Zoeken

de informaticus

Informatici, ik blijf het vreemde mensen vinden. Alsof ze er zijn en niet zijn. Uitblinkers in afwezige aanwezigheid. In elk geval: je lijkt hen altijd te storen, dat staat vast. Ook al ga je pal voor hun neus staan, op hun schermpje is altijd iets veel interessanters gaande.Het komt eropaan behoedzaam de inbelverbinding naar hun brein te activeren en hoopvol af te wachten of er links en rechts iets begint te zoemen, te piepen en op te lichten. Als je daarin slaagt en eindelijk hun aandacht krijgt, beginnen de problemen pas. Dat is niet verwonderlijk, want een informatica-probleem is in hoofdzaak een informaticus-probleem. Problematiseren is hun vak. Het is niet omdat informatici eruitzien als robots, dat ze ook zouden kunnen vervangen worden door robots! Hoe preciezer je vraag dus, hoe vager, onduidelijker en mysterieuzer hun antwoord. Ook als je gewoon een batterij voor je laptop wil bestellen.De verkoper-informaticus aanhoort mijn vraag, draait zijn scherm weg, t.i.k.t. iets in en staart. En staart ..."Oei, er is een probleem" luidt het na ettelijke minuten.Dat is natuurlijk geruststellend, een probleem betekent dat de informaticus wel degelijk aan het werk is. Van contentement begin ik mee te staren. De leegte in, de toendra op, de mysterieuze nevel van de tijd tegemoet. Staren. Klikken. Staren. Staren ..Uiteindelijk weerklinken de verlossende woorden: "Ja, er is wel degelijk een probleem ..."Niets overhaasten nu, even laten bezinken ... "O ja, welk probleem?" vraag ik voorzichtig.Staren. Staren ..."Het is nogal duur", luidt het antwoord."O ja", zeg ik, en samen staren we nog wat verder. Dit is immers niet het moment om de informaticus uit zijn concentratie te halen. Doe je dat wel, dan is de kans groot dat hij je vraagt wat je vraag nu eigenlijk alweer was.Staren ..."Ik zal het dan gewoon thuis zelf online bestellen" zeg ik ten slotte."O ja, dat kan je doen", zegt de informaticus aangenaam verrast. Tevreden staren we allebei voor ons uit."Hartelijk bedankt voor de service, meneer", zeg ik ten slotte."Graag gedaan, meneer, daar zijn we hier voor", zegt de informaticus.

Guy Bourgeois
46 0

Hoe Bianca aan haar vent kwam

Het was in de tijd dat Rosse Sandra en haar man Kale Freddy nog leefden. Hun dochter Bianca kwam de woonwagen niet uit. Spendeerde haar dagen met slapen en paffen. Soms stond ze in haar slaapkleed en sletsen op het trapje. Dan riepen de venten: ”Hee, Bianca, gaan we vogelen?” Bianca stak dan haar middelvinger uit en door het rondje dat ze maakte van duim en wijsvinger. Bianca had nog nooit gevogeld. Maar dat wisten de venten niet meer. Die hadden zo hun eigen sprookjes.   Op een dag vond Rosse Sandra dat Bianca maar een vrijer moest zoeken. Ze stuurde haar wandelen in de wijk. “Kom alleen terug als je een vent gevonden hebt!” riep ze het kind nog na. Bianca was vol goede moed en vastbesloten om hem te vinden. Hij moest niet mooi zijn, als ie maar niet stonk. Bij het pleintje zag ze Johnny van de witte caravan. Ze wilde ruiken of ie stonk. Maar als ze zo op hem toe zou stappen, zou hij haar ter plaatse knoepen. Dat stond vast. Dus ze veranderde zichzelf in een struikje. Zo eentje dat ooit nog geplant was door de groendienst van de gemeente. En nu tot in de spleten van de woonwagens woekerde. De bessen waren oneetbaar. Tenminste als je geen vogel was. Het struikenvrouwtje kroop voorzichtig tot voor de voeten van haar prins. Stak daar een dun twijgje omhoog tot onder zijn oksels en snoof zijn lijfgeur tot diep in haar wortels. Bianca lachte. Haar besjes bloosden rood. Hij stonk niet. Alvast niet té erg. Johnny zou haar vent worden.   Vanaf die dag volgde het struikenvrouwtje hem overal waar hij ging en stond. Als hij met andere wijven ging vossen, dan stond zij ernaast. Of dan deden ze het in haar. In de struiken. Haar besjes bloosden, haar twijgen schoten alle kanten op om haar rivalen de mond en de keel, na de daad, te snoeren. Johnny's wijven vielen als bosjes. In de struiken. Achter de struiken. Het duurde niet lang of geen enkele moeder durfde haar dochter nog meegeven aan Johnny van de witte caravan. Immers, waar rook is daar is ook vuur. En zo kwam het dat Johnny niet meer aan vogelen kwam. En ook niet aan vossen. Hij had geen andere keus dan te trouwen met Bianca. Die vogelde hij elke dag. En wonder boven wonder overleefde zij het telkens weer.

Evy
0 0
Tip

Uitgenodigd

            Dank dat je tot hier gekomen bent, oude vriend. Ik kan me voorstellen dat je wantrouwig stond tegenover mijn uitnodiging. Misschien ben je dat nog steeds. Ik zou het je niet kwalijk nemen. Het is te lang geleden, vriend. Ga toch zitten.             Het mag een wonder heten dat deze zitbank hier nog staat.             Het hout is droog en ondervoed. Hier hebben we zo vele uren versleten. In die tijd hing er een nevel over deze bank. Die daalde neer op onze huid en in ons hoofd. Hele nachten hebben we hier doorgebracht.             We gaven licht in het donker, zo jong waren we.             Radeloos en jong. Roekeloos.             Alsjeblieft, ga zitten. Met de voeten op de bank en het zitvlak op de rugleuning, net zoals toen. Je voelt het weer, een stroomstoot door je borst. Ongeleide kracht. De bank heeft ze voor ons vastgehouden. Ik kan maar beter mijn mond houden. Ik wilde gewoon even met jou op deze plek zijn.             Stoort het je als ik praat? Van alles wat je met ouder worden zou moeten appreciëren, vind ik de stilte nog het ergst.             Waarom kwamen wij toch telkens naar hier? Naar deze bank, op dit pleintje? Een doodgewoon pleintje met hier een bank, daar een boom, gras onder onze voeten, en een vuilnisbak? Als ik het nog kon, zou ik de zoden uit de grond rukken om te kijken of deze plek ons in de grond nog iets te bieden heeft.             De grond laat mij de laatste tijd niet met rust, vriend. Heb jij dat ook?             We kwamen naar hier. We konden alles doen, overal konden we naartoe, maar we kwamen naar hier. En nu zit ik hier weer. Ik zit hier weer. Geloof mij, oude vriend, ik heb geleefd, vraag het na bij mijn geliefden, mijn kinderen, mijn kleinkinderen,geloof mij maar.             En nu brengt iets dat ik niet begrijp mij uitgerekend naar deze plek. Ik weet niet wat het betekent. Toen niet en nu niet. Je weet hoe het gaat: roekeloos wordt bedachtzaam.             De radeloosheid blijft.             Was het de nevel? Dat moest het zijn geweest. Niet de bank of de boom of de vuilnisbak, het was de nevel die ons naar hier lokte. Ons hele rijke leven zweefde daarin rond, botste nergens tegen grenzen op. Het was de nevel, een donzig kussen waarmee wij bovenop onze toekomst zaten zoals op de zitbank van een pleintje.             Ik hou het niet lang meer vol zo.             De rugleuning zeurt tegen mijn oude botten aan. Gênant is het, vind je niet, overal moeten vragen om een kussen. Oude vriend, het spijt me dat ik zo veel praat. Vind je ook niet dat het uitzicht veel helderder wordt? Bekijk het vuil daar eens, dat samenspant op de opgedroogde lijm van een verdwenen sticker, daar op de vuilnisbak, of de groeven in de boomschors daar, de uitpuilende ogen van het hout, hier, schuif je voet eens op, hier.             Het doet mijn ogen pijn, zo helder. Ogen horen er met de leeftijd op achteruit te gaan.             Oude vriend, het spijt me, het is zo stom. Ik droom nooit. Daarom nodigde ik je hier uit. En dank dat je gekomen bent. Echt. De laatste jaren droom ik nooit meer, en onlangs, zo stom, droomde ik dat wij hier zaten. Jij en ik. Hier. Op deze bank. Het schokte me dat jij het was, ik had je zo lang niet meer gezien. We keken naar elkaar en we zwegen. Ik zag ons zitten. Ik wist dat ik droomde, ik zag ons hier zitten.             En het ergerde me dat ik mij niets kon herinneren.             Ik kon mij gewoonweg niets herinneren. Ik wist dat jij het was, dat wel, en dat we hier zaten, maar dat wekte niets. Geen enkele herinnering. Of jij je iets kon herinneren wist ik ook niet. Je zei niets, in ieder geval.             Toen zag ik, daar bij de boom, een man staan, met zijn rug in onze richting. Hij droeg een rugzak die open stond. Ik wilde gaan kijken naar wat in de rugzak zat. Ik was ervan overtuigd dat de inhoud van de rugzak mij toebehoorde, of ons, misschien. Jij zag de man ook. Dan keek ik opnieuw en ik zag hem nog net, daar, recht voor ons, het hoekje om lopen, met zijn brede rug en zijn ondoordringbare jas.             Dank dat je tot hier gekomen bent, oude vriend.

Jan
44 2

Ambitie & Centjes

Hans wil centjes. Hij wil Dagobert Duckgewijs in een zwembad vol biljetten duiken, daarna een sigaar opsteken; een sigaar die goedkoop geproduceerd wordt door Cubaanse kinderhandjes en verkocht in het Westen tegen woekerwinsten. Hans geeft niet om slavenarbeid. Winstmarges, die zijn belangrijk. Daarom heeft hij zich verloofd met Helena, dochter van innovatief ondernemer Willy Steenhoudt. Hans wil zich een hoge post in zijn bedrijf versieren, en een bureau waaronder een escorte kan plaatsnemen tijdens een conference call. Af en toe zou hij zijn exen opbellen, afspreken, hen oppikken met zijn blauwe lamborghini. Hij zou hen een peperdure ketting schenken, al rijdend een grondige pijpbeurt krijgen, hen terug naar huis brengen en zeggen, 'ik ben gelukkig getrouwd, dus haal je maar niet te veel in je hoofd. Ik bel je wel.' Dat type manager wil hij zijn. Maar daarvoor moet hij eerst die ring om Helena's vinger schuiven. Diner bij de toekomstige schoonfamilie. Hans zit tegenover Helena's moeder, Hélène. Hélène wrijft al de gehele tijd met haar blote voeten over zijn been, geile knipoogjes, getuite lippen. Hij voelt zich ongemakkelijk, kijkt naar Helena en Willy die druk met elkaar converseren, ze merken niets. Hij snijdt zijn rosbief, vindt er een briefje in: straks na het eten buiten roken. Hélène x Het dessert is naar binnen gewerkt, te zoet naar zijn smaak. 'Willy, mag ik een van je Cubaanse sigaren? Ik ga buiten even roken, mijn eten laten zakken.' Willy negeert hem, blijft verder praten met Helena over groeimarges, nieuwe markten, productontwikkeling. Hans neemt dan maar een sigaar die in een verguld kistje op het dressoir ligt, stapt via de veranda naar buiten de tuin in. Hans rookt, wacht, begrijpt het niet. Die Hélène is blijkbaar het type schoonmoeder die avances maakt op haar schoonzoon. Dat maakt hem verward, geil. Na tien minuten ziet hij haar silhouet in de veranda, het komt dichterbij, staat pal voor hem. De sigaar in haar mond is slecht gerold. 'Ik hou niet van dure spullen', zegt ze. 'Waarom wou je samen met me roken?' Hans wil duidelijkheid. 'Kom mee', antwoordt ze, pakt zijn hand vast, neemt hem op sleeptouw verder de tuin in. 'Je bent naïef en ambitieus. Van zulke mannen hou ik. Zulke mannen kan ik iets bijbrengen. Ofwel ben ik een cougar, wie weet. Kom, blijf staan.' Ze zet zich op haar knieën, haalt zijn lul uit zijn broek, in haar mond. Haar slecht gerolde sigaar ligt smeulend in het gras, hij smeulend in haar. Het leven kan slechter. 'Hans? Haaans?' 'Hélène?' Hans schrikt op. Hélène niet, die doet gulzig verder. Helena, Willy, ze roepen hen. Hans voelt zich niettemin gedekt door het donker, rookt verder, het oplichtende uiteinde van mijn sigaar kun je vanaf de veranda niet zien, denkt hij. Hij aait over Hélènes hoofd, 'braaf meisje, braaf'. De ontlading is nabij, haar tong kronkelt aanstekelijk, Hans trilt op zijn benen, ogen tot spleetjes, hoofd achteruit, zijn pik wordt harder, klaar om te SPOTLIGHT in haar gezicht. In zijn gezicht. De spotlampen die aan de buitenkant van de veranda hangen schijnen in zijn ogen, Helena en Willy komen doorheen dansende witte stipjes dichterbij, 'wat gebeurt hier'?' Hij valt flauw. Hans wil nog steeds centjes. Het zal moeilijker worden nu Helena de verloving verbroken heeft, maar hij houdt de moed erin, met het afschuimen van Rotaryfeestjes en whiskey. Hij heeft er wat voor over. Half drie zaterdagnacht, er wordt aangebeld. Hij doet open, schrikt, Hélène met twee koffers, 'Hans, ik moest naar je toe. Willy is weggegaan. Eindelijk. Mag ik blijven slapen? Zonder te slapen?' Hans twijfelt, kijkt naar haar borsten. Ze zien er goed uit voor die leeftijd. Ervaren knakkers. Maar deze vrouw brengt geen geld in het laatje, geen netwerk, huisvrouwtje met pijpmond. Handig wanneer je centjes hebt, onhandig wanneer je ze nog moet verdienen. Plotse wolkbreuk, ze smeekt om binnen te komen. Om te komen. Hier draait het niet om, denkt Hans, het draait om centjes, winstmarges, productontwikkeling. Hij slaat de deur dicht, het is genoeg geweest. Tijd om aan zichzelf te denken. Twee weken later, zevenuurjournaal. Schandaal. Een gescheiden adellijke dame heeft een escortebureau met exclusieve gigolo's opgericht, de rest van haar bedrijven heeft ze verkocht. Haar ex, Willy S., zit aan de grond. Haar dochter H komt in beeld, ze heeft beschutting gezocht achter een wazig beeld en een diepe stem. Ze verklaart dat haar vroegere verloofde schuldig is aan dit familiedrama. Hélène de Beaumauvais d'Escopalle wordt afgeschilderd als een gewetenloze manipulator, mannenverslindster, zakenvrouw. Hans veert op uit zijn zetel, zet de laptop aan, googelt ' Hélène de Beaumauvais d'Escopalle'. Onmiddellijk haar website: Gigolo à GoGo. Het ziet er professioneel uit, ambitieus. Hij hoeft niet lang na te denken, belt de nummer op de website, herkent haar stem, 'Hallo, Gigolo à GoGo, met wie kan ik u opgeilen?' 'Ik ben het.' 'Zo zo. Je hebt blijkbaar het nieuws gezien?' 'Ja.' 'Waarom bel je me?' 'Hoe gaat het?' 'Bel je daarom? Jongen toch, wees eens eerlijk. Wat wil je van me?' Op het nieuws de zoveelste Syrische vluchteling. 'Ik heb ambitie, wat heb jij?' Hij wil zelfzeker klinken, volwassen, geen jongen meer. 'Ik vroeg niet wat je hebt. Ik vroeg wat je wil.' Hij laat het los, alles, eerlijk, 'ik wil centjes.' 'Echt? Wil je centjes? Dan kunnen we praten, jongen.'

Michaël Verest
0 0

Het is stil waar het nooit waait

Kijk, ik vind je leuk. De manier waarop je mijn wangen streelt. Met mijn haren speelt. Naar me fluit. Voel jij dat ook? Lieve stoot, ik hou van je. Jouw zekere aanwezigheid. Jouw natuurlijke kracht. Je sleept me mee. Als een vriendelijk duwtje in de rug. Behalve als je tegen me bent, op de fiets. Dan trappel ik ter plaatse. En ga ik soms zelfs trillen… aan mijn bovenbillen. Wind (m)Jij voelbare horizontale luchtstroming in de dampkring Op dagen dat je briest, heb ik zin om naar zee te gaan. Even alles laten waaien. Haarpunten die als zweepjes in m’n gezicht slaan. Ogen die spontaan tranen in de stroom. Een vertrouwde hand die luchtig mijn huid streelt. En de wereld rond me laat bewegen in een krachtige choreografie. Een plastic zak probeert dansend van straat te geraken. Het halflange gras doet een warrige wave. Een geluidsgolf breekt kwetsbaar in de branding van een wolk. Beschreven blaadjes ruisen.De draaglijke lichtheid van het bestaan. Keek je al naar de klassieker American Beauty? Daar blaast de wind hoge tonen. Sierlijk opwaaiende balletblaadjes spelen een hoofdrol in de film die een van de personnages draait. Zo mooi. Voor wie ze ziet. Die alledaagse dingen. Zoals ik. Onlangs nog. De stationsdeur waaide wijd open net toen ik aan kwam stormen. Achter mij viel ze netjes weer in het slot. Ik was uitgelaten. Door de wind als persoonlijk portier. Een magisch moment dat een wit dozijn tevoorschijn toverde. In mijn mond. Vol tanden. Lieverdjes, laat je af en toe omverblazen. Geniet van de kleine dingen, hoe hard en onzeker het leven ook kan zijn. Sluit je ogen bij een goed nummer. Neem alle kleuren van een zonsopgang in je op. Boetseer figuurtjes uit voorbijglijdende wolken. Denk aan een veld vol bloemen als je onder versgewassen lakens kruipt. Geniet van een spinnende gat-in-de-lucht-stekende kat op je schoot. Van versgezette koffie met uitnodigende rooksignalen. Van de waterpareltjes op je glas heerlijk frisse mojito. Van een beetje in de wind zijn na zo’n heerlijk frisse mojito. Van een goed boek met passages die je zo kan kopiëren in je dagboek. Een innige knuffel die je vasthoudt. Een aansluitende onderbroek die niet tussen je billen kruipt. Een mystiek mistige ochtend die bomen aftekent als statige silhouetten. Een onbekende die de deur voor je openhoudt. De lach van een onbekende als jij de deur voor hem openhoudt. Een leuke reactie op je blogpost (wink wink)… Van de onwaarschijnlijk mooie lichtheid van het bestaan. Go wherever the wind takes you.Waai waai! "You can own the Earth and stillAll you’ll own is Earth untilYou can paint with all the colors of the wind"- Pocahontas, Disney

Rien Mertens
76 0
Tip

Ik ben Maurice

Was hij geen kind van zijn tijd geweest, hij had vandaag een gewoon leven gehad, met vrouw en kat en een handvol kleinkinderen in een gezellige hoekzetel. Daar was Maurice van hier tegenover van overtuigd. Maar de loeiharde bominslagen hadden hem destijds van zijn gehoor beroofd, en dus hadden vader, moeder noch schoolmeester veel te zeggen gehad over zijn verdere ontwikkeling. Maurice had zichzelf opgevoed. Hij had alles zelf moeten uitzoeken, met handen en voeten. Bij gebrek aan volwaardige alternatieven had hij meestal zijn eigen goesting gedaan, en daarom was hij nu, op zijn vierenzeventigste, een eigenzinnige eenzaat, in alle stilte op zoek naar zielsverwanten. Elke dag hompelde hij meerdere malen de straat door. Van de voordeur tot aan de bakker, en terug. Daarna naar de krantenwinkel, en terug, terwijl zijn zilveren oorbel wiebelde op het ritme van zijn RoboCop-stap. Elke dag dezelfde weg, telkens weer hetzelfde gewiebel. Te traag om normaal te zijn, te snel voor een mindervalide. Die stuntelige tred, waarvan niemand de precieze oorzaak kende, ontlokte gejank aan kleine kinderen en grote honden, en soms ook omgekeerd. Halverwege de straat durfde hij wel eens halt te houden, om net iets harder dan sociaal wenselijk was “GOENDAG!” te roepen naar buren en onbekenden. Maar zijn bombastische stem blies elke glimlach van je gezicht, hoe goed zijn bedoelingen ook waren. Maurice had er zich bij neergelegd. Hij zou zijn dagen slijten in deze kasseistenen straat, alleen en in stilte. De bommen hadden zijn leven bepaald, en daar viel weinig anders tegen te beginnen dan roken als een Turk en elke weekdag rond tien na acht afstemmen op Thuis, met ondertiteling. Toen er op 7 februari een verhuiswagen in de straat stopte, voor het groene huis met nummer 109, probeerde Maurice zijn tijd te verdelen tussen turen naar de verhuizers en staren naar het tv-scherm. Hij wilde weten of ze op de nieuwsdienst al meer wisten over de gewapende inval bij Charlie Hebdo, maar tegelijk wilde hij niets missen van de onverwachte intrede in zijn straat. Toen hij zag hoe de verhuizers een hoekzetel uit de vrachtwagen laadden, bedacht hij dat hij zich maar beter zo snel mogelijk kon gaan voorstellen aan de nieuwe bewoner, kwestie van zijn reputatie vóór te zijn. Hij wachtte de begintune van het weerbericht af en hinkstapte naar buiten, richting nummer 109. Terwijl hij voorbij het grote gordijnloze raam liep, voelde hij iemand staren. Hij wendde zijn blik en stond oog in oog met de vrouw des huizes. Ze keek zonder hem te zien en duwde een blad papier tegen het raam. ‘Je suis Charlie’, stond er. Maurice voelde de krop in zijn keel aanzwellen. Eindelijk, dacht hij. Eindelijk! Met een maag vol emotie haastte hij zich naar huis. Hij pakte een pen, scheurde een blad van een oude kalender en schreef in hoofdletters op de achterkant: ‘Je suis Maurice’. Met tranen in de ogen trekkebeende hij naar buiten, het blad stevig in beide handen geklemd. Nog even en het gewone leven kon beginnen.  

a little bit of soap
0 3

De beste stuurlui hebben wallen… of zoiets

“Heeey!” Hey!“Alles oke?” Ja.“Je ziet er goed uit.” Merci, jij ook.“Wel wat moe precies.” Bwa, cava.“Weinig geslapen vannacht?” Valt wel mee.“Of gewoon standaard slaap te kort?” NEE!Gewoon standaard wallen. Bitch.Dat antwoord ik wel eens. In stille frustratie.Dat laatste zeg ik nooit hardop. Het eerste ook niet.Ik houd het. In grote zakken. Onder mijn ogen.In mijn intiemste kringen. JA.Het is een van mijn tienertrauma’s.Wat wil zeggen dat het daar begon.Niet dat het daar is gebleven.Spijtig genoeg. WALLEN.In Amsterdam zijn ze populair. Ik zou liever niet hebben dat ze mijn gevel sieren met hun neonschijn. Ooit vroeg iemand of ik een blauw oog had. Bam! Kon ik toen maar letterlijk door de grond zakken. Of in mijn pijp kruipen, zoals Mario Bros <pru pru pru>. Al geeft schaamwangrood wel mooi met oogwalblauw. Ooit vroeg iemand zelfs of ik een junkie was. No shit! Mijn wallen overdag optrekken – wat mijn ogen tot hallucinante spleetjes kneep – was ogenschijnlijk niet het beste idee. Kijk, ik kan er niets aan doen. Behalve dan een zalfje. Zie het als permanente oogschaduw. Aan de verkeerde kant van mijn oog. Een erfelijke kring die trots haar familiekleuren draagt. Blauw bloed. De koningin van de lage wallen. Sierlijk op mijn tronie. Zie het positief. Als twee permanente smileys met dubbele kin. Uitgezakt op een kussentje onder mijn kijkscherm. Ach, ik heb er vrede mee genomen. En wat fond de teint kan wonderen doen.Dat zeg ik dan. Tegen mezelf.

Rien Mertens
32 0
Tip

Kees

Kees was jarig maar vond het zoals elk jaar een vreselijke opgave om in de woonkamer te gaan zitten met zijn familie. Hij had elk jaar gezegd dat ze niet zo'n roteind uit Almere hoefden te komen, maar zijn familie kwam elk jaar stipt, en dan ook altijd net iets te vroeg. De vrouw van Kees werd dan altijd een beetje gestresst van al het eten dat nog niet op tafel stond en de taart die nog moest worden opgehaald bij de Hema. Snel veegde ze de boel nog aan kant en probeerde ze nog wat van het eten te maken, maar de bel ging altijd eerder dan ze had verwacht. Lachend deed ze met haar ene hand de deur open en veegde ze met haar andere hand de troep van de hapjes af aan haar schort. Ze gaf elk familielid drie kussen en vroeg aan iedereen apart hoe het ging en of ze het nog konden vinden. Ze kreeg op elke vraag een “ja”, maar eigenlijk wist ze nooit of het dan goed met ze ging, of dat ze het nog konden vinden. De familie rook naar VanderBilt parfum. Een parfum waar Kees al vanaf kleins af aan een verschrikkelijke afkeer tegen had. Het deed hem denken aan verplichtingen en aan gesprekken die op niets uitliepen, maar dan penetrant en heel erg aanwezig. Zo'n geur wil je niet om je heen hebben, maar sommige mensen doen het toch. Vanaf de overloop boven keek Kees door het traphekje naar de familie die de jassen ophing aan de kapstok beneden. Ze vroegen allemaal waar hij was en sommige familieleden vonden dat wanneer er geen plek meer was op de kapstok, ze hun jas op de trap neer konden leggen. Vanuit de woonkamer hoorde Kees een woordenbrij waar geen enkel zinnig woord in werd gezegd en het ergste vond hij nog dat dat allemaal voor hem was gekomen. Het liefste zou hij zijn verjaardag niet vieren, of zou hij liever een eindje zijn gaan wandelen met de hond. Maar als hij dat tegen zijn familie zou zeggen, wist hij dat er nog heftiger op gereageerd zou worden en dan zouden ze suprise-party's organiseren en een tent in de tuin zetten. Zijn familie vond dat niemand zijn verjaardag voorbij mocht laten gaan en elk moment zou moeten aangrijpen om het leven te vieren en over niets te praten. Daarom deelde Kees zijn meningen over verjaardagen maar niet met anderen, en wachtte hij tot hij door zijn vrouw geroepen werd. Bij de eerste drie keer roepen deed Kees alsof hij nog druk in de weer was met allerhande belangrijke zaken. Hij wist dat de vierde keer roepen minstens twintig minuten langer zou duren en als er nog een vijfde keer kwam, dat de tijd daartussen nog langer zou duren. Als zijn vrouw naar boven kwam, deed Kees alsof hij er snel aankwam, en hij nog snel even zijn mooie kleren aan moest trekken. Ondertussen werd het gelach en geschel beneden steeds harder en hoorde Kees zijn naam tussen de muren van zijn huis klinken. Het feestgedruis werd onrustig. Inmiddels had zijn vrouw vier keer geroepen en stond Kees voor de spiegel. Hij keek zichzelf aan en zuchtte eens diep. “Gelukkige verjaardag Kees, de rest van het jaar is weer voor jou alleen,” had hij gezegd, en hij strompelde naar beneden.    

Julia Dobber
17 0

Wij de yeti U de mormels

  De reebok in het sprookje droeg geen schoentjes en de kleine appelaar, die wel eens grote rode vruchten draagt, heb ik stiekem toch de kruin gesnoeid. Het takkenstelsel is nu tekenbaar. Morgen pingpong in de kille avondhal, tegen de Chinees met linker wonderhand. Gelukkig speelt ie rechts, zijn moederkoekjes in de maak, een kooitje voor een beer met dronken tred, Russisch, ook de zelfgekleefde mig dient nog geschilderd en de tube heeft een ongesloten nacht doorstaan.   Ik kijk, het leven van de sneeuwman lijkt gered, de aanslag door de zuidenwind verijdeld door een koude dag. Gebeden heb ik, voor een yeti maar het is me niet gelukt. Des jongens fantasie nog even onderdrukt, door lome wolkjes, streepje heb ik op de muur getrokken, hopend dat een beter etmaal zich herhaalt.   Straks dan gaat het, naar het kleine stuwmeer, spaart zijn krachten voor wat knapen, messen onder voeten, stokken en een houten puk. Pietje heeft geen post, de wensen, kaartjes liggen in een weggereden trein, niemand die het weet, niemand die het wist, waarheen het moest. Sporen leiden door de witte poeder, ligt in lijntjes, naar het ongebarsten ijs. De sijsjes pikken zaad en koontjes uit de opgehangen bol.   Het scoort, het hakt erin, een meisje proeft wat, aan de zijkant van de stoere tijden, walm van warme adem en gelach. Ik wil die lauwe handen voelen, onder witte krassen kleuren vinden van de ongestorven vissen, hier bij ons en nooit meer wederkeren naar die mormels met hun pijnlijke evidentie, grijze cellen, dubbele tong en dertien vingers.    

Bernd Vanderbilt
0 0

Koken met Thomas

  Driften, drank, een pretpark, death ride, ergens liggen schedels opgestapeld, vredig pintelieren, dronken bowlen met die dingen mocht er niet. Als het rijstwater me weer tot aan de lippen staat, een wereldreisje dan, als ik nog vliegen kan, het ruim bederven durf met mijn verkorven silhouet. De knoken zijn humaan.   Scheer. Boven de ongesnoeide treurwilg wordt de rust verprutst. Straks een mango of malaria misschien, papaya voor de fruitsla maandagavond laatste maaltijd hier met  malle vorsten, kronkels denken, hoe het zal verlopen. Manon komt ook. Nog ietwat hoger afgeknipt, het rokje dat zij dragen zal, ja veel te kort voor de beheersing van de os. Voor het geluk wil ze een kindje, achternaam met zeven letters en de mijne is te lang.   Nochtans. Geboorte, beperking, het zou een druppel helpen. Binnenkort fiscale voordelen bij een vervroegde dood, euthanasie. Denk liberaal, red de soort. Weerom quatsch uit mijn bek. Het lot zal men niet tarten, de mensheid zit al langer op het dode spoor want op de vele wellustdagen zal het toch gewoon weer in en uit gaan, overal, zelfs waar kinderen de hongerdood met weinig moeite ruiken kunnen. Elders zullen grijsaards zomaar verderleven, de enen baden bij een waterval versierd met goud en wat lianen, anderen verscholen in de holen, vledermuizen eten, van het zweven blijven dromen, Jetair, lekker slapen, weekje Benidorm, rugslag zwemmen in een ronde bakvorm.   Ik Thomas, de vierde koning, ik verkonding niets, ik kook maar wat. Verzachtende eieren om de harde tijden te doorstaan, sfeervol, wierook, winterwindje uit het warme westen waar ze ligt, uit te hijgen, nevelslinger, Manon is nummer vijf, Chanel slaapt zacht in een vergeten flesje, herinneringen aan genot, dolverliefd, holderdebolder, zij het in de heim, in vreemde, naaktgeverfde panden van de daad. We zullen later lekker verderrollen door de prikkels van de stro, bij wulpse maneschijn, a little walk of fame by night, glorieuze sterren, komeetje, camera, schier eindeloos vertier, zolang de bol hieronder tolt, zo lang de boom zich aan de lichtjes brandt.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Showkeuken

'We moeten de batterijen verversen,' had Marianne gezegd toen ze de reis boekten. Ze hadden net een renovatie achter de rug van hun keuken die nog dateerde uit de jaren zeventig. Marianne vond het immers niet meer bon ton om in zo een keuken haar wekelijkse kooklessen voor de plaatselijke vrouwenclub te houden. Ze hadden de buik vol van de bouwvakkers die hen de hele dag op de vingers keken en van het feit dat ze het eten moesten klaarmaken in een tijdelijke keuken in de kelder, terwijl in de nieuwe keuken de vloer werd uitgebroken. Zelfs Robert had eronder geleden, want Marianne waste zijn hemden die week niet omdat het tijdelijke fornuis op de wasmachine stond. Hij ging gebogen onder haar geklaag over hoe 'het toch maar een boeltje was' en 'hoelang ze het nog allemaal moest volhouden'. Maar dat reisje had hij financieel niet ingepland voor het jaar. De renovatie van de keuken was door een lek in de waterleiding met een jaar vervroegd en om het voorschot op de vliegtuigtickets, het mobilhome en de hotels te storten, was hij in het rood gedoken. Daarbovenop kwamen ook nog de universiteitskosten van Patrick, hun laatste zoon, die maar niet volwassen wilde worden. Hierover had hij echter niks gezegd tegen Marianne, want ze zou er alleen maar chagrijniger van worden. En Robert had toch wel medelijden met haar. Tijdens de reis langs de Westkust in Amerika was hij er in geslaagd de knip op de portemonnee te houden. Dat hadden ze grotendeels te danken aan het andere koppel dat hen regelmatig trakteerde in de duurdere restaurants, Marcel en Lieve. En dat alleen omdat Robert hen steeds meesleurde naar fastfoodrestaurants. 'Zijn we niet daarom in Amerika?' vroeg hij telkens ze een fastfoodrestaurant passeerden. Robert had veel zin in een van die lekkere en sappige grote hamburgers die een geurspoor achterlieten in alle winkelstraten waardoor ze liepen. Marcel had echter een gastronomische gids mee van Californië en de restaurants die daarin stonden vielen in een andere prijscategorie. Marianne was in de wolken met de reis. Ze maakte de hele dag foto's en gedroeg zich als een rijke Europese toeriste. Robert probeerde haar tevreden te houden zonder zijn budgettaire beperkingen te overschrijden. Het was een rit op het scherp van de snee, en op de duur werd het zelfs een sport. Een sport die hij eigenlijk al gans zijn leven beoefende. Vroeger had hij gehoopt dat beknibbelen achterwege te kunnen laten en eens echt te genieten van rust en vakantie, maar die hoop had hij al een tijdje opgegeven. Zuinig zijn nam echter zoveel tijd in beslag dat hij niet echt had genoten van zijn verblijf in Amerika, dat volledig werd gedomineerd door het optellen van kwitanties, onlinebankieren, omrekenen van de dollarkoers, enz. De reis was eindelijk voorbij. Ze zaten achterin in de Range Rover van Marcel en Lieve, die in hetzelfde dorp woonden als zij. Marcel had zijn Range Rover drie weken in de parkeergarage van de luchthaven laten staan. Hij kon zich dat permitteren, want hij was bedrijfsleider en het was allemaal op kosten van de firma. Rob was ongeduldig. Hij wilde warme pantoffels aantrekken, zich draperen in zijn leren sofa in de woonkamer, zijn voeten leggen op het bankje en met de afstandsbediening in zijn hand de soaps en documentaires bekijken die hij de afgelopen drie weken had opgenomen. Het was donker achter de vensters toen Marcel en Lieve hen afzetten en ze met hun koffertjes over het oneffen wandelpad naar de achterdeur liepen (de voordeur werd alleen gebruikt voor gasten). Patrick had tijdens hun verblijf op het huis gelet, want het dorp werd de voorbije jaren geteisterd door een golf van inbraken. Marcel had al drie keer de terrasdeuren moeten laten repareren. Bovendien zat Patrick in volle examenperiode en kon hij de rust van het platteland goed gebruiken. 'We moeten dringend iets doen aan die tegels,' zei Marianne toen haar koffertje achter een van de plavuizen bleef haken. Naarmate ze het huis naderden, donderde haar humeur steeds verder de dieperik in. In het hotel in Los Angeles (tweehonderd dollar per nacht!) had Marianne gezegd dat ze hier met plezier zou blijven. 'Is het hier niet prachtig?' had ze gezegd. 'Hier valt zoveel te beleven!' Ze wilde niet terug naar huis, omdat zonder de kinderen 'de dood achter elke hoek loerde.' Marcel had hier een andere mening over. Hij genoot met volle teugen van de stilte, de orde en de tijd die hij nu had voor zichzelf. Niet dat hij er veel mee deed. Hij vond het een luxe om eindelijk niets meer te hoeven doen en zijn tijd nutteloos te kunnen verspillen, zonder het gevoel te krijgen alsof hij ergens de kraan had laten openstaan of het licht in de kelder niet had uitgedaan. Ze moesten zeker drie keer bellen voordat een slaperige en humeurige Patrick de deur opendeed. Zijn hemd hing uit zijn broek en zag eruit of hij er een week in had geslapen. Op zijn jeugdige gezicht, dat Robert aan zijn jonge jaren herinnerde, groeide een mager stoppelbaardje. Hij hing met zijn lange arm over de deur gebogen en zei: 'Ik, had jullie niet zo vroeg verwacht.' Hij maakte een breed armgebaar, als om hen welkom te heten in zijn kleine stulp. Marianne en Robert hesen hun koffertjes over de drempel en rolden ze naar binnen. 'Moet jij je moeder niet helpen met haar koffertje?' vroeg Robert. Hij hoefde zijn zoon maar te zien of zijn humeur was meteen verpest. Dat lag waarschijnlijk aan diens gelummel en de manier waarop hij zijn jonge jaren verkwanselde en geen duidelijke keuzes maakte. Hij herkende er zichzelf in. En welke vader wil dat? Patrick schoot haastig zijn moeder te hulp, maar ze sloeg zijn aanbod af. Ze trok haar koffertje door de kamers, stak overal de lichten aan en inspecteerde de schade. 'Waarom hangen die gordijnen zo scheef?' vroeg ze in het voorbijgaan van de woonkamer, en 'Wat doen die vlekken op de salontafel? Heb je hier veel vrienden ontvangen?' 'Remi is hier een keer geweest,' zei Patrick, toen Marianne en Robert hun koffertjes naar de kelder brachten, zodat Marianne de bagage kon uitpakken en de vuile kleren in de was doen. 'Waar gaan we eten?' riep Patrick hen achterna in het keldergat. 'De koelkast is leeg.' Het hart zonk Robert in de schoenen. 'Je had wel iets mogen klaarmaken om ons te verwelkomen,' zei hij. Robert was ondertussen al terug uit de kelder, terwijl Marianne verder de kleren uitpakte. 'We zijn nog niet binnen of we moeten je weer te eten geven. Wordt het niet stilaan tijd voor jou om volwassen te worden?' 'Ik ben ook blij dat je thuis bent, vader,' zei Patrick. 'Frietjes?' Robert gaf Patrick zijn laatste twintig euro. 'Voor mij stoofvleessaus en voor je moeder een kipsaté zonder kruiden. Ga er maar om met de fiets. Ik heb geen zin om vandaag nog de auto in te kruipen. Ik heb acht uur vliegtuig achter de rug en daarna heb ik drie kwartier bij Marcel achterin gezeten. Ik moet me dringend uitstrekken.' Patrick nam zwijgend het geld en liep de trap af naar de garage. Robert slofte naar de woonkamer en zette zich in zijn sofa. Hij vond zijn afstandsbediening niet. Die lag niet zoals gewoonlijk naast de televisie. Ook de kranten lagen niet meer op de salontafel. Hij had er nochtans naar uitgekeken ze te doorbladeren en het nieuws van de voorbije drie weken bij te benen. In de open haard lagen krantensnippers, bovenop een hoopje gedeeltelijk opgebrande houtblokken en een berg sigarettenpeuken. Ach, Patrick! Tijdens de terugrit had Robert aan Marianne beloofd dat hij niet te bot zou zijn tegen Patrick.  In haar ogen kon Patrick alleen maar goed doen. Als er iets fout liep, dan was dat het gevolg van een samenzwering tegen haar zoon. Hij liep naar beneden over de trap die naar de garage voerde. 'Marianne, heb je die sofa in de salon al gezien?' riep Robert van op de trap. In de kelder brandde echter geen licht. Wanneer Robert het licht aandeed, zag hij de twee koffers ongeopend voor de wasmachine staan. Marianne was er niet. Hij ging terug naar boven. 'Marianne?' riep hij, dwalend door het lege huis. Het was koud, want Robert had nog maar pas de verwarming aangezet. Hij liep naar boven de trap op naar de slaapkamer. De haartjes op de traploper waren helemaal door elkaar gehaald, alsof er een voetbalploeg over had gelopen. Marianne lag in de slaapkamer op haar buik op het bed. Het nachtlampje aan haar zij brandde. 'Wat is er?' vroeg ze. Haar stem klonk gedempt door haar hoofdkussen heen. 'Niets … het is juist dat heel de sofa plakkerig is. 'Ik weet niet wat Patrick allemaal heeft uitgehaald tijdens onze afwezigheid, maar…' 'Ik wil het niet weten,' zei Marianne. 'Laat me met rust.' 'Als jij het niet wil, dan moet ik zelf maar de boel opkuisen,' zei Robert. Hij sloot de deur achter zich en liep de trap af. Angstvallig vermeed hij zijn werkkamer, waar zijn computer en een hoop e-mails hem opwachtten, samen met de stapel onbetaalde rekeningen die hij voor zijn vertrek had achtergelaten. Toen hij in de keuken naar een vod zocht en hiervoor luidruchtig alle kasten open en toe deed, hoorde hij Patrick de garage binnen fietsen. Patrick reed altijd op volle snelheid de garage binnen en remde dan slippend af. Op een dag zou hij met zijn stuur of pedaal een schram trekken in de auto, daar was Robert van overtuigd. 'Waarom ben je zo vroeg terug?' vroeg Robert toen Patrick hijgend de keuken binnenkwam. 'Frituur gesloten,' zei Patrick. 'Jullie zullen het zonder eten moeten doen vanavond.' Patrick trok de koelkast open en bestudeerde de koelkastinhoud. Het lichtje van de koelkast wierp een bleke schijn over zijn gezicht. Enkele ogenblikken later haalde hij de boter en de restanten van een potje americain tevoorschijn. Robert voelde zijn maag rammelen. Hij had net het vod gevonden en besloot te beginnen met het opblinken van hun nieuwe pompbak. Patrick stond naast hem zijn boterham te smeren. 'Laat je me eens bijten?' vroeg hij aan Patrick, toen hij hem smakelijk zag kauwen op de boterham. Patrick reageerde daar echter niet op en vroeg: 'Hoe was het in de States?' 'Maak je mij geen boterham?' vroeg Robert. 'Neen, het brood is op,' zei Patrick. Robert duwde al het water uit het vod die hij net had afgespoeld. Hij keek in de broodzak die op het aanrecht lag, maar er zaten alleen nog kruimels in. Toen zag hij de schram op het nieuwe granieten werkblad. Midden over het zwarte oppervlak liep een witte streep. Rob streek er met zijn vinger over en voelde duidelijk de groef. Koortsachtig maakte hij het vod opnieuw nat en begon hij op de schram te wrijven, maar die ging niet weg. 'Weet je hoeveel dit werkblad heeft gekost?' riep Robert. 'Zesduizend euro! Ik moet nog vijf jaar schulden voor die keuken afbetalen! Onze showkeuken!' Hij keek naar Patrick, die het laatste stuk boterham inslikte. Wat haatte hij dat ventje. Dacht die nu echt dat alles in zijn leven vanzelf zou gaan? 'Showkeuken,' herhaalde Patrick smalend en liep langs zijn vader, terwijl hij met gerinkel het mes in de pompbak gooide, 'jullie zijn ziek.' Met stampende voetstappen verdween hij naar zijn kamer. Robert keek uit het keukenraam naar de haag, die baadde in het felle licht van de spot op het terras, die automatisch was aangeschoten toen Patrick de garage was binnengereden en binnen een paar minuten weer uit zou gaan. 'Godverdomme!' riep hij. Hij liep de trap af naar de garage en zette zich in zijn wagen, die na drie weken stilstand niet al te goed meer startte. Hij reed het dorp uit en daarna over de lege autostrade naar het winkelcentrum. Hij stopte aan de McDonald's drive-in en bestelde zich een Big Mac. Achter het stuur verorberde hij de dampende hamburger. Daarna zat hij een tijdje in de auto voor zich uit te kijken, naar de wegmarkering, de grijze borduurstenen en de heesters voor de bakstenen muur van de McDonald's. Toen dat hem begon te vervelen, reed hij terug naar huis.  

Nicolas Severyns
0 0

Leer

Gino had een obsessie: leren jassen. Zijn kasten hingen er vol mee. Zwarte leren perfecto's, jassen uit omgekeerd schaap, jekkertjes met glitter en opschriften van motorclubs, zelfs paarse blousons uit namaak struisvogelleer met gouden kettingen. De garderobekast aan de inkomhal was voor de mannenvesten, de kapstok in de gang voor de leren regenjassen en de instapkast in zijn slaapkamer voor de damesblousons en daim jasjes. Dat was zijn buit. De schatkamer van kapitein Gino, waar hij vijf jaar aan had gewerkt. Gino was een klein ventje met een agressiviteitsprobleem. Hij reed met een zware motor om zijn lengte te compenseren. De motor deed 250 kilometer per uur. Maar dat was niet genoeg. Elk weekend ging hij naar de discotheek, de Bocaccio en de Carré, om coke te snuiven, xtc te slikken en te dansen op de new beat van de Confetti's. Zijn hobby was onschuldig begonnen. Eerst kon hij zijn jekker niet terugvinden in de vestiaire van het Feestpaleis in Beervelde. Eigenlijk had hij hem in de hoek van de zaal naast een luidspreker laten liggen, maar hij was te dronken om zich dat te herinneren. Daarom had hij toen op zijn dooie gemakje een andere leren vest van de kapstok gehaald toen de garderobejuffrouw even de verkeerde kant opkeek. Het bleek een betere jekker te zijn dan zijn oude, een echte Chevignon uit dik en soepel leer, een pilootmodel met een blinkende goudkleurige voering. Nu hij had begrepen hoe gemakkelijk het was, maakte hij er zaak van om ieder weekend met minstens één vest aan de haal te gaan. In het weekend droeg hij de jassen niet. Hij droeg ze alleen tijdens de week, om naar zijn werk te gaan. Hij werkte in een bakkerij als bakkershulpje en moest om vier uur 's morgens opstaan, reed vijfhonderd meter met zijn motor en was al ter plekke. Om twee uur in de namiddag was hij klaar met werken voor de rest van de dag en van zijn collectie leren jekkers had hij uiteindelijk maar weinig plezier. De enige die ze zag, was bakker Guy, die hem vroeg of zijn moeder een klerenwinkel uitbaatte toen Gino voor de derde keer op één week met een ander jasje kwam aangesnord. Gino vond het spijtig dat hij niet wat meer de show kon stelen met zijn jasjes, want hij had er een paar mooie in zijn collectie. Wanneer hij 's namiddags thuiskwam stalde hij ze uit op zijn bedsprei, trok ze aan en bewonderde zichzelf in de kamerbrede spiegel van zijn instapkast, die zijn ouders hem cadeau hadden gedaan toen hij vorig jaar alleen was gaan wonen. Voor één jasje had hij een zwak: dat van Carine De Gucht. Het hing in zijn kast met damesjasjes: jasjes die hij niet aantrok, maar af en toe besnuffelde naar sporen van parfums – bloemige parfums zoals Anaïs Anaïs van Cacharel en zware muskusrijke parfums zoals Poison van Christian Dior – en ook gewoon leer en zweet. Het jasje van Carine De Gucht rook naar iets anders. Het was gemaakt uit lichte daim, rozig, met de snit van een blazer. Hij had het gestolen in snookerclub Eddy's Balls in de Groendreef. Het lag op een bank die bezet werd door een gezelschap van yuppies in gestreepte hemdjes en Italiaanse schoenen. Op hun tafeltje stonden Duvels, pintjes en Gini. Ze waren in de ban van een kloot die de show wilde stelen en met zijn keu allerlei effecten met de biljartballen uithaalde, die naar hem terugkeerden en allerlei geometrische figuren beschreven op het groene tapijt. Voor Gino was het een koud kunstje geweest om het jasje van de zitbank te grissen en er vandoor te gaan. In het jasje zat een portefeuille met een identiteitskaart, bankkaart en vijfduizend frank. Een hele hoop geld. Gino deed nooit iets met de dingen die hij vond in de jekkertjes. Meestal trof hij lipstick of condooms aan. Af en toe een halflege portefeuille. De spullen slingerden rond op zijn appartement, in schuiven en mandjes. Als er een balpen bij zat, gebruikte hij die om 's morgens kruiswoordraadsels op te lossen. Gino was meteen weg van Carine De Gucht. Zelfs op haar identiteitskaart zag ze er adembenemend uit. Haar blik was open en leek je tegemoet te komen. Gino keek er elke ochtend naar bij het ontbijt, terwijl hij slurpte van zijn koffie en kauwde op zijn boterham met salami. Toen hij nog maar net was begonnen werken, had hij zo vroeg in de ochtend nog geen honger. Het was per slot van rekening nog maar vier uur. Na drie weken deeg kneden bij bakker Guy, tussen de heerlijke geuren van rijzend deeg, gist, opgelegde rozijnen, hete karamel en smeltende boter had hij er een gewoonte van gemaakt om 's ochtends uitgebreid te ontbijten. Anders kreeg hij rond negen uur honger, net wanneer de meeste klanten de winkel binnenkwamen. En dan moest hij van Guy overal met zijn handen afblijven. Carine had een mooie handtekening met veel krullen. Ze woonde op de Dennenlaan in Lochristi en was geboren in Sint-Niklaas op 13 juli 1977. Haar rijksregisternummer was 770713-84912. Gino kende het van buiten. Gino keek uit naar 13 juli. Zelfs meer dan naar 27 augustus, zijn verjaardag. Elke nacht dacht hij aan Carine, en hij hoopte haar ooit nog eens tegen het lijf te lopen. Hij zou haar herkennen in een massa van duizend mensen. Op de straat en in de supermarkt hield hij zijn ogen open, klaar voor een onverwachte ontmoeting. Op zaterdagen bezocht hij de snookerbar, maar daar trof hij haar nooit aan. Ook discotheken leek ze niet te frequenteren. Het was 13 juli. Guy was een week geleden op zomervakantie vertrokken met zijn vrouw Sandra en zijn drie kinderen. Gino werd al de hele week elke ochtend om vier uur wakker, alleen maar om te beseffen dat hij eigenlijk verder mocht slapen. Maar hij kon de slaap niet vatten. Hij liep ongeduldig door de stad tot de winkels opengingen, kocht een groot boeket rozen en reed met zijn motor naar Lochristi. De Dennenlaan in Lochristi was een chique buurt met villa's, lommerrijke tuinen en hoge bomen die hun schaduw lieten vallen op het asfalt van het dreefje. Gino stopte voor huisnummer 46, een bungalow in rode baksteen met een schuin zwart dak. De bungalow stond een tiental meter diep in de tuin, op een kortgeknipte gazon. Een paadje uit stapstenen leidde naar de voordeur. Gino had zijn mooiste jeans en een wit hemd aangetrokken. Zijn helm hield hij onder zijn ene arm geklemd; de bos bloemen, de zak met haar leren jekker, portefeuille en de vijfduizend frank onder de andere arm. Zijn zware cowboyboots klakten op de stenen. Carines identiteitskaart zat in zijn binnenzak: die zou hij niet afgeven. Het was Carines moeder die opendeed. Gino stelde zich voor en overhandigde haar het boeket. 'Carine slaapt nog,' zei ze. 'Ben jij haar vriend?' 'Ja,' zei Gino, 'zo zou je het kunnen zeggen.' 'Kom binnen voor een kop koffie.' Nieuwsgierig stapte Gino het huis binnen. Zijn ouders woonden in een rijhuis. Ook de bakkerij was in een rijhuis gevestigd. In een wijk als deze was hij nog nooit verder dan de voordeur geraakt. Dat was overigens nog in de lagere school, wanneer hij met zijn vriend Robby voor Driekoningen van deur tot deur ging om liedjes te zingen of auto's te wassen. Hij veegde voorzichtig zijn voeten af aan iets wat waarschijnlijk een Oosters tapijt was en volgde mevrouw De Gucht naar de grote keuken met uitzicht op de achtertuin. 'Een mooie keuken,' zei Gino, 'en wat een tuin. Hier zou ik wel willen wonen.' 'Waar woon jij, Gino? vroeg Carines moeder. 'Ik huur een studio in de Groenstraat,' zei Gino, 'ik zit op leerschool bij bakker Guy op het Stationsplein.' 'Aha', zei Carines moeder. Ze schonk hem verstrooid zijn koffie in. De zak met Carines spullen lag op Gino's schoot en belemmerde hem aan te schuiven aan de tafel en van zijn koffie te nippen zonder op zijn jeans te morsen. 'Wil je die zak niet wegzetten?' vroeg Carines moeder. 'Hier', zei Gino, terwijl hij haar de zak aanreikte. 'Er zitten kleren in van Carine. Ik heb die gevonden.' Carines moeder deed de tas open en haalde het jasje eruit. Verbaasd plooide ze het open en keek ze ernaar in het licht van het brede keukenvenster. Carines moeder had veel weg van Carine. Dezelfde blik. Ze had mooie borsten, maar een plat achterwerk. 'Waar heb je dat gevonden? Carine dacht dat het gestolen was. Dat is al maanden geleden. Heeft ze dat bij jou achtergelaten?' Gino wist niet wat hij hierop moest zeggen. Hij was helemaal niet voor Carines moeder gekomen en had eigenlijk verwacht dat deze dag anders zou uitdraaien. Daarom stond hij recht. 'Uw koffie was heel lekker, mevrouw De Gucht, maar nu moet ik er vandoor. Ik denk niet dat ik ga wachten tot Carine wakker is.' Mevrouw De Gucht stond ook recht. Terwijl ze hem naar de deur begeleidde, zei ze: 'Carine zal heel blij zijn dat haar jekker terecht is. Het was een cadeau van haar vader voor haar achttien jaar. Ik vraag haar om je op te bellen wanneer ze wakker is, om je te bedanken. Heeft ze jouw telefoonnummer?' Gino krabbelde zijn telefoonnummer op een papiertje en nam afscheid. Die dag reed hij op zijn Ducati door velden en bossen tot zijn tank leeg was. De volgende dag stond de politie aan zijn deur. Ze vroegen of ze eens mochten rondkijken en Gino durfde hen niet tegen te spreken. Ze vroegen hem waar hij al die leren vesten vandaan had. 'Ik heb ze gekocht', zei Gino. 'Ze zijn allemaal van mij.' Een van de agenten haalde tampons uit de zak van een leren jekker. 'En die, zijn die ook van jou?'  

Nicolas Severyns
0 0

De hond zonder naam

Harry De Bleeckere had zich een hond gekocht van zodra zijn vrouw hem had verlaten. Hij had daar altijd van gedroomd, al sinds zijn kindertijd, maar zijn vrouw had een hekel aan honden. Aan alle dieren eigenlijk. En niet alleen aan dieren, aan mensen ook. Ze had hem waarschijnlijk verlaten omdat ze overal een hekel aan had. Dat was het. Maar bon, nu had hij een hond en dat maakte hem blij. De hond mocht bij hem slapen in zijn bed, lag samen met hem op de sofa tv te kijken en at dezelfde diepvriesmaaltijden als Harry. Wijn, whiskey of bier gaf hij niet aan de hond. Hij was geen dierenbeul. Zelf dronk hij natuurlijk graag een glaasje. Harry was niet de meest sportieve kerel. Hij hield van sportauto's, keek graag naar sport, in het bijzonder tennis, formule 1 en golf, maar zelf zag hij op tegen de inspanning. Hij ging soms met zijn vrienden joggen, een groepje dichte en verre buren. Je had Marc de cardioloog, Bernard de notaris, Jo de boekhouder en Carl die iets deed op de haven van Antwerpen. Ze waren echter allemaal superfit en een paar jaartjes jonger dan hij. Hij was de eerste die op de verkaveling een villa had gezet, nog in 1965. Toen was alles nog bos. Nu waren het villa's, fermettes en bungalows en werd het geluid van de vogels overstemd door het geluid van grasmaaiers. Zij gingen elke twee weken joggen. Het loopclubje praatte alleen maar over loopschoenen, over hoe ze een winkel kenden waar ze je voet filmden of er een foto van trokken en dan op basis daarvan een ideale schoen voor je voet uitzochten, enz. Ze droegen ook felle sportbroekjes, alsof ze echte athleten of marathonlopers waren. Niets voor Harry, die last had van overgewicht en helemaal niet van plan was om tot het uiterste te gaan, zoals zij elke keer deden. Het clubje liep tien kilometer door bossen en weiden, langs allerlei wegeltjes en op het oude vliegveld, maar Harry hield het meestal voor gezien na een kilometer of twee en nam een kortere weg, zodat hij ongeveer tegelijk met hen terug op de ontmoetingsplaats aankwam, café Rozenbroek. Daar genoten ze allemaal van een pintje. De pindanootjes waren voor Harry. Dat wist iedereen. Harry kon maar geen naam bedenken voor de hond. Voorlopig zei hij 'beestje'. Het dier was speels en wilde de hele tijd de tuin in, die bij Harry klein was en zonder omheining. Harry had de hond een paar keer buitengelaten toen hij terugkwam van het werk, omdat het beest zat te blaffen en droevig te janken, want het was de hele dag thuis opgesloten. Maar de buren waren niet tevreden. De hond liep de hele tijd hun tuin in, had op de gazon een drol gelegd en hun zoontje was er met zijn blote voeten in gelopen. De buurman was de stront in een zakje naar Harry komen brengen, om hem te zeggen dat hij zijn stront in het vervolg zelf moest opruimen. Harry's secretaresse, die sinds zijn vrouw was gaan lopen veel interesse en medelijden met hem toonde, zei dat zo een huskie minstens tien kilometer per dag moet kunnen lopen. Anders kon die depressief worden en zelfs sterven of kanker krijgen. Dat zette Harry aan het denken. De volgende ochtend reed Harry heel de wijk door: langs de Eikenlaan, de Kastanjelaan, de Beukenlaan, alle straten in zijn wijk waren naar bomen genoemd. In de nieuwe verkaveling, met kleinere villa's en kleinere percelen, daterend van na de oliecrisis, droegen de straten de namen van exotische planten, zoals Wespenorchideelaan. Tijdens het rijden hield hij zijn behaarde arm uit het opengedraaide venstertje van zijn BMW. De huskie waarvoor hij nog altijd geen naam had bedacht (wel had hij op een bierviltje al een lijst met mogelijke varianten opgesteld en was hij een rondvraag gestart op het werk), liep met zijn tong uit zijn bek naast de auto en verkeerde in een opperbeste stemming. Harry reed in tweede versnelling, met een snelheid van ongeveer 25 kilometer per uur. Hij stond versteld van de snelheid van zijn hond. Hij reed naar het oude vliegveld en deed het toertje van tien kilometer dat normaal de joggers deden. De energie van de hond leek onuitputtelijk. Hij merkte dat de hond dit nodig had en maakte er een gewoonte van. De volgende maanden reed hij iedere ochtend door de verkaveling, met zijn hond aan de leiband uit het venstertje. 's Ochtends was het rustig en kwam hij bijna nooit iemand tegen, hooguit af en toe een scholier met de fiets op weg naar de school. Met volle teugen ademde hij de geneeskrachtige lucht van de sparren in en - omdat hij nu zo traag reed - zag hij op verschillende plaatsen eekhoorntjes door de bomen springen en konijnen huppelen op de gazons. Hier en daar zag hij een huisvrouw of man in kamerjas die sloffend de ochtendkrant uit de postbus kwam halen. Ondertussen bromde zijn motor en trippelde de hond met zijn nagels het asfalt. Hij werd er natuurlijk op aangesproken. Eerst keken de mensen hem vreemd aan bij de bakker en de slager. Toen hij nog eens ging joggen, een verplichting die hem destijds door zijn ex-vrouw was opgelegd, om beter in de buurt te integreren, vroegen ze hem lachend of hij nog geen pijn had in zijn arm. Maar Harry lachte het weg en legde uit hoe blij hij wel was met die hond en dat hij in een depressie zou hebben gezeten mocht dat beest er niet geweest zijn. Dat het een droom was die uitkwam voor hem en dat hij nog nooit zo gelukkig was geweest. En dat hij niet de indruk had dat hij iemand stoorde door zo 's morgens met zijn auto door de verkaveling te rijden. De joggers stemden daar mee in. Ze vonden het origineel en ongewoon, maar er was inderdaad niets illegaal aan. Met zijn ex-vrouw Greta ging Harry vaak naar concerten, voornamelijk klassieke muziek en in het bijzonder opera. Harry's ex-vrouw was gek geweest op Maria Callas, waardoor Harry telkens hij een aria van Puccini hoorde en het bekende stemtimbre hem ter ore kwam, direct in het verleden werd teruggegooid en zich alle ruzies herinnerde die hij met haar had gemaakt en hoe ze zijn leven had verziekt. Hij bleef niettemin een muziekliefhebber en luisterde 's avonds, bij het avondeten, naar een elpee op zijn hifiketen van Marantz en zijn gigantische luidsprekers, die hem het gevoel gaven dat hij zich midden in de concertzaal bevond. In de auto luisterde hij ook naar muziek, bij voorkeur naar de klassieke zender. Vooral 's morgens, wanneer hij met de hond zijn rondjes deed, probeerde hij hiermee de routine min of meer te doorbreken. Hij legde nu elke dag hetzelfde traject af met zijn hond, en had graag een deuntje waarop hij kon meefluiten. Op een dag was hij tijdens de ochtendwandeling aan het luisteren naar een streepje klassiek. Ze naderden het oude vliegveld en reden over een grindweg waar Harry steeds van versnelling moest veranderen. 'Mio babbino caro, mi piace, è bello, bello,' weerklonk de stem van Maria Callas uit de zwarte luidsprekers die in zijn portieren waren gemonteerd. Er liep een koude rilling over Harry's rug, als een kudde bizons die raasde door de prairie, en zijn reflex was om de radio onmiddellijk uit te zetten. Hij was echter net met zijn rechterhand de versnellingspook aan het verplaatsen. Hij nam de leiband tussen zijn tanden om met zijn linkerhand de radio uit te zetten en dat doordringende stemgeluid te doen verdwijnen. De leiband slipte echter uit zijn tanden, het venstertje uit. De zwarte leren vlecht kletterde de straat op, de hond achterna. Harry probeerde er zijn hand naar uit te strekken, maar verloor de controle over het stuur. De wagen maakte een bruuske bocht naar links. De hond kwam onder het wiel terecht en jankte kort en klaaglijk. Er volgde een bonk. Harry duwde op zijn rem. Hij werd tweemaal omhoog geworpen in zijn zetel voor hij tot stilstand kwam. De hond lag achter de auto. Op het eerste zicht leek er niets gebroken, maar het dier bleef wel liggen en jankte. Het keek voor zich uit en knipperde af en toe met de oogleden. Harry legde de hond voorzichtig op de achterbank, zei dat alles goed zou komen en dat het zich geen zorgen hoefde te maken. De dierenarts zei echter dat er niets meer kon worden gedaan en Harry stemde ermee in om het dier een spuitje te geven. Hij begroef de hond in de tuin en timmerde een houten kruis.  Hij had niet eens een naam voor de hond bedacht.

Nicolas Severyns
1 0

Lokroep van de vogels

  Hij heeft gespoten noch gesproeid, de wortelen zijn rein. Mijn bio-ogen merken geen venijn of parasieten, alle comités om mij te redden zijn geliquideerd. Ik zeg nog wat. Dat een alterego straks mijn valscherm saboteren zal, omdat de nacht zo van me houdt, meer dan de vissen van het water, vlinders kunnen gewoon vliegen, weet ik, vliegtuigen die niet. Man met de pet, motoren aan, motoren uit.   We kunnen nog wat lagen wegdrinken, mijn liefste, zwanenzangvinyl in rondjes draaien, kijken of het middelpunt ook een illusie is. De hamster heeft mijn beukennootjes, ginds een zwanger hondje aan de lijn, man met vrouw die hij niet lossen kan, ze kreuken, stappen door het bos. Oranje sporen, de plataan staat stil, varens overleven zonder zon, weten nog hoe dinosaurussen voorbijliepen als heuvels in een kinderdroom.   Nog een week misschien. Het aanschouwen van de dans der wintermuggen, ik had het vogelkastje niet voorzien van internet. Ver weg, een kerel met een leeuwenlogo, rechterarm die kleingesneden Vlaamse Reuzen weggooit. Achteloos. Bederf oesters vele nullen arendseieren lijsterbessen overrijpe tijd. Daar in de container, beestig groot, die zonder honger stond te wachten naast het warenhuis.   Moeheid mensen geluiden sterven. Angsten scheefgetrokken beelden smelten als een ijsje in de zon. Voor mij de warme rust, ik wil nog een paar dagen in je armen slapen, tot ze weer passeren. Dan kan ik met hen meevliegen, de vogels van het laatste rijk. Oneerlijk zou het zijn.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Pech

Hoeveel pech kan je hebben binnen de tijdspanne van één ‘werkdag’?  Nadat we onze eerste werkmaanden er op hadden zitten, nodigde de raad van bestuur van onze kersverse werkgever mijn nieuwbakken collega’s en mezelf uit om met elkaar kennis te maken. Uit elke Vlaamse provinciehoofdplaats vertrok er een delegatie naar Brussel. Ons groepje bestond uit een stel jongelui aangevuld met enkele oudere HR-medewerkers die ons zouden begeleiden naar de hoofdzetel in Brussel. Eerst spraken we af in Hasselt om van daaruit gezamenlijk te sporen naar onze hoofdstad. Het was een mooie zomerdag toen ik mijn oude Kever parkeerde op de binnenring. Ik stapte uit en merkte al dadelijk dat ik een knop verloor van mijn blauwe blazer. Ik raapte hem van de straat op en borg hem weg in mijn jaszak. Een ongelukje kan iedereen gebeuren, dus no problem. Enkele minuutjes daarna ontmoette ik de rest van onze bende op het perron. Het zou een werkdag worden zonder dat we ervoor moesten werken. Dat is niet iedereen gegeven, dus de stemming zat erin. Een kwartiertje later zaten we op de trein en we namen een kwart van de wagon voor onze rekening. We waren met velen in dienst genomen in dat voorbije jaar. Van crisis was nog geen sprake. Dat zou niet lang meer duren, zowel voor de Belgische economie als voor mijn outfit van die dag. We naderden Diest. Een tweede knoop kreeg het snode plan zich te ontrukken van mijn nochtans onlangs aangekochte vest. Gelukkig bleef ik cool alhoewel de nog redelijk vroege zomerzon de temperatuur in ons compartiment de hoogte injoeg. Een blazer, dacht ik, wordt regelmatig niet dichtgeknoopt gedragen. Toen Aarschot in zicht kwam voltrok zich het derde ‘stuk’. Toen ik mijn armen kruiste om mijn ontbrekende knopen te verdoezelen, zag ik dat de naden van mijn vestmouwen aan de binnenkant helemaal loslieten en open kwamen te staan zodat de voering naar buiten puilde. Onder het mom van ‘te warm’ besloot ik dan maar mijn blazer uit te doen en over mijn schoot te draperen. Leuven zal voor mij altijd een nare bijklank hebben. Nog voor we onze zoveelste tussenstop deden, besloot ook mijn broek het te begeven. Net zoals bij de mouwen van mijn vest, weigerden de naden van mijn pantalon, nochtans even nieuw gekocht als mijn blazer, hun plicht te vervullen. Er verschenen twee openingen ter hoogte van de binnenkant van mijn knieën. Dit laatste was niet ontsnapt aan de opmerkzaamheid van één van mijn nieuwe vrouwelijke collega’s. Tussen Leuven en Brussel deed ik het relaas van mijn wedervaren aan mijn omzittenden. Eerst hilariteit alom, maar toen zij het hopeloze van mijn situatie inzagen was er alleen nog sprake van het broodnodige medeleven. Gelukkig bleef ik gespaard van het verder uitrafelen van mijn kledij en bleef het een zonnige dag zodat ik met mijn blazer de overige calamiteiten kon verbergen. Goddank gaf mijn toenmalige grote baas een eerder flauw handje in plaats van mij door elkaar te schudden met een fikse ‘poot’. Dat hadden mijn blazer en broek zeker niet overleefd. Iemand geïnteresseerd hoe dit alles kon gebeuren? Welnu, alhoewel beide kledingstukken nog maar enkele maanden voor die destructieve dag aangekocht waren, had ik besloten ze toch aan de nieuwkuis mee te geven: kwestie er op je paasbest uit te zien als je voorgesteld wordt aan je Raad van Bestuur. Een of andere mislukte ‘droogkuiser’ moet ze dan behandeld hebben met een verkeerd product, waardoor de naden verzuurden en verschrompelden, met alle gevolgen van dien. Moraal van dit verhaal: Het was het begin van een veertig jaar durende loopbaan. Regelmatig moest ik naar Brussel terugkeren maar altijd zorgde ik ervoor dat ik kleren droeg die niet pas ‘behandeld’ waren.

Marc M. Aerts
0 0

Kind met duif

[Niño con una paloma (1901) — Pablo Picasso] „Hallo? Wie hebben we hier? Dag jongedame, hoe heet jij?” „Blanca, mevrouw.” Het meisje keek verlegen naar de grond. Ze had een bal onder haar arm geklemd en in haar kleine knuistjes hield ze heel voorzichtig een witte duif vast. De vogel leek het niet erg te vinden. “En kan ik iets voor je doen?” “Ik kom deze duif terugbrengen, mevrouw.” “Ik ben Anna, de meid. Je hoeft mij geen mevrouw te noemen. Is het er eentje van de burgemeester?” “Ja mevrouw… Anna. Hij heeft een ringetje, kijk… en daar staat een nummer in. Mijnheer Delgado van de overkant heeft ook duiven en die heeft ook een heel dik boek waar alle nummers in staan en hij zei dat daarin stond dat-ie van de burgemeester was.” “Nou, dan zal ik onze burgervader maar even waarschuwen.” Anna wilde zich al omdraaien.” “Kan ik hem niet aan u geven?” “O nee, ik raak die griezels niet aan!” Om haar standpunt kracht bij te zetten hield ze haar handen wapperend naast haar hoofd en trok ze een vies gezicht. Blanca moest haast lachen om deze rare vrouw. “Kom maar binnen. Hier, ga hier maar even zitten, dan zal ik de burgemeester laten weten dat je er bent. Bianca, zei je?” “Blanca, mevr— Anna.” Terwijl Anna het huis verder inliep, ging Blanca zitten op het krukje dat haar was aangewezen en keek vol bewondering de enorme keuken rond. Ze vroeg zich af of de oven groot genoeg was om in te wonen. Erboven hingen meer pannen dan haar moeder waarschijnlijk in een jaar zou gebruiken. Ze voelde haar arm moe worden door het klemmen van de bal en ze keek of ze die ergens voorzichtig neer kon leggen, toen Anna alweer terugkwam. “De burgemeester heeft het heel druk maar hij wil je even ontvangen, kom maar.” Ze volgde de huishoudster de keuken uit naar de grote hal. De donkere lambrisering gaf de ruimte iets plechtigs wat ze goed vond passen bij iemand die zo belangrijk was als de burgemeester. In de hoek stond een glimmend harnas dat heel echt leek. Met een zwaard. Anna wees naar een deur die op een kier stond, draaide zich om en ging terug naar de keuken. Blanca durfde niet zomaar binnen te lopen maar ze had geen hand vrij om te kloppen en dus schopte ze met haar voet heel zachtjes tegen de deur. Toen ze geen reactie hoorde, schopte ze iets harder. “JA!” bulderde het. Van schrik deed ze de deur verder open maar vergat de bal. Het vrolijke gestuiter van het plastic op het statige marmer leek oorverdovend en eindeloos. Het was alsof het geluid het hele huis door galmde. Het liefst was ze omgedraaid en hard naar huis gehold. „Hallo, hier ben ik.” Ze overwon haar angst en deed een paar pasjes naar voren. „Ja, kom maar verder. Kom, kom, ik bijt niet.” Blanca schuifelde voetje voor voetje de grote studeerkamer in, haar ogen op de grond gericht. Achterin het vertrek, achter een groot houten bureau, zag ze het silhouet van de burgemeester. Doordat het licht van achter het bureau door een hoog schuifraam naar binnen viel, kon ze niet zien of hij boos was. Ze dacht niet dat de burgemeester vaak werd gestoord door stuiterende ballen. „Zo zo. Kijk aan. Wat hebben we hier. Hoe heet jij?” „Blanca”, klonk het zachtjes, nog niet eens fluisterend. „Kun je iets harder praten, kind, zo kan ik je niet verstaan.” „Blanca, mijnheer,” nu iets luider. “Wat heb je een mooie strik aan je jurk, Blanca.” Blanca keek op, verrast door deze vriendelijke woorden. “Dank u wel, mijnheer. Heeft mijn moeder—“ “Anna zegt dat je een duif komt brengen?” “Ja dat klopt, mijnheer. Mijnheer Delgado van de overkant heeft op het ringetje gekeken en toen zei hij dat-ie van u was.” “Je weet dat dit soort duiven meestal uit zichzelf terug naar huis vliegen?” De burgemeester was achter zijn bureau vandaan gekomen en nu kon ze hem beter zien. Ze vond dat hij er eigenlijk best vriendelijk uit zag. “Ik denk dat hij was verdwaald, mijnheer.” “Verdwaald? Het is een postduif?” “Daarom, misschien.” “Hoe bedoel je.” De burgemeester leunde nu voorover en keek Blanca aan over zijn kleine brilletje. “De meeste duiven gaan nergens naar toe, mijnheer. En als je niet ergens naar toe gaat, kun je ook niet verdwalen.” De burgemeester keek haar verbaasd aan, vouwde zijn brilletje op en stak dat in een zakje van zijn overhemd. “Mmm, misschien heb je wel gelijk. Je bent een slim meisje, Blanca. Maar hoe kun je zien of een postduif verdwaald is?” “Ik weet het niet, mijnheer, maar hij kwam bij ons en wij krijgen nooit post. Behalve één keer per jaar, dan krijgen papa en mama een brief van tante Esmeralda, dat is een zus van mama, die naar Amerika is verhuisd. Maar die wordt nooit door een duif gebracht, altijd door —“ “Laat eens zien.” De burgemeester strekte zijn handen uit om de duif van Blanca over te nemen. De vogel fladderde wat en Blanca voelde even de warme zachte handen van de burgemeester toen ze hem de duif gaf. Zulke warme handen, dat zal hij vast fijn vinden, dacht ze. De burgemeester pakte een vleugel van de duif en spreidde deze helemaal uit. Hij wilde hetzelfde doen met de andere vleugel maar toen begon het dier heftig te protesteren. “Aha, daar zit het probleem.” Hij haalde zijn brilletje weer tevoorschijn, zette het op zijn neus en bestudeerde de linkervleugel van de witte duif. “Heeft-ie pijn, mijnheer?” “Ja, dat denk ik wel, Blanca. Ik denk dat een kat naar hem heeft uitgehaald. Of misschien een roofvogel. Ik ben heel erg blij dat je hem hebt teruggebracht, ik denk dat ik hem anders kwijt was geweest. En weet je, ik denk niet dat hij was verdwaald.” “Niet?” Nu was het Blanca’s beurt om verbaasd te kijken. “Ik denk dat deze duif, toen hij wist dat hij niet meer naar huis kon vliegen, snel op zoek is gegaan naar iemand die slim genoeg en lief genoeg was om voor hem te zorgen en hem terug te brengen.” Blanca kreeg een kleur. Hij bedoelde haar! De burgemeester trok aan een lang koord dat naast zijn bureau aan de muur hing en nog geen tien seconden later stond Anna op de drempel van de studeerkamer. “U had gebeld, mijnheer?”, vroeg ze vanuit de deuropening. “Anna, wil jij deze jongedame een glas limonade geven? Mét ijsblokjes. Ze heeft mijn duif gered.” En tegen haar: “Vanaf nu zijn wij vrienden, Blanca,” hij stak zijn hand uit, “Ik ben je erg dankbaar.” Blanca bloosde nog steeds toen ze zijn grote warme hand schudde en een kniebuiginkje maakte. Toen pakte ze haar bal die bij een boekenkast tot stilstand was gekomen en huppelde achter Anna aan naar de keuken. Toen ze later die middag thuiskwam wachtte haar een verrassing. Een grijze duif zat haar op te wachtten op het gammele tuinhekje dat het moestuintje van haar ouders afscheidde van het zandpad langs de boerderijen. Ze zag al snel dat ook dit een postduif was. Het briefje dat in het kokertje zat dat de duif om zijn nek droeg, was van de burgemeester, die haar nogmaals hartelijk bedankte. Het was ondertekend met: ‘uw vriend, de burgemeester’.

Bart Snel
196 0

Vermist, gekist, vergist...

 Spitsbogen. Alle vensters hadden de vorm van gotische spitsbogen. De ramen zelf bestonden uit onregelmatig geplaatste, rechthoekige vlakken gekleurd glas, waardoor die Mondriaans overkwamen. De zon projecteerde de diverse kleuren op de zwarte leistenen vloer en op de bleke eiken kist die door vier man werd gedragen en langzaam naar voren schreed. De kist werd voorafgegaan door de priester en twee dienaars en gevolgd door Lydia en haar dochter Gina, samen met enkele familieleden die Lydia zelfs niet eens kende. De kist werd neergezet, begroet en gezegend door de priester. Daarna ging iedereen zitten. De priester heette de aanwezigen welkom. Hij ging zelf zitten terwijl Bist du bei mir weerklonk, gezongen door een vrouwenstem en begeleid door het orgel. De priester stond op, ging naar de lezenaar, spreidde zijn armen en zei: ‘Broers en zusters, wij weten dat God, die de Heer Jezus uit de dood heeft opgewekt, ook ons tot leven zal wekken om ons tot Zich te voeren. Wij geven daarom de moed niet op. Al gaan wij ook uiterlijk gezien ten onder, innerlijk worden wij van dag tot dag een nieuwe mens. Wij houden onze ogen gericht, niet op het zichtbare, maar op het onzichtbare.’ Het onzichtbare waar Gert naartoe ging, interesseerde Lydia niet. Voor haar was het onzichtbare wat er was gebeurd. Waarom had Gert niet van zich laten horen? Hoe was hij aan zijn einde gekomen? Hoe kwam hij daar in die kist? Terwijl de mis vorderde gingen haar gedachten volledig op in de vragen die ze al maandenlang had gesteld. Plots stond Gina op en ging naar voren. Ze nam een papier uit de binnenzak van haar gele colbert, vouwde het open en las voor. Het ging over vake alhier en vake aldaar, haar uitgesproken speelkameraad. Lydia kon moeilijk een afkeurende blik verbergen. Na een resem gebeden, die aan Lydia grotendeels voorbij was gegaan, kwam de lijkbidder naar haar toe en vroeg haar voor de offerande. Lydia stond op, ging omheen de kist, die ze groette. Ze legde vervolgens haar hand op het kruis dat door de priester werd voorgehouden en nam het bidprentje aan. Zij ging weer zitten en bekeek het prentje. De foto op het prentje was Gert niet. Nee, dat was Gert niet. Wie had zich hier vergist? Was zij in de verkeerde kerk? Op een andere begrafenis? En dan weerklonk een lach van Gina, steeds luider en sterker galmend. Lydia schoot wakker. Nee, het was geen nachtmerrie, maar de zoveelste droom die ze had meegemaakt in de schemerzone tussen slapen en waken.   Fragment uit Het Pi-algoritme © Bert Bergs, 2014

Bert Bergs
0 0

De een zijn dood is de ander zijn brood

‘Mijn!’ Hoppa. Voor minder dan een ton werd mijn huis verkocht op de veiling. Met een tevreden smoel stond de roodharige, jonge knul op. Hij wreef in zijn handen en liep naar voren. Ik stond ook op, klemde mijn kaken hard op elkaar en liep naar de uitgang. Vanmorgen had ik zo gehoopt dat de prijs voor mijn huis op de veiling weinig zou afwijken van de oorspronkelijke prijs. Met verlies had ik zeker rekening gehouden. Maximaal twintigduizend. Dan was overzichtelijk geweest en had ik een lening kunnen afsluiten. Maar ruim een ton verlies, nee, dan was ik reddeloos verloren. Voordat ik de klapdeuren opende, stopte ik nog even bij de koffietafel. Ik griste twee handen vol mariakaakjes van de schaal en moest moeite doen om niet te gaan scanderen. Wat zou ik zin hebben gehad om alle kuttenkoppen in de zaal duidelijk te maken dat ze zich niet realiseerden wat voor pijn en verdriet er achter ieder koopobject schuilging. Het liefst had ik hier ter plekke een speech gehouden. Lieve allemaal, Huurbazen, huisjesmelkers, krenten en vrekken, Lekker goedkoop een huisje scoren. Dat is de reden dat jullie hier vandaag samengekomen zijn. Waarom zou je meer betalen dan nodig is? Je bent toch zeker niet gek? Geef je ogen goed de kost en bekijk de foto’s die in rap tempo voorbijflitsen op de PowerPointpresentatie van meneer de veilingmeester. Hij is er druk mee geweest. Knippen, plakken, beetje typen. Waan je als een kind in een snoepwinkel. Als een vos in een kippenhok. Als een pooier tussen zijn hoeren. Op de foto van mijn huis zag ik dat de gordijnen dicht waren. De gordijnen die mijn moeder gemaakt heeft. Die mooie witte. Die krijgt u er gratis bij. U zult wel blij zijn dat u geen gordijnen op maat hoeft te maken. Want geloof me, deze ramen hebben godsonmogelijke, afwijkende maten. De gordijnen zijn niet simpel met enkele banen in elkaar te naaien. Daar komt echt vakwerk aan te pas. Moeder de vrouw zal u dankbaar zijn.       En ziet u die schutting in de achtertuin? Die heb ik eigenhandig opgeknapt. Het hout was verweerd en grijs. Die kekke groene verf, dat was mijn idee. Uiteraard heb ik er begrip voor als u liever een authentieke kleur kiest. Een middagje kwasten en hij is helemaal naar uw believen. Die keuken is ook leuk, nietwaar? Afgelopen Kerst stond ik daar met de hand af te wassen na het gourmetten. Tientallen kleine, aangekoekte pannetjes, schaaltjes met restjes saus en mini-spateltjes stonden te weken in de wasbak. De vaatwasser had het juist die ochtend begeven. Geen zorgen, hoor. Ik heb de vaatwasser laten vervangen voor het nieuwste model. Er zitten vooral ecologische standjes op. Ik ben nogal begaan met de wereld om ons heen, ziet u? Vergeeft u me alstublieft dat ik de tuin slecht onderhouden heb. Ik heb geen groene vingers, begrijpt u? Ik weet niks van wortels, stengels, stammen. Nachtschades, zaadlobben, bladgroen, het zegt me bar weinig. Hopelijk maakt u een mooi plekje van de tuin. Het zal er ’s zomers heerlijk vertoeven zijn. De buren zijn uiterst vriendelijk en veroorzaken nooit of te nimmer geluidsoverlast. Ik kan u nog veel meer vertellen over mijn huis en zou u heel graag verder op weg helpen, echter, vandaag heb ik weinig tijd. Ik moet namelijk om twaalf uur werken en daar ik door uw vrekkige aankoop de schuldsanering in moet, kan ik me het niet veroorloven de kantjes ervan af te lopen en mijn baan te verliezen. Mocht u nog vragen hebben, schroom dan niet om contact met mij op te nemen. Ik wens u veel plezier en geluk toe met uw zeer voordelige aankoop en de laagste hypotheek die u ooit zult hebben. Wie weet woont u over twee jaar al hypotheekvrij. Dat zou fantastisch zijn, nietwaar? Tot slot wil ik nog graag opmerken dat u niet verder na te denken hoeft over het verleden. Aan de mensen die tot voor kort nog in uw zojuist aangeschafte pand woonden. Die leef en leed hebben gedeeld, seks hebben gehad op het aanrecht, de eerste stapjes van hun kind hebben gadegeslagen in de woonkamer, baalden van de klemmende douchdeur, genoten van het uitzicht vanuit de erker. U hoeft daar niet over na te denken. Maakt u zich maar geen zorgen. De een zijn dood is nu eenmaal de ander zijn brood. Zo is het altijd geweest en zo zal het altijd blijven, door mensen zoals u. Namens alle mensen met hoge hypotheekschulden, betalingsachterstanden en andere financiële penarie: heel hartelijk dank. Ik legde de mariakaakjes terug op de schaal. Wat moest ik er eigenlijk mee? De veiling ging verder met een ander huis. Ik keek vluchtig op het grote scherm en zag een failliete cafetaria. Wat daar uiteindelijk voor schamel bedrag voor neergeteld ging worden, hoefde ik niet te weten. Ik liep de deur uit en dacht aan een ietwat gezette man, met snor en grijs haar. Vol goede moed begonnen aan een patatzaak om zijn gezin te onderhouden. Helaas ook slachtoffer geworden van de economische crisis. Mensen gingen hun eigen patat en frikandellen wel bakken, in de schuur. Hans Worst – ook voor al uw patatten – zag de bezoekersaantallen teruglopen. Er ontstond een achterstand in de lasten van het pand. Het ene gat was niet meer te dichten met het andere. Totdat Hans, met een brok in zijn keel, de zaak noodgedwongen sluiten moest. Zijn vrouw is er nog kapot van en ligt sindsdien hele dagen op bed.                  

Juliëtte Rosenkamp
18 0