Zoeken

De wet van Murphy hadden ze nooit aan moeten nemen!

Lamgeslagen kijk ik naar mijn mobiele telefoon die vrolijk rondjes draait voor het raampje van de wasmachine. Dat is mooi balen! Kan er ook nog wel bij.   Vannacht was het lot van deze dag al bezegeld toen mijn jongste het hele bed had onder gespuugd. Mijn lieftallige wederhelft heeft niets meegekregen van mijn nachtelijke bezigheden. Onder luid gesnurk deed ik haar in bad en verschoonde ondertussen als een duizendpoot het bed. De thermometer geeft 39,2 aan. Het arme kind was hondsberoerd. Nadat er niets meer in zat om eruit te gooien vertikte ze het om te gaan slapen en was de enige optie bij haar in het piepkleine bedje te gaan liggen. Resultaat was dat ik geen oog had dichtgedaan. Tegen de ochtend viel ik met haar warm zwetend lichaampje tegen me aan in slaap tot we kort daarna wakker werden van de wekker. Lekker dan! Nu moest ik samen met de zieke op mijn fiets stappen om de oudste naar school te brengen. Om mezelf en in ieder geval de moeders bij school voor de gek te houden, smeerde ik een laag make-up op en fatsoeneerde mijn haar, voor zover dat mogelijk was vandaag. Zo leek het tenminste nog een beetje wat.   Aan tafel maakte zoonlief er een enorme smeerboel van. De pindakaas zat in zijn haren en natuurlijk ging er een beker melk om. Omdat ik bijna omviel van vermoeidheid was mijn geduld ver te zoeken en kreeg hij de wind van voren. Natuurlijk voelde ik me gelijk schuldig toen de melkstorm weer voorbij was, maar te laat. De stemming was gezet. Op mijn mamamobiel reed ik de straat uit met een zeer ontstemmend jongetje naast me op de fiets.   Weer thuis stopte ik de zieke in bed. Die kon nog wel wat uurtjes slaap gebruiken en ik zelf ook. Net toen ik zachtjes de deur van haar kamer dicht deed ging de deurbel. Direct wist ik wie dat zou zijn en langzaam voelde ik een zure, doordringende hoofdpijn opkomen. De reparateur van de afzuigkap zou vanmorgen langskomen. De afzuigkap is stuk en het is ‘best handig’ als hij werkt. Door de ‘fantastische’ nacht en ochtend, was ik het helemaal vergeten.   Van bovenaf keek ik wie er voor de deur stond, waardoor mijn vermoeden werd bevestigd. Daar ging mijn slaap. Nu moest ik mijn best gaan doen om hem zo snel mogelijk weer de deur uit te werken. Zodra hij een voet over de drempel zette wist ik al dat ik daar naar kon fluiten. Totaal gecharmeerd van mijn inderdaad mooie keuken stond zijn klep niet stil. Ondertussen werd ik me bewust van een weeïge gevoel in mijn buik. Kennelijk heerste er iets besmettelijks in huis en werd ik niet gespaard. Dat hielp niet om snel en efficiënt meneer erop te wijzen dat hij toch eigenlijk niet echt gelegen kwam. Op ieder andere dag had ik graag een werkende afzuigkap, maar op dat moment kon het me niets schelen.   Toen hij eindelijk uit was gekletst besloot hij om de eilandafzuigkap eraf te halen. Met alle schroeven los bedacht de uiterst intelligente man dat hij dat ding toch niet alleen in de lucht kon houden en repareren tegelijk. Met mijn verstand kennelijk op nul liet ik mij gebruiken als assistent eilandafzuigkap reparateur. Terwijl alles in me riep ‘nee! ik wil dit niet!’ stond ik toch op het eiland boven mijn krachten de afzuigkap in de lucht te houden.   Maar het is de beste man gelukt om dat ding te repareren. Toen het klusje geklaard was, was hij snel vertrokken. Mogelijk ook enigszins uit schaamte dat hij mij moest inzetten voor zijn klus.   Uitgeteld wilde ik net op de bank ploffen als ik van boven een ziek zielig stemmetje hoor roepen. Ik hoopte dat ze niet nog een keer in bed had gespuugd en dit keer had ik geluk. Samen gingen we op de bank liggen. Weer het warme koortsige lijfje tegen me aan. Ik voelde me zelf ook nog steeds flink belabberd. Af en toe vielen zelfs mijn ogen even dicht. Totdat bleek dat de kleine nog een grote golf maaginhoud over had om me helemaal mee te bedekken.   Op de badkamer kleedde ik me uit en gooide het hele zooitje in de wasmachine…

Liselotte Schippers
7 0

Winteruur

Als ‘s morgens de wekker gaat, ben ik best een blije vogel. Een ochtendmens zeg maar.Tenminste… In de zomer. Dan spring ik ‘s morgens mijn bed uit om fluitend aan de dag te beginnen.   In de winter is het een heel ander verhaal…Als de wekker gaat, duurt het enige tijd voordat ik in de gaten heb dat dat geluid toch echt niet in mijn droom thuis hoort. Langzaam proberen mijn hersenen, die onder invloed van de nacht-illusie nog ernstig druk zijn met het aanmaken van Melatonine, wakker te worden. Nog langzamer begint het tot me door te dringen dat het piepende ding op een actie van mij wacht.Bestaan er nog irritantere geluiden dan die van de wekker?Waarom nu? Waarom?   Waarom hebben wij mensen geen winterslaap? Het hele idee van een winterslaap is tenslotte het overleven van de winter, zonder energie te hoeven besteden aan nutteloze zaken zoals het opstaan in de kou en in het donker. Deze energie kunnen we in de zomer vast ergens anders voor gebruiken. Waarom kunnen we niet gewoon de dag pas beginnen als het licht is? Gezien het feit dat ons biologisch systeem zo is ingesteld.Waar zijn de fluitende vogeltjes en het warme zonnetje als we ze nodig hebben? Het is veel te koud om te douchen en aan te kleden.   Rillend en bedekt met kippenvel met het liefst mijn ogen nog dicht, ga ik die eerste uitdaging van de dag aan.   Of dan alleen een winteruur in plaats van een winterslaap.Wat zou het toch mooi zijn als we dat eerste winteruur van de dag konden overslaan.

Liselotte Schippers
0 0

Paradijs

De kinderen spetteren al uren in het blauwe zwembad, zodat ik ondertussen alle tijd heb om zinnige letters op papier te zetten.  Alle rust en alle tijd van de wereld om de galerij uit mijn gedachten toe te vertrouwen aan het schrijfblok op mijn schoot. Een kruidige geur van eten met een zweem van zonnebrandolie en bier danst aangenaam door de lucht. Mijn hoofd rust op het warme lijf van mijn lief. Het gevoel van het kloppen van zijn hart en zijn zachte strelen voelen als de eerste dag. God in Frankrijk. Dit is mijn paradijs. Zon, zee en strand… liefde, rust en tijd. Veel tijd, want alles wordt ons hier op een dienblaadje aangereikt. Precies zoals ik me een luxe vakantie altijd al had voorgesteld. Steeds laat ik de warme zandkorrels tussen mijn tenen door glijden, mijn zegeningen tellend. Sinds de uitgave van de laatste serie kinderboeken, loopt het als een trein. Als dit zo door gaat, kunnen we ons ieder jaar weer een paar weken paradijs veroorloven. Er zijn al een aantal verzoeken voor manuscripten binnen gekomen en net voor we vertrokken naar dit prachtige oord, kreeg ik te horen dat mijn laatste manuscript verfilmd wordt. Wat een eer! Met mijn ogen dicht, ondertussen gloeiend van de warme zon, fantaseer ik welke bekende acteurs de rollen zouden kunnen vertolken. Carice is geknipt voor de rol van Julia. Welke flitsende acteur zullen we daar nu eens tegenover zetten. Lang krijg ik niet om daar over na te denken, want ik moet mijn schrijfblok in veiligheid brengen. Het gespetter in het zwembad heeft zich tegen mij gekeerd.   Met bakken komen dikke grote regendruppels uit onze Hollandse lucht vallen. Vliegensvlug jaag ik door mijn tuin om alles wat niet nat mag worden, droog te zetten. Mijn door de zon gebrande gloeiende gezicht worden geblust, net als mijn paradijs. Een meisje mag toch dromen…  zucht ik, met een verlangend gevoel naar die schemerige slaap. Toch lachend om mezelf ga ik weer over tot de orde van de dag,  de realiteit. Ach, zand tussen je tenen is ook niet alles…

Liselotte Schippers
0 0

Maar werk ik dan nooit?

Nu heb ik beslist geen hekel aan mijn werk als sociaal psychiatrisch verpleegkundige, maar ik kan toch ook niet zeggen dat ik er elke dag even florissant bij zit. Raar maar waar: ik ben ook maar een mens. Men denkt vaak dat ik het zelf allemaal zo doe zoals ik het probeer over te brengen. Dan heb ik het over het algemeen wel over patiënten en niet over de mensen die mij kennen, want die weten wel beter. Natuurlijk probeer ik te praktiseren waar ik over preek, maar heb uiteraard mijn eigen worstelingen.   Om nog eens iets anders uit de wereld te helpen voor de leek: het feit dat ik ‘in de psychiatrie’ werk, betekent zeker niet dat ik dwars door iemand heen kan kijken. Of iemands ‘geest’ kan doorzien en begrijpen. Je wilt niet weten hoe vaak ik deze aanname bespeur. Soms lijkt het mensen zelfs een beetje af te schrikken. Maar hallo! Ik ben gewoon Liselotte hoor!   Wel voel ik me ontzettend bevoorrecht dat ik in gesprek met patiënten hen een stapje verder kan helpen. Al is het maar om even een glimlach op een gezicht te toveren in een leven vol ellende. Keer op keer ben ik weer verbaasd en trots op het vertrouwen dat me wordt gegeven om een kijkje in andermans keuken te mogen nemen. Ondertussen denk ik na ervaring niet meer als de eerste dag: ‘ik doe ook maar wat’ en natuurlijk heb ik er voor geleerd en werk in een team waarmee ik samen bepaal hoe ik of wij het beste iemand kunnen helpen, maar ik ben sterk van mening dat het écht contact maken het grootste deel van ‘het werk’ is. En dat is iets wat ik zelf doe. Bij elke nieuwe patiënt en ook in de afspraken met patiënten die ik al langer zie, is het steeds een fijne uitdaging om echt contact te maken.   Laatst begreep iemand (weer) niet hoe ik het toch kon: altijd maar dag in dag uit de ellende van iedereen aan te horen.‘En dat terwijl jij zelf zo gevoelig bent. Ik zou het niet kunnen’.Het ligt vast aan mij, of je moet het zelf ervaren om het ook zo te zien, maar slechter kan ik het voor de meeste mensen niet maken. Wel beter. Het geeft mij na ruim dertien jaar nog steeds een goed gevoel als ik iemand beter de kamer uit zie gaan dan hij of zij binnen kwam. Het geeft me een goed gevoel dat ik mensen kan helpen. Als ik dat niet kan, dan zal ik ze ook niet lang zien. En eerlijk is eerlijk: het is ook best fijn om er regelmatig aan herinnerd te worden dat ik het lang zo slecht nog niet heb met mijn eigen gedoetjes. Dus als ik een dag weer eens niet zo florissant begin, kan het wel eens zo zijn dat ik er het einde van de dag een stuk beter bij zit.   Ik doe echt wat ik leuk vind. Maar werk ik dan nooit? Toch wel. Keihard. En als het om patiënten gaat, meestal met plezier!

Liselotte Schippers
2 0

Mike, een verhaal in twee bedrijven

Toen het nog niet zo heel erg was maar wel een beetje: De broer van Mike had een nieuwe vriendin. Vandaag had hij haar voor het eerst meegenomen naar huis en mocht ze mee-eten. De moeder van Mike leek veel vrolijker en opgewekter dan anders en ze had een schort met bloemetjes aan. Ze had nooit een schort aan. En zeker niet met bloemetjes. Mike dacht dat ze dat schort vast speciaal voor deze avond had gekocht, net als de bloemen in de vensterbank. “We eten rollade vanavond!” riep de moeder van Mike met iets meisjesachtigs in haar stem. We eten nooit rollade, dacht Mike. De broer van Mike gaf zijn vriendin een rondleiding door het huis alsof het zijn huis was en alsof hij wist hoe het in het huis werkte. De vriendin wilde alles weten. Ze vroeg of Mike echt speelde op de instrumenten in zijn slaapkamer. Mike vond het nogal logisch als je instrumenten in je slaapkamer hebt staan, dat je die dan ook gebruikt om op te spelen. De vriendin kreeg het grootste stuk van het vlees en ze smakte en hield haar vork raar vast met een soort buiging in haar pols. Mike vond dat helemaal niet nodig.  Soms werd er iets gezegd aan tafel en de vriendin lachte dan haar grote witte tanden bloot en begon te schaterlachen. Als de moeder van Mike iets vroeg antwoordde ze met volle mond terwijl ze onder de tafel haar hand op het been van de broer van Mike legde. De broer van Mike moest ook lachen om de dingen die aan tafel werden gezegd terwijl die dingen niet eens grappig waren.  De broer van Mike moest bijna nooit om dingen lachen. En zeker niet om dingen die aan tafel werden gezegd. Mike wilde ook wel een keer een meisje mee naar huis nemen zodat ze mee kon eten. Hij zou dan een meisje kiezen dat niet smakte en geen hand op zijn been legde en niet zou schaterlachen. Ze had een andere lach gehad, een zachte grinnik. Veel charmanter en eleganter dan de vriendinnen van zijn broer. Maar zulke meisjes zijn nergens te vinden. Als meisjes je vriendin worden leggen ze hun hand op je been en maken krullen in je haar. Ze kijken in je ogen en kijken niet weg tot dat jij weg kijkt of je knippert. Ze leggen hun handen in jouw handen en pikken je broer af en zijn een nep-broer met nagels en parfum. Ze vragen naar welke platen je luistert en ze vragen wat je lievelingskleur is. Ze vragen waar je aan denkt en waar je over droomt. Ze vragen je zo veel dat er niets meer overblijft. Net als met rollade. Ze aten nooit rollade. En zeker niet als Mike er om vroeg.   Toen er niets meer aan te veranderen viel: Wat hij het liefste zou willen zeggen, was iets over dat ze samen elkaars navels vergeleken, 's zomers in het gras. Dat hij hem gepest had met zijn navel omdat er zo'n bobbeltje op zat. Dat ze samen in de roeiboot naar de overkant van de sloot hadden geroeid en het dan leek alsof ze in een ander land waren terwijl hun moeder aan de overkant zwaaide en riep dat ze broodjes en soep konden halen maar ze deden alsof ze het niet hoorden. Dat hij een keer een tand door zijn lip had omdat hij achter hem had aangerend in het zwembad en toen op de grond viel. Dat hij heel hard moest huilen en werd uitgelachen maar ook werd getroost. Dat ze samen op de fiets naar het dorp gingen en ze daar met hun handen op de blote benen van meisjes hun eerste sigaret hadden gerookt. Dat ze waren verdwaald en niet bang waren geweest. Dat ze stenen gooiden op kippen en huizen maakten voor kikkers. Dat ze harten hadden gebroken en weer heel hadden gemaakt. Dat ze hadden gerend door steegjes, gepraat in de nacht en gehuild in de regen, want in de regen kun je dat niet goed zien. Dat zijn broer moest overgeven en dat eigenlijk niet grappig was en hij daarom maar zijn lach inhield. Hij had zijn broer bijna nooit uitgelachen, en zeker niet als het echt erg was. Toen hij op het podium stond en ze hem aankeken, moest hij iets zeggen over dat hij ze het beste gunde. Het gelukkige paar. Zijn broer en zijn vriendin. Man en vrouw. Iets over liefde en eeuwigheid. Bestemd zijn voor elkaar.               Maar wat hij het liefste zou willen zeggen,  was dat hij hem zou gaan missen. Maar dat had hij maar niet gezegd.  

Julia Dobber
2 0

Over soep en God

Met dank aan de pastorale werkgroep van de school, stappen we – meestal de dag voor de paasvakantie -met een grote groep jongeren zo’n twaalf kilometer door bos en heide. Het doel van waarschijnlijk de helft van deze groep is de Alma, waar een matig kopje koude soep op elk van ons staat te wachten (al kregen we ook broodjes, waardoor ik na enkele happen dacht dat mijn blokjes spontaan van mijn tanden vielen). Zoek me alsjeblieft iemand die nog tijdens het stappen door tijd heeft om zich te bezinnen en zich eens wat diepzinnige levensvragen te stellen… Het christelijke karakter van zulke activiteiten is vaak ver zoek. Het gesprekniveau tijdens zo’n wandeling bevindt zich ook steeds verdacht laag. Het was vorig jaar, na dat voormiddagje stappen, dat de godsdienstleerkracht opeens angstaanjagend zeker op me af kwam. Ik had mijn verdiend kopje soep nog niet gekregen en voelde me dus al snel wat ongemakkelijk. Hij nam me even apart en vertelde me dat hij op zoek was naar leerlingen die graag eens op de radio zouden komen, waarna hij me trakteerde op talloze complimenten. Het moet dat kleine, resterende stukje christen in mij geweest zijn dat toen voor het ja-antwoord zorgde. Er werd nog snel wat praktische informatie doorgegeven, waarna ik me met een glimlach op mijn gezicht naar de broodjes wendde. Het was de tweede week van de paasvakantie toen ik het mailtje van meneer Godsdienst in mijn inbox zag. Er werd van mij verwacht dat ik op de radio even wat uitleg kwam geven over ‘geloof op school’. Daarbij kwam ook nog eens dat het radiostation net hèt ultra-katholieke radiostation ‘Radio Maria’ bleek te zijn. Vanaf dan ben ik teksten beginnen schrijven, waardoor ik na enkele dagen dacht een nieuwe bijbel te hebben uitgevonden. Zinnen werden op elk moment van de dag – als er mij maar een idee te binnen sprong – opgeschreven op post-its of in notitieboekjes. Ik was, geloof me zeer, perfect voorbereid op wat mijn eerste radiodebat zou worden. Vader en ik namen onze fiets uit het fietsenkot en vertrokken richting het radiostation. Uiteraard ging mijn vader mee. De man is zelf al talloze keren op de radio geweest en was zeer geïnteresseerd in mijn visie op geloof.Het zal waarschijnlijk de stress zijn geweest en niet de fysieke inspanning, die maakten dat ik buiten adem aankwam op de plaats van bestemming. Het leek alsof even alles een complot was. Het dorpje had een veel te katholiek uitzicht, en de weinige voorbijgangers telden al zeker meer dan zestig levensjaren. Daarbij deed mijn reisgenoot/vader er nog een prachtig schepje bovenop door nog eens voor de zekerheid te vragen of ik wel gelovig ben. Ik ben zeer getalenteerd in het weglopen uit lastige situaties, maar ik had het gevoel hier niet meer weg te kunnen. De ademhaling versnelde nog wat en de zweetproductie kreeg een extra boost. Met alle respect voor mijn vader, maar de vraag ‘je bent toch niet nerveus hé’ had echt niet gehoeven... Na wat stappen met de fiets in de hand door het pittoreske dorpje, kwamen we aan bij het radiostation. Het bleek dat men er niets beter had op gevonden dan de radiostudio in een kerk onder te brengen. Het moment van totale wanhoop kwam er uiteindelijk toen een brave zuster de deur voor mij opende en vriendelijk goedendag zei. Ze keek me zo vriendelijk aan waardoor ik dacht dat ze me meteen een kruisje rond de nek ging laten dragen. Zelfs al was het moment van totale wanhoop al bereikt, het lot kent geen grenzen: meneer Godsdienst was er nog niet. Ik keek met bange blik naar mijn vader die op zijn horloge keek en met een knik duidelijk maakte dat we wel degelijk op tijd waren. Er zat niets anders op dan met de zuster aan een tafeltje te gaan zitten. Gelukkig lieten de radiopresentatoren nietlang op zich wachten. Ik luister heel graag naar mensen die het allemaal goed en mooi kunnen uitleggen en ik heb zeer veel respect voor het vak van radiopresentator, maar deze twee types waren in mijn ogen amper achttien jaar en werden meteen slecht bevonden. Ik ben geen mensenhater, dus om iets positiefs over de twee amateurradiomakers te zeggen: ze waren (gespeeld?) vriendelijk! Ze gaven me een plaatsje aan hun tafeltje en boden me wat te drinken aan. Ik dronk iets te snel, wat een hoestbui tot gevolg had. Maar ach, op dat moment kon het moeilijk nog fouter gaan. Na wat drinken en een o-zo pijnlijke stilte, vragen ze (het waren trouwens een jongen en een meisje) me mijn naam, mijn school en of ik al eens op de radio was geweest. Ik beantwoordde netjes en correct alle vragen maar vroeg me toch af of het niet aan hen was om dat al allemaal te weten… Van voorbereiding leek er dus totaal geen sprake, wat mijn mening over hen niet verbeterde en mij alleen maar nog meer stress gaf. Na een kwartiertje zorgden de andere radiogasten voor de verlossing. Een tweede leerlinge van onze school kwam eerst toe. Ik kreeg het idee even bij haar uit te huilen, wanneer ook meneer Godsdienst toekwam. Ook de technische staf, die bij dit radiostation uit één persoon bleek te bestaan kwam wat later toe. Het leek ook de gewoonte dat verschillende medewerkers hun veel te kleine kinderen ook meenemen, waardoor ik even niet meer goed wist of ik nu gevraagd was om te komen babysitten of iets zinnigs te komen zeggen… Alleszins, ik was al iets meer op mijn gemak in het bijzijn van de anderen, maar was ondertussen wel al volledig vast aan mijn stoel geplakt van het zweet. Ik ben er nog steeds heilig van overtuigd dat het de zuster van bij de ontvangst was die uit afkeer de verwarming op het hoogste niveau had opengedraaid. Zoals dat bij elk deftig radiostation gaat, volgde er voor het live-debat een korte briefing. Stomverbaasd dat men toch ietwat professioneel was, kreeg ik een blad met tekst in mijn handen gestopt. Ik las een tiental vragen en voelde in mijn zak waar mijn perfecte voorbereiding in zat. Ik keek boos en radeloos om me heen. Dit was niet afgesproken! Mijn vader was al druk aan het praten met meneer Godsdienst en zag me bijgevolg al lang niet meer zitten. Tien minuten. Slechts tien minuten kreeg ik van de amateurpresentatoren om een zinnig antwoord te formuleren (en zelfs niet eens te noteren) op een dertigtal diepzinnige levensvragen. Het toeval wou dat ze de vragen dan ook nog eens half in een taaltje hadden geschreven dat ik niet beheers, waardoor ik bijna een woordenboek moest vragen. En dan brak het moment bijna aan, de muziek speelde en de technische éénpersoonsstaf met wenend kind op haar arm gaf ons het signaal dat er nog vijf minuten restten. We begaven ons naar het geluidsdichte studiootje waar het zo mogelijk nog warmer was en zetten ons elk aan een microfoon. Het lot bleef me maar plagen, want er bleek geen hoofdtelefoon meer over te zijn voor mij. Dan maar zonder ten onder gaan… Omdat er op het blad zowel vragen voor een ‘ongelovige’ leerling als een ‘ongelovige’ leerling stonden, vroeg ik – me van niets bewust – wie die gelovige persoon dan wel mocht zijn. De collega-leerlinge van de school keek me aan en antwoordde stil ‘ik’. Alle ogen aan tafel waren op mij gericht en ik voelde me langzaam door de grond zakken van schaamte. De laatste seconden van het veel te katholieke orgelnummer kwamen zacht uit de boxen en we maakten ons klaar om te beginnen. De eerste minuten van het debat waren al niet te moeilijk voor mij. Ik moest enkel wanneer mijn naam werd genoemd, even kort goedendag zeggen. (waarschijnlijk zodat de luisteraars – overwegend propvolle rusthuizen – wisten dat ik er wel degelijk zat.) Na wat vragen aan mijn collega-leerlinge leek ik er niet meer onderuit te komen en begon depresentator mijn deel van de vragen (letterlijk) voor te lezen. Net voor ik antwoordde voelde ik een venijnige hoest opkomen en vervloekte ik mezelf voor het niet mee naar binnen nemen van dat glaasje water. In een waas antwoordde ik de meest belachelijke antwoorden met een stem die volgens mij een paar octaven te hoog gestemd stond. Dit kon ik uiteraard niet nagaan, ik had geen hoofdtelefoon… Het noodlot sloeg opnieuw toe wanneer ik even in debat moest gaan met meneerGodsdienst. De presentator stelde hem eerst een vraag. De logica wou dus dat ik mij niet moest bezig houden met het verzinnen van een antwoord, de vraag was tenslotte niet aan mij gesteld. Wanneer ik wat dromerig zat te kijken naar het Mariakaarsje met gebedskralen in het midden van de tafel, schoof meneer Godsdienst de vraag plots door naar mij. Moest het een gezelschapsspel geweest zijn, dan had ik sowieso een extra kaart moeten bijnemen. Het enige antwoord dat ik kon verzinnen was vragend naar meneer Godsdienst kijken en een ‘euhm’ aanhouden. Het debat kwam gelukkig snel aan een eind (waarschijnlijk door de vele klachttelefoontjes over de studiogasten van die dag…) en we verlieten gestaag het studiootje. Ik had zoveel zin om gewoon op de fiets te springen, door de velden te rijden en mijn ogen even toe te doen. Maar de vrolijke zuster van bij het onthaal kwam nog met een grote slagroomtaart binnen, die helemaal op moest worden gegeten (‘we gaan dat nu toch niet laten liggen hé’). Na enkele happen voelde ik – zoals ik al verwacht had – een migraineaanval opkomen. Ik pakte mijn jas, gaf meerdere tekens aan mijn vader, gaf iedereen nog vriendelijk een hand en haastte me naar buiten. In complete stilte ben ik met de wind door de haren naar huis gereden. Het enige wat ik tijdens het fietsen kon doen, was lachen. Thuis kreeg ik een kop degelijke soep en een teleurgestelde moeder. Ze had de juiste frequentie niet gevonden en het hele debat gemist. ‘Heb ik iets gemist?’ (*) De werkelijke namen worden niet vermeld, omdat deze er gewoonweg niet toe doen. Simen, 2015

Simen
0 0

Anna's rozen

"Weet je zeker dat het hier is?" "Nog een beetje verder, we zijn er bijna." Mijn dochter zucht theatraal. Even verwachtte ik dat ze zou protesteren, maar tot mijn opluchting gaat ze zwijgend verder. Met haar ene arm houdt ze mijn krukken vast, met haar andere ondersteunt ze mij. Ik bengel als een slappe lappenpop naast haar. Hoewel zij mijn uitgemergelde lichaam goed ondersteunt, doet elke beweging pijn. Onwillekeurig vraag ik me af wat het gemakkelijkste zou breken: een arm, een rib of een heup? Of misschien scheuren spieren gemakkelijker dan botten breken? De vraag verdwijnt al snel naar mijn achterhoofd, wanneer ik de oude eik herken. "Hier linksaf," geef ik aan. "Hoe kan dat nu? Mam, daar is helemaal geen pad! Nee, we gaan onmiddellijk terug. Dit is gekkenwerk! Ik kan niet geloven dat je me hiertoe hebt aangezet! Waar zijn we in godsnaam beland!" Ze snuift luid door haar neusgaten. Ik ken mijn dochter goed genoeg om haar monoloog niet te onderbreken en haar te laten uitrazen. "Kom, kom, lieverd. We zijn er bijna. Hier linksaf." Ik spreek rustig en zelfzeker. Mijn dochter kijkt me onthutst aan, maar komt wel weer in beweging. Met mijn krukken duwt ze takken van een heldergroene struik aan de kant. Samen staren we de dichte begroeiing in. Na nog een laatste klaaglijke zucht, stapt ze zijwaarts het struikgewas in, mij naast haar meeslepend. We bewegen ons traag door de groene wildernis. Ik ben zo in gedachten verzonken, dat ik enkele keren bijna struikel over wortels van de bomen die her en der staan. Gelukkig houdt mijn dochter me stevig vast. Met een abrupte beweging die mijn lichaam doet schokken, komen we tot stilstand wanneer we eindelijk de houten constructie van de hut zien. Mijn ogen vullen zich met tranen bij de aanblik van het gammele hutje. Ik word overspoeld met herinneringen. Mijn hart gaat sneller slaan. Het lijkt alsof elke hartslag zijn naam schreeuwt. Leon, Leon, Leon. Ik heb er nooit over getwijfeld dat de hut er nog zou zijn, maar al snel besef ik dat de belangrijkste plaats uit mijn leven, de tand des tijds maar net overleefd heeft. Nu ik ons stulpje van dichtbij bekijk, verwondert het me een beetje dat het nog steeds overeind staat. Het oogt alsof het zou kunnen bezwijken onder de kleinste windvlaag. Maar hetzelfde zou van mij gezegd kunnen worden, en ik ben er ook nog. "Laat me nu maar even los," gebied ik mijn dochter. Ze laat mijn broze lichaam voorzichtig los en ondersteunt me tot ze zeker weet dat ik stevig op mijn benen sta, waarna ze me de krukken overhandigt. Onhandig maar vastberaden beweeg ik me naar de deur. Met een kruk duw ik ertegen, waarna deze al piepend opengaat. Samen met mijn hartslag versnelt mijn ademhaling. Even vraag ik me af of mijn lichaam het dan eindelijk zou begeven, hier aan de deurpost van onze hut. Zo dichtbij, maar net niet. Het zou me niet verwonderen, besef ik. Hier terugkeren na al die jaren, had altijd iets onrealistisch geweest. Een onmogelijke droom, waaruit ik elk  moment zou kunnen ontwaken. Ik  wacht geduldig tot mijn ademhaling tot rust gekomen is en stap dan binnen. Als aan de grond genageld sta ik in het hutje. Ik sluit mijn ogen en snuif. Alles hier ademt zijn geur uit. Mijn adem stokt en mijn ogen openen zich wanneer mijn dochter achter mij mijn heiligdom betreedt. Ze stapt achteloos ons stulpje binnen:  haar voetstappen maken te veel lawaai, ze schraapt nerveus haar keel en neemt alles nieuwsgierig in haar op, alsof dit niet het grootste geheim is dat ik heb.  Een geheim dat ik al die jaren gekoesterd heb, maar haar ook toebehoort, besef ik. "Lieverd, geef me mijn tasje eens aan?" Zonder tegenpruttelen laat ze mijn tasje van haar rug glijden en overhandigt het me. Wanneer ik stabiel genoeg sta, geef ik haar de krukken in ruil. Ik open het tasje en haal de kaars en de aansteker tevoorschijn. Ik voel de nieuwsgierige blik van mijn dochter op mijn huid branden.  Hoewel het niet donker is in de hut, ontsteek ik de kaars en plaats hem in de kandelaar op het tafeltje dat voor me staat. "Dit was ons plekje. Ons geheim." Ik fluister de woorden voor mij uit, meer voor mezelf dan voor mijn dochter, hoewel ik me er bewust van ben dat zij elk woord nauwlettend opneemt. "Dit is het dorp waarin ik mijn jeugd heb doorgebracht. Hier heb ik de liefde van mijn leven ontmoet.", vertrouw ik haar toe. "Ja, in het witte kerkje waar we daarnet langsreden, trouwde je met vader. Dat weet ik toch? Je vertelde me dat verhaal al honderd keer en..." Haar ogen ontmoeten de mijne. Iets in mijn blik brengt haar tot zwijgen en doet haar naar adem snakken. "O." Mijn dochters lippen hebben dezelfde vorm als het geluid dat ze produceren. Ze heeft het eindelijk begrepen, besef ik. "Nee, lieverd. Dit verhaal heb ik je nog niet verteld." Ik heb het nooit iemand verteld, voeg ik er in gedachten aan toe. Ik werp haar een knipoog toe en voel hoe mijn wangen kleuren. Ik neem plaats op één van de oude stoeltjes aan het tafeltje. Het harde met de hand vervaardigde meubelstuk voelt vertrouwd aan. Mijn dochter neemt plaats op de andere stoel. "Zijn naam was Leon. Leon Biest. Ik was zestien toen ik hem ontmoette, hij was een jaar of twee ouder dan ik. We waren dolverliefd. Mijn liefde voor hem was zoals ademhalen: heel natuurlijk, en bovendien levensnoodzakelijk. We waren zo gelukkig, zo jong, zo wild. Maar natuurlijk keurden mijn ouders het niet goed. Vader was razend. Moeder wilde het er niet eens over hebben. Een Biest, daar wilde ze écht niets mee te maken hebben. Ah, ik begrijp het wel, hij was ook zo'n boef." Ik grinnik. Mijn dochter kijkt me verbijsterd aan, alsof ze niet kan geloven dat haar timide moeder een grinnik kan produceren. "Een boef?""Geen echte crimineel natuurlijk, hoogstens wat kattenkwaad. Hij had toen zo'n jobje als boodschappenjongen, waarbij hij met de fiets urenlang van her naar der moest om bestellingen op te nemen of materialen te leveren. Toen hij op zijn eerste werkdag platte band had en een fiets had gestolen om zijn route verder te zeggen, had hij natuurlijk meteen naam gemaakt. De hele dag door het dorp fietsen op een gestolen fiets, dat ging niet onopgemerkt voorbij! Dat het de fiets was van de priester, was natuurlijk brute pech. En al die keren dat we aangesproken werden door mensen die we niet eens kenden! We konden nergens ongestoord samen heen! Hij had de onhebbelijke gewoonte om tuinen te betreden en kledij van wasdraden te stelen. Die droeg hij dan ongegeneerd in het openbaar! Ik kan je wel vertellen dat hem dat niet in dank werd afgenomen. Ik zat er steeds weer mee verveeld dat we werden aangesproken omdat hij de een of de andere mans broek of jasje droeg, maar hij niet. Voor hem was alles een soort grap. Hij was volkomen zorgeloos." De herinneringen aan zijn kwajongensstreken en zijn roekeloosheid, brengen vreugde in mijn hart. Het is lang geleden dat ik me zo licht en vrolijk gevoel had. Het voelt weer net als toen, zelfs na al die jaren. "En daarom bouwden jullie dit hutje? Omdat jullie niet meer in het openbaar konden samenkomen?" "Nee, 'tuurlijk niet. Dat was pas toen ik je vader huwde." "Wist vader...?" "Nee, hij heeft het nooit geweten. Bernard was zo'n lieve, oprechte man. Het was niet eens bij hem opgekomen dat ik niet zo was. Ik voelde zoveel genegenheid voor hem, dat het voor hem ook niet moeilijk was om te geloven dat ik hem liefhad. En natuurlijk was dat ook zo: ik hield van Bernard. Zelfs nu hij al bijna elf jaar dood is, hou ik nog steeds van hem. Maar niet zoals ik van Leon hield. Niet zoals ik nog steeds van Leon houd." Ik kijk naar mijn enige dochter, mijn oudste kind. Ik heb haar gedragen, gebaard en haar leven lang gekoesterd. Ik heb altijd meer van haar gehouden dan van de jongens, al mag een moeder zulke dingen eigenlijk niet denken. Haar hele leven heb ik haar dichtbij me gehouden. Als kind was dat gemakkelijk, maar ook toen zij Tobias huwde en zelf kinderen kreeg, bleef ik erg bij haar leven betrokken. Ik denk soms dat ik haar beter ken dan zij zichzelf kent. Hoewel we als dag en nacht van elkaar verschillen, voel ik een sterke verbondenheid. Haar driftbuien, het onblusbare vuur dat in haar huist, haar hart dat op het puntje van haar tong ligt, haar impulsiviteit. Eigenschappen die ik zelf niet heb, maar door en door bij haar ken en koester. Maar op geen enkel moment had ik dit meegemaakt: ze staarde me aan, sprakeloos. Totaal verbijsterd. Mijn mondige meisje. "Toen mijn ouders me dwongen om me te verloven met Bernard, beloofde Leon me dat hij een hut in het bos zou bouwen om samen heen te vluchten. Een toevluchtsoord waar we nooit ontdekt konden worden. Natuurlijk wist ik ook wel dat we niet de rest van ons leven onontdekt in een hutje konden wonen, maar ik was jong en ongelooflijk verliefd op hem. Ik zou hem overal heen gevolgd hebben. Ik zou de verloving afgeblazen hebben of niet opgedaagd zijn op mijn eigen huwelijk. Alles zou ik gedaan hebben, om samen met hem te zijn." "Maar waarom ben je dan met vader getrouwd? Wat gebeurde er?" Ze zit op het randje van haar stoel. Haar ogen, wijd opengesperd uit nieuwsgierigheid, kijken me doordringend aan. "Mijn moeder werd ziek. Dat veranderde alles. Hoewel ze niet had ingestemd met mijn relatie met Leon, was zij me zeer dierbaar. Ik hield zo van haar. Toen ze me op haar sterfbed vroeg om Bernard te huwen, kon ik niet weigeren. Dus huwde ik Bernard. En dat was dat. Dat dacht ik toen toch." Ik adem enkele keren diep in en uit, maar wanneer ik zie dat mijn dochter me brandend van ongeduld aanstaart, ga ik snel verder. "Leon bouwde de hut die hij me beloofd had. En weet je, mij lieve dochter, ik ben altijd heel gelovig geweest, net als mijn ouders. Ook als kind hield ik me trouw aan de Christelijke waarden. Ik leefde volgens mijn geloof. Tot ik iets ontdekte dat krachtiger was. Mijn liefde voor Leon was zo onloochenbaar, dat ze mijn Christelijke waarden oversteeg. Het hutje was exact één dag voor mijn huwelijk klaar. En het was hier dat ik mijn echte huwelijksnacht doorbracht, waarna ik in de vroege ochtend het ouderlijke huis binnensloop om als een brave verloofde op mijn toekomstige echtgenoot te wachten. Bernard pikte me op, we trouwden in het witte kerkje dat ik je daarnet aangewezen had en daar zou het bij blijven. Dat had ik mezelf voorgehouden, in overeenstemming met de belofte die ik mijn moeder had gemaakt. Maar natuurlijk bleef het daar niet bij. Ik merkte al snel dat ik zonder mijn grote liefde maar een half leven leidde. En er kwamen meer momenten in de hut. Ik keerde terug, hij keerde terug. We zagen elkaar hier, kusten elkaar, hadden elkaar lief. Of we misten elkaar. Wanneer één van ons hier was zonder de ander, ontstaken we een kaars. Als je dan bij binnenkomst in de hut de brandende kaars aantrof, wist je dat de ander hier niet lang geleden geweest was. Dat hij voor jou gekomen was en je gemist had. Dat hij aan jou gedacht had. En dan werd je helemaal warm vanbinnen. Leon liet naast de kaarsen ook steeds rozen voor me achter. Hoewel ik toen niet om bloemen gaf, net omdat ze zo snel verwelkten, deed het me veel plezier dat hij die dingen speciaal voor me uit anderen hun tuin plukte. Dat hij die risico's voor mij nam, voelde heel bijzonder." Ik kijk mijn dochter trots, maar ook wat beschaamd om mijn ontrouw aan. Ik weet dat ze ondanks haar impulsieve karakter, haar man nooit zou bedriegen. Dat ik, de rustige, timide vrouw, dat toentertijd herhaaldelijk heb gedaan en dat openlijk toegeef, lijkt haar niet van haar stuk te brengen. Haar levendige ogen kijken me nieuwsgierig aan. Ik zie hoe ze zich probeert voor te stellen hoe het toen was. De passie, de liefde die sterker was dan alle waarden waar ik waarlijk in geloofde, het avontuur. Ze is altijd heel pienter geweest, ook als kind al. Ik vraag me af wat er achter haar schijnbaar rustige gezicht schuilgaat. Hoeveel heeft zij begrepen uit mijn verhaal? Mijn oogappel, die ik altijd gekoesterd en aanbeden heb. Mijn Rose, die altijd wat vuriger geweest is dan haar broertjes. Wanneer haar ogen, die dezelfde tint groen zijn als die van Leon, me aanstaren, vraag ik me af of ik wil dat ze het weet. "En toen?" "Na mijn huwelijk werd ik heel snel zwanger. Zodra mijn zwangerschap zichtbaar was, kwamen er steeds minder kaarsen en rozen. Hij hield nog steeds van mij, dat zag ik in zijn ogen, maar mij zwanger zien, te wéten dat ik Bernards kind droeg, was voor hem te pijnlijk. Hij kon het niet aanzien. Mijn zwangerschap maakte het zichtbaar dat ik niet de zijne was." "Je herinnert het je niet, maar je bent hier eerder geweest." De bekentenis die ik haar maak, verrast me. "Toen ik net van jou bevallen was, nam ik je mee hierheen. Ik weet niet wat ik van plan was. Wat ik zou zeggen. Welke beslissingen ik zou nemen. Het was een impuls." "En wat gebeurde er?" Rose kijkt me bedachtzaam aan. "Niets. Er gebeurde niet. Hij was er niet. Na jouw geboorte, kwamen er geen kaarsen meer. Geen rozen. Geen Leon. Ik keerde terug, zo vaak ik kon verbergen, jarenlang. Tot Jamie geboren werd. Na de geboorte van je broer, heb ik me gesteld in mijn huwelijk. Ik heb er toen op aangedrongen om te verhuizen naar de andere kant van het land. Het deed je vader verdriet om onze geboortestreek te verlaten, maar hij weigerde niet. En zo verhuisden wij zonder duidelijke reden, met onze twee jonge kinderen. Henry werd pas anderhalf jaar later geboren." Roses vragende blik kruist de mijne. Ik lees zoveel twijfels in haar ogen. Zoveel onbeantwoorde vragen, zekerheden die plots wegvallen. Het doet me pijn om haar zo te doen wankelen, maar anderzijds  is het een opluchting dat ze eindelijk de waarheid kent. Het is een verademing dat ze mijn diepste geheim kent. Eindelijk kent ze mij, zoals ik echt ben. Het zal tijd vergen, dat weet ik, maar ik ben er gerust in dat deze nieuwe informatie haar zal helpen ook zichzelf beter te leren kennen en te aanvaarden. "Mam, ik denk dat het tijd is om te gaan, het wordt al bijna donker en we hebben nog een lange autorit voor de boeg." Ik knik. Ik buig voorover en doe iets wat ik nooit eerder gedaan heb: ik blaas de kaars uit. Ik weet dat Leon niet terug zal keren en ook ik zal dat niet doen. Ik neem mijn dochters hand vast en neem de laatste roos die hij me schonk voorgoed mee uit ons toevluchtsoord.

Fuaran
0 0

Man in beweging

Hij viel me meteen op. Hij zat aan een tafeltje met een krant. Het bierglas op het tafeltje halfvol. Hij had even op geveerd , de stoel gegrepen en die in het zonlicht gezet. Dan nam hij zijn zonnebril af en legde die in zijn schoot, bewoog zijn hoofd traag naar achteren en sloot de ogen. Het was duidelijk iemand die kon genieten en zich niet liet hinderen door een conflict dat was ontstaan tussen een andere klant en de ober. Toen de ontevreden klant riep dat hij kon oprotten, opende hij de ogen. Op dat moment boog de vrouw met rode rok zich naar hem toe. Hij knikte en gebaarde vriendelijk dat ze kon plaats nemen. Zij had blijkbaar opgemerkt wat ik ook al had gezien. Misschien had ze om die reden aan zijn tafel willen plaats nemen. Het gesprek werd door haar ingeleid, ze raakte de kern van zijn aanwezigheid na al die kluizenaarsjaren als een patiënt die elk contact met anderen diende te mijden omwille van besmettingsgevaar. Hij schrok zichtbaar van haar kennis over zijn ziekte en genezing. Maar hij zakte weg toen ze om zijn handtekening vroeg, zo gedurfd en ongeduldig. Hij vouwde de krant toe, goot het laatste blonde vocht smakeloos in zijn keel, en liet een briefje van vijf euro achter. Hij hoorde haar nog opstaan, hem achterna lopend op de hakken van haar lef, bewerend dat ze het niet zo had bedoeld. Haar rok wapperde als een vlag om haar slanke benen. Hij draaide zich om, schoot moordende blikken als kogels uit het zintuiglijke wapen dat hij bij zich droeg. Ik zat daar, achter mijn bril met zonneglazen, nipte van een kirr. Nooit zag in een man in die beweging.

Ingrid Strobbe
1 0

Donderdagen

De donderdagen. Ze komen elke keer trouw tevoorschijn vanachter het gordijn van de week. Als alles goed gaat, rijd ik na de middag naar haar. Ik reken er steeds op dat ze me verwacht. Dat ze niet te erg in de war is en me herkent. Mij met plezier binnen laat in de oude villa, met rimpels op de buitenmuren en op het dak een grijs geworden hoed met rand.  Ze opent de deur alsof ik een dochter ben, een brede lach begeleidt me naar de woonkamer. Naar de keuken, waar de hete koffie het kopje vult. Het klontje laat ik liggen. De parkieten, die moet ik bekijken. Een hele namiddag wippen ze van stok naar stok. Het is geen lange-afstand-vlucht; misschien daarom de trieste vormen van de reservoirs. Ongezoet water, droog zaad. Omdat deze vrouw uit 1932 ooit geschreven heeft voor een tijdschrift en haar echtgenoot boeken schreef die bewerkt werden tot toneelstukken, leest ze luidop wat ze tot nog toe noteerde. De groengele parkiet is de hevigste van allemaal, hij lijkt de leider van de vogelbende. Hij pikt gulzig zaadjes uit het bakje weg, maar schijnbaar niet van harte. De grijze parkiet is kleiner en jonger. Een mannetje zoals de anderen. Onrustig wiebelt deze vogel op steeds hetzelfde stokje, alsof deze de zijne is en geen ander gevleugeld dier er recht op heeft. De twee witte vogeltjes zijn veel kleiner en van een ondersoort. Er is er één met een donkerbruine slab om zijn nek. Ze maken kabaal voor honderd. Het lijkt wel alsof ze deelnemen aan een wedstrijd: wie het hardst piept, kaapt het eeuwige leven weg. Ik luister terwijl ik afgeleid word door de krappe ruimte waar deze vogels het mee moeten stellen. Geen van hen kan weg. Ze zijn tot op deze plek gebracht om te animeren, gezelschap te houden, geen hinder te hebben van de voltijds rustige hond. Viviane kijkt me aan en zucht. Ze werpt een tevreden blik naar de kooi, en legt uit dat de stukjes sla tussen de houten wasknijpers nu al niet meer vers zijn. Na twee dagen.   We hangen het één en ander te drogen, aan een droogrek, dat we eerst in de garage dicht vouwden om dan op het terras open te klappen. Het paarse tafelkleed dekt het rek af, als een wit doek over het hoofd van een spook.  Tijd voor een sinaasappel. Eenmaal binnen, merk ik dat de groengele parkiet in de keuken rond vliegt, zenuwachtig en alle hoeken van de kamer benaderend, om opnieuw een richting te kiezen, en dan...stoot de vogel zijn kop tegen het plafond! We schrikken van dit ongelukkig schouwspel. Hoe is hij in hemelsnaam? Er is geen deurtje dat open gewrikt werd, geen holte uit het tralierijke dak gebeten. Viviane rept zich naar de versleten schuifdeur, trekt aan de hendel met een haast van een ontsnapte gevangene, en ziet dan hoe de vogel uit haar notities haar te snel af is, en WEG is hij. Ik kijk hem nog na, eventjes, alsof ik staar naar de zon die de kim verlaat. Viviane rent naar buiten, tussen de bomen staat ze stil. Ik sta met open mond en een stug gevoel van helaasheid naar boven te kijken. Zoekend. Niet vindend. Zoekend, de hele namiddag.

Ingrid Strobbe
4 0

In de huurauto dragen wij pruiken

    Ik herkende je haast niet. Toen je uit de wagen klauterde, zag ik eerst je lange haar Clear Green A80. Je sloeg het naar achteren om nog iets uit het handschoenenkastje te nemen. Een kastje voor droge documenten en vochtige doekjes, behalve schoenen van allerlei soort.. De gps hadden we er nog als een prop bijgestoken.   Ik schaterde om de pruik die jou niet misstond. Maar waarom je die had gehuurd was me een raadsel. Ik kon me niet voorstellen dat men die als gratis extraatje op jouw hoofd had geplaatst. Het eerste wat je uitriep toen je het raampje open draaide, was dit: ‘De auto past me. Shady Green A80.’   Nu konden we de kofferruimte volstouwen met twee moderne valiezen; hard en op wieltjes. In de valiezen het belangrijkste: de kledij voor onze vrije tijd, de toiletzak (vreemd, dat ‘toilet’ maken van je gelaat en gebit) en het zwemgoed. De boeken, de wekker (we willen altijd en overal gewekt worden) de zakdoeken en de enige trui voor een kille avond op een terras. ‘Heb je gedacht aan een fietsband, schat?’ Je kijkt op als ik dat roep, en roept terug: goed idee! Een fiets, een huurfiets, een fietsband in reserve! Wat een stel hersens heeft die vrouw!   ‘Dit is belachelijk’, zei je met klem. Ik keek op. Ik zag dat de gele schuivertjes die het nephaar bij mekaar hielden, los gekomen waren. De krullen bedekten al één oog. Je vocht het uit met Clear Green A80 en ik vond het verstandig om niet tussenbeide te komen.   Ik was er bijna van overtuigd dat de buren als Shady Grey A70 achter de gordijnen toekeken toen wij de huurauto startten. De kanjer van een motor maakte geen agressief lawaai, maar hij maakte toch auditieve indruk met het herhaalde VROE VROE VROEMVROEM VROEOEMMM!! Ze hadden allen hun haar gewassen om ons uit te wuiven, dat kon ik zo al raden. Maar geen mens trok het glasgordijn opzij.   Ik reed zolang ik veilig rijden kon, zo’n slordige vier uren. Dan nam jij van me over, het stuur speelde daar de hoofdrol. Ik profiteerde van de situatie en werd DJ van de rit. Eerst een gevoelig lied, dan nog een gevoelig lied (maar ouder) en dan nam ik een grote sprong naar Nina Hagen. Punk! Jaren die versleten in de container van mijn levensweg werden gesmeten, maar nu terug opgediept. Ik ging absoluut niet meer akkoord met de overtuigingen van Nina. Ze moest dus wijken voor Ozark Henry, de man die zijn artiestennaam had gevonden in de bergen. Die naam teruggaf aan de wereld van miljoenen fans. Vervolgens deed ik het land van bestemming alle eer aan, hoewel de muzikant een Belg was. Ik liet Brel zingen, omwille van de taal. Het Franse brood in de oven dachten we er bij.   En de rit op de snelweg verliep sneller dan verwacht, trager dan gehoopt. Ik keek naar buiten en zag de borden, de afstanden, de snellere mensen in hun zetels van leder die een zuurzoete blik wierpen naar onze wagen in Clear Green A80. Ik was misschien de enige getuige van een konijn dat uit het wild recht in zijn ongeluk liep. De banden pletten het arme dier. Dark Brown A77. Een andere waarneming was deze: de zon die met behulp van haar sterke stralen op de achterbank van de huurauto plaats nam. Onverwacht en zeer welkom. Ze straalde van achteren naar voren, op onze wangen waar ze een blos zette, en in onze handen waar ze zweetdruppels achter liet. Mijn pruik haalde het van andere humor. Andere bestuurders keken me aan en schokten dan van het lachen omwille van mijn Bobje in Clear Orange A80. Vanzelfsprekend droeg ik een topje van dezelfde kleur. In het zonlicht werd jij vrolijk van me. Zo zei je dat.   ‘Deze vakantie is de mooiste ooit’, beweerde ik. Je fronste de wenkbrauwen. ‘Echt? Waarom zeg je dat?’   Omdat de pruik, omdat jouw hoofd, omdat jouw gedachten als het ware binnen dringen in mijn zwijgend bestaan, mijn stille wereld vol zon en schaduw en zure beertjes van de snelweg. De konijntjes van het vertrek. Ze laten hun tranen drogen op het asfalt.   Je keek me nog eens vragend aan. Schudde het hoofd, gaf me een kus in Clear Red, ongenummerd.      

Ingrid Strobbe
3 0

In Memoriam: BOB The Tooth Brush

In Memoriam Dearly beloved, we are gathered here today to say goodbye and honour our dear friend, BrAun Oral-B Electrical Professional Care Toothbrush (BOB for short). After almost six years of loyal service, our dear friend has chosen the path of light to join George Clooney in the heavens and teach him that drinking coffee is bad for your teeth. Every beautiful morning and each expected evening, BOB looked over our health and timing. He taught us the true meaning of two minutes of Oral Care. Never before I was more aware of four times twenty five seconds and I will cherish every memory, every wonderful moment I had the privilege of sharing with you…   (Volgende paragraaf is niet geschikt voor lezers onder de zestien jaar. U hoort een vervangmuziekje: ik ben mega Mindy! Mega Mindy! ) I will miss your thrilling sensation in my mouth when your strong brush softly touched and stroke my teeth and cleared me of every sin… I will miss your subtle winks to me in the bathroom to let me know you were fully charged and ready for a new service…(Tot hier...)   BOB, my zooming companion in the fight for hygiene, you fought hard during those last days… You even woke our dear mother in the middle of the night, only to say your last goodbyes… We thank you for that… We will now trust your body to the bin, where you will rest in peace and will find your way to the rubbish dump… Goodbye, BOB,  my old friend, and farewell… We will miss you all, but you will live on in our memories… Amen   AN: Dit schreef ik orgineel in het Engels aangezien het een brief was naar mijn zus die destijds (vorige zomer) op een Engelse taalstage verbleef en enkel engelstalige brieven mocht ontvangen. Daarnaast schrijf ik ook gewoon heel graag - lees: onwaarschijnlijk graag en meestal - in het Engels! 

Rumpelstiltskin
2 0

Henry In Al Zijn Glorie

Marie keek vol spanning naar het monolieten uitgangsblok van station Brussel-Centraal, ze hield een koffiekan stevig geklemd tot haar knokkels wit zagen. Om een houvast te hebben. De nervositeit nam elke dag overhands toe. Ze keek snel op de klok aan de muur, zeven uur achtendertig. Rond dit tijdstip kwam hij altijd naar buiten. Zijn haviksneus als eerste. Als een miereneter, die zijn terrein met zijn veilig instrument eerst besnuffelt. Zien of de kust veilig was. Soms miste ze hem. Door een klant. Door An. Door een vrachtwagen. Door een knippering van de ogen. Haar dag voelde dan niet hetzelfde. Ze keek snel opnieuw naar het monolieten blok en dan opnieuw naar de klok en dan opnieuw naar het blok en dan…   Dan was hij daar. De aktetas stevig in zijn geaderde rechterhand geklemd. Zoals iedere keer statig en met rechte rug kwam hij naar buiten. De zwarte ogen priemden. Hij draaide zich edel naar de trappen van de Kunstberg op, negeerde de arme drommel die met haar kind op de arm bedelde. En hem meelijwekkend aankeek. Ze was ongetwijfeld te min voor hem. Hij vatte de dagdagelijkse beklimming met zoveel grandeur en majestueusiteit aan. Alles en iedereen overheersend. Trede per trede dwong hij de berg onder zijn glimmende schoenen. Zijn hoofd recht en zijn blik ongetwijfeld op oneindig. Een arendsblik. Dat moest wel, dacht Marie. De lange zwarte jas wapperde achter hem aan. Zijn overwoekerende zilveren haren op zijn hoofd golfden langzaam mee in de wind. Marie keek vol ontzag hoe die man zich voortbewoog. De man straalde zoveel vertrouwen uit. Hij nam elke trede precies en perfect. De harmonie van zijn lichaam met de grijze uitgesleten stenen trappen vormden een harmonische wals als de schone met het beest. Het greep haar naar de keel. De overige pendelaars die uit het monolieten blok kwamen leken wel een losgeslagen kolonie ratten in vergelijking met hem. Krioelend zonder houvast.   “Marie, vergeet je de klanten niet of ga je de hele dag naar buiten staren?” “Neen An. Maar…” “Och, vergeet die man toch gewoon, waarom ben je zo geobsedeerd door hem?” Hij is gewoon één van die honderdduizenden pendelaars. Een luchtige nozem die hier zijn geld komt verdienen. Net zoals elke godverdomde mens hier. Punt.” “Waarom staat hij nét daar elke dag?” “Breek je kop er niet over, kind. Denk je dat er enkel in Brussel van die rare snuiters zijn? Dat alle pendelaars buiten Brussel compleet normale individuen zijn. Vergeet het gewoon, met het aantal verloren vijzen van al die pendelaars kan je een tweede Atomium zetten. Tel maar.”   An had gelijk, dacht Marie. Niet over het Atomium, ze dacht er niet aan om te beginnen tellen, maar over de rare snuiters in Brussel. In het gehucht Wulmersum waar ze vandaan kwam waren er ook veel vreemde specimen. In haar ogen dan. Volgens haar ouders waren het allemaal hardwerkende boeren en goeie rechtschapen partijen. Marie sloeg op een blauwe maandag op de vlucht. Waarom vragen veel mensen niet begrijpend. De verstikking in een open landschap is iets wat ze niet uitgelegd krijgt aan de stadsmensen. Ze vluchtte naar Brussel enkel met haar rugzakje met daarin wat toiletspulletjes en een hoopje kleren. Nauwelijks van de trein af liep ze letterlijk An tegen het lijf met haar exotische Macchiato in de hand. Haar enige jurk, haar lievelingsjurk met groene en roze bollen, zat onder het bruine kleverige goedje. Voor ze het zelf goed en wel besefte stond ze diezelfde koffie uit te schenken in de kleine koffiebar van An aan het Albertinaplein. Ze kreeg de job net zoals de koffie zomaar in de schoot geworpen. Volgens An omdat Marie dezelfde sproeten heeft op dezelfde plaats als haar en dat de jurk van toen ze negentien was me als gegoten zat. Marie was haar persoonlijke reïncarnatie. En dat ik met zoveel naïviteit in mij geheid in de Aarsschotstraat beland zou zijn voor ik 1-2-3 kon zeggen. An is opgegroeid in Brussel. De spruit van een typische ket. De uitlaatgassen zijn haar ochtendnevel. Ze ratelt en vloekt. Is op elke plek aanwezig en kent bizar genoeg de voornaam van elke klant die minsten drie keer in haar koffiebar is geweest. Ze staat erop. Dat dagelijkse klanten haar ijver negeren en haar eigen naam niet kennen laat ze koud. Het is haar onvoorwaardelijke liefde, de koffiebar en de honderden klanten. Eén man in haar leven zou teveel zijn. Ze heeft steevast wel een aanmerking. Als Marie vragen stelt worden die genadeloos en met takt afgewimpeld. De in begin ijdele hoop dat Marie snel een prins man zou ontmoeten in de Brusselse smeltkroes heeft ze al lang laten varen. De meeste mannen in de koffiebar zijn pendelaars die ’s avonds terugkeren naar hun gezinnetje of snel een rendez-vous hotelletje willen huren met jou om dan daarna toch terug te keren naar hun gezinnetje. De types op straat die oneerbiedig fluiten probeert ze te negeren. Maar die ene man, die ene man met zoveel gratie, intrigeerde haar al van de eerste dag dat ze hem zag. De eerste keer dat hij halt hield. Het was de eerste keer dat ze koffie morste.   Steeds als hij bovenaan de trappen aankwam stopte hij. Keert zich een 180 graden om en richt zich naar het centrum van Brussel. Hij lijkt wel te focussen op de spitse toren van het stadhuis. Zijn blik op oneindig. Voor een vijftal minuten. Altijd. Het maakte niet uit welk weer het is, regen, sneeuw, zon, vriestemperaturen, rukwinden,… Telkens staat hij daar met zijn blik op oneindig. Statig. De aktetas stevig omklemd, rechte rug, hoofd onbeweeglijk. En de zachte deining van zijn grijze haren als het kabelende water bij een idyllisch meer.   Marie had zich al nachten wakker gepiekerd wat er in hemelsnaam door die man heenging. Had hij een trauma te verwerken? Was de Kunstberg een plek van berouw. Een dagelijkse herinnering aan een verloren liefde. De plek waar hij met haar hand in hand op een bankje zat. Stilletjes naast elkaar. De handen losjes in elkaar. Zoals echte liefde zich uit. Geen woorden die moeten verspild worden. Het zijn van elkaar en met elkaar. De volkomenheid van het aanwezig zijn. Het daar zijn. Een simpele aanraking. Haar pink die de palm van zijn hand streelt. Een klein symbool met grote daadkracht. Dan passeert een vrouw die een koets voortduwt. Zij die zachtjes in zijn hand knijpt. Een wens die zachtjes wordt uitgedrukt. De toekomst ontvouwt zich. Het meesterlijke plan van geliefden op aarde. Ze legt haar hoofd op zijn schouder, sluit de ogen. Droomt. Hij kijkt naar de hemel, ziet dat er geen grens is. De blauwe gloed strekt zich tot het oneindige. Sluit de ogen. Droomt. Vervolgens staan ze geruisloos op. Nog steeds hand in hand, de schouders strelen elkaar. Zachtjes zoals hun liefde. Niet hard maar zoals ze één zijn. Volmaakt. Ze wandelen naar de Coudenberg. Hij stopt en zegt achteloos dat zijn veter los is. Ze stopt met stappen, staat op straat, en kijkt om. Een zwarte taxi zorgt voor een zwarte dag. Voor eeuwig en altijd. Of de dagelijkse pijn van een zoontje die groeide als kool en die hij verloor aan een falend hartje. Zijn minuut van stilte aan zijn broeders die hij niet van de dood kon redden in Afghanistan. Een moment van goddelijke zelfreflectie. Ontelbare scenario’s speelden door haar hoofd. Ze vroeg An er over uit. Ze wuifde het weg als een warme bries. Bleef bij hoog en laag beweren dat elke mens wel rare kantjes heeft, de ene al iets opzichtiger dan de andere. En dat het ook gevaarlijk is om op vreemde snuiters in te gaan. Ze richtte haar vinger waarschuwend naar haar als ze dat zei. Vermanend siste ze dan: “Vreemd gedrag kan snijden als een scheermes.” Marie droomde van hem, de hartjes die ze in het koffieschuim tekende waren voor hem. Op de avonden dat ze de slaap niet kon vatten legde ze een hand tussen haar dijen. Daar waar het warm werd als ze aan hem dacht. Ze zocht een plan dat haar hand zijn hand kon zijn.   Henry snelde door de hal van het Brussel-Centraal. Zo snel hij kon. Vermeed vakkundig de friemelde mensenmassa die elk hun eigen weg volgde als blinde mollen in een vierkanten doos. Het was urgenter dan anders. Snel lopen kon hij niet. Snelwandelen wel. Het half uur op de trein was een nog grotere hel dan normaal. Gelukkig was het moment van de verlossing bijna daar. Toen hij de roltrap naar de uitgang nam, nam hij meteen de frisse buitengeur waar. Hij snakte. Hij hunkerde. Hij smachtte. Zoals elke werkdag stapte hij met dichtgeknepen billen de roltrap op. Voorzichtig. Beheerst. Volledige controle. Stapte buiten en draaide naar de trappen toe. Dit was het makkelijkste stuk van de ochtend, want hij zag een twintigtal trappen hoger de verlossing. Dan kon hij alles loslaten. Niemand die aanstoot aan hem nam. Het was zijn publiek geheim in Brussel. Niemand stopte daar. Iedereen snelde hem haastig voorbij. Niemand lette op hem. Iedereen was passant. De anonimiteit van een grootstad in al zijn glorie. Henry in al zijn glorie.   Zijn darmen brulden van genot toen hij alles los liet. Een monsterlijke scheet die minutenlang duurde. Een misthoorn die het waken van de dag aankondigt. Een geurcompositie die snel werd meegenomen door de windstromen op de Kunstberg. Hij legde zijn hoofd in zijn nek en genoot. Met een getekend gezicht van de spanning staarde hij in de ijle ruimte tussen de toren van het stadhuis en de Magdalenakapel. Jaren geleden hadden ze IBS of beter verstaanbaar het prikkelbare darmsyndroom vastgesteld, wat er op neer kwam dat zijn darmen chronisch ontstoken waren. Tot daar het goede nieuws wist Henry nu, hij had meer dan ander patiënten enorme last van flatulentie. Het begon al na het ontwaken, ontbijt of geen ontbijt, de darmen borrelden op de cadans van enkele wildgeslagen Afrikanen met tamtams. Wilde gassen stapelden zich op in zijn darmen en drumden om verlossing. Maar hij hield de billen stijf op elkaar. Want geen mens die graag zwavel ruikt. Dat zag hij aan de mensen. De origami die ze deden met hun gezicht als Henry iets loste. Op een fatale ochtend toen hij een halve wagon onvrijwillig vergaste. Toen hij knakte na een slapeloze nacht tobbend over de papieren veldoorlog die hij voerde met zijn nu ex-vrouw en enkele advocaten. Zij haatte zwavel. Die ochtend zeeg hij moedeloos en verloren neer op een bankje. Hier op, wat nu zijn berg is. Hij loste toen een restje. Trok zijn neus op en rook niets. Loste nog een restje. En rook nog steeds niets. Terwijl zijn haren van voor naar achter en van links naar rechts danste in de wind. Henry glimlachte voor het eerst sinds lang.   Toen hij zich net wilde omdraaien na zijn dagelijks intiem hoorspel zag hij een jong meisje met een koffie uniform en een stapeltje folders in haar hand geklemd haastig de trappen opsnellen. Overduidelijk zijn richting uit.

Tim Berghman
60 0

De granaatappel

Ik ben net zozeer gelovig in iets dat ik niet zelf bepaal. Voor deze dat het wel zijn: Hoor mij! Ik roep u op tot revolutie. Ik heb dezelfde droom als zovelen van jullie. Help me de ‘wetten en praktische bezwaren’ te omzeilen, zodat jullie eveneens kunnen genieten van het paradijs. Wees vrij en in vrede met jezelf. Stel grenzen. Blijf verwijderd van de verboden appels. Ze vallen allen niet ver van de boom. Ze vergiftigen je gedachten, als je lui je zintuigen sluit en niet voor jezelf denkt. Ongehoorzaamheid aan jezelf brengt schaamte. Onmacht als je uit gemakzucht de gemakkelijkste weg verkiest.   ‘Verlichtte’ figuren verkopen met veel plezier ‘pink ladies’ ter verleiding. Kijk uit voor de adder in het gras, het heeft reeds zijn tehuis gevonden in je lust. Als een granaat slaat de appel in. Nog voor je het goed en wel kan beseffen, ben je bezeten door propaganda’s der pathologische parasieten. Wraaklustige en walgelijk wretende wespen die je steken, indien je ze niet hoogmoedig hun gang laat gaan.   Volgen of ‘lijden’ je kiest het zelf. Je hebt zelfs in je eigen handen of je leidt of wordt verleid. Het zit tussen je beide oren de oorlog, enkel door jezelf te vergelijken, schiet je je in je eigen been. De vergankelijkheid der echtheid , maakt plaats voor de hebzucht naar metalen. Een overgang naar een stadium erger dan de Middeleeuwen.   We zijn precies leeuwen, steeds hongerig voor meer, steeds op de loer, voor welke prooi we kunnen verzwolgen met onze tanden en klauwen van gulzigheid en afgunst, als het ons niet afgaat. We hebben deze zonden niet nodig, kortom ze zijn overbodig, dus gooi ze overboord. Het zijn de zandzakken van de luchtballon, dat je remmen te vliegen. Ze krenken je in je vrij denken, ze doen je hoofd ontploffen. Ze zijn je anker, niet enkel je woede, waardoor je in een maalstroom wordt verteerd door Neptunus dat je molesteert met zijn drietand. Verkies je echt dit boven rust en je eigen weg op Pegasus te vinden? Ga je gang.   Heb je dan helemaal niets geleerd van mijn preek en de granaatappels, die je reeds hebt getrotseerd? Verval in het negatieve ‘affect’ der Pygmalion, wordt misselijk door het draaien in je nooit eindigende spiralen.   Tenzij je mijn ‘denk wijzer’ wel hebt begrepen en je het roer in eigen handen neemt. Kan je varen uit je woeste zeeën van de amygdala, Vind je vrijheid en vrede in je eigen veilig gecreërde Eden. Het verleden kan je niet meer veranderen, verander nu! Dank  U voor het lezen.

S_Sence
3 0

Zoon en vader

’Vrouwentongen.’ ’Sorry?’ ’Vrouwentongen.’ Hij knikte naar een koperen pot op de vensterbank waarin opeengepakte groengele bladeren gespannen naar het systeemplafond wezen. ’Sanseveria’s worden ook wel vrouwentongen genoemd.’ Hij drukte zijn vinger even in de droge aarde en verschoof de pot een beetje naar rechts. Waarom kon hij nou niet één keer zijn mond houden? En waarom kon hij niet gewoon met z’n tengels overal van afblijven? ’Ah, lekker,’ zei hij en pakte het kopje aan van de serveerster. Natuurlijk ging het mis en klotste de koffie over de rand. ’Mijn fout,’ zei hij. Natuurlijk was het zijn fout. Ik liet het meisje zelf mijn espresso neerzetten. We keken elkaar begripvol aan. ’Wat een klein kopje,’ zei hij. ’Is dat expres-zo?’ Hij grijnsde en nam slurpend een slok. Was hij altijd zo geweest? vroeg ik me af. Of was het erger geworden, als oorhaar dat pas op latere leeftijd begint te woekeren. En daarna dacht ik: word ik later ook zo? Of is het misschien al begonnen? Ik keek naar zijn handen, breed en behaard. Heel anders dan mijn smalle kantoorklerk-handen. Maar zijn smalle gezicht met de dunne lippen, de diepliggende ogen, de spitse neus, daarin lag een niet te ontkennen replicatie. Vader en zoon, dat had ook de serveerster gedacht. Ach, wat leuk, die man is met zijn oude vader op pad. ’Nemen we er iets bij?’ stelde hij voor. ’Ik trakteer.’ Ik wist dat hij geen geld bij zich had en straks zou hij zijn aanbod weer vergeten zijn. Blijkbaar hoorde het zo. Hij had twintig jaar voor mij gezorgd, daarna waren we dertig jaar financieel onafhankelijk van elkaar geweest en nu was ik aan de beurt om voor hem te zorgen. Ik vroeg me af wie het van mij over zou nemen als we quitte zouden staan. Waarschijnlijk was ik gedoemd om langer voor hem te zorgen dan hij voor mij. De tol van de medische vooruitgang. Hij liet zijn stoelpoten luidruchtig over de plavuizen raspen en sjokte naar de vitrine met de gebakjes. Op zijn gemak bekeek hij de uitgestalde zoetigheden. ’Wat is dat, die gele?’ vroeg hij. ’Pudding-kruimelvlaai,’ zei de serveerster. ’En die?’ ’Die rode is kersen.’ ’En die oranje?’ ’Abrikozen.’ ’Doe voor mij maar appel. Met slagroom, heb je dat?’ ’Ja hoor. En uw zoon?’ Zonder zijn blik van de vitrine af te wenden zei hij: ’Wat wil jij, Johan?’ ’Niks.’ ’Hij wil niks. Ongezellig, hè? Hij neemt nooit iets bij de koffie. Nou, ik wel hoor. Ik ben een echte levensgenieter.’ ’U heeft groot gelijk.’ Het meisje glimlachte plichtsgetrouw en schepte een appelpunt op een bordje. Met een spuitbus spoot ze er een forse toef slagroom op. ’Ik kom het zo wel brengen,’ zei ze. ’Gaat u alvast maar zitten.’ Ze was eerder bij ons tafeltje dan hij. ’U nog een espresso, misschien?’ ’Graag.’ ’Ik ben niet meer zo snel,’ zei hij. Hij legde zijn handen op de schouders van de serveerster en manoeuvreerde zich achter haar langs naar zijn plek bij het raam. Ze leek het niet erg te vinden dat hij haar aanraakte. Op een bepaalde leeftijd kwam je daarmee weg. ’Lekker, dank je wel, lieve schat,’ zei hij en begon vergenoegd van de appeltaart te smullen. Ondanks mijn ergernis voelde ik het water in mijn mond lopen. Waarom was ik zo koppig, zo kinderachtig? Als ik hier alleen was geweest, of met iemand anders, had ik beslist zo’n appelpunt genomen. Hij had het gebak in een mum van tijd naar binnen gewerkt. Met zijn eetlust was niets mis. Hij leek ook dikker geworden, iets voller in zijn gezicht. Hij liet het vorkje op het bordje vallen en keek triomfantelijk om zich heen. Op zijn kin zat een kloddertje slagroom. Ik zei er niets van. ’Je weet niet wat je mist,’ zei hij. ’Zelden zulke lekkere appeltaart gegeten.’ ’We zullen zo maar weer eens gaan,’ zei ik. Heel even keek hij teleurgesteld, maar na een blik op zijn horloge klaarde zijn gezicht weer op. ’Ja, dan ben ik mooi op tijd voor de lunch terug.’

Grand Foulard
20 0