif en het geleende bedrag vergeet te recupereren. Wie zonder verstrooidheid is, werpe de eerste steen. Of keitje. Of korreltje zout. Gezouten chips, niet vergeten straks. Gaat ook niet gebeuren. Ik ben een kei in winkelen. Samen met vrouw en oudste dochter ben ik er even tussenuit voor wat funshopping, winkelen terwijl je in principe niets nodig hebt. Dat klinkt misschien heel luxueus en welvarend, maar mijn gezinsleden en ik zijn al snel tevreden. We doen het in de grootste supermarkt in de buurt. Een totaalbeleving, want je vindt er zo ongeveer alles, ook kleding, elektronica, huishoudelijke apparaten, boeken ...  Desalniettemin stappen we een uurtje later buiten met een aantal nietigheden zoals speciale frisdrankjes die je in andere supermarkten nauwelijks kan vinden, een paar flesjes bier die je in principe overal kan krijgen (soms is de lust groter dan het karakter en dan kan je daar maar beter aan toegeven, anders word je sikkeneurig en gefrustreerd), een aantal snacks en chipsvariëteiten, een paar heerlijke kazen, wat druifjes, cocktailsaus en 'verse garnalen', volgens het etiket.  Altijd beter dan bedorven garnalen, grapte ik nog, want een beetje bedorven zijn we zelf al. Ontaard, decadent, slecht, verrot en corrupt in het algemeen Nederlands, maar in dit specifieke geval is het Nederlands een beetje te gemeen. In mijn dialect staat 'bedorven' voor 'verwend', dat klinkt al heel wat milder. Op de parking worden we aangeklampt door een vrouw van een jaar of dertig. Beetje angstaanjagend, want ze kwam werkelijk uit het niets tevoorschijn. Alsof ze zich vooraf achter een auto had verscholen. Bovendien, en nu stel ik me niet eens kritisch op, zag ze er nogal onverzorgd uit. Armetierig en onderkomen. Misschien hád ze geeneens een onderkomen. Haar lange donkerbruine haren waren volgens mij gewassen met oud frituurvet en haar tanden leken een samenraapsel van bruingele willekeurige stukjes en brokjes die me deden denken aan de onderste overblijfseltjes van een bijna opgevreten puntzak gekaramelliseerde popcorn. Ze rook bijzonder onfris en oogde vrij mollig in haar helrode fleece vest. 'Dag meneer, mag ik iets vragen?' Een mens zou geneigd zijn om nee te zeggen. Een vraag stellen om te vragen of je iets mag vragen ... Doet me denken aan mijn vroegere vriend Kris die op 'n avond in een discotheek plots gretig in de tieten van een meisje kneep en meteen daarna doodserieus vroeg of hij haar borsten eens mocht aanraken. Het leverde hem een paar flinke muilperen op. Van het meisje zelf én van haar vriend. Of hoe plots meteen plotsklaps werd. 'Ja,' zei ik kalm. Ze zit aan de drugs, dacht ik bij mezelf. Of aan de drank. Of allebei. Alhoewel, meestal zijn dat soort types nogal mager, op het uitgemergelde af. Eigenlijk vond ik het vreselijk dat ik zo dacht, maar ik dacht het wel zo, eerlijk waar. 'Heeft u misschien een klein centje voor mij, zodat ik straks misschien naar de winkel kan gaan om iets te kopen voor mijn twee kinderen?' 'Goh,' won ik tijd, nadenkend en smoesverzinnend tegen honderd per uur, 'ik betaal tegenwoordig altijd met de kaart. Cash geld heb ik niet op zak.' Schaam je, Danny, schaam je diep. Volgens mij zag ik zwart.  Ze keek naar mijn vrouw en die herhaalde min of meer wat ik had gelogen. 'Dat snap ik, meneer en mevrouw, maar ik zou al heel blij zijn met het centje dat u daarstraks in uw winkelwagentje hebt gestopt om het te gebruiken.' 'Haha! Dat is waar ook! Er zit nog twee euro in. Die mag je zo hebben.'  Ze bedankte me en trok het winkelwagentje uit mijn handen. Ineens leek ze erg gehaast. We keken haar heel eventjes na terwijl we onze luxeproductjes in de auto legden en net toen ik de koffer dichtklapte, stond ze alweer achter me. 'Nogmaals dank, meneer. Er zouden veel meer mensen moeten zijn zoals u. Dank u wel. U hebt een warm hart.' Ik glimlachte wat ongemakkelijk, knikte en stapte in. Met moeite, want alles wrong. Vooral in m'n hoofd. Hadden we haar niet beter meegenomen naar de winkel, haar eens onbezorgd laten kiezen wat ze nodig had en alles betaald? Mijn warme hart voelde als een ijskoude steen. Hoe ben ik zo geworden? Ligt het aan de wereld of aan mezelf? Mijn bijna kinderlijke naïviteit heeft door de jaren heen plaats gemaakt voor achterdocht en wantrouwen. Is deze vrouw werkelijk een radeloze moeder met twee hongerige kindjes of is ze alleenstaande en loopt ze zo dadelijk vrolijk en verslaafd de winkel binnen voor een bij elkaar gebedelde fles wodka? Ik zal het nooit weten. Twee euro armer, een schuldgevoel rijker. Het ene voel ik al wat meer dan het andere.

Danny Vandenberk
5 1