Een Leven op de verkeerde rails
Soms, wanneer mijn gedachten zich in de schaduw van het bewustzijn verbergen, vraag ik me af of het de trein is die door het landschap schuift, of het landschap dat zich beweegt, geleid door de rails die zich ver onder de huid van de aarde verschuilen. Het is een vraag die zichzelf voortdurend herhaalt, zonder ooit een definitief antwoord te vinden. Het is niet zo dat ik onwetend ben, maar de kennis aan de oppervlakte is zo flinterdun dat ik me afvraag of het werkelijk de moeite waard is om te zoeken naar een antwoord dat er niet toe doet.
Schuif ik door het leven? Of schuift het leven door mij? En waarheen schuiven de dingen? Vragen zijn mijn vervoersmiddel. Elke antwoord rijden ze voorbij. Zo ben ik geworden wat ik ben. Een lang verhaal zonder inhoud. Samen te vatten als: “Er was eens, en hij leefde ongelukkig en te lang.”
De trein. Mijn eigen metronoom, de regelmaat van een leven dat zich in het ritme van de rails voortzet. Iedere ochtend weer, de vertrouwde rit van woonplaats naar werk, als een onvermijdelijk ritueel. Helaas bevindt deze metronoom zich in een andere dimensie van tijd, één die zich niet strikt aan het uurwerk houdt. Soms kom ik met een beetje geluk op de juiste bestemming aan, maar wanneer precies blijft altijd een verrassing. Gelukkig kruipt de trein altijd over dezelfde sporen, alsof dit de enige zekerheid is. Maar zelfs dat is betrekkelijk.
En zo rijdt mijn leven voort. Een afgeleefde flat in Kortrijk. Een frustrerende job in Brussel. Mijn bestaan lijkt wel een… euh… trein. Waarin de bestemming niet altijd duidelijk is, maar de beweging nooit stopt.
Hoe ik hier beland ben? Dat is een lang verhaal, en eerlijk gezegd, niet het soort verhaal dat de moeite waard is om te vertellen. De reflecties naar vroeger voelen als kleine wondjes die je vergeten bent, totdat je weer iets aanraakt en de pijn plotseling opkomt, scherp en ongemakkelijk. Het zijn de papiersneetjes van het leven – onmerkbaar, maar hardnekkig. Bespiegelingen vermijd ik. Wat laat een spiegel nu werkelijk zien? Alleen jezelf, en alles wat achter je ligt. Maar wat als je liever vooruit kijkt? Wat als er een spiegel was waarin je alles wat voor je ligt zou kunnen zien? Waar zou je dan staan?
Een raam? Mijn ramen zijn stuk voor stuk verduisterd, reflecteren alleen de schemering van een leven dat niet altijd zichtbaar wil zijn.
Trots, zelfvertrouwen, perspectief. Ik weet niet precies wat het is, maar het zijn geen vrienden van mij. Het leven leidt mij, en de mensen die zich rondom mij verzamelen – hoe miniem die groep ook is – sturen me verder, vaak tegen mijn wil. Ik volg, denk ik, niet omdat ik het wil, maar omdat ik het gevoel heb dat er geen andere keuze is. Een hond tegen wil en dank. Behalve dan dat ik zelf mijn poep zelf moet opruimen. Dwarrelen, ja, dat is wat ik doe. Al 26 jaar lang. Naar beneden, het grote smelten in. Het gevoel dat ik meer in de richting van iets verdwijn dan dat ik iets bereik.
Gedachten zijn mijn schuilplaatsen. Daar is ruimte voor niemand anders, tenzij ik hen uitnodig. Alles kan er, maar niet alles mag. Het zijn geen eindeloze vlaktes die zich uitstrekken in de verte. Nee, mijn gedachten hebben grenzen. Variabele grenzen. Handig instelbare palen langs de weg die ik soms volg, maar die ook vaak in de weg staan. Ik breng veel tijd door in mijn gedachten, vaak zittend in een trein die wel rijdt, maar nooit weet waarheen.
Mijn flat in Kortrijk, een bescheiden uitvalsbasis voor dit wankele bestaan, is niet veel meer dan een verzameling ruimte. Een piepkleine hal die rechtstreeks naar de woonkamer leidt, gevuld met meubels die niet meer van deze tijd zijn. Een bank die ooit comfortabel was, maar nu in een soort schrijnende leegte zit. De boekenkasten lijken zichzelf een rol toe te schrijven die ze niet kunnen vervullen, en de eettafel is het enige meubelstuk dat nog redelijk in harmonie is met de ruimte. De keuken, een open eiland zonder veel ziel, loopt door in de slaapkamer, die je alleen betreedt als het echt nodig is. En dan is er de badkamer, gescheiden van de woonkamer door een deur die net zo betekenisloos is als de kleur van de muren. Wat voor kleur? Een soort wit, maar je zou het niet kunnen zeggen. Het is kleurloos. Er is geen televisie, geen dressoir – ik heb nooit begrepen waarom mensen dressoirs nodig hebben. Twee grote ramen laten wat daglicht binnen, hoewel ik betwijfel of dit voldoende is om mijn bestaan echt te verlichten.
Trots, dat ken ik niet. Maar ik houd mijn flat in een redelijke staat, opgeruimd. De bank is chaos, maar de rest is in enige mate in balans. Ik eet altijd aan de eettafel, nooit op de bank. Slapen doe ik in mijn bed, dat net genoeg ruimte biedt om tot rust te komen. De kleren die ik heb hangen netjes in de kast. Schoenen staan keurig in een rek. De enige uitzondering zijn de boeken. Die leg ik overal neer. Boeken zijn voor mij een soort gedachten die in papier gevangen zitten. Ze zijn alles, ze zijn evenwaardig aan mijn eigen reflecties. Ik leef er in.
Mijn lichaam? Het krijgt de zorg die het nodig heeft, al is het niet veel. Ik wandel, ik loop. De lange afstanden, die is mijn ding. Niets valt te vergeleken met het gevoel dat ik krijg van een drie- of vier uur lange wandeling of looptocht. Terwijl mijn gedachten zich verliezen in de tijd, in de regen of zon, dat maakt niet uit. Beide kunnen naast elkaar bestaan. Denk ik.
Er is zoveel waar ik van hou, maar het is niet altijd duidelijk waarom. Mijn begrip lijkt zo beperkt.
Wat ik niet begrijp? Het dagelijkse ritueel van het woon-werkverkeer. Waarom blijf ik iedere dag opnieuw in die trein stappen? Wat bezielt me om deze absurditeit te herhalen? Dit, dit is mijn grootste raadsel. En dan, daar in Brussel, de stad die zichzelf met moeite bijeenhoudt, een oude man in een te strak wit hemd, altijd maar proberen te passen in het steeds kleinere jasje van de tijd. Brussel is een hutsepot zonder recept. Steeds maar hopen dat het ooit op smaak komt door er extra ingrediënten bij te gooien.