Zoeken

C + G voor zolang eeuwig duren kan

In het leven gaat het vaak zo dat je de zaken uit je verleden die nu immens belangrijk lijken bent vergeten. Je zou je ze graag herinneren omdat, naar jouw gevoel, dat ene moment, dat ene woord of die ene oogopslag het verschil heeft gemaakt. Het is niet slechts een deel van het geheel, het is het deel dat het geheel heeft bepaald. Het is geen puzzelstuk van een puzzel, het is de afbeelding die de puzzel na afwerking toont. Maar hoe hard je ook probeert, je weet het niet meer.             Zo ook met mijn ontmoeting met Carlotta. Ik herinner me er niets van. Wellicht komt dat omdat ik indertijd een jaar of zes was en dat het nu eenmaal wel vaker voorkomt dat je gebeurtenissen uit je kindertijd vergeet. Maar waarom vergat ik dat ene moment waarop Carlotta en ik ontmoetten en heb ik wel talloze details onthouden zoals de sticker van de blauwe vlinder die op de bovenkant van haar beugel plakte?             Inderdaad, ze droeg een beugel. Vaak is dit de ideale reden voor jong gespuis om iemand uit te lachen maar Carlotta kwam er aardig mee weg. Het stond haar. Die metalen lijn langs haar boventanden maakte haar nog net iets specialer. Het betrof een beugel die ze gemakkelijk uit- en aandeed en niet mocht aanhouden bij het eten. Wanneer ik mijn ogen sluit zie ik nog steeds hoe ze tijdens de middagpauze haar brooddoos opendeed, haar boterhammen met kaas een boosaardige blik gaf en nadien haar rechterhand in haar mond stopte om haar beugel er met één soepele beweging uit te halen. Ze legde het ding meestal in het beugeldoosje dat ze meebracht naar school maar soms legde ze het op tafel. Terwijl we aten keek ik naar de blauwe vlinder en geen porie in mijn lichaam vond haar met speeksel omfloerste beugel stuitend. Integendeel: ik was jaloers op die beugel. Ik wilde er ook één zodat ik iets meer op Carlotta lijken kon.         In het leven gaat het ook vaak zo dat je dolgraag iedereen behalve jezelf wil zijn.   Die eerste ontmoeting is dus gewist uit mijn geheugen maar wellicht viel deze voor in het eerste leerjaar. We zaten in dezelfde klas. Ik zat al vanaf de kleuterklas op die school, zij was er nieuw. Misschien had juf Nancy de eerste schooldag in het eerste leerjaar gezegd: ‘En dit is onze nieuwe leerling. Ze heet Carlotta. Wees allemaal lief voor haar. Help haar om haar weg in deze school te vinden.’ Maar dat weet ik dus niet meer. Misschien had ze zich aan me voorgesteld – dat is mogelijk, ze was immers erg joviaal. Maar dat weet ik dus niet meer. Wat ik wél zeker weet is dat ik me niet aan haar heb voorgesteld, dat deed ik nooit – ik was dan ook het tegenovergestelde van Carlotta: ik was enorm verlegen.             We werden meteen vriendinnen, hoe die eerste ontmoeting ook verliep. We waren tegenpolen en misschien daarom een perfecte combinatie. Wanneer ik moest spreken maar de angst me op de hielen zat, was zij mijn praatgrage mond. Wanneer zij impulsieve beslissingen dreigde te maken zoals ze er honderd op één dag maakte, was ik haar welberaden hoofd.                        We hadden toekomstplannen. We hadden een plan uitgetekend met twee huizen naast elkaar, waar we elk zouden wonen met ons gezin, en een ondergrondse tunnel van haar huis naar het mijne, waar we geheime afspraken zouden hebben wanneer we elkaar misten. Waarom die ontmoetingen in het geheim moesten gebeuren was geen discussiepunt, het was gewoon zo, omdat een ondergrondse tunnel ons fantastisch leek. We zouden elkaar nooit ofte nimmer uit het oog verliezen. We zouden tot de dood ons scheidde vriendinnen blijven. Carlotta maakte er zelfs een tekening van, ik heb hem nog steeds: twee doodsgraven met onze namen op, enkele bloemen die erbij gelegd zijn, en in de lucht geschreven: C + G voor eeuwig. We wisten toen nog niet dat er op de weg naar eeuwig veel kronkelpaden liggen. Het eerste kronkelpad dat ik beliep in mijn leven was het pad der stilte. Ik had het plekje erg jong ontdekt, vele jaren voor Carlotta zich in mijn leven introduceerde. Ik bleef er graag ronddolen en als ik in de verte de uitgang zag, dan maakte ik rechtsomkeer omdat ik er nog niet klaar voor was.                       Bij mijn geboorte slaakte ik één lange gil, verklaart mama altijd, en nadien zweeg ik alle talen. Ik was een vrolijk kind dat een hele dag met een glimlach op het gezicht rondliep maar geen haar op mijn hoofd dat er aan dacht om iets te zeggen.                          Waarom willen mensen zo graag dat je praat? Omdat ze denken dat jij je dan beter voelt? Of omdat ze zichzelf dan beter voelen?             De dokter zei: ‘Jij voelt te veel.’                     Mijn ouders keken dokter Vanvratem verbaasd aan.                     ‘Daarnaast scheelt er niets met Gloria,’ zei ze terwijl ze haar stethoscoop van haar nek hield en hem opborg in de grijze kast naast de onderzoekstafel. Dokter Vanvratem was al jaren onze dokter, ze kende het hele gezin. Ze wist dat mama vaak keelontstekingen kreeg, ze wist dat papa zowat elke winter een dipje had waarbij er nooit iets lichamelijks misliep maar hij toch niet in staat was te gaan werken, ze wist dat Gemma dikwijls verkouden was, ze wist dat Gabriël nooit ziek was maar wel op vierjarige leeftijd werd geopereerd omdat zijn appendix dreigde te barsten, en ze wist dat ik niet sprak.             Ik zat in mijn slip op de onderzoekstafel en probeerde niet te bewegen omdat het witte papier dat over de tafel lag dan begon te kreuken.             Dokter Vanvratem had naar mijn hart en mijn longen geluisterd die gewoon deden wat ze zouden moeten doen. Ze richtte zich weer tot mij. Haar felblauwe ogen priemden door de mijne heen. Ik wou wegkijken maar bedacht dat ze misschien mijn ogen onderzocht en dat ik niet wegkijken mocht.            'Hoe oud ben jij nu?’ vroeg ze uiteindelijk.                      ‘Vijf,’ zei ik. Ik had het zo stil gezegd dat ik vermoedde dat dokter Vanvratem me niet had verstaan maar ze knikte en lachte naar me.                     ‘Wat vind je leuk om te doen, Gloria?’ Haar ogen keken me nog steeds indringend aan en ik durfde nog steeds niet wegkijken.                      Dat vond ik een moeilijke vraag: er was zoveel dat ik graag deed. Moest ik één ding kiezen dat ik graag deed of moest ik alles opsommen? Hoelang moest mijn antwoord zijn? Wat verwachtte ze van me? Ik zweeg en keek eindelijk weg. Ik bestudeerde de vloertegels die klein en bruin en vies waren.                       ‘Tekenen?’ vroeg dokter Vanvratem.                     Ik schudde van neen. Tekenen vond ik tijdverlies.                      ‘Tikkertje spelen?’                      Ik schudde opnieuw van neen. Tikkertje spelen was vast en zeker tijdverlies.             'Ze schrijft,' zei papa uiteindelijk.                                                                              ‘Maar je bent nog maar vijf jaar! Kan jij al schrijven?’                      ‘Enkele woorden,’ zei papa, ‘en die schrijft ze opnieuw en opnieuw.’                       ‘Hm,’ deed dokter Vanvratem. Wat ze daarmee bedoelde wist ik niet maar het klonk alvast niet bijster positief. ‘Je mag je kleren weer aantrekken.’                       Mama gebaarde me dat ik naar haar toe moest komen en ze trok mijn kleren aan. Haar blik stond op bezorgdheid en schaamte waardoor ik de neiging had te beginnen huilen. Ik beet op mijn onderlip om mijn aandacht af te leiden van het vocht dat klaarzat in mijn traankanalen. En ik zag dat mama in haar donkere, bijna zwarte ogen ook last had van wateroverstromingen.                      ‘En dat huilen dan? Altijd maar zwijgen en altijd maar huilen, waarom doet een kind dat? We weten niet wat we met haar moeten,’ zuchtte papa.                       Dokter Vanvratem installeerde zich op de stoel achter haar bureau. ‘Zoals ik zei: ze voelt te veel. Gloria is erg gevoelig. Alle indrukken die ze overdag opdoet zijn haar te veel. Ze weet er geen blijf mee. Ze kan ze nog niet in woorden uitdrukken dus huilt ze. Dat is haar enige manier om haar gevoelens te filteren.’                       ‘Zal ze die gevoelens ooit op een andere manier kunnen uitdrukken?’ Zoals gewoonlijk was het papa die het woord voerde. Binnenshuis was mama diegene die sprak, buitenshuis was dat papa’s taak.                       ‘Natuurlijk. Naarmate ze ouder zal worden zal ze taal beter kunnen hanteren. Ze zal kunnen zeggen wat er op haar lever ligt. Ze is nog erg jong, geef haar wat tijd.’ Dokter Vanvratem schreef een groen briefje vol met onleesbare tekens. ‘En,’ voegde ze er aan toe, ‘dat schrijven is misschien zo slecht nog niet. Volgend jaar gaat ze naar het eerste leerjaar en zal ze meer woorden kunnen schrijven. Het kan haar helpen om al schrijvend te verwoorden wat er scheelt.’                       ‘Dus we moeten geduldig zijn.’                      ‘Inderdaad.'                     ‘Ze is zo anders dan de rest van het gezin. Gemma is het tegenovergestelde: zij stopt niet met praten. Gabriël kan zich ook goed uitdrukken.’                     ‘Iedereen is anders.’ Dokter Vanvratem kribbelde onderaan het briefje nog iets en legde het voor papa’s neus. ‘Drieëntwintig euro, alstublieft.’                        Toen ik in het eerste leerjaar meer woorden leerde schrijven had dat als gevolg dat ik meer schreef. Ik schreef verhalen over dinosaurussen die bij elkaar op de thee gingen en een clown die zo ongelukkig was dat hij een volledige dag huilde waardoor zijn make-up uitliep en zo zijn baan in het circus verloor omdat zijn baas hem niet meer herkende. Maar ik schreef nooit over wat ik voelde, tot grote ergernis van mijn ouders. Ook het spreken evolueerde niet. Ik antwoorde ‘ja’ en ‘neen’ bij vragen, ik zei ‘dank u’ wanneer dat gepast leek maar meer zei ik niet. Ik bewonderde mensen die wel spraken en wellicht was het daarom dat ik opkeek naar Carlotta. Zij was een spraakwaterval. Maar waarom zij graag bij mij was begreep ik niet. Ik kon niet vatten waarom iemand zoals zij graag vertoefde bij iemand die louter zweeg.                        Ik ben nu zeventwintig jaar en ik begrijp het nog steeds niet.

Linkervoet
0 0

Vera en Maria

Haar vroegste herinnering speelt zich af in de derde kleuterklas, met in de hoofdrollen zijzelf en juffrouw Maria – jawel, genoemd naar, ook maagd maar gelukkig nooit geplaagd door onbevlekte ontvangenissen. Maria had op haar achttiende prompt beslist om kleuterjuf te worden, volgens de praatgrage dorpsbewoners omdat ze toen al had geweten dat een man en kinderen niet voor haar zouden zijn weggelegd. Smalend werd daar dan aan toegevoegd dat de elk jaar terugkerende kleutertjes van het Sint-Jozefscollege een soort troostprijs waren voor haar kinderloos bestaan. Maria noemde de kleuters dan ook steevast ‘mijn kindjes’. En zoals moeders hun kroost voor het slapengaan nog een verhaaltje voorlezen, zo startte elke schooldag in het klasje van juf Maria met een weesgegroetje. Uiteraard. “Wees gegroet Maria, vol van genade, de Heer is… Veraatje, mondje toe tijdens het gebed!”“Oeps”, mompelde Vera en ze trok er een zo schuldbewust mogelijk gezicht bij.“Gezegd zijt gij boven alle vrouwen en gezegend… Godverdomme Vera!”, vloekte Maria nu ongeremd nog voor de vrucht van haar lichaam te sprake kwam. Met grote stappen liep ze naar de knutselkast, haalde er een dikke rol zwarte tape uit en sneed er een stuk van een centimeter of tien af. Vera zag wat haar juf van plan was en begon door de klas te rennen, achtervolgd door een uitzinnige Maria en aangemoedigd door enkele klasgenootjes. Uiteindelijk kreeg ze haar te pakken, duwde haar met veel kracht op een stoel en plakte in een vloeiende beweging het stuk tape over Vera’s kleine mond.“Wie niet horen wil, moet voelen!”Vele jaren later pas, toen Vera in het laatste jaar van de middelbare school zat, zag ze haar terug. Geen haar veranderd, zouden de mensen zeggen. In het geval van Maria waren het net enkel haar haren waar de tijd een lichtgrijze vat op had gekregen. Maria – ze wist niet goed of ze daar nu nog juf moest bijzeggen of niet - stond te wachten voor een rood licht. Vreemd, zo'n dorpsfiguur midden in een grootstad. Met één arm omklemde Maria de verkeerslichtpaal terwijl ze met haar vrije hand onophoudelijk op het knopje drukte. Verwonderlijk, zo vond Vera, hoe mensen werkelijk geloven dat het sneller groen wordt zolang je maar op die knop blijft drukken. Zelf had ze zich lang voorgesteld hoe ergens op een eenzaam bureautje een man zit die de duizenden wij-willen-groen-lichtoproepen ziet binnenkomen en alles maar moet zien te regelen. “Dag juffrouw Maria, kent ge mij nog?" Ze had dan toch juffrouw gezegd. Automatisch bijna, maar ook omdat Maria zich zo gemakkelijker zou herinneren dat de jonge vrouw die voor haar stond ooit bij haar in de klas had gezeten.Geen antwoord.“’t Is Vera. Van in de derde kleuterklas. Gij hebt mij indertijd bijna vermoord.” Een verdwaasde blik.Nu pas zag Vera Maria’s mond bewegen. Ze zweeg en hoorde hoe er een soort fluisterversie van een weesgegroetje uitkwam.“De Heer is met u, gezegend zijt gij boven alle vrouwen,…”Het is maar dat ze het gebed nog uit haar hoofd kende, anders had ze nooit een woord van Maria’s gemompel begrepen. “Met een stuk zwarte tape?", op vragende toon nu, in de hoop dat Maria haar gebed zou onderbreken om haar van een antwoord te dienen. Maar ze negeerde Vera en bad onverstoord verder.“En gezegend is de vrucht van uw lichaam Jezus,…” “Weet ge dat dat voorval mijn vroegste herinnering is?” Vera ging zich niet zomaar laten afschepen door Maria. Niet door zij die hier voor haar stond en niet door zij aan wie het gebed gericht is. Of zij die erin gegroet wordt. Wist zij veel. “’t Was in de derde kleuterklas. Ik had gewoon niet zoveel zin in bidden, omdat ik namelijk een kleuter was, en gij hebt mij letterlijk de mond gesnoerd. Met een stuk dikke zwarte plakband uit de knutselkast. En ge hebt mij daar verdomme een ganse voormiddag zo laten zitten!”Dat ze een moord zou begaan voor zo’n stuk tape, dat dacht Vera. En dat ze er vervolgens ook echt een moord mee zou plegen. Ze schrok bijna toen “nu en in het uur van onze dood” luider klonk, veel duidelijker ook dan de voorgaande verzen. Ze zag hoe Maria naar de overkant keek, naar het groene ventje dat daar verscheen. Zonder Vera ook maar één keer aan te kijken stak ze de straat over. De meneer in zijn eenzaam bureautje was aan Maria’s oproep aanbeland. Haar vroegste herinnering speelt zich af in de derde kleuterklas. Een moordpoging, met in de hoofdrollen zijzelf, een stuk plakband en de juf. Maria heette ze. Haar weesgegroetjes hielpen nooit.

joke
16 0

.be

Ze zit al een hele tijd op het terras, onder zes golfplaten en een druivelaar. Hij vangt alle blikken. Niet haar man, hij rookt niet. Zij blaast de rook onder de rokken en het kleed van het tuinmeubilair. De buiken bewegen nauwelijks. Hongerig kunnen ze niet zijn, ze kregen zonet nog zwoerdjes. 'Wil je een biertje?' Haar opstekende duim: top! 'Wat is de lucht mooi!', roept hij uit. 'Een roos-oranje verte', zegt ze dromerig. Niemand zegt dat daar in de verte een man wordt gestoken met een mes, meermaals en diep, niemand ziet dat de dader er plezier in schept. Ook op die afstand schept een kind van vier een emmer vol tijdverdrijf en zand. Hoor je iemand ritmisch ademen in de slaap, dan fladdert die adem in een buik kortbij. Je merkt het niet eens dat het jouw lichaam is, de buik en hangende longen in jouw lichaam, jouw leven speelt zich af in het roos-oranje licht.  .beangstigend is fantasie en rustig ademen niet. 'De landen willen dat het geweld stopt', zegt hij. Landen maken akkoorden. Ze zijn te .bedeesd ze te verbreken.  Zij merkt op dat ze nog nooit eerder sprak over 'mijn' land. Indien zij een ander land zou bewonen, zou zij het land van geboorte als haar land beschouwen. Misschien...eventueel... 'Zie jij dat kind met de emmer?', vraagt ze. Hij vermoed dat zij het in de verte, met een strand en zand, moe van liggen en waaien, op een akkoord gooide. Een mens ademt en rust in een land, hoort de meeuwen krijsen, schudt aan de pols van de wind. Het strand is kleurloos, het trekt geen mes door de buik van zandkorrels. Alles is moe. Soms is een mens zo moe dat hij meermaals en diep verdwaald, iets opgeeft, iets opheft in de longen en maag, en braakt. Kort daarop landt de reiger. .behoedzaam worden er nieuwe afspraken gemaakt. De mens met het mes heeft dan toch een gesprek over tijdverdrijf, het zand aan de voeten na een wandeling.

Ingrid Strobbe
0 0
Tip

Er waren geen wolven meer

Alles is veel verder dan het lijkt. Dat is het enige dat ik op dit moment, op deze plek zeker weet. Als ik naar het dal kijk, zie ik het huis. Er komt geen rook uit de schouw, ik heb de kachel uit laten gaan. In de kleine woonkamer staat mijn rugzak op de tafel, naar achter hellend, de riemen naar voren, klaar om gehesen te worden. In het zijzakje mijn ticket, een dure plaats op een snelle trein naar het noorden. Mijn verblijf hier was tijdelijk. De rust die ik had was luxe. Ginder wachten ze op mij. Het laatste uur dat ik nog had, wou ik buiten zijn, op de harde grond, tussen de koude bomen.   Als ik naar boven kijk, zie ik de kam met daarachter een helblauwe lucht. Bovenop de bergrug kun je de zee zien, zeker met dit weer. De lucht is er koud en zuiver. Alles is helder en lijkt bedrieglijk dichtbij. Maar achter de kam ligt nog een kam en daarachter nog een. Het kan niet, het mag niet. De top is te ver, er is geen tijd meer.   Nog een klein stukje. Ik trek mijn mouw over mijn pols, ik wil niet weten hoe snel de tijd gaat. Tot aan de eerste kam. Neen, tot aan die jonge eik. Daar kan ik even rusten en dan terugkeren. Het klimmen gaat goed. De paden zijn geëffend door de schapen en de geiten die voor de winter van de berg werden geleid. De zon verwarmt mijn rug. Ik heb geen water mee, ik moet terug. Ik moet terug.   De jonge eik is de laatste boom. Daarna zijn er enkel nog winterslapende struiken: heide, brem, tijm. Ik ga op een steen zitten en kijk naar het dal. Als ik nu snel naar beneden ga, haal ik het nog. Als ik omkijk, ben ik verloren.   Ik kijk om. Tegen de hogere helling ligt hier en daar sneeuw. Glinsterend. Ik voel mijn dorst. Ik trek aan mijn mouwen en ik klim verder. Wat sneeuw leek, is ijs. Ik breek een stukje af en laat het smelten op mijn tong.   Voor de rand van de kam zie ik een weg, waarvan ik weet dat hij langzaam naar het dorp daalt. Ik kan hem nemen, want ik heb tijd nu. Op de razendsnelle trein zal een plaats leeg blijven. Ik heb nu zoveel tijd dat ik de weg in oostelijke richting zou kunnen volgen, weg van het dorp, naar de kale vlakte waar wellicht een koude wind waait.   Er beweegt iets op de grijze helling. Een donkere stip die snel groter wordt en de vorm van een hond aanneemt. Een grote hond. Ik voel mijn hart, dat nog bonkt van het klimmen, groter worden. Het drukt tegen mijn keel en mijn schouders. Ik probeer traag te ademen en te verstillen, ik laat mijn armen hangen. Dieren vallen niet aan als je zelf niets doet, houd ik me voor.   De hond komt in zwenkende draf dichterbij. Op een dertigtal meter stopt hij. Hij kijkt naar mij en lijkt hetzelfde te denken als ik: als ik niet aanval, doet ze misschien niets. Ik kan nu zijn dikke grijsbruine pels zien. De stevige poten, de spitse snuit. Hond, denk ik, jij bent een wolf.   Ik voel aan mijn broekzakken. In mijn linkerzak mijn telefoon, rechts een plat fototoestel. Op de tast haal ik het eruit. Ik probeer zo traag mogelijk te bewegen. Terwijl ik mijn ogen op het dier gericht houd, breng ik het toestel voor mijn buik. Ik aarzel, bang dat hij een beweging maakt. Er is niets beangstigends aan hem. Ik weet zeker dat hij niet in mijn richting zal springen. Hij zal zelfs niet dichterbij komen. Zijn hele houding is erop gericht om rechtsomkeer te maken. Niet omdat hij bang is, maar omdat ik vreemd en onbelangrijk ben.   Ik zou hem willen zeggen dat het voor mij anders is. Hij is belangrijk, hij is prachtig. Ik zou hem graag van dichtbij willen zien, misschien wel aanraken. Ik zou graag een foto van jou willen nemen. Om straks thuis naar jou te kijken, om je niet te vergeten, om je aan anderen te laten zien.   Op de tast druk ik af. Nog terwijl ik de droge klik hoor, draait hij zich om. Hij loopt weg, in dezelfde ongehaaste draf waarin hij gekomen is. Ik vraag me af wie er het meest teleurgesteld is, hij of ik. Ik vervloek het fototoestel, ik vervloek mezelf.   Ik krijg het koud en draai me naar de zon. Ik moet een richting kiezen. Ik neem het brede pad naar het dorp. Mijn passen zijn snel en boos. Als ik vertraag, ebt mijn woede weg.   Na een half uur zie ik het eerste huis van het dorp. De rook komt dik uit de schouw en rafelt uit in de koude lucht. Ik loop wat vlugger de helling af want ik zie mijnheer Joch met een lege kruiwagen naar de achterkant van het huis gaan.   ‘Monsieur Joch!’ roep ik. Hij keert zich om. Het duurt een paar minuten eer hij mij herkent. Ik vergeef het hem. Hij is oud en hij leeft al een heel leven in dit onooglijke dorp, op de rand van de wereld.   ‘Ik heb een wolf gezien’, zeg ik. Het duurt weer even eer hij reageert. ‘Dat kan niet,’ zegt hij ‘er zijn geen wolven meer.’ Ik haal mijn fototoestel uit mijn zak en ik toon hem het scherm. Er is niet veel te zien: een wazige bruine vlek tegen een grijze achtergrond. Met wat goede wil kun je er het silhouet van een weglopende hond in zien. Mijnheer Joch schudt zijn hoofd. ‘Het kan niet’, zegt hij weer.   Hij kijkt naar de berg en ik zie hem denken, twijfelen.   ‘Juffrouw’, zegt hij dan, ‘doe dat weg.’ Hij wijst naar mijn fototoestel. ‘Doe dat weg en zeg het aan niemand.’ Hij legt een hand op mijn mouw. Zijn vingers klauwen zacht in mijn dikke trui. Zijn nagels zijn geel en lang.   Met knikkende knieën loop ik het dorp in. Het ruikt er naar houtvuur, er is niemand op straat. Het huis is nog niet helemaal afgekoeld. Ik steek de kachel aan en pak mijn rugzak uit.

Christine Van den Hove
49 1

Gesprek met een bijna-vierjarige

Vandaag was het de tweede kampdag van Lowieke. Hij moest groene kleren dragen en er zou geverfd worden …Dat is er aan te zien wanneer ik hem om vier uur ga halen. De regen valt met bakken uit de lucht. Ik parkeer mijn autootje en volg een vrouw waarvan ik vermoed dat ze de weg wel weet te vinden. Ze vervoegt een andere dame onder een afdakje. 'Niet veel volk' denk ik. Dan zie ik in de verte een deur opengaan en daar verschijnen plots tientallen kinderlichaampjes. Op weg daarheen bemerk ik onder een nog groter afdak een grote groep mama's, papa's, oma's en opa's die hun oogappeltjes komen ophalen. Als zijn ze zelf kinderen, stuiven ze, met hun paraplu in aanslag, op de geopende deur met vele kinderkopjes af.Een mama met een lichaamslengte van minstens een meter tachtig maar met het verstand van een nuljarige baby, vind het noodzakelijk om menig kinderhart de weg naar buiten te versperren. Gelukkig is er een attente opvoedster die alle grote (lees kleinzielige) mensen terug naar de speelplaats verwijst.Dan zie ik het zoekende gezichtje van Lowie.'Opa, opa' roept hij vrolijk en opgelucht, want je weet maar nooit wanneer die oude, verstrooide opa's komen opdagen.Hij baant zich een weg tussen de mastodonten van grote (lees weinig verstandige) mensen.'Opa, ik heef geverfd' zegt hij triomfantelijk.Ik bekijk hem van kleine kop tot kleine teen.'Ik zie het' zeg ik en wijs naar zijn met verf besmeurde broek.'Das nie erg hè opa' vraagt hij lichtjes beteuterd.'Neen, dat is niet erg jongen. De kleren die je draagt op dit kamp mogen vuil worden’.Lowie haalt opgelucht adem.Nadat we zijn rugzakje en regenjasje hebben opgepikt gaan we onder opa's paraplu naar de auto. Ik riem hem vast in de kinderstoel en zet koers naar het huis van zijn ouders. Net vertrokken zegt hij:'Opa, ik moet wel plassen'.'Dat is geen probleem' antwoord ik, 'we zijn dadelijk thuis'.'Maar ik moet wel dringend plassen' riposteert hij heel gevat.We moeten slechts enkele kilometers en evenveel minuten rijden, dus zeg ik hem:'We zijn er bijna. Kan je nog even wachten?''Ik zal nog even ophouden' weet Lowie mij te zeggen, 'maar ik moet wel dringend'.'Dat is flink Lowieke. Grote jongens kunnen al even wachten en hun pipi ophouden' is mijn antwoord (hoe gevatter kan je zijn ...).'Maar het is wel dringend' herhaalt hij nog even, om zeker te zijn dat ik het begrepen heb.'Ik heef nog niet in mijn broek geplast' zegt mijn kleinzoon honderd meter verder en zes seconden later.Ik begin mij langzamerhand zorgen te maken.'Dat is goed jongen. Jij kan al goed ophouden' is mijn repliek.'Maar ik moet wel dringend plassen' hoor ik hem zeggen, waarbij ik hem verdenk dat hij toch stiekem een eerste straaltje loost.'Als je nu in je broek plast dan zijn je kleren nat, maar dan is de autostoel ook helemaal nat en dan moet opa die wassen' probeer ik Lowie aan zijn verstand te brengen in de hoop dat dit de aandrang van mijn kleinzoon zal temperen.'Ja, en da mag nie' is het wijze besluit van de kleine.'Maar ik moet wel dringend'. Met deze woorden onderstreept hij zijn betoog.'Kijk Lowieke, we zijn in uw straat. Nu mag je bijna plassen' probeer ik aan mijn Manneken Pis uit te leggen.'Ja oef, want ik moet wel dringend, hè opa'. De korte rit lijkt uren geduurd te hebben.'Ik parkeer de auto, ik neem je uit je autostoel en neem je rugzak en jasje' murmel ik om hem bezig te houden.'Loop maar naar de voordeur'. De seconden tikken voorbij.De deur gaat open en Lowie gaat 'op zijn gemak' naar het toilet.'Eerst het lichtje aandoen' zegt hij, terwijl ik denk: ‚Vooruit, doe wat je moet doen'.Dan hijst hij zich op de toiletbril.'Ik doe pipi' zegt hij, 'en ik heef nie in mijn broek geplast'.Dat laatste, daar moet ik me nog even van overtuigen. Ik kijk in zijn onderbroekje en zie een minuscuul vochtig vlekje.'Flinke jongen, mijn Lowieke' denk ik en geef hem een kusje.

Marc M. Aerts
25 0
Tip

De winkel

Ik had geen werk. Maar mijn vriendin had wel werk. Ze was al op kantoor toen ik wakker werd. Ik keek naar de klok en knipperde met mijn ogen. Het daglicht verblindde me. Het drong door het laken dat diende als een gordijn. We moeten dringend gordijnen hangen, zei ik in mezelf, en ik kwam uit bed. Op het aanrecht stond een kan koude koffie. Ik schonk een kop in en zette de kop in de microgolf. Boven de keukentafel vlogen vliegen. Er waren altijd vliegen in de tuin, en nu ook in de keuken, want mijn vriendin had de deur naar de tuin niet gesloten. De katten van de buren kakten soms in de tuin en dan zag ik vleesvliegen samentroepen op de kattenstront. En misschien trokken sommige planten in de tuin vliegen aan. Ik had geen verstand van vliegen of planten. Ik stak een sigaret op. Toen ging de bel van de microgolf. Ik nam de opgewarmde kop en ging naar de kamer aan de straatkant. De vorige eigenaars van het huis hadden in de kamer aan de straatkant een tabakswinkel uitgebaat. Nu was alles oud in de kamer. De toonbank en de rekken van bewerkt hout, de bakelieten stopcontacten en lichtschakelaars, de draai- en schuifsloten op de deur, de beveiligingscamera, die nooit had geregistreerd. Toch was mijn vriendin gecharmeerd van de kamer. Ze wou er een nieuwe winkel beginnen. Tijdens het avondeten praatte ze over de mogelijkheden en vroeg ze me mee te denken. En dat deed ik. Ik had alleen geen goede ideeën. Er moet eerst nieuwe elektriciteit worden aangelegd, zei ik dan. En dan zei zij dat de toonbank en de rekken sowieso konden blijven. Voorlopig gaf ze de voorkeur aan een snoepwinkel. Ik vond een snoepwinkel een slecht idee. Maar dat zei ik niet. In de kamer was het rolluik voor het raam gesloten. Mijn vriendin had het niet geopend. Ik deed het licht aan en zag dat de postbode brieven had gebracht. Ik nam de brieven en legde ze op een verhuisdoos die we nog niet hadden uitgepakt. Ik trok van mijn sigaret. Ik hoorde mensen op het trottoir. Voetstappen en stemmen klonken luider en verwijderden zich. Ik zag de verhuisdozen, de camera, de rekken en de toonbank en ik dacht dat een dag hier een andere tijdsorde had. Dat de duur van een seconde in een kantoorgebouw vergrootte om ruimte te maken voor meer handelingen. Die onzin dacht ik. Ik dronk mijn kop leeg, duwde mijn sigaret uit en opende het rolluik. Ik ging terug naar de keuken, want daar stond mijn laptop. Ik had mijn werk verloren en nu zocht ik nieuw werk. Een antwoord van een bedrijf kon elke dag komen. Maar dat antwoord kwam niet vandaag. Ik opende mijn mailbox en er zaten alleen ongelezen mails van Groupon in. Ik nam mijn laptop en ging zitten in de tuin. Ik las het sportnieuws op de website van een krant. Op mijn rug en borst lag warm zweet. Na enkele minuten in de zon ging ik zitten op een stoel in de schaduw. Toen werd ik gebeld door een vriend. ‘Jan hier,’ zei hij. ‘Jan,’ zei ik. ‘Alles ok? Wat doe je?’ ‘Niets,’ zei Jan. ‘En jij?’ ‘Niets,’ zei ik. ‘Ik lees het sportnieuws.’ ‘En later op de middag?’ vroeg Jan. ‘Wat doe je later op de middag?’ ‘Verhuisdozen uitpakken,’ zei ik. ‘Of gordijnen hangen. We zien wel.’ ‘Wedstrijd gezien gisteren?’ vroeg Jan. ‘Nee,’ zei ik. ‘Valerie wou iets anders kijken.’ Valerie was mijn vriendin. Ze keek geen voetbal. Sport interesseerde haar niet. Ze ging graag naar tentoonstellingen en het theater. Ze had kunstgeschiedenis gestudeerd. Ze werkte op een kantoor omdat de lonen in de culturele sector te laag waren. Ik keek wel voetbal. ‘Goeie wedstrijd?’ vroeg ik. ‘Slechte wedstrijd,’ zei Jan. ‘Bijna in slaap gevallen.’ ‘Niets gemist dus,’ zei ik. ‘Nee,’ zei Jan. ‘Niets gemist.’ Ik keek naar de vliegen die rond mijn hoofd dansten. ‘Ik ga vanmiddag wat drinken,’ zei Jan. ‘Bel me als je wil langskomen.' ‘Doe ik,’ zei ik. ‘Tot later.’ ‘Tot later,’ zei Jan, en hij haakte in. Een uur later belde ik Jan. Hij zat op het terras van een bar waar ik vaak pool speelde. Ik ging te voet naar de bar. Het was maar een klein kwartier wandelen. Jan zat aan een tafel in de schaduw. We bestelden bier en praatten over voetbal. We hadden het ook kort over onze vriendinnen. We keken naar de mensen die voorbijwandelden. De tijd verstreek. Rond half vijf ging ik terug naar huis. Onder het lopen dacht ik aan gordijnen hangen en verhuisdozen uitpakken. Ik dacht ook na over de winkel. Ik was in de tuin toen Valerie thuiskwam. Ik raapte kattenstront op, met een plastic zak rond mijn hand. ‘Leuke dag gehad?’ vroeg ze. ‘Ja hoor,’ zei ik. ‘En jij?’ ‘Ging wel,’ zei ze. Ik gooide de plastic zak met kattenstront in een zak voor huisvuil. ‘Wat gaan we hieraan doen?’ vroeg ze. ‘Waaraan?’ vroeg ik. ‘Aan die kattenstront,’ zei ze. ‘Geen idee,’ zei ik. Ik stak een sigaret op. ‘Ik heb eens nagedacht,’ zei ik. ‘Waarover?’ vroeg Valerie. ‘Over de winkel,’ zei ik. ‘En?’ vroeg Valerie. Ik sloeg naar een vlieg die op mijn arm kwam zitten. ‘Ik weet het niet,’ zei ik. ‘Ik weet het echt niet.’  

JAN DE JONGHE
0 2

GOEDE KANTEN

PROLOOG 't was zo'n zielig zicht, medelijden als nagedachte, uren later. z'n hoofd, verkruimeld, verschrompeld, een mix van de twee, en te denken, nog niet zo lang geleden had hij die zware voorhamer niet eens kunnen opheffen, laat staan zwaaien met enige precisie. een mens verandert wel degelijk. WANDEL 'wat scheelt er?' 'ach god, niets, 't is dat ik zo'n hekel heb aan die plastic zakken.' 'hoezo?' 'ach ja, ze stropen altijd zo op, en snijden in je vingers. 't is verdo...' ... ze wandelen langs een muur. daarachter lag een oude lijmfabriek, dooie koeien, stinkend leer, haken en ogen, kleverig spul. nu is't een beschermde woonwijk. getuige de camera's die vantussen de prikkeldraad, waarschijnlijk onder electriciteit staand, alles filmen. of niks, als je daar je onbezorgd leventje leeft. ... ze durft weer, spreken, vragen. 'wil je er niet eentje overnemen?' hij kijkt haar niet eens aan, houdt zijn pas. resoluut. ... auto's razen voorbij. nu en dan een brommertje, zwaar claxonerend. ze wandelen de halve stadsring om, links verkeer, rechts nietszeggende gevels van minderzeggende flatgebouwen. in zo eentje wonen ze. om de zoveel kilometer een rood licht, een tunneltje voor fietsers, bromfietsen en voetgangers, niemand. niemand die hier ooit wandelt. tenzij in een dronken roes op zoek naar thuis, wat dat ook mag betekenen. dat betekent dat ze weet dat hij hier nachten in het duister rondstommelt.  ... de zon is een ijverige gier, wacht niet, doet het vuile werk zelf, stroopt de prooi, dood haar zelf wel. het duizelt haar voor de ogen, maar ze zet door. het is duidelijk dat het vandaag geen zin heeft om vragen te stellen, begrip te verwachten. soms, dan wel. ... ze probeert, al wandelend, een flesje water uit een van de plastic zakken te krijgen. de ondingen zijn zo zwaar, zo onhandig, ze begrijpt al dat zij het is die onhandig is, nog voor de pot aarbeienjam barst op het fietspad. nog voor de klap in haar gezicht, landt. ze vecht de tranen terug. bijt niet op haar tanden, wil niet dat hij haar kaken opeen geklemd ziet. dat nodigt enkel de volgende klap uit.  ... het is niet ver meer. als de realiteit is wat ze is, waarom niet vastklampen aan wat zelfbedrog? iedereen maakt zichzelf wel wat wijs, in meer of mindere mate, maar maakt dat wat uit? maakt de mate van zelfbedrog echt uit, als ze net niet wil overslaan in de richting van opname in een of andere psychiatrische instelling? thuis, en wat dat ook mag betekenen. dat betekent dat ze weet welke uitweg rest. ... ze weet waarom ze aan hem begon. ze weet waarom ze bij hem blijft. niet om z'n zich verbergende goede kanten, die af en toe vertederend opduiken, dat doen ze niet. niet om een verleden dat anders was, dat was het niet. niet om z'n geld, dat heeft hij niet. wraak, dat is het. niet om wat hij haar ontnam, hij ontnam haar maar wat ze hem gaf. niet om wat hij haar of anderen aandeed, niet om wie of wat hij is, niet omdat het iets met hem te maken heeft. wraak. omdat het haar een rol heeft gegeven, een personage om te belichamen, omdat het iemand van haar maakt. en niet niemand. wraak. ... het is de enige manier waarop ze zichzelf begrijpt. en daar is ze hem dankbaar voor. haar onzekere passen, het schichtig rondkijken, de toeters van wagens die haar opschrikken, ze wist wie ze was. wie ze altijd geweest is, als ze zo rond haar keek en nooit kon geloven wat ze zag. nooit de mensen begreep, hun lef. ze wist dat ze bang was, altijd maar bang. .... iemand die slim is, doet daar iets mee, wordt wat, een dokter, of advocaat, of iets met computers. iemand die sterk is, doet daar iets mee, wordt een sporter, of soldaat, of zoals hij. wat wordt iemand met angst? wat doet iemand met angst? wat zijn de keuzes? die zoekt thuis, wat dat ook mag betekenen. EPILOOG in de verte duikt hun appartementsblok op. het is echt niet ver meer. 'heb jij de sleutel', vraagt hij.

IT
0 0

Digitaal DNA

Wie ben ik? Ik ben een nummer, een getal van elf cijfers opgeslagen in een databank, rijksregister genoemd. Vroeger was dat een genummerde fiche, die gevuld was met zwarte, soms onregelmatig geschikte letters van een Remington en die verder verwees naar andere fiches of mappen met fiches op andere plaatsen. Nu ben ik omgezet in nullen en enen. Ik ben een digitaal DNA geworden, een soort Digitaal Numeriek Adres dat mij als individu onderscheidt van andere individuen. Aan dat DNA zijn dan weer nullen en enen verbonden, die vertellen wat ik ben, hoe ik ben, wat ik doe en gedaan heb en ook aan welke andere  digitale  DNA’s ik gekoppeld ben. Wat bezit ik? Ik bezit de klassieke behoefte: geld. Nee, niet onder de vorm van metaal of papier in een kous, kookpot, kast of kluis, maar ergens op een databank, omgezet in nullen en enen op een plaats die ook bepaald wordt door nullen en enen. Allemaal reusachtige getallen, veel langer dan het geldbedrag dat ik voor ogen heb. Mijn geld is dus uiteindelijk ook een  digitaal DNA geworden. Wat lees ik? Ik lees wel degelijk gedrukte teksten, maar die voortgesproten zijn uit nullen en enen en die mededelen wat anderen hebben verteld, meestal gecommuniceerd of verstuurd met nullen en enen. Alle ‘waarheid’ blijkt voortaan vervat te zijn in nullen en enen, in digitale DNA’s. Wat zie ik? Een hele wereld die bepaald, gestuurd en geregeerd wordt door stuurprogramma’s en procesoren die stoeien met de nullen en enen in chips, sticks en disks, waarbij ik al de mogelijkheden in deze realiteit aan de fantasie van de lezer overlaat. En wat als een digitale geneticus in staat is al die DNA’s ongevraagd te manipuleren?   © Bert Bergs, 2014  

Bert Bergs
0 0

Voor de eerste maal

Het is vrijdagavond en ik zit aan de bar in mijn geliefkoosd bruin café. Onverwacht ontmoet ik Annabel. Vorige week was ze er nog niet. Maar nu is ze er wel, samen met haar zusje en pas gearriveerd uit Frankrijk. Ze verbleef er vier jaar omwille van haar werk. Maar nu is ze definitief terug in het land. Ze is blij. Ze miste haar stad en haar vrienden. Maar die zijn er deze keer niet bij. Enkel dus haar zusje en die stelt mij aan haar voor.„Hallo Rob. Dit is mijn oudste zus Annabel. Zij logeert enkele dagen bij mij”.Het is nog vroeg op de avond en nog niet onder de invloed van enkele glazen alcohol, die mij soms helpen om de juiste woorden te vinden, wil ik haar inpakken met een onbeholpen:„Enchanté Anne, wat ben je belle”.Nog maar net hebben deze woorden mijn mond verlaten of ik heb al spijt dat ik ze uitgesproken heb. Waarom stel ik mij toch aan als een idolate tiener? Maar, wonder boven wonder, heeft mijn puberale begroeting toch een gevoelige snaar geraakt.„Je bent wel direct moet ik zeggen, maar geef toe welke vrouw gaat een complimentje uit de weg” antwoordt zij mij onverwacht. Het ijs is gebroken en de rest van de avond krijgt het ijs in haar longdrinkglas niet de kans om te smelten. „Zonde om die lekkere drank aan te lengen met water. Een beetje ijs mag maar het hoeft enkel te dienen om wat af te koelen” zegt ze verrukkelijk. Ik merk dat ik nog veel kan opsteken van haar. Als haar zus aanstalten maakt om een ander cafeetje op te zoeken, stel ik voor dat ik Annabel naar huis zal brengen. Ik vergeet met opzet te vermelden welk huis ik dan wel bedoel. Mijn thuis dus. Een gezellig appartement in de stad op slechts enkele minuten lopen van de uitgangsbuurt. Annabel is fantastisch en bij momenten hilarisch als ze vertelt over gebeurtenissen in haar jeugd of voorvalletjes tijdens de jaren die ze doorbracht in Toulouse. Voor de eerste maal sinds mijn scheiding ben ik weer verliefd. Smoor op haar zoals die puber van daarstraks. Zij is het einde. Zij is een nieuw begin. Onze handen laten even los als we thuis toekomen en ik de sleutel in het deurgat steek. Voor de eerste maal kus ik haar. Vier verdiepingen lang tot de lift abrupt stopt en onze lippen scheiden. Voor even maar. In mijn appartement vinden we dadelijk de weg naar mijn slaapkamer. Voor de eerste maal sinds ik alleen ben, ben ik niet meer alleen. Annabel is bij mij. In mij. Op mij. Van mij. Wat ben je mooi. Wat ben je lief. Wat ben je niet? Je bent alles. Voor mij. Van mij. Na de liefste vrijpartij van mijn leven, gaan we samen in bad. Het grote gietijzeren tweepersoonsbad. Mijn pièce de résistance. Het veelkleurige badmatje dat er al veel te lang ongewassen ligt schop ik in een hoek. Ik doe beide kranen open en zoek naar de ideale temperatuur. Annabel zoekt een lekker badschuimpje uit en we verdwijnen onder de belletjes. Haar tenen wriemelen aan mijn neus en ze schatert het uit. Voor de eerste maal ben ik weer gelukkig, weer gelukkig sinds lang.„Ik hou van het kuiltje in je kin en van het zout en peper in je haar” hoor ik haar graag zeggen.„Dan moet ik het zeker wassen” antwoord ik en verdwijn met mijn hoofd onder water. Terwijl ik mijn ogen sluit en mijn kruin met shampoo bewerk, hoor ik haar zeggen:„Ik stap er al uit en wacht op je in ons warme bedje”.Haar rechtervoet schuurt even langs mijn been als ze uit het bad stapt. Ik dompel mijn hoofd onder water en hoor een zware dreun. Als ik rechtkom bengelt Annabel’s linkerbeen over de badrand. Terwijl ik probeer recht te komen zie ik haar hoofd in een grote bloedplas liggen op de kale, zalmroze marmervloer. Ik verlies mijn evenwicht en val achterover terug in het bad en stoot mijn linkerslaap met volle kracht tegen de kraan. Mijn bloed vermengt zich met de laatste verdwijnende zeepbelletjes. Voor de eerste maal zijn we samen dood.

Marc M. Aerts
0 0