Zoeken

Op reis

“Ben je maar alleen vandaag?” “Hij is op reis.” “Zonder jou?” “Ja, blijkbaar.” “Het klinkt alsof jullie ruzie gemaakt hebben. Toch niet te erg.” “We hebben geen ruzie gemaakt.” “Toch niet te erg, hoop ik, want jullie zijn de kortste weg naar kleinkinderen.” “Pappie!? Stop daarmee.” “Het mag ook met iemand anders, zigeunertje, maar je moeder zou …” “Mammie is dood.” “Hoef je mij niet te vertellen. Dat merk ik nog elke dag.” Ik keek naar Mammies foto op de schouw. Er stond een halve kaars naast. Pappie stak elke avond een kaars aan. De schouwmantel moest dringend afgestoft. Kendy, de poetsvrouw, was te klein om daar goed aan te kunnen en ze ging niet op een trapje staan. Dat deed ze niet. “Heb je nog steeds Kendy als poetsvrouw?” “Dat is zo’n lieve, Petra’tje. Die ga ik toch niet vervangen. Ze kan zo goed luisteren.” “Ze spreekt ééntalig Spaans, Pappie, en ze poetst niet goed.” Ook op de vensterbanken lag stof en in de hoeken op de vloer. Kendy kwam dan misschien uit Venezuela, maar ze poetste met de Franse slag. Je kon exact zien tot waar de ramen gepoetst waren. Het bovenste deel daar kon ze niet aan. “Ben je nog bij je Mammie geweest?” “Nee.” “Vergeet ze niet, Petra. Ze zag jou zo graag. Ik heb pas nog nieuwe bloemen op haar steen gelegd. Ze zijn mooi. Gilberreke van de bloemist heeft ze speciaal voor haar gemaakt. “Je betaalt te veel voor die bloemen, Pappie. Ze profiteren van jou.” “De bloemist mag er toch ook iets aan verdienen. Ga gewoon een paar keer bij je Mammie langs, daar wordt ze gelukkig van.” Ik zuchtte en vroeg of hij nog koffie wilde, terwijl ik naar de keuken stapte, waar de koffiekan nog in de machine stond. Hij had hem veel te straf gezet. Dat hij nog geen last had gekregen van zijn maag, was een wonder, zoals hij steeds van die loeisterke koffie dronk. De hele dag door. Ik goot de kan leeg in de thermos. Dat was nog steeds dezelfde thermos als toen ik klein was. “Doe maar met.” “Pappie! Het is half elf ’s morgens.” “Eéntje per dag, meisje. Eéntje.” Ik nam de aarden kruik ‘witte’ uit de barkast en goot een klein scheutje in zijn mok. “Nog.” Ik kletste er nog een klein beetje bij. “Doe het fatsoenlijk of ik doe het zelf.” “Hier, doe het dan maar zelf.” En hij goot er een flinke scheut bij. Ikzelf verdunde mijn koffie met ongeveer even veel melk en een half klontje suiker. Pappie zette de fles terug in de barkast. Hij hoestte en schraapte zijn keel na zijn eerste slok. Hoe lang leefde hij al op deze manier? Al meer dan tien jaar. Sinds Mammie overleden was aan die stomme kanker. “Ben je gelukkig, meisje, je ziet er zo bedrukt uit? Als je met die ruzie in zit. Dat maakt niet uit. Je mammie en ik hadden ook ooit ruzie, maar we legden het altijd bij voor we gingen slapen. Nooit bij elkaar in bed kruipen voor de ruzie opgelost is. Dat nooit.” “Dat is het niet.” “Ik ben ook eens een keertje drie weken naar Amerika geweest, voor opleiding van het werk, en toen heb ik je Mammie gemist, heel erg. Dus Hij zal je ook wel missen.” “Denk je?” “Ja. Zeker weten. En wij hadden nog geen telefoons. Drie weken was echt drie weken. Tegenwoordig.” “Hij heeft zijn telefoon niet mee.”  “Echt. Nu ja. Typisch Hem. Al die computers en smartphones dat was niks voor Hem. Dat zei Hij toch altijd. Je hebt er natuurlijk ook ‘ne speciale’ uitgekozen.” “Hoe bedoel je?” “Hij kan hier aankomen en koffie drinken en zonder iets te zeggen na een half uur weer vertrekken.” “Komt Hij hier zonder mij?” “Ja, hoor, minstens een keer per week. En Hij heeft van die dagen dat hij dus absoluut niks zegt. Of ja, toch zo goed als niks.” “Dat wist ik niet. Nu ja, maakt ook niet uit. Wel attent van Hem.” “Attent, ja, spraakzaam, nee. Daarmee, het verbaasde me dat Hij er niet bij was. Ben je al weg? Je moet toch pas om twee uur op het werk zijn. Je kan hier een boterhammetje mee eten, meisje, je weet dat ik niet graag alleen eet en ik eet al zo veel alleen. Zullen we een kaartje leggen?”

Hans Van Ham
0 0

Want ik red

Wanneer een autootje waar kinderen in spelen door de lava wordt geduwd, dan zullen de banden smelten. Dan smelt de baby in de speelauto als deeg in de oven. De baby neemt de materie aan van klei die ik moet vasthouden, bijsturen, hervormen. Met mijn hand grijp ik de omvang van zijn veel te fragiele nekje om te voorkomen dat zijn hoofd verder in zijn lichaam smelt. Want smelten zal hij. En hij zal er eeuwig onder lijden. Dus ik vang zijn ledematen op en draai ze bij. De lava ons neemt ons beiden mee. Maar ik red. Wanneer mijn broer steeds naar een mysterieuze kamer verdwijnt. Daar waar computerschermen hem brainwashen tot een mechanisch bestaan. En niemand merkt op dat hij er lomer en lomer uitziet. Een beetje uitgerekt en zo ongelofelijk mager. Niemand merkt op hoe hij uren in de kamer verdwijnt wanneer het alarm afgaat. Maar deze keer zal ik meekomen. Deze keer trek ik hem weg. De kamer daar hij verdwijnt, waar hij bewusteloos in een stoel ligt, ligt hij vastgebonden te staren naar het computerscherm dat hem vertelt hoe hij ons moet verlaten. Maar geen zorgen, want ik red. Ik red ons allemaal. Wanneer de zombie meisjes met hun rode capes als onschuldige poppen in de berm liggen. Daar net tegenover de plaats waar mijn vriendinnen na het vluchten hun kamp opbouwen. De avond nadert en plots maken ze knarsende geluiden, ze lijken wel te ontwaken. En wanneer ze als vleesetende meisjes opstaan en aan zij die hun benen scheren beginnen knagen. Dan kom ik met maar één doel. Want ik red. Wanneer we verstoppertje spelen terwijl mama zich laat opereren. Verstop ik mij in de kast van de operatiekamer. Daar waar de dokters haar inslaap doen en ze met messen in haar lichaam beginnen snijden. Omdat ze haar schoonheid benijden? Daar zal ik haar dragen. Ik draag haar al ben ik maar acht of negen jaar. Al is ze voor mijn armpjes veel te zwaar. Ik zal haar redden. Wanneer zal mijn onderbewuste het mezelf vergeven dat ik papa niet redden kon. Wanneer zal ik stoppen met compenseren. Maar ik droom en droom en dat is al iets. Liever zulke dromen die ik overleef, als een situatie waar ik niet bang meer voor moet zijn. Dan niets.

Tess Declercq
0 0