Zoeken

Zwijgende lippen

Het is alsof niets echt is wat het lijkt. Als je rondom je kijkt, lijkt alles prachtig, wonderbaarlijk en vol vreugde. De wereld is een kunstwerk, waarop iedere druppel verf zijn eigen functie heeft en zorgt voor een harmonieus geheel. Dat gevoel had ik altijd als kind. Toen dacht ik echter ook dat er een oude man bestond die 's nachts door je schoorsteen kroop en pakjes voor je achterliet of dat kinderen door ooievaars werden gebracht. Nu weet ik wel beter. De wereld is hard en dat wordt iedere dag opnieuw duidelijk… Wie had ooit gedacht dat ik hier zou eindigen? In een appartement waar zelf een kabouter een gevoel van claustrofobie zou krijgen. Als je mijn appartement binnenstapt, krijg je het gevoel alsof iemand, die te veel gedronken had, zijn braaksel niet in zijn mond kon houden tot aan de toilette en daarom zich naar hartenlust had uitgeleefd tegen de muren. De muren  die daarbovenop dezelfde kleur hadden als de schimmel op het bord lasagne van vorige maand  dat op de keukentafel stond. Verder stonden de kamers vol met meubels die ik geërfd had van mijn overleden grootvader, hij die heel zijn leven lang gerookt had. Ik heb me altijd afgevraagd hoe mijn grootvader gestorven was, maar het zou mij niet verbazen mocht zijn lijk nog weken lang op de zetel hebben gelegen. Daaraan deed de stank in de woonkamer mij in ieder geval denken. Het was het enige appartement dat ik kon huren zonder te moeten bedelen bij mijn ouders voor geld. Erg zouden ze het niet vinden, maar ik wou hen niet teleurstellen. Mijn zus heeft het nooit ver gebracht in het leven en ze hadden hun laatste hoop op mij gezet. Ik zou de blik in mijn moeders ogen niet kunnen verdragen als ze zou zien in welke erbarmelijke omstandigheden ik leefde. Iedere maand was ik blij en tegelijkertijd teleurgesteld als ik mijn loonbrief van mij baas ontving. Ik had natuurlijk wel iets van geld verdiend, maar lang niet genoeg om het leven te leiden waar ik stiekem op bleef hopen. Het gewone leven van een alleenstaande, slecht betaalde vrouw zou je zo denken, niet? Daar heb je het echter fout. Al twee jaar, twaalf dagen en dertien uur word ik bespioneerd. Je vermoedt waarschijnlijk dat ik een geheim leven heb of nog beter dat ik beroemd ben, maar dat niemand het mag weten. Dan moet ik je echter teleurstellen. Ik word bespioneerd door een man om de hoek die al ruim tien jaar verliefd op mij is. Ik zeg altijd bespioneren omdat dat leuker is om te zeggen, stalken zou echter een betere beschrijving zijn. Nog steeds kan ik niet wennen aan het feit dat iemand echt voor mij gevallen is. Ik zie er uit als een vrouw die nog nooit van een kapper, fitness of slaap heeft gehoord. Ik heb natuurlijk niet gezegd dat het een eer is dat die man voor mij gevallen is, maar dat laat ik even ter zijde. Ik heb nogal een uitgesproken smaak wat mannen betreft. Johannes is zijn naam. Dat vond hij echter te lang om uit te spreken dus iedereen noemt hem Jo. De eerste keer dat ik mijn appartement bezocht zag ik hem. Een lange man met donker bruin haar. Perfect witte, rechte tanden en stralende ogen. Een baard die twee dagen niet geschoren was, maar die wel behoorlijk sexy stond bij zijn perfect gevormde kaaklijn. Je zag dat hij de fitness vaak bezocht door zijn gespierde lijf dat je kon waarnemen door zijn spannende T-shirt. Toen die knappe loodgieter de deur uit stapte, stond ik voor de eerste keer oog in oog met Jo. Een 60-jarige man, hoogstens groot genoeg om met een stoel aan de bovenste plank in keuken te komen. Een witte kleur hadden de paar haren die achter zijn rechter oor stonden en zijn snor had een gelige kleur gekregen door zijn veelvoudig gebruik van sigaretten.  Hij was zonnebankbruin en had het figuur van een zak aardappelen. Het zou een belediging zijn om hem te vergelijken met eender wie op deze planeet. Die jongen vroeger op school die net wat dikker was en die een iets meer uitgesproken lichaamsgeur had,  dat was Jo. Bij het bespioneren had ik me inmiddels neergelegd, maar vorige week vertelde hij iets dat al dagen in mijn hoofd rondspookt. Iets wat ik niet kan vatten. Iets wat ik koste wat kost geheim moest houden omdat het anders voor ons beiden slecht zal aflopen. Ik moest zwijgen. 

S.
0 0

De Kaars

   De Kaars     Men zei dat ie blind was. Eén van de ergste dingen die een geleedpotige kan overkomen. Een poot of voelspriet kan een insect best missen maar wanneer het zicht verdwijnt moet je je als geleed dier zorgen beginnen maken. Naar het schijnt kon hij enkel nog horen, voelen en ruiken. Het was een avond in Juni. Een mei- en junikever zaten naast elkaar tegenover een kaars. Het waren de laatste dagen van de meikever. De junikever had zich over zijn versleten neef ontfermd.   ‘Waarde confrater’, begon de junikever, ‘klopt het dat u niet meer kan zien?’ ‘Ik zie niets meer neef, ik ben stekeblind’, antwoordde de oude meikever. ‘Zal ik het licht van de kaars voor u beschrijven?’, vroeg de junikever. ‘Ja, maar breng me eerst wat beukenbladeren en schilfers want ik rammel. Ik heb vandaag nog niets gegeten. Toen ik op het punt stond om op wat bladeren te kluiven moest er zo nodig een onozel kind met het boompje schudden. Ik viel pardoes op de grond. Het was een jong beukenboompje confrater, niet sterk genoeg om een spelend kind tegen te houden.’ ‘Hoe wist u dat? U bent toch stekeblind?’ ‘Ik heb het gevoeld en gehoord neef.’ ‘Juist, ik was vergeten dat u wel kan horen en voelen.’ ‘En ruiken. Ga nu maar die bladeren en schilfers halen.’ ‘Juist’. En de junikever vertrok.   Daar zat de meikever. Hij voelde de warmte van de kaars op zijn dekschilden. Hij had Juni mogen meemaken en dat kan niet elke meikever zeggen. Toen de junikever met spijs was teruggekeerd vroeg hij: ‘Neef, wat is dat geluid dat ik hoor?’ ‘Een mot die rond de kaars vliegt, confrater.’ ‘Vraag hem op te houden. Dat gefladder van hem stoort me mateloos.’ ‘Mot, zou u alstubllieft rond een andere kaars willen vliegen?’ ‘Ha!’, riep de mot, ‘geen denken aan! Ik zal zelfs nog wat harder gaan fladderen!’ De meikever lachtte hartelijk. De junikever voelde zich beledigd. ‘Zo zijn motten neef’, legde de meikever uit, ‘het zijn domme, ijdele, hyperactieve maar bovenal hilarische smeerlappen.’ ‘Ik ben een nachtvlinder!’, riep de mot, ‘Geen mot! Het is sinds heden strafbaar me “mot” te noemen. “Nacht-vlinder”!’ ‘Je maakt wat mee op je oude dag’, grinnikte de meikever en de junikever gaf hem wat te eten.   ‘Ik hoop dat een julikever zich later over mij ontfermd’, zei de junikever. ‘Daar moet je nu nog niet over nadenken’, antwoordde de meikever, ‘je hebt nog een hele maand.’ -‘Ja hij wel’, zei een stem van achter de kaars, ‘ik, daarentegen, ben binnen een paar dagen dood.’ ‘Wie is daar?’, vroeg de meikever. ‘Kom tevoorschijn!’, beval de junikever. Een langpootmug vloog stuntelig van achter de kaars naar de twee kevers. Hij landde hard. ‘Je kijkt zo triest’, zei de junikever, ‘Wat is er?’ ‘Ik had hier afgesproken met Francine’, zei de mug, ‘We kennen elkaar al van toen we nog larven waren. We hadden afgesproken dat we samen…nou ja…je weet wel…’ ‘Een bijdrage aan de soort zouden leveren?’, vroeg de meikever en hij gierde. ‘Jullie hebben haar toevallig niet gezien?’ ‘Ik niet want ik ben blind zie je, stekeblind‘, antwoordde de meikever en er kwam abrupt een einde aan zijn gelach. ‘Ik heb haar niet gezien’, zei de junikever. ‘Nou dan ga ik maar verder.’ De mug vloog weg. ‘Denk je dat hij haar op tijd zal vinden?’, vroeg de junikever. De meikever haalde zijn schouders op en de junikever gaf hem nog wat spijs.   In de verte klonk er een lawaai. ‘Wat is dat geluid?’, vroeg de meikever. ‘Ik kan het niet goed zien’, antwoordde de junikever, ‘maar ik geloof een school kniptorren. En aan hun kabaal te horen zijn ze juist het huis uit.’ ‘Komen ze richting de kaars?’ ‘Ik geloof van wel.’ ‘Dan krijgen we een schouwspel te zien, confrater. Jij toch alleszinds. Ik niet want ik ben blind.’ De kniptorren begonnen rond de kaars te cirkelen. Ze negeerden de twee kevers. ‘Krijgers, we zijn er!’, riep de leider plechtig, ‘Dit moet haar zijn! We hebben haar bereikt! Schrijf dat maar eens naar huis!’ Een lachsalvo. ‘Wat een drukte’, zei de junikever. De meikever antwoordde niet. Zonder waarschuwing sprongen de kniptorren één voor één in de kaarsvlam. De junikever keek vol ongeloof. ‘Geef me nog wat te gaffelen’, zei de meikever.   ‘Wat scheelt er met die ouwe?’, vroeg een krekel. ‘Hij is blind, stekeblind’, antwoordde de junikever. ‘Zwijg me van handicaps’, begon de krekel, ‘ik ben geboren zonder vleugels.’ De krekel pauzeerde maar de twee kevers reageerden niet. ‘Ik kan bijgevolg niet tsirpen. Een serieuze afknapper bij de vrouwen. Gedoemd om alleen te blijven. Maar ik vind het niet erg hoor. De status “Einzelganger” bevalt me wel.’ ‘Tsjirpen doe je toch met je poten?’, vroeg de meikever. ‘Neen, dat is juist de mythe’, antwoordde de krekel. ‘Wel, val nu dood! Wat ik nog leren mag!’, grinnikte de meikever. De drie lachten samen. De meikever en krekel iets uitbundiger dan de junikever. Ze staarden naar de kaarsvlam. ‘Confrater’, vroeg de ouwe, ‘heb je nog wat van die lekkere beukenbladeren?’ ‘Je at ze allemaal op’, antwoordde de junikever. ‘Ga er dan nog wat bijhalen. Als je zo vriendelijk zou willen zijn.’ De junikever vertrok.   Toen de junikever terugkwam, zat de krekel er nog steeds. ‘Hier zijn uw bladeren’, zei de junikever tegen de meikever. ‘Je zal ze zelf moeten opeten’, begon de krekel, ‘die ouwe is de pijp uit.’ Het was waar: De meikever was dood. ‘Heeft ie eigenlijk ooit licht gezien? Of was ie vanaf het begin al blind?’, vroeg de krekel. ‘Geen idee’, antwoordde de junikever. De kaarsvlam was gezakt en danste. De twee geleedpotigen zaten naast de meikever en hun kleine lijfjes wierpen grote schaduwen. ‘Ik zou uren in dit kaarslicht kunnen turen’, zei de krekel. ‘Ik wou hem het kaarslicht zonet beschrijven’, zei de junikever, ‘maar toen kwam er vanalles tussen.     Caspar Vanderschoot  

Kapitein Wolventand
15 0

Koningsblauw

Ik kijk hem strak aan. Ik omhels hem. Mijn ogen spijkeren zijn blik vast. Zodat hij gefixeerd is op mijn gezicht dat een reflectie biedt van zijn macht. Niet achter mij, waar de vogels zingen. Waar de anderen zijn.   Mijn kamer is koningsblauw. Slechts enkele meters lang en breed. Ontdaan van enig franje buiten de oranje gordijntjes van batist. Mijn lichaam vult de ruimte. Versiert de muren en zijn kieren. Mijn dijen zijn meubels.   Hij raakt me aan als de regen. Met zachte tikjes op mijn huid. Prikkeltjes die mijn voeten doen vergroeien met het warme hout. Zijn aanwezigheid neemt alle zuurstof weg. Zoals altijd in zijn blauw fluwelen pak. Alsof hij en de kamer een Siamese tweeling zijn. Mijn lichaam zuigt zich naar hem toe. De planken kraken onder mijn voeten als ik me op mijn tippen richt. Zijn geur zet de haren in mijn neus recht. Ik koester deze momenten net zo hevig als ik ernaar verlang. Het wachten op hem is eindeloos. Elke nieuwe dag duurt langer.   In eenzame dagen streel ik met mijn vingertoppen langs het koningsblauwe behang. Voel het verstrijken van de tijd door het papier. De putjes en bultjes van mijn bestaan. Er zijn geluiden in alle hoeken. Het oude huis kreunt in zijn voegen. Stofdeeltjes dansen viriel in de lucht. De symbiose van mijn bestaan is blauw. Soms glip ik door het raam, waar een briesje aangeeft dat ik buiten ben. Ik slik het in. Mijn handen aaien langs het hoge gras. Ik zie de anderen. Schimmen net zoals ik. We vloeien langs elkaar heen en kennen geen woorden. Mijn korte wandeling eindigt steeds bij de sloot. Blauw dat ik niet vertrouw. Slierten gifgroen trekken een tralies door het water.   Ik vlucht niet. Nu niet, nooit.   Hij glipt niet door het raam. Er is in de linkerhoek een deur in de kamer waaruit hij opduikt, het is wit met een sierlijk gouden handvat. Het heeft dezelfde zwierige krul als mijn roze strik. Het enige object dat ik bezit. Het ruikt naar mij en hem en bevat een knoop. Zijn verschijnen is steeds onaangekondigd. Hij opent en sluit de deur snel. Alsof achter de deur een gevaar schuilt. Ik zie alleen een vage schemering. Nu en dan komt hij ’s nachts, als ik uitgestrekt in het midden van de kamer lig op het donkerbruin generfde hout. Met mijn ogen toe en een wereld vol dromen. Hij verwijdert als een streling op de huid mijn strik en eigent de kamer naar zich toe. Als ik wakker word is het vergeelde en gescheurde plafond mijn gebroken eierschaal. Eenzaam in de wereld. Tot de deur op een moment weer opengaat.

Tim Berghman
0 0

Hij dacht dat hij dood was

Hij voelde een lichaam dat het zijne niet was. Vreemde materie die hij wilde afstoten. De houding waarin het lag baarde hem zorgen. Het gloeide ook. Het was gewoeld in lakens van beige. Een straaltje kwijl bengelde uit de mondhoek. Door zijn wimpers zag hij een lichtomgeven kamer met een groen bloemetjesbehang. Hij strekte langzaam zijn stramme vingers. Hoorde ze kraken. Voelde langzaam met de tippen van die vingers aan zijn andere hand die er slap bijlag. Voelde de rauwe structuur van de huid. De geharde nerven in de handpalm. Liet zijn tippen naar de pols glijden. Hij voelde een stevig kloppende hartslag. Hij dacht dat hij dood was geweest. Zo maar eventjes. Zo voelde het toch. Was er leven gisteren? Hij draaide zich langzaam om in de klamme lakens, zodat hij op zijn rug lag. Draaide zijn hoofd in één beweging mee. Een scherpe snelle pijn langs zijn slapen overviel hem. Hij sloot krampachtig de ogen en kreunde. Hij leefde, duidelijk. Dat was één. Maar hoe? Hij opende zachtjes opnieuw zijn ogen en zag een witte plafond met een oranje luster die die hem bekend leek. Iets zij hem dat hij die altijd al lelijk had gevonden. Zijn hoofd bonkte verder en drukte alsof er een baksteen op zijn wenkbrauwen lag. Breed denken ging niet. Hij kon het hier en nu niet thuisbrengen. Zijn lichaam snakte naar een vegetatieve toestand. Een slangetje dat hem kracht gaf. Een rolstoel voor dit lichaam dat niet meer bewegen wou. Een nat koud doekje voor dit hoofd dat wou openbarsten als een te hard gekookt ei. Water. Hij smakte met zijn lippen. Door de vale smaak in zijn mond kwam hem een beeld voor zijn ogen. Hoe hij met zijn neefje om het langst over de keukenvloer likte. Hij won. Het was goed dat hij zich zo’n dingen herinnerde. Ook al waren ze dertig jaar geleden gebeurd. Dan zou hij toch ook moeten weten wat hij gisteren had gedaan. Hoe hij had geleefd. Had hij wel had geleefd?   Uit het niets klotste een plas water over hem. Hij klakte met zijn kaken als een vis op het droge. Snakte naar adem. Een schel tumult bereikte zijn oren. Hij kon het niet plaatsen. Snapte niet wat de aangeregen woorden inhielden. Hij keek opzij, nam de pijnscheut in zijn hoofd voor lief, en nam de contouren waar van een vrouw. Een hysterische vrouw. Bliksem en donder zonder één seconde van tussenpauze. Als bij heldere hemel kwam het tot hem. Zijn vrouw stond aan het bed. Ze maakte groteske dramatische bewegingen met haar armen. Het continue geraas dat uit haar mond kwam kon hij niet volgen. Een correlatie tussen zijn toestand en de toestand van zijn vrouw was overduidelijk. Maar hij zag de brug niet.   Langzaamaan friemelt een duizendpoot gedachten door zijn hoofd. De bazin van café Sportvrienden die hem zoals altijd begroette met een klapzoen. De schuimende bierglazen die als een stoet mieren voorbij kwamen. Waarbij elkeen de laatste was. Het gebral met de stamgasten. De tocht naar huis langs de vele gevels van het dorp. De voordeur die met een ruk openging en hem met licht overspoelde terwijl hij op handen en knieën de sleutel onder de stenen egel zocht. Zijn vrouw die hem met enkele gerichte petsen op zijn hoofd begeleidde naar hier. Het bed, in de logeerkamer. En de belofte die hij twee dagen geleden had uitgesproken op haar verjaardag. Om eindelijk het drinken voorgoed vaarwel te zeggen.

Tim Berghman
12 0

Appartje

De klok slaat tien uur. Mijn hamer slaat een spijker. Het peertje van 40 watt geeft een warme gele gloed aan de kale kamer. Een oase van rust. De andere kamers staan reeds vol met gehamsterde meubels, verfspullen en andere werkmaterialen. In de gang hoopt het afval zich op. Als je het appartje binnenkomt, lijkt het wel een mini-containerpark. Maar de tijd dringt. Over een week ben ik jarig. Dan heb ik de gezegende leeftijd van zesentwintig jaar. Volgens mijn moeder opgestelde huisregels een reden tot een onmiddellijk uitzettingsbevel. Dus werk ik noest door van zonsopgang tot maanondergang.   Met de hamer in de hand en een glimlach bekijk ik de nieuwe plinten in de kamer, die zorgvuldig zijn gestut met allerlei houten latten. De vloer is een raderwerk van plankjes. Toch zie ik nog een plint in de hoek lichtjes buigen. Met een paar spijkers sla ik de boel recht zodat ze alle stevig tegen de muur worden gedrukt als bakstenen op zand. Klaar. Nu nog een laatste laagje verf in de keuken aanbrengen. Terwijl ik er naar toe slenter wordt er luid gebonsd op de voordeur. Ik schrik, sta stil en luister. Terwijl Eels uit het krakkemikkige oranje radiootje zijn smeekbede aanheft om eenzelfde blik te krijgen van dat meisje, hoor ik voor de tweede maal geklop. Vreemd. Normaal bellen mensen beneden aan de inkom en kloppen ze niet meteen driehoog op de deur. Ik zal maar gaan kijken, en stap de gang in met de hamer in mijn hand. Het oog van de deur ligt nog achteloos ingepakt op de grond. Dus trek ik blindelings met een ruk de deur open. Pudding.   Het flitst door mijn hoofd. Voor mij staat Johan. Man van twee meter. Beveiligingsagent bij Securitas, vertelde hij vorige week trots. Gehaaide taaie vent. Ruw en bonkig. Tot ik zijn ouders ook in diezelfde week ontmoette. En meer kwam te weten over Johannetje. Watje. Wedden dat zijn moeder nog lacteert. Nu staat hij hier. In enkel een nietige boxershort en honderdtwintig kilo onverpakt vlees. Een tapijt van korte gekrulde haren over borst en schouders. Waarschijnlijk ook over de rug doorlopend naar de bilspleet. Dat zie ik straks waarschijnlijk wel. Walgelijk. Een gouden kettinkje hangt ostentatief tussen zijn borsten. Het prijskaartje van een stuk ham. Het meest markante zijn de vetlagen die elkaar schragen en de indruk geven dat hij er in kleren gegoten gespierd uitziet. De gigantische vleesmassa bezaaid met rode schemerzones en struiken haar negeert mijn verbouwereerde blik en dramt door over het aanhoudende geklop, dat het al na tien uur is, het recht op rust, respect voor de buren en vooral dat hij morgenvroeg op moet om zijn met status doordrongen beveiligingsjob uit te oefenen. Om vier uur, snoeft hij er nog eens bij. Lul. Ik knik bevestigend en mompel een paar excuses. Ik wens hem ten slotte nog een goede nachtrust toe en sluit de deur zachtjes. Als ik me omdraai zie ik het oog op de grond liggen. Het eerste werkje voor morgenvroeg, denk ik. Het oog wil ook wat.

Tim Berghman
0 0

Oceaanbries

De frisse oceaanbries waart rond mijn hoofd. Het nevelige zwart omhult me als een schoorsteen. Ik heb geen flauw idee hoe laat het is. Vermoeid staar ik voor me uit. Gezien de verveling me prikkelt als een distel, zal het aanbreken van de dag niet lang meer duren.   En ja hoor. In de verte hoor ik gestommel. Onregelmatige voetstappen die dichterbij komen. Al snel spoelt het licht over mijn wereld. Het is Jan. Dat weet ik onmiddellijk, gezien de kracht van de waterval die neerstort. De ochtend is aangebroken. Jan kreunt van genot. Ik hul me in stilzwijgen. Die kracht valt ’s avonds ook wel eens voor, maar dan staat hij gestrekt met zijn arm tegen de muur. En soms ook met zijn hoofd.   Hij knijpt de tube af zoals elke rechtstaande mens. Enkel de staanders die niet boven de lichtschakelaar komen doen het anders. Zij beginnen driftig te rammelen alsof de tube een kapotte aansteker is. Nadat de draaikolk is gepasseerd en ik mijn geur als golven voortduw, blijft het licht. Dat gebeurt wel vaker bij Jan of de andere staanders.   Zoals de routine het betaamt is niet veel later Marieke aan de beurt. Zij sakkert altijd als het niet donker is. Zij hoort bij de steeds zittende mensen. Een roze maan trekt over mijn wereld. Voor de modderstroom die volgt en zijn witte lelies dient de draaikolk twee keer te komen. En ik bries mijn geur zo hard uit als ik kan in het walmende donkerte.   Dankzij de modderstromen ben ik de hele wereld rond geweest. Ik laat me meedrijven naar waar de dag me brengt. China, Griekenland, Turkije, Laos, Mexico (dat nooit meer), Italië en zoveel ander verre bestemmingen. Smaken van zuur, zout, zoet, bitter en umami. Ja, mijn leven is eenzaam. Buiten die momenten met eend. Samen stralen we. Ik hou ervan als ik me kan spiegelen. Ik denk dat Jan en Marieke dat ook weten, aangezien we regelmatig samen mogen zijn.   De glanzende muur is mijn weerspiegeling. Mijn voeding, mijn variatie, mijn spel. De manen zijn het gloren. Eens glad als een biljartlaken, eens pokdalig als een Vlaamse steenweg. De watervallen mijn glorie. De eenzaamheid sterkt me in wie ik ben. Een karakter geslepen uit wit porselein is hard.   Ik geur me met lavendel, citroen, dennenappel en mijn favoriet oceaanbries. Als verschillende kleuren in een regenboog. Geen zwart, grijs of wit.   Verzonken in mijn mijmering, flitst het licht opeens aan. Kleine Rik moet ook. Dringend. Marieke zet hem snel op de juiste positie. Een kleine witte maan verschijnt en geeft vloeiende wolken van modder. Eend zal snel weer langskomen.

Tim Berghman
0 0

Er was eens...

‘Wel, wel, wel,… Rood-harig-kapje, zo alleen in de intense diepte van dit virtuele woud.’Die stem! Abrupt bleef ik staan. Dit kon niet waar zijn. Niet vandaag, niet hier.Ik maande mijn haperende hart aan om opnieuw het juiste ritme te vinden en keek behoedzaam over mijn schouder. Ongeveer vijf meter achter me verscheen hij. Zijn robuuste linkerpoot kwam als eerste tevoorschijn uit de schaduwen die hem omringde. Een tel later stapte de Grote Boze het bospad op en stond ik oog in oog met zijn woestheid. Zijn stugge bruine vacht zat vol doornen, alsof hij er net ingerold had. Hij was graatmager, maar ik wist dat dat niets afdeed aan de kracht die hij bezat. Hoe lang was het geleden dat we elkaar voor het laatst gezien hadden? Een maand of drie? Een lichte bries bespeelde zijn nekharen en zette ze rechtovereind. Ik slikte. Hij zette zich schrap, boog lichtjes door zijn voorste poten en bracht zijn kop omlaag, waarna hij zijn lip optrok. De grom die uit zijn keel opsteeg, deed de rillingen langs mijn rug lopen. Hij zette een stap naar voren, langzaam, zonder ons oogcontact te verbreken. Paniek borrelde omhoog. Wat moest ik doen? Maken dat ik wegkwam en het pad des hazen kiezen of als een idioot bevroren blijven staan? Alsof het mijn reddingsboei was, omklemde ik mijn mentale mandje steviger. Net toen mijn hersenen opnieuw leken te functioneren en me toe schreeuwden enkele bliksemschichten uit de lucht te plukken, stopte hij plots. Met zijn rechterpoot nog omhoog, keek hij me verbijsterd aan. Zijn ogen leken uit hun kassen te puilen. Het was zo vreemd om te zien dat ik me naar hem toekeerde.‘Wat heb jij grote ogen!’ zei ik.Zijn oren richten zich naar voren bij het horen van mijn stem. Pas nu viel me op hoe groot ze waren. Ik wilde er net iets van zeggen toen hij zijn enorme muil opende en oprecht gechoqueerd riep: ‘Wat heb jij in de-zeven-geiten-hun-naam aan je voeten?’Verbaast om zijn vraag keek ik omlaag naar mijn voeten. Dat was belachelijk aangezien ik heel goed wist dat ik op glazen naaldpuntige hakken stond. ‘Welke idioot draagt van die kuitenkillers in een woud? Hoe haal je het in je hoofd?’ Woest keek hij me aan, al had het niets meer te maken met de eerdere spanning. Nee, hij was gewoon kwaad.‘Wat maakt het uit dat ik…’‘Wat maakt het uit!? Ik zit hier in de-zeven-geiten-hun-naam al een hele dag tussen de doornen te stinken tot jij eindelijk komt opdagen! Niet moeilijk dat het zolang duurde. Ik mag nog van geluk spreken dat je in überhaupt hier geraakt bent. Hoe denk je dat ik me zou voelen als je je voet had verzwikt ofzo? Ik sta al maanden op sla en wortelen om er uitgemergeld uit te zien. Bij de drie biggen nog aan toe, heel deze scene is om zeep. Alle opgebouwde spanning, weg,…foetsie.’‘Sorry, ik wist niet eens dat dit een scene was…’ Ik keek om me heen. Zocht naar verborgen camera’s en belichting, maar ik zag niets. ‘Doe niet zo onnozel, elk Rood-harig-kapje heeft een Grote Boze als antagonist. Dat weet het kleinste kind.’ Nonchalant stapte hij naar me toe en zette zich zuchtend voor me. ‘Waar wilde je eigenlijk heen op die monsters?’ Hij draaide zijn kop naar zijn rechter flank en begon voorzichtig de doornen uit zijn vacht te halen. ‘Naar Grimm en Grimm,’ zei ik. Met een ruk keerde hij zich weer om, spuugde de drie doornen uit die hij tussen zijn tanden had en vernauwde zijn ogen. Vol argwaan snifte hij met zijn neus. ‘Wat moet je van die twee? Die gasten sporen niet.’‘Waarom niet?’‘Je hebt ze duidelijk nog nooit ontmoet, anders zou je dat niet vragen.’Ik wiebelde wat op mijn naaldpuntige hakken. Waarom zei hij dat? Wat wist hij van hen? ‘Laat ons zeggen dat ze in hun eigen wereldje leven,’ zei hij als antwoord op mijn vragende blik. ‘Maar Soit, waarom wil je er naar toe?’‘Ik wil een ander einde.’Wat hij ook gedacht had te zullen horen, dit was het duidelijk niet. De Grote Boze gaapte me met open muil aan. Man, wat stonk die gast uit zijn bek! De zoete walm was zo penetrant dat uit de dichtstbijzijnde struik een zwerf fruitende vliegjes opsteeg en rond zijn kop begon te dansen. ‘Je wilt een ander einde!?’ Hij schudde zijn kop en hapte naar de irritante beestjes die nu zo arrogant waren om op zijn kop neer te strijken. Mijn maag keerde toen hij een aantal inslikte. ‘Yep, ‘ zei ik alleen maar.‘Waarom wil je dat?’ Vroeg hij bruusk. Zijn toon verbaasde me. Als ik van iemand verwacht had blij te zijn met een ander einde, was hij het wel. ‘Ik had nooit gedacht dat je het leuk vond om telkens in je gat geschoten te worden. Ben jij zo eentje die kickt op pijn?’ Onwillekeurig bekeek ik zijn poten beter, zoekend naar striemen. ‘Doe niet zo belachelijk! Natuurlijk vind ik dat deel maar niks, domme gans. En stop met bogen te lopen en vertel waarom jij een ander eind wil!’Ik voelde mijn wangen gloeien en keek naar mijn glazen naaldpuntige hakken. Neeee…’ haspelde hij. ‘Dat meen je niet!’ Zijn schatterlach kwam van diep. Hij zakte door zijn poten en rolde op zijn rug van het lachen. Tranen gleden over zijn snuit. Hij snifte een paar keer, poogde zijn lach te onderdrukken maar slaagde er nauwelijks in. ‘Jij wilt een prins. Whaahahahahahaha. Wat een mop. Wat dacht je? Dat je op die naaldpuntige hakken er wel eentje aan de haak kon slaan?Schat, je kunt beter die kikker daar gaan kussen, heb je meer kans.’Ik kruiste mijn armen en keek hem diep beledigd aan. ‘Waarom zou ik geen prins mogen? Ik ben het beu om telkens met dit rotmandje te moeten sleuren. En dan deze jurk. Vreselijk, het wit is zo grauwgewassen dat het net is of ik ze al eeuwen draag.’Hij gniffelde nog een keer, haalde diep adem en zette zich recht. Met zijn kop schuin gehouden taxeerde hij me: ‘Kletskoek van Grietjes huis, jij wilt helemaal geen prins. Jij bent veel te vrijgevochten om een knapperd te willen. Vertel me nu gewoon wat er scheelt, dan kan ik helpen en kunnen we verder.’Dju, wat kende die gast me goed. Veel te goed!‘Komt er nog wat van? Ik heb honger.’ Wachtend op antwoord begon hij de haren van zijn linkerpoot schoon te likken. Ik zuchtte. Wat had het ook voor zin? Misschien deed het wel deugd om hem de waarheid te vertellen. Het gemaskerd bal was nu al een poos geleden en nog steeds droeg ik het mijne. Aarzelend en zacht liet ik de woorden van mijn tong rollen: ‘Mijn leven is een sprookje,vol trollen en gnomen die sporen op nachtelijke merries over brandende vlaktes van dagelijkse raadgegeven door draken van mensen die me smalend toejuichen:‘Laat je haren zakken Rood-harig-kapje, en spring!’in de diepe put van vrouw Holle laat ik verbrande schepen achtervol pek en goud draal ik in mijn zevenmijlslaarzen en vlucht, wegvan appels vol venijn, die blinkenin de rimpelende handen van gemaskerde mannen met monotoon getrokken zwaarden, die snijden in hopende harten van landloze wezen die zielloos dansen, om klatergoud en gebroken potten eenzaam dwaal ik over paden van er was eens en ooit.’   Ik slikte. Voelde me plots zo leeg, nu ik het eindelijk hardop had uitgesproken. Een enkele traan gleed over mijn wang. Teder veegde de Grote Boze hem weg met zijn natte snuit. Zijn blik was zacht, vol begrip, maar zijn woorden kwamen binnen:‘Staak je vruchteloze vlucht naar anderseen Rood-harig-kapje past niet in des konings paleizen, vol kale pracht en praal, gevangen in leegtegekooid als een Chinese nachtegaalIk ben het, dwars en dravend over brandende vlaktes waar ik nachtelijke merries verscheur, in kleurrijke dromendool ik doelgericht om je heen opdat trollen en gnomen je niet langer storen,dat gemaskerde mannen er niet meer in slagenmet monotoon getrokken zwaarden je hart te rakenprins noch wit paard laat ik naderbij, want jij en ikwij horen samen in dit virtuele woud.’Met open mond ademde ik de stilte tussen ons in. Hij snoof, rolde met zijn ogen en knielde voor me. Voorzichtig nam hij mijn linkerkuit vast en wrikte mijn schoentje los.     Word vervolgd,Ooit, eens….   ©tekst Karen Willekens, 2015, foto: free download  

Karen Willekens
0 0

De wildernis

Kilometers gleden voorbij – bijna was hij er, op één van de laatste plekjes ongerepte natuur in het land. Kilometerpaal 42, had de oude journalist geschreven. Daar vertrok het pad, niet meer dan een lijntje tussen de varens en de rotsblokken door, steeds steiler wordend. En aan het eind van dat pad moest het liggen: een stuk naaldwoud dat je nog zonder je te schamen ‘wild’ kon noemen, waar everzwijnen en vossen nog ongestoord hun gang konden gaan, waar de afgelopen eeuwen misschien vijf mensen geweest waren. Na kilometerpaal 41 werd de weg kronkelig en hobbelig, slecht onderhouden, vol afgewaaide takken. Gespannen in het stuur knijpend hield hij de rand van de baan in het oog, wachtend op dat verlossende getal 42. Op een door gure wind en zure regen aangetast, verroest plaatje prijkte nog net het getal 43. Onverstoord draaide hij de wagen. Hij moest onderweg een bordje over het hoofd gezien hebben. Kordaat reed hij terug tot de vorige kilometerpaal. Die met nummer 41. Met gefronste wenkbrauwen parkeerde hij de wagen even voor plaatje 41, waar net plaats was voor één auto, en wandelde een keer of drie van 41 naar 43 en terug. Geen paal 42. Dat was het probleem niet: ook geen pad naar het maagdelijke naaldwoud. Nergens was er een helling naar boven. Ongeveer tussen de twee bordjes ontdekte hij wel een smalle spleet tussen twee rotsblokken van zo’n twee meter hoog. Moeizaam wurmde hij zich door de opening en zigzagde tussen de bomen erachter. De helling ging omlaag en gaf uit op een grasveld waar twee koeien hem starend opwachtten. Dat er iets niet in de haak was met de schrijfsels van de oude journalist, was nu wel duidelijk. Vorige week was hij naar het veengebied in het oosten gereden om de waterval te vinden waar slechts een handvol mensen ooit in gebaad hadden. ‘Geen chocoladeverpakkingen, geen lege flesjes of blikjes energiedrank, geen gebruikte condooms,’ had de oude journalist daarover geschreven. ‘Een verademing, dit ongestoord ruisende wonder, één van de laatste overblijfselen van de natuur zoals ze was voor er zelfs maar mensen in ons land kwamen wonen.’ De stukjes van de oude journalist hadden zijn hersenen maandenlang op hol gebracht, tijdens de uren die hij sleet in de kroegen van de stad of op zijn studentenkamer met uitzicht op het keurig aangeharkte en met verpakkingen, lege flesjes, blikjes en gebruikte condooms bezaaide stadspark. Zielsveel hield hij van het gezoem en gebruis van de stad, maar de ruwe, wilde natuur is altijd nog iets anders. Nu was de zomer aangebroken, nu had hij alle tijd van de wereld – of toch tot de herexamens begonnen – om alle goed bewaarde geheimen die de oude journalist had beschreven in zijn column De laatste wildernis op te zoeken. De laatste wildernis was zelf een goed bewaard geheim. Duizenden mensen kochten de weekendkrant en lazen de stukjes over waar ze moesten eten, wat ze moesten kopen, hoe ze moesten vrijen en waarheen ze moesten vliegen. Slechts een handvol mensen las De laatste wildernis, en alleen hij deed moeite om naar die illustere plekjes, de laatste restjes en brokjes wilde, ongerepte natuur in eigen land, te speuren. Maar de waterval in het veengebied bestond niet – niet op de kaart, niet in werkelijkheid. En het zompige eiland in het meer in het heuvelland, waarop ‘dieren en planten voorkomen die in de rest van het land al lang verdrongen zijn door villawijken en dagjestoeristen’, bleken eveneens een verzinsel. ’s Avonds was hij aangekomen aan de oever van het meer, erop gebrand de warmste nacht van het jaar onder de blote hemel door te brengen op het eiland. Op een afgevallen boomstronk was hij over het inktzwarte meer gegleden, niet bang voor de afgrijselijk gillende watergeest die volgens eeuwenoude volksverhalen boven het water zou zweven. Het eiland bereikte hij echter niet. Overtuigd dat hij in het donker iets gemist moest hebben, overnachtte hij in het lange gras op de oever en waagde een nieuwe poging in de koelte van de ochtend. Maar ook onder het licht van de zon lag er geen eiland in het meer. En nu bleek ook het maagdelijke woud, dat onze verste voorouders niet durfden te betreden omdat het tot het jachtterrein van de nachtgodin behoorde, enkel te bestaan in de verbeelding van de oude journalist. Sneller dan hij ooit gelopen had, snelde hij naar de auto en scheurde weg, terug naar de autosnelweg, richting de hoofdstad. Daar, ergens in dat herenhuis met de ronde ramen en de engelenbeelden tegen de gevel, moest hij wonen. Op de tweede verdieping, volgens de namen op de deurbel. Verwonderd opende de oude journalist de deur. ‘Wat kan ik voor u betekenen?’ vroeg hij terwijl hij in zijn ogen wreef. ‘Waar is die wildernis van u?’ vroeg hij zonder zich voor te stellen. ‘De waterval. Het eiland. Het maagdelijke bos. Allemaal bedacht door u.’ De journalist zuchtte en keek naar de vloer. Hij opende de deur wat verder, zodat hij kon binnenkomen. ‘Weet u… Er zijn echt nog wel wilde stukjes natuur in ons land. Alleen… Als ik daarover zou schrijven… Er moet maar één gezinnetje op het idee komen om die plekjes op te zoeken en dat rond te bazuinen. Dan ligt het daar volgende week vol blikjes en condooms. En rijden er mensen met bakfietsen rond.’ ‘Bakfietsen,’ herhaalde hij. ‘Laat me daar niet aan denken.’ ‘Precies daarom heb ik een rookgordijn gecreëerd. Hoe weinig mensen mijn stukje ook lezen, zolang de krantenlezer denkt dat de wildernis in ons land op de plaatsen ligt die ik beschrijf, blijven ze tenminste weg van de echte ongerepte natuur.’ ‘En waar ligt die dan wel?’ De journalist stapte naar zijn bureau, toverde een kaart van het land tevoorschijn uit de tweede lade en bracht er zorgvuldig twee kruisjes op aan. ‘Hier.’ Hij nam de kaart aan en verliet het gebouw zonder afscheid te nemen. Terug in de wagen staarde hij enkele minuten naar de kruisjes, zette zijn aansteker tegen de kaart en gooide vervolgens de nog knisperende resten uit het raampje, voor hij de motor startte.

Felix Sandon
29 0

Jolien & Jenna

De tweeling Jolien & Jenna liep iedere dag school in een witte broek ondanks hun schooluniform dat uit een blauwe rok bestond. Wij zijn een eeneiige tweeling zei Jenna en Jolien is lesbisch dus ik ook. Hun leraar Nederlands-Frans had Jenna's twijfelachtige geaardheid al verschillende keren aangekaart bij de directie maar die opperde een identiteitscrisis van voorbijgaande aard. De voorliefde voor witte broeken achtervolgde de tweeling tot in de turnles op woensdagmorgenden. Daar waar in het schoolreglement toch duidelijk rode broek te lezen staat. Wij zijn verslaafd aan strips had Jolien gelachen en Jenna is kleurenblind dus ik ook. De directeur was door verschillende leerkrachten gebriefd over Jenna's zucht naar Lucky Luke maar die was daar doof voor geweest temeer omdat hij op sommige dagen meende dat Jenna & Jolien twee leergierige meisjes waren en op andere opperde dat strips van Jommeke voornamelijk leerrijker waren omdat daar een professor inzat. Jenna vroeg zich op andere dagen dan die van de directeur af wat er in diens groene broek zat op woensdagmorgenden want ze had gemerkt dat hij geregeld door de leraarskamer liep met een Kuifje-album onder de arm. Jolien had hier ook zo haar bedenkingen bij aangezien haar zus kleurenblind was en bovendien rezen er twijfels omtrent haar eigen geaardheid. In Kuifje zit toch geen professor wierp ze lucide op ofschoon Zonnebloem er wel degelijk een was. Zie jij dan niet dat ik val voor onze directeur op woensdagmorgenden tijdens het turnen? Haar zus schrok hier zo hard van dat ze de bok met beide ogen raakte bij het missen van de plint. Ze zag op slag én voor het eerst in haar leven een gekleurde twinkel in de blik van Jolien toen de directeur uit de leraarskamer voorbij kwam gewandeld met in zijn broek Kuifje in Tibet. Mede door het voorval in de turnzaal maar ook om verschillende andere redenen veranderde de tweeling de woensdag erna van school. Jolien werd er smoorverliefd op de directrice die door de lerares Frans-Nederlands gebriefd werd omtrent haar lesbische twijfels. Haar zus Jenna zit er iedere dag behalve tijdens de turnles op maandagmiddagen in de leraarskamer strips te lezen op zoek naar een professor. Witte broeken dragen ze niet langer. Omwille van een identiteitscrisis van voorbijgaande aard.  

Sascha Beernaert
0 0

Barts idee

IK HIELD NIET van Barts geweldige ideeën en ik had er ook nooit van gehouden, maar ik kon geen ‘nee’ zeggen, dus hier stond ik weer. Deze keer was er echter geen sprake van dat ik zou meedoen aan zijn compleet geschifte plan en ik had het hem ook gezegd, “Ik denk er nog niet aan dat ik in de wieken van een molen kruip, ik ben mijn leven nog niet beu.” Natuurlijk vond hij mij een sissie, een piske, een lafbek, en weet ik wat nog allemaal, maar ik was niet te vermurwen, ik vond het al erg genoeg dat ik getuige moest zijn van zijn onnozele streken. Maar wat wou je, hij was mijn vriend en een vriend laat men niet zomaar in de steek, dat doet niemand. Hij liet me trouwens weinig keuze, want er moest toch iemand zijn om de hulpdiensten te verwittigen als het misging.   “Doe voort, jong,” riep ik, “ik heb niet de hele nacht tijd, ik wil terug in mijn bed gaan liggen.”   Even verderop stond Bart tegen een boom te plassen. Hij lachte luid, maar op zo’n manier dat ik merkte dat hij zelf ook bang was om zijn plan uit te voeren.   “Ik zeik misschien nu, maar gij zijt een zeikerd”, riep hij terug. “Moet je mijn lul eens zien?” vroeg hij, en hij draaide zich om zonder op een antwoord te wachten, “dan kan je eens de lul van een echte vent zien.”   Hij schudde zijn plasser af en stak hem met overdreven veel zwier terug in zijn broek. Zijn T-shirt frommelde hij er slordig bij, zodat het helemaal scheef zat, een deel er nog uit hing en zelfs een stuk van zijn trui ook bij in zijn broek zat. Dat was Bart. Als hij niet mijn vriend was geweest, dan had ik hem gewoon niet willen kennen.   “Komaan”, zeg ik, “straks zien mijn ouders dat ik niet in mijn bed lig.”   “Gaat gij maar gauw ook tegen die boom staan”, antwoordde hij, “anders doet ge sebiet nog in uw broek.”   “Ba-art, doe eens normaal, ik kan ook gewoon terug gaan en dan kan je zelf een foto trekken als je daarboven zit.”   “’t Is al goed. Ge hebt hem toch bij.”   “Dat fototoestel?! Natuurlijk, ik had toch gezegd dat ik daarvoor zou zorgen. En een gsm heb ik ook bij, het moest maar eens zijn dat je valt.”   Dat laatste negeerde hij gewoon alsof de mogelijkheid niet bestond. Strijdvaardig kraakte hij zijn nek en zwaaide hij met zijn armen en benen naar een denkbeeldige vijand.   “Vooruit dan!” riep hij, alsof het ‘aanvallen’ betekende.   Ik vroeg hem of hij zeker was dat hij dit wilde doen, want het leek me echt wel een gevaarlijke onderneming, maar hij was niet van zijn stuk te brengen en hij moest en zou, net als de Rode Ridder, in de wieken van een molen klimmen. Dan zou ik een foto van hem trekken, die hij op zijn Netlogpagina zou plaatsen en zo kon iedereen van de school en iedereen die hij kende, zien dat hij zoiets durfde. Hij zou een ongekend succes hebben bij de meisjes en iedereen zou ontzag voor hem krijgen. Dat zou bij mij niet gebeuren, want zo zei hij, “Jij durft niks en ik alles, dat is het verschil tussen ons twee.”   “Ik heb al wel een meisje gekust”, beet ik terug, “en jij niet. Dat is ook een verschil tussen ons twee.”   Daar had hij niet van terug, want hij wist dat het waar was. Ik had Mieke al gekust, achter het muurtje bij hem thuis nog wel, en hij was daar bij Sofie niet in geslaagd. Dat Mieke in feite mij had gekust en dat ik er niet veel in te zeggen had gehad, had ik netjes verzwegen, maar dat waren dingen die je natuurlijk niet zomaar onthulde.     “Het enige dat jij zult bereiken,” zei ik, “is dat iedereen jou nog zotter vindt, dan dat ze nu al doen. En de meisjes…? Er is geen enkel meisje dat een zot tof vindt.”   Dat gedoe met de Rode Ridder de hele tijd, dacht ik, maakte míj nog zot op de koop toe. Suske en Wiske, of Kiekeboe, dat las ik graag, maar de Rode Ridder? Dat was niks voor mij en daar stond niks om te lachen in, allemaal serieus. Maar dat zei ik natuurlijk niet, want de Rode Ridder, dat was een gevoelig onderwerp. Dat was zijn held en hij was er trots op dat hij er alle strips van had. De oudste exemplaren had hij van een nonkel gekregen en telkens als er een nieuwe uitkwam, kreeg hij van zijn vader geld om die te kopen.   Als ik bij hem thuis kwam spelen, dan wou hij ook altijd dat ik die strips las en dat deed ik dus maar, want de schaarse Jommekes en Suskes en Wiskes die hij had, had ik allemaal al gelezen en de Kuifjes van zijn vader vond ik ook maar niks. Ik koos meestal één van de laatste nieuwe die hij gekocht had, want die waren tenminste een béétje realistisch. Als er daarin iemand neergestoken werd, dan kwam er bloed te voorschijn, in die andere, oudere strips was dat nooit het geval. Soms moest ik van hem zelfs afleveringen meenemen en dan kreeg ik uiteraard steevast die oude zwart-witgevallen mee, die daarna een week op mijn nachtkastje lagen en die ik uiteindelijk las om te kunnen zeggen dat ik ze gelezen had. Ik moest er nogal wat voor over hebben om zijn vriend te zijn.   En in een paar van die strips, dat had ik ook wel gezien, kruipt de Rode Ridder op de wieken van een windmolen om zijn vijanden te verschalken. En nu wou hij dat dus ook proberen, maar volgens mij vergat hij daarbij dat in stripboeken zoiets altijd beter gaat dan in het echt. De enige die ik ooit op wieken had zien zitten, dat waren geen mensen, dat waren vogels, zelfs nog geen katten had ik het ooit zien doen en ik woonde hier vlakbij de molen en vlak bij het bos. En ’t was niet dat hier geen katten zaten. Bart was van lotje getikt en als ik hem dat zei, vond hij dat nog een compliment ook.     “Eerst opwarmen”, zei hij en weer zwaaide hij met zijn armen en benen. Hij liep een keertje rond de molen en boog zich een paar keer voorover om te stretchen.   “Vooruit!” riep hij. Weer klonk het alsof het ‘aanvallen’ betekende. In een wip en een zip stond hij op het paaltje waaraan één van de wieken vastgemaakt was. Hij trok zich op aan het dunne vlezige touw, maar moest het bijna onmiddellijk lossen omdat het te veel op en neer sjoeperde en hij met zijn gewicht de wieken in beweging zette. Dat ging nooit goed.   “Godverdomme,” vloekte hij, “dat touw snijdt.”   Zonder aarzelen sprong hij echter weer op het paaltje en trok hij zich weer op. Hetzelfde gebeurde, maar nu liet hij het touw niet los. Bij zijn eerste klauterpassen op de wiek kraakte het hout en ik siste hem toe dat hij eraf moest springen, dat hout zou hem nooit kunnen dragen, maar opnieuw lachte hij mij uit.   “Allé piske, het begint nu pas. Trek al maar een foto!”   Dat lukte bijna niet omdat ik mijn hand zo moeilijk kon stilhouden van de zenuwen.   Behendig als een trapezeacrobaat werkte hij zich een weg naar boven. De wiek kraakte minder dan in het begin, maar nog steeds was ik er niet gerust in. Nochtans ging er deze keer niets mis, zelfs niet toen hij in het midden aankwam en via de as de volgende wiek beklom. Hij kleefde tegen de houten latten.   Het touwtje dat de wieken vasthield, leek strak gespannen, maar toen ik ging voelen, bleek de spanning mee te vallen. Waarschijnlijk waren de wieken in de molen zelf verankerd, dacht ik, en dat stelde me wat gerust.   Halfweg zijn tweede wiek, riep Bart dat ik nog een foto moest trekken. Dat was al de zesde. Terwijl ik door het kleine venstertje van de camera keek, liet hij zich aan één van de spalken hangen. Net op het moment dat ik de foto trok, draaide hij zich om en liet hij één hand los om te wuiven. Geschrokken kneep ik mijn ogen dicht en luisterde ik naar een plof.   De enige plof was die van het fototoestel dat in het natte gras viel.   “Gij zijt gek, Bart, gij zijt gek. Kom naar beneden nu,” riep ik onderaan de molen in paniek. Ik vond het al erg genoeg dat hij daarboven zat, ging hij ook nog eens hangen en kunstjes uithalen.   Gelukkig kwam hij inderdaad naar beneden. Het hout kraakte weer.   Bijna op het einde, nog zo’n twee meter boven de grond, sprong hij van de wieken, struikelde hij en viel hij met zijn rug tegen een steen die daar lag.   “Doeme,” zei hij, “dat doet zeer.”   Opgelucht nam ik hem vast om te kijken of hij nog helemaal uit één stuk was, maar hij versteef van de pijn en hij riep dat ik een flikker was, dus liet ik hem los. Hij verbeet de tranen in zijn ogen.   “Juist goed,” zei ik, “ik hoop dat je rug gebroken is.”   “Ik mag zot zijn,” kreunde hij, “maar met u scheelt er ook iets, kerel. Als mijn rug gebroken was, dan stond ik hier niet.”   “Ben je niet blij dat je terug beneden bent?” vroeg ik.   Als antwoord slaakte hij een oerkreet waardoor de kraaien lawaaierig opvlogen uit de toppen van de dennenbomen. Mijn huidharen gingen er rechtop van staan en het leek alsof er elektriciteit door mijn wervelkolom werd gestuurd.    Gelukkig waren er geen wandelaars of fietsers in de buurt, want hij riep echt wel luid.     De hele weg terug naar huis klopte hij voortdurend op mijn schouders en wou hij de foto’s zien die ik getrokken had.   “De laatste foto is donker,” zei hij en dat net het toppunt van zijn prestatie zo slecht belicht was, stelde hem zichtbaar teleur. Maar dan klopte hij weer op mijn schouder en lachte hij.   Bij mij thuis aangekomen, vroeg ik hem of hij zoiets gevaarlijks alsjeblief nooit meer wou doen. Hij zei alleen dat ik niet zo moest blèten, want hij was er toch veilig vanaf geraakt. Morgen zou hij mijn fototoestel wel teruggeven.   “Zonder fout, Bart,” zei ik, “want als mijn moeder het merkt dat ik haar spullen uitleen, dan zwaait er wat.”   “Ja ja, geen probleem!”     In mijn bed bonkte mijn hart nog van opwinding. Even leek het alsof ik in de verte weer die oerkreet hoorde en vogels die opvlogen, maar dat was waarschijnlijk inbeelding. Het duurde minstens een uur voor ik in slaap sukkelde. Mijn teddybeer had ik al lang niet meer zo omkneld als toen.     ’s Anderendaags ’s morgens nog voor ik naar school vertrok, zette ik de computer op en zag ik dat de laatste foto die ik de nacht ervoor getrokken had, al op Barts Netlog stond, met daarnaast een scan uit een Rode Ridderboekje waarin de Rode Ridder ook in een molenwiek was gekropen. In zijn status stond geschreven ‘Bart doet stunt van Johan de Rode Ridder achterna’. Ondanks het feit dat de foto inderdaad veel te donker was, had hij hem toch zo kunnen bewerken dat duidelijk genoeg bleek dat hij het was die aan die wiek hing en naar de camera wuifde.   ’s Avonds voegde ik als commentaar bij zijn status toe: ‘Maar Johan de Rode Ridder liep de volgende dag niet krom van de rugpijn’. Het was gemeen, vond ik zelf, vooral omdat hij niet gevallen was, maar naar beneden gesprongen, en ook omdat ik toch jaloers was dat híj het had gedurfd en ik niet.   Pas een week later kreeg ik eindelijk het fototoestel terug en kon ik het weer in mijn moeders lade leggen. Tijdens het wissen van de foto’s zag ik dat hij nog een extra foto had getrokken waarop hij met Mieke zoende, en hoewel ik wist hoe het moest gegaan zijn, vond ik het toch jammer dat het net Mieke was.  

Hans Van Ham
27 0