Heel Brasschaat gaat kapot.
Ze steekt van wal: heel Brasschaat gaat kapot. Iedereen wordt daar weggehaald. Alle mensen moeten naar het buitenland.
Echt, vraag ik. Ik kijk verbaasd. Ik ga mee in haar verhaal, wil van verbazing omvallen maar de stoel onder mij laat dat niet toe.
Ja, zegt ze. Mijn zus hebben ze meegenomen, hup, de auto in, en mee naar Holland. Daar stopte de auto aan een huis waar een man stond, op de eerste verdieping aan het raam, en daar moest mijn zus wonen.
Dat is vreemd, zeg ik.
Ik werd toen dikwijls misselijk. In de kerk begon ik over te geven, en ik viel flauw, gewoon op de grond lag ik, en dan droegen ze mij naar buiten, ze legden me op het gras, daar kon ik dan bijkomen van die misselijkheid. Zo ziek dat ik werd in een kerk. De dokter zei dat dat door de geur kwam. In de kerk hing een geur waar ik niet tegen kon.
Wat raar, zeg ik. Ik kwam vroeger ook in kerken, nooit meegemaakt, zoiets als flauwvallen van een geur.
Brasschaat zal niet meer bestaan, vervolgt ze. Heel dat dorp zal leeglopen (als een bad, denk ik maar ze zegt het niet) terwijl dat toch een chique dorp was. Alles was daar. Veel winkels, een mooi park. Alle mensen hadden geld.
Ik knik.
Hij zal dan toch ook worden meegenomen?
Wie, vraag ik.
Juul.
Ah, Julien! Mmmm, dat weet ik niet. Ik heb daar niets over vernomen. Volgens mij bestaat dat dorp toch nog. Ik ben er nog geweest.
Ja?
Ja, ik was in Klina.
(stilte, zou ze nog weten dat Juul in het ziekenhuis lag?)
Ik open mijn iphone en toon de bloemen. Ze kiest de mooiste. Ze wijst naar de details, het puntje van het penseel heeft daar een puntje verf gezet, dat zie ik terwijl ze wijst en geen moment laat liggen om het woord te nemen.