Zoeken

Raguza Blues

En jazz kleurt de straten waardoor ik zwerf, de nacht domineert en de dag lijkt slechts een sluwe belofte in een verre toekomst. Maar jazz is het heden, zo ook de desolate mirages ingebakken in de stenen en de steegjes, waar de eeuwen langs de treden de rots afglijden, op zoek naar een riool donker genoeg om ze te vergeten. De leegte lonkt nog steeds en de wijn is nog niet op, maar doe alvast nog maar een fles. Hernieuw de radeloze roes, en leng de bodemloosheid van mijn bestaan nog wat aan met lekke dromen, praatjes die gaatjes al lang niet meer stoppen, maar de houdbaarheidsdatum van alweer een vat vol leugens alsnog probeert te verstoppen. Van de oude haven tot aan de kathedraal weerklinken piano en tromgeroffel, tot ver over de zee, zo lijkt het wel. Een heilige stad verketterd tot jazz en drank en de kille kreet die in mijn botten kruipt en daar nog even blijft zitten om te rijpen tot het kan verkondigen wat het al lang niet meer verkondigen wil. Bovendien zijn alle vensterluiken gesloten, net als elke ziel, ik sta alleen als enige getuige van het debacle van de nacht, waarmee elke dageraad wordt verward. De nacht is uit de stad gewassen, de jazz is gaan liggen, samen met de zoute zeebries. De knagende kever bezweert nu slechts mijn lever, maar ik ben de kater alweer bijna ontgroeid. En de zon verguldt de daken en de zee verzilverd door de zon, vleermuis ruimt baan voor zwaluw, en mijn hart, buiten adem, maakt plaats voor een nieuwe dag.

Gert Vanlerberghe
0 0

Vaartfietsen

Hier, aan het kanaal dat zich plooit rond het met uitsterven bedreigde boerenlandschap, lijkt het ruisen van de bomen verwant te zijn aan het klankspel van de eindeloze omwentelingen van het zeewater. Hetzelfde geluid dat men je als kind wijsmaakt in schelpen te horen, maar dan tastbaar dichtbij. Enkel nog het gezoem van kriebelend kleine beestjes en het zingen van vogelcorrespondentie weerhouden een hoorbare hegemonie van bladeren en wind. Mijn zeurende, ranke benen stampen op de trappers van mijn fiets alsof ze ook de godganse planeet op haar as moeten voortstuwen. De achterband heeft besloten dat ie het voor bekeken houdt maar ik blijf steevast ontkennen dat de band z`n laatste adem al uitgeblazen heeft, blijf koppig de tandwielen bestaansreden toekennen met het cirkelen van mijn benen. Eerlijk gezegd deert het me bitter weinig dat mijn transport aan efficiëntie verliest. Het gestaag voorbijglijden van het landschap troost me, strijkt de strubbelingen van m`n nerveuze gedachtekronkels glad. Een uitstel van afscheid is dus even welkom als het onweer op een zwoele zomeravond, net zo verlossend ook. Het zonlicht, dat zich fonkelend op het wateroppervlak neerlegt, draagt dezelfde verbijstering van een heldere sterrennacht met zich mee. Ik blijf het wonderbaarlijk vinden, hoe tegengestelden vaak toch zo gelijkaardig zijn.In zekere zin, geven het omringende schouwspel van natuurkrachten en de plotse traagheid van mijn fiets een verrassend subliem karakter aan een anders onbenoemenswaardig transport. Ook al is het niet het soort verrassing dat je op de knieën dwingt en de mond & ogen wijd openspert om mirakelen te aanschouwen, toch voel ik me aangenaam overmeesterd. Ik adem, onverwachts moeiteloos, en voel dat het gewicht van de Aarde niet langer op m`n borst en schouders rust. Ik ben Atlas, van z`n last verlost.

Louche Loesje
2 0

Vaartfietsen

Hier, aan het kanaal dat zich plooit rond het met uitsterven bedreigde boerenlandschap, lijkt het ruisen van de bomen verwant te zijn aan het klankspel van de eindeloze omwentelingen van het zeewater. Hetzelfde geluid dat men je als kind wijsmaakt in schelpen te horen, maar dan tastbaar dichtbij. Enkel nog het gezoem van kriebelend kleine beestjes en het zingen van vogelcorrespondentie weerhouden een hoorbare hegemonie van bladeren en wind. Mijn zeurende, ranke benen stampen op de trappers van mijn fiets alsof ze ook de godganse planeet op haar as moeten voortstuwen. De achterband heeft besloten dat ie het voor bekeken houdt maar ik blijf steevast ontkennen dat de band z`n laatste adem al uitgeblazen heeft, blijf koppig de tandwielen bestaansreden toekennen met het cirkelen van mijn benen. Eerlijk gezegd deert het me bitter weinig dat mijn transport aan efficiëntie verliest. Het gestaag voorbijglijden van het landschap troost me, strijkt de strubbelingen van m`n nerveuze gedachtekronkels glad. Een uitstel van afscheid is dus even welkom als het onweer op een zwoele zomeravond, net zo verlossend ook. Het zonlicht, dat zich fonkelend op het wateroppervlak neerlegt, draagt dezelfde verbijstering van een heldere sterrennacht met zich mee. Ik blijf het wonderbaarlijk vinden, hoe tegengestelden vaak toch zo gelijkaardig zijn.In zekere zin, geven het omringende schouwspel van natuurkrachten en de plotse traagheid van mijn fiets een verrassend subliem karakter aan een anders onbenoemenswaardig transport. Ook al is het niet het soort verrassing dat je op de knieën dwingt en de mond & ogen wijd openspert om mirakelen te aanschouwen, toch voel ik me aangenaam overmeesterd. Ik adem, onverwachts moeiteloos, en voel dat het gewicht van de Aarde niet langer op m`n borst en schouders rust. Ik ben Atlas, van z`n last verlost.

Louche Loesje
0 0

Krukje

Als ik thuiskom zit ze op een krukje. In de keuken. Waar ze anders rechtstaat en fluks tussen potten en pannen, schuiven, kasten en couverts laveert. Of beter huppelt. Danst. Alsof haar voeten de grond niet raken, en ze met een vingerknip en een glimlach de dingen kan laten doen die ze graag wil dat ze doen...   Vandaag weegt alles lood, en werkt alles tegen. Gaat het ontzettend traag of helemaal niet. Lopen en springen de spulletjes van haar weg, naar de grond toe om daar te versplinteren en weg te schieten onder alle hoekjes en kantjes...En toch kookt ze. Omdat het zo afgesproken was, en omdat ze het wil. Omdat het moet. - Er moet niets, zeg ik en gebruik haar woorden.- Nee... Ze zucht.- Ik weet wel. Maar toch.- Wat maak je?- Pannenkoeken. Ik had in niets anders zin.   De rest kan ik verzinnen. Hoe ze vandaag nog niets gegeten heeft omdat haar maag overhoop ligt. Ik vraag me af of ze kunnen douchen heeft vandaag, en of ze daarna niet boven de pot gehangen heeft. En in hoeveel keer ze de trap naar beneden is geraakt... Minstens twee keer uitrusten, denk ik. 18 treden.- Pannenkoeken zijn geweldig, lach ik. Ik vind het leuk, de kinderen vinden het leuk.   Ze kijkt me aan en glimlacht. Haar putjes in haar wangen lachen mee, maar haar ogen niet. Die zijn vochtig en mat. Ze stelt zich recht en komt een knuffel halen. Als ik mijn armen rond haar heen sla en haar hoofd op mijn schouder ligt, snikt ze. Eén keer. Ik voel hoe haar hand mijn schouder lost. Ze kijkt me aan, ademt diep in, gaat terug op haar krukje zitten en draait de pannenkoek om.- Die was bijna teveel gebakken.Ze kijkt me terug aan.- wil jij koffie zetten? En de tafel? We kunnen bijna eten.

Benoit
1 0

Volgende halte: Antwerpen-Berchem.

De trein doet alsof er niets aan de hand is. Hij rijdt, zoals treinen rijden, luid denderend over het spoor en net iets te laat. Het landschap schuift voorbij, de blikken van verveelde reizigers zijn gericht op boerderijen die ooit the middle of nowhere toebehoorden. Nu moeten ze het met de lijn Gent-Antwerpen in hun achtertuin stellen. De koeien grazen, alsof er niets gebeurde.   Ik zit in een rustige wagon, maar mijn hart klopt in mijn keel. Mensen praten amper. Zij laten hun pupillen over de huizen hoppen. Zij scrollen door hun Facebook-feed op veel te grote smartphoneschermen. Zij sluiten hun ogen, maar proberen niet in slaap te vallen. Zij lezen de krant of een boek. Mijn boek.   Ik stootte mijn voet tegen die van een medepassagier toen ik tegenover hem plaatsnam. Ik stamelde ‘excuseer’, maar de man bleef verdiept in zijn boek. Op de paperback cover staat een foto van de schrijfster. Verbaasd kijk ik mijn breed glimlachende zelf in de ogen. Deze man heeft in de boekhandel naar het coverontwerp gegrepen dat ik zorgvuldig heb uitgekozen, hij heeft de achterflap gelezen en besloten het boek een kans te geven. Misschien las hij enkele dagen eerder het onopvallende artikeltje in het regionale dagblad waarin m’n debuut kort werd besproken.   Hij heeft me niet herkend. Hij heeft me nog niet eens aangekeken. Zijn ogen glijden over de bladzijden, zuigen de woorden op. Ik ben verstijfd van een gevoel dat het midden houdt tussen angst en pure blijdschap. Hij leest mijn boek! Moet ik me voorstellen? Hem de hand schudden? Hem lachend in de armen vallen en bedanken? Zou hij vriendelijk mijn verhaal bejubelen of eerlijk en doordacht zijn mening geven? Hij is nog niet halfweg. Heeft hij zijn oordeel al klaar?   De trein stopt in het station Gent-Dampoort. De man staart enkele seconden naar buiten terwijl hij zijn wijsvinger tussen het boek houdt, op de juiste pagina. Hij werpt een blik op zijn polshorloge. Hij laat zijn kaken vollopen met lucht en laat die met een diepe puf ontsnappen. Zijn blik kruist grijnzend de mijne. Ik krimp ineen. Hij opent het boek en geeuwt bescheiden. Ik zie zijn ogen weer over de pagina’s gaan. Snel. Sneller en sneller. De ene bladzijde na de andere lijkt hij in een wip om te slaan. Ik wil opstaan en wegrennen. Op naar een andere wagon, maar mijnen benen zijn als spaghettislieren zo slap. Ik duik weg in mijn grote sjaal en zit maar wat naar mijn smartphone te staren.   Hij is m’n boek beu. Iets meer dan een derde heeft hij gelezen en de verveling slaat genadeloos toe. Hij leest niet meer. Hij scant. Hooguit nog op zoek naar een ontknoping. Dat ene ding over dat ene personage wilde hij toch nog te weten komen, alvorens het boek in de boekenkast te duwen, tussen andere werken van andere schrijvers, en het er nooit meer tussenuit te halen. Nooit aanraden of uitlenen. En op een dag, om plaats te maken, zal hij het wegschenken. Misschien wil iemand het wel hebben om te verkopen op de rommelmarkt of om de pagina’s te gebruiken voor een knutselwerk. In het beste geval maakt hij er op een dag het haardvuur mee aan. Krijgt hij het toch nog warm van mijn bloed, zweet en tranen.   We naderen Antwerpen-Berchem. Ik richt mijn blik op en mijn verbazing kan niet groter zijn. De man glimlacht. Hij glimlacht breed terwijl hij met zijn rechterwijsvinger de pagina’s van mijn boek streelt. Ik kan bedenken welke scene hij nu leest. Ik schreef ze op een herfstdag, toen de regen een hele zondag met bakken uit de lucht viel en mijn man bij vrienden naar het wielrennen keek. Ik had thee en gebak en rust. Het ruisen van de regen vertaalde zich naar een melancholische woordenstroom. Ik had aan deze passage later haast niets meer aangepast. Ik zag de man gretig woorden verslinden en een kwartseconde zenuwachtig naar buiten kijken. Ik zag hoe hij nu niet de trein wilde verlaten, het boek niet wilde dichtklappen. Niet wegvluchten uit die fictieve wereld waarin hij gevangen zat.   “Dames en heren, zo dadelijk komen wij aan in Antwerpen. Deze trein heeft haltes in Antwerpen-Berchem en Antwerpen-Centraal, tevens het eindstation van deze trein.” De bladwijzer wordt geplaatst, een reclameflyer, en haastig trekt de man zijn vest aan. Ik haal opgelucht adem. Het perron schuift in beeld. De trein houdt halt. Voor ik het weet is de man verdwenen. Ik zie hem nooit meer terug. Ik zal nooit weten wat hij er écht van denkt, maar vind dat best. Ik sla mijn ogen neer en zie mezelf, op de achterflap van een boek dat achteloos met de rug naar boven op de zetel is blijven liggen. Ik zie de man, mijn lezer, door het raam passeren. Gehaast.  

cielien
13 0

waar het niet kruipen kan

ze zegt dat ik veilig moet vrijen en het wordt stil in de kamer. ondanks alle rotzooi vind ik mijn leven beter dan het hare. getrouwd met de eerste man met wie ze gevreeën heeft. ik kan het mij niet eens voorstellen. dat soort dromen is al lang kapot. het is een cliché, maar ik benader iedereen met afstand. de laatste tijd is het moeilijk te vallen op mannen die het beste met me voor hebben. ik zoek bevestiging in seks, wat lukt. al die andere dingen blijken moeilijker te zijn. mijn platonische liefde is altijd te veel, te hebberig, te intens. ik vorm keer op keer een belemmering voor iemands persoonlijkheid.    vandaag zag ik iemand die op hem leek, ik viel bijna flauw. ik liep één keer voorbij en voelde dat hij keek. verder kwam ik niet. ik voelde me bitter, maar ook dankbaar voor zoveel schoonheid. als het kon, stopte ik die man in een kooi op mijn kamer om naar te kijken. nee dat zou ik waarschijnlijk nooit echt doen, maar het is een leuke fantasie. wie schoon is, verdient het te lijden. moest ik een oudere man zijn, zouden dat de woorden zijn van een verkrachter. gelukkig ben ik 24/V. het zijn woorden die me bang maken, die me naar de keel grijpen. ik ben bang dat ik ooit krijg wat ik verdien.   mama probeert me te waarschuwen voor het leven door mij de laatste verkrachtingsverhalen uit de krant door te spelen. inclusief gruwelijke details. ik word er kwaad van als ze dit doet, omdat ze lijkt te willen zeggen dat ik zoiets gemakkelijk kan voorkomen. en dat het dus aan het meisje zelf lag. en dat het aan mij zou liggen als zoiets zou gebeuren.   als ze daarna een pakje koekjes en een stuk fruit klaar legt op tafel om mee te nemen naar Antwerpen, word ik vertederd en verdrietig. 

Elke De Schacht
15 0

kleine ronde pleistertjes

ik ben bezorgd om de zoektermen die ik op Google moet gebruiken. ik moest beschaamd zijn. ik vergeet naar de wc te gaan tot ik druppels voel lopen in de binnenkanten van mijn enkels. gelig water mengt zich met bloed. ik weet niet wat het betekent maar het is niets goeds. gelukkig ligt de zwarte overtrek op, dan kan ik mijn onderbroek uit doen.    ik moet hem om hulp vragen. hij denkt altijd dat ik van hem profiteer, en hij heeft gelijk. hij helpt me desalnietemin. de psycholoog zou zeggen dat er nu eenmaal mensen zijn die het nodig hebben om andere mensen te helpen. zo heeft ze voor alles wel een uitleg, wat haar goed maakt in haar werk. de man die haar vervangt gaat te laconiek om met de papieren zakdoekjes van zijn patiënten. de wallen onder zijn ogen hebben die exacte zelfde bruinige tint als de wallen van D. om die reden stel ik me ook zijn penis met die walgelijke kleur voor, maar door mijn gedachten walg ik meer van mezelf dan van de man in kwestie.    ik gaf Betty (de vorige psycholoog) zonnebloemen die in actie waren. egoîstisch als ik ben zwichtte ik enkel voor 2 pakketten voor 5 euro, zodat ik voor mezelf ook zonnebloemen had. de bloemen waren verwelkt nog voor ik ze thuis in een vaas kon zetten. ik richtte hun zware hoofden naar het licht, maar het mocht niet baten. ik dacht aan Betty en de bloemen, en ik had het gevoel dat ik haar een zak stront cadeau gedaan had, die ze nu thuis open maakte. als ik haar nummer had zou ik me excuseren voor mijn gierigheid. maar ze was slimmer dan dat, ze maakte zich uit de voeten.    ik weet nog de eerste keer dat ik een psycholoog zag. ze gaf me machientjes om aan te voelen en het voelde vooral professioneel aan. ze gaf me haar nummer en zei dat ik altijd mocht bellen als ik in een crisis terecht kwam. toen ik haar belde toen ik in een crisis terecht kwam, mocht het echter niet. ik was haar patiënt niet meer. ik was slim genoeg om dit op een zielige, haast nederige manier op te vangen, in plaats van kwaad te worden. ik wist dat ik haar hierdoor meer kwaad berokkende. wie zou niet  zwichten voor de bieptonen die daarna achter bleven. zij waarschijnlijk. een onmens in de huid van een mens. 

Elke De Schacht
17 0
Tip

catatonisch (v.)

Na jaren stilte neukten we bij onze eerste ontmoeting. Ik werd geiler van de geluiden die hij maakte en de manier waarop hij keek, dan van de manier waarop hij me aanraakte. Het was ruw en hij maakte geen gebruik van de vele kleine plekjes die zo gevoelig zijn bij een vrouwenlichaam. Ik weet niet eens of ik het anders gewild had. Dit was precies wat ik van hem gewoon ben en daar lag ik toch weer, ontvouwd. Ik liet toe dat het pijn deed, maar niet dat hij me beneden zou gaan likken. Daarin schuilt de grootste intimiteit, en daar was hier zo weinig sprake van. Hij wou vuile woorden horen, maar toen hij vroeg wat ik wilde, kon ik enkel antwoorden met ‘seks’. Het klonk alsof een kind het zei.Wat gaan we meedogenloos met elkaar om. Ik ken de regels van het spel: ik doe niet meer dan hij, toon niet meer van mezelf dan hij, tenzij heel af en toe om de schijn hoog te houden dat ik toch mezelf blijf. Maar oh, bij hem blijft er zo weinig over van mezelf. Daarom vind ik het net zo leuk. Die nacht zelf nog wou hij niet dat ik hem vast pakte. Het was slaaptijd, spelen mocht niet meer. Ik stuurde nog, ‘s anderen daags, dat het lekker was geweest, terwijl ik eigenlijk wou zeggen: ‘ik wil bij u zijn’. Ik kreeg natuurlijk geen antwoord. PompoensaladeEen exvriend hebben in de stad waar je woont is een nachtmerrie, zeker als die stad zo klein is als Antwerpen. Nostalgie neemt vanzelf de bovenhand tijdens een busrit waarin het verleden letterlijk voorbij glijdt. Het is die steenweg waarop ge mij de weg wees naar de wilde konijnen, en dat park waar ge mij voor het eerst niet meer aanraakte.VerkoudenEr zit veel spanning en vermoeidheid in mijn lijf, wat leidt tot het gevoel dat er iets mis gaat gaan. Terug een angstaanval misschien. Ik reisde naar de hoofdstad voor verlossing. Ik zou gaan vrijen met een man die ik tegen wil en dank graag zie, zonder helemaal te begrijpen waar al die liefde vandaan kan blijven komen (een beetje zoals snot bij verkoudheid). De seks hielp, maar slechts kortstondig. Er was er ook niet genoeg van, nauwelijks 1,4 op 2, waarvan die 1 helemaal voor hem was. De psychologische machtstrijd die ik in mijn eentje met hem voer, maakt het er niet gemakkelijker op. Na zijn sms had ik er twee dagen problemen mee dat het bal in mijn kamp lag: wat moet ik met een bal in mijn kamp? Net stuurde ik dan eindelijk, eerder om het sturen dan om echt iets te zeggen. Mijn trots voor de misschien wel twintigste keer ingeslikt. Met mij en mijn angsten gaat het intussen bergafwaarts, en ik ben de remmen weer kwijt. Een vrijdagavond die nooit minder aanvoelde dan een vrijdagavondTerwijl ik ‘s avonds met het openbaar vervoer reis, kan ik niets bedenken dat deprimerender is dan ‘s avonds met het openbaar vervoer reizen. Het ene geluid na het andere penetreert ongevraagd mijn wereld, van goederentreinen tot klappende deuren tot zoemende automaten. Alles gaat veel trager en als je ergens vast zit, zit je voor lang ergens vast. Zoals nu dus. Hoe dichter ik bij Antwerpen en haar bittere bevolking kom, hoe bitterder ik zelf word. Het is vanavond dat ik besluit dat ik er niet zal blijven wonen.Het is niet de stad zelf, het is de indigine bevolking ervan. Mijn vrienden in Antwerpen zijn voornamelijk Nederlanders, Limburgers of mensen uit Kapellen (ik heb verder niets met Kapellen), en dat is geen toeval. Ook relatiemateriaal valt er hier niet te rapen. One-night stands bleven bij one-night stands, en die ene keer dat ik toch iets serieuzer begon met een Antwerpenaar, was het een man die zo vergroeid was met zijn arrogantie, dat het geen houding meer was, maar gewoon een manier van zijn. Hij herkende zijn eigen blaaskaakgehalte niet. Het spijt me voor de occasionele Nederlander of Gentenaar, maar mijn beste vriendjes waren en blijven Limburgers. Absynthe MindedEindelijk aangekomen in mijn met decoratie overladen kamer, zet ik een liedje op (Plane Song van Absynthe Minded). Pas in de helft van het nummer valt het mij op dat het geluid niet aan staat. 20 februari 2015Het is een grijze dag die niet vraagt om gelach of gehuil. De hond loopt te zuchten omdat het regent buiten. Het is gemakkelijk om bij de supermarkt te werken, omdat ik dan niet hoef na te denken over wat ik echt wil, of over wat ik kan. Een simplesse die gevaarlijk is om steeds weer naar terug te keren, want dan geraak je niet vooruit. W. Hij toonde me waar de vosjes waren. We lachten vaak, maar nooit om dezelfde dingen. Coffee & cigarettes (een filmtitel)In een niet erg kleine plastieken bak draagt ze haar sigarettenmateriaal met zich mee. Losse hulzen incluis. De drie volwassenen roken samen en ik zit ertussen met mijn laptop, de hond knaagt aan een kunstmatig bot. Straks moet ik door weer en wind naar het bittere Antwerpen. Een nieuwe vriend vertelt me te beginnen filmen en experimenteren, gewoon vrij, plezier maken met camera en montage. Ik besef des te meer dat mijn faalangst mij nu al bijna de helft van mijn leven tegenhoudt in allerlei verschillende categorieën. JorisDe benen en de poes mooi glad, honing en melk op alle plaatsen. Nooit zeg ik nee tegen u, en een minimum aan aandacht bestaat niet in onze relatie. Een avond als deze, opgewonden om u te gaan zien en in uw bed te liggen. Ge zegt eerst ja en dan weer nee. Ik heb het allemaal leren verbijten als een pijnlijke kramp. ik zal gewoon wachten, tot de volgende keer, als ja ook echt ja is. ThijsTerwijl ik niets doe, ontwikkelt hij een computerprogramma. Iets met vragen en antwoorden. We drinken icetea en bier, maar in mijn dromen is het champagne. We gingen samen naar zijn kapper, met wie ik honderduit praat terwijl Thijs in stilte wacht. Ik vind het geweldig hoe weinig het hem kan schelen. Voor mij is een kapbeurt het begin van een nieuw leven. Ik ben al ruim drie jaar niet meer naar de kapper geweest.Log en lompAls ik het gezicht van mijn mama zie, de manier waarop ze niet lacht, weet ik hoe ik niet wil worden. Na het nemen van haar medicatie loopt ze alsof ze dronken is. Log en lomp. Er komen weinig positieve prikkels mijn kant uit. Ik lijk weinig te kunnen doen tegen het noodlot dat geduldig op mij wacht. Hoeveel moeite zal het kosten om niet steeds alles te verliezen? Joris 2Ik vind het vooral fijn als een man blijft slapen, omdat ik dan even kan voorwenden dat het goed gaat met mij, en dat ik me normaal kan/moet gedragen. Ik word er ook beter van, al is het maar voor even. Hij zei dat ik er goed uit zag, maar ik denk niet dat dat echt zo was. Net zoals iedereen zegt hij dat ik enorm ben afgevallenDepressieIk voel me iedere dag een beetje kleiner. Bij het ouder worden lijken mijn mogelijkheden steeds meer te worden ingeperkt. Soms word ik geconfronteerd met wie ik geworden ben, en dat is geen meevaller. Ik zie mezelf niet functioneren binnen een fijne groep, of een goede relatie. Zie ik mezelf functioneren tout court? Liefst van al zou ik afzeggen. Alles maar gewoon afzeggen. Depressie komt niet plots tevoorschijn, maar sluipt dagen- misschien wel wekenlang achter je aan alvorens zijn intrede te doen. Ik merk dat de schaduw boven mijn hoofd groter wordt, en me naar beneden drukt. Het is vermoedelijk enkel de medicatie die me staande houdt. Er zijn wel lichtpunten. Mijn hond, en die vriend waartegen ik alles kan zeggen. Bij anderen wordt het te veel. Drie keer kun je negatief antwoorden op de vraag of alles in orde is, een vierde keer wordt er niet meer gevraagd wat er dan juist scheelt. 10 januari 2015Het is een beetje erg dat het zo geworden is, al kan het mij toch zo weinig schelen, maar vrijen was zowat het koudste dat we konden doen. Voor mij was het iets dat moest gebeuren om van mijn onderhuidse verlangen af te geraken. Om hem minder graag te zien, geloof ik zelfs (en het lijkt alsof het geholpen heeft). Hij verveelde zich, niet meer dan dat. Ik probeer, maar kan me niet voorstellen dat hij meer verlangen koestert dan ik. Net daarom voelde alles zo koud: mijn verlangen was bijna iets geworden dat ik van mezelf verwachtte, maar niet veel meer dan dat. Maar het was fijn, en ik wil nog wel eens. 2 februari 2015Door de bizarre slaapuren staat mijn hoofd weer op springen. Ik kan niet goed slapen met anderen erbij, zelfs al zijn het maar katten. Ik lig altijd maar te woelen, en wil daarbij niemand wakker maken. Toch vind ik het fijn als ik gezelschap heb. Ik probeerde mijn afspraak van vanmorgen af te bellen, door te zeggen dat ik mij overslapen had. Ze zeiden ‘kom toch maar gewoon’. Dat is de beste manier om met mij om te gaan. Ik kan niet zo goed met mezelf omgaan. Ik ga nog een beetje soezen. Zonder kat deze keer.H.Ik vind het heerlijk als de kat op mijn rug komt liggen.Vandaag ging ik naar een jobdag van de meest verderfelijke der supermarkten. Mijn vrienden zal ik hierover niets vertellen. Ik nam zelfs een bus om twee mannen in pakken, die best aantrekkelijk waren maar complete rotzakken, tegemoet te treden. Weer eens verloren moeite: zij wilden enkel investeren in een langetermijns-engagement. Om het met hun woorden te zeggen: ‘Er is geen match.’ Onderweg kwam ik langs het huis van H. Zoals altijd wanneer ik aan hem denk, dacht ik ook nu weer aan die verschrikkelijke keer dat hij me liet eten toen ik ziek was. Toen later mijn zus vertelde dat het onnatuurlijk is veel te eten als je ziek bent, omdat je lichaam die energie wilt gebruiken om beter te worden, voelde dat als een laattijdige overwinning. Ik wou enkel dat ik toen sterker in mijn schoenen had gestaan, misschien wel even sterk als hij. Hoe verschrikkelijk die situatie ook was, het blijft voor mij een daad van liefde die op momenten nog steeds aan me vreet. Het past niet bij het beeld van de verschrikkelijke klootzak waarin hij veranderde toen en nadat hij besloot dat hij me niet meer wilde zien, omdat hij ‘niet om kan gaan met mensen die zich slecht in hun vel voelen.’ Liefst zou ik hem nu zien lijden. Hij is één van de enige mensen, en sowieso de enige ex-vriend, die ik nu de rug zou kunnen toekeren als ik hem nog eens tegen kom. Niemand kon aubergine zo hemels klaarmaken als hij.27/01zwijgen is hetzelfde in alle talen. ik moet op zoek naar mezelf in een nieuw soort stilte. every time you close your eyesEven had ik het idee het leven te beginnen liegen, en een betere versie van mezelf voor te spiegelen. Een versie die ik dan achterna kon hollen. Maar het lijkt niet voor mij weggelegd; al enkele uren later deel ik mijn leed zelfs met mensen die er niet achter vragen.

Elke De Schacht
94 1

Daar ben je

De ochtend was te kort. Het was al na tienen toen je wakker werd. Je veranderde driemaal van outfit. Je hebt je haar in verschillende kapsels willen wrikken. Het hangt nu los, je wrijft de gebleekte lokken onhandig achter je oren. De middenscheiding die je als kind haatte, is vandaag je handelsmerk. Je lipstick, bordeauxrood, heb je in twee lagen aangebracht. Die gaat nergens heen. Niet naar de korst van een broodje, de rand van een glas. Niet naar mannenlippen.   Je proeft nog een mengeling van pompelmoes en tandpasta op je tong wanneer je de deur uitgaat. Je bijt met je kiezen op de binnenkant van je kaken, likt aan de gladde littekens van gisteren. Je blik komt stuurs over op de mensen die je ontmoet op de stoep. Je wangen naar binnen gezogen. Goed geslapen maar slecht wakker geworden.   Aangekomen in het restaurant dringt de dag zich aan je op. Collega’s vragen hoe je vrijdagavond was. Je vertelt over een avondje op café met een concert. Je haalt plezier uit het opvullen van de zoutvaten en servetbakjes. Je schikt de bloemenkleedjes tot de punten symmetrisch over de zijden van de tafels vallen. Je schrijft de specials op het krijtbord terwijl de eerste klanten een tafeltje uitkiezen.   Je zou willen dat ik binnenkwam, nonchalant mijn hand naar je opstak en lachte. Dat ik onhandig tussen de tafels door laveerde, ver weg van andere klanten ging zitten, een iced tea bestelde en op mijn smartphone begon te tokkelen. Dat je in je pauze bij me kon komen zitten met verse soep voor ons beiden. Je zou luisteren naar mijn verhalen en lachen om mijn grapjes. Je zou me vragen of ik wat spulletjes voor je kon verhuizen met m’n auto. Ik zou gespeeld zuchten en een geschikt moment afspreken.   Maar je ziet me niet binnenkomen en niemand brengt me iced tea. Je vangt in een vreemdeling een glimp van me op door het raam. Je hoort me in een flard van een gesprek. Je pauze is gewijd aan een boek terwijl je je soep behendig naar binnen lepelt, zonder je lipstick te schaden. Je leest jezelf een halfuur lang weg uit het restaurant, uit de stad. Met een servet dep je behendig je mondhoeken schoon voor je weer aan de slag gaat.

cielien
2 0

Alles voor Lena

(Vervolg op "Lena")   Steven had zonet zijn vriendin bedrogen, maar hij kon niet anders. Ze had hem gedwongen – dit geschifte meisje dat plots in zijn appartement verschenen was. Ze had hem proberen te verleiden, maar dat was niet ge­lukt, natuurlijk. Je kan toch niet zomaar in iemands leven ver­schij­nen, hem op­slui­ten in zijn eigen stu­dio, en dan verwachten dat hij met je naar bed gaat? Maar het moest, zei ze. “Anders kleed ik me aan en ga ik weg, maar wie weet wat er dan gebeurt met die Lena van je...” Hij had Lena bedrogen, maar het was om haar te beschermen. Hij had het amper gekund, hij kon zich niet aangetrokken voelen tot deze onbekende indringster die God weet wat met zijn Lena gedaan had, laat staan dat hij opgewonden zou geraken. Maar ze bleef aandringen, bleef Lena bedreigen. Uiteindelijk had hij het gedaan, aarzelend, ge­for­ceerd, haast emotieloos. Op handen en knieën op de matras, zoals hon­den – hij had gezegd dat dat zijn favoriete standje was, maar de waarheid was dat hij haar gezicht niet wou zien. Hij kon het niet zolang hij haar krank­zin­ni­ge ogen voor zich zag. Het was maar matig goed geweest, vond ze, maar voor een eerste keer viel het nog wel mee. Hij lag hijgend op zijn rug en staarde naar het plafond. Karen lag naast hem, op haar zij, en streelde zijn borstkas. Hij liet haar begaan – hij had belangrijker dingen aan zijn hoofd. Zijn kater was helemaal verdwenen en had plaats gemaakt voor een al­les­om­vat­ten­de angst, het gevoel dat hij dringend iets moest doen, hier en nu. Om Lena in veiligheid te brengen, en zichzelf. Maar hij wist niet wat. Plots werd er op de deur geklopt. “Sst,” fluisterde Karen. “Doe alsof er niemand is.” Hij gehoorzaamde. “Steven? Ik ben het! Ben je thuis?” Lena! Het was Lena’s stem! Was ze kunnen ontsnappen, van waar ze dan ook werd vastgehouden? Of werd ze helemaal niet vastgehouden – had Karen het allemaal maar verzonnen om hem in haar macht te hebben? Had hij zijn vriendin bedrogen met een of andere psychopate omwille van een verzinsel? Hij verdrong die gedachte naar de achtergrond – het deed er niet toe, niet op dit moment. Karen was ongewapend, haar enige wapen waren haar dreigementen over Lena geweest. Hij was veel groter, ongetwijfeld veel sterker dan zij. Hij kwam bliksemsnel recht, ging bovenop haar zitten en greep haar bij de keel. Ze gilde en spartelde met armen en benen, ze krabde zijn vel open met haar nagels, maar uiteindelijk kreeg hij haar in een positie waarin ze niet meer kon bewegen. “Lena!” schreeuwde hij zo luid als hij kon. “Ik kan niet opendoen, Lena, ik word hier gegijzeld! Je moet de politie bellen!” “Wat!?” Lena klonk verbijsterd. Karen had waarschijnlijk niets met haar gedaan. Godzijdank. “Bel de politie, Lena, nu!” Hij keek om zich heen, zocht iets waarmee hij Karen kon vast­bin­den. Hij mocht haar niet laten ontsnappen, wie weet waar ze nog al­le­maal toe in staat was. Maar hij was uitgeput – hij zou haar niet lang meer in bedwang kunnen houden. Zijn schoenveters. Het was het enige wat hij zag. Zijn schoenen ston­den een meter of twee van het bed. Even keek hij haar aan, dacht na. Toen kwam hij in actie. Hij knelde zijn arm stevig om haar nek, drukte haar tegen zich aan en dwong haar om op te staan. Ze sloeg en schopte om zich heen als een bezetene, maar hij slaagde erin haar tot bij zijn schoenen te sleuren. Pas toen hij haar met handen en voeten stevig aan het bed had vastgebonden, liet hij haar los en ging hijgend op het bed zitten. Een zwakke, pulserende pijn verspreidde zich rond de bloedende wondjes die haar na­gels op zijn armen en borstkas hadden achtergelaten. Karen keek hem aan met betraande ogen en schudde haar hoofd. “Het had zo mooi kunnen worden.” zei ze, diep teleurgesteld. Hoofdinspecteur Jacques De Groot vloog met een luide knal de kamer in – splinters hout en verf vlogen in het rond. Vóór hem lag de houten voordeur verslagen op de grond. Inspecteur Saskia Verlinden schoot hem pijlsnel voorbij, haar armen gestrekt voor zich uit, haar pistool naar binnen gericht. “Politie! Handen omhoog!” Een man van een jaar of vijfentwintig keek hen verdwaasd aan. Hij stond op van het bed en stak zijn handen in de lucht. Hij droeg een groene geruite pyjama met korte broek. Hij zag er ongewassen en on­ge­scho­ren uit en keek alsof hij van een andere planeet kwam. Terwijl Verlinden hem onder schot hield, scande De Groot de rest van de kamer. Op het bed lag een meisje van ongeveer dezelfde leef­tijd. Ze had lang bruin haar en een bleke huid. Ze was naakt en aan handen en voeten gekneveld en lag ontroostbaar te snikken. Verder was er niemand. Zoals het hem destijds was aangeleerd, liep De Groot met zijn rug naar de muur gekeerd op de enige deur af. De badkamer. Niemand. “Alles veilig!” riep hij. Hij nam een paar handboeien van zijn riem en bond de armen van de man op zijn rug. Hij gebaarde met een hoofdknik naar het meisje op het bed. “Ga haar maar helpen. Ik ken haar van ergens, denk ik.” Verlinden liep naar haar toe. “Het is oké,” zei ze. “Wij zijn van de politie.” Ze sneed de veters door en bevrijdde haar. Het meisje trok de deken over haar naakte lichaam en bleef huilend op het bed zitten. Verlinden legde haar arm over haar schouders. “Alles komt in orde nu, maak je maar geen zorgen. Hoe heet je?” “Karen. Karen Dewinter.” “Zijn dit jouw kleren?” Ze knikte. Saskia Verlinden stond op, raapte het hoopje kleren op van de grond en gaf ze aan het meisje. “Trek die maar aan en wacht dan even hier, wil je. We hebben zo met­een nog een paar vragen voor je.” Ze knikte opnieuw en droogde haar tranen met een mouw van haar blouse. De versterking was gearriveerd. De Groot gebood één van de agenten de jongeman mee te nemen voor verhoor. De man spartelde hevig tegen en schreeuwde dat het een vergissing was en dat hij onschuldig was, maar de agent luisterde niet. “Je mag alles rustig gaan uitleggen op het politiebureau,” zei hij kalm. Verlinden liep op De Groot af en leidde hem mee een paar meter van bij het meisje vandaan. “Jacques, ze heet Karen Dewinter,” zei ze met gedempte stem. “Is dat niet dat meisje dat al een week vermist is?” De Groot knikte. “Juist! Ik wist dat ik haar gezicht herkende. Maar op onze foto’s is ze blond, hij moet haar haar geverfd hebben.” “Kan zijn. Zijn vriendin, of wat ze ook is, heeft net zo’n haar...” “Het is toch niet te begrijpen wat sommige mensen allemaal doen,” mompelde De Groot. “Ik ga alvast naar het bureau om die man en zijn vriendin te on­der­vra­gen,” zei hij toen. “Kan jij hier afronden? Kalmeer haar een beetje en doe zo snel mogelijk een spermatest, ze is zo goed als zeker mis­bruikt. En check ook onder haar vingernagels – als ze zich verzet heeft vind je daar waarschijnlijk zijn DNA.” “Komt in orde, Jacques.”  

Jan August
3 0

Dreiging

Op een nacht ontwaakte ik door onbestemd gestommel op de trappengang. Of door mijn oververzadigde maag die me parten speelde. Een nachtje stevig op café gaan met slechts trappisten op het programma, gevolgd door een uur stomdronken en lamlendig voor de buis hangen en een liter bruiswater met citroensmaak in mijn keelgat kappen, brak me zuur op. Mijn ogen, waaruit de slaap stilaan wegebde, gaven uit op het venster, waardoor de prille belofte van een nieuwe dageraad me in mijn gezicht uitlachte. Het residu van een treiterende droom rammelde nog heftig aan mijn ratio, beneveld door het gamma aan alternatieve levenslopen die de nacht mij de afgelopen drie uur had voorgeschoteld, en een familiaire terreur, waar ik de vinger toch niet op de wonde kon leggen, raasde door mijn bedlegerige lijf. Ik had ergens van gedroomd maar ik kon het waanzinnige idee dat die droom zich op de één of andere manier had voortgezet in mijn slaapkamer, maar niet van me afschudden. Ik draaide me op mijn linkerzij en staarde recht in het duistere gelaat van een klein gebouwde man, die zich op een halve meter van mijn bed op een stoel had geïnstalleerd, klaar om op mij te springen en met alle macht mijn keel dicht te knijpen. Ik twijfelde geen seconde over de ernst van deze reële dreiging maar bleef desondanks als versteend op mijn zij liggen, en de staat waarin ik zijn gevreesde aanval afwachtte, was er één van ongebreidelde doodsangst. Alsof hij niet wist dat ik wakker was en hem in het steeds minder volmaakte duister had ontwaard. Als hij een spel met me speelde, was het er één van een ongezien sadisme. Hoe was hij trouwens mijn appartement binnen geraakt? Wat kwam hij hier aanvangen? Wou hij me doden? Paniek en paralyse worstelden om de bovenhand, de angst beroofde me van elke drang tot actie. Stilaan werd de dreiging minder werkelijk en galoppeerden de eerste voorbodes van twijfel over de door angst verschroeide vlakte van mijn hart. Nu duurde het niet lang meer voor ik me recht durfde te zetten en mijn arm naar de man op de stoel te slingeren. Het was mijn kapstok met loopkledij erover gedrapeerd, zo bleek. Natuurlijk was het mijn kapstok met loopkledij. Wat anders? Voor enkele minuten was het de man, een spinsel uit een zoveelste hallucinatie, toch maar gelukt om de poorten van de nacht te doorbreken en zich in de pas heroverde werkelijkheid te komen nestelen. Lang duurde dit alles niet en ik was het hele voorval al gauw vergeten. Maar het waren de meest angstaanjagende momenten van mijn leven.

Gert Vanlerberghe
0 0

Laatste tweede kans

Gij bent mijn muze, de reden waarom ik dit doe. Gij bent degene die mijn inspiratie meenam, ge nam ze mee toen ge me daar liet staan. Mij, mijne Duvel en uw woorden die weergalmden, liet ge achter in de eenzaamheid! Sorry zei ge, alsof da me iets kon schelen, alsof da mij ging helpen. Gij denkt altijd, da woorden alles oplossen, dat daden beter zijn maar woorden overheersen. Gij denkt da de pijn en de manier waarop gij mensenkennis hebt en mij kent zonder da ik iets vertelde, da da nie samenhangt. Gij lijkt naïef. Gij waart ooit naïef, ooit, toen de liefde nog nie kwetsend was geweest, toen de vrienschap nog nie verloren had. Blijkbaar had ik geen mensenkennis en was ik de naïeve, want ik geloofde in kansen geven terwijl ge beter wist, ik geloofde ooit ook in tweede kansen. Maar da geloof is nu, sinds de laatste tweede kans, weg. En volgens u is da perfect want gij sprak tegen mij en ik hoorde meteen. Gij sprak woorden die de wereld nie kende, die het overnamen van taal. Woorden die boven mij zijn blijven zweven, die me nooit volledig bereikt, maar wel geraakt hebben. Soms lijkt alles ons veel te simpel, soms denken we dat wijn alles oplost. Maar mensen kunnen hun problemen niet verdrinken, het zijn en blijven goeie zwemmers. Gij dacht da ooit ook, en ik nu nog. Gij drinkt, nie om te vergeten maar om te drinken. Ik, ik wil vergeten, verdoofd zijn en niet meer te hoeven denken. We hebbe beide zo vaak en zo lang gedacht, er kwam niks nuttig uit. Denken, we stoppen er nooit mee. We willen denken, zoda we niks stom doen. Maar hoe kunde dan uit uw fouten leren. Hoe kunt ge 100% zeker zijn van iets, als ge het nog nooit hebt geprobeerd? Gij denkt da zekerheid alles is, da zekerheid liefde zonder pijn biedt. Gij gelooft nie in een mogelijkheid om nie gekwetst te worden en ik geloof nie in liefde. Er staat veel op het spel, als liefde wordt gespeeld.

Mayke
0 1