Zoeken

Het leven van wat je een mens zou kunnen noemen

    I. ‘Baar mij een zoon en hij zal heersen over de zeven zeeën!’. Spettertjes spuug landen op mijn moeders gezicht. Vader schokt nog een paar keer heen en weer voor het rood aangelopen lijf ineenzakt. Zijn laatste gespoten zaad trekt een sprintje naar de felbegeerde en met hoop doordrongen eicel. Ondertussen wordt het alarmnummer gedraaid. Maanden later ben ik daar. Een postume uitgave. Een dochter.   II. Niek, Jef, Maurice, Robbert en Dennis, de jongens van groep 7. Ze staan in een groepje te giechelen, terwijl hun Umbro shirts beginnen te stinken en de gel in de haren langzaam begint te smelten onder de zon. Ik vraag waarom ze lachen. Domme vraag. Altijd zwijgen en juist nu mijn bek niet kunnen houden. ‘Nou?’ ‘Wil je het echt weten?’ NEE! ‘Ja’ ‘Als je een pik in jou steekt, komt ie er aan de andere kant weer uit.’   III. Een pen, een komkommer, een neef, een kaars, een Barbie, een kipcorn uit de vriezer. Probeer te ontspannen. Lukt dit niet? Wacht niet langer dan een week om naar de huisarts te gaan.   IV. ‘Hij vindt je aardig, ja hè Rakker, dat vindt je hè. Net als het baasje.’ Rakker, wat een aanstellerige kutnaam, zeker voor een hond. Zo heten Golden Retrievers die samen met een kat en een paard in het tropisch regenwoud terecht komen en dan een beetje een panda gaan lopen redden. Walgelijk. Deze rakker is tenminste geen kindervriend. De Engelse buldog blijft vooral kwijlend op de bank liggen. Ik mag hem wel. De plots infantiel geworden man daarentegen. Sta niet zo in je handen klappend op en neer te springen. ‘Moet je naar de wc?’ ‘Hè wat? Wat zeg je?’ ‘Of je naar de wc moet?’ ‘Hehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehe. Nee hoor. Wil je een glaasje rosé?’ ‘Ik wil naar huis.’     V. Ik wou dat ik een junk was. Een echte. In een junk huis vol met junk vrienden, een huis gevuld met de geur van uitwerpselen, zweet en schraal bier. Hier ruikt het alleen naar urine. Niet eens van mijn vrienden, zo zou ik ze niet durven noemen. Nog drie kwartier, dan komt de zuster met een batterij aan pillen. En nog voor de deur achter haar puttige kont dichtvalt, zet ik als dessert zelf de spuit nog eens in mijn arm. Ik hoef toch niet meer mooi te zijn.

Lynn Elshof
0 0

Ergens halverwege hemel en aarde

Maurice ging het restaurant binnen met een bos lichtroze pioenrozen, blij dat hij iets bij zich had om de blikken af te leiden van zijn slechte been. Met het boeket voor zijn borst baande hij zich een eigen weg door de verstilde, felverlichte ruimte. Een zestiger met leesbril loerde even boven de rand van zijn krant en twee geföhnde vrouwen lieten hun spie slagroombiscuit fluisterend links liggen, maar Maurice gebaarde van krommenaas en hield zijn blik strak gericht op het uitgebreide buffet, helemaal aan de andere kant van de zaal. Niet dat hij honger had, want hij had die middag zelfgedraaide gehaktballen in madeirasaus gegeten en dan laat hij zich altijd net iets te veel gaan. Maar hij was hier nu, en hij wilde vooral niet aanzien worden voor een vent die zijn tijd aan een lege tafel kwam uitzitten, dus hij nam een dienblad, veegde het achtergebleven afwaswater weg met de mouw van zijn anorak en zette zichzelf een koffie met melk en een stuk broodpudding met rozijnen voor. ‘Vier en een halve euro durven ze daar tegenwoordig voor vragen’, dacht Maurice, een beetje verbolgen, en hij pikte nog snel een zakje suiker mee, hoewel hij walgde van zoete bakjes troost.   Vanop zijn stoel aan het venster op de vijfde verdieping keek Maurice toe hoe mensen als mieren kwamen en gingen. Hij kon niet uitmaken wie ziek was en wie gezond, zoals dat ook op de begane grond niet zomaar van iemands gezicht af te lezen is. Hij zette zijn tanden in de zompige homp broodpudding en vroeg zich af of hij het vandaag zou durven. De pioenrozen had hij al, hij moest alleen nog zijn moed en het wisselgeld op zijn dienblad bijeenrapen, naar een willekeurige kamer stappen en met de bloemen in huis vallen.   Hij nam een zuinige slok van zijn koffie en zag het helemaal voor zich. Hij zou ‘GOENDAG’ lachen, zoals hij altijd deed bij om het even welke ontmoeting, en hij zou proberen expliqueren dat hij Maurice heette – Maurice zoals Maeterlinck, niet zoals de man achter Lucky Luke. Zijn slechte oren zouden hem wellicht weer parten spelen maar hij zou zijn best doen om niet te hard te roepen, kwestie van patiënt noch personeel levensbedreigende stuipen op het lijf te jagen. Daarna zou hij het boeket op bed leggen, iets articuleren in de trant van ‘want je bent het waard’ en vertrekken met het gevoel zijn tijd en teveel aan genegenheid goed te hebben besteed.   Buiten begon het te schemeren. Vanop zijn stoel op het vijfde, ergens halverwege hemel en aarde, zag Maurice meer en meer auto’s aan-, af- en achteruitrijden op de parking. Wilde hij werk maken van zijn wilde plannen, dan moest hij nu iets ondernemen. Straks waren de bezoekuren voorbij en had hij nog maar eens een dag verspild in dit klinische zelfbedieningsoord.   Voor de vorm nam hij nog een laatste slok koffie. Koud. Een beetje zoals het gezicht van de vrouw tegenover hem, die niet anders dan geconstipeerd kon zijn. Hij legde zijn handpalmen plat op het tafelblad en duwde zichzelf overeind. Zijn knoken knikten, de broodpudding borrelde luid in zijn onderbuik en in zijn hart schreeuwden teveel en tekort tegen elkaar op.  

a little bit of soap
2 0

Geheugenverlies - Een verhaal in vijfhonderd woorden.

Ik kom bij bewustzijn in de badkamer liggend in de douche. Opstaan lukt me niet, de stroom van water die naar beneden giet houdt mijn lichaam aan de grond genageld. Moeizaam breng ik een arm naar de doucheknop, vouw mijn hand eromheen en draai de kraan dicht. Ik glij uit over kotsresten terwijl ik probeer de douche uit te kruipen. Ik werk mezelf een weg uit het braaksel omhoog naar de wastafel. Ik spoel mijn gezicht met koud water en veeg de condens van de spiegel. Ik heb bloeddoorlopen ogen en ben lijkbleek. Om me heen liggen mijn met kots doordrenkte kleren. Er flitsen nachtmerrieachtige beelden door mijn hoofd. In mijn poging mezelf te kalmeren gooi ik nog wat water in mijn gezicht. De beelden wisselen elkaar in hoog tempo af. Alsof ik getuige ben van een leven dat geen chronologische volgorde kent. Is het mijn leven? Mijn hoofd duizelt, ik weet mijn eigen naam niet eens! Is dit überhaupt wel mijn huis? Het zweet breekt me uit. Strompelend loop ik de badkamer uit naar beneden. Elke krakende tree echoot door mijn hoofd. Beneden tref ik een woonkamer in complete chaos aan. De vloer is bedolven onder lege bierblikjes en etensresten. Op de salontafel in het midden van de kamer liggen de gebroken resten van enkele flessen sterke drank en een verfrommeld pakje sigaretten. Ik haal een sigaret uit het pakje op tafel en zak neer op de zwarte lederen bank. Terwijl ik het kalmerende effect van de sigaret op me in laat werken zie ik op de salontafel iets opmerkelijks liggen. Tussen de scherven liggen tientallen fel gekleurde zegeltjes met printjes erop. Lang hoef ik niet na te denken, ik heb lsd gebruikt. Geen wonder dat ik me nu zo naargeestig voel, maar ik voel tenminste nog iets. Aanwijzingen heb ik nodig, dingen die me iets kunnen vertellen over wie ik ben, over wat er gebeurd is. Bovendien moet ik schone kleren hebben. Ik struin het hele huis af, maar ik vind niets. Geen administratieve papieren, geen mobiele telefoon, geen identiteitsbewijs, geen bankpas of kleren. Alles lijkt met voorbedachte raden te zijn verwijderd. Mijn verschrikkelijke honger brengt me naar de keuken, waar ik een briefje op de koelkast zie hangen. ‘Mits het ons is gelukt ben je het overgrote deel van je geheugen kwijt. Ik spreek van ons, want ik hoop dat jij opnieuw kunt beginnen, jij draagt mijn verleden niet met je mee. Dat maakt jou fundamenteel anders dan ik, jij bent opnieuw geboren. Kijk achter de losse steen in de muur van de tuin.’ In de tuin tref ik een grote hoop as aan. Het moet geregend hebben, want een deel is niet goed verbrand. Achter de losse steen ligt een kistje met een klein vermogen erin. De erfenis van een verleden dat ik wilde kwijtraken. Ook zit er nog een briefje bij. 'Nieuwe kleren in de kelder.’ Voordat ik de kleren pak, maak ik met wasbenzine af wat de regen getracht heeft te stoppen.

Atlas
6 0

Kinderspel

KinderspelHet spel was simpel, iedereen kon het spelen. Je had geen bijzondere vaardigheden of kennis nodig om mee te doen, hoewel het hielp als je iets of wat kon mikken. Er waren verschillende groottes en kleuren, die een rol speelden in de waarde van de exemplaren. Laagst in rang waren de "schieters", hoogst in rang de "boelen". Daartussen bovenden zich allerlei soorten en variaties, waar ik de meeste namen van vergeten ben, al kende ik ze toen heel goed.Ik was zes en met lege handen begonnen. Dit was op zich niet zo uitzonderlijk en al zeker niet problematisch. Alles was georganiseerd als een meritocratie: wat je had, werd bepaald door je prestaties. Opstarten was niet zo heel moeilijk, de meesten waren wel bereid om enkele "schieters" af te staan aan een beginner, en als je hier niet om durfde vragen, kon je altijd de speelplaats afschuimen in de hoop een verloren knikker te vinden.Wanneer je er enkele in je bezit had, was het niet moeilijk je collectie uit te bouwen. Op de speelplaats zaten vele kinderen met de benen gespreid. Tussen hun benen lagen dan enkele knikkers, dit waren de gewaardeerde exemplaren. Als je interesse had in iemands tentoongestelde knikkers, nam je plaats aan de startlijn en rolde je je eigen knikkers naar je doel. Raakte je een knikker, dan kreeg je hem, maar elke knikker die zijn doel niet raakte, was je kwijt. Het was een kwestie van inschatten en overwegen. De afstand tussen doel en startlijn, varieerde. De keuze hoeveel schieters je "wegschoot", lag bij jou. De keuze lag bij jou. Er waren risico's en mogelijkheden. Twijfel en hoop.Als zesjarige die niemand uit de hogere jaren kende, kwam ik in dit spel terecht. Dit eerste was ook geen vereiste, je hoefde namelijk helemaal niemand te kennen om mee te kunnen spelen. Het was een zeer uitdagend spel, elke situatie was anders en naast de hoeveel knikkers die je verwierf, kon je ook proberen gewaardeerde exemplaren in je bezit te krijgen. Langzaam bouw je op, tot je een collectie knikkers hebt, die je overal met je meesleurt. Eerst in je broekzak, dan in een klein tasje, maar op een gegeven moment heb je echt wel dat extra rugzakje nodig om dagelijks mee naar school te sleuren. Boordevol knikkers, één na één raak geschoten.Het is op zo'n moment dat het leven fijn en zorgeloos is. Niets verhindert je om ten volle van het spel te genieten. Tot iets daar verandering in brengt. In mijn geval was dit een ongeluk. De rugzak waar mijn dierbare knikkers in zaten, viel. Pardoes op de grond. Een groot deel van mijn verzameling rolde over de speelplaats. De knikkers waren niet te stoppen, ze gingen alle kanten uit. De tranen sprongen me in de ogen bij deze verschrikkelijke gebeurtenis. Vele guitige kinderhandjes grepen naar mijn dierbare schatten en ik deed hetzelfde. En hoewel de meeste knikkers eerlijk werden terugbezorgd, werden er ook een aantal onherroepelijk van me ontvreemd. Een patrouillerende leerkracht probeerde nog orde op zaken te stellen, maar gedane zaken maakten geen keer. Wat verloren was, bleef verloren.Het ergste is dat je het wéét. Je weet wat je kwijt bent en erger nog: je wordt je bewust van het feit dat je wéér en méér kunt verliezen. Het zorgeloze verdwijnt voorgoed. Het plezier van het spel gaat verloren. Alles is plots een oorlog waarin je enkel kunt verliezen. Een oorlog waaraan je niet eens aan hoeft deel te nemen. En zo borg ik voorgoed mijn resterende knikkers op in een kast op mijn slaapkamer en speelde nooit meer.Het daaropvolgende jaar draaide alles om die fantastische wezentjes die je in het wild kon vangen en voor je laten vechten. Je borg ze op in een rond balletje en trainde ze. Gelukkig waren zij niet echt en hoefde je geen ronde balletjes, maar kaartjes waarop zij afgebeeld stonden bij te houden. Die kaarten pasten heel gemakkelijk in een kinderhand en rolden gelukkig niet alle kanten uit wanneer je stapel uit je handen glipte. En zo kreeg ik op een dag enkele kaarten cadeau en trad ik in kinderlijke onschuld toe tot de wondere wereld der pokémontrainers/-verzamelaars, niet beseffend hoe onethisch het hele pokémongebeuren was. Stiekem lette ik toch wel erg goed op mijn steeds verder groeiende stapel kaarten, met de verloren gegane knikkers in het achterhoofd.Net zoals de andere leerlingen, ging ik helemaal op in de hype. We kenden alle namen en ruilden er lustig op los. We wisten hoe we "vervalsingen" moesten herkennen en legden met trots onze collecties aan elkaar voor. De blinkende en de kaarten met een hoog HP pronken bovenaan, daar waren we trots op, maar iedereen stak ook die nutteloze energykaarten in zijn stapel, zodat deze nóg groter leek. En hoeveel en welke kaarten je bezat maakte natuurlijk geen verschil in de binnen de klasmuren, maar op de speelplaats telde het écht wel. Voor ons was het geen spel, het was wie wij waren en hoe wij leefden. Dit was géén kinderspel, dit was menens! 

Fuaran
5 0

De Panda's

Wij waren altijd drie handen op één buik geweest. Mabel, Noa en ik. Wij hadden altijd samen gehoord, al vanaf het moment dat wij elkaar ontmoetten. Misschien zelfs al vóór dat moment, het zou me niet verwonderd hebben als onze vriendschap voorbestemd was. Ondanks onze verschillen, waren wij altijd een onscheidbare eenheid geweest. Mabel: lief, rustig en eerlijk. Noa: extravert en grappig, altijd haantje de voorste en energiek. En ik, eerder verlegen. Drie totaal verschillende meisjes, allen die eerste schooldag opgedaagd in dezelfde trui met daarop een panda afgebeeld. Die dag werden wij het pandatrio, de pandameiden, of simpelweg "de panda's". En dat waren we altijd gebleven. Als mensen echt bij elkaar horen, is er niets dat hen kan scheiden. Dat hebben wij altijd geweten. Ik herinnerde me nog hoe juf Annabel ons na Mabels ongeluk even apart riep. "Ik vind het zo erg. Niets zal ooit nog hetzelfde zijn.", had ze ons al snikkend toegesproken. Ze had ons één voor één aangekeken met een gezicht waarop het medelijden te lezen stond, alvorens ze met haar handen voor haar gezicht het klaslokaal was uitgevlucht. We hadden er nadien hartelijk om gelachen, want voor ons was er niets veranderd. Ongeluk of niet. Alles was gewoon bij het oude gebleven. Het kon Mabel niet schelen en ons al zeker niet. De eerste maanden wilde iedereen er steeds met ons over spreken, tot vervelens toe. De eerste dagen, weken zelfs, stonden we dan met z'n drietjes wat verlegen te knikken, ons gewicht van het ene been naar het andere verschuivend uit ongemak of zenuwachtig met onze vingers wriemelend. Na een maand vonden we het wel welletjes. Het was Mabel die met het idee kwam om een spectaculaire niesaanval te faken toen Stefaans moeder voor de zoveelste keer op rij ons kwam vervelen met een gesprek over "het fameuze ongeluk". Mevrouw Edith, Stefaans moeder, negeerde de niesaanval, alsof het er niet vingerdik bovenop lag dat Mabel niet écht niesde. Noa en ik daarentegen, konden ons helemaal niet serieus houden. We moesten zo hard lachen dat onze buiken pijn deden en Stafaans moeder stampvoetend van woede wegstormde. Daarna wisselden we elkaar af: telkens wanneer iemand zich geroepen voelde om met ons te praten over Mabels ongeluk, bedacht één van ons iets om de anderen aan het lachen te brengen. Het werd ons niet in dank afgenomen, maar uiteindelijk kregen we wel wat we wilden: iedereen liet ons met rust. Mabels ongeluk was doorheen de jaren steeds meer naar de achtergrond verdwenen, zodat het leek alsof het nooit gebeurd was. Na verloop van tijd voelde niemand nog de aandrang om er met ons over te spreken. We zwegen en vergaten. Misschien wel omdat we de hele tijd plezier maakten. Er was altijd wel iets om te doen. Boomhutten bouwen, zwemmen, door de velden rennen, op avontuur trekken, samen winkelen of naar de cinema gaan... we verveelden ons nooit. En alles deden we met ons drieën. Niets haalde ons uit elkaar. Niet Mabels ongeluk of Noa's openbeenbreuk, waarna ze wekenlang in een rolstoel moest doorbrengen. Of de zomervakantie die ik bij mijn tante in Oostenrijk door moest brengen. Tot Bastiaan op het toneel verscheen. Hij was het soort jongen dat niet onopgemerkt voorbij gaat. Hij was knap, sportief, twee jaar ouder én verliefd op Noa. Natuurlijk begreep ik ook toen al dat een jongen als hij zich niet zomaar laat afwijzen, maar ik had niet verwacht dat hij zo belangrijk zou worden in Noa's leven. Mabel, Noa en ik waren de eerste dag in de middelbare school samen in een hoekje op de speelplaats gaan zitten onder een reusachtige wilg. Ik had me voorgesteld dat het altijd zo zou zijn. Wij, de Panda's, samen vanuit de schaduw glurend naar de andere tieners die luid door elkaar liepen of balsporten speelden. Maar zo geschiedde het niet, alvast niet als het van Bastiaan afhing. En zo gebeurde het dat Mabel en ik daar steeds vaker met z'n tweetjes zaten, kijkend naar de rest van de speelplaats, en vooral naar Noa en Bastiaan, die zich als een onscheidbare eenheid over de speelplaats bewogen. Natuurlijk zaten we wel samen in de klas. Daar kon Bastiaan gelukkig niet tussenkomen. Maar het was niet meer hetzelfde als vroeger. De Panda's, zoals ze eens geweest waren, waren geen vaste waarde meer. Het was op een vrijdag tijdens de namiddagspeeltijd dat Noa eindelijk nog eens naar ons toekwam. Zonder Bastiaan, wat me verwonderde. Het was al lente, maar nog steeds heel koud. Mabel en ik hadden dikke jassen aan en zaten tegen elkaar, zodat onze armen elkaar raakten, om zo warm mogelijk te blijven. Noa droeg enkel een hippe sweater en bleef voor ons staan, ze leek niet de neiging te voelen om naast ons te komen zitten, zoals we als kind altijd gedaan hadden. Toen hadden we er soms zelfs om geruzied wie in het midden mocht zitten en zo het warmst kon blijven. Het ging als een steek door mijn hart dat zij bleef staan. Noa, die met haar hippe sweater uit een tv-commercial ontsnapt leek te zijn, terwijl wij er uitzagen als eskimo's in onze ruime, vormloze jassen. "Hoi", begroette ze ons, alsof het een doodnormale zaak was dat zij ons kwam opzoeken tijdens de speeltijd. Mabel en ik wisselden een veelzeggende blik. "Zaterdagavond gaan we met wat vrienden naar De Paparazzi, dat is dat nieuwe café op de markt. Elena, Jeroen, Michiel, Thomas, Saskia, Bastiaan en ik. Als je zin hebt mag je ook komen..." "Mabel mag van haar moeder niet naar cafés, dat weet je best." Ik moest niet overleggen met Mabel om te antwoorden. Haar moeder had er een hekel aan dat haar kleding naar sigarettenrook stonk. Ze had haar altijd verboden om op café te gaan, dus hadden Noa en ik dat ook nooit gedaan. Toen we nog de drie Panda's waren dan toch, Bastiaan en zijn vrienden gingen regelmatig op café, ook net na school. En waar Bastiaan was, was Noa. "Mabel...?" Ik dacht eerst dat Noa de vraag nu rechtstreeks aan Mabel stelde, maar toen haar blik onbegrijpelijk op mij bleef rusten, kreeg ik een argwanend gevoel in mijn borst. Alsof iets niet klopte, al kon ik er de vinger niet meteen op leggen wat het was. "Mabel is dood, al vijf jaar, dat weet je, Lotte." Noa's grote, groene ogen lieten me niet los. Ze leken me zoveel te willen vertellen, maar ik luisterde niet naar hun onuitgesproken woorden. Het enige wat ik kon was naar Mabel kijken. Mijn mooie, lieve Mabel, die op haar vaste plekje onder de wilg naar de grond zat te staren met ogen gevuld met tranen. "Zeg dat niet, zeg dat niet!", schreeuw ik Noa toe, boos om het verdriet dat ze Mabel deed. Noa keek me nog enkele seconden betekenisvol aan, knikte toen berustend en liep zonder nog een woord te zeggen van ons weg. Troostend sloeg ik mijn armen om Mabel heen.    *** Het voelde onnatuurlijk om alleen door de gangen van de school te lopen. Ik miste Mabel aan mijn zijde, maar zij had me ook verzekerd dat dit de enige oplossing was. We hadden er een hele week samen over gebrainstormd. Er waren geen andere mogelijkheden. Ik moest dit doen en ik moest het alleen doen, daar was Mabel het mee eens. Het kostte me geen moeite om Noa te vinden. Zij was waar ze altijd was, bij de populaire groep. Ze leunde nonchalant tegen een locker en lachte om een grap die één van de anderen gemaakt moest hebben. Terwijl ze lachte, gooide ze haar haren wild in haar nek, waardoor ze net een filmster leek. Gehypnotiseerd door deze vertoning vergat ik bijna waarop ik hierheen was gekomen. Bijna. "Noa?", zei ik luid terwijl ik naar de groep toeliep, hun gesprek onderbrekend. Vele ogen keken me verbijsterd aan, maar voor mij bestond enkel Noa, die me met licht geopende mond verbaasd aanstaarde. "Hoi," antwoordde ze me. Haar stem klonk verveeld, maar haar ogen keken me nieuwsgierig aan. "Gaan jullie ook deze week weer naar dat café? De Papa-dinges?" "De Paparazzi," verbeterde ze me. "Ja, dat." "Uhm....ja," zei ze ongemakkelijk. "Goed, dan ga ik deze week met jullie mee. Heb je zin om die dag na school nog even iets bij me te eten?" Mijn vraag leek haar wat van haar stuk te brengen. Ze knipperde nerveus met haar ogen en er ontstond een kleine frons tussen haar wenkbrauwen. Miss populair viel even van haar troon door de verwijzing naar een vroegere traditie. Als kind aten we elke zaterdagavond bij mij thuis. Eerst koekjes die mijn moeder bakte, maar nadien bereidde ik zelf kleine maaltijden voor hen. Eieren, pannenkoeken, cakes, maar nadien ook hele maaltijden. "Oké," zei ze. Eén kort woord, waarin zoveel emoties doorklonken. Nostalgie, verdriet, maar ook opluchting, vond ik. Zonder verdere afspraken te maken, draaide ik me om en ging terug naar waar ik hoorde: bij Mabel onder de wilg. "Zie je nu wel, het lukt vast," Noa ze. "We kunnen vriendinnen blijven én met nieuwe mensen omgaan. Je vindt mijn vrienden vast leuk." Ik kauwde zwijgzaam op een stukje wortel. Terwijl ze wat eten bijnam, liet ik mijn blik even richting Mabel glijden. Die had het gehele etentje nog geen woord gezegd en keek me afwachtend aan. "Ik ga even het dessert halen," zei ik, terwijl ik in de keuken verdween. "Hmmmmmm! Chocomouse, mijn favoriet! Dat je dat onthouden hebt!" Noa's ogen keken me groot en vol verwachting aan. "Ja, hoe kon ik dat vergeten. Ik wilde iets speciaals voor je maken, vandaag is tenslotte een bijzondere dag." "Absoluut," bevestigde ze, met haar mond vol dessert. "Je vindt hen vast leuk, dat moet haast wel! Je hoeft helemaal niet meer op je eentje onder die stomme wilg te zitten, Lotte. Nooit meer! En dan is er nog iets, één van de jongens toonde een bijzondere interesse in je, hij is best schattig, ik stel je straks aan hem voor..." Maar wie die schattige jongen die mij leuk vond was, kwam ik nooit te weten, want Noa greep naar haar borst. Haar gezicht vertrok van pijn. Geschrokken keek ik naar Mabel. "Het duurt vast niet lang," stelde ze me gerust. En ze kreeg gelijk. Het duurde amper vijf minuten voor Noa's lichaam levenloos op de grond lag. Op haar lippen prijkte nog wat van het fatale goedje waar ze zo dol op was. Een speciaal gerecht voor een bijzondere gelegenheid, bedacht ik me. Mabel en ik wisselden geen woorden uit. Het was de enige oplossing, daar waren we het over eens geweest. En eigenlijk heb ik het altijd geweten, dat niets ooit tussen ons zou kunnen komen. Wij waren de Panda's, beste vrienden vanaf onze allereerste ontmoeting, en zo zal het altijd zijn. Al snel zag Noa in dat Bastiaan helemaal niet zoveel van haar hield als ze gedacht had, na de chocomouseavond negeerde hij haar volkomen. Het was alsof ze voor hem helemaal niet meer bestond. Hij kwam ook niet veel meer naar school na die avond, hij was vast van school veranderd of verhuisd. Het deed me plezier dat na haar relatie met Bastiaan alles weer was zoals vanouds, het was alsof hij nooit tussen ons gekomen was. Noa wisselde zelfs haar trendy kleding voor de gemakkelijke varianten die ze vroeger droeg. En daar zaten we dan weer met z'n drieën onder onze wilg, aan de rand van de speelplaats, in onze vormloze jassen. Noa, Mabel en ik. Drie vriendinnen voor altijd. Ik warmpjes in het midden.   

Fuaran
0 0

Het leven der mannequins

Het valt me zwaar te bemerken dat desondanks ik 24 op 24 werk, ik nog steeds niet het aanzien krijg dat ik verdien. Ik verkoop mijn hart en ziel aan de duivel des kapitaal en blijf bezeten door de illusie op vooruitgang en innovatie. Als alles in dit kwellende leven moet worden bereikt zonder resultaat of correcte beloning, hoe is er dan nog sprake van een (ver)standshouding. Proberen houdt een kans op mislukking in, falend vervalt men in angsten door massamedia's. Ze fluisteren het in de oren, overweldigen ook de ogen en andere zintuigen.   We aanvaarden ons lot, we berusten erin, zonder enige vraagstelling. Een duistere comfortzone, die we te graag bewonen, ook al zouden we er beter uit verhuizen. Ze brengt ons niets van veiligheid. We zijn allen verwaarloosd door een maatschappij, waarin we nummers zijn en ons enkel kunnen onderscheiden van de ander via lobby-ing , een goede investering en de perfecte marketing.   Ik ben gehavend. Buitenspel gezet door een corrupte ‘scheids’rechter. Narcistische creaties, ooh God heb jij ons zo geschapen? Heb jij dit ongelijke systeem willekeurig bepaald, zonder mensen, die het echt verdienen, de juiste kansen te geven? Ik kan het niet geloven dat jij, de vuile dieven van onze samenleving een meerwaarde geeft. Ik stel je echtheid bijna in vraag, ook al blijf ik net zoals de anderen je vereren. Ik weet niet beter. Ik durf niet meer. Ik heb reeds te veel beleefd, dat ik niet meer kan leven, laat staan dromen. Ze worden ons afgenomen, nog voor we ze zelfs kunnen ervaren.   Onze creativiteit en fantasie verziekt door hypocrieten, die met hun ‘ultimatum’ liever de wereld teniet zien gaan, nog voor er iets aan te willen veranderen. Controle en misplaatst machtsmisbruik geheiligd door zijn middelen, namelijk de overheersing van het redenaarstalenten. Wat valt er nog te valideren? We zijn allen minieme wezens, verbonden, toch liever blind.   Wij zijn niet zo speciaal als we zelf denken, kijk naar het universum, met voor ons als Aarde, de voornaamste onderdelen: Jupiter, en de zon een balans in grootheid. Deze twee hemellichamen alleen al doen ons wegcijferen, wie zijn wij om het te willen beheersen? Een voor een vallen we ten prooi aan de zeven hoofdzonden.   Ik was ooit een gelukkig persoon, dom en naief, misschien is het begrip geluk wel te relatief om te definiëren. Het is een juiste mindset gecombineerd met een gebrek aan stressoren, die in beuken op onze fysiologie.   Vrij was ik toen. Blij het zonnetje met de nooit eindigende energie te zijn. Velen bemerkten me, droegen normale kleren, maar bleken waren undercover saligia’s. Ik heb me laten verleiden, ik stapte bijna mee in het rijtje. Vrijheid is een utopie. Niets is meer idealistisch als de liefde. Terwijl het enkel een aantal chemisch bindingen zijn voor de bevordering van ons enige doel voortplanting. Ik kan dit niet, daarom dat ik net op tijd ontsnappen kon. Ik was een prototype. Nu ben ik een oudsider.   Ik zal nooit meer gelukkig zijn, want achter elk woord en elke daad schuilt er een onbewuste intentie, ik heb er bewijs van, ik wordt afgeschreven als mentaal gestoord. Ik behoor niet tot de mainstream, laat staan tot deze maatschappij vervuld met kwakzalverij en consumptie.   Ik ben enkel nog een schim van wie ik was. Ik zou me juist gelukkig moeten prijzen, ze laten het mij niet toe. Mijn demonen. Zij zullen mij altijd vergezellen in deze hel der overprikkeling.  Het enige dat me rest is acceptatie en memensis van de schone schijn der gelukkig-en vergetelheid.

S_Sence
3 0

Waar leggen we het nu

Afronden. We moeten het afronden. “Als het moet, dan moet het”. Wacht even. Ik vraag me af waarom het moet? Want ze zeggen toch evengoed “Alles mag, niets moet?” Wat klinkt het luidst? Wat echoot, wie fluistert, wie voegt werkelijk iets toe aan de stilte, wie zwijgt? Bon, mijn vragen spartelen tegen en tegenspartelen gaat steeds slechts voor even. Uiteindelijk is het altijd voor ieder een kwestie van accepteren. We moeten dus stillekes afronden.   Nog een vraag. Het komt niet voort uit uitstelgedrag, ik wil het echt graag weten: wat is dat dan, afronden? En hoe doe je dat met iets piekerig, iets dat zich niet laat vangen, dat gloeit, dat waait in de wind en danst op muziek. Kneed ik het het best samen? Het prikt een beetje. En prop ik het zo binnen de lijnen van een cirkel? Ik probeer het eens.   Ik geraak stilaan buiten het afgeronde geheel. Als voorbij een hek waaraan ik mijn kleren scheurde. En ik hoor het nog woelen achter mij. Ik wil dat het stilt. Ik wil dat alles zou kunnen stillen. En dan weer na een tijdje zijn eigen geluid aanneemt. Maar vanaf dan ook steeds weer kan stillen. Als iemand wil dat het stilt.   Zo, het zit er in, in de cirkel. Het is er in gepropt en opgeborgen. Zou het daar nu veilig zitten? Daarbinnen blijft het nog bestaan. En woekeren. Dat kan niet de bedoeling zijn. Tenzij het na een tijdje stilt, want iemand wil dat het stilt. Bovendien, waar leggen we het nu. Deze cirkel is slechts schijnbaar rond, er zullen nog vragen komen.   Het zou moeten kunnen doven als een smeulend vuurtje – want het is waar dat het warmte gaf. Neen, want dat het als as uiteen valt, dat wil ik niet. Dat het vervliegt en verdampt, evenmin. Weg is zo... weg. Het zijn geen stappen waarop je kan terugkomen. De theepot 'Himalaya' die we leegdronken, kunnen we er toch ook niet terug uitgieten.   Weet je wat het mag van mij? Het mag zoals een zonsondergang gaan. Mee met de zon onder gaan. En wanneer de zon terug opkomt, zal het er deel van geworden zijn. Want het is waar dat het straalde. En het werpt vanaf nu mee een nieuw licht op de te komen nieuwe dagen.

Jill Marchant
0 0
Tip

Wie zijt gij?

Hé!Gij daar.Ja gij. Denkt gij daar soms over na, over wie ge nu echt zijt?Over wat ge echt wilt?Of ge op mannen valt, of op vrouwen, of op dieren? Of misschien op niks? Wéét gij dat? Weet gij dat écht?   Ik denk daar dikwijls over na.Over wie ik nu echt ben, over waarom en en hoe.Over wat mijn persoonlijkheid definieert.En wat dat eigenlijk is, mijn ‘persoonlijkheid’.Een schoon woord is’t alleszins niet.   Dat klinkt misschien wel heel evident allemaal.Misschien hoort ge dat allemaal al wel te weten als ge vijf zijt.Maar ik vind dat serieus moeilijke vragen.   Soms knijp ik heel erg hard mijn ogen dicht en maak ik een opsomming van wat ik wel en niet leuk vind.Misschien dat ‘t u dan wel ineens te binnen schiet, wie ge eigenlijk zijt.Snapt ge?   Ik doe het effe voor.Ogen dicht. Héél erg dicht. Knijpen tot ge niet meer kunt.En denken dat ge helemaal in het topje van een vuurtoren zit.   Klaar?   Ik hou van slapen in frisse lakens, helemaal in’t wit. Ik hou waanzinnig van van kaas, echt van elke kaas die er maar is gemaakt. Ik hou van boeken. Zowel van de geur als van ze kunnen lezen. Ze verzamelen. Ik hou ervan mijn kat te kunnen roepen met alleen mijn ogen. Van Sanseveria’s. Van vossen. Van slimmer worden, alhoewel ik niet het gevoel heb dat dat nog gebeurd. Van ouderwetse gloeilampen – van lang in bad gaan – van de soundtrack van ‘Into the Wild’, nee van de hele film eigenlijk – van die kleine cinema waar ge met uw glaasje rood binnen moogt en waar ze altijd goeie films spelen. Ik hou van lang en ver op reis gaan, maar tegelijkertijd ook weer niet want dan ga ik mij schuldig voelen omdat ergens aan de andere kant van de wereld iemand leeft die veel meer capaciteiten heeft en een veel beter mens is, en toch veel minder kansen heeft gekregen dan ik.   Ik hou niet van snotterige eieren – mensen die vragen hoe het met u is om zo toch maar over zichzelf te kunnen beginnen – van mijn eigen sociale ongemakkelijkheid – sabayon (iedereen vindt dat hét van hét, maar ik begrijp er niks van) – onrechtvaardigheid. Ik hou niet van bang zijn van inbrekers – van ‘s nachts niet kunnen slapen – van nadenken over de toekomst van deze wereld – van de eisen die ik mezelf soms opleg – van het getal elf – van niet weten waar ik nu eigenlijk goed in ben en waar niet – van films in zwart-wit – van de geur van narcissen. Ik wordt daar misselijk van.   Voila.En als ge al die puntjes aan elkaar verbindt, dan weet ge weer een klein beetje meer van wie ge zijt.   Nu is’t aan u. Doet u ogen maar toe.  

Annelies Leysen
64 1

De zin van waanzin

Als ik niet op exact het juiste moment gekeken had, zou ik niet eens geweten hebben dat hij er nog was. Daar stonden we dan, ik ademloos kijkend naar hem, terwijl hij me zelfzeker doch betrapt aanstaart. Slechts één ogenblik duurde onze ontmoeting. Daarna was het moment alweer voorbij. Verbijsterd staar ik naar het raam, in wiens weerspiegeling zijn aanwezigheid even geleden nog onthuld werd.Ik draai me om, razendsnel, maar zie enkel wat ik verwachtte te zien: ik ben alleen. En zo gaat het elke keer. Eén kort moment van onthulling, waarna ik soms maandenlang geen teken van hem zie. Soms denk ik dat hij voorgoed weg is, dat hij eindelijk rust gevonden heeft. Tot hij me weer het tegendeel bewijst, natuurlijk. Want rust vindt hij niet.In mijn borstkas gaat mijn hart als een razende tekeer. Ik leg mijn hand erop, om het te sussen. Sssssssst..sssssst....sssssst. Mijn ritmisch sussen stemt mij rustig, maar mijn hart laat zich niet voor de gek houden. Of beter nog: zijn hart laat zich niet voor de gek houden. Het is vreemd hoe het hart dat al meer dan een jaar in mijn borstkas huist, nog steeds vreemd aanvoelt. Alsof mijn mankerende hart, wiens slagen van bij mijn geboorte geteld waren, beter bij mij hoorde dan deze perfect functionerende vervanger.Ik denk wel eens dat ik dit nieuwe hart tekort doe. Dat het te fel voor me is, te levenslustig. Ik ben niet avontuurlijk genoeg, te braaf misschien. Ik zou kunnen zeggen dat dat zo is omdat ik mijn hele leven geleefd heb als een kasplantje, bang dat de kleinste opwinding het einde van mijn fragiele hart betekenen zou, maar dat zou een leugen zijn. De waarheid is: ik had me al neergelegd bij mijn noodlot. Ik had mijn einde reeds aanvaard. De kans dat er een functionerend hart voor mij zou zijn, een hart dat door mijn lichaam geaccepteerd zou worden... daar had ik nooit op gerekend. Ik had er niet eens van durven dromen. Mijn hoop op een lang leven had ik al begraven.Wanneer ik een hand voel op mijn schouder, weet ik dat hij voor mij is gekomen. Deze keer draai ik me niet om. Ik weet dat daar niets dan leegte op mij wacht."Ik ben in de kamer hiernaast, kom maar wanneer je er klaar voor bent." Hij fluistert de woorden in mijn oor. Daarna voel ik hoe de hand van mijn schouder verdwijnt. "Neem je tijd," voegt hij geruststellend toe, maar die heb ik niet nodig, ik heb al zoveel meer tijd gehad dan verwacht. Tijd om na te denken. Ik ben er klaar voor.Vastbesloten ga ik naar de slaapkamer. In een oogopslag neem ik de ruimte in me op. Op de grond ligt een eenvoudige matras zonder bedframe. De muren zijn kaal en leeg. In een hoek staat een aantal onuitgepakte kartonnen dozen. In tegenstelling tot mijn nieuwe hart, past deze kamer uitstekend bij mij. Ze sluit aan bij de manier waarop ik in het leven sta. Ik ben slechts een voorbijganger, niet in staat me te vestigen, ik blijf hier niet.In het midden van de kamer ligt hij. Hij is mooi op een onopvallende manier, realiseer ik me. Het soort mooi dat je niet in tijdschriften of in films ziet. Zijn bleke gezicht heeft iets vriendelijks, een ondefinieerbare trek waardoor je hem wel sympathiek moet vinden. Zelfs nu zijn lichaam volledig ontspannen neerligt, verhult zijn kleding de vorm van zijn spieren niet. Aangedaan door het serene beeld van de onbeweeglijke jongeman, kniel ik naast hem neer. Zelfzeker plaats ik mijn in elkaar geslagen handen op zijn borstbeen. Met korte stoten pomp ik het bloed door zijn lichaam. Dertig keer op rij. Ik voel geen angst om mijn lichaam te overbelasten, want het is zijn gezonde hart dat in mij huist. Ik maak zijn luchtweg vrij door zijn hoofd te liften, knijp zijn neus dicht en plaats mijn lippen op de zijne. Zijn lippen voelen koud en slap aan. Bijna verwijder ik mijn mond van de zijne, maar dan herneem ik me. Twee keer laat ik verse lucht in zijn longen stromen. Daarna verlaten mijn lippen de zijne. Wanneer ik mijn handen weer op zijn borstbeen plaats om de hartmassage te hervatten, proest hij het uit. Zijn heldergroene ogen openen zich en staren me verbijsterd aan. Onder de palm van mijn hand pompt nu zijn herleefde hart weer bloed door zijn lichaam. Mijn ademhaling stokt. Mijn eigen zwakke hart protesteert hevig tegen de net uitgevoerde inspanning. Het duizelt me. Ik heb een jaar de tijd gehad om na te denken, spreek ik mezelf moed in. Ik ben er klaar voor.Met mijn laatste kracht verplaats ik mijn handen van zijn borst naar zijn keel. Zijn ogen sperren zich wagenwijd open wanneer ik mijn volledige gewicht gebruik om zijn luchtweg toe te knijpen. Zijn armen grijpen wanhopig om zich heen, maar slagen er niet in mijn handen van zijn keel te verwijderen. Net zoals bij de hartmassage tel ik tot dertig. Opnieuw en opnieuw, tot zijn lichaam al lang geen verzet meer biedt. Zijn ogen staren me angstig aan, maar zijn hart bonkt energiek en levenslustig in mijn borstkas. Ik sta op en adem drie keer diep in en uit. Mijn lichaam giert nog na door de adrenaline van de inspanning. Mijn hart gaat als een razende tekeer en ik volg het. Voor het eerst zijn wij werkelijk één. Ik stap naar de stapel kartonnen dozen en haal het eerste voorwerp eruit. Zonder veel aandacht te besteden aan de afbeelding op het doek, hang ik het schilderij aan de muur. Ik neem een aantal stappen achteruit om het te bestuderen. Wanneer ik weer naar de kartonnen dozen toeloop om het volgende voorwerp uit te pakken, zie ik dat het lichaam van de jongeman verdwenen is. Ik weet dat hij niet terug zal keren. Ik voel het aan het krachtige hart dat in mijn borstkas slaat. Het hart dat nu eindelijk echt van mij is. Ik ben er klaar voor. Ik leef. 

Fuaran
0 0

Witte luister

Absurd, zoals gewoonlijk is zijn droom gespaard gebleven van de logica, liefdeslyriek. De haan kraait straks een einde aan de nacht, geluid dat hem de ogen opent spijts de weerstand. Een verse onderbroek, wat melk met brood en zijn recente aankoop, een fiets helpt hem op weg. Te Bellem is een spoorwegbrug, twee verzakkingen daar boven past U beter op of U vaart slecht, belandt er met Uw voertuig, klikken en Uw klakken in de steile berm. Somers, onderweg ingehaald door een kannibaal, zo’n kilometervreter in een strakgetrokken pak, stopt boven op die brug en voelt, weet : de pennywafel is hij thuis vergeten. Zon en argwaan in de verte, een zottighedenpanorama met twee weggelopen lama’s, een wereld, witte vogel, Zwaenepoel zat lang geleden in zijn klas.   Somers hoeft niet na te denken. Het is pas over een maand of twee, het communiefeest van het petekindje, de mensen, de speech die hij niet geven zal over coquetterie, kroketjes, les comédies de l'amour et des bétises humaines. Modegoden, hapjes, goede smaak van roodgekookte kreeft, het meisje neergedaald, opgekleed, -getut, de glazen vleugeltjes apart verpakt en de traiteur hij zweet, zoals de kaasplateau, die wacht in de veranda.   Ongeloof, als hij dichter komt, de zwaan op de oever beter ziet, kwajongens allicht, Picasso want de nek ligt in een knoop gelijk een witte krakeling. Het dier verlost, zijn handgeklap, wintermugjes bij het water dansen op en neer. Somers moet verder. Ook voorbij het huis, van de dokter die hem vorig jaar het leven nog gered heeft toen hij luisterde.       uit de reeks  'Ignace Somers'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Uitgestippeld welzijn

Een joekel van een koeienbel en bloemen aan het stuur. Zo reden ze rond dezer dagen die tienermeiden maar Somers dacht dat ze niet echt waren; ze bloeiden immers ook in de winter en hij meende gezien te hebben dat bij zonsondergang de bloemblaadjes zich niet sloten. Zekerheid had hij niet en in dit post-dutroux tijdperk ware het ongeoorloofd de jonge fietsers te benaderen, laat staan een bloem aan te raken, naar hun hippiness te peilen, te zien of hij een paardenantwoord zou krijgen. Grieks was tegenwoordig weer volledig voor de Grieken of het eten in dat welbepaalde restaurant; paardenvlees was hoe dan ook weer uit de mode nu BSE door iedereen vergeten was en Provo weer gewoon een stad in Utah.   Professionele hondenbrokken, dat kan ook en een groene stip ware gepast, op de voorhoofden van die meiden, aangebracht door de vader, of de geëmancipeerde moeder, die de tijd gekomen achtte dat het jonge vlees dat zij voortgebracht hadden, bejaagd mocht worden, al was Somers alles behalve een casanova. Hij zou zichzelf in dat geval hoogstens iets langer de blik op het groen gunnen, hopende er niet scheel van te worden.   Op de vooravond had hij nog gelukspillen gekocht, maar blijkbaar waren het suppositoires en werd zijn aars daar minder blij van. Verder was hem onderweg een luis geruisloos de pels ingekropen, doch, van geluk gesproken, één enkele luis kon zich niet voortplanten; die taferelen werden hem bespaard en hij legde het diertje in het labiele poppenbedje waar het vroegtijdig stierf, wiegendood allicht.   Bij treurige dauw en droeve dageraad trok hij naar de winkel, telde de huizen niet en ook de gevelstenen bleven ongenummerd, net zoals Rainman nooit garnalen in de Noordzee vangt. Maakt de tijdelijkheid zich stilaan meester van de zienden en staren alle blinden in eeuwige cirkels?, vroeg Somers zich af.   Janmaat kwam wat te laat. De ketting van zijn brommer was kapot. Al snel was het beslist, die lompe lampadaire mocht aan tien euro de winkel in en ze zouden het samen wel flikken op één voormiddag, het lot oude boeken waarvan haast nog niets verkocht was, ging een oranje stip krijgen, hetgeen betekende : voortaan slechts vijftig cent en Somers gooide er nog snel die kramakkelige bundel bij. Gezelle, met al zijn brave tuinbouwgroene clichés en eeuwenoud gerijm, doch eerst een grote boodschap in het kleine vertrek. Somers dacht er aan McCarthy, spoelde ze door, die kleine replica, aan Roland Desruelles, Vondel, gerecycleerd drukwerk en plooide het netjes, geperforeerd toiletpapier.       uit de reeks  'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
0 0

Ander bier (slot)

Hij kreeg ook veel terug. In haar laatste brief meldde Fatima dat er in dierenspeciaalzaak Vogelparadijs te Mariakerke een koppeltje Timorese zwarte duiven te koop aangeboden werd. Met de woorden ‘tot gauw’ was ze geëindigd. Plan B en geen gele wisselsmeerders of spoorwegpolite zouden hem dan bij zijn pietje hebben. Kalkoengroene anorak aantrekken en kruipen zoude hij, achter in een oplegger, geladen met onderdelen bestemd voor de Volvo-fabriek te Mariakere. Een Roemeense trekker bracht hem wel naar zijn bestemming. Eerst naar Vogelparadijs om die duiven te aanschouwen, te controleren of die beesten wel degelijk zwart genoeg waren. Helaas, ‘gesloten wegens vogelgriep’ en Somers trok te voet verder, belde na drie straten stappen krop-in-de-keel aan bij Fatima. Er werd niet gezoend toen ze opendeed. Ze had rode wangen, Marokkaanse krullen, hoestte. “Gewoon de griep”, stelde ze hem gerust, zette gemberthee, sprak met schuchtere stem, ook over de gekke sprongen in zijn brieven, “alsof je de passages met ondraaglijke schoonheid weggelaten hebt”.   Hij zweeg, zoals altijd, moest, nodig, staarde op het toilet naar de lavendeltakjes. Daarna naar zijn nietszeggend exemplaar, ervoer beroering –de ranzige rijmelaar- door de geur van het afgescheiden vocht, net zoals eergisteren gisteren slecht schuimend theewater everyday unipils.   Somers ging het niet meer proberen, haar te strelen met zijn beide ogen; hij verstarde, slibde dicht. Had hij zich zitten volvreten met vette gedachten, spande zijn broek nu te veel en was dat op zijn prostaat gaan drukken waardoor hij wee voelde in de ballen?   Neen, hij wilde weg, weg van alles, vluchten, kop schouders lijf ergens langs de sporen laten liggen. Of alles in een doos met een proper etiket : twee dozijn belogen lezers + één belegen loser.   "Voor het containerpark", grinnikte Arabella.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks  'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
0 0

Ander bier (5)

19 februari, half zes en hij was van plan om deze avond een volgende, bloedhete brief met bestemming Mariakerke te schrijven (zeker geen sprookje over ene Ignace en het vallen van een appel naast een boom), speelde wat met zijn mansdeel en de gedachte aan een rauwe versie van The Love Boat, aan een kapitein met een zweepje, ellenlange, striemende ankerkoorden, zeegepaar, neptunuszaad, illegale lozingen, Ace die Julie McCoy mocht fotograferen terwijl ze het sap en de wondjes likte. Hij zocht nog een passend einde, een tedere nuance na de noodzakelijke pijn doch, hic et nunc, het duivenkot diende eerst gereinigd te worden, best nog voor zijn vliegend grijs terugkeerde.   En vlug want Arabella, de verantwoordelijke van de kringloopwinkel lag al in zijn sofa. Ze was een sociaal wezen, getrouwd, kinderloos en had een aardig balkonnetje. Met enkel een strookje scharlaken over haar rijpe vrucht lag ze daar, als inspiratiebron, als ongenaakbare muze dankzij wie Somers de brief zou kunnen schrijven en zijn Oostvlaamse droom stilaan verwezenlijken. Meer niet. Hij zou haar te drinken aanbieden uit het witte flesje dat er vandaag net iets boller uitzag terwijl zij, net als Danaë, slechts door de gouden regen bevrucht konde worden. “Van squirting word je echt niet zwanger”, opperde Arabella. Ze wierp het zwarte voetbalbroekje in zijn richthing en streelde daarna haar langorige konijntje dat ze medegebracht had. Somers glimlachte doend alsof hij alles begreep. “Gouden regen is een plant met giftige peulen”, antwoordde hij dwaasweg.   Hij schonk zichzelf een Gulden Draak uit maar het viel hem zwaar, keek op. Arabella lag er niet meer, had daar ook nooit gelegen in zijn sofa. Zieke verzinsels. Ze was na het werk gewoon naar huis gestapt, had nog naar Somers gezwaaid en iets verder zes blikjes voetbalbier gekocht, misschien zelfs enkele flesjes Vedett Extra Blond, die nobele godenpis. Voor haar man, die zeker was : Aalborg werd een gemakkelijke prooi voor Club Brugge.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks  'Ignace Somers' 

Bernd Vanderbilt
3 0

Ander bier (4)

De dag was weder braaf voorbijgetrokken zonder zich al te gek te vertakken in rare verbeeldingen en Ons Kookboek, dat aan vier euro geprijsd stond, was verkocht geraakt, aan een man zowaar. Die had lang voor het boekenrek gestaan. Had hij gewoon vol bewondering staan kijken hoe Somers alle boekjes vol recepturen perfect van klein naar groot gerangsschikt had? Of toonde hij daadwerkelijk een zeer grote interesse in de kookkunst, daarbij vrijwillig de slaaf geworden van enkele potten, pannen en een al te scherp patattenmesje?   Een Safirglas had Somers voor zichzelf gekocht, voor de luttele prijs van vijftig cent. Die steenezels, die heden ten dage overal verkondigden dat Cara Pils ‘cultureel erfgoed’ was, hadden het goed mis. Als men echt van vergane glorie, culturele teloorgang, zelfs van een misdaad kon spreken, dan betrof het veeleer het ter ziele gaan van Safir. De unipilsmagnaten, die op hun vergaderingen enkel Château Pénétrus dronken en zich niet zouden verlagen om ook maar één druppel van de door hen tot bier verklaarde unipils door te slikken, hadden erover beslist : Safir is voortaan zaliger. Geen kat die daar verder over gekraaid had. Enkel Bierman, de imaginaire vriend van Somers, had het op zijn blog over “de lafhartige moord op een pils met een zeer volle en aangenaam bittere smaak”. De sinds 1939 gebrouwen ‘hoerenkotpils’ was niet meer en Somers staarde naar het glas, niet wetende wat ermee aan te vangen. Gewoon ter nagedachtenis dan, ook aan de twijfelachtige etablissementen in de streek waar hij opgegroeid was : de Red Light te Maldegem en de Clio te Donk, waar pastoor Dewitte vaste klant was in de jaren van Somers’ laatste geloofstwijfel. In het college hadden ze nog geprobeerd het erin te wrijven, door meditatie die weifelaar het licht te laten zien, maar hij had daarbij alleen maar aan fonkelende ogen boven in gehoorzaam, controleerbaar vlees met blonde lokken kunnen denken.   In de Clio en de Red Light, daar dronken de klanten al decennia lang Safir omdat ze die chichi bubbles kotsbeu waren en ook de 'nieuwe dienster' spoelde die andere zaken het liefst door met dit gerstevocht van brouwerij De Gheest. Gewoon parate kennis prevelde Somers, alsof hij aan de leegte uitleg verschuldigd was. Hij zoude er nooit durven binnengaan Somers, die toen al een mensenschuwe, het uitsluitend met zichzelf doende snaak was. Al had hij ooit wel eens aan een ezelin als liefdessubject gedacht, en die siliconeloze meisjes uit de Snoecks, die woonden veel te ver.   Safir deed hem ook aan zijn verwekker denken. Die man, zijn vader dus, had op een dag besloten om bij Discount Maenhout te Sijsele tien bakken te kopen van dit merk. ‘In reclame’ en hij zoude zo wel zeventig Belgische franken besparen. De aankoop konde maar net achter in het voertuig met nummerplaat C.492.P, een grijze Ford Taunus ‘stationwagon’ (best op zijn Engels uit te spreken). Zijn vader, een vrouwenzot, met straks in de kelder tien bakken cabardouchebier, mama's zwijgen, krampachtig, Croky, mijmeringen en een zakje paprika chips voor de jonge Somers.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks  'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
2 0

Ander bier (3)

Dat Arabella op Stella rijmde, ochot so what. Ze was lief, gaf hem wat te doen en dat hield hem elders weg. Haar bril was zwaar en ze had mooie mildgele manen. Geen Shetlandpony, shit neen. Een malse merrie met welgevormde poten, hoge hakken soms. Zij werd enkel door droomprinsen bereden, durfde Somers te vermoeden. Menselijke oren had ze, waaraan hij wel eens iets vertelde, over zijn duiven, over die eenden en die konijnen, alles door elkaar zoals dat lekker mocht bij haar; dat hij het ooit in Brugge op de Potterierei gezien had : een tamme witte eend samen met wildgekleurde woerd, een exotisch koppeltje, verduveld interessant en bij die beestjes ging dat blijkbaar wel als vanzelf, maar bij die vogels : "Verdorie, postduiven doen het enkel met postduiven". En over hoe zacht een konijn wel kan zijn. Het gevoel zat hem nog in de vingers. Alhoewel, dat witte exemplaar met die rode ogen, waarvoor hij als kind eigenhandig een kotje getimmerd had, was eerder onaaibaar, zelfs behoorlijk agressief bij momenten. De kiekendraad gewoon doorgebeten door dat naamloze schepsel. Hij maar wanhopen, rondlopen, zijn padvindersogen wijd open om het (‘het’ was een ‘zij’) terug te vinden. Des avonds dan toch, en waar? Bij die holen van de wilde konijnen, ver weg achter de populieren, voorbij het kapbos, daar bij de braambesstruiken.   Enkele weten later –hij had al gemerkt dat zijn konijn zich de zachtste haartjes begon uit te trekken om iets te maken wat op een nest geleek- was het zover : een tiental kleintjes werd geworpen, alle met de kleuren van hun onder de bramen levende vader. De dominantie van de wilde genen, dacht het brein van de jonge Somers. Maar bij zijn gedomesticeerde duiven lukte dat allemaal niet : geen wilde vogel die hem aan zwarte piepers wilde helpen. Was het maar zo gemakkelijk als bij hortensia’s. Men gooide wat aluin op de wortels en hopla : de bloemen waren blauw. Of zoals bij die forellen : men gaf ze carotenen te eten en het vlees, het vissenvlees, werd zalmroze en die bedriegers konden die beesten gemakkelijk duurder verkopen als ware het in het wild gevangen zalm. "Dan geeft men best geen aluin aan forellen", lachte Arabella. Somers genoot van haar lach, die hem prikkelde en ook thuis wel eens door zijn gedachten schoot net voordat zijn linkerhand zich ging vullen met het zaad. Voor de duiven en zonder kleurstoffen. Ze vertelde nog iets over de betere bereiding, met pittige Rodenbach en pruimen, maar Somers konde zich enkel nog een voorstelling maken van haar ‘lekkere konijn’, het kroezeldier dat erin slaagde circa tachtig centimeter boven de grond te blijven zweven. Het bestaan ervan deed hem dromen, van een godsvruchtig circus en een verzwelgend mirakel.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks  'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
0 0