Zoeken

Daarboven is mooi, Hierbeneden is magisch...

Een kameraad en ik staan in een open veld aan de rand van het bos naast een klein meer. Het is middernacht en er is geen enkele wolk te bespeuren. Hij kijkt naar de open sterrenhemel en zucht vol bewondering: “Mooi toch”? Terwijl ik “heel mooi” mompel zie ik links van mij waterdampen opstijgen uit het meer. Een prachtig schouwspel ontvouwt zich voor mijn ogen. Het water, haast rimpelloos, omsluit het hele meer tot aan de rand toe, de wezentjes eronder beschermend voor de buitenwereld. De sterrenhemel wordt weerspiegelt op haar gladde oppervlak, de illusie opwekkend dat hemel en aarde als één eenheid te samen de nacht ingaan. Een karpertje haast zich al zwiepstaartend naar boven, hapt even naar lucht en verzwelgt zo schijnbaar een ster. Fier bij deze gedachte bedenkt hij voor zichzelf de bijnaam: “Rodney de sterrenverzwelger”. Eens terug beneden pocht hij tegen zijn broers, dat hij “Rodney de sterrenverzwelger”, de neus van de Grote Beer heeft verzwolgen. De waterjuffer vliegt wat zenuwachtig over het water en tikt schijnbaar achteloos af en toe even het watersterretje aan. Is ze op weg naar huis, naar haar lieve (te) zachtaardige echtgenoot? Ooofff kan het zijn dat de aangetikte sterretjes een code bevat voor haar minnaar, de stoere Colorado kever aka “Butch” ? --00:15--achter de paddenstoel--met de driekwartshoed-- Sinds een gigantische hagelbol een kwart van zijn hoed had afgerukt, kreeg deze Paddo officieel de status van “Landmark”. De voltallige Natuurraad had vóór gestemd toen dit werd voorgelegd door de zeer respectabele kerkuil Tevens ontvangt hij van de verzekeringsmaatschappij “Eik , Berk en Zonen” elke maand een toelage voor de geleden stormschade... Ik wijs hem op het magisch schouwspel maar hij zegt enkel: "De hemel daar beneden is slechts een reflectie van de echte hemel daarboven” Wij kijken door een andere bril naar de wereld om ons heen en dat is prima...    

Ives
0 0

gedachten sorteren

Ik dacht: ik laat hier eens mijn gedachten lopen. Laat ik ze even vrolijk huppelen op dit papier, alhoewel, 't is geen papier. Ik kan het niet ruiken. En mijn gedachten zijn ook niet zo vrolijk momenteel. Lopen doen ze wel, snel. Want ik heb dit niet op voorhand geschreven, ik schrijf nu gewoon wat ik denk... En ik denk veel. Dat het niet stilstaat, dat is een feit. Zoals ik al zei: ze lopen. En soms kan ik ze niet bijbenen. Dus dan schrijf ik de absurditeit ervan op, zo kan ik het kaf van het koren scheiden. Piekeren vermijden. Of werkt dat zo niet? Jawel hè, jawel, dat werkt hè, mede-schrijvers. Oh, ik krijg een berichtje binnen. Mijn gedachte over een gedachte was duidelijk verkeerd, dat lees ik nu, terwijl ik schrijf... Multitasken noemen ze dat. Misschien is dit een fait divers en moet ik het bij het kaf sorteren. Na veertig jaar moet ik nog steeds leren dat gedachten niet bij iedereen zo huppelen tijdens een loop. Elk zijn loopstijl... En terwijl ik dit schrijf, denk ik: rust nu toch, stop eens met denken. Maar dat lukt niet, 't is als een lopend vuurtje dat op hol slaat. Of ja, lopend vuurtje... Die uitdrukking klopt niet helemaal, maar je begrijpt me wel. Niet te stoppen dus. En als iets niet te stoppen is, crasht het meestal eens. En dan vergeet je gewoon alles: waar je sleutels liggen bijvoorbeeld, of wat je ook alweer in de kelder ging doen.    Alleen    ver tra...gen    lij kt....te.....w...er...ke...n    *    "'k Moet pipi doen!" roept de kleinste.    Snel! Even andermans gedachten sorteren, hij moet dat nog leren.    Ik ga rechtveren.    Euh...    Wat wou ik nu ook alweer beweren?        

Troja!
10 1

Pompoenmensen

Vandaag wil ik het hebben over de pompoen. Ja, de pompoen. Want een courgette, daar valt weinig over te vertellen. Een courgette kent haar plaats. Mes erop, schijfjes, klaar. Een tomaat geeft zich zelfs iets te gemakkelijk. Een champignon kunt ge met één hand klein krijgen. Maar een pompoen? Een pompoen is een middeleeuws fort. Ge snijdt hem niet. Ge neemt hem in. Hij ligt op uw aanrecht, rond en ongenaakbaar, met denkbeeldige kantelen en een slotgracht errond. Ge haalt uw grootste mes boven. Dat mes waarvan ge bij het uitpakken dacht: waarvoor heeft een normaal mens dit nodig? Hiervoor dus. Ge zet de punt erin. Duwt. Wringt. Vloekt. Op den duur hangt ge met uw volledige lichaamsgewicht boven het aanrecht, in een houding waarvan uw kinesist later zal zeggen dat het zo niet bedoeld is. De pompoen geeft geen krimp. Ik vermoed zelfs dat hij ervan geniet. En dan heeft hij ook nog een imagoprobleem. Vanaf oktober wordt de pompoen collectief veroordeeld tot twee carrières: soep of Halloween. Ofwel koken we hem plat, zetten er de staafmixer in en gieten er room bij. Ofwel hollen we hem uit, geven hem drie driehoeken en een slecht gebit en zetten hem aan de voordeur. Wat een vernedering. Heel uw zomer hebt ge op een veld liggen rijpen. Zon gepakt. Regen doorstaan. Met uw gat in de aarde gelegen. Vol smaak en grootse plannen. Komt er iemand met een Action-mesje ogen in u snijden. Terwijl er zoveel meer in zit. Ge moet er alleen door geraken. Want de pompoen heeft iets van een grumpy old man. Zo eentje die de wereld met enig wantrouwen bekijkt en niet van plan is daar voor uw plezier verandering in te brengen. Een mening heeft hij altijd klaar. Liefst kort, krachtig en zonder overbodige verpakking. Nuance wordt beschouwd als tijdverlies, diplomatie als een overbodige luxe. Ge kunt daartegen argumenteren, maar ge kunt evengoed tegen een pompoen beginnen praten. Die luistert ongeveer even aandachtig. En op zo'n moment denkt ge: waarom heb ik in godsnaam niet gewoon een courgette gekocht? Toch zit er iets fascinerends in dat stugge karakter. Niet alles moet onmiddellijk toegankelijk zijn. Sommige dingen hebben nu eenmaal een dikke schil, een eigen gebruiksaanwijzing en weinig belangstelling voor uw goede bedoelingen. Ge kunt blijven duwen, trekken en peuteren, maar daar wordt niemand zachter van. Integendeel. Voor ge het weet gaat de ophaalbrug omhoog en staat er boven op de kantelen kokende olie klaar. Ge moet weten waar de kleine poortjes zitten. Een pompoen moet ge roosteren. Olijfolie. Peper. Zout. Tijm. Rozemarijn. Een beetje masseren. Niet te bruusk. De oven in. En wachten. De randen worden donker en kleverig. De suikers karamelliseren. Het vruchtvlees wordt zacht en zoet. Aards. Nootachtig. Warm. Pompoen smaakt naar grond waar de zon nog in zit. De laatste jaren ben ik van die aardse smaken gaan houden. Paddenstoelen. Knolselder. Boter die bruin mag worden. Pompoen met zwarte randjes. Smaken die niet meteen hun beste beentje voorzetten, maar langzaam binnenkomen en blijven hangen. En ik hou ook van mensen die zich niet zomaar laten kruiden. Die niet bij de eerste kennismaking hun volledige binnenkant op tafel gooien. Geen grote verklaringen, geen emotionele ontboezemingen en al zeker geen demonstraties van kwetsbaarheid op een bergtop in een linnen broek. God verhoede. Soms zit de zachtheid in iets kleins. Een onverwachte grap. Een ogenblik van aandacht. Een gebaar dat nergens om vraagt. Een beetje warmte die er plots blijkt te zijn en even snel weer verdwijnt, alsof iemand vergeten was de ophaalbrug op te halen. En dan denkt ge dat ge binnen zijt. Dat ge de slotgracht overgestoken hebt en eindelijk aan de andere kant van die vervloekte muur geraakt zijt. Maar zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Want soms staat ge daar met al uw goede bedoelingen, uw geduld, uw olijfolie en uw grootste mes en geraakt ge nog altijd geen centimeter verder. Ge kunt masseren tot uw armen eraf vallen, kruiden tot ge naar een Provençaalse markt ruikt en wachten tot de oven het begeeft. Maar een pompoen die niet wil, die wil niet. En op den duur moet ge u toch eens afvragen of al dat gewrik nog wel de moeite loont. Of ge niet meer energie in dat oranje kreng steekt dan ge er ooit aan smaak zult uithalen. Want niet achter iedere dikke schil zit goudgeel vruchtvlees. Soms zit er gewoon een heleboel niks achter. Of iets wat zo bitter is dat zelfs een halve kilo boter er geen redden meer aan heeft. En misschien is dat ook iets wat ge moet leren. Dat ge niet alles moet openbreken. Niet iedere ophaalbrug moet neerlaten. Niet iedere grumpy old man moet ontdooien. Sommige smaken hebben tijd nodig, maar tijd alleen maakt iets nog niet lekker. Sommige pompoenen moet ge gewoon pompoen laten. Die vragen erom tot een smakeloze soep gemixt te worden. Of uitgehold, met drie driehoeken en een mottig gebit aan de voordeur gezet te worden. Een beetje assorti met plastieken doodskoppen en chemische spinnenwebben. Ge houdt die echt letterlijk beter buiten.

Katrien Daniels
54 3

Het geleende lichaam

Ze trok het bos in om terug te vinden wat ze onderweg was verloren. Haar zinnen die ze inslikte, haar verlangen dat telkens opnieuw door redelijkheid aan banden werd gelegd, haar ritme dat ouder was dan taal. Ze luisterde en ademde de vochtige herfstlucht in. Hier vroeg niemand wie ze was. De strakgespannen spieren in haar schouders lieten eindelijk los. Haar hand gleed teder langs de boomstammen. Sommige voelden glad en uitnodigend, andere hadden een ruwe onleesbare schors. Tussen de varens zag ze hem liggen: een statige, geknakte boomstam. Ze observeerde hem met de zeldzame blik waarmee ze een man te kennen gaf dat hij haar verlangen had aangeraakt. In haar gedachten schetste ze hem: de bast die op enkele plekken opengebarsten was, de lichte kromming van zijn rug, de manier waarop hij daar lag alsof hij haar al verwachtte. Ze ging naast hem zitten en legde haar hand tegen de schors. Ze volgde een oneffen groef en dacht aan de rug van een man, aan de plek tussen de schouderbladen wanneer hij zich vooroverboog, net voor hij binnendrong. Ze trok haar schoenen uit en klom op de stam. Ze zakte voorzichtig voorover tot haar buik tegen het hout rustte en haar wang de ruwe schors raakte. Ze duwde zich harder tegen hem aan. Onder haar ontwaakte iets. Ze beeldde zich in dat hij daar lag, zijn adem in haar hals. Ze werd zich bewust van haar volle borsten tegen het hout, van haar dijen, de spanning in haar onderrug. Een korte zucht ontsnapte. Ze verlangde naar zijn stevigheid, naar het gevoel dat ze zich tegen hem kon afzetten zonder hem te breken. Ze drukte een kus op het hout en liet haar lippen even rusten. Ze voelde een borstkas die onder haar op en neer ging. Tussen de boomtoppen bewoog het licht. Ze hoorde het zachte kraken van de takken. Ze nestelde zich dieper in het geleende lichaam dat eerst vreemd, maar toch vertrouwd aanvoelde. Haar gedachten cirkelden steeds weer terug naar hem. De man die haar had laten ontwaken en een vuur in haar had aangewakkerd dat ze nooit alleen had kunnen vinden. Na een lange winterslaap gloeide haar huid. Ze richtte zich op en duwde haar bekken tegen hem aan. Ze wiegde mee met de boomtoppen. Haar adem verdiepte, haar spieren verloren hun waakzaamheid. Haar vingers spreidden zich over de bast en zo greep ze hem stevig vast. Ze sloot haar ogen en stelde zich voor hoe hij haar bezat. De zon stond bijna tegen de horizon. Het gefilterde licht van een late herfstnamiddag gleed over haar rug. Loom tilde ze haar hoofd op en keek naar de smalle strook hemel. Ze was kwetsbaar, maar niet weerloos. Nog even bleef ze liggen, haar spinnende lichaam uitgestrekt over het hout. Haar vingertoppen tikten tegen de bast, een nieuw voorzichtig ritme klonk. Een trage, oeroude cadans, die ergens diep onder haar huid niet meer te stoppen was.  

Jolien Van de Velde
155 1

Waardig ouder worden

Elke dag. Elke minuut. Elke seconde gebeurt het. Je wordt ouder waar je bij staat.  Drieëntwintig. Dat is al decennialang mijn gevoelsleeftijd. Dat zit veel dieper dan je op het eerste gezicht zou denken. Zo schat ik telkens weer de leeftijd in van nieuwe mensen die ik tegenkom. Van een man van pakweg achtendertig zal ik al gauw denken dat hij meer levenservaring of -wijsheid heeft dan ik en soms ben ik er rotsvast van overtuigd dat een jonge vrouw van zesentwintig best wel in mij geïnteresseerd kan zijn, ook op lichamelijk vlak. Je leest het gelukkig niet van me af. Verdorie ja, nu wel natuurlijk. En toch, toch ben ik dezer dagen op bijna onverklaarbare wijze bezig met mijn oude dag. Onlangs droomde ik dat ik zat te kienen in het woonzorgcentrum, in een rolstoel, met een geruit dekentje over m'n krakkemikkige knieën. Toen de getalletjesafroeper '87!' kweelde, sloeg mijn zwakke, soms lichtjes haperende hart twee keer over en trachtte ik uit volle borst 'kien!' te roepen. Ik schrok er zelf van hoe fragiel mijn stemmetje klonk. Het kwam amper boven het geroezemoes in de cafetaria uit. 'Net op 87 dan nog,' mompelde ik tegen Robert, mijn vaste buurman tijdens spelnamiddagen, 'dat is toevallig ook mijn leeftijd.'  Robert trok er zich zoals gewoonlijk niks van aan. Hij was ook bijna gewoon lijk en speelde niet eens mee, omdat hij weer eens vergeten was zijn gehoorapparaat op te laden. Al jaren leefde hij als een plant. In zijn geval als een dovenetel.  Een paar dagen geleden hoorde ik op het radionieuws dat de gemiddelde prijs voor een maandelijks verblijf in een woonzorgcentrum ongeveer 700 euro hoger ligt dan het gemiddelde pensioen. Daar wordt een mens toch een tikkeltje ongemakkelijk van. Woonzorgcentra zijn bijna onrusthuizen geworden. Als het zo doorgaat alleen nog weggelegd voor de happy few, als je tenminste goed verzorgd en voor de rest met rust gelaten wordt, want gisteren nog las ik over kwetsbare bejaarden die er bestolen en zelfs mishandeld werden door het personeel. Dat slaat toch nergens op, zou je verkeerdelijk denken. Ik realiseer me nu dat ik in 2028 even lang in het vorige als in het huidige millennium geleefd zal hebben. Typisch zo'n bedenking die ik vroeger nooit zou maken. Waken moet ik. Waken over mijn geestelijke gezondheid. Focussen op die drieëntwintig dus. Zoals ik dat gewend ben. Rustig negeren hoe ik de lettergrootte van mijn tekstverwerker tegenwoordig twee puntjes hoger moet zetten om mijn eigen schrijfsels nog te kunnen volgen, hoe ik in het fitnesscentrum mijn fietsrecord van twee jaar geleden maar niet verbeterd krijg, hoe de dagen steeds sneller voorbij lijken te gaan, hoe mijn knietjes soms kraken als ik de trappen naar de zijdeur oploop en hoe ik soms van een mug een olifant maak, tenzij het over mijn geheugen gaat, want dat lijkt hoe langer hoe minder op dat van een olifant maar eerder op dat van een mug met jongdementie, terwijl ik instinctief veel minder drink, in die mate zelfs dat ik de voorbije acht weken geen druppel alcohol genuttigd heb en bijgevolg geheelonthouder zou moeten zijn. Wel, allesbehalve! Ik ben een vergetend vergiet. Mijn dokter hint bijvoorbeeld wel eens dat vijftigers baat hebben bij een jaarlijks of tweejaarlijks prostaatonderzoek. Dan denk ik ijskoud: en wat dan nog? Wat heb ik daar mee te maken? Dat zijn zorgen voor later. Veel later! En ik ontken dat het een ontkenningsfase is. 'Hoe voel je je?' Dat vraagt hij de laatste jaren telkens weer als ik 'm zie (als ik onze afspraak niet vergeet). Zomaar. Zonder aanwijsbare reden. Vreemd toch. 'De eerste vijf dagen na het weekend zijn het beroerdst, daarna gaat het wel weer,' antwoordde ik overlaatst. En ernstig kijken dat hij deed! Erg toch, op zijn leeftijd. Hij is ongeveer tien jaar ouder dan ik. Drieëndertig, en nog steeds geen greintje gevoel voor humor. Dat moet erg zijn.  

Danny Vandenberk
0 0

't Eyland Mauritius - een kleine kolonie 3 eeuwen geleden 2

HOOFDSTUK 2 – ONTSCHEPEN Bij zonsopgang was de nederzetting rond Fort Frederik Hendrik al ontwaakt. Rook steeg op van kookvuren terwijl kolonisten zich verzamelden bij de kustlijn en rond de kleine haven. De aankomst van een groot VOC-schip veranderde altijd het leven op het eiland. Voorbij het rif lag De Boode voor anker in de baai, haar romp torende boven de kleinere boten uit die al naar haar toe voeren. Mannen speurden het schip gretig af naar familieleden en vrienden. Vrouwen bespraken de voorraden die eindelijk van Kaap de Goede Hoop zouden zijn aangekomen. VOC-personeel wachtte ongeduldig op rantsoenen en proviand voor het pakhuis van de Compagnie. Vlakbij de aanlegplaats stond Jan Harmansz, breedgeschouderd en gebruind, luid lachend met een aantal kolonisten. Hij had maanden gewacht op de aankomst van gereedschap en machines voor zijn distillerij. "En Daniel kan maar beter ook aan boord zijn," verklaarde hij opgewekt. "Anders drink ik vanavond alle arak zelf op." De mannen lachten. De komst van een nieuwe gouverneur betekende later die avond een feest – er werd overvloedig eten, bier en sterke drank uitgedeeld in het Fort. Zulke gelegenheden waren zo zeldzaam op Mauritius dat ze met spanning werden afgewacht. Drie varkens waren al geslacht en lagen langzaam te roosteren in kuilen gevuld met houtskool. Vrouwen hielpen het huishoudelijk personeel in het fort met het schoonmaken van zoete aardappelen en groenten en het bereiden van welkomstdrankjes en brood voor de passagiers die nog aan boord van het schip waren. Ondertussen bereidden de eerste passagiers aan boord van de De Boode zich angstig voor op de ontscheping. De hoogte tussen het schip en de kleine sloepen die eronder schommelden, zag er angstaanjagend uit. Matrozen schreeuwden instructies terwijl touwen zwaar kraakten tegen de romp. Theuntje, nog steeds verzwakt door de reis, stond onzeker bij de ladder; 'Help me, Bart,' fluisterde ze. Bartholomeus ondersteunde haar arm. Beneden hen bewogen de boten scherp op en neer op het water. Langzaam, met de hulp van haar man, daalde ze af in de wachtende sloep. Pieternella werd plotseling bang. Daniel daalde gemakkelijk af in een van de boten beneden, met het zelfvertrouwen van een man die gewend was aan schepen en ruw water. 'Wacht op de deining,' riep hij kalm naar boven. 'Stap dan naar beneden.' Pieternella begon voorzichtig aan haar afdaling. Even schommelde de boot hevig onder haar en verloor ze bijna haar evenwicht, maar Daniel reikte onmiddellijk omhoog en ondersteunde haar stevig voordat hij haar hielp op de smalle bank naast Theuntje. 'Je bent veilig,' zei hij eenvoudig. Ze zat rustig naast Theuntje terwijl ze wachtten tot de sloep eindelijk de kust bereikte. Om hen heen ging de chaos overal door. Kisten en vaten zwaaiden door de lucht, hangend aan touwen. Biggetjes gilden vanuit rieten kooien, terwijl matrozen in het Nederlands, Duits en Portugees over elkaar heen schreeuwden. Uit een geopende kist kwam de scherpe geur van kaneel en peper vrij. In een andere lag porselein, zorgvuldig in stro gewikkeld. Elders werden zakken rijst, touwen, hout, medicijnen en zwaar gereedschap in wachtende boten gehesen. Pieternella keek alles zwijgend aan. Dit kleine eiland leek plotseling verbonden met plaatsen in de wereld die ze zich nauwelijks kon voorstellen. Toen hun boot eindelijk de kust bereikte, schoten kolonisten meteen te hulp om de uitgeputte nieuwkomers te helpen. Jan Harmansz baande zich een weg door de menigte zodra hij zijn vriend herkende. "Daniel!" brulde hij opgetogen. De twee mannen omhelsden elkaar hartelijk, waarna Jan hem meteen begon te ondervragen over de reis, Kaap de Goede Hoop en de lading. Achter hen ging het lossen door in de toenemende tropische hitte. Lamotius' vrouw Andrea was samen met haar dochter al naar hun privévertrekken in het Fort gebracht om zich op te frissen. Vroeg die ochtend had de huishoudster van het Fort er zorgvuldig voor gezorgd dat de kamers schoon en gelucht waren en voorzien van vers beddengoed en een bos bloemen. Lamotius zelf zat al aan een tafel met de boekhouder van de VOC, bezig de inhoud van het pakhuis en alles wat de kolonie binnenkwam aan boord van De Boode te inventariseren. Deze taak zou hen het grootste deel van de dag bezighouden. De verdeling van de goederen onder de kolonisten en het personeel zou de volgende ochtend beginnen, zodra alles correct was geteld. Tegen het midden van de dag sloeg de vermoeidheid zwaar toe. De hitte was ondraaglijk geworden en overal waar voedsel of water was gemorst tijdens het lossen, verzamelden zich vliegen. De meeste mensen rustten waar ze konden – onder bomen, tegen muren of in de schaduw van het Fort, in afwachting van het avondfeest. De geur van geroosterd varken en groentestoofpot zweefde langzaam door de warme lucht. Daniel zat samen met Jan en Bartholomeus onder een boom te praten over hun verblijf in de Kaapkolonie en hun toekomstplannen. Kort voor zonsondergang keerde een klein schip terug naar De Boode met vers water en voedsel voor de drie wachters die aan boord zouden blijven om het schip te bewaken. Toen de boot terugkeerde, zakte de zon al achter de bergen en was alles klaar voor het diner. In de kleine zaal van het fort was een tafel gedekt voor de gouverneur en zijn familie, de belangrijkste VOC-functionarissen en de meest invloedrijke kolonisten, onder wie Daniel en Jan. Nederlands servies, koperen kandelaars en mooie glazen weerkaatsten het warme licht van de kaarsen. Buiten op de binnenplaats waren tafels neergezet voor de andere kolonistenfamilies. Pieternella zat naast haar broer Solomon en hun pleegouders Theuntje en Bartholomeus. Die avond deelde iedereen in de kleine kolonie een royale maaltijd. Zelfs de slaven ontvingen porties in hun eigen vertrekken bij deze feestelijke gelegenheid. 'Zie je, Isaac, dit is goed gegaan,' zei Andrea tegen haar man toen hij naast haar op bed viel. Hij was volkomen uitgeput. De hele dag had hij toezicht gehouden op de goederen die het pakhuis binnenkwamen en de registratie ervan in de grootboeken van de Compagnie, voordat hij het lange gezamenlijke diner in het Fort voorzat. De lokale arak die de kolonisten hem hadden laten proeven, had hem een ​​bonkende hoofdpijn bezorgd. Ik hoop dat je gelijk hebt, dacht hij, voordat hij in een diepe, droomloze slaap viel.

Ve
7 1