Zoeken

Witte luister

Absurd, zoals gewoonlijk is zijn droom gespaard gebleven van de logica, liefdeslyriek. De haan kraait straks een einde aan de nacht, geluid dat hem de ogen opent spijts de weerstand. Een verse onderbroek, wat melk met brood en zijn recente aankoop, een fiets helpt hem op weg. Te Bellem is een spoorwegbrug, twee verzakkingen daar boven past U beter op of U vaart slecht, belandt er met Uw voertuig, klikken en Uw klakken in de steile berm. Somers, onderweg ingehaald door een kannibaal, zo’n kilometervreter in een strakgetrokken pak, stopt boven op die brug en voelt, weet : de pennywafel is hij thuis vergeten. Zon en argwaan in de verte, een zottighedenpanorama met twee weggelopen lama’s, een wereld, witte vogel, Zwaenepoel zat lang geleden in zijn klas.   Somers hoeft niet na te denken. Het is pas over een maand of twee, het communiefeest van het petekindje, de mensen, de speech die hij niet geven zal over coquetterie, kroketjes, les comédies de l'amour et des bétises humaines. Modegoden, hapjes, goede smaak van roodgekookte kreeft, het meisje neergedaald, opgekleed, -getut, de glazen vleugeltjes apart verpakt en de traiteur hij zweet, zoals de kaasplateau, die wacht in de veranda.   Ongeloof, als hij dichter komt, de zwaan op de oever beter ziet, kwajongens allicht, Picasso want de nek ligt in een knoop gelijk een witte krakeling. Het dier verlost, zijn handgeklap, wintermugjes bij het water dansen op en neer. Somers moet verder. Ook voorbij het huis, van de dokter die hem vorig jaar het leven nog gered heeft toen hij luisterde.       uit de reeks  'Ignace Somers'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Uitgestippeld welzijn

Een joekel van een koeienbel en bloemen aan het stuur. Zo reden ze rond dezer dagen die tienermeiden maar Somers dacht dat ze niet echt waren; ze bloeiden immers ook in de winter en hij meende gezien te hebben dat bij zonsondergang de bloemblaadjes zich niet sloten. Zekerheid had hij niet en in dit post-dutroux tijdperk ware het ongeoorloofd de jonge fietsers te benaderen, laat staan een bloem aan te raken, naar hun hippiness te peilen, te zien of hij een paardenantwoord zou krijgen. Grieks was tegenwoordig weer volledig voor de Grieken of het eten in dat welbepaalde restaurant; paardenvlees was hoe dan ook weer uit de mode nu BSE door iedereen vergeten was en Provo weer gewoon een stad in Utah.   Professionele hondenbrokken, dat kan ook en een groene stip ware gepast, op de voorhoofden van die meiden, aangebracht door de vader, of de geëmancipeerde moeder, die de tijd gekomen achtte dat het jonge vlees dat zij voortgebracht hadden, bejaagd mocht worden, al was Somers alles behalve een casanova. Hij zou zichzelf in dat geval hoogstens iets langer de blik op het groen gunnen, hopende er niet scheel van te worden.   Op de vooravond had hij nog gelukspillen gekocht, maar blijkbaar waren het suppositoires en werd zijn aars daar minder blij van. Verder was hem onderweg een luis geruisloos de pels ingekropen, doch, van geluk gesproken, één enkele luis kon zich niet voortplanten; die taferelen werden hem bespaard en hij legde het diertje in het labiele poppenbedje waar het vroegtijdig stierf, wiegendood allicht.   Bij treurige dauw en droeve dageraad trok hij naar de winkel, telde de huizen niet en ook de gevelstenen bleven ongenummerd, net zoals Rainman nooit garnalen in de Noordzee vangt. Maakt de tijdelijkheid zich stilaan meester van de zienden en staren alle blinden in eeuwige cirkels?, vroeg Somers zich af.   Janmaat kwam wat te laat. De ketting van zijn brommer was kapot. Al snel was het beslist, die lompe lampadaire mocht aan tien euro de winkel in en ze zouden het samen wel flikken op één voormiddag, het lot oude boeken waarvan haast nog niets verkocht was, ging een oranje stip krijgen, hetgeen betekende : voortaan slechts vijftig cent en Somers gooide er nog snel die kramakkelige bundel bij. Gezelle, met al zijn brave tuinbouwgroene clichés en eeuwenoud gerijm, doch eerst een grote boodschap in het kleine vertrek. Somers dacht er aan McCarthy, spoelde ze door, die kleine replica, aan Roland Desruelles, Vondel, gerecycleerd drukwerk en plooide het netjes, geperforeerd toiletpapier.       uit de reeks  'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
0 0

Ander bier (slot)

Hij kreeg ook veel terug. In haar laatste brief meldde Fatima dat er in dierenspeciaalzaak Vogelparadijs te Mariakerke een koppeltje Timorese zwarte duiven te koop aangeboden werd. Met de woorden ‘tot gauw’ was ze geëindigd. Plan B en geen gele wisselsmeerders of spoorwegpolite zouden hem dan bij zijn pietje hebben. Kalkoengroene anorak aantrekken en kruipen zoude hij, achter in een oplegger, geladen met onderdelen bestemd voor de Volvo-fabriek te Mariakere. Een Roemeense trekker bracht hem wel naar zijn bestemming. Eerst naar Vogelparadijs om die duiven te aanschouwen, te controleren of die beesten wel degelijk zwart genoeg waren. Helaas, ‘gesloten wegens vogelgriep’ en Somers trok te voet verder, belde na drie straten stappen krop-in-de-keel aan bij Fatima. Er werd niet gezoend toen ze opendeed. Ze had rode wangen, Marokkaanse krullen, hoestte. “Gewoon de griep”, stelde ze hem gerust, zette gemberthee, sprak met schuchtere stem, ook over de gekke sprongen in zijn brieven, “alsof je de passages met ondraaglijke schoonheid weggelaten hebt”.   Hij zweeg, zoals altijd, moest, nodig, staarde op het toilet naar de lavendeltakjes. Daarna naar zijn nietszeggend exemplaar, ervoer beroering –de ranzige rijmelaar- door de geur van het afgescheiden vocht, net zoals eergisteren gisteren slecht schuimend theewater everyday unipils.   Somers ging het niet meer proberen, haar te strelen met zijn beide ogen; hij verstarde, slibde dicht. Had hij zich zitten volvreten met vette gedachten, spande zijn broek nu te veel en was dat op zijn prostaat gaan drukken waardoor hij wee voelde in de ballen?   Neen, hij wilde weg, weg van alles, vluchten, kop schouders lijf ergens langs de sporen laten liggen. Of alles in een doos met een proper etiket : twee dozijn belogen lezers + één belegen loser.   "Voor het containerpark", grinnikte Arabella.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks  'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
0 0

Ander bier (5)

19 februari, half zes en hij was van plan om deze avond een volgende, bloedhete brief met bestemming Mariakerke te schrijven (zeker geen sprookje over ene Ignace en het vallen van een appel naast een boom), speelde wat met zijn mansdeel en de gedachte aan een rauwe versie van The Love Boat, aan een kapitein met een zweepje, ellenlange, striemende ankerkoorden, zeegepaar, neptunuszaad, illegale lozingen, Ace die Julie McCoy mocht fotograferen terwijl ze het sap en de wondjes likte. Hij zocht nog een passend einde, een tedere nuance na de noodzakelijke pijn doch, hic et nunc, het duivenkot diende eerst gereinigd te worden, best nog voor zijn vliegend grijs terugkeerde.   En vlug want Arabella, de verantwoordelijke van de kringloopwinkel lag al in zijn sofa. Ze was een sociaal wezen, getrouwd, kinderloos en had een aardig balkonnetje. Met enkel een strookje scharlaken over haar rijpe vrucht lag ze daar, als inspiratiebron, als ongenaakbare muze dankzij wie Somers de brief zou kunnen schrijven en zijn Oostvlaamse droom stilaan verwezenlijken. Meer niet. Hij zou haar te drinken aanbieden uit het witte flesje dat er vandaag net iets boller uitzag terwijl zij, net als Danaë, slechts door de gouden regen bevrucht konde worden. “Van squirting word je echt niet zwanger”, opperde Arabella. Ze wierp het zwarte voetbalbroekje in zijn richthing en streelde daarna haar langorige konijntje dat ze medegebracht had. Somers glimlachte doend alsof hij alles begreep. “Gouden regen is een plant met giftige peulen”, antwoordde hij dwaasweg.   Hij schonk zichzelf een Gulden Draak uit maar het viel hem zwaar, keek op. Arabella lag er niet meer, had daar ook nooit gelegen in zijn sofa. Zieke verzinsels. Ze was na het werk gewoon naar huis gestapt, had nog naar Somers gezwaaid en iets verder zes blikjes voetbalbier gekocht, misschien zelfs enkele flesjes Vedett Extra Blond, die nobele godenpis. Voor haar man, die zeker was : Aalborg werd een gemakkelijke prooi voor Club Brugge.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks  'Ignace Somers' 

Bernd Vanderbilt
3 0

Ander bier (4)

De dag was weder braaf voorbijgetrokken zonder zich al te gek te vertakken in rare verbeeldingen en Ons Kookboek, dat aan vier euro geprijsd stond, was verkocht geraakt, aan een man zowaar. Die had lang voor het boekenrek gestaan. Had hij gewoon vol bewondering staan kijken hoe Somers alle boekjes vol recepturen perfect van klein naar groot gerangsschikt had? Of toonde hij daadwerkelijk een zeer grote interesse in de kookkunst, daarbij vrijwillig de slaaf geworden van enkele potten, pannen en een al te scherp patattenmesje?   Een Safirglas had Somers voor zichzelf gekocht, voor de luttele prijs van vijftig cent. Die steenezels, die heden ten dage overal verkondigden dat Cara Pils ‘cultureel erfgoed’ was, hadden het goed mis. Als men echt van vergane glorie, culturele teloorgang, zelfs van een misdaad kon spreken, dan betrof het veeleer het ter ziele gaan van Safir. De unipilsmagnaten, die op hun vergaderingen enkel Château Pénétrus dronken en zich niet zouden verlagen om ook maar één druppel van de door hen tot bier verklaarde unipils door te slikken, hadden erover beslist : Safir is voortaan zaliger. Geen kat die daar verder over gekraaid had. Enkel Bierman, de imaginaire vriend van Somers, had het op zijn blog over “de lafhartige moord op een pils met een zeer volle en aangenaam bittere smaak”. De sinds 1939 gebrouwen ‘hoerenkotpils’ was niet meer en Somers staarde naar het glas, niet wetende wat ermee aan te vangen. Gewoon ter nagedachtenis dan, ook aan de twijfelachtige etablissementen in de streek waar hij opgegroeid was : de Red Light te Maldegem en de Clio te Donk, waar pastoor Dewitte vaste klant was in de jaren van Somers’ laatste geloofstwijfel. In het college hadden ze nog geprobeerd het erin te wrijven, door meditatie die weifelaar het licht te laten zien, maar hij had daarbij alleen maar aan fonkelende ogen boven in gehoorzaam, controleerbaar vlees met blonde lokken kunnen denken.   In de Clio en de Red Light, daar dronken de klanten al decennia lang Safir omdat ze die chichi bubbles kotsbeu waren en ook de 'nieuwe dienster' spoelde die andere zaken het liefst door met dit gerstevocht van brouwerij De Gheest. Gewoon parate kennis prevelde Somers, alsof hij aan de leegte uitleg verschuldigd was. Hij zoude er nooit durven binnengaan Somers, die toen al een mensenschuwe, het uitsluitend met zichzelf doende snaak was. Al had hij ooit wel eens aan een ezelin als liefdessubject gedacht, en die siliconeloze meisjes uit de Snoecks, die woonden veel te ver.   Safir deed hem ook aan zijn verwekker denken. Die man, zijn vader dus, had op een dag besloten om bij Discount Maenhout te Sijsele tien bakken te kopen van dit merk. ‘In reclame’ en hij zoude zo wel zeventig Belgische franken besparen. De aankoop konde maar net achter in het voertuig met nummerplaat C.492.P, een grijze Ford Taunus ‘stationwagon’ (best op zijn Engels uit te spreken). Zijn vader, een vrouwenzot, met straks in de kelder tien bakken cabardouchebier, mama's zwijgen, krampachtig, Croky, mijmeringen en een zakje paprika chips voor de jonge Somers.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks  'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
2 0

Ander bier (3)

Dat Arabella op Stella rijmde, ochot so what. Ze was lief, gaf hem wat te doen en dat hield hem elders weg. Haar bril was zwaar en ze had mooie mildgele manen. Geen Shetlandpony, shit neen. Een malse merrie met welgevormde poten, hoge hakken soms. Zij werd enkel door droomprinsen bereden, durfde Somers te vermoeden. Menselijke oren had ze, waaraan hij wel eens iets vertelde, over zijn duiven, over die eenden en die konijnen, alles door elkaar zoals dat lekker mocht bij haar; dat hij het ooit in Brugge op de Potterierei gezien had : een tamme witte eend samen met wildgekleurde woerd, een exotisch koppeltje, verduveld interessant en bij die beestjes ging dat blijkbaar wel als vanzelf, maar bij die vogels : "Verdorie, postduiven doen het enkel met postduiven". En over hoe zacht een konijn wel kan zijn. Het gevoel zat hem nog in de vingers. Alhoewel, dat witte exemplaar met die rode ogen, waarvoor hij als kind eigenhandig een kotje getimmerd had, was eerder onaaibaar, zelfs behoorlijk agressief bij momenten. De kiekendraad gewoon doorgebeten door dat naamloze schepsel. Hij maar wanhopen, rondlopen, zijn padvindersogen wijd open om het (‘het’ was een ‘zij’) terug te vinden. Des avonds dan toch, en waar? Bij die holen van de wilde konijnen, ver weg achter de populieren, voorbij het kapbos, daar bij de braambesstruiken.   Enkele weten later –hij had al gemerkt dat zijn konijn zich de zachtste haartjes begon uit te trekken om iets te maken wat op een nest geleek- was het zover : een tiental kleintjes werd geworpen, alle met de kleuren van hun onder de bramen levende vader. De dominantie van de wilde genen, dacht het brein van de jonge Somers. Maar bij zijn gedomesticeerde duiven lukte dat allemaal niet : geen wilde vogel die hem aan zwarte piepers wilde helpen. Was het maar zo gemakkelijk als bij hortensia’s. Men gooide wat aluin op de wortels en hopla : de bloemen waren blauw. Of zoals bij die forellen : men gaf ze carotenen te eten en het vlees, het vissenvlees, werd zalmroze en die bedriegers konden die beesten gemakkelijk duurder verkopen als ware het in het wild gevangen zalm. "Dan geeft men best geen aluin aan forellen", lachte Arabella. Somers genoot van haar lach, die hem prikkelde en ook thuis wel eens door zijn gedachten schoot net voordat zijn linkerhand zich ging vullen met het zaad. Voor de duiven en zonder kleurstoffen. Ze vertelde nog iets over de betere bereiding, met pittige Rodenbach en pruimen, maar Somers konde zich enkel nog een voorstelling maken van haar ‘lekkere konijn’, het kroezeldier dat erin slaagde circa tachtig centimeter boven de grond te blijven zweven. Het bestaan ervan deed hem dromen, van een godsvruchtig circus en een verzwelgend mirakel.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks  'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
0 0

Ritselend riet

Het landschap waar hij naar teruggekeerd is, lijkt in geen enkel opzicht op de plaats waar hij opgegroeid is. Waar ooit talloze hutten, waaruit mensen vrolijk heen en weer liepen, tegen elkaar geplakt stonden, terwijl geluiden en heerlijke geuren zich mengden tot een gezellige drukte, is het nu onnatuurlijk stil. Zelfs het riviertje dat vroeger levendig kabbelde, stroomt traag en moeizaam.Abdul bukt zich en neemt een handvol aarde. Het voelt droog en onvruchtbaar aan. Het verwondert hem niet dat niemand zich hier opnieuw gevestigd heeft. Zij die net als hij teruggekeerd zijn, moeten zich hetzelfde gerealiseerd hebben: het land, ooit zo vol van leven, heeft het nu voorgoed opgegeven. De oorlog is er nooit in geslaagd de mensen de mond te snoeren, maar heeft het land haar stem ontnomen.De plukken riet die her en der aan het riviertje staan, zijn het enige teken van leven. Het stemt Abdul triest dat het zijn geboortedorp zo vergaan is. Hoe vaak hij als vluchteling ook verjaagd, uitgescholden of slecht behandeld is, steeds konden de herinneringen aan deze plaats hem overtuigen vol te houden. Hij wist dat hij op een dag terug zou keren. Dat had hij zichzelf beloofd toen hij het land ontvluchtte. Maar in tijden van hongersnood en onzekerheid worden beloftes vaak naar de achtergrond verdreven. Hoewel Hava toen hij met haar trouwde had aangegeven dat ze ook verlangde terug te keren naar het dorp waar hij geboren was, hadden ze het plan uitgesteld tot ze voldoende geld bijeengespaard hadden. Wellicht zouden ze wel verhuisd zijn, als zij niet al snel zwanger was geworden. Toen Fevzi geboren was, beloofden Abdul en Hava elkaar dat ze ooit wel zouden verhuizen, maar na de geboorte van de meisjes, wisten beiden dat ze niet meer zouden vertrekken.Abduls belofte aan zichzelf om terug te keren, was toen al vervaagd naar het verlangen om met zijn gezin op bezoek te gaan naar zijn geboortedorp. En ah, na de ziekte van Hava en de kosten aan het dak, werd ook dat op de lange baan geschoven. Maar het verlangen bleef. Altijd. Dat er niets zou zijn om naar terug te keren, had hij niet voorzien. Hij had zich nooit gerealiseerd dat dat ook een mogelijkheid was. Misschien is het beter, spreekt hij zichzelf toe, dat hij het nooit geweten heeft.Abdul laat zijn blik een laatste keer over het droeve landschap glijden. Al die jeugdherinneringen die hij zijn hele leven gekoesterd heeft, dringen zich aan hem op. De plaats waar zijn moeder manden maakte, het dorpsplein, de kruidenwinkeltje waarin zijn vader gewerkt had,... weg, alles is weg.Overstelpt door verdriet en heimwee naar een plek die niet meer is, sluit hij zijn ogen. Zijn mond opent zich en zijn lippen vormen de woorden van het lied dat zijn moeder voor hem zong toen hij klein was. Steeds luider zingt hij het lied. Hoewel hij nog zelden zijn moedertaal spreekt, herinnert hij zich elk woord feilloos. Het doet hem pijn hoe nergens vogels opvliegen of kinderen nieuwsgierig komen kijken, hoe niets in het landschap teken van leven geeft bij het horen van het steeds luider klinkende lied. Toch zingt hij trots verder. Het landschap werd de mond gesnoerd, maar hij zal nimmer zwijgen.Pas wanneer het donker is, keert Abdul terug. Voor de tweede keer verlaat hij zijn geboortegrond. Voorgoed deze keer, weet hij. Nooit zal hij hier weerkeren. Met het afscheid van de plaats waar hij geboren is en zijn kindertijd heeft doorgebracht, neemt hij ook afscheid van een stuk van zichzelf. Hij voelt zich verweesd, meer nog dan toen zijn ouders stierven. Langzaam slentert hij weg van de grond waarop zijn voorvaderen generaties lang geleefd hebben. Morgen rond deze tijd zal hij alweer thuis zijn, weet hij.  Zijn geboorteland draagt hij voorgoed in zijn hart, maar zijn plaats is bij zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen.Bij zonsopkomst, wanneer Abduls vliegtuig opstijgt, waait de wind door het riet nabij het riviertje. Speels ritstelt het, steeds luider en luider, tot het lijkt alsof het riet neuriet. Eerst overstemd door de wind, maar nadien duidelijk hoorbaar klinkt een bekend Arabisch slaapliedje voor kinderen over het verlaten land.

Fuaran
0 0

Sophia

Natuurlijk waren we dol op het huis, maar ik denk dat de echte reden dat we het kochten, de vlaggenmast was. Die stond aan de linkerzijde van het huis en Sophia was er meteen dol op. Het was vreemd hoe snel de vlaggenmast een plaats in ons leven kreeg. We maakten er een sport van om zo veel mogelijk vlaggen te verzamelen. En hoewel ik mijn uiterste best deed, was het Jonas die elke vlag leek te kunnen bemachtigen. Ik heb nooit geweten waar hij ze vandaan bleef halen. Of het nu om Hawaï of om Oezbekistan ging, alle vlaggen kon hij vinden. We vierden de nationale feestdagen van talloze landen waarvan wij niet eens wisten waar zij zich bevonden, door hun vlag te hijsen. En Sophia genoot met volle teugen. Als de zon scheen, zat zij soms uren in haar rolstoel onder de vlaggenmast. Trots als een pauw keek ze vanaf haar plaats onder de vlag naar de voorbijrijdende auto’s, als was ze een langvergeten erfgenaam van de troon van het land in kwestie.De periodes die zij noodgedwongen in het ziekenhuis doorbracht, vroeg zij ons elke dag welke vlag er aan de vlaggenmast hing. Wij vertelden haar dan welk land zijn nationale feestdag vierde en beschreven haar de kleuren van diens vlag. Jonas probeerde zelfs haar elke dag iets over het land te vertellen. Hij vertelde haar over het klimaat, over de mensen en waar zij in geloofden, over de plaatselijke gebruiken en over de dieren die er leefden. Van tijd tot tijd verraste hij haar door enkele woorden in de taal van het land in kwestie tegen haar te spreken. Hij telde tot vijf in het Swahili en stelde zich aan haar voor in het Russisch. Of dat deed hij ons toch geloven, want natuurlijk zouden wij het niet geweten hebben mocht hij een fout maken. Maar Sophia genoot, dus waren wij tevreden. En Jonas misschien wel het meeste.De dagen dat er geen nationale feestdag werd gevierd, of we de vlag van het vierende land niet bezaten, logen we, want niemand wilde haar het plezier van de vlaggen ontzeggen.Ik herinner me nog heel goed hoe Jonas op de dag dat ze voorgoed haar ogen sloot, een witte lap stof nam en er een wereldbol op tekende. Onder de wereldbol schreef hij in grote drukletters haar naam. En wanneer ik nu, jaren later, op zonnige dagen voorbij het ouderlijke huis rijd, zit hij daar, in een tuinstoel onder zijn vlag. Fier als een pauw, alsof de wereld van hem is. En dan weet ik dat Sophia tevreden toekijkt.

Fuaran
3 0
Tip

Nog niet te laat

"Ze zeggen dat de tijd alle wonden heelt, maar zo ervaar ik het niet. Het lijkt alsof de dagen zout in de wonden strooien en het verleden elke dag wat pijnlijker aanvoelt. Ik weet wat je denkt... je vindt natuurlijk dat ik laat ben. Misschien wel te laat..."Terwijl Hendrik nadacht over het gegeven dat hij misschien inderdaad te laat was om de schade te herstellen, hield hij zijn hand voor zich uit, alsof hij zijn vader wilde beletten in te gaan op wat hij net gezegd had."...maar daar ben ik het niet mee eens, vader. Ik ben jouw bloed en ik wil alles doen om het bij te leggen. Het is niet te laat, dat weet ik wel zeker."Even wachtte Hendrik tot vader iets zeggen zou, maar vader was zoals hij altijd al geweest was: zwijgzaam. Hij staarde uitdrukkingsloos voor zich uit. Hendrik kon niet afleiden uit de mans gelaatsuitdrukking of wat hij gezegd had hem iets deed."Het zal je misschien verbazen, maar toen ik tegen je zei dat ik je nooit meer wilde zien... ik heb mijn woord niet gehouden. Ik zag je elke dag, vader. Elke keer wanneer ik in de spiegel keek, zag ik jou. Elke keer wanneer ik sprak, herkende ik jouw stem in de mijne. Jij bent bij me gebleven in mijn voorkeuren en gebruiken. In de manier waarop ik mijn krant lees, eerst het lokale nieuws en dan pas de hoofdpunten. In mijn voorkeur voor zwarte koffie met één blokje chocolade. In mijn hoofd dat op net dezelfde plaatsen begint te kalen als het jouwe. Je hebt me nooit verlaten, vader."Hendrik gaf zijn vader de tijd om het nieuws te laten doordringen. Hoewel de gelaatsuitdrukking van de man niet veranderd was, wist Hendrik dat zijn thuiskomst na al die jaren hem moest overdonderen. Vader was nooit een man van veel woorden geweest. Vroeger was het moeder geweest die in zijn naam gesproken zou hebben, maar moeder was er nu niet. Toen hij haar eerder die dag het nieuws verteld had dat hij weer in de buurt zou komen wonen en het contact wilde hernieuwen, was zij in tranen uitgebarsten en had zij gedurende het gehele gesprek gesnikt. Zij was slechts een vage schim van de sterke vrouw die zij vroeger was geweest. Het was op het moment dat Hendrik zich dat gerealiseerd had, dat hij besloten had het gesprek met vader alleen te voeren. In tegenstelling tot de transformatie die moeder ondergaan had, was vader geen haar veranderd. Hij was nog steeds de stuurse, zwijgzame man die hij zich herinnerde."We kunnen het inhalen. Al die verloren jaren. Ik heb een huis gekocht in de buurt. In een zijstraat van de Molenstraat, waar je vroeger werkte. Je weet wel, de Akkerstraat, daar waar tante Julia nog gewoond heeft... uhm... het witte huis, het derde aan de linkerkant denk ik. Nu kunnen we elkaar elke dag zien. Ik zal je voorstellen aan Marie en aan de kinderen. Ik weet dat je twijfelt, maar het lukt ons vast om het bij te leggen. Voor je het weet, is het weer net als vroeger."Hendrik knikte overtuigd om zijn woorden kracht bij te zetten."Morgen kom ik terug, vader. Dan vertel ik je alles."Voor Hendrik zich omdraaide, bestudeerde hij zijn vader nog eens, die nog steeds onbewogen voor zich uitstaarde. Hij liet zijn blik nog één keer over de figuur die hij verafgood en gehaat had glijden. Zijn held. Zijn evenbeeld.De sierlijke letters boven hem waarin'Jacob MichielsenLiefdevolle echtgenooten vader1925 - 2008' was geschreven, trokken even zijn aandacht, maar lieten deze al snel weer los. De kiezelsteentjes knerpten onder zijn voeten wanneer hij in gedachten verzonken naar huis terugkeerde. Het was nog niet te laat. Hij wist het zeker.  

Fuaran
0 0

Ander bier (2)

Somers had geen rood kraanwagentje, niet eens een fiets en hij was gehuisvest zeven hoog naast de machinekamer van een lift. Beneden was er geen portier, wel een man met een kooi. Daarin twee kleurige parkieten, de ene geelgroen, net als die aardingskabel, de andere lichtblauw met wit, als de lucht op een flauwbewolkte dag. Het was ongetwijfeld een man zonder smaakpapillen want aan zijn PMD-zak te zien dronk hij Cara Pils uit blik, een bier door sommige des lands Colruyterige dwalers op hun blogs schaamteloos omschreven als een ‘dierbaar godendrankje’, als ‘cultureel erfgoed’, hetgeen Somers ook aan de tijden dat men in de Humo nog artikels kon lezen over wezens die uit volle overtuiging urine dronken, deed denken.   Al waren dat eigenlijk Somers’ zorgen niet. Wel dat onderweg naar Mariakerke, de mensheid hem weer eens te grazen zoude nemen, spoorwegarbeiders bijvoorbeeld. Dat stelletje staakgrage stumpers zoude hem van die wagon halen en Somers vertikte het om ooit enige documenten als een identiteitskaart (de term alleen al) bij zich te dragen. Als ze het woord konden uitspreken, zouden ze hem een ‘sanspapier’ noemen, hem voor de veiligheid in zijne puren in het transformatorkot opsluiten en de spoorwegpolitie bellen. Twee van die gasten met een glimmelde knuppel zouden hem, die loslopende ‘staatloze lul’ eens meenemen naar dat kamertje achter in het seinhuis, waar dat spijkerbedje stond. Ze gingen hem daar eerst eens goed desinfecteren, zuiverheid bijbrengen, hem eens goed de levieten lezen, het in zijn grijze cellen graveren, dat alles en iedereen ergens toebehoort en dat dit met documenten gestaafd diende te worden. Capito? Of dat hij anders maar in de internationale wateren moest gaan zwemmen in de hoop ooit Bir Tawil te bereiken. Dan toch geen dwazeriken, die Bergadler zuipende Ariërs. Van de Lidl, jedoch uit blik.  Ten eerste, steke men echt bier nooit in zo’n schuimverdelgend aluminium blik, dat men trouwens onmogelijk kon uitschenken zonder een abominabele schokgolf te veroorzaken en, ten tweede, kon men moeilijk eender welke fletse drek gemaakt volgens die horribele methode die men ooit in Plzen bedacht had om sneller (lees: rendabeler) te brouwen, ‘bier’ noemen, hoogstens een regenachtig aftreksels voor de zatte varkens waarmee die uitgekookte unipilsmagnaten zowat de ganse wereld overspoelden. Als ze er maar genoeg reclame voor maakten, dan kochten en dronken die pummels echt alles. Geen man wist verder waarom.   Wat Somers wel wist was dat het hem op een dag zou lukken, pekzwarte duiven te kweken, daar in dat hok op het dak, al was weinig succes een constante in zijn leven en hadden alle tot op heden geboren kuikens later een grijze tint gekregen of erger nog, waren ze gewoon afgrijselijk, zelfs gevlekt. En zijn pogingen om de duivinnen met zuiverzwarte vogels van ongeveer dezelfde grootte zoals een roek, een kauw te laten paren, waren alle mislukt. Niks, nada, nougabollen. Die beesten vertikten het gewoon op elkander te kruipen. Onbegrijpelijk.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks  'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
2 0

Met mijn klok op vijf na twaalf

Net als het laatste album van de meest geweldige artist, John, is het leven nooit volledig af. Maar het komt toch tot een einde. Dit samen met dat je geen voorbeeld krijgt om je leven tot een goed leven te krijgen, is het rotte en het geweldige aan al het geklop van je hart. Het idee dat je nu waarschijnlijk krijgt van mij, is dat van een ouwe zak dat melancholisch naar zijn leven kijkt bij het voederen van eendjes op een bank ik het park. Liefst nog met een sigaar of pijn in de hand. De ouwe gek die je je voor ogen moet houden bij het lezen en meeleven is niemand meer dan de man die jij denkt die ik ben. Hoe kan je nu iemand leren kennen zonder hem of haar jaren lang te observeren en telkens te beredeneren of het wel zou lukken voor jullie twee. Gho nog iets wat eigenlijk moet aangeleerd worden voor we geboren worden. Hoe we zien dat je samen hoort bij iemand. Hoe je zeker weet dat je van je eigen pietlullige leventje, een geweldige team kan maken tussen man en vrouw, vrouw en vrouw, man en man. We laten even de dieren en rare gewoonten er uit. Maar geluk dat er ooit iemand was die het “ scheiden “ heeft uitgevonden. Of de mogelijkheid om te zeggen dat je niets meer met elkaar wil te maken hebben. Je zegt bij het begin van een relatie nooit meer ik zie je graag omdat je weet dat niemand echt bij elkaar past. Nu zit ik niet enkel de eenden te voederen maar ook te lachen. Ik begin zaken te verkondigen over zaken die ik nooit heb kunnen vasthouden. Het enige wat ik kan vasthouden is het leven en dit is nog met tegenzin. Ik ben nu veel te oud om aan liefde, kinderen, toekomst te denken. Ik wou eerst zeggen seks maar daar is een man en eigenlijk een vrouw ook, nooit te oud voor. De noden des levens blijven voort bestaan. De vlam tot leven blijft branden ook al is de toekomst al op de grond en sta jij nog op het dak van je flatgebouw. Al  staat de moed in je schoenen, die schoenen brengen je overal waar je wil. Niemand wil gewoon de stap maken naar verder. Ze blijven onder de kerktoren wonen, werken, voortplanten, praten, slapen. Ze zouden er tegenwoordig alles onder doen. Het voortplanten wordt ook binnen gedaan, werd altijd binnen gedaan. Over het roken heb je wel gelijk. Ik ben terug begonnen. Het leven eindigt toch. Ook heb ik ergens gelezen dat gerookt vlees langer goed blijft. Het is niet dat ik hoop op een langer bestaan dan dat ik al achter de rug heb. Gewoon dat als de tijd er is, dat ik nog goed ben voor de pieren die aan mijn tenen zouden komen knabbelen. Nu is het voor het plezier mijn pijp. Een Dunhill, ik heb me weinig gegund in mijn leven en veel is afgepakt. Het laatste wat ze mij gaan afpakken is de rook in mijn longen. Want die blaas ik uit samen met mijn laatste adem. Laat me het maar zien als een toegangspas naar de vrije wereld. Een wereld naar hoe ik hem wil. Geen vrouwen die alles afpakken, geen vrouwen die je laten vallen. Geen mensen die zeggen dat alles wat je in je lichaam steekt er slecht voor is. Zelf teveel fruit zorgt voor diarree. Binnen een paar maand zeggen ze toch tegen mij dat ik beter 2 meter onder de grond zo liggen. Eerst voel je je moe, dan terug goed en dan ga je samen met al je dromen de grond in. Het leven is voor mij net een papieren bootje dat je in zee dropt. Je denkt dat alles goed gaat en dat het overeind blijft. Tot als je verder kijkt en de golf ziet afkomen die het mee naar de bodem trekt. Wanneer het dan terug naar boven komt heb je terug hoop. Het laatste wat je dan ziet is het gat in de bodem en het water dat het op de bodem houdt. Ach het is gemakkelijk praten voor iemand die alles heeft gehad en het daarna heeft versmeten om met een vrouw de lakens te delen. Het je leven toe te vertrouwen om daarna alles in je gezicht te krijgen. Geloof mij het komt aan. Net zoals het brood dat ik naar die ene eend haar hoofd gooi. Ze komt te dicht. Net zoals vrouwen, ze komen te dicht waarna ze je proberen heropvoeden. Te Beïnvloeden, om daarna te zeggen dat je niet te vertrouwen bent. Het enige waar je op kan vertrouwen is dat er altijd grond is. Je bent altijd geboren op iets dat op de grond staat. Je keert ook altijd terug naar ergens waar er grond is. Al is het binnen een paar jaar een toren met doodskisten. Een automaat waar je nu Cola uithaalt, daar haal je dan de kist van je oma uit. Of de kist van je jongste dochter dat gestorven is omdat. Omdat er juist iets beslist heeft dat zij moest sterven. Omdat een dokter nog niet zo ver stond om toe te geven dat hij niet wist wat te doen. Maar hij vind het erg dat ze gestorven is. Want waar moet hij nu zijn nieuwe Casa in zuid-Spanje met betalen? Hij kan moeilijk één van zijn maitresse laten vallen. Met die ingesteldheid is de wereld nu kapot. Deze vijver waar ik nu aanzit, is eigenlijk een groot gapend gat waar de bommen van iedere continent vielen. De plaats waar duizenden zijn gevallen, mensen en bommen bij elkaar. Als één grote familie.  Het gezellig samen opbranden tot er niet veel meer overschiet. Gelukkig is er aan de Atoombom nog iets goed. De mensen die ze afvuren gaan er zelf ook aan. Diegene die stom genoeg zijn om te moorden en daarna verschieten dat ze zelf sterven, ook al wisten ze het voor ze het vuurde. Die hebben we hier nu niet meer. Het gene wat we hebben zijn mensen die aangepast zijn of die voor jaren nog dieper onder of nog hoger boven de grond hebben geleefd. Dat ik hier nu nog de eenden aan het voeder ben is omdat ze in Noorwegen niet enkel bezig waren met zaadjes op te slaan van planten. Maar ook eieren en zaden van dieren.  Global warming was zeer goed op dit soort vlak. Het zorgde eigenlijk voor een reactie van de natuur tegen de mens. Iedereen moest dichter op elkaar leven, wat zorgde voor conflict. Het ijs smolt voor een paar jaar,100tal. Maar uiteindelijk vroor het op sommige plaatsen meer dan 4 jaar. Waarna het even niet meer vroor maar voor de komende 50 jaar wel. De rest werd dan terug een grote zandbak. Ze kwamen aan alles wat de natuur te bieden had. Olie, hout, steenkool, vruchtbare grond, onvruchtbare grond, de zon, de maan, de wind. En de laatste 3 zijn nog de beste. Het gene waar ze afbleven was het water. Ze moesten er niet meer aankomen ze konden het zelf maken. Het was een idee van Zuid-Sahara. Een grote zandbak waar weinig mensen speelde met zout water. Ze konden het zout er uithalen, maar je kan niet altijd zout op je eten doen. Chemici sloten zich dan maar voor een paar decennia op om “water” te maken. Iets kunstmatig dat ervoor zorgde dat je niet kon uitdrogen. Ze maakte het eigenlijk overbodig. Cellen in je lichaam hadden geen water meer nodig. Het vloeibare goedje nam plaats en functie van het water over. Wanneer een cel afstierf kroop het gewoon in een andere cel. Typerend voor iets nieuw is dat er altijd een tegenzijde is van de medailles. Het ging niet weg. Water wordt afgevoerd door de nieren. Deze stof “New H20” of المياه الجديدة stapelde op in het lichaam. Zorgde ervoor dat nieren en blaas afstierven. Met als antwoord kwam er dan terug dialyse. Gemakkelijk we voeren alle afvalstoffen af en we verdienen er nog wat aan ook. De mensen die het niet konden betalen zwollen op en werden “waterballonnen”. Heb je ooit een ballon gevolgd als hij opsteeg naar de ruimte? De heliumdeeltjes kruipen dichter tegen elkaar waardoor de ballon verschrompeld en uiteindelijk komt er een gat in de ballon. Ook gewoon omdat de helium vloeibaar gaat worden en bevriest. Dit gebeurd niet, integendeel ze zwellen op. Juist gaat onze huid niet zo mee als plastiek. Om alles wat korter te zeggen, boem! Ze konden er niet aan doen, het was hun fout niet. Ze waren gewoon blij met een nieuw speeltje. Het begin van Facebook, net het zelfde. Zeker wanneer we onze status konden updaten via de “smartphone”. Zo slim is dat toestel ook niet. Je moest zeggen wat het moest doen. Tot op de dag ze er in sloegen het een eigen wil te geven. Het was gemakkelijk voor ons. We liepen rond met onze “smartglasses” en dachten na over wat we wouden. Openen van onze outlook account werd gedaan door 1 gedachte. Tot de bril besliste jou gedachten te openen met 1 outlook. Dingen vergeten, dingen onthouden dat er niet waren. Het erge was domme mensen slimme mensen inhuurde om dit te controleren. Het was niet de eerste wereldoorlog. Het was niet de eerste keer dat mensen bevelen volgde zonder er over na te denken. Maar deze keer was anders. Ze vochten door zelf al hadden ze niets meer op te vechten. Een vergelijk met de eeuwen oude monty python films is niet zo ver weg. Een armloze hersenloze man die vecht tegen zijn armloze hersenloze tegenstander. Ik zou willen zeggen dat wij slimmer waren. Maar wij hadden gewoon geluk. We leefde tijdens de grote inval niet op aarde. We hadden het voorzien, onze ideeën waren anders dan de rest van de wereld. We leefde met de natuur in plaats van de natuur te verbruiken. Het was niet gemakkelijk. We moesten onze waardevolle spullen samenleggen om een stuk grond te kopen. We kregen niet veel van de dictator van toen, maar het gene wat we hadden was voor ons waardevol. Iedereen wist het al lang, maar niemand wou er geld in steken. Onder de Sahara ligt er een groot meer. Je zou et niet verwachten, je zou twee dingen eigenlijk niet verwachten. Ten eerste dat het er ligt, ten tweede dat de mensen die het wisten nooit hadden gebruikt. Al was al het water onnuttig door het nieuwe dat ze gevonden hadden. Daardoor was inderdaad grotendeels van het water onnuttig, vervuild eigenlijk. Buiten ons ondergronds meer schoot er niet meer van het heerlijk H2O over. Het idee dat we hadden was om schaduw te maken in onze grote zandbak. Het zou de zon tegenhouden en misschien zouden we dan aan landbouw kunnen doen. Het was op hoop van zegen. Maar na een paar jaar was de hoop weg samen met een paar honderd mensen. Ze liepen over terug naar het gene wat ze gewoon waren. Zielig wel, een paar dagen laten zou er niets meer van hen overblijven. Samen met de hoop om iets nieuw te beginnen. Ik snap hen wel, de angst is er altijd bij iets nieuw. Al is het maar het eerste gesprek dat je hebt met iemand nieuw. Kan je haar vertrouwen, wat moet je zeggen, zou ze je willen veranderen, wat zou ze drinken, wat eet ze graag, hoeveel kinderen zou ze willen. Zie zij ook het leven dat ik zie. Want veel zou ik je niet kunnen bieden. Het enige wat we nu al kunnen is een paar groenten kweken en zwammen. Maar iets meer van weelde? Je zou ons het beste kunnen vergelijken met een zwerver. Onze kleren doen we uit als het warmer wordt, maar van de moment dat het koud wordt doen we alles over elkaar aan. Qua cultuur en onderwijs kunnen we enkel bieden wat we kennen. Maar zoals iedereen weet gaat er veel verloren. Ook onze herinneringen aan vroeger. Soms denk ik er wel nog eens aan. Dat ik het probeerde om iemand alles te geven. Maar meer dan wat er nu op deze bank zit kan ik niet bieden. Buiten de dromen, maar die kan ik niet naast mij plaatsen. Die zijn al lang vervlogen. Ik droomde eerst van een weelde. Iets nieuw, samen met vele andere mensen. Ergens iets waar iedereen gelijk was, waar iedereen het recht heeft zichzelf te zijn. Om met elkaar samen te leven in de plaats van , van elkaar. Voor de eerste jaren ok. Zoals ik al zei na een paar jaar, paar tientallen jaren. Konden we iets anders eten dan de vis die niet giftig was. Het eerste waar we ons zorgen om maakte was het water. Het was er, maar het lag diep. Dieper dan de hoop die we hadden om het te vinden. Rantsoeneren, zout water condenseren door de zon. Die hadden we voldoende. We leefde niet, we overleefde. Het was een stap terug in de tijd. Iets wat mensheid redde, tenminste volgens ons toch.  Onze eerst “hol” dat we maakte was voor een paar mensen. De rest sliepen nog in de tenten dat we mee hadden gebracht. Je moet niet vergeten we waren in totaal met 403 man en vrouw. Na het verkrijgen van een nieuwe thuis onder de grond. Ergens hadden we een geschiedkundige of 2 3 mee. De enige slimme mensen die de geschiedenis bestuderen. De rest kent hem maar leert niet uit de fouten van vroeger. Mijn overgroot vader sprak veel met hen. Hij zorgde ervoor dat zij alles opschreven.  Uit één van de werken van de enige vrouw, Ineke, vonden we dat er vele jaren terug geprobeerd is om een universele taal te maken. Het Esperanto genaamd. Vandaar ook de naam die wij geven aan onze gaten in de grond. Loĝi inter la bazo, het is wat het is . Het is de letterlijke vertaling van een “thuis onder de grond”. Dat was het voor ons. De hoop dat we ons ergens thuis konden voelen. Ergens anders botste we telkens tegen de stroming. Hier konden wij de stroming zijn. Het ging goed de jaren nadien. We maakten onze gaten groter en dieper. Uit de verlaten steden konden we sommige dingen leren en meenemen. Het opstarten van iets nieuw. De gewassen waren denderend, we konden zelf wat dieren houden. Er was meer hoop dan dat we aankonden. De eerste generatie werd oud. Veel ouder dan dat iemand ooit had gedacht. Vroeger klonk het oneerlijk om ouder te worden dan honderd. Nu klinkt het oneerlijk om jonger te zijn. Alles is verlengd, van leven tot voorplanten. Door jaren en jaren te leven onder constante straling is een deel van ons uitgestorven. Het deel dat ervoor zorgde dat we ons natuurlijk konden voortplanten. Eigenlijk niet, maar we doen het niet meer voor de kinderen. Het is lelijk te zeggen maar de gedrochten dat we kregen. Het was niet enkel kinderen met Turner of Klinefelter. Allerlei mutaties, waarvan een extra arm nog het beste was. Zeker wanneer je hem nog kon bewegen. Neen seks is nu voor de seks. Heb je goesting dan heb je seks. Wil je kinderen dan ga je naar de bank. Vroeger was het revolutionair en groots. Nu kan je je zonen en dochters zelf kweken met wat DNA. Het gebeurd op de zelfde manier. Maar op een Petri schaaltje en in een vruchtwaterbak. Je voegt het DNA van 2 mensen samen en je hebt een kind na loop van tijd. Hierdoor kunnen we alles controleren. We kunnen het langer laten “ rijpen” zodat het slimmer, sterker, kort door de bocht beter is. Een kind krijgen bij ons duurt 5 jaar.  Wat niets is al je er 300 wordt. In het begin liep alles hierbij fout. We creëerde eigenlijk het zelfde dan met de natuurlijke gang van zaken, mutaties. Vandaar ook de oorlog. Vele mensen wouden deze “ mensen” laten vernietigen, waar andere ze wouden houden. Ze proberen een menswaardig bestaan geven. Maar welk bestaan heb je zonder huid. Dat kwam verbazend veel voor. Het vliesje dat ze hadden was te vergelijken met een druppeltje water dat rond hen hing. Een bubbel dat zo barste. Vandaar het lumineuze idee om niet meer aan natuurlijke voortplanting te doen. Het werd zelf bij wet verboden. De eerste betogingen gingen vreedzaam. Maar dit bleef niet zo. Het ging al snel over naar een gewapend conflict. Mensen hadden seks op elk groot plein, voor elk federaalgebouw. Met als einde de ene Atoombom na de andere. Alles wat niet meteen werd verschroeit, werd bestraalt. Vanbinnen uit kapot gemaakt.  

stijn
0 0

Ander bier (1)

Niet wel doch bedacht, zoude hij springen Ignace Somers. Achter op een goederentrein in de havenstad Z. om veel verder in het dorp M., laat het ons Mariakerke noemen, in die scherpe bocht, waar het ijzeren getrek ongetwijfeld zou vertragen, er weer af te springen. Het achtertuintje grensde aan het spoor, zoete koekjes in de oven, schuifdeur op een kier, bokaal met straffe pepertjes in de kelder, daar twijfelde hij niet aan. Zijn stem die enkel doorheen brieven gespookt had en dat ene gesprek lang geleden in dat bejaarde etablissment op de dijk waar van dat urinekleurig fluutjesbier getapt werd, zouden levendig gebleven zijn. In de rug en als een tweepotig luipaard zoude hij dichterbij sluipen, door die schuifdeur, die zijn gepiep voor even achterwege liet, met zijn handen haar beide wangen stevig vastnemen en terwijl ze de halfgewassen pot nederzette, zoude hij fluisteren dat ze niet mocht omkijken. Gillen ging ze niet, wel zich de polsen laten vastbinden met geelgroene aardingskabel zoals in de brief van elf september, en gewillig naar het multifunctionele tapijtje schuifelen. Het mocht wat pijn doen, dat besef hadden ze beiden wel, maar hij had er toch niet over gesproken in zijn brieven, over dat achterste gaatje. Op die wagon zijn spel misschien met wat vaseline instrijken, dacht Somers. Schuilde in goed gekozen pijn immers niet meer tederheid dan in het liefbedoelde strelen van een pluizig kattejonk of een weg te schenken boeketje boterbloemen? Een kompas was niet nodig, meende hij. Het was zoals beschreven en gepland langs de kant van het zitvlak te doen. De kijkrichting kon onmogelijk belangrijk zijn. Het goddelijke dons noch het hol van de hellehond bevonden zijn immers in een bepaalde windstreek. Ze zouden beiden gewoon naar de hemel staren, de schuifdeur schouderbreed open voor de frisse lucht.   Dorst en hij schonk nog wat van het kegelvormige flesje in zijn glas. Straks ging hij naar Arabella, naar het kingloopwinkeltje waar hij de literatuur netjes schikte, de gore boekjes steevast 50 cent duurder prijsde, ze in het rekje pal tegenover de bijbeltjes plaatste en gisteren nog ‘Ons Kookboek’ aanbeveelde aan een gesluierde vrouw. Tevergeefs. Hij hoopte desalniettemin, dat ze daaronder geen string droeg, maar wel zo’n synthetisch niet al te spannend, zwart voetbalbroekje.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks 'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
0 0

Het zwembad

Koos was al geruime tijd niet meer in het zwembad geweest. Er was hier echter niks veranderd, constateerde hij, terwijl hij zijn kleedhokje afsloot. De tegels op de vloer niet, de zachtgele muren niet, zelfs de plastic kledinghaken waren nog dezelfde als voorheen. Normaalgesproken deed hij op woensdagmiddag weinig bijzonders. De krant lezen of even zijn rug strekken op de bank. Sinds hij op advies van de bedrijfsarts nog maar twee halve dagen per week op het verzekeringskantoor mocht werken, had Koos zeeën van tijd over. De eerste weken had hij veel moeite met al die loze uren gehad. Vooral vanaf een uur of een in de middag. Te laat voor nog een kop koffie, te vroeg voor een borrel. Vaak liep hij dan maar een extra rondje met Fikkie door het plantsoen, maar nu het buiten ijzig koud geworden was, deed hij dat voorlopig liever niet. In plaats daarvan schilde hij dan maar vast de aardappelen of dopte hij de sperziebonen voor de warme maaltijd.   Koos vouwde zijn kleren op en stopte ze in de stoffen boodschappentas. Bij gebrek aan slippers had hij zijn sandalen meegenomen. Hij had een hekel aan de vieze vloeren in het zwembad. Het was een ware kunst om ervoor te zorgen dat je niet in haren, pleisters of in een uitgesmeerd patatje stapte. Hij trok het touwtje van zijn zwembroek aan en stapte in zijn sandalen. Met een handdoek over zijn schouders en de boodschappentas aan zijn arm liep Koos de galmende geluiden van het zwembad tegemoet. Luid gejoel, een harde gil, kinderstemmen, een snerpend fluitsignaal. Koos was tien jaar terug in de tijd. Hij voelde het handje van zijn kleinzoon Max in de zijne en hoorde het aandoenlijke stemmetje ongeduldig vragen: ‘Opa, opa, zullen we samen van de glijbaan?’ Koos legde zijn tas en handdoek op een van de plastic kuipstoelen bij het raam en keek aandachtig rond. Het viel hem op dat er in het pierenbad een pinguïn, vis en kikker bijgekomen waren. Ze spoten straaltjes water uit hun bek. Max had dat vast erg leuk gevonden, dacht Koos. De digitale klok boven het diepe tikte doorlopend de secondes van een minuut af. Koos was benieuwd of hij nog steeds in staat was om een flinke duik te maken en binnen de minuut aan de andere kant van het zwembad weer boven water te komen. Hij vermoedde van niet. In de afgelopen jaren was hij van één naar twee pakjes sigaretten per dag gegaan. Evengoed stapte hij, achter twee slungelige knapen aan, de trap naar de hoge duikplank op. Onderwijl sprak hij zichzelf moed in. ‘Je kunt het, je kunt het,’ mompelde hij. ‘Wat zei je, mafkees?’   Verschrikt keek Koos op. Een van jongens keek hem recht in zijn ogen aan.   ‘Praat niet tegen mij, ouwe,’ zei de jongen. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei Koos. ‘Bek houden,’ antwoordde de jongen en hij draaide zich weer om. Voetje voor voetje stapte Koos even later naar voren. De donkere strepen op de bodem van het zwembad golfden zacht heen en weer. De duikplank leek hoger dan eerst. Had hij een acute vorm van hoogtevrees ontwikkeld? Of was het gewoon alweer iets waar hij plots in faalde? Hij voelde zich weeïg worden. Teruglopen was geen optie. De man achter hem tikte met zijn ring op de metalen leuning. Zoals de badmeester vroeger in gestaag tempo op het trapje klopte. Door-gaan. Door-gaan. Door-gaan.      Koos telde tot drie, haalde diep adem en stapte de duikplank af. Als een zoutzak viel hij naar beneden. Hij plonsde in het water, tikte met zijn tenen de bodem aan en kwam weer boven. In schoolslag zwom hij naar de kant en hees zich omhoog. Zijn oog viel daarbij op het bubbelbad, te midden van de stroomversnelling. Koos liet zich in de stroomversnelling glijden, sloot zijn ogen en liet zich meevoeren. Als hij langs een harde waterstraal kwam, werd hij even weggeduwd, wat een glimlach op zijn gezicht deed verschijnen. Om hem heen hoorde hij hoe de kinderen verwikkeld waren in hun fantasieverhaal over een schipbreuk. ‘Hou mijn hand vast, ik ga dood!’ gilde een meisje luidkeels. ‘Kan niet, ik ben te ver,’ riep een stem in de verte terug. Koos opende zijn ogen en stak zijn behaarde arm uit. ‘Hier,’ zei hij, ‘een stuk drijfhout, hou je maar vast.’ Het meisje keek hem aan en greep in de bocht naar de plastic palmboom. Koos dreef verder af en kon niet zien hoe lang ze zich vast bleef houden. In zijn volgende ronde door de stroomversnelling hing ze er niet meer en nam hij de afslag naar het ondiepe bad. Hij zwom onder het bruggetje door, totdat hij de bodem tegen zijn knieën voelde schuren en ging staan. Hij keek naar een jongetje dat van het kleine glijbaantje naar beneden roetsjte. ‘Opa! Kijk dan!’ hoorde Koos in zijn gedachten en hij zwaaide naar kleine Max. ‘Sta je lekker te gluren?’ vroeg een doorrookte Caballerostem achter hem. ‘Viespeuk!’ Met tranen in zijn ogen stapte Koos het zwembad uit, pakte zijn tas van het kuipstoeltje, schoof in zijn sandalen en liep naar de douches. Er was toch wel een hoop veranderd sinds kleine Max er niet meer was, constateerde Koos, terwijl hij het warme water op zijn hoofd liet kletteren.      

Juliëtte Rosenkamp
35 0

Tachtig jaar vooruit

Ze werd tachtig, en ze heeft spijt. Niet omwille van de leeftijd maar omdat niemand foto's nam. Met een echte camera. Iemand had toch, op deze bijzondere dag en bij het feestelijk diner kunnen denken aan de creatie van een aandenken. Die persoon had daar werk van kunnen maken; de mensen schikken bij de vier gangen op het menu. Het decor zag er huiselijk uit, hoewel hoegenaamd niets aan thuis refereerde. Er stonden bloemen in het midden, jassen hingen over stoelen. NIemand die ergens over hing van te veel drank. Er werden slechts twee beelden van het gebeuren vast gelegd, met de gsm. Je kon ze meteen zien, niet als aandenken maar als rechtstreeks verslag. De verjaardag is de nacht voorbij nu, het is een andere dag. Vanf nu is het uitkijken naar het jaar dat haar echtgenoot de tachtig zal bereiken. Twee jaar geduld en gezondheid. Zoveel dagen tellen, en dan de herhaling. Foto's. Kleurrijke? Of zou ze voor zwart-wit opteren? Portretten of groepfoto's? Wilde iemand op de foto? Mensen hebben vreemde wensen, verbonden aan een aversie of een verlangen soms. Ze had verwacht dat iemand een woordje zou spreken; rechtstaand en in de belangstelling van alle aanwezigen. De woorden zouden haar belonen, in de welverdiende kijker zetten, haar hart beroeren, ontroeren. Iemand had een tekst geschreven, maar het niet gebracht. Er was te weinig liefde, te weinig verbondenheid. De avond hing met haakjes van plicht aan mekaar, als twee helften van een bh. Vrouwelijk en mannelijk aan een lange tafel, hier en daar wat kaarslicht, een aantal glazen wijn. Gesprekjes met mensen waar iets mee kon worden opgebouwd. Het up-to-daten van verloren gegane contacten, alsof het water er werd uitgeperst. Om dan later weer te laten verwateren, god weet hoe die gewoonte was gegroeid. Twee jaar later zou geen mens het zijn afgeleerd; dat wachten op de ander. Elke mens zou dieper zijn ingeslapen. Stilte is er zelden op een feest. Te veel stilte lijkt gelijk aan een mislukte avond. Voor de jarige was er geen hoge vogel in de lucht. Enkel het felle licht brak het brood op tafel. In handen het slot. Gesloten ieder werkelijk ontvangst. Zo nu en dan kneep ze haar ogen dicht, alsof ze prikten van het vele kijken naar hoe de anderen zich amuseerden. Ze evalueerde de avond als gezellig en fijn om mee te maken. Haar echtgenoot was er bij, hij gaf haar de obligate kus toen hij naar het rusthuis terug keerde. Hij keek nog over zijn schouder, dat zie je op de foto. Hij zag haar.

Ingrid Strobbe
0 0