Zoeken

87 Ben je bang om complimenten te krijgen?

Ik ben niet bang om ze te krijgen. Ik ben wel voorzichtig om ze te accepteren, of ze te aanvaarden als een objectieve realiteit. Een compliment is een zoveelste interpretatie van wie ik ben als persoon – en een incompleet beeld ook nog eens. Mensen zijn al vaker fout geweest over wie ik ben als persoon. Ik wil liever niet mezelf vastklampen aan een vertekend, afgelijnd beeld van wie ik ben. Negatief of positief.   Is dat niet wat hard, of kort door de bocht?   Vast wel. Maar het komt uit een plaats van goeie wil. Bovenal, boven alles, ben ik nieuwsgierig. Leergierig. Wil ik groeien en bloeien. Uit ervaring weet ik dat afbrekende opmerkingen, of slecht gegeven feedback, weinig tot niet motiveren. Toch wil ik geen waanbeelden van mezelf ontwikkelen. Ik geloofde te lang dat ik de zaken niet waard was, wat het ene ongezonde extreme is. Ik vrees dat ik opnieuw uit balans zou vallen, maar in de andere richting.   Dragen complimenten dan niet bij aan een gezonde balans?    Toch wel. Ik merk dat het werkt bij mijn vrienden, mijn familie, mijn vrijwilligers en collega’s. Ik benoem hun sterktes, spreek hen moed toe, troost hen en denk concreet en praktisch met hen na over hoe bepaalde zaken anders aan te pakken in de toekomst. Stralen dat ze dan doen! Het zijn die momenten dat ik ervaar hoeveel vitaliteit en kracht een woord kan bevatten. Ik wens hen die kracht en vitaliteit van harte toe.   Wens je het jezelf dan niet toe?   Natuurlijk wel!   Waarom aanvaardt je dan dergelijke opmerkingen niet voor jezelf?   Een dubbele standaard? Misschien geloof ik nog niet dat ik het heb verdient. Een inherente, aangekoekte overtuiging dat complimenten leiden tot stagnatie. Er is dit idee dat complimenten naar mijn kop zouden stijgen en ik geen groeiopportuniteiten kan zien voor mezelf. Of comfortabel blijf met mijn huidig level van vaardigheid. Ik wil graag blijven groeien, en ik heb schrik dat te veel licht me verblindt.   En wat als het licht het pad voor je verlicht?   Dat zou mooi zijn. Een bloem heeft zon en water nodig. En ik wil verdrinken noch verdrogen.

Eden Oscar
0 0

Sneeuw

De sneeuw kraakt. Na een aantal stappen bereikt het haar binnenste en komt ze tot rust. Ze blijft staan en ontspant. Het is zo mooi. Kon hij dat ook maar zien. Maar hij ziet en voelt niets meer. Hij zei vanmiddag wel “ja” als ze opmerkte hoe mooi het was, maar het was die ja die haar de voorbije maanden steeds weer die pijn in haar buik bezorgde. Emotieloos. Hij, de man die vorig jaar één en al emotie was en haar muur voorzichtig steen per steen heeft afgebroken zodat haar emotie helemaal vrij kon komen. Nu zat hij zelf al 3 maanden achter een muur met hier en daar een kleine opening, net voldoende om te overleven. Het maakte haar intens verdrietig. Dus had ze de rest van de wandeling alleen verder gezet terwijl hij huiswaarts ging. Ze moest nog wat kunnen ademen. Haar hoofd stond onder spanning. Spanning doordat hij stil was. Ze hield van stilte, als kind al. Maar dan wel een rustgevende stilte. En rustgevend was het de voorbije dagen niet. De stilte voelde geladen. Het maakte haar onmogelijk om nog te genieten. Ze wist dat het niet goed zat, dat hij zich niet goed voelde. Ze voelde dat hij alleen wou zijn. Dat hij leeg was. Ze wou dat hij ook leeg bij haar kon komen. Maar dat lukte hem niet. Als hij leeg was wou hij haar niet. En als ze toch probeerde dichter komen verweet hij haar dat ze hem geen rust gaf. Ze begreep het wel, dat ze voor extra druk zorgde. Eigenlijk wilde zij de leegte en emotieloze toestand een stap voor zijn door hem het signaal te geven dat hij over zijn grenzen ging. Maar het lukte haar niet, zodra ze het opmerkte ging hij in de aanval of verdediging. Dus zei ze vaak niets meer. Ze liet hem doen. Ze liet hem afdwalen. En dan als het te lang duurde probeerde ze hem terug te halen omdat ze ziek werd van hem zo te zien worstelen. Soms lukte dat, maar de voorbije maanden had hij steeds meer uitgesproken dat hij een relatie niet meer zag zitten. En daarom liep ze nu alleen door de sneeuw. In de zomer had hij voor het eerst echt open met haar over de bipolariteit gepraat. Hij had uitgesproken dat hij hoopte dat ze op termijn konden voorspellen wanneer het de foute kant op ging om te voorkomen dat het extreem werd. Maar dat was in een helder moment. Zodra die heldere periode voorbij was kon ze zoveel voorspellen of signaleren als ze wou. Hij hoorde het niet. Integendeel, zij werd plots de bedreiging, de oorzaak van alle ellende, de verstoorder van zijn rust. En die boodschap meermaals per week horen had haar onzeker gemaakt. Het had haar adem afgesneden, haar buik verkrampt en haar brein oververhit. De sneeuwvlakte onder een stralend blauwe lucht gaf opnieuw zuurstof. Haar gedachten konden weer rustig vloeien in plaats van de kolken. Ze had echt alles geprobeerd, alles wat hij haar gevraagd had. Maar hij probeerde het nieuwe leven waar hij zo naar uitkeek met haar op te bouwen en tegelijk nog het oude in stand te houden. En dat lukte niet, want die twee levens stonden haaks op elkaar. Ze herkende het. Ze had ook jaren gezocht en geworsteld, maar ze bleef vasthouden aan alles wat ze kende. Natuurlijk lukt het dan niet om je leven een andere wending te geven. Natuurlijk blijf je dan vastlopen. Maar nu had ze wel gedurfd, ze had alles overboord gegooid en de toekomst die ze wou lag voor het rapen. Ze kijkt naar haar voeten die stap voor stap een spoor vormen en die cadans zorgt voor ruimte in haar hoofd. Af en toe roept ze de hond eens terug naast haar om te zorgen dat hij niet te veraf dwaalde. Zo kan ze op tijd ingrijpen wanneer hij onder de sneeuw toch een spoor van een fazant of haas te pakken krijgt. Maanden ervoor had ze voor het eerst gezien hoe een goede jager het was. De parelhoen zat in zijn muil. Ze had even gegruweld bij de gedachte dat het dier dood was, maar hij, de man van haar dromen had in al zijn rust en snelheid de parelhoen vanuit de muil van de hond bevrijd. Wat was ze verliefd op die man. En hij wist het, hij had het gevoeld, hij had ervan genoten, hij had eindelijk hoop op een beter leven. Maar plots was haar liefde een last geworden en had hij haar weggeduwd. Hij had gezocht naar een reden, maar geen enkele had haar overtuigd omdat hij zichzelf tegensprak. Op de duur zocht ze zelf een reden omdat het gemakkelijker zou zijn om hem los te laten. Ze begon zichzelf wijs te maken dat hij haar nooit mooi of aantrekkelijk had gevonden, dat hij haar eigenschappen eigenlijk niet bijzonder vond, dat hij gewoon verliefd was geworden omdat zij verliefd was op hem. Maar ook dat klopte niet, want hij had hààr veroverd. Dus ze wist dat ze niet anders kon dan aanvaarden dat het zijn verleden was die de kloof had veroorzaakt. En dat was moeilijk, want vechten tegen een verleden dat niet het hare was, hoe moest ze daaraan beginnen? Een kleine witte auto met een schattig meisje met bril aan het stuur komt de helling opgeklommen. Ze gaat even aan de kant met de hond. Als de auto zou slippen zouden zij veilig staan. De hond verliezen zou hij niet te boven komen en zij zou het zichzelf niet vergeven dat ze onoplettend was geweest. Ze vraagt zich af of dat meisje naar haar werk rijdt. Zelf mistte ze haar werk enorm. Het was nu bijna een jaar geleden dat ze haar ontslag kreeg. Het museum was haar eerste werkplek die als thuis aanvoelde. Het was ook de plek waar de liefde was ontstaan. Die magische werkplek achterlaten enkele maanden nadat ze haar gezin had in de steek gelaten om met hem een nieuw leven te starten was zwaar geweest, misschien wel te zwaar had ze deze week bedacht. Zelf was ze nooit met de auto gaan werken. Waar ze 45 jaar gewoond had zat ze vlakbij de stad en alles was te voet of met het openbaar vervoer bereikbaar. Maar hier moest ze wel terug leren rijden. En hij was erin geslaagd om haar zelfvertrouwen terug op te bouwen. De laatste weken vond ze het zelfs opnieuw fijn om met de auto te rijden. De angst was weg. Ze stapt verder en kruist een oudere man. Ze zeggen elkaar goedendag. Eigenlijk zou ze wel willen praten, want ze kent hier nog niemand. In haar vroegere thuis kwam ze om de haverklap wel iemand tegen waarmee ze een praatje kon maken. Maar de man ziet er niet aanspreekbaar uit. Dus loopt ze verder naar beneden en dan linksaf en terug naar boven. Die weg hebben ze deze zomer samen gelopen. Ze dacht dat ze het nooit zou uitlopen in die hitte, maar het lukte. Lopen was iets wat ze nooit wou doen. Ze zag het plezier niet. Haar broer, zus en schoonbroer liepen marathons, maar zij was altijd gewoon een wandelaar geweest. Hij spoorde haar aan om het eens te proberen en het beviel haar zo erg dat zij uiteindelijk diegene was die vroeg om te gaan lopen. Maar na een paar keren kwam daar ook een einde aan. Hij schrapte alles: boksen, lopen, culturele uitstapjes, uitnodigingen bij vrienden. Hetgeen overbleef waren verplichtingen: de zorg over de kinderen, het werk, verbouwingen en wat tijd voor de relatie. En dat was wat haar zorgen baarde. Dat tijd voor de relatie de voorbije maanden ook als opgave werd gezien. Dat hij niet meer zag dat dit misschien nog het enige was waar hij evenveel of meer bij terugkreeg dan hij erin stak. Ze wist dat hij te diep was gegaan en ze voelde haar mislukt dat ze het niet had kunnen tegenhouden. Het enige wat ze nu kan doen is zichzelf niet verliezen. Ze is gevoelig aan sferen. Te lang in de buurt van depressieven of nee-zeggers of pessimisten kan het licht uit haar ogen halen. De sneeuw is er echt wel op het juiste moment. Al drie dagen zorgt het steeds weerkerend proces van dikke vlokken en dan weer een helblauwe lucht voor hoop, een houvast. Haar leven had er anders uitgezien hadden haar ouders hun hart gevolgd. Maar haar ouders waren twijfelaars, uitstellers. Ze herinnert zich nog hoeveel keren ze op het punt stonden hun leven om te gooien. Op een avond zat daar een vreemde man met foto's en een kaart aan de livingtafel. De avonden erop werden alle pro's en contra's opgelijst. Zij was een jaar of 14 en probeerde zoveel mogelijk info mee te pikken. Het ging over een huis in Carcasonne. Ze snapte het allemaal niet goed. Waarom zouden haar ouders nu plots naar daar verhuizen en niet naar de bergen? Was het iets zoals een paar jaren eerder toen het aanbod kwam om een functie in Afrika te gaan uitoefenen? Nee, daar had het niets mee te maken. Hoe gingen ze dan werken vroeg ze zich af. De plannen werden van tafel geveegd net nadat zij toch een beetje enthousiast was geworden. Niet veel daarna kwamen de zwarte jaren. Er werd niet meer gesproken over naar de bergen verhuizen. In de plaats daarvan zaten bankdirecteuren aan de livingtafel en werd alles in het werk gesteld om de woonst en het buitenverblijf aan de kust uit handen van de deurwaarders te houden. Ze wou graag verder studeren en ging een studielening aan. In de weekends werkte ze en de eerste maanden loon van haar allereerste job in Antwerpen ging naar de afbetaling van de studielening. Het faillissement van haar vader, de problemen met haar zus en broer en de zorg over haar grootmoeder zorgden er uiteindelijk voor dat haar ouders nooit hun droom waarmaakten. En toen in 2020 haar moeder door een trombose volledig hulpbehoevend werd verdween ook de droom om veel te reizen achter slot en grendel. En nu waren het haar ouders die haar motiveerden om haar hart te volgen. Haar ouders die altijd hard gewerkt hadden en luiheid afgekeurd hadden zeiden nu dat ze op het werk niets moest bewijzen, dat ze er toch niets mee ging winnen. Dat ze haar tijd beter stak in profiteren, verlof nemen waar het kon, niet teveel verantwoordelijkheden nemen en meer voor zichzelf in plaats van voor een ander zorgen. Maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan als ijverigheid, verantwoordelijkheid en naastenliefde er met de paplepel ingegoten werden of aangeboren waren. Als kind hadden maatschappelijke problemen haar al wakker gehouden. De enige momenten waar ze echt helemaal tot rust kwam waren de twee weken paasvakantie in de bergen en de twee zomermaanden aan zee. Op die momenten kon ze ademen en in alle rust alles verwerken. Ook daarom was ze zo gelukkig toen ze iets meer dan een jaar geleden voor het eerst bij hem thuis kwam. Een huis op een helling met zicht op de lichtjes van de stad, een bos naast het huis en overal in de omgeving weiland en hellingen. De bergen in het klein. Hier zou ze wellicht beter ademen. Haar rondje is uit. Ze gaat het huis terug binnen. De haard brandt. De avond valt. Straks verschijnen de lichtjes in het dal. Morgen is een nieuwe dag. En als ze opstaat en de living binnengaat, dan is daar die geur van 40 jaar geleden in haar favoriete huis in de bergen. Ze begrijpt er niets van, hoe die geur hier geraakt is. Maar waar die geur is, daar is haar thuis.            

Fien SB
9 2

Leven met twee polen

Zij ligt buiten in de hangmat, hij boven in een donkere kamer.Ze krijgt een sms of ze even bij hem wil komen liggen.Hij voelt zich doodop en is bang dat hij doodgaat.Ze streelt hem tot hij weer rustig is.Wat houdt ze van deze warme bijzondere man.En hoe boos is ze op diegenen die van hem misbruik gemaakt hebben.Al weken stroomt de liefde van de ene naar de andere.Teder, intens, echt. Een paar dagen later vraagt hij om een valies te maken voor 3 dagen.Ze vertrekt vol spanning, enerzijds nieuwsgierig, anderzijds angstig.Verrassingen zijn voor haar altijd dubbel.Wat als ze hem teleurstelt? Wat als ze bang is? Wat als ze niet goed genoeg is?Na enkele uren staan ze in de Ardennen bij een prachtig kasteel.Hij is weer zijn schattige onzekere warme zelf bij aankomst en zij is verliefd. Hij staat in de kasteeltuin en staart naar boven, naar het raam, waarachter zij in bad zit.Zijn ogen schieten vol. Ze moest eens weten hoeveel hij van haar hield.Zij zit in bad en geniet van muziek. Haar speels en vrolijk kantje komt naar boven.Samen aan het ontbijt is het alsof er altijd al een wij was en altijd een wij gaat zijn.Ze wandelen en zien een huis te koop.Ze beginnen weer te dromen. Over de zoektocht naar de ideale plek, de juiste spullen voor de inrichting.Ze lacht als ze aan zijn perfectionistisch kantje denkt en ziet het helemaal voor zich.Hij heeft smaak, ze houdt van zijn smaak. Er is een hoekje af, bij hem en bij haar.  Weken later, zonder duidelijke aanleiding, zonder signaal is hij weg. Zijn blik is wazig en op de grond gericht of in het ijle. Als ze vraagt om oogcontact ziet ze alleen die verdomde spoken, hem vindt ze niet.Ze kruipt tegen hem in de zetel omdat woorden nu niet helpen, zachtheid misschien wel.Hij duwt haar van zich af. Ze schrikt. Wat heeft ze niet opgemerkt? Wat heeft ze gezegd? Wat heeft ze gedaan?Weken gaan voorbij. Geen zoen, geen aanraking, geen hand, niets.Ze wordt gek in haar hoofd en stelt vragen, ook aan externen.Ze mist hem, haar fantastische man die haar aanvult, opvult en laat vullen.Ze luistert, probeert te doen wat hij vraagt. Maar niets helpt. En dan plots komt er weer opening, even onverwachts als de sluiting.Hij kijkt naar haar en de liefde loopt over.Nog voor hij zegt hoe graag hij haar ziet heeft ze die woorden al gevoeld.De druk gaat van haar borst en ze huilt vanbinnen.De weken die volgen zitten vol van die echte liefde afgewisseld met afstand. Zij heeft het niet door en reageert soms te intens op beide. Zij wil genieten, vooruit gaan, leven, niet teveel moeten, niet teveel nadenken.Vertrouwen op de liefde en elkaar. Ze gaan regelmatig wandelen en eten. Ze liggen ook af en toe wat langer in bed zacht te praten. Hij beschrijft de verre toekomst, maar maakt ook plannen voor de dichtbije.Zij zit overal in die toekomst en de kinderen ook, dus ze is gerust. Maar hij blijft doodop, doodop van het verlies van zijn vader, doodop van de verantwoordelijkheid over de kinderen, doodop van het werk waar hij vanaf wil, doodop van het verlangen naar een plekje in de natuur met haar aan zijn zijde, doodop van zijn mentale en fysieke gezondheid, doodop van de angst om de liefde weer te verliezen, doodop van het gevoel maar de helft meer te zijn, doodop van het verleden die hem niet loslaat. Het jaar was gewoon te zwaar. De jaren ervoor ook. Dus grijpt hij naar zijn vertrouwde houvast: werken en voortdoen en niet meer aan de toekomst denken, niet meer dromen, niet meer voelen, gewoon dag per dag overleven. Dat zorgt voor spanning en spanning bovenop het diep dal veroorzaakt kortsluiting, rare reacties die haar uit balans brengen omdat ze het allemaal nog niet goed kent.  Eén keer, twee keer, drie keer. Muggen die in olifanten veranderen en teveel olifanten kunnen een ruimte verwoesten.Ze weet dat ze beter kan, dat ze nog wat kennis en ervaring mist om de muggen gewoon dood te meppen zodat de mooie ruimte heel blijft.Ze gaan slapen. Ze omhelst hem, voelt zijn liefde onder die zware last die hij al jaren draagt.Ze staat op en vertrekt met de kinderen, hij naar het werk. Ze krijgt een bericht: ik wil niet dat je terug naar huis komt vanavond.Het is definitief voorbij. Laat me nu gerust.We spreken nog over hoe we het praktisch regelen.Ze gelooft het niet, maar weet dat het nu geen zin heeft te reageren. Ze wil kijken in zijn agenda wanneer hij vrij is om te gaan wandelen of ergens naartoe te gaan zodat ze hem kan terughalen met zachtheid en rust. Maar het paswoord is gewijzigd.Haar buik krimpt in elkaar.Even denkt ze dat ze zich heeft vergist, even komen haar spoken ook boven.Dat hij toch geheimen heeft, niet is wie hij is.Maar al gauw voelt ze dat het niet klopt. Haar man is weg.De spoken uit het verleden hebben hem weer de dieperik in getrokken.Ze is bang.Bang omdat ze niet weet hoe lang.Bang omdat ze weet dat zowel zijn als haar gezondheid ook in gevaar is als hij niet terugkomt.Ze wil hem aan haar zijde.Samen zijn ze gewoon zoveel beter.Ze vullen elkaar aan, laden en ontladen elkaar, lopen in elkaar over, gaan in elkaar op.In alles, overal, elke dag dat hij hij is en zij zij.

Fien SB
12 3

De tandartspraktijk en zijn onvaste muren

'Eindelijk, we zijn er,' zeg ik, terwijl ik afstap en de longtailfiets het voetpad opduw. 'We moeten nummer 278 hebben en hier is het... 272', mompel ik meer tegen mezelf dan tegen mijn dochter, die achteraan op de fiets zit en haar allereerste gaatje in een melktand moet laten vullen. Omdat mijn dochter redelijk verkleumd is na deze lange fietstocht van Deurne naar Ekeren, probeer ik voort te maken, tot ik merk dat nummer 274 een of andere brede fabriek blijkt te zijn: 'Oké, toch nog een klein stukje verder...' Zij valt me in de rede: 'Dat ís de tandarts, papa!' Ik parkeer de fiets en zie er een gelijkaardig model staan. 'Zie je, er zijn nog mensen die hiernaartoe komen met de fiets!' Haar ogen bliksemen me neer en met haar recent ontwikkeld cynisme antwoordt ze dat die mensen waarschijnlijk twee straten verder wonen. Acht jaar, maar ik durf haar niet tegenspreken. Ook wanneer ik binnentreed in dit gigantisch pand lijkt dit meer op het hoofdkwartier van MI5 dan op een tandartspraktijk. Een centraal gelegen balie met drie medewerkers en twee keer zoveel schermen vormt één grote vide. De hele ruimte lijkt wel te zijn uitgehold, zoals je bij een appel het klokhuis verwijdert met een appelboor. Daarrond bevinden zich meerdere wachtkamers en toiletten, en ook de praktijkruimtes zijn overal verspreid, te herkennen aan deuren van ondoorzichtig glas. Een grote stalen trap leidt naar de ruimtes boven, waarvan ik niet kan bevroeden waarvoor die dienen. 'Meneer? U mag plaatsnemen in de wachtkamer.' Recht tegenover de balie zit een tiental mensen te wachten. Er staat een koffieapparaat en gefilterd water. We kiezen de kleinere wachtkamer aan de linkerkant, die nog altijd drie keer zo groot is als elke kamer waar ik al heb gewacht. Achteraan staat wat speelgoed en op een tafel liggen er strips. De overstaande muur bestaat uit een doorkijkhaard die zicht geeft op de andere wachtruimte. Overal ligt parket. Mijn dochter zet zich in een uit de kluiten gewassen hoekzetel en neemt een Suske & Wiske. We zijn een half uur te vroeg — niet mijn gewoonte, wel mijn plan — want ik heb veel werk te doen. Ik haal een koffie en begin te werken. Dan pas, tijdens een mijmering over hoe ik de theorie wil formuleren over het modale werkwoord 'hoeven', kijk ik uit het raam. Mijn blik wordt ernaartoe gezogen. Het lijkt wel een schilderij van een Hollandse landschapsschilder uit de Gouden Eeuw. Achter het grote raam ontvouwt zich een majestueus heuvelig landschap, met in het midden een halfbevroren vijver, waarover een kleine houten brug plooit. Aan de linkerkant vertrekt een kiezelweg die slingert door het kleine landgoed. Hier en daar wiegt het riet langs de waterkant en de felle winterzon doet het water glinsteren. Enkele vogels vliegen over. Het is er zo vredig. Té vredig. Ik kijk nu al een tijd naar hoe die vogels telkens exact dezelfde bewegingen maken. Hoe langer ik naar de vijver kijk, hoe meer ik verlang er ver vandaan te blijven. Wanneer ik mijn blik even niet op het water concentreer, lijkt het te stromen, terwijl de vijver volledig dichtgevroren is.  'Jullie mogen mij volgen', glimlacht de jonge vrouw. Ze is erg vriendelijk en begripvol. De manier waarop ze tegen mijn dochter spreekt en haar uitlegt wat ze allemaal doet, sterkt me in de keuze om zo ver te rijden voor deze kindertandartspraktijk. 'Oké, ik ga nu eerst een zalfje smeren.' Ze houdt een vinger tegen haar mond terwijl ze naar mij kijkt en duidelijk maakt dat ze zo meteen het spuitje zal geven. Ik complimenteer haar met de prachtige tuin. Ze neemt het compliment in dank af. 'U bent niet de eerste die dat zegt.' Ik zeg dat het me doet denken aan een poort naar een andere wereld. Ze kijkt me met verbazing aan maar ook met interesse. 'Zoals Narnia', vul ik aan. Ja! Narnia, dat wilde ze ook net zeggen. 'Maar nog meer aan De stad en zijn onvaste muren van Haruki Murakami.' Die schrijver kent ze niet. 'Vooral die vijver', wik en weeg ik mijn woorden, want ik weet niet goed of deze twintiger op een dinsdagochtend wil vernemen hoe je een imaginaire stad kan ontvluchten via een gat onder de vijver. Maar ze dringt aan. Dus ik vertel een weliswaar verkorte versie van het verhaal van Murakami, terwijl zij mijn dochter letterlijk aan de tand voelt. 'Doe je ogen maar dicht, dan kan ik de toverdrank geven.' Mijn dochter geeft geen kik. Terwijl ze de verdoving toedient, masseert ze de wang tussen duim en middelvinger. 'Laat de magie haar werk maar doen.'

Lennart Vanstaen
0 1

Zevenduizend vierhonderd en vijfentwintig kilometer weg van mij

De verstoorde azure waterrimpels, vervormd door de bonte boot, lijken weer hun natuurlijk ritme te vinden. Een groene lijn oerwoud snijdt de rivier af van de bewolkte lucht. Het zonlicht doet de huid en haren van de somber gestemde mensen stralen. Zelfs in het paradijs kent men afscheid. Drie mensen buigen zich over de rand van de boot. De oranje man verlost de inhoud van een doorzichtig, plastic tasje in het water onder hun. Op eenzelfde manier dat de lucht bevlekt is met witte wolken, krijgt de azure rivier asgrauwe vlekken. Rode bloemen vervoegen de aswolken, zachtjes bedeeld door een wit-blauwe jongedame. Het water ontfermt zich vanaf nu over de stoffelijke resten van mijn nani. Mijn ogen staren naar het tafereel voor mij, bevroren in de momentopname dat aan mij bezorgd was via het technologisch communicatiewonder van de 21e eeuw dat wij WhatsApp gedoopt hebben. Deze beelden, van as dat zich vermengt met water, zijn de laatste beelden die ik van mijn nani zal hebben. Ze zijn gekaderd door een ander, met een nauwkeurig oog voor wat op dat moment het belangrijkste was, en de nagelatenen in hun recht, verdriet en liefde laat. Ik vertrouw het oordeel van het oog. Ik veracht het beperkend, rechthoekig kader van mijn smartphone. Ik staar wat te lang naar de platte prent voor mij – mijn gedachten dwalend naar de azure rivier zevenduizend vierhonderd en vijfentwintig kilometer weg van mij – en het scherm verandert van een gedimde foto naar een reflectie van mezelf. De rode, droge, jeukende ogen die me aanstaren vanuit de weerspiegeling irriteren me mateloos. Mijn vinger swipet een paar keer over het ontgrendelingsscherm, en dan nog eens over de foto in het fotoalbum. Ik staar naar dezelfde oranje man, omringd door twee wit-blauwe vrouwen. Alledrie werpen ze een glimlach richting de fotograaf. Mijn ogen jeuken nog intenser, en een diep knagend besef kruipt dichter en dichter bij mijn hart. Geen enkele vorm van langeafstandscommunicatie – foto, tekst of video – kan de emotionele catharsis van afscheid schenken. Niet op eenzelfde wijze dat de nabijheid van een persoon die in hetzelfde schuitje als jij zit je kan schenken.

Eden Oscar
0 0

Ingewikkelde vlinder

Het accent van de rijm ligt op de papaver van Waver.  Umberto Unesco vindt het niet werelderfgoeds, dragers van het gif en de biotoop van een pretpark. De enige reden dat een mensen een stad kennen: de plaats die de inwoners nooit bezoeken. Ik ga op reis naar het centrum van die ijlpaal, dat standpunt voorbij het einde van je zicht, verwateren. Daarom kan ik, nu wel, verdrietig worden. Zo bedien ik het klimaat van uit zichzelf bestaande natuur. Natuur is de mooiste vegetatie die men kan vinden in Waver. Daarom kan ik, nu wel, verdrietig worden. Een kaart kan je niet aanraken. Het zwart gat onder de zon blijkt mijn vergetelheid, mijn mentale kerker vergeelt met jaren. Een boomhut in Walibi kan ik niet betalen. De erfzonde resumeert dat wolken wel een achterkant hebben. Daarom moest ik stijgen in de achting van de zondaars, de volwassenen, toen. Ik weet het nog, dat ik liever met Oma wou kaarten om Niznji Novgorod. Maar daar sneeuwde het veel. De compartimenten van mijn mens verdelen hun aandacht over het 'verleden': het geloof van zij die zedig bleven. Ik kruip in de knotswilg: de natuurlijke kerk, die de veerkracht van de vogels voor de monnik kent. Dan zou het te laten zijn, dan komt cultuur, de tijdperiode na klimaat. Aardrijkskunde is mijn trots en daarom zwijg ik, ze weet dat ik het weet; maar wat dat weten we nog niet. Het onderwerp, waarschijnlijk, is thuisgebleven. De ouders van de zoon zijn nu uit eten en dat is zijn laatste offer: hij heeft het resultaat, de koelkast. Het klimaat hierin opsluiten kan alleen als het lichtje eerlijk uitgaat. Of het vlees nog vers was, dat waren de zorgen van Mijn Moeder. Familie is belangrijk, en vooral die van mij, dat heb ik al gemerkt, parachutespringen met ondergoed is in dit pretpark niet veilig. Terug naar eenvoud: het armtierige bestaan van een dansclub voor insecten zoals mij: zonnevlekken. Wanneer de meeuwen op het terras zullen zitten, kent men fenomenen en patronen als inzicht. Regentaat huishoudkunde bepaalt de temperatuur van de vorst, het nulpunt van ons jaar. En toch weet hij ons te herladen. Een tegendelige indruk verdeelt zich over mijn aandachtspunten: ik heb sociaal contact. En, in een pretpark, is dat een meisje. Jezelf een kilootje minder inschatten in het zicht van een numerieke weegschaal is niet erg, Jezus. Waarom wil je dat? Wat wisten we nog niet. Laten we een datum prikken om te zien of het substantie lekt, dan bestaat mijn idool ook in mijn badkamer. Daar hangt de spiegel. Hij kan niet omdraaien, in beide richtingen niet. Ik heb gedanst. Als ik gelukkig terugkom van het pretpark, is dat met een meisje. Italiaans voor vleermuis. Er zijn al ergere dingen gebeurd om die reden, maar dingen kunnen niet bewegen, dus bestaan ze niet. Het hoofd ontneemt ze dus aan hun woordfunctie en de mierzoete mussen rond het altaar verheffen het tot geluid. Meerdere gedaanten zijn niet toegestaan. Ik weet dat op die seniorenzetels veel verhangen wordt. Een droge worst is goed. Je iets keurt de suisbewegingen van mijn ongeduld. Ze keren, ze keren! De file is gedaan, nu nog vloeken aan het rondpunt en dan ben ik thuis. Een bijeenkomstplaats die wegen, veel sfeer, vluchtige sfeer. Sterker dan zal mijn sigaret nooit worden want ik ben niet groter dan de Aarde en dat is een gedachte, kleiner dan mij. Hoe bescheiden, die vooropstellingen, nu nog de tactiek achterwege laten en ze is van mij, mijn verleiding. Daar komt Oma met een snoepje. Die Italiaanse houten steil, resultaat van leegtenijd, leegtenijd is voor mij de verwelkoming van ondergeschiktheid, dan wel als een geschenk voor mijn verwerkend mechanisme. De bedrijfsnemers hebben gewonnen, nu wonen ze daar gewoon. In Aalter, is het mooi wandelen, als je de tijdsaanduiding in de tussenruimtes vindt kan je er wel met de wind vlagen. Gekruide erwten komen altijd na jarenlange droogte. Maar van wat? Van wijn, want die is gezond in een glas blijkbaar. Sperzie! Ik wil broodjes van je schooien, dan kan ik weer wandelen! In Waver begod, is een brandbare heide symbool voor het onuitdrukbare? Doen ze het is tegenwoordig zijn vraag. Ober op gps-signaal, zet eens uw smartphone uit: ik wil u iets tonen: die van mij. Intuïtie houdt de wacht bij mijn goedheid. Ge moet da een beetje aanvoelen, en dat is mijn job. Geen paardenpsychologie, paardenpsycholoog moest ik zijn als jonge wielrenner om te durven trainen: de Vlaamse Ardennen. Welke waren er eerst? De Aardplaten ontvouwen zich, de leemte van hun intonatie zal nooit een beving voor Richter worden. De gezant gaat terug naar huis, Richter volgt hem. Dat mogen we nog niet weten. Nie spoilen in de file é! De weerman knipoogt, weeral weet ik niet of hij het nog heeft want daar sluit het scherm. Voetbal. En ik ga strips gaan lezen! Iconisch hoe een tekening het gevecht blootlegt met diens oorsprong: inkt. Inhoud wordt niet gevraagd, ik kan niet spreken. Dat heeft iedereen als voor mij gedaan. Zijn ze dood? Hun toestel is dood, een stereotype. Gogl verkent Richter: impact tegen schaal. Wie verdeelt de hongersnood verder? Uitzaaiingen zijn uitgesloten, het zijn sterfgevallen, bedelaars van een moment. Maar het is niet de tijd die ze nodig hebben, het is diens strekking... Fout! Ik wil sociaal contact. De compartimenten van de winkelkar van mijn idool, God. Want: geen muntje maar een hostie... Liefde is helaas een vorm van creatie, toekomstige schat, vragen we het aan papa of aan god? Wie heeft gelijk, mama? Mijn mama is niet van Waver, ze is hier niet. Blijkbaar heb ik ze ook niet nodig als ik voorgaande durf vermelden. Of moest ik overleveren? Dat zij niet, ze zijn alleen maar bang dat ze gaan kotsen. Dat betekent dat ze al aan het kotsen zijn en bang zullen zijn op de Vlieger. Ik kan ze toch niet bereiken, dan is het goed. Dan mag ik hier blijven staan tot de rij zich vormt. Prenten van waaiers worden overgeleverd aan elkaar en ik sta verkeerd. "Wil je niet meedoen?" Nee, niet als eerste, ik ben al voortijdig. Hah. Hah! Waarom moest ik dan nog lopen? Omdat het hout naar de duinen moet om deze levenstoeristen te stutten. De betrekking met mijn punt, de spelers van de taal vinden het. Maar die durven bewust niet. Dat zal wel voor de toekomst zijn, die broodjes. Punt, obstructie van mening, het is altijd één want hij is hier al. De doordruk voor het onderschrift, een normaal verhaal, zo voelt hij zich nu? Is dat origineel, concurrent? Zuchten voor gebruik van hoofdletters heeft hij begaan. Nu denk ik weeral dat hij slimmer is dan mij omdat ik het woord misdaad niet wou zeggen. Verleden, weg... Waver is de toekomst, de toekomst van Umberto Unesco, aspirant-paus aan de dafalgan van de Taj Hamal voor het eerst zijn vrouw gekust, en wat volgt, het reeds orale verhaal: de krant na het toilet. Ik beslagen, is dit de douche? Ja. Gij mocht gaan douchen in het pretpark. Het waren ook de leraars. Altijd aan de zijlijn, daar corrigerend, het beeld van een geometrische lijn vergeten voor de inborst van hersenen. Zolang het maar grillig is... Die sushi, die sushi staat hier al, ga weg verleden! Ik haat U meer! En prestatie is niet de voorwaarde van een mensenleven! Tenzij hij alleen op Aarde zou zijn geweest; maar wanneer dan inderdaad? Een oermens die geen oersoep lust, dat is hij, en ik moet hier niet voor instaan, neerwaarts punt in mijn leven, want er is geen reactie. Die is onmogelijk met wederwoord, dwaze galblaas van nen angsthaas dat gij zijt. Nu naar kerstmis, zeker? Dat is al gebeurd. Een open einde: een begin. Vandaar die kus eerst... als alles gelijk heeft treedt de rivier buiten zijn oevers. Het verslag van het humeur van dit organisme kost mensenlevens omdat het ergens anders niet leefbaar is. Dat is zijn theorie, maar hij heeft geen armen. Hij is hoofd en vingernageltoppen, alles wat functioneel is. Daar begint het niet te vroeg, maar wel voor mij. Waarom ben ik dan de waarnemer. Een actienemer van een zeilboot dat ben ik. Als alles gelijk heeft treedt ze buiten haar oevers voor de falcetto van God. Een teken dat je in iemand zijn kop slaat opdat hij even zou zwijgen en u gelijk geven. Ze liggen oneffen, maar als je dat zegt, heb je geen nood aan bevestiging. Dan kan je zelf je jas sluiten, God. U bent gepardonneerd. Moet je God laten zitten op de bus? Naar waar zou Hij gaan? Naar je hoofdletter. Hoe kan jij dat zien, dirigent van het dictee, heb je een -auto-? Dat is het geheim van poëzie, de taal van Jezus! Waarom, omdat er verzachtende omstandigheden waren. Hoe vooruitstrevend: misdaad. Nu kan hij knielen onder het gewicht van God, die man uit Palestina, om het bewustzijn terug te bereiken, om even stil te vallen, dat weten jullie wel; dat kan alleen in de sneeuw. Aan een Italiaans voorlopig paspoort van een Ski-keten zullen gelovigen hun contract niet verdienen, dat weten jullie wel, meer als hij. Aan wie moet hij geven; aan de taal natuurlijk. Uitroep. Omkeren. We zijn verkeerd. Het punt! Dan maar kuisen. Nooit bestond kauwgom en plots moeten ze diens onderkin boenen, zich schuldig voelen over de afleiding omdat ze het willen. Moeten ze het willen? Ik vind van niet. Maar dat moest Je Iets wel zeggen. Afhankelijk zijn we allemaal, vooral van het eigen oordeel. Claimen die handel, desnoods met je tanden. Voor eens, hun plat taalgebruik, stop daarmee, ik spreek ook geen algemeen Nederlands, geen transactie; ik spreek hersenen, ik spreek mens. Nu kan ik mijn voorkeur verlaten. De toekomst zal uitwijzen waar het verkeersbord staat. De eerste die het ziet zal sterven. Weten jullie waarom? Eenvoud, en nu die broodjes. Leven eet. Vooral bij Taj Mahal. Ik haat onregelmatig verdeelde exemplaren, de meest hulpbehoevende bestaansvormen ter eender plaatse en ooit. Ik geloof niet dat dat ruimte is. Het voltooid deelwoord, zo kondigen zij het einde aan. Nu kennen ze de bedoeling van mijn idool: het goede. Wat profeten deden was met hem praten. Interventie: de braamstruik staat in brand. Waarom lijkt het altijd alsof verpleegkundigen je echt graag zien? Omdat ze anders teveel broodjes krijgen! Christiane is de vrouw van, niet het universum, John Tavener. Jouw naam zal nooit een woordspeling bergen. Bergen. Allé, spekblokjes bij de oersoep vandaag. Ze willen het op het bord naast de pattatten. Een exotische groente, maar dat mag ik aan tafel niet zeggen.  Verklaring na misdaad of zonder bedoeling het leven ingaan, dat was onze keuze. Geboorte, de wieg van het leven, kromt de Nazca-rups. In mijn individuele wereldgeschiedenis.  Umberto Unesco vindt het bijna wereldspeelgoed: de kauwgomschraping in de kerk. Dan denken ze niet aan verdienen, aan overleven. De geest van dirigent verdeelt aandachtspunten over zijn werkblad, het veld. Het beeld van de kromming van onze geboorte draagt Spînabifida, de zus van Umberto. Ze is genodigd omdat ze stilte kan verdoezelen en daarom zijn we hier. Deze mensen beoordelen waarde niet op prestatie. Het inzaaipunt van de vogelverschrikker, zoals mijn zoon het veld noemt, Hem noemt, zijn titel; 'Hem'. Het hoofd moet toekijken. Dit zijn niet de regels van mijn idool. Hij moet een van ons worden. De lijkwade van Waver broedt een Vredesvlinder, in vredesnaam een vlinder. Die surrogaatvogel die ik moet beklimmen van mijn ouders! Hij draait.   Het schuurt die rode lak verf in Waregem. Toch ben ik ouder dan het park, ik ben de beleving. Dat betekent dat mijn zicht één grasspriet rijker is dan perceptie. Diefstal wanneer de koning perceptieglazen zal dragen. Van taal terug naar toeval. En alles wat we gedaan hebben is weg... Relevantie en verbandhouding fixeren mij. Ik wil met de prinses en niet met de naam trouwen. Dat verdient de wereld niet. Achja, Wallonië in het Frans. Ik wil trouwen: 'trouw' bevestigen voor de wereld en de liefde opnieuw laten beginnen. Dat wil de wereld niet, de wereld wil goedheid. De Belgische consensus van de sfeer is mijn schaamte op het WK. Het WK in Waver, alle inzaaipunten van de hoofdplaatsen zijn voldaan. Het moeras van mijn onbegrip keert terug als ik geen kots meer verlang van mijn zelfliefde, het volgende losstaande concept. We kunnen schaken met stilte, dat zijn de kampioenen (Italiaans: Primulas). Bloemen mag je niet meten, Japan, dat is voor de plant, de plant groeit niet meer. Vijf is zijn brevet. De toelating om het enige lid van een leegstaande cohousing te worden: de samenleving te worden. Ik kan niet leren, ik kan niet tellen. Umberto's Bugatti Dogma staat voor mijn levenslicht. Ik kan muziek luisteren en lezen, maar liever niet. Ik moet nog door die stilte wanneer hij rond de wagen loopt met een aangelengde buis. Het zijn frieten, de eerste Belgen. Conservatie van weemoed resulteert inderdaad diens zachtmoedigheid, maar waarom moet je die dan nog koken? Jezus vraagt naar het algoritme van de catechese. De mechanisering van God blijft niet tegenwoordig. Mijn eigen taal zal me wel beschermen tegen logica. Wanneer slechte mensen weten dat ze geen gelijk hebben en dat willen hanteren. Ik zou in hun geval ook niet anders naar muziek kunnen luisteren. Hun eeuwige geboorte verveelt zelfs de goden, en die kennen zoals gekend het verloop. Dat is Christiane die in rechte lijn probeert te bezemen voor het Pad. Maar ons dorp, de dijk van de rivier, is trots. En daarom zullen wij altijd ten minste bestaan. In deze religieuze stad zijn echter geen herenhuizen, enkel als mijn idool het leven aansteekt. Voor iedere kerstboom een bijbel en twaalf apostelen alstublieft. De knieval van Recht, het eerste referentiepunt aan de hemel toen ze samengesteld werden. Horizon de stikstof van de hemel. In de fitness heb ik alleen engelse leenwoorden overgehouden. Ze zijn kasbonnen, tulpenbollen uit België. Waarom moet ons reddingsmiddel onzichtbaar blijven? Omdat mensen stelen, je armen meenemen omdat ze je handtas haten, en dan geen geluid maken. Uit zelfmedelijden ga ik in de tussenruimte niet in de wachtrij zitten. Doktersbriefje uit de automaat halen nu. Vrijwillige vingerafdruk, is dat niet om te overleveren? Maar ik heb het gehaald, ook al moet ik het gesprek nog meer aanvatten. Voorlopig verstaan we elkaar nog niet. Dat mag, maar niet als er mensen tussenuit vallen die dat nooit meer zullen meemaken.

Robijn Bodijn
4 0