Zoeken

Henry In Al Zijn Glorie

Marie keek vol spanning naar het monolieten uitgangsblok van station Brussel-Centraal, ze hield een koffiekan stevig geklemd tot haar knokkels wit zagen. Om een houvast te hebben. De nervositeit nam elke dag overhands toe. Ze keek snel op de klok aan de muur, zeven uur achtendertig. Rond dit tijdstip kwam hij altijd naar buiten. Zijn haviksneus als eerste. Als een miereneter, die zijn terrein met zijn veilig instrument eerst besnuffelt. Zien of de kust veilig was. Soms miste ze hem. Door een klant. Door An. Door een vrachtwagen. Door een knippering van de ogen. Haar dag voelde dan niet hetzelfde. Ze keek snel opnieuw naar het monolieten blok en dan opnieuw naar de klok en dan opnieuw naar het blok en dan…   Dan was hij daar. De aktetas stevig in zijn geaderde rechterhand geklemd. Zoals iedere keer statig en met rechte rug kwam hij naar buiten. De zwarte ogen priemden. Hij draaide zich edel naar de trappen van de Kunstberg op, negeerde de arme drommel die met haar kind op de arm bedelde. En hem meelijwekkend aankeek. Ze was ongetwijfeld te min voor hem. Hij vatte de dagdagelijkse beklimming met zoveel grandeur en majestueusiteit aan. Alles en iedereen overheersend. Trede per trede dwong hij de berg onder zijn glimmende schoenen. Zijn hoofd recht en zijn blik ongetwijfeld op oneindig. Een arendsblik. Dat moest wel, dacht Marie. De lange zwarte jas wapperde achter hem aan. Zijn overwoekerende zilveren haren op zijn hoofd golfden langzaam mee in de wind. Marie keek vol ontzag hoe die man zich voortbewoog. De man straalde zoveel vertrouwen uit. Hij nam elke trede precies en perfect. De harmonie van zijn lichaam met de grijze uitgesleten stenen trappen vormden een harmonische wals als de schone met het beest. Het greep haar naar de keel. De overige pendelaars die uit het monolieten blok kwamen leken wel een losgeslagen kolonie ratten in vergelijking met hem. Krioelend zonder houvast.   “Marie, vergeet je de klanten niet of ga je de hele dag naar buiten staren?” “Neen An. Maar…” “Och, vergeet die man toch gewoon, waarom ben je zo geobsedeerd door hem?” Hij is gewoon één van die honderdduizenden pendelaars. Een luchtige nozem die hier zijn geld komt verdienen. Net zoals elke godverdomde mens hier. Punt.” “Waarom staat hij nét daar elke dag?” “Breek je kop er niet over, kind. Denk je dat er enkel in Brussel van die rare snuiters zijn? Dat alle pendelaars buiten Brussel compleet normale individuen zijn. Vergeet het gewoon, met het aantal verloren vijzen van al die pendelaars kan je een tweede Atomium zetten. Tel maar.”   An had gelijk, dacht Marie. Niet over het Atomium, ze dacht er niet aan om te beginnen tellen, maar over de rare snuiters in Brussel. In het gehucht Wulmersum waar ze vandaan kwam waren er ook veel vreemde specimen. In haar ogen dan. Volgens haar ouders waren het allemaal hardwerkende boeren en goeie rechtschapen partijen. Marie sloeg op een blauwe maandag op de vlucht. Waarom vragen veel mensen niet begrijpend. De verstikking in een open landschap is iets wat ze niet uitgelegd krijgt aan de stadsmensen. Ze vluchtte naar Brussel enkel met haar rugzakje met daarin wat toiletspulletjes en een hoopje kleren. Nauwelijks van de trein af liep ze letterlijk An tegen het lijf met haar exotische Macchiato in de hand. Haar enige jurk, haar lievelingsjurk met groene en roze bollen, zat onder het bruine kleverige goedje. Voor ze het zelf goed en wel besefte stond ze diezelfde koffie uit te schenken in de kleine koffiebar van An aan het Albertinaplein. Ze kreeg de job net zoals de koffie zomaar in de schoot geworpen. Volgens An omdat Marie dezelfde sproeten heeft op dezelfde plaats als haar en dat de jurk van toen ze negentien was me als gegoten zat. Marie was haar persoonlijke reïncarnatie. En dat ik met zoveel naïviteit in mij geheid in de Aarsschotstraat beland zou zijn voor ik 1-2-3 kon zeggen. An is opgegroeid in Brussel. De spruit van een typische ket. De uitlaatgassen zijn haar ochtendnevel. Ze ratelt en vloekt. Is op elke plek aanwezig en kent bizar genoeg de voornaam van elke klant die minsten drie keer in haar koffiebar is geweest. Ze staat erop. Dat dagelijkse klanten haar ijver negeren en haar eigen naam niet kennen laat ze koud. Het is haar onvoorwaardelijke liefde, de koffiebar en de honderden klanten. Eén man in haar leven zou teveel zijn. Ze heeft steevast wel een aanmerking. Als Marie vragen stelt worden die genadeloos en met takt afgewimpeld. De in begin ijdele hoop dat Marie snel een prins man zou ontmoeten in de Brusselse smeltkroes heeft ze al lang laten varen. De meeste mannen in de koffiebar zijn pendelaars die ’s avonds terugkeren naar hun gezinnetje of snel een rendez-vous hotelletje willen huren met jou om dan daarna toch terug te keren naar hun gezinnetje. De types op straat die oneerbiedig fluiten probeert ze te negeren. Maar die ene man, die ene man met zoveel gratie, intrigeerde haar al van de eerste dag dat ze hem zag. De eerste keer dat hij halt hield. Het was de eerste keer dat ze koffie morste.   Steeds als hij bovenaan de trappen aankwam stopte hij. Keert zich een 180 graden om en richt zich naar het centrum van Brussel. Hij lijkt wel te focussen op de spitse toren van het stadhuis. Zijn blik op oneindig. Voor een vijftal minuten. Altijd. Het maakte niet uit welk weer het is, regen, sneeuw, zon, vriestemperaturen, rukwinden,… Telkens staat hij daar met zijn blik op oneindig. Statig. De aktetas stevig omklemd, rechte rug, hoofd onbeweeglijk. En de zachte deining van zijn grijze haren als het kabelende water bij een idyllisch meer.   Marie had zich al nachten wakker gepiekerd wat er in hemelsnaam door die man heenging. Had hij een trauma te verwerken? Was de Kunstberg een plek van berouw. Een dagelijkse herinnering aan een verloren liefde. De plek waar hij met haar hand in hand op een bankje zat. Stilletjes naast elkaar. De handen losjes in elkaar. Zoals echte liefde zich uit. Geen woorden die moeten verspild worden. Het zijn van elkaar en met elkaar. De volkomenheid van het aanwezig zijn. Het daar zijn. Een simpele aanraking. Haar pink die de palm van zijn hand streelt. Een klein symbool met grote daadkracht. Dan passeert een vrouw die een koets voortduwt. Zij die zachtjes in zijn hand knijpt. Een wens die zachtjes wordt uitgedrukt. De toekomst ontvouwt zich. Het meesterlijke plan van geliefden op aarde. Ze legt haar hoofd op zijn schouder, sluit de ogen. Droomt. Hij kijkt naar de hemel, ziet dat er geen grens is. De blauwe gloed strekt zich tot het oneindige. Sluit de ogen. Droomt. Vervolgens staan ze geruisloos op. Nog steeds hand in hand, de schouders strelen elkaar. Zachtjes zoals hun liefde. Niet hard maar zoals ze één zijn. Volmaakt. Ze wandelen naar de Coudenberg. Hij stopt en zegt achteloos dat zijn veter los is. Ze stopt met stappen, staat op straat, en kijkt om. Een zwarte taxi zorgt voor een zwarte dag. Voor eeuwig en altijd. Of de dagelijkse pijn van een zoontje die groeide als kool en die hij verloor aan een falend hartje. Zijn minuut van stilte aan zijn broeders die hij niet van de dood kon redden in Afghanistan. Een moment van goddelijke zelfreflectie. Ontelbare scenario’s speelden door haar hoofd. Ze vroeg An er over uit. Ze wuifde het weg als een warme bries. Bleef bij hoog en laag beweren dat elke mens wel rare kantjes heeft, de ene al iets opzichtiger dan de andere. En dat het ook gevaarlijk is om op vreemde snuiters in te gaan. Ze richtte haar vinger waarschuwend naar haar als ze dat zei. Vermanend siste ze dan: “Vreemd gedrag kan snijden als een scheermes.” Marie droomde van hem, de hartjes die ze in het koffieschuim tekende waren voor hem. Op de avonden dat ze de slaap niet kon vatten legde ze een hand tussen haar dijen. Daar waar het warm werd als ze aan hem dacht. Ze zocht een plan dat haar hand zijn hand kon zijn.   Henry snelde door de hal van het Brussel-Centraal. Zo snel hij kon. Vermeed vakkundig de friemelde mensenmassa die elk hun eigen weg volgde als blinde mollen in een vierkanten doos. Het was urgenter dan anders. Snel lopen kon hij niet. Snelwandelen wel. Het half uur op de trein was een nog grotere hel dan normaal. Gelukkig was het moment van de verlossing bijna daar. Toen hij de roltrap naar de uitgang nam, nam hij meteen de frisse buitengeur waar. Hij snakte. Hij hunkerde. Hij smachtte. Zoals elke werkdag stapte hij met dichtgeknepen billen de roltrap op. Voorzichtig. Beheerst. Volledige controle. Stapte buiten en draaide naar de trappen toe. Dit was het makkelijkste stuk van de ochtend, want hij zag een twintigtal trappen hoger de verlossing. Dan kon hij alles loslaten. Niemand die aanstoot aan hem nam. Het was zijn publiek geheim in Brussel. Niemand stopte daar. Iedereen snelde hem haastig voorbij. Niemand lette op hem. Iedereen was passant. De anonimiteit van een grootstad in al zijn glorie. Henry in al zijn glorie.   Zijn darmen brulden van genot toen hij alles los liet. Een monsterlijke scheet die minutenlang duurde. Een misthoorn die het waken van de dag aankondigt. Een geurcompositie die snel werd meegenomen door de windstromen op de Kunstberg. Hij legde zijn hoofd in zijn nek en genoot. Met een getekend gezicht van de spanning staarde hij in de ijle ruimte tussen de toren van het stadhuis en de Magdalenakapel. Jaren geleden hadden ze IBS of beter verstaanbaar het prikkelbare darmsyndroom vastgesteld, wat er op neer kwam dat zijn darmen chronisch ontstoken waren. Tot daar het goede nieuws wist Henry nu, hij had meer dan ander patiënten enorme last van flatulentie. Het begon al na het ontwaken, ontbijt of geen ontbijt, de darmen borrelden op de cadans van enkele wildgeslagen Afrikanen met tamtams. Wilde gassen stapelden zich op in zijn darmen en drumden om verlossing. Maar hij hield de billen stijf op elkaar. Want geen mens die graag zwavel ruikt. Dat zag hij aan de mensen. De origami die ze deden met hun gezicht als Henry iets loste. Op een fatale ochtend toen hij een halve wagon onvrijwillig vergaste. Toen hij knakte na een slapeloze nacht tobbend over de papieren veldoorlog die hij voerde met zijn nu ex-vrouw en enkele advocaten. Zij haatte zwavel. Die ochtend zeeg hij moedeloos en verloren neer op een bankje. Hier op, wat nu zijn berg is. Hij loste toen een restje. Trok zijn neus op en rook niets. Loste nog een restje. En rook nog steeds niets. Terwijl zijn haren van voor naar achter en van links naar rechts danste in de wind. Henry glimlachte voor het eerst sinds lang.   Toen hij zich net wilde omdraaien na zijn dagelijks intiem hoorspel zag hij een jong meisje met een koffie uniform en een stapeltje folders in haar hand geklemd haastig de trappen opsnellen. Overduidelijk zijn richting uit.

Tim Berghman
60 0

De granaatappel

Ik ben net zozeer gelovig in iets dat ik niet zelf bepaal. Voor deze dat het wel zijn: Hoor mij! Ik roep u op tot revolutie. Ik heb dezelfde droom als zovelen van jullie. Help me de ‘wetten en praktische bezwaren’ te omzeilen, zodat jullie eveneens kunnen genieten van het paradijs. Wees vrij en in vrede met jezelf. Stel grenzen. Blijf verwijderd van de verboden appels. Ze vallen allen niet ver van de boom. Ze vergiftigen je gedachten, als je lui je zintuigen sluit en niet voor jezelf denkt. Ongehoorzaamheid aan jezelf brengt schaamte. Onmacht als je uit gemakzucht de gemakkelijkste weg verkiest.   ‘Verlichtte’ figuren verkopen met veel plezier ‘pink ladies’ ter verleiding. Kijk uit voor de adder in het gras, het heeft reeds zijn tehuis gevonden in je lust. Als een granaat slaat de appel in. Nog voor je het goed en wel kan beseffen, ben je bezeten door propaganda’s der pathologische parasieten. Wraaklustige en walgelijk wretende wespen die je steken, indien je ze niet hoogmoedig hun gang laat gaan.   Volgen of ‘lijden’ je kiest het zelf. Je hebt zelfs in je eigen handen of je leidt of wordt verleid. Het zit tussen je beide oren de oorlog, enkel door jezelf te vergelijken, schiet je je in je eigen been. De vergankelijkheid der echtheid , maakt plaats voor de hebzucht naar metalen. Een overgang naar een stadium erger dan de Middeleeuwen.   We zijn precies leeuwen, steeds hongerig voor meer, steeds op de loer, voor welke prooi we kunnen verzwolgen met onze tanden en klauwen van gulzigheid en afgunst, als het ons niet afgaat. We hebben deze zonden niet nodig, kortom ze zijn overbodig, dus gooi ze overboord. Het zijn de zandzakken van de luchtballon, dat je remmen te vliegen. Ze krenken je in je vrij denken, ze doen je hoofd ontploffen. Ze zijn je anker, niet enkel je woede, waardoor je in een maalstroom wordt verteerd door Neptunus dat je molesteert met zijn drietand. Verkies je echt dit boven rust en je eigen weg op Pegasus te vinden? Ga je gang.   Heb je dan helemaal niets geleerd van mijn preek en de granaatappels, die je reeds hebt getrotseerd? Verval in het negatieve ‘affect’ der Pygmalion, wordt misselijk door het draaien in je nooit eindigende spiralen.   Tenzij je mijn ‘denk wijzer’ wel hebt begrepen en je het roer in eigen handen neemt. Kan je varen uit je woeste zeeën van de amygdala, Vind je vrijheid en vrede in je eigen veilig gecreërde Eden. Het verleden kan je niet meer veranderen, verander nu! Dank  U voor het lezen.

S_Sence
3 0

Zoon en vader

’Vrouwentongen.’ ’Sorry?’ ’Vrouwentongen.’ Hij knikte naar een koperen pot op de vensterbank waarin opeengepakte groengele bladeren gespannen naar het systeemplafond wezen. ’Sanseveria’s worden ook wel vrouwentongen genoemd.’ Hij drukte zijn vinger even in de droge aarde en verschoof de pot een beetje naar rechts. Waarom kon hij nou niet één keer zijn mond houden? En waarom kon hij niet gewoon met z’n tengels overal van afblijven? ’Ah, lekker,’ zei hij en pakte het kopje aan van de serveerster. Natuurlijk ging het mis en klotste de koffie over de rand. ’Mijn fout,’ zei hij. Natuurlijk was het zijn fout. Ik liet het meisje zelf mijn espresso neerzetten. We keken elkaar begripvol aan. ’Wat een klein kopje,’ zei hij. ’Is dat expres-zo?’ Hij grijnsde en nam slurpend een slok. Was hij altijd zo geweest? vroeg ik me af. Of was het erger geworden, als oorhaar dat pas op latere leeftijd begint te woekeren. En daarna dacht ik: word ik later ook zo? Of is het misschien al begonnen? Ik keek naar zijn handen, breed en behaard. Heel anders dan mijn smalle kantoorklerk-handen. Maar zijn smalle gezicht met de dunne lippen, de diepliggende ogen, de spitse neus, daarin lag een niet te ontkennen replicatie. Vader en zoon, dat had ook de serveerster gedacht. Ach, wat leuk, die man is met zijn oude vader op pad. ’Nemen we er iets bij?’ stelde hij voor. ’Ik trakteer.’ Ik wist dat hij geen geld bij zich had en straks zou hij zijn aanbod weer vergeten zijn. Blijkbaar hoorde het zo. Hij had twintig jaar voor mij gezorgd, daarna waren we dertig jaar financieel onafhankelijk van elkaar geweest en nu was ik aan de beurt om voor hem te zorgen. Ik vroeg me af wie het van mij over zou nemen als we quitte zouden staan. Waarschijnlijk was ik gedoemd om langer voor hem te zorgen dan hij voor mij. De tol van de medische vooruitgang. Hij liet zijn stoelpoten luidruchtig over de plavuizen raspen en sjokte naar de vitrine met de gebakjes. Op zijn gemak bekeek hij de uitgestalde zoetigheden. ’Wat is dat, die gele?’ vroeg hij. ’Pudding-kruimelvlaai,’ zei de serveerster. ’En die?’ ’Die rode is kersen.’ ’En die oranje?’ ’Abrikozen.’ ’Doe voor mij maar appel. Met slagroom, heb je dat?’ ’Ja hoor. En uw zoon?’ Zonder zijn blik van de vitrine af te wenden zei hij: ’Wat wil jij, Johan?’ ’Niks.’ ’Hij wil niks. Ongezellig, hè? Hij neemt nooit iets bij de koffie. Nou, ik wel hoor. Ik ben een echte levensgenieter.’ ’U heeft groot gelijk.’ Het meisje glimlachte plichtsgetrouw en schepte een appelpunt op een bordje. Met een spuitbus spoot ze er een forse toef slagroom op. ’Ik kom het zo wel brengen,’ zei ze. ’Gaat u alvast maar zitten.’ Ze was eerder bij ons tafeltje dan hij. ’U nog een espresso, misschien?’ ’Graag.’ ’Ik ben niet meer zo snel,’ zei hij. Hij legde zijn handen op de schouders van de serveerster en manoeuvreerde zich achter haar langs naar zijn plek bij het raam. Ze leek het niet erg te vinden dat hij haar aanraakte. Op een bepaalde leeftijd kwam je daarmee weg. ’Lekker, dank je wel, lieve schat,’ zei hij en begon vergenoegd van de appeltaart te smullen. Ondanks mijn ergernis voelde ik het water in mijn mond lopen. Waarom was ik zo koppig, zo kinderachtig? Als ik hier alleen was geweest, of met iemand anders, had ik beslist zo’n appelpunt genomen. Hij had het gebak in een mum van tijd naar binnen gewerkt. Met zijn eetlust was niets mis. Hij leek ook dikker geworden, iets voller in zijn gezicht. Hij liet het vorkje op het bordje vallen en keek triomfantelijk om zich heen. Op zijn kin zat een kloddertje slagroom. Ik zei er niets van. ’Je weet niet wat je mist,’ zei hij. ’Zelden zulke lekkere appeltaart gegeten.’ ’We zullen zo maar weer eens gaan,’ zei ik. Heel even keek hij teleurgesteld, maar na een blik op zijn horloge klaarde zijn gezicht weer op. ’Ja, dan ben ik mooi op tijd voor de lunch terug.’

Grand Foulard
20 0

Het leven van wat je een mens zou kunnen noemen

    I. ‘Baar mij een zoon en hij zal heersen over de zeven zeeën!’. Spettertjes spuug landen op mijn moeders gezicht. Vader schokt nog een paar keer heen en weer voor het rood aangelopen lijf ineenzakt. Zijn laatste gespoten zaad trekt een sprintje naar de felbegeerde en met hoop doordrongen eicel. Ondertussen wordt het alarmnummer gedraaid. Maanden later ben ik daar. Een postume uitgave. Een dochter.   II. Niek, Jef, Maurice, Robbert en Dennis, de jongens van groep 7. Ze staan in een groepje te giechelen, terwijl hun Umbro shirts beginnen te stinken en de gel in de haren langzaam begint te smelten onder de zon. Ik vraag waarom ze lachen. Domme vraag. Altijd zwijgen en juist nu mijn bek niet kunnen houden. ‘Nou?’ ‘Wil je het echt weten?’ NEE! ‘Ja’ ‘Als je een pik in jou steekt, komt ie er aan de andere kant weer uit.’   III. Een pen, een komkommer, een neef, een kaars, een Barbie, een kipcorn uit de vriezer. Probeer te ontspannen. Lukt dit niet? Wacht niet langer dan een week om naar de huisarts te gaan.   IV. ‘Hij vindt je aardig, ja hè Rakker, dat vindt je hè. Net als het baasje.’ Rakker, wat een aanstellerige kutnaam, zeker voor een hond. Zo heten Golden Retrievers die samen met een kat en een paard in het tropisch regenwoud terecht komen en dan een beetje een panda gaan lopen redden. Walgelijk. Deze rakker is tenminste geen kindervriend. De Engelse buldog blijft vooral kwijlend op de bank liggen. Ik mag hem wel. De plots infantiel geworden man daarentegen. Sta niet zo in je handen klappend op en neer te springen. ‘Moet je naar de wc?’ ‘Hè wat? Wat zeg je?’ ‘Of je naar de wc moet?’ ‘Hehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehe. Nee hoor. Wil je een glaasje rosé?’ ‘Ik wil naar huis.’     V. Ik wou dat ik een junk was. Een echte. In een junk huis vol met junk vrienden, een huis gevuld met de geur van uitwerpselen, zweet en schraal bier. Hier ruikt het alleen naar urine. Niet eens van mijn vrienden, zo zou ik ze niet durven noemen. Nog drie kwartier, dan komt de zuster met een batterij aan pillen. En nog voor de deur achter haar puttige kont dichtvalt, zet ik als dessert zelf de spuit nog eens in mijn arm. Ik hoef toch niet meer mooi te zijn.

Lynn Elshof
0 0

Ergens halverwege hemel en aarde

Maurice ging het restaurant binnen met een bos lichtroze pioenrozen, blij dat hij iets bij zich had om de blikken af te leiden van zijn slechte been. Met het boeket voor zijn borst baande hij zich een eigen weg door de verstilde, felverlichte ruimte. Een zestiger met leesbril loerde even boven de rand van zijn krant en twee geföhnde vrouwen lieten hun spie slagroombiscuit fluisterend links liggen, maar Maurice gebaarde van krommenaas en hield zijn blik strak gericht op het uitgebreide buffet, helemaal aan de andere kant van de zaal. Niet dat hij honger had, want hij had die middag zelfgedraaide gehaktballen in madeirasaus gegeten en dan laat hij zich altijd net iets te veel gaan. Maar hij was hier nu, en hij wilde vooral niet aanzien worden voor een vent die zijn tijd aan een lege tafel kwam uitzitten, dus hij nam een dienblad, veegde het achtergebleven afwaswater weg met de mouw van zijn anorak en zette zichzelf een koffie met melk en een stuk broodpudding met rozijnen voor. ‘Vier en een halve euro durven ze daar tegenwoordig voor vragen’, dacht Maurice, een beetje verbolgen, en hij pikte nog snel een zakje suiker mee, hoewel hij walgde van zoete bakjes troost.   Vanop zijn stoel aan het venster op de vijfde verdieping keek Maurice toe hoe mensen als mieren kwamen en gingen. Hij kon niet uitmaken wie ziek was en wie gezond, zoals dat ook op de begane grond niet zomaar van iemands gezicht af te lezen is. Hij zette zijn tanden in de zompige homp broodpudding en vroeg zich af of hij het vandaag zou durven. De pioenrozen had hij al, hij moest alleen nog zijn moed en het wisselgeld op zijn dienblad bijeenrapen, naar een willekeurige kamer stappen en met de bloemen in huis vallen.   Hij nam een zuinige slok van zijn koffie en zag het helemaal voor zich. Hij zou ‘GOENDAG’ lachen, zoals hij altijd deed bij om het even welke ontmoeting, en hij zou proberen expliqueren dat hij Maurice heette – Maurice zoals Maeterlinck, niet zoals de man achter Lucky Luke. Zijn slechte oren zouden hem wellicht weer parten spelen maar hij zou zijn best doen om niet te hard te roepen, kwestie van patiënt noch personeel levensbedreigende stuipen op het lijf te jagen. Daarna zou hij het boeket op bed leggen, iets articuleren in de trant van ‘want je bent het waard’ en vertrekken met het gevoel zijn tijd en teveel aan genegenheid goed te hebben besteed.   Buiten begon het te schemeren. Vanop zijn stoel op het vijfde, ergens halverwege hemel en aarde, zag Maurice meer en meer auto’s aan-, af- en achteruitrijden op de parking. Wilde hij werk maken van zijn wilde plannen, dan moest hij nu iets ondernemen. Straks waren de bezoekuren voorbij en had hij nog maar eens een dag verspild in dit klinische zelfbedieningsoord.   Voor de vorm nam hij nog een laatste slok koffie. Koud. Een beetje zoals het gezicht van de vrouw tegenover hem, die niet anders dan geconstipeerd kon zijn. Hij legde zijn handpalmen plat op het tafelblad en duwde zichzelf overeind. Zijn knoken knikten, de broodpudding borrelde luid in zijn onderbuik en in zijn hart schreeuwden teveel en tekort tegen elkaar op.  

a little bit of soap
2 0

Geheugenverlies - Een verhaal in vijfhonderd woorden.

Ik kom bij bewustzijn in de badkamer liggend in de douche. Opstaan lukt me niet, de stroom van water die naar beneden giet houdt mijn lichaam aan de grond genageld. Moeizaam breng ik een arm naar de doucheknop, vouw mijn hand eromheen en draai de kraan dicht. Ik glij uit over kotsresten terwijl ik probeer de douche uit te kruipen. Ik werk mezelf een weg uit het braaksel omhoog naar de wastafel. Ik spoel mijn gezicht met koud water en veeg de condens van de spiegel. Ik heb bloeddoorlopen ogen en ben lijkbleek. Om me heen liggen mijn met kots doordrenkte kleren. Er flitsen nachtmerrieachtige beelden door mijn hoofd. In mijn poging mezelf te kalmeren gooi ik nog wat water in mijn gezicht. De beelden wisselen elkaar in hoog tempo af. Alsof ik getuige ben van een leven dat geen chronologische volgorde kent. Is het mijn leven? Mijn hoofd duizelt, ik weet mijn eigen naam niet eens! Is dit überhaupt wel mijn huis? Het zweet breekt me uit. Strompelend loop ik de badkamer uit naar beneden. Elke krakende tree echoot door mijn hoofd. Beneden tref ik een woonkamer in complete chaos aan. De vloer is bedolven onder lege bierblikjes en etensresten. Op de salontafel in het midden van de kamer liggen de gebroken resten van enkele flessen sterke drank en een verfrommeld pakje sigaretten. Ik haal een sigaret uit het pakje op tafel en zak neer op de zwarte lederen bank. Terwijl ik het kalmerende effect van de sigaret op me in laat werken zie ik op de salontafel iets opmerkelijks liggen. Tussen de scherven liggen tientallen fel gekleurde zegeltjes met printjes erop. Lang hoef ik niet na te denken, ik heb lsd gebruikt. Geen wonder dat ik me nu zo naargeestig voel, maar ik voel tenminste nog iets. Aanwijzingen heb ik nodig, dingen die me iets kunnen vertellen over wie ik ben, over wat er gebeurd is. Bovendien moet ik schone kleren hebben. Ik struin het hele huis af, maar ik vind niets. Geen administratieve papieren, geen mobiele telefoon, geen identiteitsbewijs, geen bankpas of kleren. Alles lijkt met voorbedachte raden te zijn verwijderd. Mijn verschrikkelijke honger brengt me naar de keuken, waar ik een briefje op de koelkast zie hangen. ‘Mits het ons is gelukt ben je het overgrote deel van je geheugen kwijt. Ik spreek van ons, want ik hoop dat jij opnieuw kunt beginnen, jij draagt mijn verleden niet met je mee. Dat maakt jou fundamenteel anders dan ik, jij bent opnieuw geboren. Kijk achter de losse steen in de muur van de tuin.’ In de tuin tref ik een grote hoop as aan. Het moet geregend hebben, want een deel is niet goed verbrand. Achter de losse steen ligt een kistje met een klein vermogen erin. De erfenis van een verleden dat ik wilde kwijtraken. Ook zit er nog een briefje bij. 'Nieuwe kleren in de kelder.’ Voordat ik de kleren pak, maak ik met wasbenzine af wat de regen getracht heeft te stoppen.

Atlas
6 0

Kinderspel

KinderspelHet spel was simpel, iedereen kon het spelen. Je had geen bijzondere vaardigheden of kennis nodig om mee te doen, hoewel het hielp als je iets of wat kon mikken. Er waren verschillende groottes en kleuren, die een rol speelden in de waarde van de exemplaren. Laagst in rang waren de "schieters", hoogst in rang de "boelen". Daartussen bovenden zich allerlei soorten en variaties, waar ik de meeste namen van vergeten ben, al kende ik ze toen heel goed.Ik was zes en met lege handen begonnen. Dit was op zich niet zo uitzonderlijk en al zeker niet problematisch. Alles was georganiseerd als een meritocratie: wat je had, werd bepaald door je prestaties. Opstarten was niet zo heel moeilijk, de meesten waren wel bereid om enkele "schieters" af te staan aan een beginner, en als je hier niet om durfde vragen, kon je altijd de speelplaats afschuimen in de hoop een verloren knikker te vinden.Wanneer je er enkele in je bezit had, was het niet moeilijk je collectie uit te bouwen. Op de speelplaats zaten vele kinderen met de benen gespreid. Tussen hun benen lagen dan enkele knikkers, dit waren de gewaardeerde exemplaren. Als je interesse had in iemands tentoongestelde knikkers, nam je plaats aan de startlijn en rolde je je eigen knikkers naar je doel. Raakte je een knikker, dan kreeg je hem, maar elke knikker die zijn doel niet raakte, was je kwijt. Het was een kwestie van inschatten en overwegen. De afstand tussen doel en startlijn, varieerde. De keuze hoeveel schieters je "wegschoot", lag bij jou. De keuze lag bij jou. Er waren risico's en mogelijkheden. Twijfel en hoop.Als zesjarige die niemand uit de hogere jaren kende, kwam ik in dit spel terecht. Dit eerste was ook geen vereiste, je hoefde namelijk helemaal niemand te kennen om mee te kunnen spelen. Het was een zeer uitdagend spel, elke situatie was anders en naast de hoeveel knikkers die je verwierf, kon je ook proberen gewaardeerde exemplaren in je bezit te krijgen. Langzaam bouw je op, tot je een collectie knikkers hebt, die je overal met je meesleurt. Eerst in je broekzak, dan in een klein tasje, maar op een gegeven moment heb je echt wel dat extra rugzakje nodig om dagelijks mee naar school te sleuren. Boordevol knikkers, één na één raak geschoten.Het is op zo'n moment dat het leven fijn en zorgeloos is. Niets verhindert je om ten volle van het spel te genieten. Tot iets daar verandering in brengt. In mijn geval was dit een ongeluk. De rugzak waar mijn dierbare knikkers in zaten, viel. Pardoes op de grond. Een groot deel van mijn verzameling rolde over de speelplaats. De knikkers waren niet te stoppen, ze gingen alle kanten uit. De tranen sprongen me in de ogen bij deze verschrikkelijke gebeurtenis. Vele guitige kinderhandjes grepen naar mijn dierbare schatten en ik deed hetzelfde. En hoewel de meeste knikkers eerlijk werden terugbezorgd, werden er ook een aantal onherroepelijk van me ontvreemd. Een patrouillerende leerkracht probeerde nog orde op zaken te stellen, maar gedane zaken maakten geen keer. Wat verloren was, bleef verloren.Het ergste is dat je het wéét. Je weet wat je kwijt bent en erger nog: je wordt je bewust van het feit dat je wéér en méér kunt verliezen. Het zorgeloze verdwijnt voorgoed. Het plezier van het spel gaat verloren. Alles is plots een oorlog waarin je enkel kunt verliezen. Een oorlog waaraan je niet eens aan hoeft deel te nemen. En zo borg ik voorgoed mijn resterende knikkers op in een kast op mijn slaapkamer en speelde nooit meer.Het daaropvolgende jaar draaide alles om die fantastische wezentjes die je in het wild kon vangen en voor je laten vechten. Je borg ze op in een rond balletje en trainde ze. Gelukkig waren zij niet echt en hoefde je geen ronde balletjes, maar kaartjes waarop zij afgebeeld stonden bij te houden. Die kaarten pasten heel gemakkelijk in een kinderhand en rolden gelukkig niet alle kanten uit wanneer je stapel uit je handen glipte. En zo kreeg ik op een dag enkele kaarten cadeau en trad ik in kinderlijke onschuld toe tot de wondere wereld der pokémontrainers/-verzamelaars, niet beseffend hoe onethisch het hele pokémongebeuren was. Stiekem lette ik toch wel erg goed op mijn steeds verder groeiende stapel kaarten, met de verloren gegane knikkers in het achterhoofd.Net zoals de andere leerlingen, ging ik helemaal op in de hype. We kenden alle namen en ruilden er lustig op los. We wisten hoe we "vervalsingen" moesten herkennen en legden met trots onze collecties aan elkaar voor. De blinkende en de kaarten met een hoog HP pronken bovenaan, daar waren we trots op, maar iedereen stak ook die nutteloze energykaarten in zijn stapel, zodat deze nóg groter leek. En hoeveel en welke kaarten je bezat maakte natuurlijk geen verschil in de binnen de klasmuren, maar op de speelplaats telde het écht wel. Voor ons was het geen spel, het was wie wij waren en hoe wij leefden. Dit was géén kinderspel, dit was menens! 

Fuaran
5 0

De Panda's

Wij waren altijd drie handen op één buik geweest. Mabel, Noa en ik. Wij hadden altijd samen gehoord, al vanaf het moment dat wij elkaar ontmoetten. Misschien zelfs al vóór dat moment, het zou me niet verwonderd hebben als onze vriendschap voorbestemd was. Ondanks onze verschillen, waren wij altijd een onscheidbare eenheid geweest. Mabel: lief, rustig en eerlijk. Noa: extravert en grappig, altijd haantje de voorste en energiek. En ik, eerder verlegen. Drie totaal verschillende meisjes, allen die eerste schooldag opgedaagd in dezelfde trui met daarop een panda afgebeeld. Die dag werden wij het pandatrio, de pandameiden, of simpelweg "de panda's". En dat waren we altijd gebleven. Als mensen echt bij elkaar horen, is er niets dat hen kan scheiden. Dat hebben wij altijd geweten. Ik herinnerde me nog hoe juf Annabel ons na Mabels ongeluk even apart riep. "Ik vind het zo erg. Niets zal ooit nog hetzelfde zijn.", had ze ons al snikkend toegesproken. Ze had ons één voor één aangekeken met een gezicht waarop het medelijden te lezen stond, alvorens ze met haar handen voor haar gezicht het klaslokaal was uitgevlucht. We hadden er nadien hartelijk om gelachen, want voor ons was er niets veranderd. Ongeluk of niet. Alles was gewoon bij het oude gebleven. Het kon Mabel niet schelen en ons al zeker niet. De eerste maanden wilde iedereen er steeds met ons over spreken, tot vervelens toe. De eerste dagen, weken zelfs, stonden we dan met z'n drietjes wat verlegen te knikken, ons gewicht van het ene been naar het andere verschuivend uit ongemak of zenuwachtig met onze vingers wriemelend. Na een maand vonden we het wel welletjes. Het was Mabel die met het idee kwam om een spectaculaire niesaanval te faken toen Stefaans moeder voor de zoveelste keer op rij ons kwam vervelen met een gesprek over "het fameuze ongeluk". Mevrouw Edith, Stefaans moeder, negeerde de niesaanval, alsof het er niet vingerdik bovenop lag dat Mabel niet écht niesde. Noa en ik daarentegen, konden ons helemaal niet serieus houden. We moesten zo hard lachen dat onze buiken pijn deden en Stafaans moeder stampvoetend van woede wegstormde. Daarna wisselden we elkaar af: telkens wanneer iemand zich geroepen voelde om met ons te praten over Mabels ongeluk, bedacht één van ons iets om de anderen aan het lachen te brengen. Het werd ons niet in dank afgenomen, maar uiteindelijk kregen we wel wat we wilden: iedereen liet ons met rust. Mabels ongeluk was doorheen de jaren steeds meer naar de achtergrond verdwenen, zodat het leek alsof het nooit gebeurd was. Na verloop van tijd voelde niemand nog de aandrang om er met ons over te spreken. We zwegen en vergaten. Misschien wel omdat we de hele tijd plezier maakten. Er was altijd wel iets om te doen. Boomhutten bouwen, zwemmen, door de velden rennen, op avontuur trekken, samen winkelen of naar de cinema gaan... we verveelden ons nooit. En alles deden we met ons drieën. Niets haalde ons uit elkaar. Niet Mabels ongeluk of Noa's openbeenbreuk, waarna ze wekenlang in een rolstoel moest doorbrengen. Of de zomervakantie die ik bij mijn tante in Oostenrijk door moest brengen. Tot Bastiaan op het toneel verscheen. Hij was het soort jongen dat niet onopgemerkt voorbij gaat. Hij was knap, sportief, twee jaar ouder én verliefd op Noa. Natuurlijk begreep ik ook toen al dat een jongen als hij zich niet zomaar laat afwijzen, maar ik had niet verwacht dat hij zo belangrijk zou worden in Noa's leven. Mabel, Noa en ik waren de eerste dag in de middelbare school samen in een hoekje op de speelplaats gaan zitten onder een reusachtige wilg. Ik had me voorgesteld dat het altijd zo zou zijn. Wij, de Panda's, samen vanuit de schaduw glurend naar de andere tieners die luid door elkaar liepen of balsporten speelden. Maar zo geschiedde het niet, alvast niet als het van Bastiaan afhing. En zo gebeurde het dat Mabel en ik daar steeds vaker met z'n tweetjes zaten, kijkend naar de rest van de speelplaats, en vooral naar Noa en Bastiaan, die zich als een onscheidbare eenheid over de speelplaats bewogen. Natuurlijk zaten we wel samen in de klas. Daar kon Bastiaan gelukkig niet tussenkomen. Maar het was niet meer hetzelfde als vroeger. De Panda's, zoals ze eens geweest waren, waren geen vaste waarde meer. Het was op een vrijdag tijdens de namiddagspeeltijd dat Noa eindelijk nog eens naar ons toekwam. Zonder Bastiaan, wat me verwonderde. Het was al lente, maar nog steeds heel koud. Mabel en ik hadden dikke jassen aan en zaten tegen elkaar, zodat onze armen elkaar raakten, om zo warm mogelijk te blijven. Noa droeg enkel een hippe sweater en bleef voor ons staan, ze leek niet de neiging te voelen om naast ons te komen zitten, zoals we als kind altijd gedaan hadden. Toen hadden we er soms zelfs om geruzied wie in het midden mocht zitten en zo het warmst kon blijven. Het ging als een steek door mijn hart dat zij bleef staan. Noa, die met haar hippe sweater uit een tv-commercial ontsnapt leek te zijn, terwijl wij er uitzagen als eskimo's in onze ruime, vormloze jassen. "Hoi", begroette ze ons, alsof het een doodnormale zaak was dat zij ons kwam opzoeken tijdens de speeltijd. Mabel en ik wisselden een veelzeggende blik. "Zaterdagavond gaan we met wat vrienden naar De Paparazzi, dat is dat nieuwe café op de markt. Elena, Jeroen, Michiel, Thomas, Saskia, Bastiaan en ik. Als je zin hebt mag je ook komen..." "Mabel mag van haar moeder niet naar cafés, dat weet je best." Ik moest niet overleggen met Mabel om te antwoorden. Haar moeder had er een hekel aan dat haar kleding naar sigarettenrook stonk. Ze had haar altijd verboden om op café te gaan, dus hadden Noa en ik dat ook nooit gedaan. Toen we nog de drie Panda's waren dan toch, Bastiaan en zijn vrienden gingen regelmatig op café, ook net na school. En waar Bastiaan was, was Noa. "Mabel...?" Ik dacht eerst dat Noa de vraag nu rechtstreeks aan Mabel stelde, maar toen haar blik onbegrijpelijk op mij bleef rusten, kreeg ik een argwanend gevoel in mijn borst. Alsof iets niet klopte, al kon ik er de vinger niet meteen op leggen wat het was. "Mabel is dood, al vijf jaar, dat weet je, Lotte." Noa's grote, groene ogen lieten me niet los. Ze leken me zoveel te willen vertellen, maar ik luisterde niet naar hun onuitgesproken woorden. Het enige wat ik kon was naar Mabel kijken. Mijn mooie, lieve Mabel, die op haar vaste plekje onder de wilg naar de grond zat te staren met ogen gevuld met tranen. "Zeg dat niet, zeg dat niet!", schreeuw ik Noa toe, boos om het verdriet dat ze Mabel deed. Noa keek me nog enkele seconden betekenisvol aan, knikte toen berustend en liep zonder nog een woord te zeggen van ons weg. Troostend sloeg ik mijn armen om Mabel heen.    *** Het voelde onnatuurlijk om alleen door de gangen van de school te lopen. Ik miste Mabel aan mijn zijde, maar zij had me ook verzekerd dat dit de enige oplossing was. We hadden er een hele week samen over gebrainstormd. Er waren geen andere mogelijkheden. Ik moest dit doen en ik moest het alleen doen, daar was Mabel het mee eens. Het kostte me geen moeite om Noa te vinden. Zij was waar ze altijd was, bij de populaire groep. Ze leunde nonchalant tegen een locker en lachte om een grap die één van de anderen gemaakt moest hebben. Terwijl ze lachte, gooide ze haar haren wild in haar nek, waardoor ze net een filmster leek. Gehypnotiseerd door deze vertoning vergat ik bijna waarop ik hierheen was gekomen. Bijna. "Noa?", zei ik luid terwijl ik naar de groep toeliep, hun gesprek onderbrekend. Vele ogen keken me verbijsterd aan, maar voor mij bestond enkel Noa, die me met licht geopende mond verbaasd aanstaarde. "Hoi," antwoordde ze me. Haar stem klonk verveeld, maar haar ogen keken me nieuwsgierig aan. "Gaan jullie ook deze week weer naar dat café? De Papa-dinges?" "De Paparazzi," verbeterde ze me. "Ja, dat." "Uhm....ja," zei ze ongemakkelijk. "Goed, dan ga ik deze week met jullie mee. Heb je zin om die dag na school nog even iets bij me te eten?" Mijn vraag leek haar wat van haar stuk te brengen. Ze knipperde nerveus met haar ogen en er ontstond een kleine frons tussen haar wenkbrauwen. Miss populair viel even van haar troon door de verwijzing naar een vroegere traditie. Als kind aten we elke zaterdagavond bij mij thuis. Eerst koekjes die mijn moeder bakte, maar nadien bereidde ik zelf kleine maaltijden voor hen. Eieren, pannenkoeken, cakes, maar nadien ook hele maaltijden. "Oké," zei ze. Eén kort woord, waarin zoveel emoties doorklonken. Nostalgie, verdriet, maar ook opluchting, vond ik. Zonder verdere afspraken te maken, draaide ik me om en ging terug naar waar ik hoorde: bij Mabel onder de wilg. "Zie je nu wel, het lukt vast," Noa ze. "We kunnen vriendinnen blijven én met nieuwe mensen omgaan. Je vindt mijn vrienden vast leuk." Ik kauwde zwijgzaam op een stukje wortel. Terwijl ze wat eten bijnam, liet ik mijn blik even richting Mabel glijden. Die had het gehele etentje nog geen woord gezegd en keek me afwachtend aan. "Ik ga even het dessert halen," zei ik, terwijl ik in de keuken verdween. "Hmmmmmm! Chocomouse, mijn favoriet! Dat je dat onthouden hebt!" Noa's ogen keken me groot en vol verwachting aan. "Ja, hoe kon ik dat vergeten. Ik wilde iets speciaals voor je maken, vandaag is tenslotte een bijzondere dag." "Absoluut," bevestigde ze, met haar mond vol dessert. "Je vindt hen vast leuk, dat moet haast wel! Je hoeft helemaal niet meer op je eentje onder die stomme wilg te zitten, Lotte. Nooit meer! En dan is er nog iets, één van de jongens toonde een bijzondere interesse in je, hij is best schattig, ik stel je straks aan hem voor..." Maar wie die schattige jongen die mij leuk vond was, kwam ik nooit te weten, want Noa greep naar haar borst. Haar gezicht vertrok van pijn. Geschrokken keek ik naar Mabel. "Het duurt vast niet lang," stelde ze me gerust. En ze kreeg gelijk. Het duurde amper vijf minuten voor Noa's lichaam levenloos op de grond lag. Op haar lippen prijkte nog wat van het fatale goedje waar ze zo dol op was. Een speciaal gerecht voor een bijzondere gelegenheid, bedacht ik me. Mabel en ik wisselden geen woorden uit. Het was de enige oplossing, daar waren we het over eens geweest. En eigenlijk heb ik het altijd geweten, dat niets ooit tussen ons zou kunnen komen. Wij waren de Panda's, beste vrienden vanaf onze allereerste ontmoeting, en zo zal het altijd zijn. Al snel zag Noa in dat Bastiaan helemaal niet zoveel van haar hield als ze gedacht had, na de chocomouseavond negeerde hij haar volkomen. Het was alsof ze voor hem helemaal niet meer bestond. Hij kwam ook niet veel meer naar school na die avond, hij was vast van school veranderd of verhuisd. Het deed me plezier dat na haar relatie met Bastiaan alles weer was zoals vanouds, het was alsof hij nooit tussen ons gekomen was. Noa wisselde zelfs haar trendy kleding voor de gemakkelijke varianten die ze vroeger droeg. En daar zaten we dan weer met z'n drieën onder onze wilg, aan de rand van de speelplaats, in onze vormloze jassen. Noa, Mabel en ik. Drie vriendinnen voor altijd. Ik warmpjes in het midden.   

Fuaran
0 0

Het leven der mannequins

Het valt me zwaar te bemerken dat desondanks ik 24 op 24 werk, ik nog steeds niet het aanzien krijg dat ik verdien. Ik verkoop mijn hart en ziel aan de duivel des kapitaal en blijf bezeten door de illusie op vooruitgang en innovatie. Als alles in dit kwellende leven moet worden bereikt zonder resultaat of correcte beloning, hoe is er dan nog sprake van een (ver)standshouding. Proberen houdt een kans op mislukking in, falend vervalt men in angsten door massamedia's. Ze fluisteren het in de oren, overweldigen ook de ogen en andere zintuigen.   We aanvaarden ons lot, we berusten erin, zonder enige vraagstelling. Een duistere comfortzone, die we te graag bewonen, ook al zouden we er beter uit verhuizen. Ze brengt ons niets van veiligheid. We zijn allen verwaarloosd door een maatschappij, waarin we nummers zijn en ons enkel kunnen onderscheiden van de ander via lobby-ing , een goede investering en de perfecte marketing.   Ik ben gehavend. Buitenspel gezet door een corrupte ‘scheids’rechter. Narcistische creaties, ooh God heb jij ons zo geschapen? Heb jij dit ongelijke systeem willekeurig bepaald, zonder mensen, die het echt verdienen, de juiste kansen te geven? Ik kan het niet geloven dat jij, de vuile dieven van onze samenleving een meerwaarde geeft. Ik stel je echtheid bijna in vraag, ook al blijf ik net zoals de anderen je vereren. Ik weet niet beter. Ik durf niet meer. Ik heb reeds te veel beleefd, dat ik niet meer kan leven, laat staan dromen. Ze worden ons afgenomen, nog voor we ze zelfs kunnen ervaren.   Onze creativiteit en fantasie verziekt door hypocrieten, die met hun ‘ultimatum’ liever de wereld teniet zien gaan, nog voor er iets aan te willen veranderen. Controle en misplaatst machtsmisbruik geheiligd door zijn middelen, namelijk de overheersing van het redenaarstalenten. Wat valt er nog te valideren? We zijn allen minieme wezens, verbonden, toch liever blind.   Wij zijn niet zo speciaal als we zelf denken, kijk naar het universum, met voor ons als Aarde, de voornaamste onderdelen: Jupiter, en de zon een balans in grootheid. Deze twee hemellichamen alleen al doen ons wegcijferen, wie zijn wij om het te willen beheersen? Een voor een vallen we ten prooi aan de zeven hoofdzonden.   Ik was ooit een gelukkig persoon, dom en naief, misschien is het begrip geluk wel te relatief om te definiëren. Het is een juiste mindset gecombineerd met een gebrek aan stressoren, die in beuken op onze fysiologie.   Vrij was ik toen. Blij het zonnetje met de nooit eindigende energie te zijn. Velen bemerkten me, droegen normale kleren, maar bleken waren undercover saligia’s. Ik heb me laten verleiden, ik stapte bijna mee in het rijtje. Vrijheid is een utopie. Niets is meer idealistisch als de liefde. Terwijl het enkel een aantal chemisch bindingen zijn voor de bevordering van ons enige doel voortplanting. Ik kan dit niet, daarom dat ik net op tijd ontsnappen kon. Ik was een prototype. Nu ben ik een oudsider.   Ik zal nooit meer gelukkig zijn, want achter elk woord en elke daad schuilt er een onbewuste intentie, ik heb er bewijs van, ik wordt afgeschreven als mentaal gestoord. Ik behoor niet tot de mainstream, laat staan tot deze maatschappij vervuld met kwakzalverij en consumptie.   Ik ben enkel nog een schim van wie ik was. Ik zou me juist gelukkig moeten prijzen, ze laten het mij niet toe. Mijn demonen. Zij zullen mij altijd vergezellen in deze hel der overprikkeling.  Het enige dat me rest is acceptatie en memensis van de schone schijn der gelukkig-en vergetelheid.

S_Sence
3 0

Waar leggen we het nu

Afronden. We moeten het afronden. “Als het moet, dan moet het”. Wacht even. Ik vraag me af waarom het moet? Want ze zeggen toch evengoed “Alles mag, niets moet?” Wat klinkt het luidst? Wat echoot, wie fluistert, wie voegt werkelijk iets toe aan de stilte, wie zwijgt? Bon, mijn vragen spartelen tegen en tegenspartelen gaat steeds slechts voor even. Uiteindelijk is het altijd voor ieder een kwestie van accepteren. We moeten dus stillekes afronden.   Nog een vraag. Het komt niet voort uit uitstelgedrag, ik wil het echt graag weten: wat is dat dan, afronden? En hoe doe je dat met iets piekerig, iets dat zich niet laat vangen, dat gloeit, dat waait in de wind en danst op muziek. Kneed ik het het best samen? Het prikt een beetje. En prop ik het zo binnen de lijnen van een cirkel? Ik probeer het eens.   Ik geraak stilaan buiten het afgeronde geheel. Als voorbij een hek waaraan ik mijn kleren scheurde. En ik hoor het nog woelen achter mij. Ik wil dat het stilt. Ik wil dat alles zou kunnen stillen. En dan weer na een tijdje zijn eigen geluid aanneemt. Maar vanaf dan ook steeds weer kan stillen. Als iemand wil dat het stilt.   Zo, het zit er in, in de cirkel. Het is er in gepropt en opgeborgen. Zou het daar nu veilig zitten? Daarbinnen blijft het nog bestaan. En woekeren. Dat kan niet de bedoeling zijn. Tenzij het na een tijdje stilt, want iemand wil dat het stilt. Bovendien, waar leggen we het nu. Deze cirkel is slechts schijnbaar rond, er zullen nog vragen komen.   Het zou moeten kunnen doven als een smeulend vuurtje – want het is waar dat het warmte gaf. Neen, want dat het als as uiteen valt, dat wil ik niet. Dat het vervliegt en verdampt, evenmin. Weg is zo... weg. Het zijn geen stappen waarop je kan terugkomen. De theepot 'Himalaya' die we leegdronken, kunnen we er toch ook niet terug uitgieten.   Weet je wat het mag van mij? Het mag zoals een zonsondergang gaan. Mee met de zon onder gaan. En wanneer de zon terug opkomt, zal het er deel van geworden zijn. Want het is waar dat het straalde. En het werpt vanaf nu mee een nieuw licht op de te komen nieuwe dagen.

Jill Marchant
0 0
Tip

Wie zijt gij?

Hé!Gij daar.Ja gij. Denkt gij daar soms over na, over wie ge nu echt zijt?Over wat ge echt wilt?Of ge op mannen valt, of op vrouwen, of op dieren? Of misschien op niks? Wéét gij dat? Weet gij dat écht?   Ik denk daar dikwijls over na.Over wie ik nu echt ben, over waarom en en hoe.Over wat mijn persoonlijkheid definieert.En wat dat eigenlijk is, mijn ‘persoonlijkheid’.Een schoon woord is’t alleszins niet.   Dat klinkt misschien wel heel evident allemaal.Misschien hoort ge dat allemaal al wel te weten als ge vijf zijt.Maar ik vind dat serieus moeilijke vragen.   Soms knijp ik heel erg hard mijn ogen dicht en maak ik een opsomming van wat ik wel en niet leuk vind.Misschien dat ‘t u dan wel ineens te binnen schiet, wie ge eigenlijk zijt.Snapt ge?   Ik doe het effe voor.Ogen dicht. Héél erg dicht. Knijpen tot ge niet meer kunt.En denken dat ge helemaal in het topje van een vuurtoren zit.   Klaar?   Ik hou van slapen in frisse lakens, helemaal in’t wit. Ik hou waanzinnig van van kaas, echt van elke kaas die er maar is gemaakt. Ik hou van boeken. Zowel van de geur als van ze kunnen lezen. Ze verzamelen. Ik hou ervan mijn kat te kunnen roepen met alleen mijn ogen. Van Sanseveria’s. Van vossen. Van slimmer worden, alhoewel ik niet het gevoel heb dat dat nog gebeurd. Van ouderwetse gloeilampen – van lang in bad gaan – van de soundtrack van ‘Into the Wild’, nee van de hele film eigenlijk – van die kleine cinema waar ge met uw glaasje rood binnen moogt en waar ze altijd goeie films spelen. Ik hou van lang en ver op reis gaan, maar tegelijkertijd ook weer niet want dan ga ik mij schuldig voelen omdat ergens aan de andere kant van de wereld iemand leeft die veel meer capaciteiten heeft en een veel beter mens is, en toch veel minder kansen heeft gekregen dan ik.   Ik hou niet van snotterige eieren – mensen die vragen hoe het met u is om zo toch maar over zichzelf te kunnen beginnen – van mijn eigen sociale ongemakkelijkheid – sabayon (iedereen vindt dat hét van hét, maar ik begrijp er niks van) – onrechtvaardigheid. Ik hou niet van bang zijn van inbrekers – van ‘s nachts niet kunnen slapen – van nadenken over de toekomst van deze wereld – van de eisen die ik mezelf soms opleg – van het getal elf – van niet weten waar ik nu eigenlijk goed in ben en waar niet – van films in zwart-wit – van de geur van narcissen. Ik wordt daar misselijk van.   Voila.En als ge al die puntjes aan elkaar verbindt, dan weet ge weer een klein beetje meer van wie ge zijt.   Nu is’t aan u. Doet u ogen maar toe.  

Annelies Leysen
64 1

De zin van waanzin

Als ik niet op exact het juiste moment gekeken had, zou ik niet eens geweten hebben dat hij er nog was. Daar stonden we dan, ik ademloos kijkend naar hem, terwijl hij me zelfzeker doch betrapt aanstaart. Slechts één ogenblik duurde onze ontmoeting. Daarna was het moment alweer voorbij. Verbijsterd staar ik naar het raam, in wiens weerspiegeling zijn aanwezigheid even geleden nog onthuld werd.Ik draai me om, razendsnel, maar zie enkel wat ik verwachtte te zien: ik ben alleen. En zo gaat het elke keer. Eén kort moment van onthulling, waarna ik soms maandenlang geen teken van hem zie. Soms denk ik dat hij voorgoed weg is, dat hij eindelijk rust gevonden heeft. Tot hij me weer het tegendeel bewijst, natuurlijk. Want rust vindt hij niet.In mijn borstkas gaat mijn hart als een razende tekeer. Ik leg mijn hand erop, om het te sussen. Sssssssst..sssssst....sssssst. Mijn ritmisch sussen stemt mij rustig, maar mijn hart laat zich niet voor de gek houden. Of beter nog: zijn hart laat zich niet voor de gek houden. Het is vreemd hoe het hart dat al meer dan een jaar in mijn borstkas huist, nog steeds vreemd aanvoelt. Alsof mijn mankerende hart, wiens slagen van bij mijn geboorte geteld waren, beter bij mij hoorde dan deze perfect functionerende vervanger.Ik denk wel eens dat ik dit nieuwe hart tekort doe. Dat het te fel voor me is, te levenslustig. Ik ben niet avontuurlijk genoeg, te braaf misschien. Ik zou kunnen zeggen dat dat zo is omdat ik mijn hele leven geleefd heb als een kasplantje, bang dat de kleinste opwinding het einde van mijn fragiele hart betekenen zou, maar dat zou een leugen zijn. De waarheid is: ik had me al neergelegd bij mijn noodlot. Ik had mijn einde reeds aanvaard. De kans dat er een functionerend hart voor mij zou zijn, een hart dat door mijn lichaam geaccepteerd zou worden... daar had ik nooit op gerekend. Ik had er niet eens van durven dromen. Mijn hoop op een lang leven had ik al begraven.Wanneer ik een hand voel op mijn schouder, weet ik dat hij voor mij is gekomen. Deze keer draai ik me niet om. Ik weet dat daar niets dan leegte op mij wacht."Ik ben in de kamer hiernaast, kom maar wanneer je er klaar voor bent." Hij fluistert de woorden in mijn oor. Daarna voel ik hoe de hand van mijn schouder verdwijnt. "Neem je tijd," voegt hij geruststellend toe, maar die heb ik niet nodig, ik heb al zoveel meer tijd gehad dan verwacht. Tijd om na te denken. Ik ben er klaar voor.Vastbesloten ga ik naar de slaapkamer. In een oogopslag neem ik de ruimte in me op. Op de grond ligt een eenvoudige matras zonder bedframe. De muren zijn kaal en leeg. In een hoek staat een aantal onuitgepakte kartonnen dozen. In tegenstelling tot mijn nieuwe hart, past deze kamer uitstekend bij mij. Ze sluit aan bij de manier waarop ik in het leven sta. Ik ben slechts een voorbijganger, niet in staat me te vestigen, ik blijf hier niet.In het midden van de kamer ligt hij. Hij is mooi op een onopvallende manier, realiseer ik me. Het soort mooi dat je niet in tijdschriften of in films ziet. Zijn bleke gezicht heeft iets vriendelijks, een ondefinieerbare trek waardoor je hem wel sympathiek moet vinden. Zelfs nu zijn lichaam volledig ontspannen neerligt, verhult zijn kleding de vorm van zijn spieren niet. Aangedaan door het serene beeld van de onbeweeglijke jongeman, kniel ik naast hem neer. Zelfzeker plaats ik mijn in elkaar geslagen handen op zijn borstbeen. Met korte stoten pomp ik het bloed door zijn lichaam. Dertig keer op rij. Ik voel geen angst om mijn lichaam te overbelasten, want het is zijn gezonde hart dat in mij huist. Ik maak zijn luchtweg vrij door zijn hoofd te liften, knijp zijn neus dicht en plaats mijn lippen op de zijne. Zijn lippen voelen koud en slap aan. Bijna verwijder ik mijn mond van de zijne, maar dan herneem ik me. Twee keer laat ik verse lucht in zijn longen stromen. Daarna verlaten mijn lippen de zijne. Wanneer ik mijn handen weer op zijn borstbeen plaats om de hartmassage te hervatten, proest hij het uit. Zijn heldergroene ogen openen zich en staren me verbijsterd aan. Onder de palm van mijn hand pompt nu zijn herleefde hart weer bloed door zijn lichaam. Mijn ademhaling stokt. Mijn eigen zwakke hart protesteert hevig tegen de net uitgevoerde inspanning. Het duizelt me. Ik heb een jaar de tijd gehad om na te denken, spreek ik mezelf moed in. Ik ben er klaar voor.Met mijn laatste kracht verplaats ik mijn handen van zijn borst naar zijn keel. Zijn ogen sperren zich wagenwijd open wanneer ik mijn volledige gewicht gebruik om zijn luchtweg toe te knijpen. Zijn armen grijpen wanhopig om zich heen, maar slagen er niet in mijn handen van zijn keel te verwijderen. Net zoals bij de hartmassage tel ik tot dertig. Opnieuw en opnieuw, tot zijn lichaam al lang geen verzet meer biedt. Zijn ogen staren me angstig aan, maar zijn hart bonkt energiek en levenslustig in mijn borstkas. Ik sta op en adem drie keer diep in en uit. Mijn lichaam giert nog na door de adrenaline van de inspanning. Mijn hart gaat als een razende tekeer en ik volg het. Voor het eerst zijn wij werkelijk één. Ik stap naar de stapel kartonnen dozen en haal het eerste voorwerp eruit. Zonder veel aandacht te besteden aan de afbeelding op het doek, hang ik het schilderij aan de muur. Ik neem een aantal stappen achteruit om het te bestuderen. Wanneer ik weer naar de kartonnen dozen toeloop om het volgende voorwerp uit te pakken, zie ik dat het lichaam van de jongeman verdwenen is. Ik weet dat hij niet terug zal keren. Ik voel het aan het krachtige hart dat in mijn borstkas slaat. Het hart dat nu eindelijk echt van mij is. Ik ben er klaar voor. Ik leef. 

Fuaran
0 0