Zoeken

Het verhaal van grote beer die plots niet meer kon lachen

De nieuwe dieren van het bos vertellen het verhaal nog altijd. Het is heel wat jaren geleden gebeurd. De dieren van toen hadden nog nooit zoiets meegemaakt. Het begon allemaal op een mooie zondag in oktober. Ze hadden eerst gepicknickt en daarna gevoetbald op de grote weide in het midden van het bos. Het was niet dat grote beer de wedstrijd had verloren. Nee, hij had als doelman zelfs enkele prachtige reddingen gemaakt. Na de wedstrijd werd hij door alle dieren op handen gedragen. Ook op die van de tegenstander. Maar de volgende dag gebeurde er iets raar. Beer kon plots niet meer lachen. Muis zag snel dat er iets scheelde met haar grote vriend. Ze was, zoals elke maandag, naar het huis van beer getrippeld, om samen op verkenning te gaan in het bos. Op zoek naar heel wat lekkers. Oktober was ideaal om paddenstoelen te plukken. Daar waren ze allebei zot op. "Ben je klaar grote beer? Ik kan de paddenstoelen al bijna ruiken", zei muis, waarna ze haar neusje in de lucht stak. Maar het enige wat beer zei was 'Hmmm'. "Wat hmmm?", zei muis. "Is dat het enige dat je kan zeggen?" "Hm hm", zei beer opnieuw. Muis besteedde er niet te veel aandacht aan. Ze dacht dat het wel zou beteren als ze de eerste paddenstoelen ontdekten. Maar het beterde niet. Beer had wel twintig keer 'hm' gezegd, maar geen enkele keer gelachen. En beer lachte graag, dat wisten alle dieren. Omdat dieren niet goed kunnen zwijgen, wisten binnen de kortste keren alle dieren dat er iets scheelde met grote beer. Op dinsdag kwam meneer de hert langs. Hij wist hoe hij beer aan het lachen kon krijgen. Hij vertelde het verhaal van toen hij met zijn gewei vast zat in het hek van boer Vanspringel en dat hij maar net op tijd kon ontsnappen.  "Hm", zei grote beer, terwijl meneer de hert op de grond lag van het lachen. Op woensdag bracht konijn een bezoekje. "Beer kan niet meer lachen? Wacht maar", had hij vooraf gezegd. Grote beer had nog maar net een kopje thee uitgeschonken en konijn begon hem te kietelen. Niet alleen met zijn pootjes, maar ook met zijn grote oren. Beer keek konijn aan alsof hij niet snapte wat er gebeurde. Vroeger zou hij al na twee seconden plat hebben gelegen van het lachen.  Op donderdag stond het wilde zwijn aan het huis van beer. Hij had al een paar keer met zijn poten op de deur geklopt, maar er kwam geen reactie. Ook niet toen hij een paar keer luid had geknord. De volgende dag, op vrijdag dus, stond het wilde zwijn er opnieuw. Nu deed grote beer wel open, maar hij nodigde zwijn niet uit om binnen te komen. "Zeg beer", begon zwijn op de drempel van het huis. "Ik ken nog een leuke mop. Het is groen en het komt van een berg af. Wat zou dat ...". Zonder af te wachten wat zwijn nog ging zeggen, gooide beer de deur dicht. Zwijn zat er bijna met zijn neus tussen. De dieren wisten niet wat ze moesten doen om beer aan het lachen te krijgen. Het enige wat kon helpen, was naar de dokter gaan. Maar bij dokter de vos konden ze pas op maandag terecht. In het weekend ontving hij geen patiënten. De dieren probeerden hem op zaterdag en zondag nog mee naar het grote veld te nemen, om een balletje trappen, maar beer deed de deur niet open.  De dieren hadden beslist dat muis op maandag mee zou gaan naar de dokter. Als ze hem meekreeg natuurlijk. Maar dat lukte. Beer slofte als een mak lammetje achter muis aan. Muis meende nog te vragen of hij zijn poten kon opheffen, maar dat deed hij toch maar niet.  Na een half uurtje kwam beer terug naar buiten. Muis lag onder een boom te wachten. Er was geen beterschap te zien aan beer. Hij slofte hij zo mogelijk nog erger dan op de heenweg.  De dieren wisten niet wat aanvangen. Het mocht zeker niet te lang blijven duren. Dat wisten ze wel.  Een week later stapte muis opnieuw met beer naar de dokter. Door het sloffen maakte hij een enorme stofwolk op het bospad. Net zoals wanneer boer Vanspringel er met zijn tractor reed.  Terwijl beer bij dokter de vos naar binnen was, verzamelden ineens alle dieren van het bos, plus de dieren van het andere bos, bij de boom waar muis zat.  Voor de vogels in de bomen was het een prachtig beeld, al die dieren samen.  Maar er gebeurde nog iets wonderlijk. Dokter de vos nam beer plots mee naar het raam van zijn dokterspraktijk. Vanwaar ze stonden, konden de dieren het goed zien. Ze zagen dokter de vos met zijn poot om de schouders van beer – hiervoor moest hij op een stoeltje staan - naar buiten wijzen. Hij wees naar alle dieren die buiten stonden.  "En nu allemaal zwaaien en juichen", riep muis plots. Het gaf een enorme herrie en van al die zwaaiende dieren ontstond er een grote wind. De vogels vlogen in de lucht en ook zij begonnen te juichen en te kwetteren. En daarna, alle dieren zagen het, kwam er een glimlach op het gezicht van grote beer. Alle dieren begonnen luid te klappen.  Op de terugweg stapte beer in het midden van alle dieren. Hij slofte niet meer. Ze gingen rechtstreeks naar de weide in het midden van bos voor een wedstrijdje tegen de dieren van het andere bos. De dag erna ging muis terug naar dokter de vos. Niet omdat ze ziek was, maar ze was nieuwsgierig.  “Wat was er nu met beer aan de hand dokter?” "Het ligt aan oktober", zei dokter de vos. "Hoezo oktober? Daar kan je toch niet ziek van worden", zei muis.  "Toch wel", antwoordde dokter de vos. "Het is herfst. De bladeren beginnen van de bomen te vallen. Beer had verdriet omdat er weer een jaar voorbij is. Dieren kunnen om heel wat zaken verdriet hebben. Omdat ze een wedstrijd hebben verloren of omdat ze aan hun oma denken."  Dat klopt, dacht muis, dat heb ik ook ooit. "Bij beer is het oktober. Daarom vroeg ik je om met alle dieren naar hier te komen. Je kan verdriet niet wegen, maar het is altijd te zwaar om alleen te dragen", zo eindigde de dokter. Daar moest muis even over nadenken. Maar hij besloot om het snel aan alle dieren te vertellen. Want zoals je weet kunnen dieren niet goed zwijgen.  Daarom vertellen de nieuwe dieren van het bos dit verhaal nog altijd. (einde)        

Rudi Lavreysen
6 0

hoarding disorder in fieri

in de reeks bijzondere verzamelingen vertelt raymond (90) in de krant over de 173 egeltjes in zijn twee vitrinekastjes én over dat ene egeltje in de tuin. zelf heb ik mijn verzameling speelkaarten, een slordige 150 boeken, onlangs verkocht aan een zestiger die vooral interesse in de jokers had, liefst van wat later carta mundi zou worden, dus vóór 1970. hij gaf me 40 euro en ik was ze kwijt. het kaderde allemaal in een grote opruimactie. er verdween vanalles uit huis met de bedoeling om ons bestaan 'lichter' te maken.  gisterenavond huilde de oudste omdat hij zijn aapje oe-oe miste, en zijn familie pieter konijn (zeven identitieke knuffeltjes uit zijn babytijd); hij was bang dat hij zijn andere knuffels op een keer ook zou moeten wegdoen. papa zorgt ervoor dat dat niet hoeft, troostte ik hem, maar ik dacht aan hoe hij over een jaar of vijf zes allicht zelf zijn pluchen verzameling zou wegdoen, misschien een paar houden omdat nostalgie nu eenmaal altijd om de hoek loert. dat kon hij zich nu niet voorstellen, maar dat had het leven voor hem nog in petto. hoe had ik ooit kunnen bevroeden dat ik tien grote bananendozen vol naar 'snuffel - antiquariaat en tweedehandsboeken' zou dragen. waarom moest het voor hem zo moeilijk zijn, vroeg mijn zoon, om dingen weg te doen. snoeppapiertjes dat ging nog, vervolgde hij, maar al de rest kon hij toch gerust bijhouden, dat moest toch niet weg. zijn moeder vloekte telkens als er in zijn broekzakken iets was achtergebleven, schroefjes, kastanjes, gras, stenen... dat de wasmachine terroriseerde. elke dag passeer ik langs de luikersteenweg een wit huis waar de spullen buiten gestapeld staan: fietsen, auto's, partijen dakpannen en bakstenen...  door de ramen zie ik hoe alles tot aan het plafond volgestouwd is; rechts onderaan het linkerraam een grote blauwe teddybeer. 

Hans Van Ham
4 0

Eikesvandekiekskes

Ik had ze genoemd naar de vriendinnen van mijn moeder. Lucy. Rita. Monique. Goede Lieve. Vier olijke dames in mijn tuin. Altijd druk. Altijd commentaar. Altijd honger. Ik vond dat geestig. Een klein eerbetoon. Tot die vier echte dames eens langskwamen. Koffie. Cake. Ge kent dat. Zo’n namiddag waarop de tijd een beetje stilvalt en iedereen tegelijk praat en toch hetzelfde verhaal vertelt. En ik — fier, onnozel — zeg: “Ja, en mijn kippen heten dus ook Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve.” Stilte. Lucy — de échte — kijkt mij aan. “Dat vind ik eigenlijk niet zo plezant,” zegt ze. Ik lach nog wat. Probeer te redden wat er te redden valt. “Maar allé Lucy, kippen zijn toch schoon beesten. Die geven terug. Dat is eigenlijk een compliment…” Maar ge voelt dat ge aan het zakken zijt. Sommige metaforen moet ge gewoon binnenhouden. Enfin. Ze liepen daar dus. Mijn vier. En ik had een systeem. Een geniaal systeem, vond ik zelf. Afvalverwerking èn eten. Ideaal! Maar kippen denken niet na over vraag en aanbod. Die hebben geen Excel. Geen grafiek. Geen besef van consumptie. Vier kippen is vier eieren per dag. Dat is achtentwintig per week. Dat is honderd twaalf per maand. Dat is… te veel ei voor een mens. Ge kunt uw best doen. Echt waar. Maar er zijn grenzen aan wat een lichaam aankan. Zelfs met pannenkoeken, cake en quarte quarts inbegrepen. En daar begint het. Daar is ze... De vraag: “Kundegij iets doen met eikes?” Want eieren blijven nooit liggen. Die moeten bewegen. Van mens naar mens. Van keuken naar keuken. Eieren. Dat is een project. En mijn ecologisch project draaide. Tot er op een dag… bezoek kwam. Laat ons zeggen dat de natuur ook haar eigen economie heeft. Zeven jaar later kan ik zeggen: de vriendinnen van mijn moeder zijn er nog altijd. Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve. Ze drinken nog koffie. Ze eten nog cake. Ze kijken nog altijd een beetje streng als ge iets zegt dat ge beter niet zegt. Mijn kippenvriendinnen zijn er niet meer. Maar de eieren wel. Ze komen nu van iemand anders. Iemand met hetzelfde probleem. Te veel kip. Te veel ei. En de vraag : “Zeg, kundegij iets doen met eikes?” En voor ge het weet zit ge daar terug. Aan tafel. Koffie. Cake. Dezelfde stemmen, dezelfde verhalen die al duizend keer verteld zijn en toch blijven plakken. En ergens in die cake — zacht, boterig, een beetje te veel van alles — zit een ei. Want eikes zijn meer dan ne merci uit de poep van een kip. Het is een beweging. Van mens naar mens. Van cake naar cake. Van moment naar moment. En misschien is dat het wel. Dat die kleine, banale eikesvandekiekskes er telkens opnieuw voor zorgen dat we blijven zitten. Nog een tas koffie. Nog een verhaal dat we eigenlijk al kennen maar toch nog eens willen horen.

Katrien Daniels
33 1