Zoeken

Elk Huis

Elk huis draagt zijn kruis, dus alle vensters huilen. Of is het afvalwater dat alle huisvrouwen in deze straat op exact hetzelfde moment uit het raam gieten, hun klok gelijk gezet op de tijd die ik erover doe om de volgende huizenblok te bereiken. Ik word nat van de miserie die hier samenhokt.Maar het zet al meteen de toon, schept een sfeer van tristesse, hoe dan ook. Bij zonnig weer zijn zulke tekens onontbeerlijk. Alsof de hemel declameert dat er ook regen achter gevels. Zij sluiten vensterluiken, en wij onze ogen. Als die van een vrouw een tint meer blauw, is dat niet van tegen deuren te lopen...Een zonnebril maskeert het leed, conventie dempt elke kreet. Hoeveel decibels geschreeuw zou deze steeg beleven, als we zomaar onbelemmerd onze normen overstegen? Een maatschappelijke laag van make-up moet de groeven camoufleren, maar al metst ze heel het potje leeg, haar angst staat af te lezen.Instinctief mijdt ze glazen deuren. Ze mijdt trappen. Ook die naar een beter leven. Maar de handen die haar vroeger streelden, staan haar naar het leven. Ze geeft de planten water, haar laatste tijdverdrijf van waarde. Hij paste alle technieken toe, ook die van de verschroeide aarde.Hij kocht van die combat boots, om zo haar pijn wat op te voeren. Ook zijn karatelessen komen van pas. Hij is een man van daden. Smoesjes moet ze zelf maar bedenken. Ieder zijn talenten.Maar de buren weten. Haar ouders weten. Zijn ouders weten. En toch stond hier nooit een combi voor de deur! De muren zijn hier van karton, een spektakel voor velen. De audio van zo'n hoge kwaliteit dat het lijkt of ze zelf in de klappen delen. 'Alsof je er zelf bij bent!'We kregen duimen om drie cijfers te kiezen, een stem om te beschrijven, maar we blijven primitieve apen: horen, zien en zwijgen! Noodgevallen delen ligt in onze macht, zo maken we 't verschil. Vermenigvuldig haar kans op redding, is dan de logische optelsom.Hoeveel angsthazen zwijgen om het niet op de spits te drijven, is alsnog onderbelicht. Maar uit angst niet bougeren voor de goede 'vrede', dat noemen ze: medeplichtig! Dat het je plicht is. Luid de klokken. Laat het stoppen.Het regent niet eens. Maar de huizen huilen. We negeren het fervent, maar het perfecte isolement van vier muren, houdt geen rekening met gluurders.Schreeuw het uit. Laat het stoppen.

Gert Vanlerberghe
2 0

De gereïncarneerde duivenhater

Ik hoop dat als er zoiets als reïncarnatie bestaat je terugkomt in eenzelfde schijtwereld als deze van vandaag. Een waarin een mama liefdevol toont op welke plekjes je als pas uit het ei-gekomene zoal kunt kakken. In goed onderhouden tuinen van buren, gemeentelijke portalen van geklasseerde renaissance woningen of op hoofden van winkelende voorbijgangers met lange haren in de straten van een stad. Totdat je op een mooie lentedag dé dag van je volwassenheid als duif voor het eerst zelfstandig kan kiezen de plaats en voorwerp van delict. Een witte, blinkende, net uit de carwash gereden auto van een voor jou ongekend merk.   KNAL!   Met een BB gun schiet er iemand recht in je rectum. De dader is een kalende man met dikke buik, bril en zweetvoeten in sandalen. (dat van die voeten is gelogen, da's gewoon kwestie van iets meer dramatiek te brengen in het verhaal)   Alsof je leven ervan afhangt vlieg je weg naar een schuilplaats ergens in de lucht. 10 dagen, 7 uur, 23 minuten en 16 seconden kan je niet meer kakken. En op seconde 12, met een krop in je keel zo groot als een basketbal val je van een tak uit de boom recht tegenover een andere (jouw lievelingsboom waar je vroeger altijd zat totdat er zo'n dag of 10 geleden een of andere halve zool het in z'n kalende hoofd kreeg je in je rectum te gaan schieten)   PLOP! (geluid van een uit een boom vallende duif)   Omdat je niet anders kon dan stikken in je eigenste stront.   Op die bewuste 12 de seconde was je eerste dag als volwassen duif afschuwelijk.   Maar nog nooit had ik zoveel plezier in de dood.  

Sascha Beernaert
32 0

Hoerarij (deel1)

Hoeveel $ (bij de hoer)     Hij houdt hem hoog Zij houdt hem laag (met de rug op het bed zij op hem) Het bordeel als intieme plek   Zij kent hem van vroegere bezoekjes (een vijftig eurobiljet in de hand) Hij consumeert haar alsof elke keer de eerste is (het bosje schaam op de achtergrond)   Bij bed en erectie houdt hij zijn kinderlijke naïviteit staande Geveinsde tirade volgens haar (zij houdt hem laag)   Moederlijk gespreid tussen armen en benen   Als niet gelogen uit een kindermond spreekt hij de waarheid: “Jij bent een hoer” “A?” (zij) (hij): “Rij!” Zij berijdt hem (van paardenmetafoor tot op zijn hondjes) Hij neemt intussen het kussen waar (een doek van zwart satijn) Ontneemt haar de lust met zijn blik Zij ondergaat het machtsspel Verliest haar decorum voor maar even Torenluw staat hij op wacht Doorheen kantelen speurt hij de horizont af Sensueel doch zonder dralen haar intiem toilet Verademing der geslachten Ze lachen (hij en zij) Om lust die was Om afstandelijkheid en paardenmetafoor Om aan- en uitgekleed Om woorden zonder betekenis Om verdronken en weggespoelde zwemmers Om vijf minuten tijd Hij nijpt op bepaalde hoogten (in hoven zonder bloemen) Zij laat het toe voor een biljet extra Helder water besprenkelt haar tuintje Bloemlezing voor de volgende pluk: “Il fait moche aujourd’hui” Hij vertrekt (sleutels portefeuille gsm) Wolken achter glasgordijnen Een kus (nat op beide wangen) Regendruppelsurogaat voor onbeschermd vleselijk contact Schuldig aan wandelen op het troitoir: Hij Onschuldig aan vrouw-zijn: Zij

Sascha Beernaert
73 0

Het motief

In onze zetel ligt een kussentje. Dat heeft mijn creatieve nichtje gemaakt. Vorig jaar voor Music for Life. Sewing for Life, heette haar bijdrage. Ik kon niet anders dan het kopen van haar, voor haar. Ze verdiende het helemaal. Dat het ook nog prachtig accordeert met de kleuren in onze living, dat was pure bonus. Dus reisde het kussentje vanuit België helemaal af naar Jordanië, en vond het een thuis in het kloppend hart van ons nest. Overdag slapen er poppenhoofden op, daar naarstig neergelegd en vergeten door de zorgende moeders die onze dochters zijn. ’s Avonds vleien wij er onze moeë rug tegen. Zoals zovele dingen, heeft het kussentje twee kanten en een binnenste. Lime groen aan de ene kant. Een stofje van fleece aan de andere kant. Naar de binnenkant heb ik het raden, zoals wel vaak. Er is geen voor- en achterkant, maar eerst was dat fleecen kantje bijzaak. Het was de limoengroene zijde die onze woonkamer alle eer aandeed. Had je mij gevraagd de andere zijde van het kussen te beschrijven, ik had het niet gekund.   Toen ik op een dag de school van dochter Julie binnenwandelde, ving ik in het voorbijgaan een glimp op van de berenbedjes die er in een lokaal klaar staan voor de kindjes in hun spel geveld. Enkele bedden waren bezet, zoals wel vaker aan het eind van de middag. Daar sliepen een paar van die donkere kopjes. Uitgeteld en opgekruld. En toegedekt onder een dekentje. Mijn ogen bleven aan het dekentje haken. Ik kon het niet goed onderscheiden. Omdat zo’n kamer met slapende kinderen een heiligdom is, ging ik niet binnen. De volgende keer keek ik wat beter. In het halfduister kwam de stof van de dekentjes mij vertrouwd voor. Vanwaar kende ik toch die zachtgrijze krinkelingen in dat pluizen wit? Toen ’s avonds mijn ogen nog eens door onze huiskamer zeilden, zag ik het. Hetzelfde fleecen stofje van de ene kant van het kussen. Globalisering dus. Klaarblijkelijk had niet alleen het kussentje gereisd. En dat hetzelfde motiefje ook nog een ander deel van Julie’s habitat inkleurde, dat vond ik wel een knusse gedachte.   De dagen kwamen en gingen. Tussen woonkamer en buitenwereld, kussen en deken, pendelden wij onze gewoonlijke routes. Met de dagen kwam en ging ook het nieuws. Er was ook nieuws dat bleef. En beklijfde. Toch voor even. Of waren het de beelden die bleven? Eerst boten onder de zon, dan treinen door de regen, en tenslotte lange stoeten, langs, op, en over afsluitingen, tot in de parken van ons vaderland. Toen zagen wij pas met hoevelen zij waren en hoe vol die treinen en boten moeten hebben gezeten: mensen van hun nesten en woonkamers ontdaan, op weg achter de hoop aan. De beelden regen zich aaneen. Elke keer keek ik wat beter. Of ik niet iemand herkende op die foto’s. Want door in Jordanië te wonen komen al die gezichten mij zo vertrouwd voor. Vooral de kinderen – zij kunnen de vriendjes van onze dochter zijn die zich gisteren nog in prinsessenkleren hulden en dartel door het leven gingen. En toen ik zo goed aan het kijken was, zag ik het plots overal opduiken. Hetzelfde motief. Op het dek van de boten, in de bermen langs de weg, over schouders, onder een hoofd, over een baby, een dood kind gelegd: de zachtgrijze krinkelingen in het pluizen wit van dat o zo gekende fleecen stofje. Globalisering dus. Klaarblijkelijk was ook dat bekende motief mee op de vlucht geslagen. Een stuk van onze living in die hallucinante beelden. Wat past niet in het rijtje.   Ondertussen zie ik wat minder van die fleecen dekens in het nieuws. Waar zouden ze allemaal gebleven zijn? Hoe dan ook, dat de zachtgrijze krinkelingen in het pluizen wit naar ergens anders dan de zelfkant mogen leiden.

Marjanne Sevenant
1 0

Een ode aan dat ene meisje dat ik doodgraag zie aka Cafépraat II

Ik zat, stilletjes voor me uit starend, met een groene cola op het terras. Plots verscheen Mark naast me, nam aan mijn tafeltje plaats en zei: “Niemand hoeft alleen te drinken, weet je wel?”Daar zaten we dan, elk stilletjes voor ons uit starend. Mark kon mijn stilte niet meer verdragen en klopte geërgerd op het smalle terrastafeltje.“Waarom zijt gij zo stil? Waar zit ge met uw gedachten?”Ik keek mijn beste vriend aan terwijl mijn gedachten als een wirwar over en weer sprongen.“Er is dat ene meisje, je weet wel... die met die grote expressieve ogen. Echte blauwe ogen waar ik zo graag in verdrink... Ik mis het verdrinken in die ogen... Ik mis haar lach... Ik mis de geur van het haar dat mijn gezicht streelt, iedere keer dat ik haar in mijn armen neem... Ik mis onze gesprekken... Ik mis zoveel aan haar, dat het gewoon pijn doet...”Maar het enigste dat ik kon uitkramen, was: “Ik mis haar.”Mark keek me een beetje raar aan, niet goed wetend wat te zeggen. Hij herstelde zich een beetje en vroeg: “Als zij je zo stil kan krijgen... dan... Ach, ik kan me maar moeilijk voorstellen wat er nu in je omgaat.”Blijkbaar glimlachte ik zo onmerkbaar flauw, dat Mark me vol enthousiasme hardhandig porde. Terwijl ik de pijnlijke plek masseerde, zuchtte ik zo diep dat mijn gedachten er bijna uitfloepten.“Er is dat ene meisje dat van alles in me losmaakt. Soms ben ik blij en dan maakt ze me extra gelukkig dat ik haar in mijn armen neem om een rondedans te doen. Soms ben ik zo bedroefd, bijna op het punt gekomen dat ik alles wil opgeven en dan is ze daar... er gewoon voor me zijn, is alles wat ik wil. Soms zit ik met mijn gedachten zo ver, dat het mijn gezicht vervormt tot een grimmig masker. Één blik van haar brengt me snel terug naar datgene dat echt belangrijk is. Dicht bij haar zijn.”Gelukkig voor mij was dit enigste wat ik kon uitbrengen: “Je hebt geen idee wat ze voor mij betekend.”Nu werd Mark stil. Hij bewoog zijn lippen terwijl hij naar de juiste woorden zocht. Mark is een geweldige kerel, maar als het om de juiste woorden gaat... dan kan dat wel een tijdje duren.“Ja... en... ja maar, dan moet er toch iets heel speciaals met dat meiske aan de hand zijn?”Ik dronk het restje groene cola op en zette het flesje terug op tafel terwijl mijn hoofd nog steeds achterover geslagen lag. In stilte liep ik mijn verzameling gedachten één voor één over.”Er is dat ene meisje dat ik alles kan vertellen. Ik kan over mijn woorden struikelen of halve onzinnen gebruiken en iedere keer weer begrijpt ze me. Ik hoef haar niet uit te leggen wie of wat Pink Floyd is. Ik krijg van haar geen saaie blik als ik haar mee uit vraag naar het Museum voor Schone Kunsten. Ik hoef zelfs mijn best niet te doen om een passend cadeautje te vinden! Gewoon iets kopen wat ik zelf graag zou willen. Je weet niet wat een luxe dat is! Zonder het te beseffen doen we veel dingen gelijkaardig en toch hebben we genoeg verschillen zodat we iets van elkaar kunnen leren.”Dit was wat ik uiteindelijk zei: “We hebben heel wat gemeen.”Als een slecht acteur leunde Mark achterover en poetste zijn bril met zo een overdreven flair, dat hij er zelfs geen Razzie mee kon winnen. Hij lachte kort voordat hij zich serieus vooroverboog en me recht aankeek.“Wees toch maar voorzichtig, okay?”Ik keek recht terug...“Er is dat ene meisje dat me compleet gek maakt. Ze weet dit niet, maar ze is zo diep in mijn brein verweven dat ik dag en nacht van haar droom. Ik droom van groene weides met ons twee'tjes alleen. Soms dartelend, soms samen languit in het gras. Als ik overdag mijn ogen sluit, zie ik haar lachende gezicht. Als ik dan ver weg van haar ben en mijn gedachten de vrije loop laat gaan, schieten allerlei vragen door mijn hoofd. Waar is ze? Wat doet ze? Wat eet ze? Denkt ze aan mij? Houdt ze van mij? Allerlei vragen waarop ik geen antwoord op kan geven. Ze maakt me gek, maar daar trek ik me niks van aan. Zolang zij het is die me gek maakt, dan vind ik dat alles behalve erg.”Maar in plaats van dat allemaal te zeggen, haalde ik mijn schouders op: “Weet je, dat ene meisje? Ik zie haar graag.”

Wibboo Jozefs
11 0

Spaar voor gratis messen

Tenslotte is ze thuis en heeft de was, die haar dochter vanmorgen vroeg heeft gedraaid, in de bijkamer op het rek gehangen. Ze overweegt de kleine aardappelen alvast te koken en vanavond op te bakken. Onbespied staat ze voor het keukenraam en kijkt meditatief naar de tuin, naar de hoog opgeschoten stengels van de aardperen, de tegenstelling die de grote frisgroene bladeren vormen met het vergrijzende rood-roze van de hortensia. In de plataan is een enkel blad al vergeeld.   De trein van 08.49 reed een onbetekenend betonnen station binnen waar een groep jonge mensen instapte, druk pratend en wijzend op hun smartphones. Dat zijn studenten, dacht ze, en het volgende station is dat van de eeuwenoude universiteitsstad. Daar zullen ze uiteenwaaierend naar de collegebanken gaan. Een bijzondere stad met boulevards en achterafstraatjes waar zij heimelijke pleziertjes beleven en niet naar de uitgestrekte velden omzien die zij zullen moeten ontginnen; dat zal wel spelenderwijs gaan.   Dat ze in de stiltecoupé was gaan zitten viel haar pas op toen ze uit het raam keek en haar ergernis voelde groeien door de pratende vrouwen. Natuurlijk, dit is onze onbedwingbare behoefte, dacht ze. Zo probeerde ze de oplaaiende ergernis te dempen en verweet zichzelf niet in de stemming te kunnen komen de vrouwen terecht te wijzen. Ze voelde haar maag krimpen, het was de angstige misselijkheid die naar de bleke verlammende woede schoof.   Toen de trein wegreed las ze op een reclamezuil: spaar voor gratis messen.          

PP de Noorderman
2 0

Serafijn ... cherubijn

Ik zong als een serafijntje. Ok, ik overdrijf. Een beetje. Ik zong als een cherubijntje. Ok, laat ons zeggen dat ik minstens mijn best deed om te zingen zoals een engel van de derde orde. Zo goed ?   December 1959. Binnen drie weken zou ik acht worden. Ik had als klein jongetje een hoog stemmetje als een minuscuul klokje. En dat frele geluidje konden de organisatoren van het jaarlijkse kerstspel gebruiken in de lagere school van ons dorp. Ik stelde de Maagd Maria voor en daarom werd ik omhuld met een lichtblauwe cape rondom mijn tengere schouders. Dezelfde die ook Maria verondersteld werd te hebben gehad. Nog maar pas was ik bevallen van onze kleine Verlosser, weliswaar niet in het bijzijn van een gediplomeerd verloskundige, of ik moest al de hele dorpsgemeenschap een lied ten gehore brengen met het verhaal van mijn kommer en kwel, maar ook van mijn gelukzaligheid een arme timmerman te hebben als echtgenoot en een schreiend kind in een varkenskrib.   Na de derde repetitie kwam ik als een volleerd artiest erachter dat het beter was dat ik in gedachte, het voorafgaande lied dat door een of ander engelenkoor werd gekweeld, mee neuriede, omdat ik dan in de juiste toonaard mijn lied kon aanheffen. Alles verliep wonderwel. Het publiek in de zaal klapte in de handen en ik hoopte dat dit hoofdzakelijk mijn keelgeschal betrof dan wel die oersaaie, lummelende herders, mijn nog saaiere echtgenoot, die stinkende schapen, ezels of ossen of die groteske Driekoningen, die trouwens te vroeg op het appèl waren. Daar zat ik dan, geknield voor de kribbe, op het podium in het aanschijn van die godsvruchtige dorpsgemeenschap …   en je zou zeggen, daar is een of andere fotograaf die een fotootje van je neemt, al was het maar in zwartwit - alhoewel dit mijn lichtblauw tuniekje minder eer zou aandoen - maar neen, niks, nada. Mijn optreden ging verloren in het niets. Het is alleen nog gegraveerd in mijn hersenpan. In kleur.   Ik had nochtans gezongen als een cherubijntje, wat zeg ik, een serafijntje.

Marc M. Aerts
43 0
Tip

EX

Ze wilde uit eten, voor de laatste keer. En we moesten elkaar vertellen wat onze allermooiste herinnering was, alsof ze wilde inventariseren wat verloren ging.‘Jij eerst.’Natuurlijk, ik eerst. Ze had mijn stellende trap nodig om die te kunnen vergroten. Nee, te overtreffen. ‘Het is niet zo bijzonder.’‘Vertel nou maar.’‘Het gebeurde jaren geleden, nog voor wij elkaar kenden, toen ik nog in Groningen studeerde.’Haar gezicht betrok. Ze bedoelde: een herinnering uit de tijd dat we samen waren, maar ik deed alsof ik dat niet had begrepen.‘Ik was onderweg naar Amsterdam, over de Afsluitdijk. Er was verder geen verkeer. Een kraakheldere dag. De lucht was…’ - staalblauw wilde ik zeggen, maar dat klonk te plat - ‘als een pointillistisch schilderij. Miljoenen stipjes. Het water was rimpelloos. Er was niets te zien, alleen water en lucht.’Ze haalde opgelucht adem. Gelukkig, een saai verhaal. Haar vingers visten het suikerklontje van haar schoteltje, ze las de tekst op de verpakking: suiker, sucre, sugar. Meer talen konden er niet op. Ik wachtte tot ze weer opkeek.‘Ja, ga maar verder, ik luister wel.’‘Toen was daar ineens, uit het niets, een zwaan. Wit. Een enorm beest.’‘Op de Afsluitdijk? Was hij dood?’‘Nee, in de lucht. Ze vloog links van mij, heel statig, met kalme vleugelslagen.’‘Ze? Hoe weet je dat het een vrouwtjeszwaan was?’Ik negeerde haar vraag. ‘Ik keek opzij en precies op dat moment draaide de zwaan haar kop naar me toe. We keken elkaar aan. Ze keek recht in mijn ziel, zo voelde het.’Ze trok met haar mond en draaide haar hoofd weg, naar de parkeerplaats waar onze auto’s gebroederlijk in de regen stonden te wachten. Toen schokten haar schouders en liet ze het suikerklontje geërgerd vallen. ‘En toen?’‘Ze knikte naar me.’‘Ze knikte naar je? Een knikkende zwaan?’‘Ja.’ Ik keek onzeker naar de papieren placemat: op de foto zag de friet er krokanter uit dan hij was. ‘Alsof ze haar goedkeuring gaf.’‘Goedkeuring? Waarvoor?’‘Geen idee. Alles. Mijn leven.’Ze nam een slok uit haar lege kopje, trok een bitter gezicht. ‘Waarom heb je dit nooit eerder verteld?’Ik haalde mijn schouders op. ‘Zo bijzonder is het niet.’Als een drenkeling klampte ze zich vast aan mijn woorden. ‘Nee, zo bijzonder is het niet.’Daarna dreef ze voorgoed van me weg.

Grand Foulard
1135 1

Take me out tonight

Take me out, tonight. Anywhere, you don’t care? Anywhere, I don’t care, I don’t care, I don't care..   Hij stapte in zijn auto en nam me mee. Ik staarde slechts naar het vervormde effect van de straatlichten in de racende regendruppels op de voorruit. Naar het schaarse groen, dat nu wel zwart leek.  Naar de lelijke huizen met licht achter de gesloten gordijnen. Naar de levende steden en de stille snelwegen. Zwijgen in de auto is een zaligheid. En het hoeft niet altijd duidelijk te zijn waarheen we gaan, want rijden is de rust. Kinderen houden er ook van rondgereden te worden en diep vanbinnen wil ik jong zijn, wil ik zo graag kind zijn.   Ze zweeg toen ze naast me in mijn gammele auto zat. De slecht sluitende achterdeuren zorgden voor een zoemend lawaai. Ze keek voor zich uit en wanneer ik vanuit mijn ooghoeken naar haar loerde, zag ik haar irissen van links naar rechts schieten. Ik zag het diffuse licht in haar grijze ogen weerspiegelen en ik keek weer naar de weg en liet haar begaan. Ik denk niet dat ze triest was. Ik geloof dat zij gewoon van stilte houdt, de spanning van het niet-spreken. Waar reed ik naartoe? Bij iedere splitsing deed ik een mentale kop of munt. Anywhere.   Ik hoopte maar dat hij het niet ongemakkelijk vond, maar hij zag er best ontspannen uit. Soms merkte ik dat hij vanuit zijn ooghoeken naar me keek, als het ware om te checken of ik niet door de stilte was verzwolgen. In drukke café’s konden we zo enkele minuten bij elkaar staan. Zwijgend, nippend aan onze pint, glimlachend. Om dan ongemakkelijk te scheiden en hyperspontaan elk onze vrienden te vervoegen. Op café zwijgt men niet.   Ik reed naar een mooie stad en stopte aan een rustige kroeg. Ze keek me aan en glimlachte en we gingen naar binnen en dronken een glas of drie. De stiltespanning veranderde in een woordengolf. Geen hoge golf diep in de zee, maar een uitgerokken overblijfsel daarvan, dat haar rust vindt tegen een mensenvoet op het strand. We praatten over hoe het leven ons te pakken had.   Mijn benen tintelden toen ik terug naar de auto liep. De radio ging zachtjes aan. We neurieden beiden een liedje mee. Hij zette me thuis af en ik gaf hem een kus op de wang, waarbij hij zich naar me toe boog en zijn linkerhand niet van zijn stuur haalde en zijn ogen amper van de weg. Alsof er op dit uur, op deze plaats, plots een file zou ontstaan, of een andere auto op ons zou inbeuken. Ik ging naar binnen en dacht dagenlang aan niets anders.   Ik zag nog net het licht aangaan op de eerste verdieping toen ik haar straat uitreed. There is a light that never goes out.  

cielien
3 0

Roeltje Gaat Naar School

Down had hij niet, zo werd beslist, hij was gewoon ontzettend lelijk. Een rotkop als het achtereind van een varken, maar dat betekende dus niet dat hij ook zo lomp was. En zo werd Roeltje uit de klas voor specials gegooid en belandde hij, pardoes, in het gewone onderwijs. Buitengewoon was hij immers niet, behalve dan buitengewoon lelijk. Daar moest zelfs een geheel nieuwe categorie voor worden bedacht. Zelfs 'lelijk als de nacht' was dan nog een eufemisme.Het enige wat hem zonder kleerscheuren door de lagere school had kunnen halen, was street credibility, maar dat verleende niemand hem, al had hij littekens te over, van wonden gekerfd door passerpunten, gebrand door sigaretten, gedeukt door dichtslaande deuren.Maar opgeven stond niet in zijn woordenboek. Eigenlijk stonden er best weinig woorden in zijn woordenboek. Roeltje was namelijk niet van de slimste en daarom zaten zijn ouders met de handen in het haar. Alles was immers zo eenvoudig toen Roeltje nog gewoon Down had, maar die zekerheid was hen ondertussen al lang ontnomen. Wat nu gezongen?Roeltje moest zijn jaar dan maar overdoen, het teken voor papa en mama om toch nog eens langs de psychiater te passeren. Je weet maar nooit. En wat bleek nu? De zielenknijper en zijn vele assistenten hadden zich destijds schromelijk vergist, zo was hun besluit na vele nieuwe onderzoeken, en dat gaven ze dus met enige schaamte toe.Niet alleen was Roeltje belachelijk lelijk, hij had ook nog eens het syndroom van Down. En alles werd weer zoals het was, en de rust daalde weer op de familie van Roeltje neer, als een doek over een papegaaienkooi.

Gert Vanlerberghe
3 0

Wij hadden onze namen nog [fragment]

Klasfoto. Ik ben al namen vergeten. Er zijn doden bij, dat weet ik. Wij blijven over. Daar sta ik, links. Ik lachte want dat hoorde zo. Ik droeg een afdragertje van een trui, van mijn vader godbetert. De kleuren van de sixties en hij prikte. En ik had het nog steeds koud.Afdragertjes moeten kunnen, vind ik nu, maar ook werken. Moest ik kinderen hebben, ik zou ze de kunst van het afdragen leren, als ze dat maar willen. Als ik mijn familiekleren vroeger zelf mocht kiezen, vond ik het nog wel leuk. Een voetbalbroek van mijn oom werd mijn paar nieuwe clownspijpen, met de oude handschoenen van oma was ik Michael Jackson en ik heb me nog maar zelden zo’n echte man gevoeld als toen ik voor het eerst de bretellen van mijn grootvader omdeed.Breed hadden ze het niet, mijn ouders, maar ze deden wat ze konden en ze deden het samen. Daar staat zij, bij het midden. Ook zij lachte, maar dan echt en soms naar mij. Daar moest ik het gaan zoeken, wist ik toen. Dat dacht ik wel vaker, maar dat was anders. Daar wilde ik het gaan zoeken, en durfde. En daar vond ik het ook. De ware liefde. Toen wist ik niet wat dat was.Verder dan af en toe een heel klein zoentje bestond niet, niet voor ons. En hand vasthouden zo lang we konden. En samen spelen, toen dat spelen nog een spel was voor iedereen en ook voor ons.Ik hield van haar. Dat durf ik nu wel zeggen. Toen was dat iets voor grote mensen en die geloofde ik niet. Wij wisten beter. Wij waren beter. Wij waren klein. Ik ben niet helemaal geworden wie ik toen dacht te willen zijn, maar als kind was ik ook wel eens mis.Groter nu, en zwaarder, en schouders die gedragen hebben en een hoofd dat voller zit, vanbinnen en vanbuiten. En een baard die er anders uitziet dan de baard die ik mezelf vroeger gaf met stift, penseel of potlood, maar waar ik best tevreden over ben zoals grote mensen tevreden kunnen zijn: genoegen nemen met een trapje lager dan geluk, want overdaad schaadt. Altijd.

Jürgen NaKielski
23 1