Zoeken

Het feestje aka cafépraat III

“Dames en heren, mag ik effen uw ongebreidelde aandacht?”Als Mark formeel begon te praten, dan moesten we hem goed in het oog houden. Met wankele knieën probeerde hij op de toog te klimmen. We hielden hem gelukkig tegen en zette hem stevig neer op een barkruk. Welk betoog hij ook wou voeren, zijn onverstaanbaar gemompel ging verloren in het Algemene Roezemoes. Ik haalde mijn schouders op en richtte mijn aandacht aan de charmante dame naast me. Haar blik stond op oneindige verveling en ik wou die vloek verbreken. Ik kende haar een beetje, maar net onvoldoende om haar te kunnen doorgronden. Weet je, er zat een verborgen kantje verscholen achter die blik van haar, een kantje dat mij enorm intrigeerde. Het enigste wat ik echt van haar wist, was dat ze een moeilijke periode achter de rug had. Ze hield zich sterk, maar door eigen ervaringen wist ik wat er zich achter een façade kon afspelen. Ik hoopte dat ik haar kon helpen.“Alles goed?” Vroeg ik zo nonchalant mogelijk.“Ben ziek geweest. Ik kon niets meer doen. De hele tijd plat gelegen en niks kunnen doen, maakte me gewoon zot. Ik heb me de hele tijd zitten vervelen.”“Dat is jammer om te horen. Weet je, mocht ik eerder geweten hebben dat je ziek was, ik zou langs gekomen zijn. We zouden wel plezier gemaakt hebben.”De blik die ik van haar kreeg was onmogelijk te beschrijven zonder gebruik te maken van foeilelijke woorden. Ik snapte de hint en liet haar verder met rust. Terwijl ik zocht naar de diepere betekenis achter haar ongezouten blik, begon Mark zijn betoog kracht bij te zetten door hevig met zijn armen te zwieren. Mijn gesprekspartner maakte van de Algemene Hilariteit gebruik om nieuw gezelschap op te zoeken en koos een man uit die bekend stond als “den gigolo van 't stad”. Die gladde aal wond er geen doekjes om en stond met zijn mooie praatjes indruk op haar te maken.Ik snapte dit niet... Iemand als ik, die haar vriendschappelijk wou “redden van de ondergang” werd zonder meer de rug toegekeerd en vervangen door een geil exemplaar met een neuken-en-weg mentaliteit. De diepe zucht die ik slaakte, ging verloren in het Algemene Roezemoes, een zucht die ik alleen maar kon slaken om mijn diep, ongelukkige eenzaamheid.Soms kun je je eenzaam voelen, van alles en iedereen gescheiden door een imaginaire muur. En ik voelde me eenzaam! Ook al was ik omringd door al deze mensen. Terwijl mijn beste vrienden tonnen plezier maakten, bouwde ik verder aan mijn imaginaire muur. Met mijn blik op het oneindige gericht, begonnen mijn gedachten te zweven. Mark, half doorgezakt op zijn barkruk, stak vragend zijn duim omhoog.“Alles goed.” Mompelde ik en ter extra bevestiging stak ook ik mijn duim omhoog.Lachend zette Mark zich ietsjes rechter, wat nou niet echt een verbetering was omdat hij snel terug naar beneden zakte. De bedroevende glimlach die ik tevoorschijn toverde, was met veel moeite geloofwaardig te noemen. Ik liet de gezelligheid over me heen golven zonder het op te merken of op te nemen. Ik trok me steeds dieper in mijn gedachten terug en probeerde de schijn op te houden door af en toe mee te lachen of te knikken. Echt luisteren deed ik niet meer."Waarom kan ik niet vrolijk zijn zoals iedereen?Waarom zien de vrouwen rondom mij niet wat ik hen kan bieden?Waarom ben ik omringd door idioten?Waarom lachen al die sukkels als ze weten wat voor miserie er elders plaatsvindt?Waarom verrekken we niet allemaal?"Het pad, die mijn gedachten me leken op te sturen, werd met iedere stap donkerder. Er gebeurde iets grappigs aan de toog. Mijn eerdere gespreksdame en haar gigolo lachten Mark uit terwijl hij iets probeerde uit te leggen.Dat was de druppel.Ik had geen zin meer in lachende vrolijkheid. Het kon me gewoon geen barst meer schelen. Ik wou weg van alles. Niet meer hoeven mee te draaien in deze dwaze mallemolen die de wereld moest voorstellen. Ik vervloekte de wereld met alles en iedereen erop. Ik besefte dat ik een domper werd op de feestvreugde. Snel dronk ik mijn glas leeg en vluchtte de donkere nacht in.De nacht omhelsde mijn duistere gedachten en suste me in een gevoel van geborgen veiligheid. Hier voelde ik me thuis. Neen, dit is mijn thuis. Ik liet me gewillig opslokken door de nacht terwijl ik vastberaden de eerst stap zette. Wat er achter mij gebeurde hoorde ik niet meer. De eerste stap werd resoluut gevolgd door een tweede en een derde. Ik zette een stevige mars in. Voor de eerste keer deze avond verscheen er een échte glimlach op mijn gezicht terwijl ik gulzig de nachtlucht in en uit ademde.

Wibboo Jozefs
0 0

Cupido en kamillethee

Ik word in mijn zij gepord. ‘Laat me slapen!’, schreeuw ik, en duw mijn belager met de kracht van mijn schreeuw weg. Net alsof ik tennis. Alexander trekt me recht. ‘Je zweet en huilt in slaap’, zegt hij. Ik kijk in zijn bezorgde ogen, in de schaduw van het nachtlampje. ‘Wat droomde je?’ Het zweet droogt op en ik begin te rillen. Ik ben blij dat ik alleen in mijn dromen word opgejaagd, want mijn adrenalinepeil heeft samen met mijn lichaamstemperatuur een dieptepunt bereikt. Rock bottom, nul graden Kelvin. ‘Ik … ik vluchtte weg van … Cupido.’ Alexander schudt zijn hoofd: ‘Lieverd, ik ga thee voor je zetten.’ Mijn lief vult geen ruimtes, maar nu ik hem de trap hoor aflopen, lijkt mijn zolderkamertje plots leeg. Hij laat me alleen, vrees ik. Ik sta op en open het raam. Er zijn sterren, dat besef ik, maar zien doe ik niet. Zonder bril is je blik net zo vaag als je dromen. Liep ik weg van Cupido? Wat niet veel mensen weten, is dat Cupido twee soorten pijlen heeft: gouden pijlen waarmee hij ons verliefd laat worden, en stompe pijlen waarmee hij ons elkaar laat verafschuwen. Dat vertel ik Alexander ook. ‘Ik vluchtte dus voor die laatste pijlen’, vertel ik. Ik kijk nog steeds naar buiten, want ik lieg niet wanneer ik zijn ogen kan zien. Ik hoop dat ik voor die laatste pijlen vluchtte. Cupido mag veel uitleggen … Thee werkt goed tegen verdriet: je gaat je er meteen een tasje beter door voelen. Kamillethee is mijn therapeut, mijn anestheticum. Ik val in slaap. Kamillevlinders zijn lelijke motten. Vlinders van het geslacht Cupido daarentegen, zijn prachtig. En toch is het Cupido waar ik voor vlucht, recht in de armen van mijn kamillethee. Je weet dat je bijna in slaap valt wanneer je jezelf betrapt op vage redeneringen. Net zo vaag als wanneer je zonder bril naar de sterren kijkt. Ik slaap.  Zachtjes open ik één oog. Ik slaap slecht wanneer Alexander in mijn bed ligt. Omdat hij zo veel plaats nodig heeft. Of ik? Ik ben een klein meisje, maar een tweepersoonsbed is nodig om comfortabel te slapen. Misschien heb ik een te egoïstische nachtrust. Ja, misschien – en ik sta op. Alexander de Grote slaapt nog diep. Dat mag ook, als je het hele Perzische rijk veroveren moet. Ik kus mijn veroveraar en sluip naar de keuken. Even thee zetten.

MDB
0 0

Sneeuw

‘De winters zijn niet meer wat ze geweest zijn’, zegt mijn overgrootvader, wanneer hij op januaridagen door de raampjes van zijn kleine, bruine huisje gluurt. ‘Maria’, fluistert hij, omdat hij duidelijk wil maken dat hij het tegen mij heeft, terwijl ik de enige in de kamer ben. Of omdat hij mijn overgrootmoeder nog even gedag kust? Moeizaam legt hij zijn bleke hand tegen het raam. Een wereldoorlog winnen is gemakkelijk, maar het leven is een oorlog die we allemaal verliezen. Grootva vindt het niet eens het vechten meer waard, hij laat het over zich heen waaien. En als hij morgen mee zou waaien, zou hij niet eens meer omkijken om afscheid te nemen. Hij verlangt naar de liefde van zijn leven, de vrouw die hem meer dan zestig jaar lang heeft doen geloven dat eenzaamheid niet bestaat. Maar toen grootmoe op een dag niet meer wilde opstaan, ontdekte hij dat hij een gehandicapte, moederloze baby was zonder zijn lief. Hij zou voor het eerst in zijn leven zelf moeten koken en wassen. De afspraken en pillen die hij steeds vergat, zouden zonder grootmoe’s ingebouwde klok in de eeuwigheid verdwijnen. ‘De pastoor zegt dat ik een liedje moet kiezen, maar daar heb ik toch geen gedacht van …’, murmelde hij. Zelfs dat kon hij niet. Zonder zijn Maria was hij een door zijn ouders in een berg hooi achtergelaten kinneke Jezus – niets meer. Het zijn de stormige januaridagen zoals vandaag, die me onwillekeurig doen denken aan de eenzaamheid van grootva. Wanneer ik naar de bruine bladeren kijk, die samen met dikke regendruppels op het schuine raam plenzen, dan bekruipt me het destructieve gevoel dat ik niet anders ben. Het besef van eenzaamheid komt als een bliksemschicht. Het is weg voor je het kan vatten, maar het blijft op je netvlies gebrand. En dat brandende gevoel is eens zo pijnlijk als het januari is, en de zachte sneeuw waar je zo op hoopte een herfststorm blijkt te zijn. De winters zijn niet meer wat ze geweest zijn.

MDB
1 0

Feest

Kijk eens aan! Allemaal voor mij? Jongens toch! En ze hadden me nog gewaarschuwd. Vooral kleine Gitte. Die komt me vaak wat vertellen, maar nu zei ze gekke dingen. Dat ik niet moest schrikken vandaag. Dat het feest was. En ik begreep dat niet zo goed. In mijn toestand ben je namelijk niet echt in feeststemming. Ik zou liever alleen zijn. Hoewel de burgemeester daar flink zijn best voor heeft gedaan met die afspanning van rood witte lint, blijft het moeilijk als je midden op een dorpsplein staat.  Toen Gitte me zei dat ze me wilde bedanken, werd het me duidelijk. Voor het samenspelen, voor de koele schaduw in de warme zomertijd, voor de verfrissende dauwdruppels, voor een schuilplaats tegen de regen of tegen pestkoppen…. Ze bleef maar ratelen terwijl ze zich op de onderste tak dicht tegen me aan nestelde. Daarbij sloeg ze haar arm om mijn stam.  Voor het klimrek dat ik was. En dat ik elk jaar een beetje veranderde, vond ze fijn, vertelde ze. Dat mijn bladeren zo mooi groen waren en wat een prachtige kleuren ik maakte in de herfst. En blijkbaar vond zij dat niet alleen. Het hele dorp heeft zich geamuseerd in en op mij. Dat ik knap was en stoer en groot. En dat ik dapper was en dat moest blijven ook. En dat het daarom dus feest zou zijn. Vandaag. Voor mij.   Zie mij hier nu staan. Met slingers, en lichtjes. Dan kan het wel eens laat worden vanavond. Geeft niks. Druppelgewijs komt iedereen naar me toe. Ik ben omringd met het mooiste gezelschap. Daar is  Claire met de prachtig fonkelende ogen. Hoe ouder ze wordt hoe meer twinkel in haar blik. Ze raakt mijn stam even aan. Ik heb haar vorige nacht haar doosje terug geschonken. Ze heeft diep moeten graven, maar ze wist nog precies waar het lag, aan mijn voeten, stevig omkneld door mijn wortels. Ah, en daar komt mevrouw Janssens aangetsjokt. Ze is van een paar generaties na me, maar qua houdbaarheidsdatum staan we even ver. Waar is de tijd dat ze haar eerste kus van meneer Janssens ontving. Hier dicht bij mijn stam. Ik trok mijn takken naar beneden…het was hun moment, niet dat van het hele dorp. Meneer Janssens is niet meer, heeft mevrouw me een tijdje terug toegefluisterd. Er komen veel mensen dingen vertellen. Goeie en slechte. Om maar te zwijgen over de geheimen die aan mijn takken blijven plakken…of andere vuile dingen, aan mijn stam…zoals van dat vreselijke beest daar. Titus! Zijn baasje neemt nooit de moeite om Titus vuiligheid op te kuisen. En iedere keer komt dat beest weer! Ze zijn natuurlijk niet allemaal zo vuil. De Cois bijvoorbeeld. Speciale kerel, gemeentearbeider in hart en nieren. Elke lente zorgt hij voor mooie bloemen aan mijn voeten. Het vuil dat een ander achterliet, fluit hij vlotjes in zijn kruiwagen. Ach en zie daar, Kasper, die spetter van een voetballer. Hij kan zijn ballen altijd zo hard in mijn kruin stampen dat ik moeite had ze vast te houden. Hij weet het nog niet, maar ik heb gewonnen…Er steekt er hier nog eentje, rechts boven. Die krijgt hij straks vast terug.   Jongens, jongens wat een volk. Allemaal voor mij. Ze smullen van taart en drinken wijn. Op mijn gezondheid. Al stelt die niks meer voor. Ze zijn er allemaal. Jong en oud. Ze zingen liedjes voor me en dansen rond me. Wat hebben ze plezier. Ze halen verhalen op van toen ik nog jong en sterk was. Ja, daar weet ouwe-Jacques-van-achter-de-hoek alles van. Die kerel heb ik vaak in mijn armen gehad. Tot hij zelf een beetje houterig werd. Oh, wat een prachtige avond, de tijd gaat snel. Het duister valt. Ik laat het volk verder vieren. Ik licht op. Mijn wortels staan niet meer zo vast in de grond als vroeger. Ik ben moe. Oud en versleten. Mijn takken zakken, mijn bladeren laten los. Ik doe mijn ogen toe.

Karlijne
1 0