Zoeken

Tussen naderen en samenvallen

Twee lijnen. Meer zijn we niet in dit leven. Twee lijnen die elkaar eindeloos naderen, terwijl de ruimte ertussen voortdurend dreigt te bezwijken. Ik ben de curve die zich eindeloos naar jou toe buigt, terwijl jij mijn onwrikbare asymptoot blijft. En toch voel ik de wetmatigheid van de onbereikbaarheid kraken in een blik die net iets te lang blijft hangen, een stilte die zich niet meteen laat invullen, een glimlach waarin ik iets meen te herkennen. Ik reken. Ik weeg woorden en vergelijk blikken. In mijn bewijsvoering zoek ik naar een patroon dat aantoont dat de afstand niet toevallig kleiner wordt. Ik schrijf alles uit, opnieuw en opnieuw, tot ik denk de oplossing eindelijk te doorzien. En dan verschuift er iets. Een woord. Een gebaar. Genoeg om de afstand weer op te rekken en mijn berekeningen aan het wankelen te brengen. Misschien zit er een onbekende verscholen die ik nog moet ontsluiten: een teken dat ik verkeerd lees, een variabele die ik over het hoofd zie, een voorwaarde die ik niet ken en die de hele berekening op losse schroeven zet. Dan begin ik opnieuw, alsof ik met een tabula rasa dichter bij de oplossing kan komen. Maar kent verlangen een sluitende bewijsvoering? Ik blijf de grafiek hertekenen. Ik trek onze lijnen door, ver voorbij de grenzen van het papier waarop we gevangen zitten. We zitten zo dicht op elkaars huid dat ik je adem kan voelen. Je lippen op een zucht van de mijne. Toch blijven we balanceren op die flinterdunne grens van het niet-raken. Er broeit iets tussen ons, zonder sluitend bewijs. We blijven een sensuele paradox. Zelfs in de afstand zit je zo dicht op mijn huid dat je me soms dieper raakt dan je met een eenvoudige aanraking ooit zou kunnen. Zoek ik eigenlijk wel een antwoord? Misschien verlies ik mezelf te graag in de berekening, in het eindeloze naderen, in de duizelingwekkende gedachte dat het volgende punt op mijn curve precies die kromming zal inzetten waardoor ik uiteindelijk met jou samenval. Buig ik me onder jouw wetmatigheid? Of ben ik het die het assenstelsel kies, de schaalverdeling bepaalt en de punten uitzet waarin ik zelf wil geloven? Ik probeer het verlangen te integreren, de afzonderlijke momenten samen te brengen tot één vloeiende beweging. De begroeting, de lach, het moment waarop jouw hand de mijne net iets langer leek vast te houden: alles zet ik uit in de ruimte van onze grafiek. Maar hoe langer ik reken, hoe minder ik weet welke waarden van jou zijn en welke ik zelf heb ingevuld. Wat als ik zoek naar reële getallen, terwijl er alleen een imaginaire mogelijkheid is? Ik weet niet hoe ik moet ophouden met zoeken naar een antwoord dat misschien niet bestaat.  Wat als we het tegendeel bewijzen en ons van alle wetmatigheden ontdoen? Wat als de curve en de asymptoot ooit zouden samenvallen? Stel dat het op een dag werkelijk gebeurt. Dat de afstand verdwijnt. Dat jij niet langer de lijn bent waarnaar ik me krom, maar de plek waar mijn curve opnieuw begint. Wat als de afstand die ons zo lang gevangen hield, plaats maakt voor een exponentieel verlangen? 

Jolien Van de Velde
52 0

Magisch vs Mooi

Een kameraad en ik staan in een open veld aan de rand van het bos naast een klein meer. Het is middernacht en er is geen enkele wolk te bespeuren. Hij kijkt naar de open sterrenhemel en zucht vol bewondering: “Mooi toch”? Terwijl ik “heel mooi” mompel zie ik links van mij waterdampen opstijgen uit het meer. Een prachtig schouwspel ontvouwt zich voor mijn ogen. Het water, haast rimpelloos, omsluit het hele meer tot aan de rand toe, de wezentjes eronder beschermend voor de buitenwereld. De sterrenhemel wordt weerspiegelt op haar gladde oppervlak, de illusie opwekkend dat hemel en aarde als één eenheid te samen de nacht ingaan. Een karpertje haast zich al zwiepstaartend naar boven, hapt even naar lucht en verzwelgt zo schijnbaar een ster. Fier bij deze gedachte bedenkt hij voor zichzelf de bijnaam: “Rodney de sterrenverzwelger”. Eens terug beneden pocht hij tegen zijn broers, dat hij “Rodney de sterrenverzwelger”, de neus van de Grote Beer heeft verzwolgen. De waterjuffer vliegt wat zenuwachtig over het water en tikt schijnbaar achteloos af en toe even het watersterretje aan. Is ze op weg naar huis, naar haar lieve (te) zachtaardige echtgenoot? Ooofff kan het zijn dat de aangetikte sterretjes een code bevat voor haar minnaar, de stoere Colorado kever aka “Butch” ? --00:15--achter de paddenstoel--met de driekwartshoed-- Sinds een gigantische hagelbol een kwart van zijn hoed had afgerukt, kreeg deze Paddo officieel de status van “Landmark”. De voltallige Natuurraad had vóór gestemd toen dit werd voorgelegd door de zeer respectabele kerkuil Tevens ontvangt hij van de verzekeringsmaatschappij “Eik , Berk en Zonen” elke maand een toelage voor de geleden stormschade... Ik wijs hem op het magisch schouwspel maar hij zegt enkel: "De hemel daar beneden is slechts een reflectie van de echte hemel daarboven” Wij kijken door een andere bril naar de wereld om ons heen en dat is prima...    

Ives
0 0

gedachten sorteren

Ik dacht: ik laat hier eens mijn gedachten lopen. Laat ik ze even vrolijk huppelen op dit papier, alhoewel, 't is geen papier. Ik kan het niet ruiken. En mijn gedachten zijn ook niet zo vrolijk momenteel. Lopen doen ze wel, snel. Want ik heb dit niet op voorhand geschreven, ik schrijf nu gewoon wat ik denk... En ik denk veel. Dat het niet stilstaat, dat is een feit. Zoals ik al zei: ze lopen. En soms kan ik ze niet bijbenen. Dus dan schrijf ik de absurditeit ervan op, zo kan ik het kaf van het koren scheiden. Piekeren vermijden. Of werkt dat zo niet? Jawel hè, jawel, dat werkt hè, mede-schrijvers. Oh, ik krijg een berichtje binnen. Mijn gedachte over een gedachte was duidelijk verkeerd, dat lees ik nu, terwijl ik schrijf... Multitasken noemen ze dat. Misschien is dit een fait divers en moet ik het bij het kaf sorteren. Na veertig jaar moet ik nog steeds leren dat gedachten niet bij iedereen zo huppelen tijdens een loop. Elk zijn loopstijl... En terwijl ik dit schrijf, denk ik: rust nu toch, stop eens met denken. Maar dat lukt niet, 't is als een lopend vuurtje dat op hol slaat. Of ja, lopend vuurtje... Die uitdrukking klopt niet helemaal, maar je begrijpt me wel. Niet te stoppen dus. En als iets niet te stoppen is, crasht het meestal eens. En dan vergeet je gewoon alles: waar je sleutels liggen bijvoorbeeld, of wat je ook alweer in de kelder ging doen.    Alleen    ver tra...gen    lij kt....te.....w...er...ke...n    *    "'k Moet pipi doen!" roept de kleinste.    Snel! Even andermans gedachten sorteren, hij moet dat nog leren.    Ik ga rechtveren.    Euh...    Wat wou ik nu ook alweer beweren?        

Troja!
10 1

Pompoenmensen

Vandaag wil ik het hebben over de pompoen. Ja, de pompoen. Want een courgette, daar valt weinig over te vertellen. Een courgette kent haar plaats. Mes erop, schijfjes, klaar. Een tomaat geeft zich zelfs iets te gemakkelijk. Een champignon kunt ge met één hand klein krijgen. Maar een pompoen? Een pompoen is een middeleeuws fort. Ge snijdt hem niet. Ge neemt hem in. Hij ligt op uw aanrecht, rond en ongenaakbaar, met denkbeeldige kantelen en een slotgracht errond. Ge haalt uw grootste mes boven. Dat mes waarvan ge bij het uitpakken dacht: waarvoor heeft een normaal mens dit nodig? Hiervoor dus. Ge zet de punt erin. Duwt. Wringt. Vloekt. Op den duur hangt ge met uw volledige lichaamsgewicht boven het aanrecht, in een houding waarvan uw kinesist later zal zeggen dat het zo niet bedoeld is. De pompoen geeft geen krimp. Ik vermoed zelfs dat hij ervan geniet. En dan heeft hij ook nog een imagoprobleem. Vanaf oktober wordt de pompoen collectief veroordeeld tot twee carrières: soep of Halloween. Ofwel koken we hem plat, zetten er de staafmixer in en gieten er room bij. Ofwel hollen we hem uit, geven hem drie driehoeken en een slecht gebit en zetten hem aan de voordeur. Wat een vernedering. Heel uw zomer hebt ge op een veld liggen rijpen. Zon gepakt. Regen doorstaan. Met uw gat in de aarde gelegen. Vol smaak en grootse plannen. Komt er iemand met een Action-mesje ogen in u snijden. Terwijl er zoveel meer in zit. Ge moet er alleen door geraken. Want de pompoen heeft iets van een grumpy old man. Zo eentje die de wereld met enig wantrouwen bekijkt en niet van plan is daar voor uw plezier verandering in te brengen. Een mening heeft hij altijd klaar. Liefst kort, krachtig en zonder overbodige verpakking. Nuance wordt beschouwd als tijdverlies, diplomatie als een overbodige luxe. Ge kunt daartegen argumenteren, maar ge kunt evengoed tegen een pompoen beginnen praten. Die luistert ongeveer even aandachtig. En op zo'n moment denkt ge: waarom heb ik in godsnaam niet gewoon een courgette gekocht? Toch zit er iets fascinerends in dat stugge karakter. Niet alles moet onmiddellijk toegankelijk zijn. Sommige dingen hebben nu eenmaal een dikke schil, een eigen gebruiksaanwijzing en weinig belangstelling voor uw goede bedoelingen. Ge kunt blijven duwen, trekken en peuteren, maar daar wordt niemand zachter van. Integendeel. Voor ge het weet gaat de ophaalbrug omhoog en staat er boven op de kantelen kokende olie klaar. Ge moet weten waar de kleine poortjes zitten. Een pompoen moet ge roosteren. Olijfolie. Peper. Zout. Tijm. Rozemarijn. Een beetje masseren. Niet te bruusk. De oven in. En wachten. De randen worden donker en kleverig. De suikers karamelliseren. Het vruchtvlees wordt zacht en zoet. Aards. Nootachtig. Warm. Pompoen smaakt naar grond waar de zon nog in zit. De laatste jaren ben ik van die aardse smaken gaan houden. Paddenstoelen. Knolselder. Boter die bruin mag worden. Pompoen met zwarte randjes. Smaken die niet meteen hun beste beentje voorzetten, maar langzaam binnenkomen en blijven hangen. En ik hou ook van mensen die zich niet zomaar laten kruiden. Die niet bij de eerste kennismaking hun volledige binnenkant op tafel gooien. Geen grote verklaringen, geen emotionele ontboezemingen en al zeker geen demonstraties van kwetsbaarheid op een bergtop in een linnen broek. God verhoede. Soms zit de zachtheid in iets kleins. Een onverwachte grap. Een ogenblik van aandacht. Een gebaar dat nergens om vraagt. Een beetje warmte die er plots blijkt te zijn en even snel weer verdwijnt, alsof iemand vergeten was de ophaalbrug op te halen. En dan denkt ge dat ge binnen zijt. Dat ge de slotgracht overgestoken hebt en eindelijk aan de andere kant van die vervloekte muur geraakt zijt. Maar zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Want soms staat ge daar met al uw goede bedoelingen, uw geduld, uw olijfolie en uw grootste mes en geraakt ge nog altijd geen centimeter verder. Ge kunt masseren tot uw armen eraf vallen, kruiden tot ge naar een Provençaalse markt ruikt en wachten tot de oven het begeeft. Maar een pompoen die niet wil, die wil niet. En op den duur moet ge u toch eens afvragen of al dat gewrik nog wel de moeite loont. Of ge niet meer energie in dat oranje kreng steekt dan ge er ooit aan smaak zult uithalen. Want niet achter iedere dikke schil zit goudgeel vruchtvlees. Soms zit er gewoon een heleboel niks achter. Of iets wat zo bitter is dat zelfs een halve kilo boter er geen redden meer aan heeft. En misschien is dat ook iets wat ge moet leren. Dat ge niet alles moet openbreken. Niet iedere ophaalbrug moet neerlaten. Niet iedere grumpy old man moet ontdooien. Sommige smaken hebben tijd nodig, maar tijd alleen maakt iets nog niet lekker. Sommige pompoenen moet ge gewoon pompoen laten. Die vragen erom tot een smakeloze soep gemixt te worden. Of uitgehold, met drie driehoeken en een mottig gebit aan de voordeur gezet te worden. Een beetje assorti met plastieken doodskoppen en chemische spinnenwebben. Ge houdt die echt letterlijk beter buiten.

Katrien Daniels
54 3

Het geleende lichaam

Ze trok het bos in om terug te vinden wat ze onderweg was verloren. Haar zinnen die ze inslikte, haar verlangen dat telkens opnieuw door redelijkheid aan banden werd gelegd, haar ritme dat ouder was dan taal. Ze luisterde en ademde de vochtige herfstlucht in. Hier vroeg niemand wie ze was. De strakgespannen spieren in haar schouders lieten eindelijk los. Haar hand gleed teder langs de boomstammen. Sommige voelden glad en uitnodigend, andere hadden een ruwe onleesbare schors. Tussen de varens zag ze hem liggen: een statige, geknakte boomstam. Ze observeerde hem met de zeldzame blik waarmee ze een man te kennen gaf dat hij haar verlangen had aangeraakt. In haar gedachten schetste ze hem: de bast die op enkele plekken opengebarsten was, de lichte kromming van zijn rug, de manier waarop hij daar lag alsof hij haar al verwachtte. Ze ging naast hem zitten en legde haar hand tegen de schors. Ze volgde een oneffen groef en dacht aan de rug van een man, aan de plek tussen de schouderbladen wanneer hij zich vooroverboog, net voor hij binnendrong. Ze trok haar schoenen uit en klom op de stam. Ze zakte voorzichtig voorover tot haar buik tegen het hout rustte en haar wang de ruwe schors raakte. Ze duwde zich harder tegen hem aan. Onder haar ontwaakte iets. Ze beeldde zich in dat hij daar lag, zijn adem in haar hals. Ze werd zich bewust van haar volle borsten tegen het hout, van haar dijen, de spanning in haar onderrug. Een korte zucht ontsnapte. Ze verlangde naar zijn stevigheid, naar het gevoel dat ze zich tegen hem kon afzetten zonder hem te breken. Ze drukte een kus op het hout en liet haar lippen even rusten. Ze voelde een borstkas die onder haar op en neer ging. Tussen de boomtoppen bewoog het licht. Ze hoorde het zachte kraken van de takken. Ze nestelde zich dieper in het geleende lichaam dat eerst vreemd, maar toch vertrouwd aanvoelde. Haar gedachten cirkelden steeds weer terug naar hem. De man die haar had laten ontwaken en een vuur in haar had aangewakkerd dat ze nooit alleen had kunnen vinden. Na een lange winterslaap gloeide haar huid. Ze richtte zich op en duwde haar bekken tegen hem aan. Ze wiegde mee met de boomtoppen. Haar adem verdiepte, haar spieren verloren hun waakzaamheid. Haar vingers spreidden zich over de bast en zo greep ze hem stevig vast. Ze sloot haar ogen en stelde zich voor hoe hij haar bezat. De zon stond bijna tegen de horizon. Het gefilterde licht van een late herfstnamiddag gleed over haar rug. Loom tilde ze haar hoofd op en keek naar de smalle strook hemel. Ze was kwetsbaar, maar niet weerloos. Nog even bleef ze liggen, haar spinnende lichaam uitgestrekt over het hout. Haar vingertoppen tikten tegen de bast, een nieuw voorzichtig ritme klonk. Een trage, oeroude cadans, die ergens diep onder haar huid niet meer te stoppen was.  

Jolien Van de Velde
159 1