Zoeken

De minnaar

Hij had het al zo vreemd gevonden dat ze plots weer contact met hem zocht. Twee jaar gaapten tussen hun laatste ontmoeting en hun afspraak nu. Toen waren ze netjes opgekleed en droegen ze een uit Engeland overgewaaid hoofddeksel voor afgestudeerden. De foto die die avond genomen was van de hele groep, hing lekker ouderwets afgedrukt op glanzend papier in zijn kamer aan de muur, om even of langer een blik op te werpen als hij zuchtend en vloekend naar een studieboek of een taak zat te staren. Natuurlijk was de hele groep overbodig op die foto, alleen zij trok keer op keer zijn aandacht. Waarom ze juist nu een bericht naar hem had gestuurd, zou wel duidelijk worden, besloot hij toen hij voor de spiegel de kraag van zijn hemd rechtzette. Na hun afstuderen had hij zijn vergeefse pogingen om met haar af te spreken nog even voortgezet. Die verliepen volgens het vaste scenario: elke keer was haar reactie heel enthousiast, tot hij enkele data voorstelde. Dan bleek ze opeens nooit te kunnen. Maar het zou er nog wel van komen, hoor. Uiteraard was hij te vroeg op de plaats van afspraak. Elke halve minuut keek hij op zijn horloge en zag massa’s mensen voorbijkomen. Zij was er niet bij. Stipt vijf minuten na het afgesproken tijdstip kwam ze daar aangestapt. Nog steeds even gracieus, een sigaret tussen haar vingers als een dwaallichtje in de nacht. Ze haalde haar vrije hand even nonchalant door haar krullende haren voor hij haar zonder woorden op haar wang kuste. Ze namen plaats aan een tafel waarop een inspiratieloze kelner net een kaarsje had geplaatst waarvan de vlam bij elke windvlaag opflakkerde en dreigde te doven. Nog altijd had ze geen woord gezegd. Hij probeerde het gesprek op gang te brengen. Nochtans was zij nu de vragende partij geweest, die maar bleef aandringen om eens samen iets te gaan drinken. Tijdens hun schooljaren was zij het geweest die vertelde en hij die luisterde. Gesprekken die hem hoop gaven: dat ze hem uitkoos als vertrouwenspersoon om al haar kleine en minder kleine zorgen bij te ventileren, betekende misschien wel dat ze iets meer voor hem voelde. Als een geduldige geliefde had hij dus al die jaren gewacht. Zelfs nu was hij nog altijd even geduldig, ook al bloedde elk onderwerp dat hij aansneed dood. Dan keek zij plots weg, staarde in de verte of antwoordde gewoon niet op zijn vraag. Stil vergezelde hij haar door de schaars verlichte straten naar de parkeergarage aan de rand van de stad waar haar auto stond. Vlak voor ze wilde instappen om weer naar huis te rijden, zoende ze hem vol op de lippen. ‘Ik dacht dat je een relatie had?’ Ze knikte kort. ‘Dan begrijp ik je nog minder.’ Ze zuchtte en keek hem aan met doffe ogen, alsof haar relatie te saai was voor woorden. Hij probeerde zich een beeld te vormen van haar vriend, gebaseerd op alle foto’s die hij gezien had waarop zij met haar geliefde pronkte. ‘Zet er dan een punt achter.’ Ze streek met haar zachte hand over zijn slordig geschoren kin. De parkeergarage was verlaten, het enige geluid dat ze hoorden was het gezoem van de schaarse lampen. Opnieuw zoende ze hem, minutenlang. Toen ze wat later uit het zicht verdween met haar autootje, bleef hij nog lang tegen het muurtje leunen in de doodstille parkeergarage, starend naar de betonnen vloer, denkend aan al die pogingen die hij toen had ondernomen om haar geliefde te worden. Nu was hij haar minnaar.

Felix Sandon
0 0

Het sprookje van de Slapende Tiran

Er was eens lang, lang, héél lang geleden, echt al zo lang geleden dat niemand nog wist hoelang geleden het nu precies was. Nu ja, veel doet het er eigenlijk niet toe. Maar laten we voor de historische correctheid van dit verzonnen verhaal ervan uitgaan dat het zich afspeelde na de tijd dat de dieren konden praten en voor de tijd dat robots de wereld overnamen. Met die tijdsperiode in het achterhoofd was er eens heel lang geleden en hier heel ver vandaan ... Hoe ver precies is moeilijk te achterhalen, alle relevante geografische informatie is verloren gegaan tijdens de grote, fictieve bibliotheekbrand. Wel speelt het zich met quasi zekerheid af op onze planeet, of op zijn minst in ons zonnestelsel, enfin toch zeker in onze melkweg. Dus, er was eens relatief lang geleden en hier betrekkelijk ver vandaan een klein, naamloos en voor de rest totaal onbelangrijk koninkrijkje. Het was er vaak koud, vooral in de winter. In de zomer daarentegen, was het er doorgaans warm - omdat de zon dan dikwijls scheen. Het regende er ook regelmatig, dat kon echt van alles zijn: kleine miezerige druppels, van die grote spetters die in kleine spatjes op de grond uit elkaar spatten, reusachtige ijsbollen, pijpenstelen, bakstenen en oude wijven. Sommige dagen van het jaar kon het er enorm hard waaien. Op andere dagen waaide het dan weer matig tot vrij krachtig uit noordoostzuidwestelijke richting en op nog andere was er soms helemaal geen wind. Dit op het eerste gezicht alledaags en zelfs doordeweeks koninkrijk stond onder het alslapend oog van een tirannieke dictator, bijgenaamd de Slapende Tiran. De Slapende Tiran was een arrogante, egoïstische, luie, machtsgeile, niet al te snuggere, onhygiënische, sadistische stinkerd. Hij had dan ook een broertje dood aan hygiëne - maar dit terzijde, dit speelde zich af lang voor de gebeurtenissen van dit verhaal. De autoritaire alleenheerser heeft altijd gevonden dat persoonlijke lichaamsverzorging iets is voor het gepeupel, niet voor zij die blauw bloed door hun aderen hebben stromen. Uit al zijn lichaamsopeningen walmde een stank die, volgens bepaalde verloren gegane bronnen uit die tijd, onmenselijk was. De voltallige populatie was het erover eens dat ze liever dagenlang vastzitten middenin een enorme berg verse mest onder een verschroeiend hete zon, dan ook maar enkele seconden blootgesteld moeten worden aan zijn persoonlijk aroma. Het was niet alleen zijn onevenaarbare lichaamsgeur die een onvergetelijke indruk naliet. Zijn scheten stonken zodanig dat de omringende rijken geïnvesteerd hadden in reusachtige geurfilters. Daarnaast was hij minstens even berucht om zijn boeren die ze twee koninkrijken en één keizerrijk verder konden horen en ruiken. Die hadden het koninkrijk (lees: de bevolking) al talloze boetes wegens geluidsoverlast en geurhinder gekost. Niet alleen de buurlanden hadden al geruime tijd problemen met hem, ook zijn eigen familie is niet gespaard gebleven van door hem veroorzaakte tragedies. Zijn eigen broertje, zoals eerder vermeld, kon die stank niet meer aan en stierf ten langen leste van pure walging. Zijn oudere zus - en troonopvolger - had hij laten vermoorden, nadat hij eerder zelf een paar onsuccesvolle pogingen had ondernomen. Zijn moeder, de koningin, had hem daarom - dat wordt tenminste vermoed - uit het koninkrijk verbannen. In zijn afwezigheid floreerde het koninkrijk als nooit tevoren. Er heerste vrede, voorspoed en bovenal, mensen waren gelukkig. Maar een oude wijsheid hing in dat koninkrijk als het zwaard van Damocles boven de hoofden van de bevolking: ‘Mooie liedjes duren niet lang’. En zoals algemeen bekend is, bevatten oude wijsheden vaak een grote kern van waarheid, anders waren het vergeten verzinsels of fictieve fabeltjes. Ook hier is het niet anders. Net op het moment dat iedereen vergeten was dat hij bestond, dook hij zomaar uit het niets terug op. En niet op kousenvoeten langs de achterdeur, maar in vol ornaat langs de grote stadspoort. Ondanks een hevig stil protest van de bevolking, verwelkomde de koningin hem met open armen en een volledig aan hem opgedragen eetfestijn. Net als elke moeder zat ze vol naïeve goedgelovigheid over de bedoelingen van haar zoon en wou ze hem een tweede kans geven. Het overgrote deel van de bevolking had geen enkel probleem met tweede kansen, zelfs zeven maal zeventig maal indien nodig, maar die had hij lang geleden al opgebruikt. Volgens de laatste berekening stond de teller op tweeduizend driehonderdvijfennegentig. Maar uit respect voor de koningin - of was het uit pure lamlendige luiheid? - besloten ze hem een tweeduizend driehonderdzesennegentigste kans te geven. Misschien dat het nog wel zou meevallen, dachten ze, hoopten ze. Wel, dat viel dik tegen: hij eigende zich het paleis toe, stootte zijn moeder met een dikke, houten stok van de troon en ontsloeg iedereen die er werkte. Zijn moeder degradeerde hij tot hoofd van de huishouding, wat er in de praktijk op neerkwam dat ze zijn was en plas moest doen, koken, het hele paleis inclusief de kasteeltuin onderhouden, … en dit alles onbetaald, zodat hij de hele dag kon doen waar hij echt goed in was: in zijn bed liggen stinken en snurken. Zijn paleis liet hij bewaken door een reusachtige, vliegende, vuurspuwende draak. Dit was gemakkelijker, productiever en vooral goedkoper dan eender welk leger. Tijdens de regeerperiode van de Slapende Tiran werden rechten vervangen door plichten, mensen onderdrukt en iedereen leefde in constante angst. De meesten onder hen waren enorm verzwakt door ondervoeding. De bevolking hield nauwelijks genoeg over om hun eigen gezinnen te voeden. Vier vijfden van hun oogst moesten ze afgegeven als voedsel voor de draak. Weigerden ze, dan kwam het vuurspuwende monster persoonlijk langs en zette hun huizen in vuur en vlam. Maar ergens in dat koninkrijk was er een kleine groep moedige verzetsstrijders die het vertikten om zich neer te leggen bij het dictatoriale bewind van die tirannieke despoot. Ze spraken af in verlaten huizen of in afgelegen grotten diep in het bos. Die keer die belangrijk is voor ons verhaal, ontmoetten ze elkaar in een klein hutje ergens in het midden van een groot, dicht bebost woud aan de rand van het koninkrijk. Omdat de samenzweerders liever anoniem wilden blijven, hadden ze allemaal hun kap diep over hun hoofd getrokken, behalve één, hij was zijn mantel vergeten. Om toch onherkenbaar te zijn had hij een lap stof toegenaaid, er drie gaten in geknipt en die op zijn hoofd gezet. Om onnodige complexiteit te vermijden, noem ik hen Jos, Marie, Ludovic, andere Jos, Perafina en Anna-Helena-Jozefina. Jos, Marie, Ludovic, andere Jos, Perafina en Anna-Helena-Jozefina zaten aan een klein, rond houten tafeltje in het schijnsel van vijf dikke kaarsen. Anna-Helena-Jozefina, de secretaris van het genootschap, haalde perkament, een ganzenveer en een inktpotje boven en plaatste dit alles nauwkeurig voor haar op tafel. De geheime vergadering kon beginnen, ze waren er helemaal klaar voor.  "Waar waren we gekomen?" vroeg andere Jos aan zijn collega-samenzweerders. Alle hoofden draaiden in de richting van Anna-Helena-Jozefina. Ze rolde het perkament open en las het twee volle seconden zorgvuldig door. "We hadden een naam gekozen", zei ze. "Juist, ja", zei Ludovic. "De Complotterende Conspiratoren." "Ligt dat er niet wat dik op?" vroeg Jos. Iedereen aan tafel zuchtte. "Niet opnieuw, hé," verzuchtte Marie, "die discussie hebben we vorige keer al gevoerd. En afgesloten." "We noemen onszelf niet De Koene Kanaries", zei Perafina. "Wat is daar mis mee?" vroeg Jos. Het klinkt goed en het is grappig?" "Het is niet grappig," zei Ludovic, "maar belachelijk." "En De Complotterende Conspiratoren niet?" "Het vat goed samen wie we zijn en wat we doen." "Iets té goed, volgens mij." Anna-Helena-Jozefina slaakte een diepe zucht. "Wat denken jullie dan van De Complotterende Kanaries? Het vertelt wat we doen, maar het blijft luchtig." De anderen haalden hun schouders op. "Dat is dan geregeld", zei ze en paste het officiële document aan. "Oké, het volgende punt op de agenda is …" "Een naam bedenken," onderbrak Jos haar, "voor het plan." "Zouden we dan niet eerst een plan bedenken?" opperde Perafina. "Als je het per se zo wilt doen", mompelde Jos. Hij kruiste zijn armen en leunde naar achteren. "Iemand een idee?" vroeg Anna-Helena-Jozefina en keek iedereen één voor één aan, Jos had zijn blik afgewend en staarde vol geveinsde interesse naar het plafond. "We ontvoeren hem." "Hoe raken we ongezien het kasteel binnen?" "We graven een tunnel." "Dat duurt eeuwen. En hoe wil je dat ongezien doen? Een berg aarde die er vroeger niet was, valt wel wat op, niet?" "Hij komt niet buiten. Hij zou het nooit merken." "Maar die draak wel. Ze roostert ons levend." "Dan graven we nog een put. We kunnen daar de aarde in gooien." "Briljant", reageerde Jos die zich tot dan toe afzijdig had gehouden. "En waar blijven we dan met de aarde van die tweede put? Wacht, niets zeggen, laat me raden, dan graven we nog een put", voegde hij er sarcastisch aan toe. "Ah, niet aan gedacht", zei Ludovic. "Rustig, rustig, allemaal", zei Anna-Helena-Jozefina. "Dit is zinloos. Zo komen we nergens. Laten we beginnen bij het begin." De hele nacht vergaderden ze verder. Op het einde hadden ze zo goed als iets dat in de verste verte enigszins ietwat op een plan leek. Jos en Anna-Helena-Jozefina zouden de draak afleiden en vangen. De vier anderen zouden het kasteel binnendringen, de dictatoriale dwingeland overmeesteren en de grens overbrengen om hem daar ergens vast te binden. Het moment van actie was eindelijk aangebroken. Hier hadden ze lang naar uitgekeken. Om de tijd tussen het bedenken en het uitvoeren ervan te doden, correspondeerden ze in geheimzinnige codetaal over een gepaste naam voor het plan, daar waren ze tijdens de vergadering nog niet aan toegekomen. Na veel heen en weer gediscussieer kozen ze voor 'De Ontvoering Van Een Notoir Ellendige Tiran En Luiwammes' ofwel ‘Plan DOVENETEL’. Nachtenlang hadden ze met z’n allen lakens verzameld, de kostuums gemaakt en kilo's en kilo's koekjes gebakken. Iedereen was uitgeput. Marie had daarom voorgesteld alles uit te stellen, maar daar wilden de anderen niets van weten. Die nacht was het ideale moment en anders moesten ze al die zelfgebakken koekjes weggooien. Om welke dag het precies gaat, is doorheen de tijd onduidelijk geworden. Laat ons er gemakshalve van uitgaan dat het een woensdag was. Woensdagen zijn nu eenmaal mooie dagen om een coup te plegen. Dus, die woensdagnacht was heel het koninkrijk verzonken in een diepe slaap, of toch bijna heel het koninkrijk. Onze zes helden natuurlijk niet, anders zou het hier al gedaan zijn en wie wil er nu een verhaal met een anticlimax? In de hoogste torenkamer van het paleis sliep de ex-koningin, dus zolang onze heldhaftige opstandelingen niet te veel lawaai maakten, vormde zij geen enkel obstakel. De tiran zelf sliep helemaal alleen in een kingsize bed in het midden van de troonzaal. Terwijl Jos en Anna-Helena-Jozefina de draak afleidden, drongen de vier anderen het kasteel binnen. Daar lag hij, zoals verwacht, te snurken in zijn bed. Hun adem stokte in hun keel, hij was nog afstotelijker dan ze zich herinnerden. Zijn haar hing in vettige slierten langs zijn gezicht dat vol stond met etterige puisten die eruitzagen alsof ze ieder moment konden ontploffen. Zijn tanden, of wat ervan overschoot, hadden een vieze geelbruine kleur. Zijn eetpatroon van het voorbije decennium kon via de etensrestjes tussen zijn tanden, volledig gereconstrueerd worden. Maar het ergste was die stank, die niet te harden, zurige, penetrante geur die het hele kasteel vervulde. Ze haalden een mondmasker boven en bonden die voor hun neus. Dit hielp echter voor geen meter. De Slapende Tiran had helemaal niets gemerkt, hij ronkte gewoon verder. Ze slopen naar hem toe en verdoofden hem met, waarschijnlijk, iets verdovends. Zijn armen en benen bonden ze vast. Ze wikkelden hem in een honderdtal dekens die ze hadden meegenomen (in de hoop de stank wat te dempen), maar niet alvorens ze dikke handschoenen hadden aangetrokken (je kan niet voorzichtig genoeg zijn). Samen met de intussen gevangengenomen draak sleepten ze hem de grens over, diep het bos in. Hoe de draak precies gevangen werd, zou ons veel te ver leiden (maar met deze trefwoorden kun je het verhaal voor jezelf reconstrueren: drakenkostuums - afleidingsmanoeuvre – twintig kilo verdovende koekjes – een vlindernetje – driemaal nationaal lassokampioene). Ze bonden hen vast aan de grootste en dikste boom die er te vinden was. Perafina en Ludovic waren ooit nog bij de scouts geweest en wisten dus alles van knopen leggen. De Complotterende Kanaries highfiveden elkaar enthousiast om het succes van 'Plan DOVENETEL' te vieren. Ze zwaaiden als afscheid een laatste maal naar de nog steeds in lakens gehulde, slapende Slapende Tiran en de grollende, rookuitblazende draak en huppelden arm-in-arm gelukkig en opgelucht terug naar huis. Eind goed, al goed en iedereen leefde nog lang en gelukkig. Oh, excuseer me, dit is het foute einde. Dit is de afloop van een ander verhaal, eentje waarvan ik nu even niet op de titel kan komen. Deze eindigt ietsjes anders. Na een paar dagen - twee om precies te zijn - wist de draak zich uiteindelijk te bevrijden. Volledig uitgehongerd at ze de koning, met lakens en al, op, vloog terug naar het koninkrijk, maar werd onderweg misselijk en spuwde alles onder. Het hele rijk werd bedolven onder drakenkots. Sommigen verdronken, anderen stikten erin. Niemand overleefde het. Iedereen was bijgevolg dood. Of toch bijna iedereen. De draak leefde gelukkig nog. En enkele vogeltjes, allez toch dat ene die in de lucht vloog tijdens de braakselvloedgolf. De draak en het vogeltje leefden nog lang - voor zover dat mogelijk is volgens hun natuurlijk levensverwachtingspatroon uiteraard - en gelukkig ... Daar ga ik tenminste van uit, want eigenlijk weet ik niet of draken en vogels daartoe in staat zijn. Nu ja, voor dit verhaal doet het er niet echt meer toe. De draak en het vogeltje kregen vele kindjes (hoe die eruit zagen wil ik me liever niet voorstellen), ze leefden ongeveer vijf procent langer dan hun voorspelde, gemiddelde levensduur en waren, voor zover men weet, gelukkig. Zo eindigt alles dan toch nog goed.

Jenna
0 0

Vrouw zakt door perron

De scherpe pijn in haar staartbeen verdringt gedurende een paar seconden alles. Ava houdt haar rechterhand in een kom rond de plek van waaruit de pijn haar hele lichaam rondstraalt en pas als ze de hevigheid voelt afnemen, ziet ze zichzelf in een halfdonkere ruimte zitten en komt de angst opzetten.   Ze voelt aan de wand, het is vochtige aarde, en ze kijkt in de grote opening boven haar hoofd waardoor het vroege ochtendlicht naar binnen valt.   Het duurt niet lang eer ze zich herinnert dat ze even ervoor op het perron stond en heen en weer wandelde omdat het fris was en de trein naar Kortrijk op zich liet wachten. Dan waren de betontegels onder haar voeten weggeschoven. Ze was letterlijk in de grond gezakt.   De put is diep en wijd. Ava begrijpt niets van zoveel ruimte onder de grond en doet ook verder geen moeite om te begrijpen. Ze probeert te denken aan iets dat haar hieruit kan helpen. Ze vraagt zich af of ze iemand gezien heeft op een van de andere perrons en –nog belangrijker- of iemand haar gezien heeft.   Dan komt de angst opnieuw, nu snel en onbeheerst en ze begint te roepen. Het geluid van haar stem wordt gedempt door de zachte wanden. Ze probeert het nog eens en wat harder en ze denkt aan akelige dromen waarin ze om hulp roept, maar geen geluid uit haar keel krijgt. Meestal werd ze dan wakker geschud door Myriam want die hoorde haar wel kreunen. Myriam. Gek dat ze er nu pas aan denkt dat ze iemand kan bellen.   Maar moet het Myriam zijn? Hoe moet ze uitleggen wat ze om zes uur ’s morgens in het station van Mechelen doet? Wat kan Myriam doen behalve de hulpdiensten bellen? Zou ze zich naar hier haasten? Kan ze niet beter zelf de politie bellen? Wat is het nummer? 100? 101?   Ze vindt haar mobiele telefoon onderaan in haar tas en haalt hem bevend boven. Net als ze het met nummer 100 wil proberen, hoort ze een stem. Als ze naar boven kijkt, ziet ze een hoofd over de rand hangen. De man is blijkbaar op zijn buik gaan liggen.   ‘Is daar iemand?’ vraagt hij overbodig, want er is nu al zoveel licht dat hij haar wel moet zien zitten. ‘Ja ja’, roept Ava beverig. Ze voelt plots tranen en snot en ze zoekt naar een zakdoek terwijl ze ‘Ja ja, help mij’ blijft herhalen.   Er komt een tweede hoofd bij. ‘Bent u gewond?’ vraagt hij.   ‘Ja, nee, een beetje,’ roept Ava terug. Ze tast naar haar staartbeen en voelt dan pas de pijn in haar pols en iets prikken aan haar oor en haar lip. Er komen donkere vlekken op haar zakdoek.   Ze dringt nieuwe tranen terug, ze slikt en slikt en dwingt zichzelf tot een droog gesprek met de mannen die haar kunnen redden.   ‘Bent u van het station?’ vraagt ze. ‘Bent u gekwetst?’ vraagt de man opnieuw. Hun vragen overstemmen elkaar.   Het is lastig naar boven kijken, ze houdt haar hoofd een paar tellen naar beneden. Als ze weer naar boven kijkt, hangt er een derde hoofd over de rand.   Het is een vrouw. ‘Mevrouw,' zegt ze ‘er is hulp op komst.’ ‘Bent u gekwetst? Hebt u pijn? Waar hebt u pijn?’   Antwoorden kost moeite. ‘Mijn rug, onderaan, en mijn pols.’   ‘Kunt u rechtstaan?’   Ava schudt het hoofd. Ze wil het niet eens proberen.   De twee andere hoofden verdwijnen.   ‘Er is hulp onderweg,’ zegt het vrouwenhoofd weer. Dan verdwijnt ze ook.   Het geluid van de ambulance lijkt nog ver weg als het al stopt. Na een tijdje komen nieuwe hoofden kijken.   ‘Te diep en te gevaarlijk,’ zegt het ene hoofd, ‘bel het klimteam.’   ‘Mevrouw, er is hulp op komst, 'roept de man nu ook weer naar beneden, ‘wij kunnen u hier niet uithalen, het klimteam is opgeroepen.’   Het is wachten, de pijn in haar rug die minder hevig is, en de pijn in haar pols verdragen. Wachten en op de tanden bijten, en proberen om wat comfortabeler te gaan zitten.   Dan komt de vraag weer op of ze Myriam zal bellen. Ze tikt het nummer in, maar bedenkt zich.   Myriam zal de brief pas vanavond vinden. Ze kan net zo goed niets doen en de dingen laten verlopen zoals ze gepland waren. Met vertraging, want ze had nu op de trein moeten zitten, al uren ver verwijderd van het leven met Myriam.   Ze had een Noord-Franse stad op het oog, Lille of misschien Rouen. Ze zou er een paar dagen op hotel gaan en er werk zoeken. Vandaag zal het niet meer lukken. Ze zullen haar naar een ziekenhuis brengen. Ava ziet zichzelf al in een wit bed liggen. Het Sint-Maartenziekenhuis is het dichtste bij.   Als zij Myriam niet belt, zou ze het op een andere manier te weten komen?   ***   In het ziekenhuis vragen ze voor de derde keer of ze iemand moeten bellen.   ‘Nee, nee, alstublieft niet.’   Het is allemaal niet zo erg. Een gekneusd staartbeen, een verstuikte pols, hechtingen in haar lip, haar wenkbrauw en haar oor. Voor de zekerheid kan ze beter een nachtje blijven.   De pijn is te verdragen, alles is gezalfd, omzwachteld, gehecht of bepleisterd. Het bed ligt fijn, er brandt licht op de gang, de belknop is binnen bereik.   Slapen is alles wat ze kan en wil doen. Slapen.   En morgen vertrekt ze gewoon opnieuw. De grootste hindernis, heeft ze gehad. (Naar een bericht in De Standaard op 26/08/2014)

Christine Van den Hove
19 2

De begraven trofee

In zijn burcht aan de rivier liep de graaf druk gebarend door de grote zaal, met in zijn kielzog een minder fraai geklede man. ‘En dit is de mooiste trofee aan mijn muur. Prachtig, niet? De laatste eenhoorn. Afgemaakt met een schot in het hart. Gevaarlijke beesten, hoor! Ik hield me op in het struikgewas, en besloop het rustig, maar plots, alsof het een kwelgeest had gezien, stevende het op me af. Maar zoals u ziet, heb ik gelukkig de nodige ervaring om een dergelijk gevaar met efficiëntie af te handelen.’ De graaf likte zijn lippen. De man aan wie deze jachttrofee getoond werd, zei: ‘Meneer de graaf is een ervaren schutter, en het ontgaat me dan ook waarom hij de hulp inroept van een jager als ik?’ ‘Heer jager, een man van mijn statuut kent vele verzoeken. Ik vraag u niet een dier te schieten, maar eerder doe ik beroep op uw diensten van… hoe u dat ook noemt, magiebehoud?’ ‘Bedoelt u dat we de magische krachten van een natuurgebied onderhouden?’ ‘Exact! Er is maar één bos in mijn graafschap waar de zeer zeldzame en waardevolle Pixivium Magillus -of in de volksmond Levensbes- kan groeien. Die bes is u welbekend neem ik aan?’ ‘De Levensbes.’ prevelde de jager vol ontzag, ‘Die ken ik enkel uit een kindervers: Eet Levensbes bij volle mane, dat uw leven trager tane. Lijck de mannekes van bos en aarde, met dyzend jare lange baarde. Maar opgepast, zijt hen geen last, of…’ De graaf onderbrak hem. ‘Een kindervers, maar naburige baronnen en hertogen zijn in een wedloop om de bes in grote getale te kweken, want allen willen zij net als ik, hun leven verlengen. Maar de geschikte grond is schaars, en zoals zowel de naam van de bes als het vers ons vertelt, wordt die grond meestal bewoond door wezens die sommigen kabouters noemen maar eigenlijk regelrechte kwelgeesten zijn. Er wordt gezegd dat zij hun toverkracht geven aan de grond zodat de Levensbes kan groeien, maar tegelijkertijd bouwen zij die vruchtbare grond vol en is er geen ruimte meer voor bessenstruiken… dus… Heer jager, ik wil de zeldzame Levensbes laten bloeien in onze streek en verzoek daarom dat u het bos van Kyrie ontruimt van kwelgeesten.’ De jager sperde zijn ogen in ongeloof. ‘Meneer de graaf, het bos van Kyrie bevat de oudst gekende nederzettingen van het kaboutervolk. Zonder dat bos…’ ‘Uw bezwaren zijn eervol, maar acht u het welzijn van uw familie niet even belangrijk? Het hele bos vol bessen, meer dan een graaf kan wensen. Ik zou delen met de mensen die me hielpen, heer jager.’ ‘Maar de magie in de grond… zal de magie niet verdwijnen zonder kabouters?’ ‘Als dat het geval is vinden we dan wel weer een oplossing. Wat we weten van de kwelgeesten die u kabouters noemt, is dat één, ze toverkracht bezitten, en twee, ze zich onzichtbaar kunnen maken voor mensen, en dan vooral voor mensen die met minder goede bedoelingen hun grond betreden. Daarom dat ik een man met een goed hart vraag de klus te klaren.’ De graaf nam de jager mee naar een andere kamer, en toen ze voorbij een grote lege muur liepen zei hij: ‘Aan die muur wil ik zo snel mogelijk een grimbeer hebben hangen.’ Hij grinnikte. ‘Toen ik diezelfde zin zei tegen de gravin dacht ze dat ik een schilderij wilde kopen.’ De graaf haalde uit een verborgen kast een loden kist, en toen hij die opendeed werd de hele kamer gehuld in een gouden sprankelgloed. ‘Dit, heer jager, is waar het om gaat, de zaden van de Levensbes.’ De jager mocht de kist even in zijn handen nemen en werd bevangen door de magische gloed. De graaf nam de kist meteen terug en klapte het deksel dicht. ‘Wat… wilt u dan doen, meneer de graaf?’ De graaf stapte naar een raam en keek naar de rivier die langs de burcht liep. ‘Mijn vriend de baron van Westland kwam tot een akkoord met de kwelgeesten van zijn land. De bessen zouden over de nederzettingen groeien en zouden ook verzorgd en geplukt worden door de plaatselijke kwelgeesten… maar de eerste volle maan brak aan, en de baron wilde zijn oogst, maar de kwelgeesten hielden alles voor zich en werden sterker en sterker met het eten van de bessen. Het kostte de baron uiteindelijk het leven van honderden ridders en soldaten voordat hij uiteindelijk het hele bos liet platbranden en omwoelen. Maar dat omwoelen kost tijd, en rendement.’ De jager schuifelde ongemakkelijk. ‘Meneer de graaf, als u me het toelaat te zeggen, mijn vrouw kent, net als vele andere dorpelingen, kabouters uit dat bos. Ze helpen ons, en doen ons nooit kwaad.’ ‘En met een bos vol Levensbessen in dit graafschap zullen de dorpelingen langer leven, nooit meer honger lijden en gelukkiger zijn. En bent u ooit al een kwelgeest tegengekomen die niets vroeg in ruil voor zijn dienst? Wel, de Levensbes groeit en blijft groeien, het hele jaar lang, in dienst van de mens.’ De jager dacht aan de kinderen die hij had zien teloorgaan aan de honger, en aan zijn zwangere vrouw, en met pijn in het hart, bood hij zijn diensten aan. Hij zou eerst vallen moeten zetten, om de vluchtende kwelgeesten te grijpen. Ze moesten allemaal dood, want het waren beesten die altijd weer hun weg naar hun eerste huis terug zochten, ook al werden ze aan de andere kant van de wereld gezet. Dan het bos in gaan, en de truffelzwijnen loslaten op de paddestoelenpest, want voor zwijnen waren de kwelgeesten niet onzichtbaar. En alles wat zichtbaar uit de huisjes kwam: afschieten, maar niet in het hoofd, want de pinnemutsen moest de jager bijhouden. Trofee en speelgoed voor de dochter van de graaf. Zwaar beladen met een gruwelijke opdracht ging de jager naar huis. En zijn gemoed woog zo door dat geen enkele rimpel in zijn gezicht nog kon lachen. Met verstomde blik kwam hij het huis binnen. Meteen vroeg zijn vrouw hem wat er mis was, en wenend biechtte hij alles op. En ze smeekte hem, om de opdracht niet uit te voeren. ‘Mannetje,’ zei ze met zijn koosnaam, ‘schiet niet op alles wat beweegt. Wat hebben die kabouters jou kwaad gedaan?’ ‘Als zij weg zijn, zullen wij en onze kinderen gezond zijn.’ ‘Er gaat niets veranderen, mannetje, doe de graaf een plezier en hij vraagt er geld voor. Ziekte en dood kunnen niet worden overwonnen met een magische bes. Ellende en wreedheid komen dra in de plaats.’ De dag daarop ging de vrouw naar het bos van Kyrie om de kabouters te waarschuwen zodat zij een verdediging konden bouwen. Zij bedankten haar vurig en gingen meteen aan het werk. Een week later werd de jager terug ontboden bij de graaf. Hij werd ontvangen in dezelfde zaal waar hij de eerste keer werd onthaald, en werd meteen geleid naar de nieuwste aanwinst van de graaf: het hoofd van een zeldzaam dier dat nu een muur als lichaam had. ‘Vertel me, jager, is het bos ontdaan van de paddestoelenpest?’ ‘Geen stip meer te bekennen, meneer de graaf,’ zei de jager zenuwachtig. De graaf kwam wat dichter tegen de jager staan en onderzocht diens gezicht. ‘Er is iets met jou, jager, ik weet niet juist wat, maar soms denk ik dat ik je niet kan vertrouwen.’ Plots draaide de graaf zich om en riep met een bulderende stem: ‘Zadel mijn paard!’ En wendde zich dan tot de jager: ‘Ik ga het bos controleren, en jij komt mee.’ De graaf en de jager kwamen aan het bos van Kyrie, en gingen te voet verder door de dichte begroeiing. Na een tijdje merkte de graaf tevreden op dat er nog geen zicht was van kwelgeesten of hun nederzettingen. Ze waren nu diep in het bos toen plots de jager wees naar een grote bruine gestalte in de verte. ‘Meneer de graaf, ginds, een grimbeer!’ De graaf zei opgewonden maar ingehouden stil: ‘Is het er een? Die heb ik nog nooit geschoten! En ik die dacht dat mijn vriend de baron de laatste had! Wees stil, jager. We sluipen dichterbij, want hij staat nog zo ver dat ik hem niet goed zie.’ De beide mannen kropen voorzichtig door het struikgewas en beslopen de grimbeer. En terwijl de graaf zijn zinnen zette op het hoofd van een nieuwe prooi, beslopen wel duizenden kwelgeesten gevoelloos zijn lijf. De graaf siste nog, ‘Ik zie hem niet meer, ben je zeker dat het geen boom is?’ Maar zijn graat van rug tot nek krioelde al van de naderende dood en duizenden prikken later, lag de graaf met open ogen stil op zijn buik in het bos van Kyrie, en daar zou de grond hem ook verteren. Met hoofd en al, want de trofeeën van een kwelgeest hangen niet pronkend aan een muur. Zij rotten in de grond en vergaan in het niets.                

Han Hartmoed
0 0

Sinds Birte

Sinds Birte gestorven is, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat er iets niet klopt. Erger nog, dat er iets helemaal verkeerd is. Natuurlijk is het verkeerd dat Birte er niet meer is. Het duurt altijd een paar tellen eer dat besef tot mij doordringt. Maar het is nog iets anders. De dag begint op een manier waarop hij niet zou moeten beginnen. Ik word wakker in een smal bed in een ruime kamer. Iemand trekt de gordijnen open en zegt goeiemorgen. Op het veel te kleine schrijftafeltje staat een blad met een saai ontbijt: een kop lauwe koffie, drie sneetjes witbrood, een kuipje aardbeienconfituur en een rechthoekje boter.             Daar begint het al. De koffie zou heet en sterk moeten zijn en vooral, door mij gezet. In de keuken. Waarom heb ik geen keuken meer?                         Na het ontbijt komt een meisje vragen of ik hulp nodig heb bij het wassen en aankleden. Ik schud mijn hoofd. Ze trekt de deur meteen weer dicht. Ze kent het antwoord, maar ze moet het vragen. Ik ben nog altijd in staat om een broek en een hemd aan te trekken, en mijn kleren zou ik liever zelf wassen. Ik zou niet zo’n rare plooi in mijn broek strijken, ik zou de kraag van mijn hemd wat rechter zetten. En ook geen vouwen in de mouwen alstublieft.               ‘Niet moeilijk doen, liefste,’ zou Birte zeggen. ‘We hebben hier alles wat we nodig hebben.’ En dat was ook zo. Zolang Birte zorg en vooral veel aandacht nodig had, was het handig om niet te moeten koken, poetsen, strijken. Lezen of naar de tv kijken ging ook niet, maar dat vond ik niet erg. Dat zou later wel weer komen. Want er zou een later komen, zonder haar en zonder de kabbelende gesprekjes tussen ons.             Die mis ik nog het meest. Birte was graag aan het woord. Over de ergernis die ik daarbij soms voelde, heb ik nu spijt. Maar spijt en woede –woede, omdat ze weg is- daar koop ik niets mee. Dus leg ik spijt en woede opzij en probeer ik de dag door te komen. Meer lukt me voorlopig niet. Al moet er iets gebeuren. Morgen misschien, of volgende week.             Om tien uur liggen de kranten in het salon. Er eentje van de tafel grissen en meenemen naar je kamer wordt niet op prijs gesteld. Nee, het is de bedoeling dat we samen de koppen doornemen, om aan te tonen dat we nog bij ons verstand zijn. We zijn met niet velen die dat nog kunnen. De animatrice test elke dag onze kennis van aardrijkskunde, geschiedenis en politiek. Het is een knap meisje. Ze heeft kort zwart haar, wat langer in haar nek, en ze heeft een blinkend steentje in haar neusvleugel. Ik kan het niet laten om haar na te kijken als ze door de gang loopt. Ze heeft brede schouders –zou ze zwemmen?- en een jongensachtige tred. Ik denk dat ze is zoals wij, maar ik durf het haar niet te vragen. Zou ze het weten van mij? Ze kan er toch moeilijk naast kijken? Maar ze heeft geen oog voor mij. Ze spreekt me beleefd aan met mevrouw zoals ze dat hier met iedereen doen. Mevrouw, mijnheer. Als er nieuw personeel is, want het wisselt nogal, is er al eens eentje bij die zich vergist en mij met mijnheer aanspreekt. Ik verbeter ze niet, ik ben het gewoon. Na een dag of twee zien ze hun vergissing in.               Mevrouw Simons is ook weer bij het krantenuurtje. Haar man heeft ze in hun kamer gelaten. Ze luistert gespannen naar de vragen, de ogen half gesloten, de handpalmen op de tafel, en ze probeert als eerste te antwoorden. Uitsloofster. Als het krantenuurtje voorbij is, mogen we de krant van vandaag in het salon lezen. Die van gisteren mogen we mee naar de kamer nemen. Met oud nieuws onder de arm slof ik naar mijn hol. Ik moet het samenzijn in een ruimte met anderen doseren. Langer dan een uur kan ik nog niet aan.               In het restaurant blijkt mevrouw Bernards mijn plaats te hebben ingenomen. Ik overweeg om haar rolstoel achteruit te trekken, een stoel bij te schuiven en te gaan zitten, maar uit goed fatsoen blijf ik staan bij de tafel waar ik tot voor kort nog met Birte zat. De zaalverantwoordelijke neemt me bij de arm en leidt me een paar tafels verder.             ‘We dachten dat u hier beter zou zitten,’ zegt ze. Ze schuift een stoel achteruit en nodigt me uit om te gaan zitten. Bij Simons en haar man, en nog een kale man die ik wel al gezien heb, maar verder niet ken. De mannen zitten in een rolstoel en alsof ze behalve hun benen ook hun handen niet kunnen gebruiken, begint Simons water in hun glazen te gieten. Ik leg mijn hand op mijn glas en zeg bijna onhoorbaar ‘Nee, dank u’.             ‘Drinkt u wijn?’ vraagt Simons, ’Gezellig, dan ben ik niet alleen.’               Er komt een karafje met een halve liter rosé op tafel. Ik giet haar glas voor driekwart vol, dan het mijne en ik zet het karafje langs mijn kant. Zo zal ik het vanavond en morgen ook doen. De nieuwe situatie meteen goed beheren. Ik hoor het klaterende lachje van Birte.                    ‘Zo ken ik je weer’, zou ze zeggen. Dat er zowel bij de lunch als bij het diner wijn bij het eten werd geserveerd was het doorslaggevend argument om voor dit etablissement te kiezen. Ik vond het anders wel erg duur, maar Birte vond dat we onszelf niets tekort mochten doen. Voor haar lagen de zaken anders dan voor mij, daar stonden we toen niet bij stil.               Mijnheer Simons kijkt verongelijkt naar de karaf wijn.             ‘Hij heeft suikerziekte,’ verduidelijkt mevrouw. ‘Nee, man’, zegt ze, ‘het mag niet van de dokter.’             ‘Man’, zegt ze tegen hem. Heeft hij geen naam? Zij heet Emma, ben ik intussen te weten gekomen. Als hij tegen haar praat is het Emma voor en Emma na. Behalve suikerziekte heeft hij een rothumeur en een aanleg tot zeuren. De man naast hem kijkt in zijn bord en in zijn glas water en doet of hij er geen last van heeft. Ik volg zijn voorbeeld en doe of ik niet zie hoe Emma Simons naar mij kijkt en hoopt op een aangenaam tafelgesprek.             Na het dessert maak ik dat ik wegkom, dankbaar dat ik niet in een rolstoel zit en moet wachten op iemand die mij naar mijn kamer brengt.               Mijn siësta bestaat uit drie kwartier naar het plafond kijken en me afvragen of ik naar het salon zal gaan of in mijn kamer blijven. Het wordt in de kamer blijven. Ik heb geen zin in mandala’s kleuren. Als er op de deur geklopt wordt, ben ik er zeker van dat het Emma Simons is. Het personeel klopt niet. Ze komen gewoon binnen, of ik in mijn onderbroek sta of niet, ze zien niet eens het verschil.               ‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze.             ‘Nee’, zeg ik en ik probeer de deur weer dicht te duwen. Maar ze heeft al een voet binnen en kijkt nieuwsgierig de kamer in.             ‘Mag ik Cécile zeggen? Ik ben Emma.’             ‘Het is Sil’, zeg ik, norser dan bedoeld.             ‘Mag ik binnenkomen?’ vraagt ze dan. Ik doe een stap achteruit.               Ze komt binnen en blijft bij de schrijftafel staan. Ze kijkt een paar seconden naar de foto van Birte alsof ze bij een graf staat. Ze is een vrouw van de wereld, er is iets sjieks aan haar en voor het eerst voel ik wat van mijn afkeer wegzakken. Ik heb geen afkeer van haar, maar van iedereen die hier nog levend rondloopt, bedenk ik plots. Ik voel een snik opkomen, maar ik verman me. Ik wijs haar een stoel en ga zelf in de fauteuil zitten. Ik strijk over mijn knieën en probeer de vouw in mijn broek wat minder scherp te krijgen.               Als ik opkijk, zie ik haar vriendelijke gezicht. Vriendelijk, ik moet het toegeven. En mooi. Haar zilvergrijze haar is recht afgeknipt op kinhoogte. Ze heeft wat lipstick op, maar verder is ze niet opgemaakt.             Ze vraagt hoe het nu met mij is. Ik haal mijn schouders op.             ‘Waren jullie ... was zij je vriendin? Ik bedoel ...’             Ik voel mijn stekeligheid weer opkomen. Heeft ze dan geen ogen in haar kop? Ik toon haar mijn ring.             ‘We waren getrouwd,’ zeg ik.             Ze knikt en kijkt dan rond in de kamer op zoek naar een nieuwe vraag. Dan staat ze op.             ‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze weer. Ik schud mijn hoofd.             ‘Ik kan je niet in mijn kamer uitnodigen’, zegt ze dan, ‘mijn man ...’             ‘Ik begrijp het,’ zeg ik en ik denk: gelukkig maar.               Sinds Emma in mijn kamer is geweest doe ik aan tafel iets meer moeite om hoffelijk te zijn. Tegen Emma tenminste. De mannen negeer ik. Ook tijdens het krantenuurtje doe ik mijn best. Het krantenmeisje is zichtbaar opgetogen met mijn toegenomen ijver. Ze snijdt spannende onderwerpen aan en vraagt op een dag in welke landen het homohuwelijk is toegestaan. Emma kan ze bijna allemaal opnoemen. Het krantenmeisje kijkt in mijn richting en knipoogt. Ik krijg het warm en ik zet een extra knoopje van mijn hemd open. Bloost ze? Of beeld ik me dat in?               Tijdens de siësta vertel ik Birte over Chris, het krantenmeisje.             ‘Je bent nu vrij,’ zegt Birte, ‘Maar is ze niet wat jong voor jou?’             Natuurlijk, veel te jong, hoe dwaas van mij.               Emma Simons staat weer aan de deur. Ze vraagt of ze binnen mag komen. En of ik zin heb om met haar een dagje naar zee te gaan.             ‘Naar zee? Hoe dan? Met de trein? Met begeleiding?’             ‘Maar neen, Silly, we gaan toch gewoon met de auto?’             Ik kijk verbaasd daar de sleutel in haar uitgestoken handpalm.             ‘Hij staat hier op de parking,’ zegt ze, ‘voor als we op stap willen gaan. Maar met die rolstoel is het zo’n gedoe.’                 Het lijkt lang geleden dat ik nog in een auto zat en nog langer geleden dat ik zelf aan het stuur was. Birte en ik namen de laatste jaren het openbaar vervoer. Emma merkt dat ik me aan de stoel vasthoud en dat ik mee rem.             ‘Ik kan het nog, hoor’, zegt ze, ‘maar als je wil, mag jij straks rijden.’               Op een rustige weg in de polders wisselen we van plaats. Het is even wennen, maar dan is het als fietsen. Ik leg mijn elleboog door het open raam en stuur losjes met een hand. Emma laat zich ontspannen achteruit zakken in de passagiersstoel. Ze stift haar lippen wat bij en zet een zonnebril op. Ik concentreer me op de weg.               Aan de kust is het rustig. Op de dijk niets dan oude mensen.             ‘Wij zijn ook oud,’ zegt Emma, ‘maar hier, hier kan je nog wandelen.’ Ze steekt haar arm door de mijne.             We eten zeetong en drinken er een glas chablis bij. Daarna een ijsje op een bank. Even met de blote voeten in het zand. Voor we weer in de auto stappen, wijst Emma naar de appartementen op de dijk.             ‘Er staat hier veel te koop,’ zegt ze.   ***               Mijnheer Simons heeft een andere tafel geëist en gekregen. Hij zegt dat ik niet normaal ben en dat ik een slechte invloed heb op zijn vrouw. Ze zitten nu bij het raam met een ander echtpaar. Ik zie Emma haar best doen om een gesprek op gang te krijgen, maar noch de man, noch de vrouw zijn gewillig. Mijnheer Simons houdt zijn mes rechtop in zijn vuist, alsof hij wil laten zien wie de baas is.               Aan mijn tafel werden de Simonsen vervangen door de laatste twee alleenstaande mannen die er nog zijn. Blijkbaar denken ze dat ik een gevaar voor het vrouwvolk ben. Ik heb gevraagd of ik in mijn kamer mag eten, maar dat mag alleen als je ziek bent.   ***               Emma komt mij bezoeken met een tros druiven en een paar sinaasappels die ze van de dessertkar genomen heeft. Ze vraagt wat ik heb. ‘Ik weet het niet,’ zeg ik schouderophalend, ‘ze vinden niets. De dokter zegt dat het op onze leeftijd niet ongewoon is om wat minder goede dagen te hebben. Ik moet een paar dagen rust nemen.’               ‘Rust!’ Ze lijkt ontdaan. Ik heb plots in de gaten dat ze ongerust is, dat we niet meer op stap kunnen gaan.             ‘Het gaat al beter, hoor,’ zeg ik vlug. ‘Over een paar dagen ben ik weer de oude. Of de jongere,’ grap ik.               ‘Ik hoop het,’ zegt ze , ‘want het is geen leven meer met hem. Ik was beter thuis gebleven. Ik ben nog veel te fit om hier te zijn.’ Tegen wie zegt ze het.               ‘Maar, als jij niet met hem meegekomen was, hadden we elkaar niet leren kennen.’ Ik schrik zelf een beetje van wat ik zeg. Meen ik dat?               Ze glimlacht als een meisje en staat recht. Ik stotter dat ze best nog wat mag blijven.               ‘Je moet rusten’, zegt ze plagerig.   ***               Mijnheer Simons is echt ziek. Zijn bloeddruk gaat onrustbarend de hoogte in, telkens als Emma en ik een uitstapje hebben gemaakt. Emma vindt dat hij uitstekend verzorgd wordt en dat zij daar niet altijd bij nodig is.             ‘Eigenlijk’ zegt ze, ‘kan ik niet veel voor hem doen. Hij is misschien wel beter af zonder mij.’             We gaan nog elke dag naar het krantenuurtje en daarna nemen we samen de immobiliën-bijlage door.   ***   Sinds Emma en ik aan zee wonen, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat ik droom. Het duurt een paar tellen eer ik besef dat het echt is, dat zij naast mij ligt, haar grijze haar uitgewaaierd op het witte kussen. Dan glip ik stilletjes uit bed. Ze doet of ze slaapt. Ik zie het aan haar mondhoek die ze in de plooi probeert te houden. Ik haal croissants en broodjes bij de bakker op de dijk en daarna zet ik sterke, hete koffie.   De foto van Birte heb ik in de keuken gezet. Ze kijkt goedkeurend toe terwijl ik een eitje kook. Ik knipoog naar haar. We praten niet meer zoveel met elkaar, maar het is goed zo.              

Christine Van den Hove
14 0

Koffie

Als een verstijfde zombie sta ik voor het espressoapparaat. Mijn koffietas in de rechterhand geklemd. Als het vasthouden van een laatste strohalm. Mijn hoofd troebel van de slaap en de zorgen. Puberende kinderen en een vrouw die niet beter weet. Een moeder die angstaanjagende vooruitgang boekt in het dementeren. En bijgevolg midden in de nacht belt of ik achter kolen kan gaan. Hoewel ze al tien jaar op gas verwarmt. De hopen geld die steeds moeten worden verdiend en meteen uitgegeven moeten worden. Elke dag opnieuw. Het doet me al voor de wekker afgaat verlangen naar dat zwarte goud. Het enige wat me nog steun lijkt te geven in het leven. Hoe is het zover kunnen komen? Aan een pensioen mag ik nog niet beginnen te denken. Dat is nog zeker vijftien jaar ver. Nog veel te vroeg dus om al streepjes in mijn bureau te kerven al was het een grijze gevangenismuur. Ik zet mijn tas onder het espressoapparaat. Een collega komt opgewekt en uitgelaten goeiedag zeggen. Ochtendmensen. Ik heb het er nooit op begrepen. Ik mompel een “lang leve de werkdag” terug, met het onverborgen cynisme er nog aangeplakt. De collega stoot een korte en felle lach uit, legt zijn brik melk in de koelkast en maakt rechtsomkeer. Even gezwind als hij gekomen was. Was ik maar zoals hem. Zorgeloos hoewel hij net zijn tweede scheiding achter de rug heeft. En een kale plek op zijn kruin heeft die elk jaar groter wordt. De goeie centimeter die het jaarlijks opschuift heeft zowat dezelfde functie als de jaarringen van een boom bij hem. Maar het moet toch geweldig zijn het leven met een roze bril te bekijken. Ongeacht het weer. Regen of zon. Altijd die zonnebril op. Met een diepe zucht druk ik op de knop. Laat dat bakje troost maar snel komen. Het apparaat begint te pruttelen en braakt mijn koffie uit met het nodige lawaai. Zwart. Diepzwart. Ik merk dat mijn veter los is en buk me om hem te knopen. Ik begin spontaan te lachen. Tot mijn verassing zie ik dat ik twee verschillende paar sokken aan heb. Een lichtblauw en een grijs exemplaar. Ik moet meteen aan mijn vrouw denken die me nog gisteren een gekkerd noemde. Je kan het verstrooid noemen maar ik ben wel gek genoeg om twee paar kousen aan te trekken. Toch wel het ultieme teken van zorgeloosheid denk ik dan. Met wat zit ik toch altijd in mijn kop. Weet je, denk ik, morgen doe ik mijn beide kinderen verschillende sokken aan. En mijn vrouw mag me nog eens gekkerd noemen. Een sokkenrevolutie tegen zwartgallige gedachten daar teken ik voor. Met een grote glimlach pak ik mijn koffie en been de keuken uit. Laat de dag maar komen.

Tim Berghman
0 0

Svetlana

De Rode Zee is van een extreem blauw. Er ligt een spaarzaam strandje langs. Het randje van een land in ontwikkeling. Strooien parasols. Half afgewerkte (of half afgebroken) toeristische infrastructuur. Ernaast een tent van UNHCR waar mensen in wonen – dit land is werkelijk tot de rand gevuld met vluchtelingen. Aan de overkant de Sinaï. Daar besmuikte gisteren een rookpluim van een bomaanslag dit intense tafereel. Nu omkadert vurig fuchsia van een bougainvillea mijn vista, oleanders gniffelen in de wind. Een rafelig strandje Voor dit multireële tableau, zit ik. Ik tuur de horizon af. Ik wacht op mijn man. Al weet ik hem gewoon onder dat strakblauwe wateroppervlak, voorzien van zuurstofflessen en een goede gids, ik stel me voor dat zijn wereld nu vol sirenen, heremietkreeften en regenboogvissen is. Maar zeker ben ik dat hij straks als een goedgeluimde Neptunus uit de branding zal verrijzen. In afwachting zit ik met Lana opgescheept. Op het half afgewerkte terras van de half afgebroken duikclub is ze niet met de lichtste aarzeling op me afgestapt. En tenslotte aan mijn tafeltje komen zitten. Lana moet een eind in de vijftig zijn, misschien zestig, of wie weet wel zestigplus. Aan Lana heeft de tijd nog niet veel aandacht besteed. Haar gezicht is bondig en vrij van fijne lijnen. Haar korte stugge haar kan, naargelang het felle licht, evengoed blond als grijs zijn. Onder haar rode koltruitje zit een slanke lijn in haar zij, waar ze voortdurend haar handen legt en cirkels met haar heupen wiegt. Lana houdt van honden (dat verhaal bespaar ik u) maar heeft met katten gemeen: haar lenige lijf dus, en meerdere levens. Die ze nu gul aan mij vertelt in een Engels met de afgemeten mechaniek van een notenkraker. In een vorig leven was Lana Svetlana. Een man, drie kinderen en een koude oorlog later is ze in de Golf van Aqaba verzeild. Haar nieuwe man is Jordaans, rookt en drinkt, heeft een hartprobleem. En liegt niet meer tegen haar. Hoe dat laatste zo is gekomen, dat krijg ik willensnillens te horen. Aan ‘in goede en kwade dagen’ had Lana haar Mohammed laten toevoegen dat hij zou stoppen met roken en drinken. Die extra trouwgelofte was de uitkomst van een voor haar zeer logische gedachtengang geweest: zijn hartinfarcten waren volgens de dokter het directe gevolg van zijn slechte gewoonten. Dus moesten die gewoonten Siberischkoud afgeschaft worden. Zo beloofde haar Mohammed. En zo geloofde zij haar Arabier. Tot ze hem op een dag betrapte. Rokend met zijn broer. Dat liet Lana niet over haar kant gaan. De poten van het ijzeren stoeltje gieren over de terrastegels als ze recht gaat staan en mij met een zwier van haar armen toont hoe ze de riem uit de broek van haar man sleurde en hem hiermee slaat. Mijn oren doen er pijn van. Voor mijn ogen lijkt het opnieuw te gebeuren: de ranke Russische slaat haar man voor het oog van zijn broer en wie weet de hele clan die er net op bezoek was. En haar Arabier, die gaat bij zijn moeder uithuilen. Maar het mag niet baten: de stamouders geven Lana gelijk. Trouw is een weids woord. En nooit gratuit. Dit moet even bezinken. Samen turen we naar de kruimelige bodem van het lege zwembad, Lana en ik. Over de manvrouwverhouding in deze maatschappij raak ik elke dag meer in de war. Over de liefde geen woord. Ik wil het niet weten, maar het lijkt me dat op het droge geen prijs voor Lana te hoog was voor de vrijheid om hier elke dag, wars van Rusland, naar het koraalrif te duiken. Volgt nog het verhaal van de straathond. Met de puppies. Maar dat bespaar ik u, zoals beloofd. Waar blijft Neptunus nu toch? Ik kan al niet wachten om straks het zeewier van tussen zijn baard te oogsten en gepekelde kussen van zijn mond te plukken.

Marjanne Sevenant
0 0

Ramadan Kareem!

Op de eerste dag van de Ramadan komt onze dochter uit school gefladderd met een papieren lampion aan haar hand waarop haar dartelheid zich in blauwe stippen en geel-met-roze wolken aftekent. ‘Dit, mama,’ zegt ze, ‘is een ramadan kareem!’ De r-en lopen sterk als Arabische koffie uit haar mondje. Dat de Ramadan zo tastbaar een luchtige lampion kon zijn, dat had ik op voorhand niet kunnen denken. ‘Maak dat je wegkomt voor de vasten begint!’, luidde het eenvoudigweg bij de andere vreemdelingen hier. Stoffige dagen, hongerige chauffeurs, dode winkels, eten noch drinken. Of bedreigingen als je het toch doet. Nu komt, zo leerden we al, het verblijf in een gastland met lusten en lasten. De Ramadan kreeg het voordeel van de twijfel. Bovendien schijnt hier nu elke dag de zon en vraag ik onze dochter soms om mij een wolk te tekenen zodat ik het bestaan ervan niet vergeet. Zo slecht kon het toch niet worden. En het beste was nog dat ik zelf niet zou vasten. En tastbaar werd de Ramadan. Op vele momenten, maar nog het meest van al in dat onbestemde land tussen de dag en de nacht. Net voor de zon de kim gaat kussen. Niet zoals anders slokt het donker de geluiden op. De muezzin klimt de minaret op en schraapt al zijn keel. Want deze keer gaat iedereen luisteren. Schotels worden dampend op tafel gezet. Water, dadels, vruchtensap. Sigaren en aansteker grijpklaar gelegd. Hoort!, hoe de mensen zich naar hun huizen haasten. Geroezemoes en gekonkelfoes. Tot dan, de muezzin zo verlossend de nacht inzingt. Komen eten! Daar tinkelt overal het bestek. De iftar begint. En later, terwijl de volle maan over de stad zeilt, waaien vanaf de minaret eindeloos woorden aan tot bij de sterren en wie het horen wil. Alles komt goed, zo klinkt het. Als sprookjes van duizend en één nacht. Op ons terras zijn onze avonden gevuld. Van een wereld rondom waar wij maar schaars deel aan hebben. Af en toe breekt de klap van een vuurpijl buiten of het sissen van een voetzoeker. Wij denken na over de dagen. Over de tijd die nu met twee tempo’s lijkt te gaan: loom en trager, nerveuzer en koortsachtig rijk en vol. Tot op een nacht percussie en een lallende stem tegen mijn slapen komen gebotst. Bijna roep ik om mijn moeder. Tot ik weer weet dat ik zelf mama ben – hopelijk sliepen de dochters er doorheen. Dwars door ons huis lalt de man, zo lijkt het wel. Zijn stem verwijdert zich, maar het bonzen stopt niet. Of neen, dat is mijn hart. Op de klok is het twee uur dertig, 2.30u in de ochtend! ‘Het is niet omdat jullie Moslims het nachtje doordoen, dat je ons erbij moet betrekken!,’ denk ik het hele ontbijt lang. De volgende nacht is de lallende man er weer. Heeft nu nog geen enkele buur hem een schoen toegeslingerd? En de nacht daarop opnieuw. Wat een tolerantie! Of er moet een verband zijn. En zoals met alle raadsels in dit samenleven hier, leg ik het voor aan mijn Mevrouw de Uil. Mevrouw de Uil, dat is Miss Hanan. Zij is de directrice van het schooltje. Miss Hanan, voor wie ik een groeiend respect koester. Niet in het minst omdat zij de mooie combinatie bezit van gulle wijsheid en kinderlijke blijheid. Wanneer ik voor haar de nachtelijke onderbrekingen van percussie en dronkemansgebras op mijn vingers tel, beginnen haar ogen te glinsteren. ‘Bestaat dat nog?,’ roept ze uit, ‘Waar woon jij wel?’ Zij spreekt de woorden alsof zij daar ook wil wonen. Want in onze wijk, zo blijkt, flakkert een oud gebruik weer op. De trommelaar. In ruil voor wat eten haalt hij de mensen uit hun bed. Zo hebben ze tijd genoeg voor de maaltijd tot de muezzin weer tot de orde van het vasten oproept. In de zomer wordt het vroeg licht. De nacht daarop gaat de folklore aan mij voorbij. Ik word niet meer wakker. Ramadan kareem!

Marjanne Sevenant
0 0

To be

Lieve landmeter, Slechts rakelings zijn onze levens langs elkaar gescheerd. En toch, niet omwille van de alliteratie hierboven, noem ik jou ‘lief’. Je was, na al die maanden in dit land, de eerste die mij vroeg of jouw roken in mijn buurt mij niet stoorde. Alleen al daarom. Veel weet ik niet over jou. Je afkomst en je beroep. Vanwaarbenje en watdoeje. Dat was genoeg voor mij. Het riep een wereld voor me op. Landmeter, uit Syrië. In het lauwwarme uur aan het eind van de dag legden onze schaduwen zich samen op de stenen zitjes van het Romeinse theater in het hart van Amman. De kleine vedetten van de avond lieten op zich wachten. Niets in in dit land begint op tijd. Jij en ik geraakten aan de praat. Of ik het niet erg vond dat het theaterstuk Arabisch gesproken zou zijn, wou je weten. Ik weet niet of ik jou heb kunnen uitleggen hoe ik daar hoegenaamd niet aan tilde. Dat het voor mij genoeg zou zijn om te zien en te horen. Shakespeare door een groep kinderen uit het grootste Syrische vluchtelingenkamp in Jordanië: Zaatari. Shakespeare en Zaatari in één zin, dat volstond. Van België wist je dat het er goed leven is. En je kende één stad: Brugge! (Van de film “In Bruges”.) A small town, zei je, almost a village. Tjaa. En je had gehoord dat in België homo’s homo’s mogen zijn. Ik stond bij die kennis van jou niet lang stil. Maar achteraf beschouwd, je witte T-shirt met een V-hals tot net boven je gitzwarte borsthaar, wie zal het zeggen en wat doet het er toe. In Damascus heb je nog familie wonen, vertelde je. Ze willen er niet weg. Het is er relatief rustig. Zou dat op den duur wennen, dat geroffel in de verte en mensen die daarvan sterven? Ik heb het jou niet gevraagd. In Saudi Arabia had je een goeie job. Maar tegenwoordig is de verblijfsvergunning voor een Syriër jou te duur. Dus leef je in Amman. Illegale ober (maar zo ga ik jou dus niet aanspreken). Je hebt vele vrienden hier. Allemaal Syriër. Verbeeldde ik het mij of ging er een rilling door de lauwe tribunes, toen over het orchestra daar beneden plots een kleine jongen zonder benen werd gerold? Een andere jongeman, ook in een rolstoel, tilde de jongen op tot ver boven zijn hoofd, tot dichtbij het heldendom. En schaterlachen dat die twee deden. Zoveel andere dingen om naar te kijken in dat Romeinse theater, maar volgens mij had iedereen net dat gezien. Kreeg jij, lieve landmeter, daar ook kippenvel van? En toen begon het. Een roedel zwarte kopkes stoof het theater binnen. Samengebracht door de echte tragedie en de tragedie van Hamlet. Glitterpailletjes, sluiers, speelgoedzwaarden, krullepruiken, koning en prinsessen. Ze speelden het woestijnstof van de stenen. Boven het theater werd de avond van terracotta. Tegen de moskeeën knipte het groene neonlicht aan. Hoog aan de hemel dansten twee vliegers muisstil. Toen begon de stad de zonsondergang in te zingen. In het theater stroomden alle grote mannen tussen de tribunes naar buiten en haastten zich naar het gebed. Maar niets bracht de jonge acteurs uit het lood. Niet alleen door een taalverschil had ik het eind van het stuk niet zien aankomen. Toen de nieuwbakken acteurtjes zich in lange rijen opstelden, en met hun kartonnen wapentjes fiks in de hand de steile trappen tussen het publiek omhoogklommen. Toen het plots zo luid en overtuigd uit hun borstkasjes klonk: “To be or not to be!”. Tot ver boven de vliegers ging het. “To be or not to be!”. Ik hoor het nog in mijn hoofd! Het was geen stofje in mijn oog wat mij parten speelde. Na het eindeloze applaus voor het stuk, en voor veel meer, gingen jij en ik elk weer naar ons eigen leven. Ik kwam thuis en sloeg stomweg de krant open. Een fotoreportage. Een meute zwarte kopkes in het rosse gras. Met zelfgemaakte speelgoedwapens in de weer. Het konden mijn steracteurtjes zijn. In de velden rond hun vluchtelingenkamp in Jordanië waren ze aan het oefenen voor Shakespeare’s tragedie. Dat dit in mijn Belgische krant kwam! Tot ik de titel boven de reportage las: Kindrebellen. En de tekst langs de foto’s. Deze kinderen waren niet in Zaatari. Ze waren nog op het Syrische platteland. Ze hielden generale repetitie voor een echte tragedie. Lieve landmeter uit Syrië, naar de tragedie in je land kijk ik evenzeer met ongeletterdheid. De plot begrijp ik niet en evenmin zie ik het einde aankomen. Maar tegen beter weten in hoop ik heel vurig dat jij binnenkort weer land mag meten ginds. Het ga je goed, hier en nu en ginds en later, Marjanne

Marjanne Sevenant
0 0

Van weg geweest

Er is een knalgeel eendje voor Julie. Het rinkelt en knispert een beetje als je erin knijpt. Ik reik het haar aan. Ze brengt haar beide armpjes omhoog, strekt haar vingertjes uit en plukt het met twee handjes uit mijn handen. Aangereikte dingen met twee handen aannemen, in India heb ik geleerd dat het in Azië een gebaar is van respect. Ik heb het altijd een mooi gebaar gevonden. Alsof je iets ten volle grijpt. Van overal neem je iets mee. Het brengt me bij mijn mijmeringen op de fiets wanneer ik het bochtige pad neem langs de rivier op weg naar mijn werk. De rivier geeft meer stenen bloot dan anders. Het groen is uitbundig nu, het schreeuwt in vele vormen. Mijn mond valt open en er dansen muggen binnen. Ik verslik me in de natuur. Soms ligt een dikke tak op het pad na een donderstorm – zo heet het hier – , waar ik dan mijn fiets overheen moet tillen. Een stuk bos dat praktisch begint aan onze voordeur, en elf kilometer verder praktisch eindigt aan de glazen draaideur van mijn kantoorgebouw langs Pennsylvania Avenue. Een man in uniform met witte handschoenen laat me binnen en wenst me een mooie dag. Stel je dat even voor. Enkele blokken verder ligt het Witte Huis en daarvoor het IMF dat sinds kort een nieuwe baas heeft, ik las het nog in de krant. De dijk ("Boardwalk") in Oceancity Stel je dat even voor. Soms zeg ik dat tegen mezelf. We mogen stilaan beweren dat we een vol jaar hier zijn, een vol jaar niet meer in België geweest. De dingen wennen. Er komen schuurplekjes op het laagje chroom van nieuwigheid. Ik stel dit niet zonder spijt vast. De dingen vallen minder op. Sommige dingen heb je, zonder dat je het wist, volledig aanvaard. Koffie van Starbucks. Bij wijze van voorbeeld. Dat men er koffie uit papieren of plastieken bekers drinkt, als op een Vlaamse kermis of een muziekfestival omdat het daar niet anders kan. Mee-békeren. Dat men je toelaat er allerlei smaken en brouwsels en poeders aan toe te voegen. Alsof koffie pur sang niet lekker zou zijn. Het went. Vorige week bestelde ik een Frappuccino decaf hazelnut flavor no sugar 2% milk no topping, en ik vond het lekker. Had niets meer met café frappé of cappuccino vandoen, maar op zichzelf mocht het er zijn. Of ik neem de metro naar het werk. In het station waar ik opstap, heb ik een gesprek met een Canadese die hier een stage komt doen en zich over de metro in DC verbaast. Onderweg tel ik de Ipads niet meer op één hand – hoe donker ook de metrogangen, er zijn vele vensters op de buitenwereld. In het station waar ik uitstap, heb ik een gesprek met een man die, zo blijkt, voor Obama heeft gewerkt toen die nog senator was. Voor het loket wenst een man van Metro elke reiziger in de stroom een heerlijke dag toe. Zou dit tot zijn welomschreven takenpakket behoren? Ik sluit het niet uit. Boven aan de roltrap hoor ik van een zwarte man dat ik er goed uitzie vandaag. Stel je voor. (Pendelen of op straat komen tout court, is hier goed voor je zelfbeeld of dat van je kind: what a gorgeous baby you have! Nice shoes! Dus: heb je een off-day, ga effe strollen). Ik heb het nooit dagelijks gedaan in België, dit conventionele openbaar-vervoerspendelen. Ik vraag me dus af of een doordeweekse Belgische pendelaarsdag naar hartje Brussel ook zo vrolijk kan starten. Graag traag, spelende mensen in Annapolis Ik vraag me veel af. Of wij, bijvoorbeeld, over enkele weken weer ginds, een laagje chroom van nieuwigheid op de Belgische dingen zullen weten? Nieuwe terrasjes in Gent, bijvoorbeeld. Of oude die er anders dan vroeger uitzien. (Nog gezelliger?). Nieuwe layouts in de wegen, de gebouwen. Een nieuwe regering. Of oude dingen die ons vroeger nooit opgevallen zijn. Onkruid langs de pechstrook. Smalle wegen, tramsporen en kasseistenen. Veel blanke mensen. Hoofddoeken. Authentieke endogene bouwstijlen, die hun plaats kennen. (Toscaanse kerken midden in DC, het wil maar niet wennen). Geen baby change station in elk toilet, en al helemaal niet bij de mannen. Gras in de tuin dat gewoon zichzelf mag zijn, blozend van droogte of gezond groen van regen (liever dat eerste in augustus :-)). Vrouwen van middelbare leeftijd die nog rimpels hebben en ook mooi zijn. In de supermarkt zelf je tassen met boodschappen vullen, niemand die dat voor je doet, je gul een prettige dag wenst, en jou doet wankelen omdat je niet weet of dit allemaal een fooi behoeft. En geen kat op straat die vraagt hoe je het maakt vandaag. Ik vraag me ook af hoeveel Amerika we in België zullen bespeuren. Het nieuwe continent dat het oude verovert. Het is al langer aan de gang. De geschiedenis, maar dan omgekeerd. Ongemerkt gebeurt het. Starbucks komt naar Gent, vind ik geen appetijtelijke krantenkop. Liever heb ik zelf naar Starbucks te gaan dan dat Starbucks naar me toekomt. Een stel nieuwe ogen om naar de dingen te kijken. Het zou reuze zijn. Kristalklare blik. Ze haken zich vast aan de mozaïekjeslamp tegen het plafond. Tot ze moeten lossen omdat ze haar hoofdje geen driehonderzestig graden gedraaid krijgt. Soms kan een hoofd toch ernstig in de weg zitten.

Marjanne Sevenant
0 0

Systeempje

Veel is er niet nodig. Zes blokken, een oud botervlootje, een lege fles, drie ringen, een knoopje aan het truitje. Met korte zuchtjes en kleine handjes dropt ze blokken in potjes, duwt ze ringen tussen de spijlen van haar box, keilt ze de fles naar de dichtste verte, draait ze minutenlang aan het knoopje. Soms doen ook de voetjes mee. Om een potje vast te klampen dat onbedoeld de dieperik in dreigt te gaan. Zuchtjes. Soms wat geneurie. Een mini kortverhaaltje in een klankrijke taal. Er is niemand meer in de kamer. Al ben ik er nog, ik ben van geen tel. Alleen het kleine meisje met haar mini handelingen. Ik kijk en kijk. Of er een systeempje schuilgaat achter de eindeloze verrichtingen van de tien vingertjes. Want met zo’n serieux gebeurt het dat het wel niet anders kan. Misschien zit zij over mij met dezelfde vraag. Of het tokkelen van tien vingers op wat meer knopjes een vernuft systeem verbergt. Soms is er wat meer nodig. Een paar andere handen. Die wuiven naar haar vanop afstand. Ze wuift terug, met één handje. Het andere zit aan haar oor. Dat systeempje ken ik al: een beetje moe. Of een stem vanaf de overkant die zegt: doe maar, je kunt dat wel, je doet het goed. Ik ben er tóch nog. Maar vaak is er niet veel nodig. Zelfs haar tongetje hangt windstil uit haar mond terwijl ze met grote ogen de prompte gevolgen van haar daden observeert. Er hangt een aura van focus en bezieling rond haar box als zij daar is. En stond haar box in Peking, Tokyo of Dakar, het zou niet anders zijn. Zo kijken wij naar haar. En zien onszelf. Onze box staat in Washington. Er is wat materiaal voorhanden. Potten en pannen. Een tournevis. Twee wielen. Of vier. Een weg. Daarmee verrichten wij onze handelingen. We fietsen. Wandelen. We gaan werken. We koken of bestellen. We eten lekker. We verleggen onkruid en grenzen. We duwen doosjes in dozen. We kletsen. We forwarden en deleten. Gooien doosjes weg. We praten. Ontdekken weer nieuwe doosjes die er gisteren nog niet leken te zijn. We slaken grote zuchten. Schudden ons hoofd. Glimlachen. We nodigen uit. We wuiven uit. We onthalen. We smeden banden. Plannen. We ontdekken. We bakken brood. Soms pannenkoeken. We lezen. We kijken. We kijken uit. Maken schoon. We schrijven. Draaien potjes dicht. Zoeken dekseltjes. Niet noodzakelijk in deze volgorde, maar wel vaak in dezelfde volgorde. Of hoe je ook in den vreemde op den duur aan routine gaat doen. Aan systeempjes. We hebben ons gewoontes eigen gemaakt. Of zij ons. We volgen bekende routes. Gaan naar bekende plaatsen. Op dezelfde tijdstippen. Met dezelfde mensen die bekender worden. Ongemerkt is alles vertrouwder geworden. En waren wij in Peking, Tokyo of Dakar, zou het dan anders zijn? Dan is er een man. Temidden van gewoonte. Aan de rand van de luide weg. Wacht hij tot het verlichte mannetje aan de overkant op wandelen gaat staan? Hij wiegt met de heupen. Hij danst bijna. Richt zijn gezicht naar de hemel en lacht bijna. Grote ogen, zo open dat ik in zijn hoofd kan kijken. Hij zou hier wel willen blijven staan. - He’s good, zegt hij dan. Hij knikt naar de andere man die de ziel uit zijn lijf staat te spelen in de grijze metrohal. Tussen de doffe pendelaars is zijn saxofoon van puur goud. - O yè!, zeg ik. Wieg ik nu ook een beetje? - I’ve got all his CD’s. He’s too good for the street. Zijn hand duikt in de zak van zijn mantel. Het mannetje aan de overkant springt op wandelen. De man beent in de andere richting weg. Een dollar in de hoed. De muziek stopt niet. Wel de donderdagochtendroutine. Even. Met een halve danspas op het zebrapad. Veel is er dus niet nodig. Wel net genoeg. En af en toe een stem vanaf de overkant die zegt…

Marjanne Sevenant
0 0

Ik ben geen liefdadigheidsinstelling.

Ik wil grof zijn als het even mag. Gewoon grof zijn. Mijn hand uitsteken om een mindervalide man te helpen die de trap op wil maar niet kan. Mijn hand uitsteken en dan terug wegtrekken en de man zien vallen. En dan een: ‘Ik-herinner-mij-net-dat-ik-snel-weg-moet’   Ik wil gestoord zijn als het even mag. Begrijp je me?Iemand levend villen, z’n bloed opdrinken alsof het vruchtensap was. Elke druppel zuig ik uit het kronkelend, stervende lichaam van mijn slachtoffer. Dan snijd ik het in stukken en steek het terug in z’n vel. Of ogen doorprikken met rietjes. Ik zet u op een dieet van enkel droge beschuitjes en drop u in de Sahara. En net wanneer je dood gaat (dood wílt), red ik u en rijd ik u op m’n dooie gemak naar een ziekenhuis waar geen pijnstillers aanwezig zijn –ik ben uw redder!-.   Ik wil natuuronvriendelijk zijn als het even mag.White Spirit injecteren bij straatkatten, rattenvergif als zaad voor de vogeltjes –kom, vogeltje, kom!-. Recycleren, daar is het ook mee gedaan en sorteren hetzelfde verhaal. Ik gooi nog geen snoeppapiertje in de vuilbak –ik weiger- en begin ook al vast met sluikstorten. Ik wil vloeken als het even mag.                                                                                             3, 2, 1, START! GEZWOLLEN KUTBLAAR! STRONTVLIEG! DIKKE WINDHOND! BEDROGEN ALLEENSTAANDE! MISLUKTE CUPIDO! LEVENSVERZIEKER! KAKKERLAK! TENTSLET! HYPOCRIETE PARANOÏDE SCHYZOFREEN!     Ik wil anders zijn als het even mag.Niet meer de saaie, kalme, oppervlakkige mezelf. Laat mij even luidruchtig zijn. Laat mij even doen alsof ik wel besta voor andere mensen. Doen alsof er mensen om me geven en niet willen dat ik de foute kant opga.Even doen alsof het leven máár het leven is en er verder geen problemen zijn.   Ik wil wreed zijn als het even mag? Ik ben al lief genoeg geweest.

Jane
20 2

Noten kraken

Later zou Linda haar naam veranderen in Linde, maar toen ze zes was dacht ze daar nog niet aan. Ze vond de namen van haar zusjes en van sommige meisjes op school mooier, maar ze wist nog niet dat je daar zelf iets kan aan doen.   Ze had wel al een besef van de plaats die ze had tussen de mensen en dat het leek alsof zij de enige was die niet iemand naast zich had. Zo hadden haar oudere zusjes Annie en Rosie elkaar omdat ze een tweeling waren en haar jongere broertjes Jo en Jan ook want die waren amper een jaar na elkaar geboren. Bovendien waren ze jongens en dat hield hen samen. Haar ouders waren samen en haar grootouders ook.   Wat niemand wist, was dat Linda een zusje had dat Isabelle heette. Niemand kon Isabelle immers zien en dus ook niet hoe mooi en hoe lief ze was en dat ze lang bruin haar had en een lichtgele jurk met een wijde rok en witte linten droeg.   Isabelle ging overal mee, naar de lagere school aan de andere kant van de stad, naar de kruidenierswinkel naast hun huis om brood en kaas, en naar de poort een paar huizen verderop waar ze groenten en fruit verkochten. ’s Woensdags ging ze soms mee spelen bij een vriendinnetje wiens ouders een meubelwinkel hadden en waar ze als de ouders het niet zagen in de toonzalen gingen spelen.   Op zondag mocht ze mee eten bij oma en opa, en daarna in de tuin en de veranda spelen. Als het regende keken ze naar de kleine zwart-wit tv in een onhandige hoek van de kamer. Onhandig, omdat de deur naar de keuken uitgaf op die hoek en als opa binnen zou komen, zou hij als er een tekenfilm speelde, de uitknop indrukken. Opa vond tekenfilms onnatuurlijk en ongezond voor kinderen.   Op zo’n zondagmiddag zaten Linda en Isabelle samen op de bank naar de tv te kijken. De jongens zaten op de grond en de tweeling zat op een stoel aan de tafel. De meisjes hielden de deur in het oog waarachter druk gepraat werd. Meer dan druk, de stemmen van opa en van hun vader werden luider en gingen soms gelijk de hoogte in en dat bedierf een beetje het heimelijke plezier van het kijken naar Popeye the Sailorman. Het voordeel was dat ze de hele aflevering konden uitkijken en daarna nog naar een film over mensen in een grijs stoffig land, die een aap en een leeuw hadden.   Net toen de aap teruggevonden werd nadat hij gestolen was door een donkere halfnaakte man en hij zich rond het bovenlichaam van een blonde vrouw in een safaripak klampte, ging de deur naar de keuken open. In het deurgat stond mama met vijf wollen jasjes over haar arm en evenveel bivakmutsen. Achter haar was het stil.   Rosie zette de tv uit en de andere kinderen haalden hun jas op bij hun moeder en trokken hem aan. Alle knopen moesten dicht en oma en opa moesten gezoend worden eer ze naar buiten mochten. De bivakmutsen hoefden niet. Isabelle hoefde geen jas aan. Ze nam geen plaats in, met vijf en ook met zes, konden ze gemakkelijk op de achterbank van de Mercedes.   Linda mocht bij de deur zitten, want ze werd soms ziek in de auto. Als ze overgaf, werd haar vader boos en dat wou niemand, dus mocht ze altijd naast de deur zitten. Ze kon dan het raam naar beneden draaien als ze lucht nodig had of ze kon snel uitstappen als haar vader bij een gracht stopte waar ze kon overgeven.   Ze hoopte dat ze niet moest overgeven want ze hadden die middag kip met appelmoes en gebakken aardappelen gegeten en het was zoals altijd bij oma heel lekker geweest. Maar nog meer wenste ze dat het niet zou gebeuren omdat haar vader er ontstemd uitzag en ze niet wilde dat hij door haar misselijkheid echt boos zou worden. Ze hield haar lippen stijf op elkaar en ze kneep langs de ene kant in Isabelles hand en aan de andere kant in de handgreep van de autodeur en zo hield ze het vol tot ze bij hun huis aankwamen.   Hun huis was geen gewoon huis. Het was geen rijhuis zoals alle huizen verder in de straat en het was geen huis in een tuin zoals bij oma en opa. Het was een grote garage waar mensen kwamen om hun auto’s te laten repareren. Beneden was naast de grote hal waar de auto’s in- en uitreden een bureau en een kleine keuken, waar mama eten maakte en soms de klanten begroette. Boven was een donkere woonkamer, een badkamer en drie slaapkamers.   Papa reed met de auto tot vlak voor de grote poort en iedereen moest blijven zitten tot de poort openging. Alleen Linda mocht eruit omdat ze zo bleek zag. Ze ging bij het roostertje in de goot staan omdat ze niet zeker was of ze zou overgeven of niet. Isabelle bleef bij haar.   Ze stonden hand in hand in de koele vooravondlucht en Linda rilde. Ze keken naar de auto die door Papa naar binnen werd gereden en hoe hij moest zigzaggen tussen de auto’s van klanten die klaar stonden om morgen opgehaald te worden door hun eigenaars. Ze hoorden het schuren van metaal tegen metaal en dan hoe papa heel luid begon te vloeken en te roepen dat het mama’s schuld was dat hij tegen de auto van dokter Kestermans was gereden.   Linda boog zich over de goot en kokhalsde, maar er kwam niets uit.   Later zaten ze allemaal boven in de woonkamer. Er kwam alleen licht van een staande lamp en uit de tv. Buiten werd het al donker. Mama lag op de bank te huilen en papa keek naar de tv waar veel fietsers kromgebogen over hun stuur te zien waren en dan snelle auto’s die veel lawaai maakten en soms praatte er een nette meneer of een mooie mevrouw en af en toe zong iemand een liedje over rozen of liefde.   Omdat er geen plaats was op de bank zaten alle kinderen op een stoel rond de tafel en keken ze mee naar het oplichtende scherm en probeerden ze het snikken van mama niet te horen.   Op de tafel stond een schaal met okkernoten en twee notenkrakers. De ene notenkraker bestond uit twee dikke lepels die je tegen elkaar moest duwen tot de noot barstte. De andere had een huisje waar je de noot in moest stoppen en dan aan een schroef draaien tot de noot geen kant meer op kon en kraakte. Linda had als eerste de notenkraker met het huisje te pakken en begon te kraken. Jan keek eerst boos toe, maar nam dan de andere. Samen kraakten ze zwijgend noten en deelden ze uit aan Rosie, Annie, Isabelle en Jo, die ze stil opknabbelden terwijl ze naar Louis Neefs keken. Iedereen hield van Louis Neefs, maar niemand zei wat.   Ze dachten niet dat mama zin had in okkernoten, maar voor papa legde Linda een hoopje opzij. Toen ze er tien had, trok ze er ook de velletjes af. De twintig bleke helften legde ze eerst in twee rijtjes op tafel en daarna deed ze hen in een rond kaasdoosje waarin ze eerst wat watten had gelegd.   Ze bracht het doosje naar haar vader die nu in de relaxzetel zat. Hij zag er niet meer boos uit, hoewel ook niet echt ontspannen en lief, maar toch kalm genoeg zodat Linda hem het doosje durfde aanbieden. Hij zei dat ze een braaf meisje was, nam een halve noot en keek knabbelend verder naar het nieuws.   Na het nieuws kwam de weerman en daarna Het Manneken, wat iedereen heel grappig vond, behalve Linda en Isabelle die hem eng vonden. Daarna was het bedtijd, de kinderen zoenden hun vader en de vader liet zich zoenen terwijl hij naar het voetbal keek. Alleen Isabelle gaf hem geen zoen.   Daar lag Linda aan te denken, net voor ze in slaap viel. Dat Isabelle papa geen zoen had gegeven. Dat Isabelle niet van papa hield.  

Christine Van den Hove
0 0

Geen ersatz gewenst

Ik kwam binnen, keek rond en zoals altijd zag ik het eerste ogenblik niemand, verblind door de collectief op mij gerichte ogen. Dan heb ik altijd de neiging om het heel stil uit te schreeuwen: ‘Ik heb jullie niets gevraagd!’ Ik voel me dan een indringer die binnenvalt in een groep onbekenden en als een vreemd element het biologische systeem van hun biotoop uit zijn evenwicht brengt. Ik probeerde me duidelijk voor ogen te houden dat ik omringd was door patiënten en dat die met verdubbelde spontaneïteit de wereld inkijken. Zo rustig mogelijk hield ik dus de blikken van mijn lijf tot ikzelf op een stoel zat, zij mij integreerden als deel van het verstoord interieur, de ogen van mij wegdraaiden en ik op mijn beurt kon meekijken naar diegenen die binnen en buiten liepen. Wel ging er op dat ogenblik niemand binnen of buiten. De muren waren hardblauw geschilderd om je in de diepste kelders van de oceaan te wanen. Een plafond zo hoog dat de afgebladderde verfkrullen nauwelijks opvielen. Stevige tafels en stoelen, bestand tegen een dreun.   'Ze is gedempt blond en niet onaardig. Haar leeftijd? Veertig, ze verjaart in juni. Een gemiddelde gestalte. Mollig, maar niet wat men dik kan noemen. Geëpileerde wenkbrauwen, althans toen ze nog thuis was. Naast de mond heeft ze een verbleekt, haast onopvallend litteken. Zelf denkt ze dat het van de waterpokken is die ze als kind had.' Met die signalementen moest ik het zien te rooien. Om te beginnen was er niemand onder de vier aanwezige vrouwen die niet onaardig was. Buiten die ene ginder, die hád wel iets. Waren het hun jaarringen? Ik zag een floers hun gezichten bedekken, die de versheid aantast. Misschien was de stroming in de bloedbaan gaan vertragen. Of zat het in het hoofd? Goed mogelijk dat ze zich tussen de stangen van vicieuze cirkels ingekooid voelden, gegijzeld in eigen lichaam met soms heftige dromen om er uit te stappen. Waanzin puilt langs de ogen naar buiten, wordt beweerd. Aan een van de tafels zat een dame, het haar vlekkeloos zwart als de nacht en keurig gekapt rond de oren. Ze had een lieflijk gezicht, geteisterd door de zenuwen en de medicamenten. Ze had gezelschap van een man die zijn uitstraling haalde uit zijn lederen laarzen waarvan de schachten tot aan de knieën reikten. Zij glimlachte sporadisch. Maar die emoties welden niet uit haar binnenste op. Het waren de spieren van de mondhoeken die zich verplaatsten. Ik hoorde hen gedempt praten. ‘Heb je nog problemen met de stoelgang?’ ‘Vorige week produceerde ik iets dat met het blote oog nauwelijks te onderscheiden viel van de omgeving,’ zuchtte ze. ‘En gisteren?’  ‘Jawel, met mondjesmaat.’ ‘En vandaag?’ ‘Er komt schot in.’  Van de drie overigen zou je kunnen zeggen dat hun haar laveerde tussen blond en afgeleefd. Die ginder tegen de muur was eerder oud te noemen, door de jaren latachtig verdund. Haar kin en de klep van een baseballmuts concurreerden in het verst vooruit steken. Een elleboog op tafel, arm en hand verticaal opgericht, scheen ze een heilgroet te brengen, met tussen de vingers een sigaret, langdradig onder de opstijgende rooksliert uitgerekt. Ze gaf  zichzelf een omslachtige uitleg en luisterde daar aandachtig naar.   De vrouw met de rug tegen de ramen van de binnentuin had mooi kunnen zijn, ware het niet dat ze ingepakt zat in te veel vlees. Ze was bezig haar buitenmuren nog aan te dikken met sukadekoek. Tamelijk blond omkranst hoofd, door de muren heen kijkend, zat ze kennelijk op niemand te wachten. De vierde, levenloos haar in pieken, had een slobberig trainingspak aan en converseerde zwijgend met een mannelijke patiënt. Geen van hen zat op mij te wachten, ze keken me niet aan. Dan ineens kwam ze binnen. Ze was inderdaad niet onaardig, het meisjesachtige snijwerk van haar trekken was nog niet aangetast door het slijten van de jaren. Ofschoon haar blond haar een grijze schijn begon te krijgen, was ze toch nog jong genoeg om mijn kandidate te zijn. Pauserend bij elke aanwezige, ook bij mij, keek ze de zaal rond en nam een stoel. Ze droeg een zwarte spannende kousenbroek en elegante riemschoenen. Met die mantel strak rond haar lichaam vroeg ik me af of ze van ergens uit haar kamer gekomen was en na nog een blik op de algemene situatie op het punt stond de ontmoetingszaal te verlaten en de straat op te gaan. Zou wel niet lukken met die bewakingscabine naast de ingangspoort. Ze begroef haar neus in de haren van de pelsen kraag, een mink, of gewoon een konijn of synthetische rommel, trachtte ik te raden. Allicht strelingen over wangen en neus die ze elders niet meer te goed had. Ze sloeg de benen over elkaar en duwde haar handen in de met pelsomzoomde zakken. Dus ze wachtte. Het duurde geen vijf minuten. Gehaast stond ze op en liep de deur uit. Alles bij elkaar kon die blonde niet onaardige vrouw mij natuurlijk onmogelijk kennen. Ik vroeg me af welke beschrijving mijn collega van de dagelijkse treinreis naar het kantoor in de stad haar van mij gegeven had en hoe ze mij van daaruit kon identificeren. Kijk nu, daar was ze ineens weer. Ze keek de zaal rond, met gecontroleerd ongeduld. Ik was er zeker van dat ze iemand zocht of verwachtte. Ze zette zich neer en drukte de handen in de zakken van haar mantel. Niets hield haar vast aan de tafel, zelfs niet aan de stoel, geen wiebelende benen, maar de voeten tegen de tegels gedrukt, startblokken om recht te veren van zohaast de bekende bezoeker opdaagde. Het duurde weer niet lang of ze kwam inderdaad met een schok recht en ijlde naar buiten. Ik keek nog eens rondom mij. Als zij het niet zou zijn, waar bleef dan mijn blonde niet onaardige vrouw, begon ik zelf ongeduldig te worden. Tot de mink verkleed in vrouw alweer in het deurgat kwam staan. Ze overschouwde nu ronduit berispend de zaal. Is zij nu mijn kandidate of niet, groeide mijn twijfel. Weer eens de stoel op, stijfjes, armen tegen het lijf gedrukt en wachten. Ik waag het er op, besliste ik.   In de vroege ochtend geperst tussen de rechtopstaande pendelaars thuis-werk-thuis in de middengang van de treincoupé ontmoeten we elkaar haast dagelijks. Van ver een groet met een handzwaai. Als we dicht genoeg bij elkaar staan, lanceren we al eens over de koppen van de andere forensen heen een machteloos gemopper over het hardnekkige slechte weer. ‘De politie moest er maar eens naar kijken,’ vind ik dan en hij beaamt. Dus een kennis, mag ik zeggen, die net als ik het beste van zijn leven slijt in een kantoor in de hoofdstad. Wederzijdse sympathisanten van het zelfde beschoren lot. Op de duur zijn we met elkaar zo vertrouwd als waren we familieleden, terwijl je nauwelijks weet waar de andere woont. Die keer was het op zijn gezicht te lezen. Hij wrong zich tussen de schouders en de armen van de reizigers en kwam er helemaal voor bij mij staan. ‘Ik heb met haar definitief gebroken. Het was al een hele tijd aan de gang. Voor de kleinste onbenulligheid maakten we slaande ruzie zonder ook maar een woord te zeggen. Maar zij wil er niet van weten, ze heeft het in haar hoofd gestoken en is opgenomen in de psychiatrische. Ik kan haar niet onder ogen komen, maar blijf bezorgd om haar. Ik ben geen onmens. Ik weet niet hoe ze zou reageren: me krijsend naar de keel grijpen of op de knieën vallen en smekend janken om de hele instelling op te schrikken. Doe me een lol en ga eens kijken hoe ze het stelt. Gewoon eens polsen. Ik zorg er voor dat ze weet van je komst.’   Ik stond op en ging naar haar toe. Aan haar ogen te zien was ik een inter-oceanisch containerschip dat op het punt stond haar roeiboot te rammen. Ik dacht alsnog rechtsomkeer te maken, maar vermande me en ging voor haar staan. ‘Excuseer, kijkt u naar iemand uit?’ ‘Ja.’ ‘Ik heb een ontmoeting met Ofelia. Bent u Ofelia?’ ‘Dat gaat jou niks aan.’ ‘Tja, u hebt beslist iemand anders op het oog. Maar hoe weet u dat u op mij niet wacht?’ ‘Ik wacht al twee maanden, elk uur, op mijn vriend en die heeft bepaald een andere smoel dan jij. Ik hoef geen ersatz.’ Ze drukte haar neus in de mink, sprong op en liep naar buiten.   Guido De Schrijver

Guido De Schrijver
0 0

Wellness

Een groepje luidruchtige dames van middelbare leeftijd maakt kennis met de saunacultuur in het thermen- en wellness centrum. Ze slaken gilletjes van verwondering en opwinding omdat het in de zweetcabines warm is en het water in het afkoel bad ijskoud aanvoelt. In die ambiance waag ik een poging om zen te worden. Het zwembad, dat er dampend bijligt op deze winterse dag, lijkt rust te kunnen bieden. De kin steunend op de handen hang ik aan de scherpe rand van het bassin naar de wit berijmde dennen te staren. Mensen lopen in en uit de Keno, de Himalaya Grötte en de Finse sauna. De nep grot met de zoutkristallen is het meest in trek. De ruwhouten deur zwaait onophoudend open en dicht alsof er zich het toilet van een druk bezochte discotheek achter bevindt. Of je in deze kunstmatig paradijselijke omgeving tot innerlijke rust kunt komen is weinig plausibel, mijmer ik. Veel tijd krijgt ik niet om daarover door te bomen want ergens schijnt er een appelsien, munt, perzik of limoen opgietsessie afgelopen te zijn. Op zoek naar verkoeling komen rood aangelopen gezichten vanachter de plastieken lamellen, die het binnen- van het buitengedeelte van het zwembad afscheiden, te voorschijn. Een trio dertigers doet zich opmerken. Luidruchtige kerels met bruine basten en kitscherige tattoos op armen en rug. Twee patsers zwemmen vlot naar de verste kant, de derde vordert traag. Zich aan de boord krampachtig vasthoudend, beweegt hij zich naar zijn kameraden. Hij kan niet zwemmen, stel ik vast. Als hij hen eindelijk vervoegt zijn ze al druk bezig, met andere ploeteraars als ongewilde toehoorders, elkaar te overtroeven met namen van skistations waar nu zeker nog geen sneeuw ligt. Hij mengt zich in het gesprek en blijkt ook twee plaatsnamen te kennen waar al evenmin sneeuw ligt. “Het is de opwarming van de aarde”, concludeert er één. Hij heeft thuis een “digibakske van Telenet”, en heeft het gezien en gehoord op National Geographic, “Zelfs de gletsjers zijn aan het smelten.” De deur van de Kelo blijft lang dicht hetgeen me doet vermoeden dat er niet veel volk binnen zit. Ik hijs me uit het water, droog me oppervlakkig af en stap de, met 300 jaar oude Scandinavische vurenhouten bomen opgetrokken, constructie binnen. Twee vrouwen liggen op de bovenste banken. Voor de rest is de grote ruimte rond het knetterende haardvuur uitnodigend leeg. Ik kies een hoekje uit dat ver verwijderd is van beide vriendinnen, draai de zandloper om en ga met één been opgetrokken op de rug liggen. Met gesloten ogen laat ik de behaaglijk droge hitte bezit van mijn lijf nemen. Het piepend geluid van de deur verstoort het zalig soezen. De drie lawaaierige musketiers doen hun intrede. Op de laagste bankenrij gaan ze zitten, zuchtend en blazend. Hij-die-niet-kan-zwemmen kijkt rusteloos rond zijn schichtige blikken afwisselend richtend op mij, de twee jonge schoonheden en zijn maatjes. Door mijn wimpers loerend veins ik te dutten, vrezend dat hij het onzalige idee zou kunnen hebben een gesprek te willen aanknopen. In het oranje licht van de vlammen, die wapperende figuren op het schuine houten plafond tekenen, wrijven zijn beide handen onophoudend over zijn bovenbenen, knieën en buik. Hij lijkt niet in harmonie met zichzelf en schijnt nauwelijks innerlijke rust in deze isotone atmosfeer, te zoeken. De beide gratiën houden het voor bekeken, ze knopen hun handdoek rond de verleidelijke heupen en verdwijnen door de donkere deuropening. Je zou denken dat hij daar heeft op zitten wachten. Over zijn schouder heen monstert hij mij, net alsof hij zich er van wil vergewissen of ik wel echt slaap. Ik blijf doen alsof. Door de spleetjes van mijn oogleden sla ik een merkwaardig tafereel gade. Het drietal wisselt, nu enkele decibels zachter, natuurkundige gegevens uit. “Warm hé, ik zweet nogal.” “Ik ook, komt door dat vuur.” “Ja, mannekes, zie dat eens hier.” Hij wijst met de kin naar zijn onderbuik, de twee spitsbroeders volgen zijn blik, hoofdschuddend grimlachend. Zijn rechterarm maakt ritmische op- en neergaande bewegingen. Verdraaid, die vetzak zit zich hier af te trekken, daagt het mij. Om de zoveel rukbewegingen onderbreekt hij de activiteiten en bouwt hij een rustpauze in. De handen zijdelings achter de rug op de bank geplaatst leunt hij puffend en briesend achterover. De cyclus herhaalt zich enkele malen. Ik heb er genoeg van. Met gewild opvallend misbaar kom ik recht uit mijn horizontale positie, pak de haarklem die aan de bandhanddoek geklemd zit, steek mijn vochtige rode haren op en verlaat haastig, met grote schreden de sauna. Tien minuten later, rustend in een relaxzetel, hoor ik hen langskomen, richting Brasserie. “Een Leffe, dat zal deugd doen“, kan ik opvangen.   “48.000 Euro, dat is wat John Cleese vraagt voor een lezing plus acte de présence van 2 uur op een managers event. En hij wordt druk gesolliciteerd.” Twee high level leidinggevenden kennen de prijzen en openbaren ze, of die dat willen of niet, aan de andere bezoekers van het Turks stoombad. In een bizarre mengeling van Engels en pseudo Nederlands begeven ze zich in de betegelde ruimte op het modieuze pad van brainstorming en experience sharing. “Waar ik nu mee bezig ben is het zoeken naar een goede invalshoek. ” “Hoe ben je op dat idee gekomen?“ “Op een avond, ik was op een beurs, heb ik deelgenomen aan een work-shop over self-coaching en time management. In wat die Tine Walravens daar zegde over ayuverda heb ik direct onontgonnen opportunity’s gezien. Zeker als je dat specifiek uitwerkt voor hr afdelingen, die zijn gevoelig voor alles wat met absenteïsme te maken heeft.” “Ja, dat speelt mee voor hun bonus, vertel me wat. Maar dan kunt ge niet short term gaan denken vermoed ik. Zijt ge nog in de pre study phase of doe je al aan commercial development?“ “Als ik de topic aan een goede case kan linken begint de machine volop te draaien.” “Weet je dat ik jaloers op jou ben? Ik vind het razend interessant met wat je daar bezig bent. Ik Heb al spijt dat ik mijn sabbatical year niet voor zoiets gebruikt heb.” “In het begin heb je natuurlijk een try out nodig, zien of het werkt.” “Snap ik, maar dat zit je al direct in een scenario van “no cure no pay” en dan moet ge wel een risk-factor gaan incalculeren.“ “Je moet een financiële basis hebben, maar overschat dat niet, de investeringen zijn klein. Als ik een bedrijfje op naam van mijn vrouw zet kan ze fiscale voordelen krijgen en mij op de payroll zetten.” “Je kan je als kleine ondernemer flexibel opstellen en werken op a.w. basis, dat is een service die de groten niet kunnen bieden.” “a-w?“ “As wish, ken je dat niet?” “Oppassen daarmee, het wordt al snel bekeken als een “nice to have” hebbedingetje en zoiets geven ze wel eens in handen van een uitgerangeerde die veel tijd heeft maar niets kan beslissen.“ “Ik weet het, dat sneuvelt uiteindelijk bij de senior business controller. Niet bij de bc op een lager niveau, daar kan je al eens met gaan eten, maar op een hoger level pakt dat niet meer.“ “Neen, daar lukt dat niet, die zijn te veel met hun bonus bezig.” “Ben je nu al zelfstandig bezig? “ “Neen, ik sta nog op de payroll, mijn opzeg zogezegd.“ “Bij ons is business development bezig met een studie om te bekijken of er op de markt behoefte is aan een synergie tussen technieken voor transport en networking.” “Dat kan natuurlijk altijd maar ik denk dat het een kleine niche is, als die er al is.“ “Maar daar moet je het nu juist van hebben. Het is dikwijls zo dat die behoefte er wel is maar dat de consumer er nog geen weet van heeft. In feite moet je de markt boetseren naar je product, eens dat uw challenge is wordt het boeiend.” “Dan kom je op het terrein van sales, not my cup of thea, je moet het idee, het concept en uiteindelijk ook het product verkopen.” “Je zegt dat nu wel maar at the end moeten we onszelf toch ook altijd verkopen, Je employability moet van je uitstralen of je valt uit de boot.” “Daar heb je een punt, dikwijls komt het daar op neer, de perceptie die ze van je hebben geeft de doorslag.” “Het is psychologie en daar zitten ze bij ons slecht. Te veel oude universitairen. Daar kan je niet veel mee doen, zeker niet bij de commercials en in feite nergens.” “Ze hebben wel ervaring.” “Dat telt niet, het is eerder een weakness die als een rem op nieuwe ontwikkelingen werkt dan een uitdaging voor vernieuwing.” “Kan je volgen hoor, maar neem nu de Guy Vernoppen bij mijn bedrijf, die is toch al 49 en hij kan nog echt mee.” “Maar die heeft geen pedagogisch inzicht en voor onze doelgroep heb je dat juist nodig. Die mannen zitten vast in hun voorbijgestreefde cursussen. Ik ben sociaalvoelend en zeker geen liberaal van de harde lijn, maar bij downsizing moet er te veel rekening gehouden worden met de unions.” ”Zeg, heb je dat boek “self coaching” van Dimitri Pieters?” “Ja, Dimitri Pieters is voor het moment hot en sexy. Absoluut incontournable als je mee wilt zijn. Ik heb vorige week nog een artikel over hem gelezen in BusinessWeek.” ,,Als je het kunt missen zou ik het willen lezen.” “Dan voor een week of zo, want voor mij is dat een werkdocument.” “Dat is ok. Ik heb al twee boeken gekocht voor de vakantie, ik weet nu al dat ik er één op het vliegtuig zal uitgelezen hebben. Normaal is mijn ritme één boek per week.” “Dat haal ik niet, maar bij mij is het dan ook meer in de diepte lezen dat ik doe.” “Ik kan er wel niet meer zoveel kopen via de job, tenzij het boeken zijn die ik direct the day after kan gebruiken voor een practical use, een seminarie bijvoorbeeld. Anders wordt het te moeilijk om die aankopen te verantwoorden op de expense account.” “Jan Meyers is nog zo een kei, in network coaching dan. Een referentie dezer dagen, je met zo iemand associëren opent veel deuren.” “Networking is uiteindelijk mijn ding niet.” “Het is een openliggende markt, je kan me geloven. Ik zie dat in de bedrijven en op events, veel managers zijn overgekomen vanuit een kleinere field-unit en hebben de backgound en de ability niet om hun contacten tot een win win situatie uit te bouwen.” “Van het Peter principe vind je overal voorbeelden.” “Coaching, dat is de key, ze worden niet goed gecoacht en bij elke re-engineering duikt dat op als een negatieve factor.“ “Er zijn er genoeg die “het” niet hebben, bij screenings komt dat naar boven.” “Onderschat ambitie ook niet, veel mensen hebben te veel schroom. De ingesteldheid waarmee je aan networking doet moet zijn: Hoe kom ik met drie kruiwagens en niet met één kruiwagen contacten naar huis. “ “En dat bereik je niet met een meet and greet. Als je de lat niet hoog legt kom je er niet.” “Mij met enkele rake key-words duidelijk profileren bij de end-user is mijn belangrijkste target.” “Heb je daar een deadline opgeplakt?” “Voor ik op vakantie vertrek moet dat duidelijk zijn, ik wil met een gerust gemoed kunnen herbronnen en de batterijen opladen.” De rest van de verhelderende conversatie gaat verloren in het gekletter van de koude douchestralen tegen de betegelde vloer.   Een half uur later lig ik op de massagetafel, een luxe die ik me regelmatig veroorloof. De knedende en strelende handen wisselen fluwelen zachtheid af met gedoseerde stevigheid. Ik geef me over en geniet.   In de kleedkamer doe ik een poging om mijn haren te fatsoeneren. Het lukt niet echt. “Het viel me al op in het restaurant, hoe kom jij aan zo’n mooie, stevig gespierde benen?” De vraag wordt gesteld door de glimlachende vrouw in de lichtblauwe badjas die uit de cabine met het zonnekanon komt. Onzekerheid, gêne, gevoel van ontmaskering, betrapping. Ik voel hoe ik begin te blozen. “Goh, dat is omdat ik vroeger een man geweest ben, het zijn mannenbenen”. Meer is er niet nodig om de schenkster van het compliment op haar beurt met een ongemakkelijk gevoel op te zadelen. “Oei, sorry, dat wist ik niet, excuseer.” Ik stamel een flauw “Het is niets hoor, toch lief van jou.” en maak me, bijna vluchtend, uit de voeten. Mijn haarspeld vergeet ik op het tafeltje aan de spiegel.

Nancy Del Fuego-Costales
11 0

Knooppuntroute

We hadden ruzie, niet eens zo erg, over iets onbenulligs, een plank die kraakt en waar ik niet op mag stappen, want dan wordt de onderbuurvrouw wakker, of misschien iets nog onbenulliger. Niet erg dus, maar toch erg genoeg om het over ernstige dingen als vertrouwen te hebben. En erg genoeg om me af te vragen en zelfs hardop te vragen of we niet beter uit elkaar zouden gaan.   Daarna kookte jij eitjes en aten we een ontbijt van toast met eieren alsof de dingen die we gezegd hadden niet van belang waren.   We zouden met de fiets naar het kunstenfestival gaan. Ik had er wel zin in, en ook weer niet want ik was nog boos en ik was bang om bij al dat moois ontmoedigd te geraken. We zouden met de fiets gaan, hoewel het best een eind was en de ochtend al een stuk opgeschoten was door die ruzie en dat ontbijt, en ik nog een doos pralines moest gaan kopen voor de verjaardag van mijn moeder.   Na een kilometer had jij al dorst en toen ontdekten we dat we het flesje met kraantjeswater waren vergeten. Tenminste, jij vond dat ik het vergeten was, terwijl ik dacht dat jij het op het aanrecht had laten staan. Want jij had het gevuld.   Voor we verder reden betastte jij de achterband van je minifiets en stelde ik de overbodige vraag of we een fietspomp bijhadden. We reden nog een eindje verder en zagen een man en een vrouw die de fietsostrade zochten. Zij hadden een fietspomp bij.   Na het pompen leek de band nog platter te worden en we keerden terug. Ik dacht dat we naar huis zouden gaan en in bed zouden gaan liggen, maar jij vond een fietswinkel die open is op zaterdag en voor twee euro werd je band opnieuw opgepompt. Of er een scheurtje in de band was, kon de man niet zomaar zeggen. Je zou het wel merken zei hij.   En dus reden we nog niet naar huis, maar namen we een kortere weg naar het punt waar we rechtsomkeert hadden gemaakt. Ik reed achter jou om je achterwiel in het oog te houden. Soms reden we naast elkaar en bespraken we scenario’s waarin de band het begaf en we op een plek zouden zijn waar geen openbaar vervoer was.   De knooppuntroute die jij uitgestippeld had, bracht ons langs holle wegen, bospaadjes en smalle straatjes met veel lelijke en een paar mooie huizen, weiden met paarden en tuinen met caravans en plastic stoelen. Ik keek vooral naar je achterband.   Het flesje water dat we bij een benzinestation hadden gekocht was bijna leeg en we kregen honger. Ik dacht niet dat we bij het kunstenfestival zouden geraken als we niet eerst wat zouden eten. We verlegden ons doel en keken nu uit naar een café of een eethuisje waar we iets kleins maar voedzaams te eten zouden vinden.   In Boom vonden we een café met een prachtig terras aan het water. We gingen binnen zitten want we waren al een paar uur buiten geweest en het deed goed om even geen wind te voelen. We waren te hongerig om kieskeurig te zijn en aten dingen die we anders nooit in een café eten omdat we ze thuis zelf veel beter kunnen maken: jij pannenkoeken en ik croque monsieur. Ik bedacht dat ik je zelfs nog nooit ergens anders dan thuis pannenkoeken had zien eten. Het was alsof je weer een beetje nieuw voor me was.   Door het eten kwam er weer kracht in mijn armen en benen, en bemoedigd spreidde ik de kaart op de tafel. Het kunstenfestival was nog erg ver. We zouden er aankomen als alle gedichten al voorgelezen waren en de mensen hun spullen en kinderen al aan het verzamelen waren om naar huis te gaan.   Je stelde voor om naar huis te rijden over een andere knooppuntroute. Ik voelde spijt en opluchting en eerst meer spijt dan opluchting, maar daarna een soort kinderlijke blijheid dat we terug zouden keren.   We liepen naar onze fietsen en ik liep achter jou. Ik zag je naar het stuur van je blauwe minifiets grijpen en mijn blijheid werd plots groot en wijd en onbegrijpelijk intens en na een paar seconden kwam het gevoel mij bekend voor. Ik nam je gezicht in mijn handen en ik kuste je mond en ik zei dat ik helemaal niet van je weg wilde, dat jij mijn allerliefste bent.   We reden weer naar huis, langs het glinsterende water, langs bomenrijen en een veld waar kraaien opvlogen die in hun vlucht kleine spartelende vogels meenamen. Ik reed achter jou en de hele rit bleef ik me verbazen over wat mijn hart met me doet als ik naar jou kijk.  

Christine Van den Hove
16 1