Zoeken

Team Bus

Tom en ik, we noemen onszelf Team Bus. Hij langs de kant van de busplanning. Ik langs de kant van de uitstapplanning. En ergens tussen vertrekuren, parkeerplaatsen, zieke chauffeurs en “oei, dat is precies verkeerd doorgegeven”, vinden wij mekaar regelmatig. Normale dingen regelen we via mail. Dat hoort zo. “Beste, graag een offerte voor twee bussen richting Oostende.” Dat soort dingen. Maar als er ergens een schoolgroep staat te blauwbekken in de regen of een chauffeur plots in Dendermonde blijkt te zitten terwijl hij eigenlijk in Asse moest zijn, dan bellen we. Dan komen de echte gesprekken. “Wacht hè Katrien, ik ga eens kijken.”“Ah nee, dat is den anderen bus.”“Ge zijt zeker?”“Tiens. Da’s wel speciaal.” Zo van die gesprekken. En het vreemde is: ik heb het gevoel dat Tom stilaan een vriend aan het worden is. Zo iemand waarvan ge denkt dat ge hem eigenlijk al jaren kent. Dat we misschien samen op school hebben gezeten. Dat we mekaar ooit halfdronken zijn tegengekomen in een bruin café ergens naast een biljarttafel. Dat hij mij ooit al eens een sigaret heeft gegeven op een parking van een fuif in 1998. Soms voelt het alsof wij al een heel traject samen afleggen. Alsof wij collega’s zijn in een kleine oorlog tegen verloren chauffeurs, dubbele reservaties en kinderen die dringend moeten plassen net wanneer de bus de autostrade opdraait. Ik hoor zijn stem vaker dan die van sommige echte vrienden. Wij maken mini-crisissen mee samen. Kleine rampen die altijd dringend lijken maar achteraf geweldige verhalen worden. En elke keer opnieuw lossen wij dat op. Tom aan zijn kant van de dispatching. Ik aan mijn kant van de chaos. Terwijl ik hem eigenlijk niet ken. Ik weet niet hoe hij eruitziet. Ik heb nog nooit met hem aan een tafel gezeten. Geen koffie gedronken. Geen pannenkoeken gegeten. Niets. Maar in mijn hoofd bestaat Tom heel duidelijk. Tom is groot. Niet dik dik, maar zo’n geruststellend buikje van iemand die graag eens een goed stuk vlees eet en daar een Duvel bij drinkt. Hij heeft een stoppelbaard. Draagt jeans. Altijd jeans. En van die blauwe River Woods-truien over een hemd. Geen modieuze sneakers maar degelijke schoenen waar ge desnoods ook ne keer een camion mee kunt lossen. Enfin. Zo ziet Tom eruit in mijn hoofd. Ik zou hem kunnen googelen. Maar dat gaat nu niet meer. Het beeld is af. Het decor staat recht. En ik ben bang dat de realiteit het gaat verpesten. Want stel u voor dat Tom eigenlijk klein is. Smal. Blond. Dat hij beige geruite hemden draagt en een klein beetje naar natte boekentas ruikt. Dat zou verschrikkelijk zijn. Dan zou geen enkele buscrisis nog hetzelfde voelen. Dat had ik vroeger ook met stemmen op de radio. Michel Follet bijvoorbeeld. Man man man. Ik hoorde die op Radio 2 en in mijn hoofd was dat een soort filmster met charisma tot tegen de muur. Tot ik hem ooit zag in de TV Story. Ik was oprecht ontgoocheld. Niet omdat hij lelijk was. Maar omdat hij niet klopte met mijn versie van Michel Follet. Of die vrouw van het circus waar ik maanden telefoons mee deed. Ik zag een warme, donkere, voluptueuze zigeunervrouw voor mij. Veel armbanden. Grote rokken. Zware parfum. Maar toen kwam ze toe en bleek ze blond, klein en Duits-modern-jaren-tachtig te zijn. Zo iemand die waarschijnlijk kiwi in blokjes snijdt bij het ontbijt. Dat was lastig. Dus misschien moet ik Tom gewoon laten bestaan zoals hij nu bestaat. In die gezellige parallelle werkelijkheid waar hij nog altijd groot is, lichtjes naar Duvel ruikt en met één hand een busprobleem oplost terwijl hij met de andere een broodje préparé vasthoudt. En wie weet hoe Tom mij ziet. Misschien denkt hij dat ik slank ben. Dat ik lang blond haar heb dat altijd goed ligt. Dat ik zo’n vrouw ben die zelfs tijdens een crisis nog elegant klinkt aan de telefoon. Zo iemand die rustig “dat komt wel goed” zegt terwijl achter haar een school vol kinderen collectief in paniek staat. Misschien denkt hij dat ik met een zonnebril op in een cabrio rondrijd tussen culturele uitstappen door. Dat ik nooit vloek. Dat ik georganiseerd ben. Zo’n madam met kleurcodes in haar agenda en muntthee in een thermos. Of misschien ben ik voor hem een soort deftige mevrouw in een lange beige jas die proper “goeiedag” zegt en naar lavendel ruikt. Iemand die nog nooit een préparébroodje boven een stuur heeft gegeten onderweg naar een schoolvoorstelling. En eerlijk? Ik hoop het een beetje. Want zolang wij mekaar niet echt kennen, mogen wij nog vanalles zijn. Dan blijft Team Bus iets schoon. Twee mensen die mekaar eigenlijk alleen kennen in stresssituaties, omringd door zwetende chauffeurs en kinderen met fluohesjes, maar die intussen wel een volledig personage van mekaar hebben gemaakt. Dus nee. Ik ga Tom niet googelen.

Katrien Daniels
4 0

Heel Brasschaat gaat kapot.

Ze steekt van wal: heel Brasschaat gaat kapot. Iedereen wordt daar weggehaald. Alle mensen moeten naar het buitenland.  Echt, vraag ik. Ik kijk verbaasd. Ik ga mee in haar verhaal, wil van verbazing omvallen maar de stoel onder mij laat dat niet toe. Ja, zegt ze. Mijn zus hebben ze meegenomen, hup, de auto in, en mee naar Holland. Daar stopte de auto aan een huis waar een man stond, op de eerste verdieping aan het raam, en daar moest mijn zus wonen. Dat is vreemd, zeg ik. Ik werd toen dikwijls misselijk. In de kerk begon ik over te geven, en ik viel flauw, gewoon op de grond lag ik, en dan droegen ze mij naar buiten, ze legden me op het gras, daar kon ik dan bijkomen van die misselijkheid. Zo ziek dat ik werd in een kerk. De dokter zei dat dat door de geur kwam. In de kerk hing een geur waar ik niet tegen kon. Wat raar, zeg ik. Ik kwam vroeger ook in kerken, nooit meegemaakt, zoiets als flauwvallen van een geur.  Brasschaat zal niet meer bestaan, vervolgt ze. Heel dat dorp zal leeglopen (als een bad, denk ik maar ze zegt het niet) terwijl dat toch een chique dorp was. Alles was daar. Veel winkels, een mooi park. Alle mensen hadden geld. Ik knik. Hij zal dan toch ook worden meegenomen? Wie, vraag ik. Juul. Ah, Julien! Mmmm, dat weet ik niet. Ik heb daar niets over vernomen. Volgens mij bestaat dat dorp toch nog. Ik ben er nog geweest.  Ja? Ja, ik was in Klina.  (stilte, zou ze nog weten dat Juul in het ziekenhuis lag?) Ik open mijn iphone en toon de bloemen. Ze kiest de mooiste. Ze wijst naar de details, het puntje van het penseel heeft daar een puntje verf gezet, dat zie ik terwijl ze wijst en geen moment laat liggen om het woord te nemen.  

Ingrid Strobbe
10 1

Barry White en de geur van vergeten

“I never take pain for granted, only a fool takes things for granted.” Zo begon het. Dat liedje van Barry White.Onze mannen hadden achter de rug van de andere collega’s om, zendtijd geregeld in een radioprogramma. “Topteam van cc Nova". Eric droeg het nummer op aan “zijn vrouwtje”. Zo noemde hij haar altijd, met die glimlach alsof hij zelf niet goed wist hoe hij zoveel chance had gehad. Nu, jaren later, kan ik dat nummer niet meer horen zonder aan hem te denken. Eric.De immervrolijke collega. De man van de kleine kwinkslag, de mop die altijd nog ergens in zijn jaszak zat, de handen vol goede bedoelingen. Ik weet zelfs niet meer exact welk jaar het was. Maar ik weet nog wel dat er plots een bom ontplofte in ons leven en dat ik een maatje kwijt was. En het absurde was: terwijl wij hem verloren, speelde er zich buiten een aflevering van Fata Morgana af. Dorpse gekte. Vlaggen. Ambiance. Mensen die pinten dronken op pleinen en bezig waren met spektakel terwijl ergens tussendoor een leven wegviel. Ik herinner ik het me daarom nog zo scherp. Omdat verdriet zich altijd afspeelt terwijl de wereld compleet ongepast gewoon verder feestviert. Zo voelt verlies achteraf ook vaak: alsof ge uit een scène stapt terwijl de rest van het decor gewoon doorspeelt. En toch verdwijnen mensen nooit helemaal. Dat is het vreemde aan herinneringen. Ge denkt dat ge verder zijt gegaan. Dat het stof erop ligt. Dat het leven er ondertussen andere lagen overheen heeft gelegd. Tot daar ineens een liedje is. Of een geur. Of een plek waar het licht toevallig hetzelfde valt als toen. En hop. Daar staat iemand weer voor u. Soms twintig jaar later. Een paar noten van Barry White en Eric staat terug tegen een toog geleund, monkelend alsof hij iets weet dat de rest nog moet ontdekken. Een vleugje parfum in de gang en ge zijt weer twintig. Een geur van koffie en iemand zit opnieuw tegenover u alsof die nooit is weggeweest. Zo dragen mensen elkaar mee zonder dat ze het beseffen. Niet in grote monumenten of indrukwekkende speeches, maar in kleine absurde dingen. In een nummer op de radio. In een scène uit Notting Hill. In Roxette op een verkeerd moment in de auto. In de geur van een septemberochtend. In koffie die net op tijd gekomen is. Misschien is dat wat liefde uiteindelijk doet. Ze verstopt mensen in details zodat ze nooit helemaal weg kunnen. En gisteren dacht ik daar opnieuw aan. Aan afscheid nemen. Aan hoe ge soms met twee volwassen mensen tegenover elkaar zit terwijl ge allebei weet dat ge elkaar moet lossen en geen van beiden daar eigenlijk talent voor heeft. Hoe ge probeert flink te klinken. Redelijk. Bijna modern in het loslaten. Terwijl er onder tafel nog duizend dingen naar elkaars hand grijpen. En ik vroeg me plots af: wat blijft er eigenlijk hangen van een breuk? Niet de grote gesprekken, denk ik. Niet wie gelijk had of wie te laat beseft heeft wat er op het spel stond. Misschien blijven mensen uiteindelijk plakken in de kleinste dingen. In een geur van koffie die net op tijd gekomen is. In een ochtend in september. In een nummer van Roxette dat onverwacht opduikt in een supermarkt. Of in die ene scène uit Notting Hill die ge nooit meer gewoon kunt bekijken. Misschien zit ge ooit jaren later ergens in de file en hoort ge toevallig een nummer dat ge al eeuwen niet meer gehoord hebt. Misschien ruikt iemand naar dezelfde regenjas, dezelfde shampoo, dezelfde ochtend. En misschien denkt ge dan heel even: daar zijt ge weer, ik wou dat ik u kon vastpakken. Nog één knuffel, nog één pintje, nog één mopje. Een één moment waarop ik kan zeggen hoe bijzonder ge zijt.  En dan hoor ik Barry White opnieuw zingen dat alleen dwazen dingen vanzelfsprekend vinden. Hij had gelijk.

Katrien Daniels
77 3