Zoeken

De stad

1. Hij wandelde en zag de tuinen – de druppels water vielen op zijn hoofd – er waren nergens mensen in de straten, de lucht was donker en hij was alleen.   Toen hij een kind was zag hij achter alle vensters het bewegen van gordijn en altijd was hij bang dat uit zo’n raam een vuist zou opgestoken worden.   Maar nu hij groot was zag hij dat uit al die lege vensters niet gekeken werd en wilde hij niets liever dan dat men uit zo’n raam zou roepen, schelden, iets.   Dat ze hem zagen.   Er was niemand in de lege straten. Hij wist niet meer wat hij hier deed. Zijn voeten liepen naar de plaatsen waar hij nooit eerder was geweest. Vooral als kind.   Vooral als kind.   Het duister was als een beschermend laken, maar kil – de nachten die hij doorbracht zonder deken (hij voelde nog de kou) tegen een boom geleund omdat hij   niet meer durfde: dat ene huis tussen de vele binnengaan uit angst dat het zijn huis niet was (en dat was vroeger). Nu wist hij zeker dat het zijn huis niet was.   Dus als een droom liep hij nu door de blinde straten al bleef de regen vallen.   2. Hij wist dat hij zijn gras moest maaien in de voortuin en ooit het onkruid moest verdelgen dat al voor de ramen groeide. Misschien was het te laat.   Want aan de voorkant van het huis viel toch geen licht naar binnen en niemand keek ooit naar zijn tuin dus niemand zou het zien als hij er planten –   Hij was alleen.   Soms dacht hij nog dat hij de wereld haatte met al zijn schimmen en zijn smalle straten. Maar dan besefte hij dat hij zelfs dat niet kon. Niet meer.   Een bos, hoe zag een bos eruit?   De ochtend zou als licht zijn, en niet het opentrekken van gordijnen, de zon zou in zijn moeë ogen priemen hij zou niet zelf de ochtend moeten maken.   Teleurstelling van mist achter het raam.   3. Misschien moest hij zijn bed niet meer verlaten de blinden laten waar ze altijd waren het duister van de nacht en van de dag was toch gelijk voor hem.   Hij zou de dagen niet meer tellen.   Als hij na jaren buiten kwam, zou iemand hem dan kennen? Wie haalde hem nog ooit uit deze tuin vol onkruid waarin je niet meer kon verdwalen   waarin geen rozen bloeiden om doorheen te hakken. Zou iemand ooit zijn stoep –   Wie keek er nog naar hem vanuit de warmgedampte ruiten van de andere huizen?   Wie nam hem mee?

jépé
0 0

kunstelend plooien wat dialoog wil

niet, het is niet, niet dat ik uweg, op stang, over de klingof zowil jagenmaar jagen, dat doe ik, na. iets, in de zin, tegenstelling met, niets. nee, simpel, ben ik, maar niet wanneer, nee,maar niet waarom, ben ik, moeilijk doe ik ooktoch ben ik, zo, gewoon, als. als bakstenen, nog verpakt, in plastic, dat ook nog,emotieloos, gekunsteld, toch ondoordacht, want soms regent het op hen, op me, en dan wekt daar, meestal binnen afzienbare afstand van een wekker, emotie, maar meestal dan, in de zin van, afzienbaar enkel toepasselijk, toepasbaar, of zegbaar over een periode, die dan ook nog niet lang dient te zijn, laten we de afstand betrekkelijk noemen, overbrugbaar op zijn minst mits, mits. hopelijk. als bakstenen dus, bakstenen, bakstenen die van geen huis weten, geven, geen thuis, welk woord dan ook heilig mag wezen, weet van houden niet wat aan te vangen met hem, dat is, ik, mij, mezelf, ziet u stiekem genot hier kent geen methode, geen reden tot verbergen, want mijn knedende handen die die bakstenen, tweemaal die, die bakstenen met liefde de oven instuwen, duwen en iets stapelen, om de bouw, het overzicht, uitzicht ervan, dan, aan een ander over te laten, het zou bijna durven zeggen, als een schilderij, leest u mij af, gebruik uw vinger om mij te volgen, en de vervalser, weet, weet ik, weet u, weet het altijd beter, is van een doorzicht, een inzicht voorzien, dat van handen een gebaar maakt, dat hem niet toebehoort, maar wel de ogen die zijn werk aanschouwen. slagen, dat willen, dat kan ik niet, het is niet, niet dat ik uweg, op stang, over de klingof zowil jagenmaar jagen, dat doe ik, na.

IT
0 0

Ledematenweegschaal

Tussen de wakke blaren plantte een trieste voet zich neer. De kuit rillend van inspanning. Een vochtige voet, hunkerend naar een handdoek en droge sokken.   In zijn armen de stukken van een zoon. Een zoon die hij nooit goed had gekend.   Als mensen beginnen schreeuwen en jij weet niet waarom.   Een tweede voet plantte zich neer, en twee knieën, geknikt door teveel aan volharding.   Doorheen de dikke flarden mist kon hij nauwelijks zien wat er in zijn handen lag.   Dat besef sijpelde koud door zijn ledematen.   Dagenlang al in deze bossen die hij dacht te kennen maar toch in verdwaalde.   Met zijn zoon in zijn handen, en zijn handen in zijn haar.   Afleiding is belangrijk, en de eerste dag had hij daar geen gebrek aan gehad. Zijn zoon had hem beschuldigd, met ogen vol angst, droog van paranoia, dat ze verdwaald waren door zijn schuld.   De jongen wist niet beter, hield de man zich toen voor. Hij heeft een grote mond, maar een klein hartje. En hij is zo snel moe.   Hij moet gedragen worden.   Paranoïde, droge ogen, het enige droge in deze vochtige vallei, hadden voor zijn afleiding gezorgd, en daar was hij nu dankbaar om, want afleiding is hetgeen een kostbaar goed zou worden.   Hij was meer dan een vader, hij was een man met trots in zijn leven, die macht had over anderen.    Hij beet op zijn kaken. Niet alleen omdat hij honger had, maar ook om die verdomde mist uit zijn mond te houden. Het gat van de tand die zijn zoon de eerste dag had uitgemept pikte als hij zijn mond opendeed.   Het is oorlog en we moeten vluchten of iedereen gaat eraan.   ‘Zie je wel,’ zou zijn wijlen moeder gezegd hebben moest ze niet jaren eerder in haar bed zijn gestorven. Met haar hoofd vol angst na een leven lang oorlog vrezen in vrede.   Maar nu was het zover. De aap in hem vluchtte terug naar waar ooit menselijkheid onstond miljoenen jaren geleden: de bossen. Maar dan in het verkeerde continent.   Zijn zoon woog terug even zwaar als toen hij drie jaar was. Zijn zoontje.   Hij kon niets zien in de witte massa voor hem, net als op skivakantie, en ook nu, kon hij elk ogenblik geen grond meer onder zijn voeten voelen. Geen zicht, geen smaak, enkel het ruisen van zijn adem door de mist, en het gevoel van zijn zoontje in zijn armen. Meer had hij nooit gewenst.    Zijn zoon was zwaar en oud geworden.   Zijn vrouw was zwaar en oud geworden.   Hij daarentegen, voelde zich hetzelfde, maar dan tussen oude mensen.   Zwaar, oud, en dood.   In de middeleeuwen zou hij gehandicapten en criminelen zijn tegengekomen in dit bos, maar nu enkel gestalten van geschaduwde bomen. Daar legde hij zijn zoon neer, die ooit zoveel kansen had gehad, maar nu een mens in stukken was.   Prachtig hoofd dat ooit naar hem had opgekeken, maar hem de laatste jaren had beledigd.   'Een tijdbom. Die jongen gaat nog eens ontploffen.'   Het hoofd moest vergaan maar het hart zou hij houden. Om hem te vergezellen door zijn tocht in de mist. Door het bos van de mensheid, op zoek naar resten goedheid.                      

Han Hartmoed
0 0

Een bloedstollend feest

De nacht viel over de dichtbeboste heuvels van het Land Voorbij de Wouden. In een doodse, onheilspellende stilte bescheen een met wolken omfloerste maan het kasteel op de heuvel, en gaf het een griezelige aanblik. Ver weg in het woud scheurde het gehuil van een eenzame wolf de nacht in twee.   Een hobbelige weg dwars door de bossen was de enige toegangsweg naar het kasteel, dat omringd was door een ravijn. De ophaalbrug was opgetrokken, waardoor het slot, met zijn vele spitse torentjes en zijn honderden kamers, als hermetisch van de rest van de wereld afgesloten was. In vele kamers brandde licht, waardoor men vermoedde dat het bewoond was. Niemand had echter ooit iemand zien binnen- of buitengaan en de valbrug werd nooit neergelaten. In het dorp in de vallei leefde het vermoeden dat hier wel eens de sleutel kon liggen voor de vele verdachte verdwijningen in de streek, al had niemand enig bewijs om dit vermoeden te staven.   Van de maan ging een mysterieus licht uit, een seconde maar, niemand die het opmerkte. De stralenbundel richtte zich op het kasteel, zweefde over het ravijn, onder de spleet tussen de arduinen dorpel en de massieve houten poort naar binnen, de krakende trap op naar boven. Als iemand zich al in de buurt had gewaagd op dat ogenblik, zou die zeker verstijfd hebben toegekeken hoe het licht zich een weg naar boven baande, zich door het sleutelgat van de zolderdeur wrong, en daar door een kier onder het deksel van een doodskist verdween.   Gedurende enkele seconden gebeurde er niets. Tot piepend het deksel van de doodskist openging en een witte gestalte uit de kist oprees...   “Hhhhmmmmppffff!!!”, zuchtte de verschijning, die zich weldadig uitrekte en een angstaanjagende lach liet horen. “Aaarghh, wat heb ik goed geslapen vandaag! Maar genoeg gerust nu. Tijd om op te staan!”   De gedaante had een doorschijnend witte huid, holle ogen, zwart haar en lange nagels. Hij kroop de kist uit en stommelde naar de deur en de trap af. “Amai, mijn hoofd tolt en mijn maag voelt als een vat zuur,” klaagde hij luidop, “Stommeling! Waarom heb je vorige nacht ook zoveel groep A gedronken? Je weet dat je het niet kan verdragen.” Wat waar was. Groep A was totaal zijn ding niet. Keer op keer hield hij er een gevoel aan over alsof een vleermuis zijn maagwand aan het opvreten was. Maar het smaakte zo lekker zoet en hij kon er niet aan weerstaan. Hij zou zich beter bij groep B en O houden. En eventueel AB. Daar zat ook nog een beetje van de A-smaak in, maar hij hield er tenminste geen zwarte kater aan over.   Hij stommelde verder naar beneden, ging de badkamer binnen en keek in de spiegel. Niets te zien! Goed zo, alles was in orde. Natuurlijk was het dan wel moeilijker om zijn tanden in te steken en zijn cape juist aan te trekken. Als laatste vertegenwoordiger van zijn roemrijke adellijke geslacht hechtte hij veel belang aan een verzorgd uiterlijk.   “Morana!”, riep hij, en het galmde doorheen het hele kasteel. Spinnen kropen weg bij het horen van zijn stem en de ratten in de kelder bleven stokstijf zitten. Algauw hoorde hij voetstappen naderen. Hij herkende de lichte tred van zijn geliefde Morana, met haar 208 jaar een kleine honderd jaar jonger dan hijzelf, waardoor zijn soortgenoten hem soms groen van jaloezie nastaarden.   “Mijn lieffte Vrykolakaff”, kirde ze bij het binnenkomen, “Ik heb vo heerlijk gedroomd over vorige nacht. Ik fidder van verlangen voor wat onf komende nacht te wachten ftaat!”   “Kan ik geloven”, gromde Vrykolakas, “Maar wil je wel eerst je gebit insteken? Je uitspraak lijkt nergens naar!”   “Oei”, giechelde Morana, en ze haalde uit een ivoren doosje een hagelwit gebit dat ze snel in haar mond stak. “Zo, teerbeminde Vrykolakasje. Wat kan ik voor je doen dat je mij geroepen hebt?”   “Wil je mijn cape halen? Ondertussen vijl ik nog even mijn hoektanden bij. En zorg dan ook maar dat je klaar bent. Je weet dat we een rendez-vous hebben met Graaf Dracula en Adachi-Moor om de feesten in de vallei te gaan opluisteren.” De laatste opmerking ontlokte aan hem een duivelse lach, maar Morana liet een pruilmondje zien.   “Is dat die Japanse vleermuis met wie Dracula tegenwoordig zo opschept? Ik moet haar niet erg, weet je,” pruttelde ze.   “Hoe dan ook, je gaat mee,” sommeerde hij haar, “En je zorgt ervoor dat je je manieren houdt, hoor je.” De laatste keer dat ze ergens de pest in had gehad, had ze Graaf Dracula, een van zijn betere vrienden, en een belangrijke rader in zijn netwerk, beledigd door te zeggen dat zijn toenmalige vriendin naar knoflook rook, en hem later ook nog eens vol bloed gekotst nadat ze teveel gedronken had.   “Zullen Incubus en Succubus er ook zijn?” vroeg ze. En ze was opgelucht toen Vrykolakas bevestigend knikte. Het waren twee onnozelaars, die met hun slachtoffers eerst de liefde bedreven, voordat ze hun levenskracht opzogen. Maar ze trokken zich nergens van aan en je kon er lol mee trappen. Ze zou zich wel met hen amuseren.   Toen ze klaar waren, kropen ze in hun vleermuismobiel en vlogen de heuvel af. In de dichtbeboste vallei was een dorp dat elk jaar zijn doden herdacht met een groot feest. In de hele omgeving hingen lampionnen die het dorp spookachtig verlichtten. De herbergen zaten vol met feestgangers en in de gemeentelijke zaal speelde een orkest ten dans. In de achterafstraatjes echter was waar het echt gebeurde voor de vampieren. Daar lagen de beschonkenen hun roes uit te slapen, speelden occasionele koppeltjes het heimelijke spel van de verboden liefde en keken onvoorzichtige puberknaapjes zich de ogen uit hun kassen, om nog te zwijgen over hun andere, allerindividueelste handelingen. Daar was het echter ook het donkerst, en waren de mensen nonchalant en onoplettend, meer bezig met hun onweerstaanbare verlangens dan met de gevaren die overal loerden. Dat was ook het doel van Vrykolakas en Morana, Graaf Dracula en Adachi-Moor, Incubus en Succulus. Zoals elk jaar beloofde het weer een feestelijke nacht te worden. Het bloed zou over hun hals stromen toen ze hun scherpe hoektanden erin plantten en ze zouden het gulzig en laveloos opdrinken.   Groot was dan ook hun verbazing toen ze merkten dat er in de donkere straten rond het feestende centrum geen levende noch een dode ziel te bespeuren viel. Dit dreigde een afknapper te worden. Vrykolakas vloekte: “Vervloekt zijn de hoorns van Nosferatu! Hier is niemand. Wat nu?”   “Ja, wat nu? Ik heb honger hoor,” kirde Morana. “Ik heb ook hongel,” sprak Adachi-Moor strijdlustig, “Als Mozes niet naal de belg wil komen, moet de belg maal naal Mozes gaan!” “Wat bedoel je, lieverd?” vroeg Graaf Dracula, “Je wil toch niet naar binnen gaan? Stel dat iemand ons herkent!”   “Waalom niet?”, sprak Adachi-Moor, “Ik heb hongel, dolst, en velschlikkelijk veel goesting! En we kunnen nog een feestje meepikken. De mensen weten toch niet dat wij vampielen zijn. En iedeleen is velkleed vandaag.”   Daar hadden ze geen argumenten meer tegen. En hoewel niet erg op hun gemak waagden ze zich toch naar binnen in de dorpszaal waar het orkest speelde. Binnen was het tamelijk donker, de zaal was slechts schaars verlicht met kaarsen die in uitgeholde pompoenen brandden. De mensen zongen, dronken en dansten en letten schijnbaar niet op de vier vreemdelingen die net binnengekomen waren en die op het eerst gezicht niet opvielen. De vier vampieren begaven zich naar het midden van de zaal om een beter zicht te hebben op hun toekomstige slachtoffers. Nog altijd trok niemand zich van hen iets aan. Tot ze in het midden van de zaal aanbeland waren en ze iemand recht op zich zagen afkomen. De man torste een groot kader met zich mee, en toen hij zich vlakbij hen bevond, draaide hij het kader om. Het bleek een spiegel te zijn...   Op dit moment ging de muziek over van een wals naar een steeds sneller en dreigender Slavische dans. De menigte stopte met praten, zingen en dansen en iedereen draaide zich om naar de vier lijkwitte gedaanten in het midden van de zaal. Er vormde zich een dreigende kring rond hen. En voor iedereen die de voorkant van de spiegel zag, kwam de griezelige werkelijkheid als een slag in het gezicht.   De stemming werd nu nog dreigender. De plastieken drietanden, die door de vampieren als feestattributen aanzien werden, bleken omhulsels te zijn voor houten kruisen, onheilspellend voorzien van scherpe punten. De dotjes in het haar van de oude vrouwtjes bleken trossen knoflook te zijn. En terwijl de vier vampieren elkaar verschrikt en in paniek aankeken, ontspon zich voor hun ogen hun gruwelijke lot...   In het kleine dorpje in de vallei nabij het duistere slot in het Land Voorbij de Wouden is  sindsdien nooit nog iemand als vermist opgegeven. Rond het kasteel zijn wel regelmatig onheilspellende stormen. Erna vliegen vleermuizen in groten getale ijselijk krijsend door de vallei, alsof ze op zoek zijn naar iets. De autoriteiten zoeken tevergeefs naar de eigenaars van het kasteel. Maar in geen enkel archief is iets over de herkomst ervan terug te vinden; geen eigenaar, geen bouwheer, geen plannen. Alsof het slot in werkelijkheid niet bestaat.

Koen Vanantwerpen
0 0

Transparantie (intro)

Er was niemand te zien die morgen. Niets. De mist lag in dikke lagen over de weiden, zodat je de bomen achteraan niet meer kon zien. De koude, vochtige lucht drong door tot op het bot. 'Maar jij bent altijd vrolijk, nietwaar, Boris?', zei Nicky. 'Vooral als je weet dat je snel eten gaat krijgen'. Nicky zette voor zichzelf koffie en schonk voor Boris een beetje lauw water in zijn drinkbak. Nicky dronk haar koffie rustig uit, de hond dronk gulzig van het water. 'Moet je een paar hondenbrokken hebben? Ja?', beantwoordde ze zijn vragende blik. 'Kijk eens hier! Als je dit hebt opgegeten, kan je er weer voor een tijdje tegen'.   Vaak bracht ze haar ochtenden op dezelfde manier door: pratend tegen Boris, geduldig koffie drinkend. De mist was het enige dat varieerde van seizoen tot seizoen. In de zomer hing er in de plaats van mist soms een zwerm muggen in de lucht, die aangetrokken werden door de beek in het bos aan de overkant. Op zulke dagen was het moeilijk om goed te slapen door de vochtige warmte, terwijl het nu de kilte was die haar 's nachts wakker hield. Een warmer donsdeken zou ze misschien wel kunnen gebruiken, maar de kou leek altijd zo plots te komen en de dichtstbijzijnde winkel die donsdekens verkocht, lag al snel tientallen kilometers verder. Daar kwam nog eens bij dat ze weinig zin had in rijden, zoeken, kiezen, geld uitgeven, … 'Ik heb het goed hier, zoals het nu is', zei ze tegen zichzelf. Boris kwam naar haar toe gelopen. Hij leek het te beamen.   De mist trok maar niet op.

Evelien W
0 1

De achtste vrouw

Ik ben Aimah, achtste vrouw van de hoge Tsoekran. Sinds de dood van mijn tweede zoon vrees ik voor het leven van mijn ongeboren kind. Niemand mag het weten, zelfs de hoge Tsoekran niet. Want het kind is niet van hem.   Toen Rima ziek werd, wendde ik me in wanhoop tot de Aishnaripriesters. Zij worden door het hof geminacht vanwege hun zachtmoedige inborst en liefdevolle levensstijl. Die gebiedt hen ieder te helpen die in nood is. Ik hoorde dat Tsahib, de Meester Aishnari, in de hoofdstad was en zond hem mijn vertrouwelinge. In het grootste geheim bracht ik hem mijn zieke zoon van amper drie jaren. Zodra Tsahib hem zag, schudde hij droef het hoofd. ‘Hij is in de ban van een kwade kracht waar mijn Gezangen geen vat op hebben. Een kwade kracht die in het paleis broeit en de onschuldige prinsen treft.’ Mijn hart brak bij het horen van dat harde oordeel. Het bevestigde mijn bange vermoedens. Ik kon het echter niet aanzien om mijn zoon te zien sterven, niet nog een keer. Ik smeekte en pleitte, huilde en brak. Was er niet iets wat hij kon doen? Het minste om mijn jongen wat meer tijd te geven? De Meester Aishnari zwichtte, nam het kind uit mijn armen en Zong. Het was het mooiste geluid dat ik ooit gehoord had. Het was als het fluiten van de wind door de hoogste toren van het paleis. Maar de klank was voller, zachter en tegelijk zo enorm krachtig. Ik voelde me omringd door een warmte alsof ik mijn moeders armen om me heen voelde en weer kind mocht zijn. Toen de klank uitdoofde, was ik hoopvoller dan ooit. Mijn zoon opende zijn ogen en reikte klagend naar mij. Tsahib zuchtte. ‘Hij zal wat langer leven,’ zei hij, ‘maar niet veel.’ Ik wist niet of ik moest lachen of huilen, dus deed ik beide. Ik weet nog steeds niet waarom, maar ik reikte naar Tsahib en hij sloeg zijn armen troostend om me heen. Even snel verbraken we de verboden omhelzing, maar het zaad van de liefde ontkiemde in mij als een lamp die ik met geen middelen meer kon doven. Elke keer dat Rima de dood nabij was, zocht ik Tsahib op. Elke keer verlengde hij het prille leven en troostte hij mij. Uiteindelijk ging ik meer om hem te zien en zijn Zang te horen dan om mijn zoon, van wie ik langzaam maar zeker afstand nam. Die laatste nacht verleidde ik Tsahib onder het mom van verdriet en hij zwichtte en viel. Rima lag stil en stervend in de andere kamer. Toen ik wakker werd, lag mijn zoon slapend in mijn armen. Hij was voor de laatste keer geheeld van het gif dat zijn lichaam opvrat. Ik wist het, Tsahib wist het, Rima wist het. Alsof hij ouder was dan zijn leeftijd deed vermoeden, sloeg hij zijn ogen naar mij op in een stille smeekbede hem eindelijk te laten gaan. Ik kon het niet. Pas toen ik nieuw leven in mij voelde ontkiemen, was ik klaar om hem los te laten. Hij stierf en ik treurde. De hoge Tsoekran, mijn echtgenoot die ik met veertien andere vrouwen deel, treurde. Maar zijn verdriet was afgevlakt door de vele zonen die hij reeds aan de erfopvolging had verloren. ‘Weer één,’ moet hij gedacht hebben toen hij naast mij stond en naar de rituele verbranding van zijn, mijn zoon keek.   Ik ben Aimah, achtste vrouw van de hoge Tsoekran. Sinds de dood van mijn tweede zoon vrees ik voor het leven van mijn ongeboren kind. De rouw staat me toe me zeven maanden afzijdig te houden. Het vormeloze zwarte kleed zal mijn vormen verhullen. Maar waar kan ik een kind verbergen? Ik heb reeds een week niets van mijn vertrouwelinge gehoord. Ze zoekt Tsahib, de Meester Aishnari. Zal hij mijn, zijn ongeboren kind kunnen redden?

Lyne Uytterhoeven
0 0

Hier zijn

De zon roept me op, maar ik ben nog niet klaar om wakker te worden. Ik lig met mijn hoofd op jouw borstkas, met mijn kloppend hart tegen jouw warme lijf, met jouw zachte toch sterke armen om mij heen terwijl jouw liefhebbende handen onbewust en dromerig mijn rug strelen. We ademen op hetzelfde ritme. Ik ben rustig, tevreden, volmaakt. Er is geen betere plek op deze wereld om te zijn dan hier. Hier is geen exacte locatie. Hier is bij jou en bij jou kan overal zijn. Als ik niet bij jou ben, dan ben ik nergens. Daarom wil ik ook niet wakker worden. Dat wil zeggen dat de tijd aanbreekt om nergens te zijn tot het weer tijd is om hier te zijn. Ik ben niet graag nergens, want het is daar minder warm dan hier. Ik wist niet dat ik nergens was, tot ik hier was.De zon wordt sterker en wint de strijd met de nacht. Ze wordt verwelkomd door fluitende vogels, drukker verkeer en lachende kinderen die naar school trekken. Ik ben wakker, maar ik ontken het. Ik doe alsof ik nog slaap. Jij ook. Al voelen we beiden dat de ander wakker is. We verkiezen om nog even langer hier te zijn. Om nu te zijn. En niet ergens anders op een ander moment. Op dit moment haat ik tijd. Ik wenste dat ik het stil kon zetten en dit simpele, perfecte moment van geluk pas moest verlaten als ik er klaar voor was. Ik vermoed dat ik er nooit klaar voor zou zijn en dit moment voor altijd zou willen beleven. Ik ontwaak uit mijn sluimerslaap. Mijn bed voelt leeg en koud. Jij bent er niet meer. Ik begrijp niet waarom je er niet meer bent. Ik besef dat ik al een jaar elke ochtend zo wakker word en telkens weer mijzelf afvraag waarom ik niet wakker word in jouw warmte. Ik begrijp niet waarom ik eraan blijf vasthouden. Ik heb het eigenlijk niet meer vast. Wat ik vasthoud is al weg. Ik wil voort, maar jouw herinnering houdt me hier. Hier is nu daar. Daar is niet hier. Waarom doe ik alsof daar hier is? Het enige antwoord dat klopt is dat ik hier wakker word in plaats van nergens. Daarom houd ik vast aan het hier dat nu daar is. Hoe neem ik afscheid van jou? Ik wil verder, ik wil je loslaten. Vertel me hoe ik hier kan vinden zonder jou.  Het enige wat ik wil: hier zijn, maar ik lijk het niet te kunnen zonder jou. 

Voguish
0 0

Superman

De tafel waaraan we onze boterhammen eten, is wankel. Dat is al zolang ik me herinneren kan, maar er is niemand die ernaar omkijkt. Op den duur vergeet je dan ook dat het ooit anders is geweest. Ik hou ervan om, wanneer ik eet, beurtelings met elke hand op het tafeloppervlak te duwen. Als ik daarbij mijn handen ver genoeg uit elkaar spreid, wankelt de tafel harder, zodat de melk in mijn glas beweegt. Ik stel me dan graag voor dat ze er weer uit wil omdat ze heimwee heeft naar het brik. Soms geeft mama me een standje en zegt ze dat ik niet mag spelen aan de tafel. Soms zegt ze niets, en staart ze nietsziend uit het keukenraam naar buiten, waar de blinde muur van het belendende gebouw het troosteloze uitzicht vormt. Na het eten speel ik meestal nog wat in de woonkamer. Ik hield altijd het meest van mijn verzameling steentjes. Ik heb hen vergaard op weg naar school en terug. Elk van hen heeft een speciale vorm en stelt een Pokémon voor uit het tijdschrift dat ik kreeg voor mijn verjaardag. In mijn klas had iedereen echte Pokémonpoppetjes. Die toonden ze aan elkaar op de speelplaats. Ik had enkel het tijdschrift. Ik zei hen niet dat ik geen poppetjes had. Ik zei hen er helemaal niets over. Een keer deed ik dat wel. Ze lachten me uit. Het eindigde met een blauw oog en gesmoord gesnik in mama’s rokken. Ze streelde me over mijn haren. Zei dat ik geen poppetjes nodig had om gelukkig te zijn. Maar ik hoorde het in haar stem. De pijn. De schaamte. Soms waren er van die dagen dat de fantasie niet wilde komen. Dagen waarop het grijs in het zwerk zo ondoordringbaar was, dat het zelfs de wijzers van de klok leek te vertragen. Dan zat ik lusteloos op de grond en rolde wat met de steentjes op en neer. Maar in het doffe licht dat door de ongelapte ramen naar binnen viel, kon ik er met de beste wil van de wereld geen Pokémon in zien. Mama streek dan over mijn haren, en moedigde me aan om het toch te proberen. Soms deed ik dat, maar soms bleef ik nukkig voor me uit zitten staren, de verveling om me heen gedrapeerd als een te dik, verstikkend deken. Het was op een van die momenten dat het mij voor het eerst opviel. Ik wierp een steelse blik op mama. Ik hoopte dat ze misschien naar mij keek en zag hoe ik me verveelde, zodat ze toch Pokémon voor me zou kopen, hoewel ik diep vanbinnen wist waarom dat niet kon. Maar ze keek naar me met een heel andere blik. In haar ogen las ik een mengeling van spijt en bitterheid die haar knappe gezicht lelijker maakte. Die avond hoorde ik haar huilen. Ik greep het lakenpunt vast en balde machteloos mijn vuisten. Boos liet ik mijn tranen de vrije loop en viel uiteindelijk in slaap, gewiegd door de regelmaat van mijn snikken, in dezelfde maat als het gedempte gehuil van mama onder mij. Nadien heeft ze nooit tegen me gezegd dat ik haar zo verdrietig had gemaakt. Het schuldgevoel daarover maakte me beschaamd, zodat ook ik er met geen woord over repte. Maar er veranderde wel iets. Op een dag merkte ik dat mama de krant had gekocht. Normaal deed ze dit nooit. Ze keek ernaar zonder de bladzijden om te draaien, en toen ze mijn blik merkte, legde ze de krant weg en glimlachte afwezig naar me. Iets in de manier waarop ze me had aangekeken, verried een zenuwachtigheid. Ze stond op en wandelde naar de keuken. Ik inspecteerde het blad in de krant dat ze las, maar er stonden geen tekeningen op, en lezen kon ik nog niet erg goed. Het was een bladzijde met allemaal kleine hokjes, die vol stonden met halve woorden waaraan ik geen touw vast kon knopen. Toen zag ik, in een flits, mama’s naam in een van deze hokjes. Maar ik hoorde haar terugkomen, en ging snel weer naar mijn speelgoed toe. Een tijdje nadat de bezoekers begonnen te komen, zag ik dingen veranderen in huis. Mama kocht af en toe eens kleren voor mij of voor haarzelf. Er werd iemand betaald die de ramen kwam lappen. Het licht dat de kamer binnenviel, liet de meubels er helemaal anders uitzien. Had het bankstel altijd al die vrolijke kleur? Op een ochtend stonden de ontbijtgranen in de kast waarvoor ik steeds zeurde in de winkel, maar die ik nooit kreeg. Ik lachte. Mama lachte, want ik was gelukkig. Maar de echte verrassing kwam na een paar weken. Toen ik thuis kwam van school, stond er een grote doos op de tafel. Nieuwsgierig gleden mijn ogen over het zilveren inpakpapier en de gouden strik. Mama had zitten wachten tot ik er was. Zenuwachtig veerde ze recht, drukte haar sigaret uit in de assenbak en presenteerde het cadeau zoals de meisjes in de gezelschapsspelen op tv de vaatwasmachine presenteren aan de winnaar: met wapperende handen en een kamerbrede glimlach. Even aarzelde ik; geloofde het niet. Zulk groot cadeau? Voor mij? Mama moedigde me aan met een trots knikje. Toen viel ik aan. Ik scheurde het papier open en zag wat erin verscholen zat. Een doos met daarin een verzameling van tien Pokémons. Mijn kreten vulden het appartement met een blijdschap die het zelden had gekend. Dagen, weken lang was ik niet weg te slaan van mijn poppenspel. In mijn fantasie speelden zich fabelachtige Pokémongevechten af. De vraag waar mama dit plots vandaan had gehaald, kwam helemaal niet in me op. Daaraan denk ik nu terwijl ik in mijn bed lig. Ik hoef niet op mijn klok te kijken om te weten hoe laat het is. Dat heb ik te danken aan het feit dat de gordijnen van mijn slaapkamerraam te kort zijn. Door de spijlen van mijn bed zie ik een rechthoek, op de vloer getekend door het licht dat onder de te korte gordijnstof door de kamer binnenglipt. Eerst bevindt hij zich bij de deur. Hij tekent een felle vlek op het blauwgrijze linoleum, en naarmate hij opschuift, wordt hij steeds zwakker. Nu is het laat, want de lichtbalk is tijdens zijn reis over mijn kamervloer uitgerekt tot een diffuus, langwerpig vierkant dat steeds minder te onderscheiden is van het duister dat in de kamer oprukt. Het is bijna zo ver. Ik voel de spanning opborrelen in mijn maag. Een tintelen, vol van verwachting en stiekeme hoop. Mijn hand glijdt onder het kussen en strijkt daar over de synthetische stof. Ik weet wat er gaat gebeuren. Mijn hart begint sneller te slaan en ik sluit alvast mijn ogen. Een seconde, twee seconden, drie … Ik hoor haar voetstappen op de trap. Achter mijn geloken oogleden is het duister volledig. Ik hou me zo stil mogelijk, zodat ze niet weet dat ik nog wakker ben. Haar voetstappen worden steeds luider en stoppen tenslotte voor mijn slaapkamerdeur. Zoals elke avond opent ze zo zacht mogelijk de deur; en hoor ik haar binnensmonds vloeken wanneer die deur langgerekt piept, onverschillig voor het late uur. Ze trippelt naderbij en bukt zich over me heen. Haar parfum wolkt in mijn neusgaten op het moment dat ze zich naast me bukt en haar lippen vluchtig mijn voorhoofd raken. Het intense gevoel van rust dat nu over mij komt, is onbeschrijflijk. Al het wachten in de minuten sinds ik in mijn bed geklauterd ben, heeft geleid tot dit moment. Een nachtzoen van mama. Daarna vertrekt mama nog niet meteen. Mijn ogen blijven stijf dichtgeknepen. Ik hoor haar, ze ademt zacht. Ze zet een paar passen in de richting van de kast. Ik hoor hoe ze een paar van de steentjes neemt die Pokémon moesten voorstellen. Ik vraag me af wat ze nu denkt. Een paar tellen later triptrapt ze naar de deur, sluit die zo zacht mogelijk achter zich en loopt de trap af. Pas als ik het slot hoor klikken, besef ik dat ik mijn adem inhield. Daarna bekruipt me het gevoel van onbehagen. Het wachten heeft nu iets gespannen. Komt er vandaag weer eentje over de vloer, of niet?Het blijft enkele minuten stil nadat mama de trap weer is afgedaald. Daarna klinkt heel kort de deurbel, niet meer dan een aanzet tot een echt gerinkel. Wanneer ’s ochtends de postbode aanbelt, klinkt het altijd veel langgerekter. Ik heb me een hele tijd afgevraagd waarom de avondlijke bezoekers niet langer op de bel drukten. Als mama het nu toevallig eens niet hoorde? Maar ze opent de deur keer op keer, en dan hoor ik haar zacht kirren als antwoord op het diepe gebrom van de, altijd mannelijke, bezoekers. Uiteindelijk begreep ik het. Natuurlijk, het was zo simpel…Ze wilden mij niet wakker maken. Nu lach ik erom als ik bedenk dat het enkele weken duurde om tot dit besluit te komen. Ingespannen lag ik toen te luisteren om te achterhalen waarover hun gesprek ging. Maar het duister in mijn kamertje was dik, en sloot het af voor duidelijke geluiden van buitenaf. Soms hoorde ik lachen, soms werd er gewoon gepraat. Wat alle bezoekers echter gemeen hadden, was dat ze na een tijdje niets meer zegden. Ook mama zweeg dan. Meestal verplaatste het geluid van hun stemmen zich ook naar mama’s slaapkamer. De reden daarvan kon ik lastiger vinden dan die van het mysterie van het korte belgerinkel. Toch kon ik ook dit uiteindelijk achterhalen. Bij het eerste cadeau, mijn Pokémonpoppetjes, zag ik het nog niet. Maar toen mijn geliefde pak kwam, ging er een lampje branden in mijn hoofd. Ineens zag ik het allemaal helder voor mijn ogen, alsof ik er zelf bij was. Al de cadeaus die ik kreeg. Ik wist dat mama ’s avonds verkopers uitnodigde om over mijn cadeaus te praten. Wanneer ik op school was, kon ze immers niet naar de winkel gaan, want dan moest ze zelf werken! Nog twee keer schalt het korte, hoge rinkeltje door het appartement. Mijn maag trekt samen. Ik voel me als een tube die iemand leeg wil knijpen. Mijn hart schakelt in een hogere versnelling en ik luister ingespannen. In het begin klinkt alles net als anders. Een mannenstem en mama’s stem in gesprek. Stilte. Geluiden vanuit de slaapkamer. Op dit moment bundel ik al mijn concentratie op wat ik hoor. Ik denk automatisch terug aan die ene keer, maar dat mag ik nu niet doen; ik moet opletten! Toch komen de gedachten, ik kan het niet helpen. Het woedende geschreeuw van de man toen, en het angstige gehuil van mama. De volgende dag had ze een blauw oog, en kreeg ik ook geen cadeau. Toen ben ik gaan beseffen dat sommige verkopers gevaarlijk zijn. Daardoor rijpte het idee om het pak te vragen. Ik ben toch de man in huis. Ik moet mama beschermen. Na een tijdje gebeurde het dus. Ik was al bijna gewend geraakt aan het bijna dagelijkse klingelen van de bel en wat er daarna kwam. Mijn aandacht was verslapt en ik poogde niet meer om de conversaties beneden te volgen. Met een half oor ving ik nog een deel van het gesprek op en hoorde ik de slaapkamerdeur van mama dichtslaan. Mijn ogen sloten zich en gingen weer open. Sloten zich, gingen open. Het was heerlijk warm in mijn bed. Toen gebeurde het. Een snerpende gil en een doffe klap. Ik zat op slag rechtop in bed, klaarwakker. Een kwade vloek steeg op vanuit mama’s kamer en bonsde op mijn deur als een moker. Terwijl de adrenaline door mijn aders gierde, hingen mijn armen en benen er bij als gelatinestengels en weigerden ze alle dienst. Weer een gil. Mama! Ik moest iets doen, ik moest haar helpen! De kracht keerde terug in mijn benen en ik sprong het bed uit. Ik vloog de trap af. Mijn voeten raakten nauwelijks de treden. Ik hamerde met mijn kleine vuisten op mama’s deur en gilde haar naam. Meteen daarna werd de deur woest open getrokken. Een man kwam buiten gestormd. Ik viel op de grond; ik kon zijn gezicht niet zien. Hij banjerde naar de voordeur en sloeg haar met een knal dicht. Daarna hoorde ik niets meer. Alleen een loodzware stilte. Ik zag dat mama op haar bed lag, haar gezicht in het kussen gedrukt, haar schouders geluidloos schokkend. Het duurde een tijdje voordat ze erin slaagde zichzelf van het bed te plukken en naar mij toe te strompelen. Ze nam me in haar armen, en meer was er niet nodig. De tranen kwamen. Hoe lang we daar zo zaten weet ik niet. Ik werd de volgende ochtend wakker in mijn eigen bed. Zoals zo veel andere zaken, werd ook dit voorval niet meer besproken en door mama weggemoffeld achter de glimlach die ze altijd droeg. ‘Mijn kleine held’, fluisterde ze in mijn oor toen ze mijn kom met cornflakes voor me neerzette, en dat was dat. Ondertussen is het volledig donker in mijn kamer. Tot nu toe lijkt alles goed te verlopen. Maar ik blijf alert, sinds die ene keer. Ik heb al vaak geoefend wanneer mama even niet thuis was, en nu overloop ik in mijn hoofd wat er moet gebeuren. En dan zal ik die verkoper eens laten zien wat ik kan als ik mijn pak draag. En dan gebeurt het. Het komt zo onverwacht, dat ik twijfel of ik het wel goed hoorde. Een zwaar geluid, als een stoel die op de grond smakte. Mijn twijfel duurt een seconde, en dan hoor ik mama kreunen, en de man sist woorden die ik niet kan ontcijferen door de twee deuren en de trap die ons van elkaar scheiden. Het klinkt ingehouden, alsof ze niet willen dat ik het hoor. Nu weet ik zeker dat er weer wat mis is. Ik verwacht half en half dat mijn benen dienst zullen weigeren, maar mijn lichaam reageert koelbloedig, en doet precies wat ik ervan verlang. Meteen grijp ik onder mijn kussen, naar het pak, en trek het aan. Het synthetische blauw sluit zich rond mijn benen, de S prijkt op mijn borst. Mama heeft haar Superman nodig. Ik been vastberaden door mijn kamer, ruk de deur open, en ren holderdebolder naar beneden, met twee treden tegelijk. Het gekreun klinkt wanhopiger. Ik kom net op tijd! Mijn hand grijpt naar mama’s slaapkamerdeur. Mijn vingers sluiten zich om de klink en trekken, maar er gebeurt niets. Alleen het geluid binnen verstomt. Ik hoor hoe mama de verkoper tot stilte maant. Ik ruk nogmaals aan de deur, maar ze blijft vastberaden dicht. Ik twijfel even, en wordt bijna weer gewoon een jongen in een pak. Dan hoor ik mijn naam. Het is mama, ze klinkt vertwijfeld. Meteen daarna vloekt de man. Ik reageer bliksemsnel. Superhelden hebben geen deuren nodig om ergens binnen te komen. Mijn hele lichaam tintelt van de opwinding. Ik ren naar de kamer naast die van mama, de rommelkamer. Ik hol voorbij de strijkplank en de stapel wasgoed die erop ligt te balanceren. Ik open het raam en klim onhandig op de vensterbank. Gestommel hiernaast, en opnieuw weerklinkt mijn naam. Ik hoor paniek in mama’s stem en de deur van haar kamer wordt opengegooid. Dat is de verkoper, hij wil ontvluchten! Maar hem krijg ik nog wel te pakken. Eerst moet ik mama redden. Ik sta nu rechtop in de raamopening, de wind buiten strijkt kil langs mijn benen doorheen de stof van mijn superheldenpak. Ik slik. De drukke straat, acht verdiepingen onder me, lijkt even slingerend te bewegen terwijl mijn blik zich aanpast aan de diepte. Ik heb nog nooit gevlogen, maar het is slechts een paar meter naar het slaapkamerraam van mama. Ik mag nu niet nadenken, ik moet vertrouwen op mijn pak. Ik kom eraan, mama! Ik zet me af, en net op dat moment komt er iemand binnengestormd achter me. Mama gilt nu heel dichtbij. Met een ruk draai ik me om, een blik van onbegrip in mijn ogen. Is ze dan niet opgesloten? Ik zie haar op me afkomen in een sneltreinvaart. Ze draagt enkel ondergoed, net als de man die achter haar aankomt. Ik begrijp het niet. Waarom gillen ze zo angstig? Waar zijn hun kleren? Ik wil me volledig omdraaien. Ik verzet mijn voet. Maar ik zet hem verkeerd, er is geen ondergrond. Mijn been glijdt weg, mijn lichaam kantelt en het andere been volgt. De ogen van mama worden nog groter voordat ze uit mijn gezichtsveld wegkantelen. Ik zie de lucht boven me, en voel hoe ik naar beneden val. Ik draai mijn hoofd naar het raam. Mama hangt met haar halve lichaam naar buiten, hysterisch krijsend en naar me graaiend met haar armen. De handen van de verkoper proberen haar weer naar binnen te trekken. Ik zie haar snel kleiner worden. Ik strek mijn armen ook naar haar uit, zodat ik naar boven kan vliegen. Maar het lukt me niet. Waarom werkt mijn pak niet? Ik wapper wanhopig met mijn armen terwijl mijn lichaam begint rond te tollen. De wind fluit in mijn oren en de autolichten op de straat komen steeds dichter bij en een ijskoude waarheid sluipt langzaam mijn hart binnen en ik probeer nog eens uit alle macht mijn armen uit te strekken want ik moet echt vliegen en …

Hans Deckers
0 2

12 november

Het regende pijpenstelen toen ze werd gegrepen door die tram. Tram 24, om precies te zijn. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Het was zelfmoord. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Vluchtmisdrijf is altijd een beetje moord. Als ik een moordenaar zou zijn, wat zouden ze me vragen? Hoe voelt het om een moord te plegen? Je moet zelf een moordenaar zijn om te beseffen hoe een moord plegen voelt. Net daarom heb ik films over moordenaars altijd rotzooi genoemd. Wat is moord? Een slagersmes pakken en iemand neersteken? Of je omdraaien wanneer je iemand dat ziet doen? Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. Er waren geen getuigen, die bewuste avond. Voor oude vrouwtjes die hun lelijke hondjes uitlaten was het al te laat op de avond, en voor feestende jongeren was het nog te vroeg op de week. Ik was daar, toegegeven. Op dinsdagen fiets ik door de stad. Zomaar. Zomaar, omdat een moord ook op dinsdagavond kan gebeuren. Er waren geen getuigen. Alleen een tramchauffeur, zijn lege tram en de lege ogen van een dood meisje. Niemand had me gezien. Verdwijnen in de nacht was een goed plan. Ik trok mijn kap wat strakker over mijn hoofd en zette mijn fietslampjes uit, maar wegfietsen deed ik niet. Ik bleef kijken. Kijken naar de wanhopige tramchauffeur die het meisje een hartmassage gaf en in paniek naar het ziekenhuis belde. Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. En toekijken, is dat dan geen moord? Eigenlijk is het zonde, zo’n jong en dood meisje. En dat leek ze zelf ook te denken, want ze stond achteloos op, bedankte de tramchauffeur voor de goede zorgen en fietste verder. Neen, dat beeldde ik me in. Ik sloot mijn ogen enkele seconden en opende ze weer. Zou het niet mooi zijn als ze weer opstond? Zou het niet mooi zijn als omstaanders eens een keertje helpen wanneer iemand problemen heeft? Ik herinner me die keer dat we eens gingen dansen. Dansen, dacht ik. Leuk. We hadden afgesproken elkaar naar huis te brengen en onder te stoppen, als één van ons te veel gedronken had. Enkele uren later vond ik Augustientje met een gebroken neus tegen de gevel. Ze had geprobeerd twee kemphanen te kalmeren. En ik zit hier al een heel uur, huilde ze. Zonder enige hulp. Ik keek om me heen, waar niemand zich iets aantrok van de ellende die ik ondersteunde naar de ambulance die net aankwam. Toen Augustientje thuis in haar bed lag, ging ik terug om Mimi te zoeken. Ik struikelde en kwam niet veel later een tweede keer op de spoedafdeling terecht: op de bewakingsbeelden werd duidelijk dat Mimi al een kwartier op de grond lag. Het meisje had even vrolijk krullende haren als Augustientje, en Mimi had dezelfde fiets en handtas. Misschien was het wel Augustientje die Mimi’s spullen bij zich had. Als ik een moordenaar zou zijn, dan zou ik een motief nodig hebben. Augustientje ging wel eens met de jongens lopen die ik leuk vond, dat wist ze. Oh, dan kon ik haar de haren uittrekken. Ik keek naar het meisje. Ondertussen was ze kletsnat en lag haar gebarsten bril naast haar hoofd. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Eigenlijk had ik ook niks gezien. Ik trek mijn kap wat strakker, veeg de druppels van mijn bril en draai me om, de nacht in. Ik heb niets gezien.

MDB
0 0

Middag op de Markt

  Hij trekt de punt van zijn kraag recht en wisselt de zwarte leren boekentas van hand. Haalt een hand door zijn te lange haren. Donker, wild, weerbarstig. Licht grijzend vlak tegen de kruin aan, maar dat zie je alleen van erg dichtbij. Zijn vrouw had er onlangs met ernstig gezicht naar gekeken, die kruin van hem. Aan haar ogen had hij het gezien, dat het zover was. Onomkeerbaar. De eerste tekenen van jeugdige vergankelijkheid. Hij wandelt verder met stevige tred. Het schuren van de mouw van zijn jas tegen zijn romp maakt een ritselend geluid. Het geluid van haast, noemt hij het, want je hoort het alleen bij mensen die zodanig vlug wandelen dat hun armen ongecontroleerd op en neer naast hun lichaam vliegen. Alsof ze elk moment kunnen opstijgen, in de hoop alsnog op tijd ergens toe te komen. In de verte ziet hij de halte in de ochtendmist opdoemen. Al jarenlang wandelt hij dagelijks naar dezelfde halte. Tram acht. Al jarenlang doet hij dagelijks hetzelfde traject. Twee keer. Elke dag opnieuw. Hetzelfde jasje, dezelfde boekentas, dezelfde ongecontroleerde armbeweging. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Zelfs het hobbelige voortglijden van de tram over de sporen is dagelijks even repetitief. Doe-doek. Doe-doek. Binnen drie tellen komt er een bocht. Piep. Hij houdt van repetitieve handelingen, daar niet van. Hij vindt het fijn dat hij weet wat er komen zal. Hij is geen mens van verandering. Hij gebruikt al sinds zijn tienerjaren dezelfde eau de cologne en draagt al jaren dezelfde afgetrapte schoenen die hij ooit van zijn vrouw kreeg. Zijn dagen waren perfect voorstelbaar, tot in de puntjes, vanaf het moment dat hij ‘s ochtends zijn bed uitstapte. Tot er gisterenmorgen geen boterhammen met kip curry voor hem klaar stonden op het aanrecht, en zijn vrouw diezelfde avond zonder aankondiging ook niet meer thuis kwam. Nu klinkt zelfs de tram niet meer repetitief.   Hij denkt na over hoe en wat er gebeurd kan zijn, maar na een half uur leegte komt hij tot de constatatie dat hij eigenlijk niet zo goed nadenken kan. Hij heeft dat nu eenmaal al zo lang niet meer hoeven te doen. Alles is altijd maar ok geweest zoals het was. De laatste keer dat hij nadacht over wat hij wilde eten, is meer dan tien jaar geleden, bedenkt hij zich. De laatste keer dat hij op vakantie ging ook. Dat hij op vakantie wilde. Dat hij een curryworst special van de frituur achter de hoek wilde. Pas op, dat wil niet zeggen dat hij alles tegen zijn zin doet. Dat hij ongelukkig is. Elke dag eet hij kipcurry tussen zijn boterhammen, omdat hij ervan overtuigd is dat er echt niets lekkerders bestaat. Elke dag heeft hij zijn nylon zwart jasje aan, ook al is dat geen mode meer sinds hij veertien was. Het voelt vertrouwd, en dat is goed genoeg. Net zoals zijn vrouw, denkt hij dan. Vertrouwd. Wat een mooi woord. Dat wil niet zeggen dat hun relatie dood is, dat ze berusten in een vlucht naar vroeger. Ze weten gewoon perfect wat ze aan elkaar hebben. En dat vindt hij niet zomaar alleen slecht. Hij heeft hoegenaamd geen behoefte terug te denken aan de tijd dat hij zijn stropdas net dat beetje meer aanspande om er gesofisticeerd uit te zien. Dat hij haar witte rokken net dat beetje teveel ophief wanneer ze haar laarsjes optrok. Dat wil niet zeggen dat ze verlangen allebei weer tieners te zijn die elkaar verlegen, hitsig en met het schaamrood op de wangen liefdesbriefjes toestaken door de spijlen van de schoolpoort. Zij onbereikbaar, in de vierde klas van de meisjesschool, tussen de nonnen. Hij leutig stoer, in het college handbewerking bij de paters. Twee verschillende scholen onder één dak. Een gietijzeren poort die hun liefde van elkaar scheidde, willekeurig neergepoot door God de Vader. Zo gevochten dat hij heeft voor haar. En het enige wat hij zich nu nog kan herinneren, is hoe ze de staart van de kat aait. En hoe ze haar keel schraapt vlak voor ze zich omdraait in haar bed, wanneer ze gaat slapen.   Hij kijkt om zich heen, zijn nek kraakt. Het huis ligt er nog steeds kraaknet bij, alsof er niets gebeurd is. Ze heeft het prachtig ingericht, denkt hij. De moderne meubels en geometrische lijnen zijn eigenlijk niet helemaal zijn ding, maar het resultaat mag er toch wel wezen. Hij weet nog goed hoe ze hem van de ene meubelwinkel naar de andere meetroonde. Wat dacht hij van een ijzeren tafel en een zwarte eiken boekenkast? Hij had er geen idee van. Doe maar wat jij goed vindt lieverd, zei hij, ik vertrouw je helemaal. Ze glimlachte dankbaar op dat moment, daar in de twintigste meubelzaak die ze die dag bezochten. Haar ogen zacht en warm, maar tegelijkertijd vurig en vastberaden. Hun gloednieuwe huis was in goede handen, wist hij. Nog even, en ze zou een nest voor hun tweetjes gebouwd hebben. Ondertussen is dat al jaren geleden. De meubels zijn niet modieus meer, het leer van de zetel is zacht, dun en vaal geworden. Dat vindt hij niet erg, integendeel. De zetel is perfect doorgezakt op de plaats waar hij altijd zit. De eiken boekenkast kraakt ondertussen onder het gewicht van haar inhoud, het blad van de ijzeren tafel is bedekt met krassen. En haar ogen zijn al lang niet warm, zacht, vastberaden of vurig meer, maar vooral moe. Zo gevochten dat hij heeft voor haar. En het enige wat hij zich nu nog kan herinneren, is hoe ze de staart van de kat aait. En hoe ze haar keel schraapt vlak voor ze zich omdraait in haar eigen bed, wanneer ze gaat slapen. Ze had dat voorzichtig aangepakt, dat van dat bed. Hij snurkte en woelde ’s nachts vreselijk, en zij geraakte daar moeilijker en moeilijker van in slaap. Eerst werden haar ogen en haar haar dof, daarna kreeg ze een lastig hoestje. Oververmoeid, zei de dokter. En hij wist dat het zijn schuld was. Maar wat was de oplossing? Man en vrouw horen nu toch eenmaal samen te slapen, opperde hij onzeker. En toch. Twee weken later kwam er een bevriend schilder de logeerkamer in het zachtroze schilderen. Er werd een nieuw bed geleverd, en dat was dat. Van toen af aan dekte hij haar elke avond onder, en bleef hij naar haar kijken tot ze inslaapt. Zoals bij de kinderen die hij altijd wilde, maar die ze nooit kregen.   Hij is moe. Hij kan zich moeilijk concentreren op zijn werk. Zijn baas stelde voor dat hij enkele dagen thuis zou blijven, maar daar heeft hij weinig zin in. Hij wil graag blijven vasthouden aan zijn dagelijkse tramritten, zijn zwartleren boekentasje en zijn afgetrapte werkschoenen. De rapporten die hij opmaakt en naar het management in Lyon verstuurt. Hij zou niet weten wat hij nu anders zou moeten doen. Hij weet dat hij vooral rustig moet blijven om zijn vrouw terug te vinden. Rustig. Dat wordt hij alleen als hij op elk moment perfect weet wat er komen gaat. En het is al meer dan gek genoeg niet te weten wat hij vanmiddag zal eten.  Sinds zijn vrouw zoek is, staan er geen boterhammen met kipcurry meer voor hem klaar, en is hij genoodzaakt zich neer te leggen bij de gebrekkige kookkunsten van het cafetaria-personeel. Zo kiest hij elke dag voor een kom dampende soep, begeleid van een witte pistolet met minarine, maar welke soep hij zal eten, weet hij niet. Elke dag is anders. Bovendien is het in zijn bedrijfskantine perfect mogelijk een oranje tomatensoep voorgeschoteld te krijgen, of een groene wortelsoep die naar courgette smaakt. Daar raakt hij maar moeilijk overheen. Wanneer je een cd met cellosuite’s van Bach opzet, verwacht je ook geen elektrische gitaren te horen. Hij heeft het probleem al meermaals aangekaart bij het management, maar in het bedrijf werken meer dan 3000 mensen met meer dan 3000 wensen, en de zijne is daartussen niet van prioritair belang, zo werd hem verteld. Hij probeert dan maar te leven met het idee dat elk middagmaal een verrassing zal zijn, en dat de naambordjes bij de grote salamanders soep geen garantie zijn voor de inhoud. Zijn duim speelt onophoudelijk met de trouwring aan de ringvinger van zijn rechterhand. Gek, die draagt hij pas weer sinds zijn vrouw verdwenen is. Alsof hij wil laten zien dat ze wel terug gevonden moét worden omdat ze zijn bezitting is. Of omdat hij zich schuldig voelt, misschien is het wel zijn schuld dat zijn vrouw kwijt raakte, omdat hij zijn ring al jaren niet meer droeg.   Hij weet nog hoe hij de eerste avond na haar verdwijning op zijn knieën voor zijn nachtkastje zat, op zoek naar het gouden onding. Hij wist dat hij het artefactje van wat ooit een liefdesdroom was – nu slechts een zeurende herinnering in zijn achterhoofd – érgens in zijn nachtkastje had gepropt, nadat hij tot de pijnlijke vaststelling was gekomen dat zijn ooit ranke vingers zich tot zijn kipcurry-verbruik waren gaan verhouden. Hij kreeg het ding aan noch uit, en verwenste elke herinnering aan zijn jonge, gelukkige, fitte leven tot in het donkerste hoekje van een compleet zinloos meubelstuk. Niet dat hij zijn vrouw minder graag was gaan zien, maar gewoon omdat niet in onvrede wilde raken met zijn huidige bestaan. Omdat hij niet meer wilde denken aan de tijd dat hij een jonge kerel met een getraind lijf en een hoop wilde dromen was.   Hij is nog steeds diep in gedachten verzonken naar zijn rechterhand aan het kijken wanneer de postjongen zijn kartonnen kantoortje binnen stapt met een brief voor hem in zijn hand. Vreemd, hij had al twintig jaar lang geen brief meer gekregen. Met licht trillende handen scheurt hij de enveloppe stuk. Tergend traag, onzichtbaar naar adem happend. De receptionist blijft onaangenaam lang in zijn kantoor staan en kijkt hem met vragende blik aan. Jonge mensen hebben geen greintje respect voor privacy meer. Dat komt misschien wel door al die sociale media en virtuele identiteiten van tegenwoordig. Je hoeft alleen nog maar iemands naam in de searchbalk van Google te typen, en je vindt zijn hele leven terug. Hij vindt dat geen goede evolutie in deze wereld. Het idee dat iemand zomaar elk detail uit zijn leven kent zonder dat hij die persoon ooit maar heeft gezien, beklemt hem. Al heeft hij eigenlijk geen enkel idee wat er nu juist zo interessant zou kunnen zijn aan zijn leven. Buiten het feit dat hij altijd kip-curry tussen zijn boterhammen eet en dat hij zijn vrouw kwijt is.   Het is een korte brief, ziet hij meteen. Het dubbelgevouwen blad is nauwelijks groter dan een post-it, in dik, geribbeld papier. Hij herkent meteen het logo van het Museum voor Moderne Kunst uit de stad. Hij is er vorige week nog naar een tentoonstelling over de geschiedenis van de jazz geweest. Het was eerder en vernissage waar jonge kunstenaars hun werk tentoon konden stellen. Wel boeiend, maar een leerzame kroniek was het niet geweest. Hij had er meer van verwacht. Het briefje telt slechts vier woorden. En één smiley. Ook daar heeft hij een hekel aan. Hij vindt het een teken van onstabiliteit, het gebruik van smiley’s. Alleen pubers en labiele werklozen gebruiken ze, denkt hij afkeurend.
Hij schudt zijn hoofd. De grote hanenpoten in dunne, zwarte stift ergeren hem mateloos. Opnieuw een teken van onstabiliteit. Zelf schrijft hij zo klein mogelijk, zo recht mogelijk, zo duidelijk mogelijk. En altijd met zijn metalen regel. Proper, overzichtelijk en 100% recht. Daar wordt hij rustig van. Dan leest hij de tekst. Zijn adem stokt. Hij is haar kwijt.   ‘ZE IS WEG. VOORGOED. :)’

Annelies Leysen
0 0
Tip

Hotel Prestige

“Knoopt uw jasje schoon dicht”, sist zij kordaat. Haar mooie, diepe, donkere ogen staan scherp. Er valt met haar niet te sollen, zoveel is duidelijk. Haar lange haren golven op en neer terwijl ze stevig en vastberaden weg beent. Hij heeft zichtbaar moeite om haar bij te houden. Hij opent zijn mond even, maar lijkt zich dan te vermannen en doet dan, met enige tegenzin in zijn blik, gedwee wat ze zegt. Ze is niet makkelijk om mee samen te werken, weet hij, maar om één of andere reden krijgt ze toch altijd maar alles klaar gespeeld. En hij? Hoewel hij de hoofdrol speelt in dit verhaal, weten ze allebei dat hij het in zijn eentje nooit zou klaarspelen. Hij houdt even halt, haalt diep adem, en zet het dan op een lopen om haar in te halen. Oké. Showtime. Nog een laatste keer. En dan is het allemaal voorbij. Ze naderen de grote, zwarte, smeedijzeren deur. Alsof ze elkaar nooit gekend hebben, gaat zij links, en duwt hij de zware deur half open. Hij kucht geluidloos, recht zijn schouders en loopt daarna met een gladde zelfverzekerdheid het kleine trapje op, tot in de grote lobby. Het smakeloze zalmroze tapis-plain dat de hele ruimte bedekt, komt duizelingwekkend snel op hem af. Zelfs in de jaren zeventig kan dit niet mooi geweest zijn. Hij laat bij het voorbijlopen heel even voorzichtig, bijna lieflijk, zijn linkerhand rusten op de roze leren sofa in het midden van de lobby. Dat mensen hier vrijwillig blijven overnachten, en er dan nog een fortuin voor neertellen, daar kan hij met de beste wil van de wereld niet bij. Uit de muziekinstallatie kraakt ‘Private Dancer’ van Tina Turner, nog zo’n afgebleekt icoon uit vervlogen dagen. “Oké”, zegt hij tegen zichzelf. “Oké”. Met een Hollands accent. “Owkej”. Kom op man, draai die knop om, en ga ervoor. Niks te verliezen. Gewoon gaan. Haal die charmante lach nog eens boven, schud nog eens met die prachtige donkere haren. Laat je perfect gevormde haarlijn maar eens zien aan de smakeloze vrouwen in dit smakeloze etablissement. Binnen tien jaar is het te laat, dan zal je langzaamaan grijs geworden zijn, en zal blijken dat dat knappe gezichtje van je lang niet meer zo gaaf is als vroeger wel leek. Zorg vandaag maar voor dat appeltje voor de dorst. Hij merkt dat hij te lang heeft stilgestaan wanneer er langs achter zachtjes iemand tegen hem aan botst. “Excuseer,” zegt een vrouwenstem dicht bij zijn linkeroor. Te dicht. Er loopt instinctief een koude rilling over zijn nek bij het horen van de lage vrouwenstem. Bingo. Zou hij nu al beet hebben? Geluidloos haalt hij adem, knippert een fractie van een seconde met zijn ogen, en draait zich dan om. Nog steeds geluidloos, en traag. Ze is mooi. Erg mooi. Haar ogen staan levendig, haar wangen energiek rood. Dit is ongetwijfeld de dochter van graaf de Craene, zijn target voor dit weekend. Wat een toeval. Maar god, wat is ze mooi. Waarom is zij in godsnaam hier? Wat doet zij tussen deze onverdraaglijke elitaire oude zakken? Ze misstaat hier als een panter in een varkensstal. Ze glimlacht spontaan en vriendelijk, wat haar nog mooier maakt. Het duizelt hem even. Tina Turner reutelt ondertussen zeer overtuigend haar finale, maar de muziek stoort hem ondertussen niet meer. Hop. Hij is volledig in zijn focus. Eindelijk. “Mijn excuses”, lacht hij charmant. Zijn perfecte tanden steken fel af tegen het zalmroze interieur. “Ik weet dat ik in de weg stond, ik geloof dat ik even in gedachten verzonken was.” Hij zegt het opzettelijk geheimzinnig, iets zachter dan hij anders zou praten. Vrouwen houden van mannen die in gedachten verzonken zijn. Altijd. En aan de blik van dit exemplaar te zien, heeft hij prijs. Het mysterie van de man. Een succesformule.  “In gedachten verzonken? Ben je dan niet aan het werk?” vraagt ze terwijl ze terloops even op de twee grote koffers die naast haar staan wijst. Even is hij van zijn stuk gebracht. Hij heeft al veel meegemaakt in deze kringen, maar nooit eerder werd hij als loopjongen van het hotel aanzien. Hij knippert even verbaasd met zijn ogen. Is het zo duidelijk van hem af te lezen dat hij hier eigenlijk niet thuishoort? Voelt ze dat hij geen van hen is? Heel even dreigt zijn masker te vallen, maar hij herstelt zich razendsnel. “ Ik? Ik kom voor het congres van morgen. Maar zal ik even iemand roepen voor je koffers?” ze lacht even ongemakkelijk, en tuit haar lippen. Een zucht peperdure parfum overvalt hem. Dit, denkt hij, is de geur van geld. Dit moet hij hebben. Hij mag haar niet meer uit het oog verliezen. Subtiel toenadering zoeken, haar verleiden met zijn geoefende mysterieuze blik en zijn gedistingeerde houding. Het vertrouwen winnen, haar kop een klein beetje zot maken, en dan keihard toeslaan. Binnen vierentwintig uur is hij zo rijk als de zee diep is. Dan kunnen Saskia en hij stoppen met dit dwaze vertoon. Een jacht kopen en eindeloos ronddobberen op de Stille Oceaan. “Focus! Hou je hoofd er bij!” sist Saskia opnieuw, dit keer door het oortje dat hij in zijn rechteroor heeft. Ze heeft gelijk. Hij moet bij de zaak blijven. Op het gezicht van de steenrijke dochter valt intussen af te lezen dat ze hem zonet een vraag stelde, maar hij heeft geen flauw idee wat. “Zullen we even buiten gaan zitten?” vraagt hij zo nonchalant mogelijk, “Ik krijg het hier zo benauwd van dat kunstmatige licht.” Om zijn rol af te maken, diept hij uit zijn linker broekzak een maagdelijk witte, gesteven zakdoek. Hij zucht te luid en te diep en dept zijn voorhoofd. Bingo. Op het voorhoofd van de mooie blondine verschijnt een diepe rimpel, instinctief neemt ze hem vast bij de ellenboog. “Gaat het wel? Je ziet er inderdaad een beetje bleekjes uit.” Hij knikt met dichtgeknepen ogen, terwijl de vrouw hem naar de patio loodst. Ook hier is de inrichting zo smakeloos dat hij er bijna echt onwel van wordt. Nog even doorzetten. Kom op, jongen, je kan dit. Nog één keer.  Denk aan dat jacht. Denk aan bodemloos rijk zijn. Denk aan die joekel van een verlovingsring om Saskia’s ringvinger. En aan haar verbaasde gezicht.  Hij ploft gespeeld vermoeid neer op één van de houten tuinstoelen die op het zalmkleurige terras staan. Ja. Nu komt het. Nu zal ze voorstellen om een glaasje water te gaan halen. Het moment om ervandoor te gaan met het tasje dat ze zal laten liggen. Één minuut heeft hij nodig. Één minuut, en hij is rijk. “Zal ik even een glaasje water voor je gaan halen?” Er klinkt een zekere ongerustheid door in haar stem. “Nee hoor, hoeft niet, het gaat zo weer beter.”, wuift hij haar voorstel weg, goed wetende dat ze toch naar de bar zal gaan om een glas water. En jawel, ze staat op, de diepe rimpel is er nog steeds. “Ik ben zo terug,” zegt ze, “water doet altijd wonderen.” Showtime. Hij kijkt hoe ze inderdaad haar tasje naast hem laat liggen, volgt haar met zijn ogen terwijl ze langzaam weg stapt, en maakt aanstalten om het tasje te nemen en weg te lopen. Maar dan ziet hij vanuit zijn ooghoek hoe een in het zwart gehuld figuur hem strak aankijkt. Fuck. Ze heeft verdomme haar eigen bewakingsagent bij. Dat maakt de zaken moeilijker, maar niet onmogelijk. Nadenken, jongen. “Saskia!” fluistert hij tegen het revers van zijn kostuumjasje. “Problemen. Ik heb de water-truuk boven gehaald, maar haar bodyguard staat mij hier aan te gapen. Heb jij haar in je vizier? Kan je voor afleiding zorgen?” Een seconde stilte. Even vreest hij dat graaf de Craene hun spelletje doorheeft en dat Saskia nu omringd is door een legertje ongure mannen, maar dan klinkt er heel droog “Check. Doe het nu.” in zijn oortje. Saskia. Redder in nood, altijd weer. Wat een wijf.    Zonder om zich heen te kijken of te aarzelen grist hij het tasje vast en zet hij het op een lopen, in de richting van de struiken rondom de patio. Uit het kletterende glas dat hij binnen hoort, maakt hij op dat Saskia inderdaad voor afleiding zorgt, en dat hij nog zeker een dikke minuut heeft vooraleer de diefstal opgemerkt zal worden. Zijn hart bonkt in zijn keel, de adrenaline bruist in zijn hoofd. Alles suist. Vooruit. Recht vooruit. Hij voelt ondertussen de ogen van de bodyguard in zijn rug priemen, maar hij maakt zich geen zorgen. Als hij rent voor zijn leven, komt alles goed. Hij is sneller dan die lome krachtpatser. Sneller en slimmer. Hoor die kerel maar eens stampen. En lopen maar. Daar, door dat gat in de haag, recht de wildernis der struiken in. Nog even en hij is veilig. Nog één minuut pompen en hij hoeft zich nooit meer zorgen te maken. De mouw van zijn jasje scheurt aan een tak waarachter hij blijft haken, maar hij blijft lopen. Zijn duurste aankoop ooit. Hugo Boss. Pure zijde. Getailleerd. Een echte investering, hij mocht immers niet opvallen. Met dit pak en zijn perfecte smile won hij altijd instant geloofwaardigheid bij de rijke vrouwen die hij bestal. Hij zal het toch niet meer nodig hebben, na deze catch. Het had zijn beste tijd toch al gehad.  Wanneer hij zeker is dat hij niet meer gevolgd wordt door de zwartgeklede kleerkast, zet hij zich hijgend op zijn knieën. Hij heeft de longen uit zijn lijf gelopen. Zijn vingers trillen van opwinding wanneer hij de portefeuille van dochter de Craene uit haar tasje haalt. Baar geld, een handvol platina creditcards en een stapel staatsbonnen, volgens Saskia’s research. Goed voor een paar miljard euro. Tergend traag opent hij de ritssluiting van de peperdure portefeuille. Zijn oren suizen. En dan…  Één kleine post-it. Verder is de portefeuille leeg. Een belachelijk klein papiertje met een smiley, begeleid door één zinnetje. “Kijk in je achterzak.” Hij krijgt het ijzig koud. Plots voelt hij het. Zijn hart begeeft het bijna. Leeg.  

Annelies Leysen
5 1

Achttien in Brussel

Ik zit in het station. Tegenover me zit een man. Hij ziet er serieus uit. Hij draagt witte sportschoenen die niet passen bij de rest van zijn outfit. Ik kijk op de monitor. Een halfuur. Ik ben goed op tijd, toch zweetten mijn handen.   Een vrouw strompelt naar binnen. Haar voeten schuifelen over de tegels. Ze heeft een klein hondje bij aan een zwarte leiband. Wanneer ze naast me komt zitten, voel ik me onwennig. Haar gezicht is vuil, verweerd en simpel. Ze draagt kleren die te klein zijn, in alle kleuren van de regenboog. Ze kijkt me aan en ze glimlacht. Ze lacht alsof er geen zorgen in de wereld zijn. Ik glimlach terug en ontwijk nerveus haar blik. Ik kijk op de monitor. Vijfentwintig minuten.   Een derde figuur verschijnt: een oude hippie met grijze dreadlocks wandelt het station binnen. Hij gaat op de bank links van me zitten. Hij kijkt niemand aan en begint in zichzelf te mompelen. Hij praat rustig, redelijk, maar onverstaanbaar. Zijn woorden weerkaatsen zachtjes in de hal. Geïntrigeerd door zijn persoonlijke discussie, kijk ik een paar keer zijn kant op. Hij merkt het niet, of het kan hem niets schelen. Daarna kijk ik naar de vrouw. Ze is bezig met haar hondje en lacht haar eigen lach.   De norse man met de witte sportschoenen kijkt de twee veroordelend aan. Daarna stapt hij op en verdwijnt hij.   Ik kijk nogmaals op de monitor. Nog maar tien minuten. Het hondje blaft. De hippie doorbreekt  plots zijn gemompel en buigt voorover, zijn grote ogen gefixeerd op het beestje. 'Wat mooi', zegt hij met een grauwe, eerlijke stem. De glimlach van de vrouw wordt breder. 'Ja hé', antwoordt ze kinderlijk. Daarna kijkt ze naar mij. Even weet ik niet wat ik moet doen. Dan besef ik dat ze beaming zoekt. 'Ja, hij is heel mooi', zeg ik zacht, terwijl ik naar het bruine beestje kijk.   De vrouw knikt en gaat verder met glimlachen. De hippie begint terug in zichzelf te praten. Ik voel me eindelijk op mijn gemak. Mijn rol is hier gespeeld. Ik sta op en wandel naar buiten, zonder om te kijken naar de twee zonderlinge figuren die ik voor eeuwig achter me laat. Ik wens hen het beste.   Ik stap op de trein en zet me ergens alleen. Ik kijk naar buiten. Na een tijd begint de wereld die ik ken te verdwijnen, eerst heel langzaam, daarna steeds sneller. Tot de dingen voorbijrazen aan mijn raam.   Ik kijk naar buiten en ik zie de dingen, zo vaag. Nog nooit wist ik zo zeker dat ik zo weinig wist. Ik ben achttien. De wereld raast voorbij mijn raam. En doelloos.

Marijn P
0 0

Winter in Kiev

Winter in Kiev Te midden van de chaos probeerden ze opnieuw een front te vormen. Ze hadden terrein gewonnen, nu moesten ze het proberen bij te houden ook. De demonstranten waren terug gedreven, al was het maar voor even. Eén van hen lag nog op het asfalt te kermen. Dikke klodders rood sijpelden uit de gapende wonde op zijn slaap. Toch wist de man weg te kruipen, de rook in. Viktor keek naar zijn knuppel. Het ding was besmeurd met een mengsel van zweet en bloed. Tot zijn ontsteltenis merkte hij dat zijn hand trilde. Even vroeg hij zich af wie of wat hij was. Een berkut, dat ben ik, dat mag ik niet vergeten. Hij droeg een dikke helm met plexiglas, een blauw camouflagepak met veiligheidsvest en zwarte boots met ijzeren tippen. Hij was gewapend met knuppel en schild. Hij was een berkut, een Oekraïense adelaar, zorgvuldig geselecteerd en zes jaar lang getraind. Samen met zijn maten had hij massa's protesten gebroken. Nooit hield hij zich in. Hij was sterk. Hij had mensen zien kermen voor zijn kracht. En toch, vandaag trilden zijn handen.Hij voelde zich doelloos, beland in een situatie die hem vreemd was.Dat was hem nog nooit overkomen. Hij bad voor duidelijkheid en probeerde het gouden kruisje te voelen dat hij onder zijn uitrusting droeg. Hij kon het niet vinden.Een groot stuk grijs knalde tegen zijn schild. Het begon stenen te regenen. Brokstukken doemden op uit de rook en ketsten op de ordetroepen af. De demonstranten hadden autobanden in brand gestoken waardoor een dikke, stinkende damp zich overal had verspreid. Het speelde in hun voordeel. Zij konden nog altijd lukraak met stenen gooien, terwijl de geweren met rubberen kogels zo goed als nutteloos waren. Ze werden gedwongen zich terug te trekken. In de rook was hergroeperen onmogelijk. Met hun schilden als paraplu's omhoog geheven liepen ze weg, op zoek naar dekking. Viktor dacht terug aan de afgelopen dagen. Hun bataljon was niet lang geleden vanuit het oosten van het land naar Kiev gestuurd. Vanaf het moment dat ze toegekomen waren, was de hel losgebarsten. Dat had hij niet erg gevonden, integendeel. Daar waren ze op getraind. Ze zouden orde op zaken stellen. Het was een uitdaging. Toch waren de dingen anders gelopen dan hij had verwacht. Dagenlang hadden ze gevochten. Eerst zoals altijd, met knuppels en schild. Zijn rechterarm was al na één dag stijf van het meppen. Maar de menigte leek onstuitbaar. Daarom kregen ze toelating om waterkanonnen te gebruiken, ondanks de vriestemperatuur. Officieel gebruikten ze rubberen kogels, maar een paar keer werd er met scherp geschoten. Er vielen doden. En toch stonden de demonstranten op straat, elke dag opnieuw.Viktor wist dat hun missie onmogelijk was. Het volk zou nooit opgeven.Vandaag is een wanhoopspoging. De ordetroepen hadden zich ver genoeg teruggetrokken om een nieuwe linie te vormen. Viktor voegde zich in de strakke, zwarte lijn. Hij was één van hen, zo hoorde hij zich te gedragen. Toch voelde hij zich verloren tussen de anderen.De rook klaarde op. Eén voor één werden de demonstranten zichtbaar.Hun kreten zwollen aan tot een krachtig geheel. Viktor moest een rilling onderdrukken. Voor hem openbaarde zich een waanzinnige massa. Allen waren ze vol vuur en woede. Zelfs de man waarvan Viktor dacht dat hij hem een hersenschudding had geslagen, stond tussen de menigte. Een dikke korst bloed bedekte de linkerhelft van zijn gezicht. Hij leek zijn wonden niet eens te voelen. Viktor wenste dat hij kon verdwijnen.Hij wilde niet nog eens vechten, maar hij wist dat het onvermijdelijk zou zijn.Hier word ik voor betaald. Waarom stel ik vragen? Nogmaals zocht hij wanhopig naar het kruisje onder zijn vest. Hij kon het niet vinden. Draag ik het wel? De ruimte tussen de ordetroepen en de demonstranten werd kleiner en kleiner. Alle troepen hieven hun schilden op, klaar voor de strijd. Allemaal, buiten Viktor. Zijn schild en knuppel liet hij vallen, zijn helm gooide hij op de grond. Zweet en tranen druppelden van zijn gezicht. Hij zocht kermend naar het kruisje onder zijn borst, naar één of andere uitweg, een mirakel. Een mirakel. Viktor keek omhoog. De tijd leek stil te staan. Hij zag een warme, oranje schittering in de lucht. Zijn verlossing, wist hij, neergedaald uit de hemel om deze waanzin te stoppen. Viktor moest bijna huilen van geluk. Hij merkte niet dat de troepen links en rechts van hem wegdoken. De molotov cocktail raakte Viktor recht in zijn gezicht. Het ding ontplofte en slaakte een geweldige vuurbal. Alles gebeurde in een flits. Viktor voelde geen pijn. Hij zag het meest wonderbaarlijke schouwspel dat hij ooit gezien had. Op dat moment was hij overtuigd van een heilige verlossing voor hen allen. Op dat moment wist hij zeker dat alles goed ging komen.

Marijn P
0 0
Tip

Kippies zwemvest

Het eerste wat ik die dag verkocht was een boek over Nieuw-Zeeland. De vrouw die het kocht had oranje haar en een bleke huid en ze droeg een rode bril. Het duurde even eer ik mijn aandacht van haar gezicht kon verplaatsen naar haar vragen. Of het een goed boek was, vroeg ze. Ik moest bekennen dat ik het niet gelezen had. Ik kon me zelfs niet meer herinneren waar, wanneer en waarom ik het ooit gekocht had. En nee, ik ben nooit in Nieuw-Zeeland geweest. Zij wel. Ze had er twee jaar gewoond. Ze was er lang geleden naartoe getrokken om er met haar vriend een zaak te beginnen. Nog geen maand nadat ze er waren, maakte hij het uit. ‘Daar stond ik dan,’ zei ze. ‘Ik was te trots om terug te keren en ik bleef.’ Ze had er gewerkt en ze had er rondgefietst.   Een deel van haar verhaal ben ik vergeten, maar haar gezicht bleef me bij. Haar ogen waren donker aangezet. Ze zag er vermoeid uit, alsof ze te snel geleefd had. Ik vroeg twee euro voor het boek. Het was in uitstekende staat maar het was misschien wat gedateerd. Wou ze dan nog teruggaan? Nee, zeker niet. Het klonk zo stellig dat ik het wonderlijk vond dat ze er dan toch nog een boek over kocht. ‘Ik ga nu wat anders doen’, zei ze. Volgende week vertrek ik naar Maleisië.’ ‘Met mijn kinderen,’ voegde ze er nog aan toe. Bij Maleisië en nog meer bij het woord ‘kinderen’, flakkerde er iets op in haar ogen.   Tijdens ons gesprek was de zon doorgebroken en waren er wat meer mensen in het park gekomen. Iemand vroeg naar de prijs van de luster, het grootste stuk dat op mijn twee vierkante meter zeil stond uitgestald. Daardoor verdween de vrouw met het boek zonder dat ik haar goede reis had gewenst.   De verkoop ging goed. Verbazend goed, want af en toe begon het regenen en moest ik alles afdekken. Maar zo gauw het ophield, kwamen de mensen weer aanschuiven en kochten ze dingen die ik niet meer wou hebben, maar toch nog te mooi of te goed vond om ze weg te gooien: borden, bestek, een blikopener, kandelaartjes, een paar gedeukte mosselpotten. Vooraan op het zeil stond een doos met autootjes, poppetjes, sleutelhangers en kleurige prullen waar kleine kinderen graag naar graaien.   Een nieuwe regenbui zette de helft van het zeil onder. Ik was blij dat het boek al weg was. De rest kon ertegen. Ik schudde alles af en droogde hier en daar wat bij met mijn zakdoek en probeerde een nieuwe opstelling uit.   Een man op een fiets stopte voor mijn kraampje en boog zich naar de speelgoeddoos. Hij viste er een zwemvest uit die ooit van Action Man was geweest uit en stak het omhoog. ‘Hoeveel kost dat?’ vroeg hij. ‘Als u daar een bestemming voor hebt, mag u het gratis hebben’, zei ik. ‘Ik heb daar zeker een bestemming voor, zei hij, maar ik wil er wel voor betalen.’   Hij zat nog steeds op zijn fiets en glunderde op dezelfde manier als het jongetje dat een paar minuten ervoor een autootje uit de doos had mogen kiezen.   Een zwemvest op poppenmaat, hij maakte me nieuwsgierig naar de bestemming. Hij haalde zijn iphone uit de zak van zijn regenjasje en liet me een foto van twee jongens zien. ‘Mijn kinderen leren zeilen, zei hij, met dit zwemvest kan hun knuffel, Kippie, ook mee.’ Hij had geen foto van Kippie, maar hij zou er een sturen. Ik gaf hem mijn e-mailadres en hij gaf me twintig cent.   Bijna drie vierden van mijn rommel heb ik die dag verkocht. Ik had genoeg over voor een hotdog met zuurkool (twee euro), een knipbeurt bij de gelegenheidskapper (vijf euro) en een paar nieuwe boeken voor op de trein.   De rest van de rommel bracht ik naar de kringloopwinkel. Ik sloot de studio waar ik de laatste maanden had gelogeerd af en ik vertrok naar een ander land.   Onderweg dacht ik nog aan de vrouw met het oranje haar, aan de man op de fiets en aan alle vrienden en kennissen die ik die dag niet gezien had. Waarschijnlijk had niemand die dag zin in een rommelmarkt en had het niets te betekenen.   Toch had ik die dag een bekend gezicht gezien, dat van een vrouw waar ik lang geleden leuke gesprekken mee had gevoerd. Ik zag haar van ver aankomen en ik lachte haar uitnodigend toe. Ze lachte een kleine wat afstandelijke glimlach terug en liep verder. Het heeft niets te betekenen, moest ik een paar keer tegen mezelf herhalen. Het is gewoon tijd om weg te gaan.   Ik ben er niet achter gekomen of de vrouw die het boek over Nieuw- Zeeland kocht, op het vliegtuig naar Maleisië zat dat op 17 juli in Oekraïne neergehaald werd. Misschien is ze een dag eerder vertrokken, of een dag later, of misschien helemaal niet.   Van de man op de fiets kreeg ik een mail met een foto van Kippie en de jongens, allemaal met zwemvest aan. Het was een fijne, geruststellende gedachte dat Kippie, als hij over boord zou vallen, snel gered kon worden.        

Christine Van den Hove
108 8

Business as usual

“Ik werkte geruime tijd voor dit farmaceutisch bedrijf met internationale faam. Mijn werk behelsde voornamelijk allerhande vergaderingen bijwonen en hierover verslagen schrijven met als doel publicatie voor intern gebruik. Er wordt behoorlijk wat vergaderd in een bedrijf als dit, dus dat was ontegensprekelijk mijn eerste taak. Maar soms kwamen ook mensen van de commerciële dienst aan mijn deur kloppen als ze verlegen zaten om een broodnodige slagzin. Dat waren voor hen wanhopige momenten waarin hen niets anders restte dan hun bestaan binnen het bedrijf in vraag te stellen. Deze laatste bedrijvigheid was trouwens strikt gescheiden van mijn eigenlijke beroep. Mijn redactionele grenzen waren vastgelegd in mijn contract en als er externe publicatie mee gemoeid was dan kostte dat het bedrijf een aardige extra duit. Deze lucratieve bijverdienste werd altijd netjes beheerd door mijn boekhouder. Laat het duidelijk zijn dat ik kennis van zaken had. Neem het mij niet kwalijk, maar voor ik ga, voel ik de absolute drang om iets na te laten. Dat komt onder meer door het feit dat ik geen kinderen heb waaraan ik mijn kennis en ervaringen kwijt kan. En mijn vrouw, tja, na al die jaren kijkt ze nog altijd angstig weg als het woord business valt. Het kan natuurlijk ook pure ijdelheid zijn, mijn nood aan schrijven. Laat dit schrijfsel een gids zijn wanneer u, aanstormend talent, de eerste stapjes in de wondere wereld van de business zet. (korte pauze) Ik ga ervan uit dat u net aangenomen bent. U zal weldra een mooie uitnodiging ontvangen om samen met uw wederhelft het jaarlijks feest bij te wonen. Krijgt u al meteen het gevoel alsof het feest om uw persoon draait? Vergeet het maar. Vergeet ook het geplande gesprek dito handdruk met de directeur. Die is van het toneel verdwenen voor u het goed en wel beseft. Het is namelijk niet de bedoeling dat u hem leert kennen, maar wel dat hij u leert kennen, zij het dan indirect. Uw op papier gedrukte versie volstaat voor hem want hij heeft weinig tijd. Tijdens uw eerste feest wordt u daarom gedurende het hele verloop nauwlettend in de gaten gehouden door personen van de dienst Human Resources. Deze dienst heeft daar uitgebreid over nagedacht. En ik kan het weten, ik was erbij. Als u, net als Pierre vorig jaar, helemaal op het einde straalbezopen met stoel en al achterover valt, dan hebben ze het gezien en kunt u een kruis maken over uw verdere carrière in het bedrijf. Welke successen u ook moge boeken, nooit zal nog aan u gedacht worden als een hogere functie dient ingekleed. Of als u zoals Jean, het jaar daarvoor, denkt iedereen te moeten onderhouden met een uurtje moppen tappen. Geen slecht idee als het tenminste goede moppen betreft. Maar zelfs dan doet u het beter terloops, maximum een paar minuten lang. En begeef u, in tegenstelling tot Jean, in geen geval naar de belangrijkste tafel als u daar nog niet klaarvoor wordt geacht. Ze zullen lachen, daar kunt u van op aan, maar geenszins om uw komisch talent. Wel met het horizontale verloop van uw carrière. Het is maar dat u het weet. Geen paniek, u krijgt het volgende jaar ruimschoots de kans het beest in u los te laten wanneer uw partner niet meer welkom is. U wordt namelijk maar één keer gekeurd. Onderdruk dus nog even dat jaloerse gevoel als u de collega gadeslaat die in de late uurtjes tijdens een slow, bevrijd van de priemende blikken van zijn vrouw, het achterwerk van de directiesecretaresse mag kneden. (korte pauze) Voor het feestmaal wordt opgediend zal een hele colonne aan hoge en minder hoge pieten de revue passeren. Tijdens ellenlange speeches van mijn hand zult u om de oren worden geslagen met bedwelmende winstcijfers en grootse plannen. Komt u dan al handen tekort bij de zoveelste staande ovatie? Goed zo! Voelt u zich meteen uitermate euforisch en deel van een grote familie? Prachtig! Verbaast u uzelf, luid aangemoedigd door uw nieuwe familieleden, de keel schor te schreeuwen met de leuze van het bedrijf? Magnifiek, zo zien ze het graag! Verrast u uzelf nogmaals door na het feestmaal uw verlegen ik opzij te schuiven en bij aanvang van een zeer vertrouwd in de oren klinkende intro met volle overgave de dansvloer op te springen, om daar en masse gitaar te spelen op de tonen van Smoke on the water van Deep Purple? Wat een lef! Stelt u zich de dag daarna bij dit alles geen vragen? Dan hoeft u niet verder te zoeken. U heeft uw bestemming in de kudde gevonden! Ik wens u van harte veel geluk! (korte pauze) Lijkt het u echter fijner bovenaan de ladder, dan moet u het anders aanpakken. U mag blijk geven van een kuddegeest, maar niet te veel. Doe het op een afstand. Vergeet niet dat ze u in de gaten houden. Bent u overduidelijk een kuddedier dan wordt u ook zo gecatalogiseerd. Zelfs zonder de stupiditeiten zoals die van Jean en Pierre zullen uw promoties zeer moeizaam verlopen en wie weet zelfs nooit plaatsvinden. Een bedrijf heeft nu eenmaal werkpaarden nodig. Meer nog, zonder dezen geen bedrijf. Er moet dus voor een constante aanvoer worden gezorgd. Dit is de eerste prioriteit van de dienst Human Resources. Dat is werkelijk de allereerste schifting die ze maken in de op het feest volgende week. Hebt u echter met een bepaalde gereserveerdheid deelgenomen dan belandt u vrijwel zeker in de tweede groep: mensen met schijnbaar potentieel. Is dit garantie op promotie? Niet meteen, maar het is wel het eerste zinnetje dat door de bevoegde personen gelezen wordt. En deze mensen, op welk niveau ook, vertrouwen blindelings op de aanbevelingen van de dienst HR. Eenmaal in de tweede groep en zo u ziekelijk ambitieus bent, komt het er dan op aan te herkennen wat echt belangrijk is, met name de machtsverhoudingen onder het oppervlak die zelden dezelfde zijn als wat van naamplaatjes valt af te leiden. Daarbij moet u de echte machthebbers vriendelijk maar kordaat laten kennismaken met uw ambities. Verricht eventueel al eens een vriendendienst of doe wat extra werk om vertrouwen te wekken. En laat al die andere schijnbaar potentiëlen maar uiterst zorgvuldig de voorgeschreven regeltjes volgen. Doe het zelf enkel wanneer nodig. U vraagt me: wanneer? Als de echte machthebber, van welk niveau ook, u deze regels informatief meedeelt, met een knipoog als het ware. Als u echt een promotiejager bent, zult u zich gerustgesteld voelen door zijn of haar lichaamstaal en blik. Machthebbers onder elkaar, snapt u? Voor de op papier bevoegde bent u aanbevolen als zijnde ‘schijnbaar potentieel’ en de echte machthebber zal die bevoegde daadwerkelijk weten te overtuigen. (korte pauze) Is dit nu allemaal wel rechtvaardig? Neen, maar we leven nu eenmaal in een onrechtvaardige wereld. Al die procedures zijn enkel en alleen ingevoerd om de mensen die rechtvaardigheid hoog in het vaandel dragen te sussen. Let op, eerste gouden regel: wees geduldig! Werk trapje per trapje af op weg naar eenzame hoogten. Ik heb ze in mijn loopbaan genoeg meegemaakt, die heren en dames die dachten al eens een niveau te mogen overslaan en door hun arrogantie op vele tenen trapten. Tot ze plots op bepaalde hoogte geweigerd werden en meteen een paar treden naar beneden donderden. De overgeslagen niveaus haalden dan, met goedkeuring van de top, de pot pek en veren boven. Een dergelijke handelwijze werd niet zelden al op voorhand zo afgesproken. Tweede gouden regel: u kunt maar beter goed voorbereid zijn bij de poging om het zitje in te nemen van een van de mensen op het allerhoogste niveau. Alle schouderklopjes ten spijt, indien u met uw baanbrekende nieuwe inzichten de directeur niet van zijn sokken blaast, dan blaast u de aftocht. Maar lukt het u wel, dan bent u eindelijk daar aanbeland waar u al die tijd heeft naar uitgekeken. Heb geen berouw om het slachtoffer. Vroeg of laat overkomt het ook u en dan zult u merken dat u sowieso in ere hersteld wordt. De gouden handdruk behoort tot het door mij geschreven protocol en bij het zien van dat bedrag zult u zeer snel de stukgelopen relaties tengevolge van uw talloze overuren vergeten, en smakelijk lachen om de obligate dineetjes die als enig doel hadden het werk met de ellebogen te oefenen. (korte pauze) “Hoe weet ik dit nu allemaal?” vraagt u zich nu misschien af? Wel, voor de youngsters onder jullie, ik stam uit een tijdperk waar langdurig werken voor dezelfde werkgever nog in de mode was. Door mijn lange staat van dienst, une éminence grise zo u wilt, ken ik het reilen en zeilen van dit bedrijf als geen ander. En ja, een oude rot in het vak komt men al wel eens om raad vragen. Dat was meestal het geval net voor ze op het allerhoogste niveau afstormden. U kunt eigenlijk wel stellen dat ik een soort stille macht had in het bedrijf waarbij ik niet zelden iets te weten kwam. Iets niet bestemd voor publicatie, als u begrijpt wat ik bedoel. Ik heb wel mijn machtspositie nooit misbruikt, men wist mijn zwijgzaamheid altijd zeer te waarderen. Door de aard van mijn job moest ik ook wel zwijgen. (korte pauze) Laten we nu even teruggaan in de tijd. In tegenstelling tot de vele niveaus met bijbehorende subniveaus die nu gehanteerd worden, was er bij mijn start maar één verschil dat werd gemaakt: u was lid van de directie of u was het niet. Iedereen die het niet was, werd gewoon werknemer genoemd. En dan zeker in dit dochterbedrijf dat toen nog maar juist was opgestart en derhalve weinig personeelsleden telde. Als werknemer was men ook niet dit of dat, neen, men was dit en terloops ook nog dat. Ik was bijvoorbeeld magazijnier maar deed ook wat elektriciteit. Toen ik er al wat dienstijd op had zitten, begon er ook wat werkvolk naar mij te luisteren omdat ik goed kon organiseren. U kan dit 'technical team leader' in spe noemen of er eender welk ander modern etiket op plakken, feit was dat ze naar mij luisterden en dat bleven doen omdat, als het er op aan kwam, ik ook nog altijd zonder morren de handen uit de mouwen stak, mij dus hoegenaamd niet beter voelde dan de rest. En dan kwam daar de grote Amerikaanse overname van het Franse moederbedrijf. Overnames zijn dezer dagen een quasi verplicht onderdeel van de bedrijfspolitiek, maar toen was dat nog groot nieuws. De Amerikanen schrokken zich wel een hoedje toen ze hier voor het eerst kwamen. Het was meteen duidelijk dat ze niet geloofden dat hier ook maar iets naar behoren werkte of ook maar iets deftigs van de band rolde, in zo een naar hun maatstaven chaotische sfeer. Deze Belgische stijl vonden ze best wel ‘funny’ en ‘charming’, maar toch pasten ze alles aan hun normen aan, wat dus betekende: heel duidelijk omschreven taken, bijzonder correcte naamgeving,... kortom de u wel zeer vertrouwde poespas. Van mij maakten ze echt een ‘technical team leader’. (korte pauze) Alhoewel ik het eerst, ondanks mijn mooie titel, niet zo begrepen had op de Amerikanen, moest ik na een tijdje toch mijn mening herzien. Ze dachten meer na dan verwacht, waren minder dom dan ze er uitzagen. Hun opgelegde metamorfose werd namelijk niet meteen volledig uitgevoerd, dat gebeurde maar met mondjesmaat. Eerst herstructureerden ze een beetje, bekeken het resultaat, voerden aanpassingen door waar nodig en begonnen dan pas aan de volgende stap. Er werd zelfs naar ons, mannen op de werkvloer, geluisterd! Dat was du jamais vu ni entendu! Uiteraard betrof dat een vals blijk van vertrouwen, het waren niet voor niets Amerikanen, maar door hun bereidheid om te luisteren zag ik wel de kans om mij te profileren. Tijdens hun reorganisatie hadden ze namelijk één ding over het hoofd gezien en dat was een goede communicatie. Dat kan vreemd lijken want laat dat net een van hun stokpaardjes zijn, maar de heren van over de Grote Oceaan hadden verkeerdelijk de indruk dat iedereen bij ons alles verstond wat ze in hun nasaal Engels zeiden. Maar dat was niet zo, verre van eigenlijk. Nederlands en Frans, vormden in de regel meestal geen probleem, maar Engels was andere koek. Die verkeerde indruk ontstond ook omdat iedereen van onze directie, ja zelfs de grote baas, altijd maar beleefd knikte om toch maar geen slechte indruk te maken en zo mogelijk hun baan te verliezen. Je wist maar nooit bij een overname! Het is meer dan eens gebeurd dat wanneer de Texanen de deur achter zich dichttrokken, de Belgische top vergaderingen belegde, niet om hun ideeën of plannen verder uit te werken maar simpelweg om alle beetjes die eenieder had verstaan bij elkaar te sprokkelen. Mijn geluk was dat ik als enige in het bedrijf een Engelse tak in de familie had en dus echt een aardig mondje Engels verstond, en praten kon. Ik werd er dan ook telkens bij geroepen om de stukken in elkaar te passen. In het geheim welteverstaan, want ik was geen lid van de directie. (korte pauze) Een tijdje na de overname stond ik daardoor op een goed blaadje bij de directie en ontvouwde ik de grote baas mijn plan. Een beetje lef af en toe mag wel. Ik vond dat we open kaart moesten spelen en de volgende keer dat de Amerikaanse delegatie zou langskomen hun voorzichtig zouden kunnen wijzen op het probleem van de taal. Ik zou ik niet geweest zijn, moest ik er niet meteen mijn volgende idee bij gelanceerd hebben, namelijk het aanstellen van een tolk, ik dus. Als bij wonder waren de Amerikanen meteen enthousiast om zoveel initiatief. En zo, beste ex-collega’s, geschiedde dat van de ene dag op de andere de dienst vertaling werd opgericht. Als enig lid werd ik ook meteen hoofd. Reorganisatie na reorganisatie werd doorgevoerd en af en toe kwam er al eens een lid bij op mijn dienst, maar ik bleef hoofd. Elke nieuwe directie nam mij over van de vorige. En dit zonder enig diploma in mijn bezit te hebben. Het gerucht dat hier de ronde doet als zou de ex-nummertwee van de redactie er niet voor zijn opgeleid, is hierbij dus bevestigd. Wacht eens, ik ben al die tijd hoofd geweest en toch als de nummer twee geëindigd? Inderdaad, één jaar geleden is meneer Vanderbilt er bijgekomen, u allen wel bekend. Of juist niet, meneer Vanderbilt moet namelijk veel op zakenreis, heeft het altijd druk, druk, druk. Hij kreeg bij aankomst mijn dienst, met mij er dus bij, onder zijn hoede. Maar ik mag in alle bescheidenheid denk ik toch wel stellen dat ik mijn strepen ondertussen wel verdiend had, niet? (korte pauze) Waar waren we gebleven? Oh ja, nog wat later na de overname bleek zelfs dat ik talent had om te schrijven. Niet onnoemelijk veel, maar toch genoeg om ook de nieuw verzonnen functie van de Amerikanen erbij te nemen. Een functie die ik, zoals in het begin gezegd, tot op de dag van gisteren uitoefende. Ik vond dat extra werk hoegenaamd niet erg. Het Engels van iedereen was al een stuk verbeterd waardoor ik tijd over had en die nieuwe functie zat er toch aan te komen want de Amerikaanse vergaderwoede had ook hier zijn intrede gedaan. Nog meer dan voorheen was ik aanwezig op die vergaderingen waar de belangrijkste beslissingen werden genomen. Voor een nieuwsgierig man als ik was dit echt top. U moest ook de jaloerse blikken op de werkvloer eens gezien hebben telkens ik, gehuld in goedkoop kostuumpje, probleemloos toegang kreeg tot de hoogste regionen. Ze hadden natuurlijk ook reden om jaloers te zijn. Alhoewel ik niet op de hoogste post zat en daar ook nooit zou raken, beschikte ik via mijn beetje talent toch over tal van privileges vergelijkbaar met die van het allerhoogste niveau. Ik denk met plezier terug aan die vele congressen in het buitenland waar ik meer dan eens, in een voor mij onbetaalbare luxueuze hotelkamer, roomservice belde. Ik was omwille van mijn vaardigheden zelfs een bijna onmisbare, onvervangbare schakel geworden. Wel met de nadruk op ‘bijna’, want de marge hing uiteraard af van het karakter van de persoon voor wie ik de pen ter hand nam, en daar was doorgaans geen touw aan vast te knopen. Was ik de enige geluksvogel? Neen, een andere groep die tot het kransje der bevoordeelden behoorde, was de audiovisuele technici. Ze behoren er trouwens nog altijd toe. Hun macht zit in het simpele feit dat ze apparatuur bedienen. Niets hilarischer dan de verbaasde blik van de zelfverzekerde spreker die met gebalde vuist zijn speech inzet, en alleen maar een bomvolle zaal gebalde vuisten terugkrijgt omdat de fader van de mengtafel niet geopend is en het beleefd publiek, niets horend, denkt het mimespel te moeten imiteren. Echt gebeurd! (korte pauze) Hopelijk heeft u nu geen té romantisch beeld gekregen van mijn loopbaan. Tegenwoordig lijkt het mij bijna onmogelijk om nog op een manier als de mijne, zo uit het niets, carrière te maken. En zelfs moest de bedrijfscultuur het toelaten, vergeet dan niet dat er wel degelijk ergens een link moet zijn. U moet als pas aangeworven dame van de koffie, met alle respect, morgen dus niet zomaar al zingend het kantoor van de directeur binnenvallen. Hij zal hoogstens verlekkerd kijken naar uw vibrerende decolleté als u de hoge do probeert te halen. Is dat het eigenlijke opzet, laat mij u dan niet weerhouden van uw plan. (korte pauze) Ik ga afsluiten met volgende bedenking: als u daar zit waar over het lot van honderden anderen wordt beslist, als uw handtekening bepalend is voor levens die in de armoede worden geduwd of niet, dan kunt u niet meer hoger. Bij die gelegenheid zult u merken dat u nog iets mist, iets om aan uw persoon luister bij te zetten. Ja, dan zult u aan mij denken, maar ik ben weg. Denkt u maar aan Jos. Bij deze, Jos, gefeliciteerd!”   Met deze bemoedigende woorden voor zijn opvolger eindigde Frans zijn speech die hij morgen zou voorlezen op het feest naar aanleiding van zijn pensioen. Hij leunde voldaan achterover en dacht aan de staande ovatie die hem te beurt zou vallen: “Die staande ovatie is wel protocollaire kost, maar het zal de eerste keer zijn dat ze uitsluitend voor mij zullen klappen. De meeste leden van de directie zullen na het einde van mijn eigenzinnige speech eerst wat aarzelen om te applaudiseren maar als de CEO begint, zullen ook zij dra volgen. Met de CEO zal ik kortstondig een blik van verstandhouding wisselen. Waarschijnlijk zal hij dan nog iets harder beginnen klappen, recht staan en zo de hele zaal verplichten om dat ook te doen. Hij houdt wel van wat overdrijving. Mevrouw Kuipers, hoofd HR, zal dus ook moeten meedoen, maar met veel tegenzin, woedend als ze zal zijn. Het deert mij niet, ik heb die feeks toch nooit kunnen uitstaan. Jos, mijn maatje, zal ook enthousiast en hard klappen, maar ook verbouwereerd staan, met de tranen in de ogen, want hij zal zijn promotie dan pas vernemen. Vanderbilt zal verbaasd zijn over die promotie. Hij zal niet weten wat te moeten denken omdat ook hij het dan pas verneemt. Hij zal niet weten wat te moeten denken daar hij normaal medezeggenschap heeft in zulke beslissingen met betrekking tot zijn dienst. Maar de promotie van Jos is op mijn vraag beslist door de CEO en die staat nog altijd een paar trappen hoger dan Vanderbilt, die op dat moment eigenlijk zou moeten voelen dat er iets aan de hand is. Maar dat zal hij niet doen, zo snugger is hij niet. Hij zal zijn eigen arrogante zelve weer staan wezen. En na het feest zal hij dan nogmaals verbaasd staan kijken. De CEO zal hem op het matje roepen en hem meedelen dat hij als mijn directe baas verantwoordelijk was voor de toon, een tikkeltje te vrijpostig, van mijn speech, pensioen of niet. Vanderbilt zal bij hoog en laag beweren dat hij die tekst nooit gekregen heeft, dus nooit zijn fiat heeft gegeven. De CEO zal dan samen met Vanderbilt diens e-mail gaan bekijken en met hem constateren dat de dag ervoor precies om 17u30 een mail van ene zekere Frans Vertongen is binnengekomen met vermelding ‘Speech voor pensioen’. Op dat moment zal Vanderbilt waarschijnlijk doorhebben dat het doorgestoken kaart is, alhoewel. Hij zal er zich alleszins niet meer uit kunnen praten en moeten toegeven dat hij niet meer aanwezig was op desbetreffend uur. Hij zal zijn afwezigheid niet kunnen verantwoorden, de CEO kent zijn planning, hij moet normaal gezien tot 18u00 aanwezig zijn. Het zal een directe aanleiding vormen voor de CEO om hem te ontslaan want Vanderbilt heeft voor hetzelfde al twee aangetekend verzonden waarschuwingen gekregen. Vanderbilt zal hangen. Dat is wat ik wil, dat is zeker wat de CEO wil. Zo hebben wij dat afgesproken. Die waardeloze onbenul die enkel en alleen zijn postje te danken heeft omdat hij familiale connecties heeft in het Amerikaans moederbedrijf. Die lul die altijd maar met zijn diplomaatje stond te zwaaien en mij één volledig jaar werkelijk in het gezicht uitgelachen heeft. Maar zijn familiale connectie zal op dit moment ook moeten vertrekken. Wel om andere redenen, maar de CEO is daarvan al een tijdje op de hoogte. En vanavond ben ik officieel uit dienst, dus bij wet onbereikbaar. Het interne netwerk ligt op vraag van de CEO vanaf 17u35 tot morgen 09u00 plat, zogezegd wegens nieuw te installeren software, zodat Vanderbilt zijn mails thuis niet kan lezen. Morgen stipt om 09u00 stap ik dat podium op!” Frans keek naar het lege bureau wat verderop en lachte duivels hard. Dan bracht hij kordaat zijn linkerarm voor zijn gezicht, las 17u30 op zijn polshorloge en met een druk op de knop vertrok de e-mail waar het uiteindelijk allemaal om te doen zou zijn.

johan saenen
0 0
Tip

Avocado

Net voor ze de avocado in tweeën gaat snijden, aarzelt het mes in haar hand bij de schil. Nooit heeft ze hem deze vrucht zien eten. Hoe zou dat zijn? Misschien zoals toen, tijdens de trekking, die avond op de pas. Waar landschappen als decorstukken elkaar verdrongen om een streling van het laatste licht op te vangen. Terwijl ze even uitrustten bij de top van een kleine heuvel, had ze een appel in stukken gesneden en met hem gedeeld. Stil nam hij de stukken van haar over en hoewel hij volledig in zijn schrift opging, at hij ze gretig op. Hij smakte erbij. Toen ze hem daar voorzichtig op wees, zei hij dat hij erover aan het schrijven was. Over de tocht door de bergen, over de appel, over haar. Luidop had hij alles vertaald voor haar. Met dezelfde gretigheid had hij medicijnen gegeven aan de zieke vrouw in het kleine donkere keukentje van de familie bij wie ze die nacht zouden verblijven, had hij geprobeerd zijn gasvuurtje te verkopen op de camping, had hij in het grote krentenbrood gebeten en haar voor het eerst gekust. Het is de eerste avocado die ze eet sinds ze terug is. De vrucht is perfect rijp. Het mes valt bijna door het vlees. Ze ziet het satijngroen al voor zich. Zoals de gerstvelden die oogstklaar lagen als tapijten rond de dorpjes op de hellingen. Temidden die velden had ze lange gesprekken gevoerd met hem. Eerst zonder hem. Toen hij nog op haar aan het wachten was in een stoffig dorp. Vlug genoeg met hem, toen de kleine riviertjes rood werden als slagaders bij zwellende harten. (Waar ze hem moest uitleggen dat het door de pigmenten van de textielverven kwam en niet door het bloed van slachtingen.) Maar misschien had hij haar veel meer bijgebracht. In die korte tijd. Eerst en vooral had hij haar een nieuw scheppingsverhaal gegeven. Daarna werd hij ziek en leerde hij haar om bij hem te zijn. Ze leerde op hem te wachten. Op andere dagen had hij uit haar verhalen gepuurd. Dan luisterde hij met al zijn oren. Wanneer hij terug aan het praten ging, kwam soms een oud verdriet tegen de oevers van zijn ogen gerold. Ook al spraken ze een andere taal en proefden de woorden soms vreemd, ze dacht dat ze elkaar begrepen en samen konden reizen. De laatste helling waren ze rennend en rollend naar beneden gekomen, joelend als kinderen. Geen zinnen meer. Ze scheidt de helften van de avocado en voelt hun weerstand. De militair in het kleine luchthaventje moet het ook gevoeld hebben toen hij hen afscheid zag nemen. Tegen alle regels in liet hij hen samen in de passagiersvertrekken toe. Prachtige woorden vonden ze uit. Afscheid en afwezigheid zouden niet gelijk zijn. Ze neemt het zoutvat. Te veel zout regent neer op het glanzende vruchtvlees. Hoe vaak heeft hij haar er niet voor gewaarschuwd. En ook voor te veel zon. Ze glimlacht. De gepolijste pit glijdt uit haar handen. Ze probeert hem nog op te rapen, ze krijgt er geen vat op. Als in het midden van een verhaal voelt het.

Marjanne Sevenant
29 1

Uit

Hij voelde dat hij nu iets moest zeggen. Dadelijk was ze weg. Hij zou haar nooit meer terugzien, dat wist hij nu wel zeker. Ze zou met de regen mee wegstromen uit zijn leven. ‘Straks val je van de bank.’ Hij liet het zo luchtig mogelijk klinken. Ze gaf geen krimp. ‘Kom, schuif eens wat dichter,’ probeerde hij nog eens, sussend nu. ‘Zo moeten we naar elkaar roepen.’ Ze hield de paraplu gekneld in haar hand. Haar vrije hand lag als een gewond vogeltje in haar schoot. Haar vingers vormden een bleke vuist. Hij wist dat ze het koud had. Hij wist ook dat ze lang, heel lang kon zwijgen. Gedempt zuchtte hij. Provoceren, dat moest hij doen. Het was zijn enige kans. ‘Straks komt er iemand tussen ons in zitten, dan kunnen we helemaal niet meer praten.’ Ze bleef strak voor zich uit kijken, toen ze schamper zei: ‘Er zit iemand tussen ons.’ Ze zuchtte. Hij had zoiets verwacht, ze hield ook van metaforen. ‘Neen,’ zei hij, ‘die zit er niet meer.’ Hij wist dat het zwak klonk. Wild verpakte ze de paraplu in haar andere hand en draaide haar hoofd weg. Er stoven druppels op zijn lederen jasje. Hij vloekte in gedachten. Waarom konden ze niet gewoon ergens binnen een koffie gaan drinken. ‘Ach,’ snoof ze,’en hoe weten we dat zo zeker?’ Nu, dacht hij. Hij wist dat hij nu terug moest tennissen. Een magisch woord. Zekerheid, dat wou ze. Een stukje brood op zijn uitgestrekte handpalm. Alles komt goed. Aarzelend zou ze dichterbij gesprongen komen. Het kon eenvoudig zijn gegaan. Een sms. Gisterenavond, na het eten, rustig op de bank. Mobieltje bij de hand genomen. Het nummer ingetikt dat hij vanaf het begin vanbuiten heeft gekend. Ik heb gekozen, tikken. Voor haar. Hij keek naar de punten van zijn schoenen. De regen vormde er kwikbolletjes op, zo goed waren ze gepoetst. Zijn gedachten kreeg hij niet rond. De woorden waren een kudde opgejaagde herten. Niet één kreeg hij te pakken. ‘Hé?,’ met een ruk draaide ze haar hoofd weer zijn kant op, ‘hoe kunnen we dat zo zeker weten?’. Hij moest iets zeggen. ‘Je schreeuwt,’ zei hij stil. Ze wreef een druppel van haar neus. Kalmer nu. Ze keek hem aan. ‘Ik heb het altijd al geweten.’ Nu pas hoorde hij hoe ritmisch de regen op hun paraplu’s tikte. Zou ze er nu ook een liedje bij bedenken? Ze had gelijk. Sinds kort was er een ‘voor’ en een ‘na’. En het hele stuk ‘voor’ was eigenlijk een voorbereiding op het ‘na’ geweest. En ‘na’, dat was nu. Nog bezig. Voor altijd. Niet te stelpen. Dat moest hij haar nu zeggen. ‘Ja,’ zei hij alleen maar. Ze keek nog altijd zijn kant op. ‘Nu weet jij het ook,’ zei ze. ‘Je hoeft niet meer te liegen, dat is het belangrijkste.’ Net voor ze opstond tikte haar paraplu even tegen de zijne. ‘Ook niet tegen hem.’ Ze wandelde weg. In de plassen vormde zich een kielzogje achter haar sneakers.

Marjanne Sevenant
14 0