Zoeken

Ritselend riet

Het landschap waar hij naar teruggekeerd is, lijkt in geen enkel opzicht op de plaats waar hij opgegroeid is. Waar ooit talloze hutten, waaruit mensen vrolijk heen en weer liepen, tegen elkaar geplakt stonden, terwijl geluiden en heerlijke geuren zich mengden tot een gezellige drukte, is het nu onnatuurlijk stil. Zelfs het riviertje dat vroeger levendig kabbelde, stroomt traag en moeizaam.Abdul bukt zich en neemt een handvol aarde. Het voelt droog en onvruchtbaar aan. Het verwondert hem niet dat niemand zich hier opnieuw gevestigd heeft. Zij die net als hij teruggekeerd zijn, moeten zich hetzelfde gerealiseerd hebben: het land, ooit zo vol van leven, heeft het nu voorgoed opgegeven. De oorlog is er nooit in geslaagd de mensen de mond te snoeren, maar heeft het land haar stem ontnomen.De plukken riet die her en der aan het riviertje staan, zijn het enige teken van leven. Het stemt Abdul triest dat het zijn geboortedorp zo vergaan is. Hoe vaak hij als vluchteling ook verjaagd, uitgescholden of slecht behandeld is, steeds konden de herinneringen aan deze plaats hem overtuigen vol te houden. Hij wist dat hij op een dag terug zou keren. Dat had hij zichzelf beloofd toen hij het land ontvluchtte. Maar in tijden van hongersnood en onzekerheid worden beloftes vaak naar de achtergrond verdreven. Hoewel Hava toen hij met haar trouwde had aangegeven dat ze ook verlangde terug te keren naar het dorp waar hij geboren was, hadden ze het plan uitgesteld tot ze voldoende geld bijeengespaard hadden. Wellicht zouden ze wel verhuisd zijn, als zij niet al snel zwanger was geworden. Toen Fevzi geboren was, beloofden Abdul en Hava elkaar dat ze ooit wel zouden verhuizen, maar na de geboorte van de meisjes, wisten beiden dat ze niet meer zouden vertrekken.Abduls belofte aan zichzelf om terug te keren, was toen al vervaagd naar het verlangen om met zijn gezin op bezoek te gaan naar zijn geboortedorp. En ah, na de ziekte van Hava en de kosten aan het dak, werd ook dat op de lange baan geschoven. Maar het verlangen bleef. Altijd. Dat er niets zou zijn om naar terug te keren, had hij niet voorzien. Hij had zich nooit gerealiseerd dat dat ook een mogelijkheid was. Misschien is het beter, spreekt hij zichzelf toe, dat hij het nooit geweten heeft.Abdul laat zijn blik een laatste keer over het droeve landschap glijden. Al die jeugdherinneringen die hij zijn hele leven gekoesterd heeft, dringen zich aan hem op. De plaats waar zijn moeder manden maakte, het dorpsplein, de kruidenwinkeltje waarin zijn vader gewerkt had,... weg, alles is weg.Overstelpt door verdriet en heimwee naar een plek die niet meer is, sluit hij zijn ogen. Zijn mond opent zich en zijn lippen vormen de woorden van het lied dat zijn moeder voor hem zong toen hij klein was. Steeds luider zingt hij het lied. Hoewel hij nog zelden zijn moedertaal spreekt, herinnert hij zich elk woord feilloos. Het doet hem pijn hoe nergens vogels opvliegen of kinderen nieuwsgierig komen kijken, hoe niets in het landschap teken van leven geeft bij het horen van het steeds luider klinkende lied. Toch zingt hij trots verder. Het landschap werd de mond gesnoerd, maar hij zal nimmer zwijgen.Pas wanneer het donker is, keert Abdul terug. Voor de tweede keer verlaat hij zijn geboortegrond. Voorgoed deze keer, weet hij. Nooit zal hij hier weerkeren. Met het afscheid van de plaats waar hij geboren is en zijn kindertijd heeft doorgebracht, neemt hij ook afscheid van een stuk van zichzelf. Hij voelt zich verweesd, meer nog dan toen zijn ouders stierven. Langzaam slentert hij weg van de grond waarop zijn voorvaderen generaties lang geleefd hebben. Morgen rond deze tijd zal hij alweer thuis zijn, weet hij.  Zijn geboorteland draagt hij voorgoed in zijn hart, maar zijn plaats is bij zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen.Bij zonsopkomst, wanneer Abduls vliegtuig opstijgt, waait de wind door het riet nabij het riviertje. Speels ritstelt het, steeds luider en luider, tot het lijkt alsof het riet neuriet. Eerst overstemd door de wind, maar nadien duidelijk hoorbaar klinkt een bekend Arabisch slaapliedje voor kinderen over het verlaten land.

Fuaran
0 0

Sophia

Natuurlijk waren we dol op het huis, maar ik denk dat de echte reden dat we het kochten, de vlaggenmast was. Die stond aan de linkerzijde van het huis en Sophia was er meteen dol op. Het was vreemd hoe snel de vlaggenmast een plaats in ons leven kreeg. We maakten er een sport van om zo veel mogelijk vlaggen te verzamelen. En hoewel ik mijn uiterste best deed, was het Jonas die elke vlag leek te kunnen bemachtigen. Ik heb nooit geweten waar hij ze vandaan bleef halen. Of het nu om Hawaï of om Oezbekistan ging, alle vlaggen kon hij vinden. We vierden de nationale feestdagen van talloze landen waarvan wij niet eens wisten waar zij zich bevonden, door hun vlag te hijsen. En Sophia genoot met volle teugen. Als de zon scheen, zat zij soms uren in haar rolstoel onder de vlaggenmast. Trots als een pauw keek ze vanaf haar plaats onder de vlag naar de voorbijrijdende auto’s, als was ze een langvergeten erfgenaam van de troon van het land in kwestie.De periodes die zij noodgedwongen in het ziekenhuis doorbracht, vroeg zij ons elke dag welke vlag er aan de vlaggenmast hing. Wij vertelden haar dan welk land zijn nationale feestdag vierde en beschreven haar de kleuren van diens vlag. Jonas probeerde zelfs haar elke dag iets over het land te vertellen. Hij vertelde haar over het klimaat, over de mensen en waar zij in geloofden, over de plaatselijke gebruiken en over de dieren die er leefden. Van tijd tot tijd verraste hij haar door enkele woorden in de taal van het land in kwestie tegen haar te spreken. Hij telde tot vijf in het Swahili en stelde zich aan haar voor in het Russisch. Of dat deed hij ons toch geloven, want natuurlijk zouden wij het niet geweten hebben mocht hij een fout maken. Maar Sophia genoot, dus waren wij tevreden. En Jonas misschien wel het meeste.De dagen dat er geen nationale feestdag werd gevierd, of we de vlag van het vierende land niet bezaten, logen we, want niemand wilde haar het plezier van de vlaggen ontzeggen.Ik herinner me nog heel goed hoe Jonas op de dag dat ze voorgoed haar ogen sloot, een witte lap stof nam en er een wereldbol op tekende. Onder de wereldbol schreef hij in grote drukletters haar naam. En wanneer ik nu, jaren later, op zonnige dagen voorbij het ouderlijke huis rijd, zit hij daar, in een tuinstoel onder zijn vlag. Fier als een pauw, alsof de wereld van hem is. En dan weet ik dat Sophia tevreden toekijkt.

Fuaran
3 0
Tip

Nog niet te laat

"Ze zeggen dat de tijd alle wonden heelt, maar zo ervaar ik het niet. Het lijkt alsof de dagen zout in de wonden strooien en het verleden elke dag wat pijnlijker aanvoelt. Ik weet wat je denkt... je vindt natuurlijk dat ik laat ben. Misschien wel te laat..."Terwijl Hendrik nadacht over het gegeven dat hij misschien inderdaad te laat was om de schade te herstellen, hield hij zijn hand voor zich uit, alsof hij zijn vader wilde beletten in te gaan op wat hij net gezegd had."...maar daar ben ik het niet mee eens, vader. Ik ben jouw bloed en ik wil alles doen om het bij te leggen. Het is niet te laat, dat weet ik wel zeker."Even wachtte Hendrik tot vader iets zeggen zou, maar vader was zoals hij altijd al geweest was: zwijgzaam. Hij staarde uitdrukkingsloos voor zich uit. Hendrik kon niet afleiden uit de mans gelaatsuitdrukking of wat hij gezegd had hem iets deed."Het zal je misschien verbazen, maar toen ik tegen je zei dat ik je nooit meer wilde zien... ik heb mijn woord niet gehouden. Ik zag je elke dag, vader. Elke keer wanneer ik in de spiegel keek, zag ik jou. Elke keer wanneer ik sprak, herkende ik jouw stem in de mijne. Jij bent bij me gebleven in mijn voorkeuren en gebruiken. In de manier waarop ik mijn krant lees, eerst het lokale nieuws en dan pas de hoofdpunten. In mijn voorkeur voor zwarte koffie met één blokje chocolade. In mijn hoofd dat op net dezelfde plaatsen begint te kalen als het jouwe. Je hebt me nooit verlaten, vader."Hendrik gaf zijn vader de tijd om het nieuws te laten doordringen. Hoewel de gelaatsuitdrukking van de man niet veranderd was, wist Hendrik dat zijn thuiskomst na al die jaren hem moest overdonderen. Vader was nooit een man van veel woorden geweest. Vroeger was het moeder geweest die in zijn naam gesproken zou hebben, maar moeder was er nu niet. Toen hij haar eerder die dag het nieuws verteld had dat hij weer in de buurt zou komen wonen en het contact wilde hernieuwen, was zij in tranen uitgebarsten en had zij gedurende het gehele gesprek gesnikt. Zij was slechts een vage schim van de sterke vrouw die zij vroeger was geweest. Het was op het moment dat Hendrik zich dat gerealiseerd had, dat hij besloten had het gesprek met vader alleen te voeren. In tegenstelling tot de transformatie die moeder ondergaan had, was vader geen haar veranderd. Hij was nog steeds de stuurse, zwijgzame man die hij zich herinnerde."We kunnen het inhalen. Al die verloren jaren. Ik heb een huis gekocht in de buurt. In een zijstraat van de Molenstraat, waar je vroeger werkte. Je weet wel, de Akkerstraat, daar waar tante Julia nog gewoond heeft... uhm... het witte huis, het derde aan de linkerkant denk ik. Nu kunnen we elkaar elke dag zien. Ik zal je voorstellen aan Marie en aan de kinderen. Ik weet dat je twijfelt, maar het lukt ons vast om het bij te leggen. Voor je het weet, is het weer net als vroeger."Hendrik knikte overtuigd om zijn woorden kracht bij te zetten."Morgen kom ik terug, vader. Dan vertel ik je alles."Voor Hendrik zich omdraaide, bestudeerde hij zijn vader nog eens, die nog steeds onbewogen voor zich uitstaarde. Hij liet zijn blik nog één keer over de figuur die hij verafgood en gehaat had glijden. Zijn held. Zijn evenbeeld.De sierlijke letters boven hem waarin'Jacob MichielsenLiefdevolle echtgenooten vader1925 - 2008' was geschreven, trokken even zijn aandacht, maar lieten deze al snel weer los. De kiezelsteentjes knerpten onder zijn voeten wanneer hij in gedachten verzonken naar huis terugkeerde. Het was nog niet te laat. Hij wist het zeker.  

Fuaran
0 0

Ander bier (2)

Somers had geen rood kraanwagentje, niet eens een fiets en hij was gehuisvest zeven hoog naast de machinekamer van een lift. Beneden was er geen portier, wel een man met een kooi. Daarin twee kleurige parkieten, de ene geelgroen, net als die aardingskabel, de andere lichtblauw met wit, als de lucht op een flauwbewolkte dag. Het was ongetwijfeld een man zonder smaakpapillen want aan zijn PMD-zak te zien dronk hij Cara Pils uit blik, een bier door sommige des lands Colruyterige dwalers op hun blogs schaamteloos omschreven als een ‘dierbaar godendrankje’, als ‘cultureel erfgoed’, hetgeen Somers ook aan de tijden dat men in de Humo nog artikels kon lezen over wezens die uit volle overtuiging urine dronken, deed denken.   Al waren dat eigenlijk Somers’ zorgen niet. Wel dat onderweg naar Mariakerke, de mensheid hem weer eens te grazen zoude nemen, spoorwegarbeiders bijvoorbeeld. Dat stelletje staakgrage stumpers zoude hem van die wagon halen en Somers vertikte het om ooit enige documenten als een identiteitskaart (de term alleen al) bij zich te dragen. Als ze het woord konden uitspreken, zouden ze hem een ‘sanspapier’ noemen, hem voor de veiligheid in zijne puren in het transformatorkot opsluiten en de spoorwegpolitie bellen. Twee van die gasten met een glimmelde knuppel zouden hem, die loslopende ‘staatloze lul’ eens meenemen naar dat kamertje achter in het seinhuis, waar dat spijkerbedje stond. Ze gingen hem daar eerst eens goed desinfecteren, zuiverheid bijbrengen, hem eens goed de levieten lezen, het in zijn grijze cellen graveren, dat alles en iedereen ergens toebehoort en dat dit met documenten gestaafd diende te worden. Capito? Of dat hij anders maar in de internationale wateren moest gaan zwemmen in de hoop ooit Bir Tawil te bereiken. Dan toch geen dwazeriken, die Bergadler zuipende Ariërs. Van de Lidl, jedoch uit blik.  Ten eerste, steke men echt bier nooit in zo’n schuimverdelgend aluminium blik, dat men trouwens onmogelijk kon uitschenken zonder een abominabele schokgolf te veroorzaken en, ten tweede, kon men moeilijk eender welke fletse drek gemaakt volgens die horribele methode die men ooit in Plzen bedacht had om sneller (lees: rendabeler) te brouwen, ‘bier’ noemen, hoogstens een regenachtig aftreksels voor de zatte varkens waarmee die uitgekookte unipilsmagnaten zowat de ganse wereld overspoelden. Als ze er maar genoeg reclame voor maakten, dan kochten en dronken die pummels echt alles. Geen man wist verder waarom.   Wat Somers wel wist was dat het hem op een dag zou lukken, pekzwarte duiven te kweken, daar in dat hok op het dak, al was weinig succes een constante in zijn leven en hadden alle tot op heden geboren kuikens later een grijze tint gekregen of erger nog, waren ze gewoon afgrijselijk, zelfs gevlekt. En zijn pogingen om de duivinnen met zuiverzwarte vogels van ongeveer dezelfde grootte zoals een roek, een kauw te laten paren, waren alle mislukt. Niks, nada, nougabollen. Die beesten vertikten het gewoon op elkander te kruipen. Onbegrijpelijk.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks  'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
2 0

Met mijn klok op vijf na twaalf

Net als het laatste album van de meest geweldige artist, John, is het leven nooit volledig af. Maar het komt toch tot een einde. Dit samen met dat je geen voorbeeld krijgt om je leven tot een goed leven te krijgen, is het rotte en het geweldige aan al het geklop van je hart. Het idee dat je nu waarschijnlijk krijgt van mij, is dat van een ouwe zak dat melancholisch naar zijn leven kijkt bij het voederen van eendjes op een bank ik het park. Liefst nog met een sigaar of pijn in de hand. De ouwe gek die je je voor ogen moet houden bij het lezen en meeleven is niemand meer dan de man die jij denkt die ik ben. Hoe kan je nu iemand leren kennen zonder hem of haar jaren lang te observeren en telkens te beredeneren of het wel zou lukken voor jullie twee. Gho nog iets wat eigenlijk moet aangeleerd worden voor we geboren worden. Hoe we zien dat je samen hoort bij iemand. Hoe je zeker weet dat je van je eigen pietlullige leventje, een geweldige team kan maken tussen man en vrouw, vrouw en vrouw, man en man. We laten even de dieren en rare gewoonten er uit. Maar geluk dat er ooit iemand was die het “ scheiden “ heeft uitgevonden. Of de mogelijkheid om te zeggen dat je niets meer met elkaar wil te maken hebben. Je zegt bij het begin van een relatie nooit meer ik zie je graag omdat je weet dat niemand echt bij elkaar past. Nu zit ik niet enkel de eenden te voederen maar ook te lachen. Ik begin zaken te verkondigen over zaken die ik nooit heb kunnen vasthouden. Het enige wat ik kan vasthouden is het leven en dit is nog met tegenzin. Ik ben nu veel te oud om aan liefde, kinderen, toekomst te denken. Ik wou eerst zeggen seks maar daar is een man en eigenlijk een vrouw ook, nooit te oud voor. De noden des levens blijven voort bestaan. De vlam tot leven blijft branden ook al is de toekomst al op de grond en sta jij nog op het dak van je flatgebouw. Al  staat de moed in je schoenen, die schoenen brengen je overal waar je wil. Niemand wil gewoon de stap maken naar verder. Ze blijven onder de kerktoren wonen, werken, voortplanten, praten, slapen. Ze zouden er tegenwoordig alles onder doen. Het voortplanten wordt ook binnen gedaan, werd altijd binnen gedaan. Over het roken heb je wel gelijk. Ik ben terug begonnen. Het leven eindigt toch. Ook heb ik ergens gelezen dat gerookt vlees langer goed blijft. Het is niet dat ik hoop op een langer bestaan dan dat ik al achter de rug heb. Gewoon dat als de tijd er is, dat ik nog goed ben voor de pieren die aan mijn tenen zouden komen knabbelen. Nu is het voor het plezier mijn pijp. Een Dunhill, ik heb me weinig gegund in mijn leven en veel is afgepakt. Het laatste wat ze mij gaan afpakken is de rook in mijn longen. Want die blaas ik uit samen met mijn laatste adem. Laat me het maar zien als een toegangspas naar de vrije wereld. Een wereld naar hoe ik hem wil. Geen vrouwen die alles afpakken, geen vrouwen die je laten vallen. Geen mensen die zeggen dat alles wat je in je lichaam steekt er slecht voor is. Zelf teveel fruit zorgt voor diarree. Binnen een paar maand zeggen ze toch tegen mij dat ik beter 2 meter onder de grond zo liggen. Eerst voel je je moe, dan terug goed en dan ga je samen met al je dromen de grond in. Het leven is voor mij net een papieren bootje dat je in zee dropt. Je denkt dat alles goed gaat en dat het overeind blijft. Tot als je verder kijkt en de golf ziet afkomen die het mee naar de bodem trekt. Wanneer het dan terug naar boven komt heb je terug hoop. Het laatste wat je dan ziet is het gat in de bodem en het water dat het op de bodem houdt. Ach het is gemakkelijk praten voor iemand die alles heeft gehad en het daarna heeft versmeten om met een vrouw de lakens te delen. Het je leven toe te vertrouwen om daarna alles in je gezicht te krijgen. Geloof mij het komt aan. Net zoals het brood dat ik naar die ene eend haar hoofd gooi. Ze komt te dicht. Net zoals vrouwen, ze komen te dicht waarna ze je proberen heropvoeden. Te Beïnvloeden, om daarna te zeggen dat je niet te vertrouwen bent. Het enige waar je op kan vertrouwen is dat er altijd grond is. Je bent altijd geboren op iets dat op de grond staat. Je keert ook altijd terug naar ergens waar er grond is. Al is het binnen een paar jaar een toren met doodskisten. Een automaat waar je nu Cola uithaalt, daar haal je dan de kist van je oma uit. Of de kist van je jongste dochter dat gestorven is omdat. Omdat er juist iets beslist heeft dat zij moest sterven. Omdat een dokter nog niet zo ver stond om toe te geven dat hij niet wist wat te doen. Maar hij vind het erg dat ze gestorven is. Want waar moet hij nu zijn nieuwe Casa in zuid-Spanje met betalen? Hij kan moeilijk één van zijn maitresse laten vallen. Met die ingesteldheid is de wereld nu kapot. Deze vijver waar ik nu aanzit, is eigenlijk een groot gapend gat waar de bommen van iedere continent vielen. De plaats waar duizenden zijn gevallen, mensen en bommen bij elkaar. Als één grote familie.  Het gezellig samen opbranden tot er niet veel meer overschiet. Gelukkig is er aan de Atoombom nog iets goed. De mensen die ze afvuren gaan er zelf ook aan. Diegene die stom genoeg zijn om te moorden en daarna verschieten dat ze zelf sterven, ook al wisten ze het voor ze het vuurde. Die hebben we hier nu niet meer. Het gene wat we hebben zijn mensen die aangepast zijn of die voor jaren nog dieper onder of nog hoger boven de grond hebben geleefd. Dat ik hier nu nog de eenden aan het voeder ben is omdat ze in Noorwegen niet enkel bezig waren met zaadjes op te slaan van planten. Maar ook eieren en zaden van dieren.  Global warming was zeer goed op dit soort vlak. Het zorgde eigenlijk voor een reactie van de natuur tegen de mens. Iedereen moest dichter op elkaar leven, wat zorgde voor conflict. Het ijs smolt voor een paar jaar,100tal. Maar uiteindelijk vroor het op sommige plaatsen meer dan 4 jaar. Waarna het even niet meer vroor maar voor de komende 50 jaar wel. De rest werd dan terug een grote zandbak. Ze kwamen aan alles wat de natuur te bieden had. Olie, hout, steenkool, vruchtbare grond, onvruchtbare grond, de zon, de maan, de wind. En de laatste 3 zijn nog de beste. Het gene waar ze afbleven was het water. Ze moesten er niet meer aankomen ze konden het zelf maken. Het was een idee van Zuid-Sahara. Een grote zandbak waar weinig mensen speelde met zout water. Ze konden het zout er uithalen, maar je kan niet altijd zout op je eten doen. Chemici sloten zich dan maar voor een paar decennia op om “water” te maken. Iets kunstmatig dat ervoor zorgde dat je niet kon uitdrogen. Ze maakte het eigenlijk overbodig. Cellen in je lichaam hadden geen water meer nodig. Het vloeibare goedje nam plaats en functie van het water over. Wanneer een cel afstierf kroop het gewoon in een andere cel. Typerend voor iets nieuw is dat er altijd een tegenzijde is van de medailles. Het ging niet weg. Water wordt afgevoerd door de nieren. Deze stof “New H20” of المياه الجديدة stapelde op in het lichaam. Zorgde ervoor dat nieren en blaas afstierven. Met als antwoord kwam er dan terug dialyse. Gemakkelijk we voeren alle afvalstoffen af en we verdienen er nog wat aan ook. De mensen die het niet konden betalen zwollen op en werden “waterballonnen”. Heb je ooit een ballon gevolgd als hij opsteeg naar de ruimte? De heliumdeeltjes kruipen dichter tegen elkaar waardoor de ballon verschrompeld en uiteindelijk komt er een gat in de ballon. Ook gewoon omdat de helium vloeibaar gaat worden en bevriest. Dit gebeurd niet, integendeel ze zwellen op. Juist gaat onze huid niet zo mee als plastiek. Om alles wat korter te zeggen, boem! Ze konden er niet aan doen, het was hun fout niet. Ze waren gewoon blij met een nieuw speeltje. Het begin van Facebook, net het zelfde. Zeker wanneer we onze status konden updaten via de “smartphone”. Zo slim is dat toestel ook niet. Je moest zeggen wat het moest doen. Tot op de dag ze er in sloegen het een eigen wil te geven. Het was gemakkelijk voor ons. We liepen rond met onze “smartglasses” en dachten na over wat we wouden. Openen van onze outlook account werd gedaan door 1 gedachte. Tot de bril besliste jou gedachten te openen met 1 outlook. Dingen vergeten, dingen onthouden dat er niet waren. Het erge was domme mensen slimme mensen inhuurde om dit te controleren. Het was niet de eerste wereldoorlog. Het was niet de eerste keer dat mensen bevelen volgde zonder er over na te denken. Maar deze keer was anders. Ze vochten door zelf al hadden ze niets meer op te vechten. Een vergelijk met de eeuwen oude monty python films is niet zo ver weg. Een armloze hersenloze man die vecht tegen zijn armloze hersenloze tegenstander. Ik zou willen zeggen dat wij slimmer waren. Maar wij hadden gewoon geluk. We leefde tijdens de grote inval niet op aarde. We hadden het voorzien, onze ideeën waren anders dan de rest van de wereld. We leefde met de natuur in plaats van de natuur te verbruiken. Het was niet gemakkelijk. We moesten onze waardevolle spullen samenleggen om een stuk grond te kopen. We kregen niet veel van de dictator van toen, maar het gene wat we hadden was voor ons waardevol. Iedereen wist het al lang, maar niemand wou er geld in steken. Onder de Sahara ligt er een groot meer. Je zou et niet verwachten, je zou twee dingen eigenlijk niet verwachten. Ten eerste dat het er ligt, ten tweede dat de mensen die het wisten nooit hadden gebruikt. Al was al het water onnuttig door het nieuwe dat ze gevonden hadden. Daardoor was inderdaad grotendeels van het water onnuttig, vervuild eigenlijk. Buiten ons ondergronds meer schoot er niet meer van het heerlijk H2O over. Het idee dat we hadden was om schaduw te maken in onze grote zandbak. Het zou de zon tegenhouden en misschien zouden we dan aan landbouw kunnen doen. Het was op hoop van zegen. Maar na een paar jaar was de hoop weg samen met een paar honderd mensen. Ze liepen over terug naar het gene wat ze gewoon waren. Zielig wel, een paar dagen laten zou er niets meer van hen overblijven. Samen met de hoop om iets nieuw te beginnen. Ik snap hen wel, de angst is er altijd bij iets nieuw. Al is het maar het eerste gesprek dat je hebt met iemand nieuw. Kan je haar vertrouwen, wat moet je zeggen, zou ze je willen veranderen, wat zou ze drinken, wat eet ze graag, hoeveel kinderen zou ze willen. Zie zij ook het leven dat ik zie. Want veel zou ik je niet kunnen bieden. Het enige wat we nu al kunnen is een paar groenten kweken en zwammen. Maar iets meer van weelde? Je zou ons het beste kunnen vergelijken met een zwerver. Onze kleren doen we uit als het warmer wordt, maar van de moment dat het koud wordt doen we alles over elkaar aan. Qua cultuur en onderwijs kunnen we enkel bieden wat we kennen. Maar zoals iedereen weet gaat er veel verloren. Ook onze herinneringen aan vroeger. Soms denk ik er wel nog eens aan. Dat ik het probeerde om iemand alles te geven. Maar meer dan wat er nu op deze bank zit kan ik niet bieden. Buiten de dromen, maar die kan ik niet naast mij plaatsen. Die zijn al lang vervlogen. Ik droomde eerst van een weelde. Iets nieuw, samen met vele andere mensen. Ergens iets waar iedereen gelijk was, waar iedereen het recht heeft zichzelf te zijn. Om met elkaar samen te leven in de plaats van , van elkaar. Voor de eerste jaren ok. Zoals ik al zei na een paar jaar, paar tientallen jaren. Konden we iets anders eten dan de vis die niet giftig was. Het eerste waar we ons zorgen om maakte was het water. Het was er, maar het lag diep. Dieper dan de hoop die we hadden om het te vinden. Rantsoeneren, zout water condenseren door de zon. Die hadden we voldoende. We leefde niet, we overleefde. Het was een stap terug in de tijd. Iets wat mensheid redde, tenminste volgens ons toch.  Onze eerst “hol” dat we maakte was voor een paar mensen. De rest sliepen nog in de tenten dat we mee hadden gebracht. Je moet niet vergeten we waren in totaal met 403 man en vrouw. Na het verkrijgen van een nieuwe thuis onder de grond. Ergens hadden we een geschiedkundige of 2 3 mee. De enige slimme mensen die de geschiedenis bestuderen. De rest kent hem maar leert niet uit de fouten van vroeger. Mijn overgroot vader sprak veel met hen. Hij zorgde ervoor dat zij alles opschreven.  Uit één van de werken van de enige vrouw, Ineke, vonden we dat er vele jaren terug geprobeerd is om een universele taal te maken. Het Esperanto genaamd. Vandaar ook de naam die wij geven aan onze gaten in de grond. Loĝi inter la bazo, het is wat het is . Het is de letterlijke vertaling van een “thuis onder de grond”. Dat was het voor ons. De hoop dat we ons ergens thuis konden voelen. Ergens anders botste we telkens tegen de stroming. Hier konden wij de stroming zijn. Het ging goed de jaren nadien. We maakten onze gaten groter en dieper. Uit de verlaten steden konden we sommige dingen leren en meenemen. Het opstarten van iets nieuw. De gewassen waren denderend, we konden zelf wat dieren houden. Er was meer hoop dan dat we aankonden. De eerste generatie werd oud. Veel ouder dan dat iemand ooit had gedacht. Vroeger klonk het oneerlijk om ouder te worden dan honderd. Nu klinkt het oneerlijk om jonger te zijn. Alles is verlengd, van leven tot voorplanten. Door jaren en jaren te leven onder constante straling is een deel van ons uitgestorven. Het deel dat ervoor zorgde dat we ons natuurlijk konden voortplanten. Eigenlijk niet, maar we doen het niet meer voor de kinderen. Het is lelijk te zeggen maar de gedrochten dat we kregen. Het was niet enkel kinderen met Turner of Klinefelter. Allerlei mutaties, waarvan een extra arm nog het beste was. Zeker wanneer je hem nog kon bewegen. Neen seks is nu voor de seks. Heb je goesting dan heb je seks. Wil je kinderen dan ga je naar de bank. Vroeger was het revolutionair en groots. Nu kan je je zonen en dochters zelf kweken met wat DNA. Het gebeurd op de zelfde manier. Maar op een Petri schaaltje en in een vruchtwaterbak. Je voegt het DNA van 2 mensen samen en je hebt een kind na loop van tijd. Hierdoor kunnen we alles controleren. We kunnen het langer laten “ rijpen” zodat het slimmer, sterker, kort door de bocht beter is. Een kind krijgen bij ons duurt 5 jaar.  Wat niets is al je er 300 wordt. In het begin liep alles hierbij fout. We creëerde eigenlijk het zelfde dan met de natuurlijke gang van zaken, mutaties. Vandaar ook de oorlog. Vele mensen wouden deze “ mensen” laten vernietigen, waar andere ze wouden houden. Ze proberen een menswaardig bestaan geven. Maar welk bestaan heb je zonder huid. Dat kwam verbazend veel voor. Het vliesje dat ze hadden was te vergelijken met een druppeltje water dat rond hen hing. Een bubbel dat zo barste. Vandaar het lumineuze idee om niet meer aan natuurlijke voortplanting te doen. Het werd zelf bij wet verboden. De eerste betogingen gingen vreedzaam. Maar dit bleef niet zo. Het ging al snel over naar een gewapend conflict. Mensen hadden seks op elk groot plein, voor elk federaalgebouw. Met als einde de ene Atoombom na de andere. Alles wat niet meteen werd verschroeit, werd bestraalt. Vanbinnen uit kapot gemaakt.  

stijn
0 0

Ander bier (1)

Niet wel doch bedacht, zoude hij springen Ignace Somers. Achter op een goederentrein in de havenstad Z. om veel verder in het dorp M., laat het ons Mariakerke noemen, in die scherpe bocht, waar het ijzeren getrek ongetwijfeld zou vertragen, er weer af te springen. Het achtertuintje grensde aan het spoor, zoete koekjes in de oven, schuifdeur op een kier, bokaal met straffe pepertjes in de kelder, daar twijfelde hij niet aan. Zijn stem die enkel doorheen brieven gespookt had en dat ene gesprek lang geleden in dat bejaarde etablissment op de dijk waar van dat urinekleurig fluutjesbier getapt werd, zouden levendig gebleven zijn. In de rug en als een tweepotig luipaard zoude hij dichterbij sluipen, door die schuifdeur, die zijn gepiep voor even achterwege liet, met zijn handen haar beide wangen stevig vastnemen en terwijl ze de halfgewassen pot nederzette, zoude hij fluisteren dat ze niet mocht omkijken. Gillen ging ze niet, wel zich de polsen laten vastbinden met geelgroene aardingskabel zoals in de brief van elf september, en gewillig naar het multifunctionele tapijtje schuifelen. Het mocht wat pijn doen, dat besef hadden ze beiden wel, maar hij had er toch niet over gesproken in zijn brieven, over dat achterste gaatje. Op die wagon zijn spel misschien met wat vaseline instrijken, dacht Somers. Schuilde in goed gekozen pijn immers niet meer tederheid dan in het liefbedoelde strelen van een pluizig kattejonk of een weg te schenken boeketje boterbloemen? Een kompas was niet nodig, meende hij. Het was zoals beschreven en gepland langs de kant van het zitvlak te doen. De kijkrichting kon onmogelijk belangrijk zijn. Het goddelijke dons noch het hol van de hellehond bevonden zijn immers in een bepaalde windstreek. Ze zouden beiden gewoon naar de hemel staren, de schuifdeur schouderbreed open voor de frisse lucht.   Dorst en hij schonk nog wat van het kegelvormige flesje in zijn glas. Straks ging hij naar Arabella, naar het kingloopwinkeltje waar hij de literatuur netjes schikte, de gore boekjes steevast 50 cent duurder prijsde, ze in het rekje pal tegenover de bijbeltjes plaatste en gisteren nog ‘Ons Kookboek’ aanbeveelde aan een gesluierde vrouw. Tevergeefs. Hij hoopte desalniettemin, dat ze daaronder geen string droeg, maar wel zo’n synthetisch niet al te spannend, zwart voetbalbroekje.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks 'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
0 0

Het zwembad

Koos was al geruime tijd niet meer in het zwembad geweest. Er was hier echter niks veranderd, constateerde hij, terwijl hij zijn kleedhokje afsloot. De tegels op de vloer niet, de zachtgele muren niet, zelfs de plastic kledinghaken waren nog dezelfde als voorheen. Normaalgesproken deed hij op woensdagmiddag weinig bijzonders. De krant lezen of even zijn rug strekken op de bank. Sinds hij op advies van de bedrijfsarts nog maar twee halve dagen per week op het verzekeringskantoor mocht werken, had Koos zeeën van tijd over. De eerste weken had hij veel moeite met al die loze uren gehad. Vooral vanaf een uur of een in de middag. Te laat voor nog een kop koffie, te vroeg voor een borrel. Vaak liep hij dan maar een extra rondje met Fikkie door het plantsoen, maar nu het buiten ijzig koud geworden was, deed hij dat voorlopig liever niet. In plaats daarvan schilde hij dan maar vast de aardappelen of dopte hij de sperziebonen voor de warme maaltijd.   Koos vouwde zijn kleren op en stopte ze in de stoffen boodschappentas. Bij gebrek aan slippers had hij zijn sandalen meegenomen. Hij had een hekel aan de vieze vloeren in het zwembad. Het was een ware kunst om ervoor te zorgen dat je niet in haren, pleisters of in een uitgesmeerd patatje stapte. Hij trok het touwtje van zijn zwembroek aan en stapte in zijn sandalen. Met een handdoek over zijn schouders en de boodschappentas aan zijn arm liep Koos de galmende geluiden van het zwembad tegemoet. Luid gejoel, een harde gil, kinderstemmen, een snerpend fluitsignaal. Koos was tien jaar terug in de tijd. Hij voelde het handje van zijn kleinzoon Max in de zijne en hoorde het aandoenlijke stemmetje ongeduldig vragen: ‘Opa, opa, zullen we samen van de glijbaan?’ Koos legde zijn tas en handdoek op een van de plastic kuipstoelen bij het raam en keek aandachtig rond. Het viel hem op dat er in het pierenbad een pinguïn, vis en kikker bijgekomen waren. Ze spoten straaltjes water uit hun bek. Max had dat vast erg leuk gevonden, dacht Koos. De digitale klok boven het diepe tikte doorlopend de secondes van een minuut af. Koos was benieuwd of hij nog steeds in staat was om een flinke duik te maken en binnen de minuut aan de andere kant van het zwembad weer boven water te komen. Hij vermoedde van niet. In de afgelopen jaren was hij van één naar twee pakjes sigaretten per dag gegaan. Evengoed stapte hij, achter twee slungelige knapen aan, de trap naar de hoge duikplank op. Onderwijl sprak hij zichzelf moed in. ‘Je kunt het, je kunt het,’ mompelde hij. ‘Wat zei je, mafkees?’   Verschrikt keek Koos op. Een van jongens keek hem recht in zijn ogen aan.   ‘Praat niet tegen mij, ouwe,’ zei de jongen. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei Koos. ‘Bek houden,’ antwoordde de jongen en hij draaide zich weer om. Voetje voor voetje stapte Koos even later naar voren. De donkere strepen op de bodem van het zwembad golfden zacht heen en weer. De duikplank leek hoger dan eerst. Had hij een acute vorm van hoogtevrees ontwikkeld? Of was het gewoon alweer iets waar hij plots in faalde? Hij voelde zich weeïg worden. Teruglopen was geen optie. De man achter hem tikte met zijn ring op de metalen leuning. Zoals de badmeester vroeger in gestaag tempo op het trapje klopte. Door-gaan. Door-gaan. Door-gaan.      Koos telde tot drie, haalde diep adem en stapte de duikplank af. Als een zoutzak viel hij naar beneden. Hij plonsde in het water, tikte met zijn tenen de bodem aan en kwam weer boven. In schoolslag zwom hij naar de kant en hees zich omhoog. Zijn oog viel daarbij op het bubbelbad, te midden van de stroomversnelling. Koos liet zich in de stroomversnelling glijden, sloot zijn ogen en liet zich meevoeren. Als hij langs een harde waterstraal kwam, werd hij even weggeduwd, wat een glimlach op zijn gezicht deed verschijnen. Om hem heen hoorde hij hoe de kinderen verwikkeld waren in hun fantasieverhaal over een schipbreuk. ‘Hou mijn hand vast, ik ga dood!’ gilde een meisje luidkeels. ‘Kan niet, ik ben te ver,’ riep een stem in de verte terug. Koos opende zijn ogen en stak zijn behaarde arm uit. ‘Hier,’ zei hij, ‘een stuk drijfhout, hou je maar vast.’ Het meisje keek hem aan en greep in de bocht naar de plastic palmboom. Koos dreef verder af en kon niet zien hoe lang ze zich vast bleef houden. In zijn volgende ronde door de stroomversnelling hing ze er niet meer en nam hij de afslag naar het ondiepe bad. Hij zwom onder het bruggetje door, totdat hij de bodem tegen zijn knieën voelde schuren en ging staan. Hij keek naar een jongetje dat van het kleine glijbaantje naar beneden roetsjte. ‘Opa! Kijk dan!’ hoorde Koos in zijn gedachten en hij zwaaide naar kleine Max. ‘Sta je lekker te gluren?’ vroeg een doorrookte Caballerostem achter hem. ‘Viespeuk!’ Met tranen in zijn ogen stapte Koos het zwembad uit, pakte zijn tas van het kuipstoeltje, schoof in zijn sandalen en liep naar de douches. Er was toch wel een hoop veranderd sinds kleine Max er niet meer was, constateerde Koos, terwijl hij het warme water op zijn hoofd liet kletteren.      

Juliëtte Rosenkamp
35 0

Tachtig jaar vooruit

Ze werd tachtig, en ze heeft spijt. Niet omwille van de leeftijd maar omdat niemand foto's nam. Met een echte camera. Iemand had toch, op deze bijzondere dag en bij het feestelijk diner kunnen denken aan de creatie van een aandenken. Die persoon had daar werk van kunnen maken; de mensen schikken bij de vier gangen op het menu. Het decor zag er huiselijk uit, hoewel hoegenaamd niets aan thuis refereerde. Er stonden bloemen in het midden, jassen hingen over stoelen. NIemand die ergens over hing van te veel drank. Er werden slechts twee beelden van het gebeuren vast gelegd, met de gsm. Je kon ze meteen zien, niet als aandenken maar als rechtstreeks verslag. De verjaardag is de nacht voorbij nu, het is een andere dag. Vanf nu is het uitkijken naar het jaar dat haar echtgenoot de tachtig zal bereiken. Twee jaar geduld en gezondheid. Zoveel dagen tellen, en dan de herhaling. Foto's. Kleurrijke? Of zou ze voor zwart-wit opteren? Portretten of groepfoto's? Wilde iemand op de foto? Mensen hebben vreemde wensen, verbonden aan een aversie of een verlangen soms. Ze had verwacht dat iemand een woordje zou spreken; rechtstaand en in de belangstelling van alle aanwezigen. De woorden zouden haar belonen, in de welverdiende kijker zetten, haar hart beroeren, ontroeren. Iemand had een tekst geschreven, maar het niet gebracht. Er was te weinig liefde, te weinig verbondenheid. De avond hing met haakjes van plicht aan mekaar, als twee helften van een bh. Vrouwelijk en mannelijk aan een lange tafel, hier en daar wat kaarslicht, een aantal glazen wijn. Gesprekjes met mensen waar iets mee kon worden opgebouwd. Het up-to-daten van verloren gegane contacten, alsof het water er werd uitgeperst. Om dan later weer te laten verwateren, god weet hoe die gewoonte was gegroeid. Twee jaar later zou geen mens het zijn afgeleerd; dat wachten op de ander. Elke mens zou dieper zijn ingeslapen. Stilte is er zelden op een feest. Te veel stilte lijkt gelijk aan een mislukte avond. Voor de jarige was er geen hoge vogel in de lucht. Enkel het felle licht brak het brood op tafel. In handen het slot. Gesloten ieder werkelijk ontvangst. Zo nu en dan kneep ze haar ogen dicht, alsof ze prikten van het vele kijken naar hoe de anderen zich amuseerden. Ze evalueerde de avond als gezellig en fijn om mee te maken. Haar echtgenoot was er bij, hij gaf haar de obligate kus toen hij naar het rusthuis terug keerde. Hij keek nog over zijn schouder, dat zie je op de foto. Hij zag haar.

Ingrid Strobbe
0 0

de informaticus

Informatici, ik blijf het vreemde mensen vinden. Alsof ze er zijn en niet zijn. Uitblinkers in afwezige aanwezigheid. In elk geval: je lijkt hen altijd te storen, dat staat vast. Ook al ga je pal voor hun neus staan, op hun schermpje is altijd iets veel interessanters gaande.Het komt eropaan behoedzaam de inbelverbinding naar hun brein te activeren en hoopvol af te wachten of er links en rechts iets begint te zoemen, te piepen en op te lichten. Als je daarin slaagt en eindelijk hun aandacht krijgt, beginnen de problemen pas. Dat is niet verwonderlijk, want een informatica-probleem is in hoofdzaak een informaticus-probleem. Problematiseren is hun vak. Het is niet omdat informatici eruitzien als robots, dat ze ook zouden kunnen vervangen worden door robots! Hoe preciezer je vraag dus, hoe vager, onduidelijker en mysterieuzer hun antwoord. Ook als je gewoon een batterij voor je laptop wil bestellen.De verkoper-informaticus aanhoort mijn vraag, draait zijn scherm weg, t.i.k.t. iets in en staart. En staart ..."Oei, er is een probleem" luidt het na ettelijke minuten.Dat is natuurlijk geruststellend, een probleem betekent dat de informaticus wel degelijk aan het werk is. Van contentement begin ik mee te staren. De leegte in, de toendra op, de mysterieuze nevel van de tijd tegemoet. Staren. Klikken. Staren. Staren ..Uiteindelijk weerklinken de verlossende woorden: "Ja, er is wel degelijk een probleem ..."Niets overhaasten nu, even laten bezinken ... "O ja, welk probleem?" vraag ik voorzichtig.Staren. Staren ..."Het is nogal duur", luidt het antwoord."O ja", zeg ik, en samen staren we nog wat verder. Dit is immers niet het moment om de informaticus uit zijn concentratie te halen. Doe je dat wel, dan is de kans groot dat hij je vraagt wat je vraag nu eigenlijk alweer was.Staren ..."Ik zal het dan gewoon thuis zelf online bestellen" zeg ik ten slotte."O ja, dat kan je doen", zegt de informaticus aangenaam verrast. Tevreden staren we allebei voor ons uit."Hartelijk bedankt voor de service, meneer", zeg ik ten slotte."Graag gedaan, meneer, daar zijn we hier voor", zegt de informaticus.

Guy Bourgeois
46 0

Hoe Bianca aan haar vent kwam

Het was in de tijd dat Rosse Sandra en haar man Kale Freddy nog leefden. Hun dochter Bianca kwam de woonwagen niet uit. Spendeerde haar dagen met slapen en paffen. Soms stond ze in haar slaapkleed en sletsen op het trapje. Dan riepen de venten: ”Hee, Bianca, gaan we vogelen?” Bianca stak dan haar middelvinger uit en door het rondje dat ze maakte van duim en wijsvinger. Bianca had nog nooit gevogeld. Maar dat wisten de venten niet meer. Die hadden zo hun eigen sprookjes.   Op een dag vond Rosse Sandra dat Bianca maar een vrijer moest zoeken. Ze stuurde haar wandelen in de wijk. “Kom alleen terug als je een vent gevonden hebt!” riep ze het kind nog na. Bianca was vol goede moed en vastbesloten om hem te vinden. Hij moest niet mooi zijn, als ie maar niet stonk. Bij het pleintje zag ze Johnny van de witte caravan. Ze wilde ruiken of ie stonk. Maar als ze zo op hem toe zou stappen, zou hij haar ter plaatse knoepen. Dat stond vast. Dus ze veranderde zichzelf in een struikje. Zo eentje dat ooit nog geplant was door de groendienst van de gemeente. En nu tot in de spleten van de woonwagens woekerde. De bessen waren oneetbaar. Tenminste als je geen vogel was. Het struikenvrouwtje kroop voorzichtig tot voor de voeten van haar prins. Stak daar een dun twijgje omhoog tot onder zijn oksels en snoof zijn lijfgeur tot diep in haar wortels. Bianca lachte. Haar besjes bloosden rood. Hij stonk niet. Alvast niet té erg. Johnny zou haar vent worden.   Vanaf die dag volgde het struikenvrouwtje hem overal waar hij ging en stond. Als hij met andere wijven ging vossen, dan stond zij ernaast. Of dan deden ze het in haar. In de struiken. Haar besjes bloosden, haar twijgen schoten alle kanten op om haar rivalen de mond en de keel, na de daad, te snoeren. Johnny's wijven vielen als bosjes. In de struiken. Achter de struiken. Het duurde niet lang of geen enkele moeder durfde haar dochter nog meegeven aan Johnny van de witte caravan. Immers, waar rook is daar is ook vuur. En zo kwam het dat Johnny niet meer aan vogelen kwam. En ook niet aan vossen. Hij had geen andere keus dan te trouwen met Bianca. Die vogelde hij elke dag. En wonder boven wonder overleefde zij het telkens weer.

Evy
0 0
Tip

Uitgenodigd

            Dank dat je tot hier gekomen bent, oude vriend. Ik kan me voorstellen dat je wantrouwig stond tegenover mijn uitnodiging. Misschien ben je dat nog steeds. Ik zou het je niet kwalijk nemen. Het is te lang geleden, vriend. Ga toch zitten.             Het mag een wonder heten dat deze zitbank hier nog staat.             Het hout is droog en ondervoed. Hier hebben we zo vele uren versleten. In die tijd hing er een nevel over deze bank. Die daalde neer op onze huid en in ons hoofd. Hele nachten hebben we hier doorgebracht.             We gaven licht in het donker, zo jong waren we.             Radeloos en jong. Roekeloos.             Alsjeblieft, ga zitten. Met de voeten op de bank en het zitvlak op de rugleuning, net zoals toen. Je voelt het weer, een stroomstoot door je borst. Ongeleide kracht. De bank heeft ze voor ons vastgehouden. Ik kan maar beter mijn mond houden. Ik wilde gewoon even met jou op deze plek zijn.             Stoort het je als ik praat? Van alles wat je met ouder worden zou moeten appreciëren, vind ik de stilte nog het ergst.             Waarom kwamen wij toch telkens naar hier? Naar deze bank, op dit pleintje? Een doodgewoon pleintje met hier een bank, daar een boom, gras onder onze voeten, en een vuilnisbak? Als ik het nog kon, zou ik de zoden uit de grond rukken om te kijken of deze plek ons in de grond nog iets te bieden heeft.             De grond laat mij de laatste tijd niet met rust, vriend. Heb jij dat ook?             We kwamen naar hier. We konden alles doen, overal konden we naartoe, maar we kwamen naar hier. En nu zit ik hier weer. Ik zit hier weer. Geloof mij, oude vriend, ik heb geleefd, vraag het na bij mijn geliefden, mijn kinderen, mijn kleinkinderen,geloof mij maar.             En nu brengt iets dat ik niet begrijp mij uitgerekend naar deze plek. Ik weet niet wat het betekent. Toen niet en nu niet. Je weet hoe het gaat: roekeloos wordt bedachtzaam.             De radeloosheid blijft.             Was het de nevel? Dat moest het zijn geweest. Niet de bank of de boom of de vuilnisbak, het was de nevel die ons naar hier lokte. Ons hele rijke leven zweefde daarin rond, botste nergens tegen grenzen op. Het was de nevel, een donzig kussen waarmee wij bovenop onze toekomst zaten zoals op de zitbank van een pleintje.             Ik hou het niet lang meer vol zo.             De rugleuning zeurt tegen mijn oude botten aan. Gênant is het, vind je niet, overal moeten vragen om een kussen. Oude vriend, het spijt me dat ik zo veel praat. Vind je ook niet dat het uitzicht veel helderder wordt? Bekijk het vuil daar eens, dat samenspant op de opgedroogde lijm van een verdwenen sticker, daar op de vuilnisbak, of de groeven in de boomschors daar, de uitpuilende ogen van het hout, hier, schuif je voet eens op, hier.             Het doet mijn ogen pijn, zo helder. Ogen horen er met de leeftijd op achteruit te gaan.             Oude vriend, het spijt me, het is zo stom. Ik droom nooit. Daarom nodigde ik je hier uit. En dank dat je gekomen bent. Echt. De laatste jaren droom ik nooit meer, en onlangs, zo stom, droomde ik dat wij hier zaten. Jij en ik. Hier. Op deze bank. Het schokte me dat jij het was, ik had je zo lang niet meer gezien. We keken naar elkaar en we zwegen. Ik zag ons zitten. Ik wist dat ik droomde, ik zag ons hier zitten.             En het ergerde me dat ik mij niets kon herinneren.             Ik kon mij gewoonweg niets herinneren. Ik wist dat jij het was, dat wel, en dat we hier zaten, maar dat wekte niets. Geen enkele herinnering. Of jij je iets kon herinneren wist ik ook niet. Je zei niets, in ieder geval.             Toen zag ik, daar bij de boom, een man staan, met zijn rug in onze richting. Hij droeg een rugzak die open stond. Ik wilde gaan kijken naar wat in de rugzak zat. Ik was ervan overtuigd dat de inhoud van de rugzak mij toebehoorde, of ons, misschien. Jij zag de man ook. Dan keek ik opnieuw en ik zag hem nog net, daar, recht voor ons, het hoekje om lopen, met zijn brede rug en zijn ondoordringbare jas.             Dank dat je tot hier gekomen bent, oude vriend.

Jan
54 2

Ambitie & Centjes

Hans wil centjes. Hij wil Dagobert Duckgewijs in een zwembad vol biljetten duiken, daarna een sigaar opsteken; een sigaar die goedkoop geproduceerd wordt door Cubaanse kinderhandjes en verkocht in het Westen tegen woekerwinsten. Hans geeft niet om slavenarbeid. Winstmarges, die zijn belangrijk. Daarom heeft hij zich verloofd met Helena, dochter van innovatief ondernemer Willy Steenhoudt. Hans wil zich een hoge post in zijn bedrijf versieren, en een bureau waaronder een escorte kan plaatsnemen tijdens een conference call. Af en toe zou hij zijn exen opbellen, afspreken, hen oppikken met zijn blauwe lamborghini. Hij zou hen een peperdure ketting schenken, al rijdend een grondige pijpbeurt krijgen, hen terug naar huis brengen en zeggen, 'ik ben gelukkig getrouwd, dus haal je maar niet te veel in je hoofd. Ik bel je wel.' Dat type manager wil hij zijn. Maar daarvoor moet hij eerst die ring om Helena's vinger schuiven. Diner bij de toekomstige schoonfamilie. Hans zit tegenover Helena's moeder, Hélène. Hélène wrijft al de gehele tijd met haar blote voeten over zijn been, geile knipoogjes, getuite lippen. Hij voelt zich ongemakkelijk, kijkt naar Helena en Willy die druk met elkaar converseren, ze merken niets. Hij snijdt zijn rosbief, vindt er een briefje in: straks na het eten buiten roken. Hélène x Het dessert is naar binnen gewerkt, te zoet naar zijn smaak. 'Willy, mag ik een van je Cubaanse sigaren? Ik ga buiten even roken, mijn eten laten zakken.' Willy negeert hem, blijft verder praten met Helena over groeimarges, nieuwe markten, productontwikkeling. Hans neemt dan maar een sigaar die in een verguld kistje op het dressoir ligt, stapt via de veranda naar buiten de tuin in. Hans rookt, wacht, begrijpt het niet. Die Hélène is blijkbaar het type schoonmoeder die avances maakt op haar schoonzoon. Dat maakt hem verward, geil. Na tien minuten ziet hij haar silhouet in de veranda, het komt dichterbij, staat pal voor hem. De sigaar in haar mond is slecht gerold. 'Ik hou niet van dure spullen', zegt ze. 'Waarom wou je samen met me roken?' Hans wil duidelijkheid. 'Kom mee', antwoordt ze, pakt zijn hand vast, neemt hem op sleeptouw verder de tuin in. 'Je bent naïef en ambitieus. Van zulke mannen hou ik. Zulke mannen kan ik iets bijbrengen. Ofwel ben ik een cougar, wie weet. Kom, blijf staan.' Ze zet zich op haar knieën, haalt zijn lul uit zijn broek, in haar mond. Haar slecht gerolde sigaar ligt smeulend in het gras, hij smeulend in haar. Het leven kan slechter. 'Hans? Haaans?' 'Hélène?' Hans schrikt op. Hélène niet, die doet gulzig verder. Helena, Willy, ze roepen hen. Hans voelt zich niettemin gedekt door het donker, rookt verder, het oplichtende uiteinde van mijn sigaar kun je vanaf de veranda niet zien, denkt hij. Hij aait over Hélènes hoofd, 'braaf meisje, braaf'. De ontlading is nabij, haar tong kronkelt aanstekelijk, Hans trilt op zijn benen, ogen tot spleetjes, hoofd achteruit, zijn pik wordt harder, klaar om te SPOTLIGHT in haar gezicht. In zijn gezicht. De spotlampen die aan de buitenkant van de veranda hangen schijnen in zijn ogen, Helena en Willy komen doorheen dansende witte stipjes dichterbij, 'wat gebeurt hier'?' Hij valt flauw. Hans wil nog steeds centjes. Het zal moeilijker worden nu Helena de verloving verbroken heeft, maar hij houdt de moed erin, met het afschuimen van Rotaryfeestjes en whiskey. Hij heeft er wat voor over. Half drie zaterdagnacht, er wordt aangebeld. Hij doet open, schrikt, Hélène met twee koffers, 'Hans, ik moest naar je toe. Willy is weggegaan. Eindelijk. Mag ik blijven slapen? Zonder te slapen?' Hans twijfelt, kijkt naar haar borsten. Ze zien er goed uit voor die leeftijd. Ervaren knakkers. Maar deze vrouw brengt geen geld in het laatje, geen netwerk, huisvrouwtje met pijpmond. Handig wanneer je centjes hebt, onhandig wanneer je ze nog moet verdienen. Plotse wolkbreuk, ze smeekt om binnen te komen. Om te komen. Hier draait het niet om, denkt Hans, het draait om centjes, winstmarges, productontwikkeling. Hij slaat de deur dicht, het is genoeg geweest. Tijd om aan zichzelf te denken. Twee weken later, zevenuurjournaal. Schandaal. Een gescheiden adellijke dame heeft een escortebureau met exclusieve gigolo's opgericht, de rest van haar bedrijven heeft ze verkocht. Haar ex, Willy S., zit aan de grond. Haar dochter H komt in beeld, ze heeft beschutting gezocht achter een wazig beeld en een diepe stem. Ze verklaart dat haar vroegere verloofde schuldig is aan dit familiedrama. Hélène de Beaumauvais d'Escopalle wordt afgeschilderd als een gewetenloze manipulator, mannenverslindster, zakenvrouw. Hans veert op uit zijn zetel, zet de laptop aan, googelt ' Hélène de Beaumauvais d'Escopalle'. Onmiddellijk haar website: Gigolo à GoGo. Het ziet er professioneel uit, ambitieus. Hij hoeft niet lang na te denken, belt de nummer op de website, herkent haar stem, 'Hallo, Gigolo à GoGo, met wie kan ik u opgeilen?' 'Ik ben het.' 'Zo zo. Je hebt blijkbaar het nieuws gezien?' 'Ja.' 'Waarom bel je me?' 'Hoe gaat het?' 'Bel je daarom? Jongen toch, wees eens eerlijk. Wat wil je van me?' Op het nieuws de zoveelste Syrische vluchteling. 'Ik heb ambitie, wat heb jij?' Hij wil zelfzeker klinken, volwassen, geen jongen meer. 'Ik vroeg niet wat je hebt. Ik vroeg wat je wil.' Hij laat het los, alles, eerlijk, 'ik wil centjes.' 'Echt? Wil je centjes? Dan kunnen we praten, jongen.'

Michaël Verest
0 0

Het is stil waar het nooit waait

Kijk, ik vind je leuk. De manier waarop je mijn wangen streelt. Met mijn haren speelt. Naar me fluit. Voel jij dat ook? Lieve stoot, ik hou van je. Jouw zekere aanwezigheid. Jouw natuurlijke kracht. Je sleept me mee. Als een vriendelijk duwtje in de rug. Behalve als je tegen me bent, op de fiets. Dan trappel ik ter plaatse. En ga ik soms zelfs trillen… aan mijn bovenbillen. Wind (m)Jij voelbare horizontale luchtstroming in de dampkring Op dagen dat je briest, heb ik zin om naar zee te gaan. Even alles laten waaien. Haarpunten die als zweepjes in m’n gezicht slaan. Ogen die spontaan tranen in de stroom. Een vertrouwde hand die luchtig mijn huid streelt. En de wereld rond me laat bewegen in een krachtige choreografie. Een plastic zak probeert dansend van straat te geraken. Het halflange gras doet een warrige wave. Een geluidsgolf breekt kwetsbaar in de branding van een wolk. Beschreven blaadjes ruisen.De draaglijke lichtheid van het bestaan. Keek je al naar de klassieker American Beauty? Daar blaast de wind hoge tonen. Sierlijk opwaaiende balletblaadjes spelen een hoofdrol in de film die een van de personnages draait. Zo mooi. Voor wie ze ziet. Die alledaagse dingen. Zoals ik. Onlangs nog. De stationsdeur waaide wijd open net toen ik aan kwam stormen. Achter mij viel ze netjes weer in het slot. Ik was uitgelaten. Door de wind als persoonlijk portier. Een magisch moment dat een wit dozijn tevoorschijn toverde. In mijn mond. Vol tanden. Lieverdjes, laat je af en toe omverblazen. Geniet van de kleine dingen, hoe hard en onzeker het leven ook kan zijn. Sluit je ogen bij een goed nummer. Neem alle kleuren van een zonsopgang in je op. Boetseer figuurtjes uit voorbijglijdende wolken. Denk aan een veld vol bloemen als je onder versgewassen lakens kruipt. Geniet van een spinnende gat-in-de-lucht-stekende kat op je schoot. Van versgezette koffie met uitnodigende rooksignalen. Van de waterpareltjes op je glas heerlijk frisse mojito. Van een beetje in de wind zijn na zo’n heerlijk frisse mojito. Van een goed boek met passages die je zo kan kopiëren in je dagboek. Een innige knuffel die je vasthoudt. Een aansluitende onderbroek die niet tussen je billen kruipt. Een mystiek mistige ochtend die bomen aftekent als statige silhouetten. Een onbekende die de deur voor je openhoudt. De lach van een onbekende als jij de deur voor hem openhoudt. Een leuke reactie op je blogpost (wink wink)… Van de onwaarschijnlijk mooie lichtheid van het bestaan. Go wherever the wind takes you.Waai waai! "You can own the Earth and stillAll you’ll own is Earth untilYou can paint with all the colors of the wind"- Pocahontas, Disney

Rien Mertens
76 0
Tip

Ik ben Maurice

Was hij geen kind van zijn tijd geweest, hij had vandaag een gewoon leven gehad, met vrouw en kat en een handvol kleinkinderen in een gezellige hoekzetel. Daar was Maurice van hier tegenover van overtuigd. Maar de loeiharde bominslagen hadden hem destijds van zijn gehoor beroofd, en dus hadden vader, moeder noch schoolmeester veel te zeggen gehad over zijn verdere ontwikkeling. Maurice had zichzelf opgevoed. Hij had alles zelf moeten uitzoeken, met handen en voeten. Bij gebrek aan volwaardige alternatieven had hij meestal zijn eigen goesting gedaan, en daarom was hij nu, op zijn vierenzeventigste, een eigenzinnige eenzaat, in alle stilte op zoek naar zielsverwanten. Elke dag hompelde hij meerdere malen de straat door. Van de voordeur tot aan de bakker, en terug. Daarna naar de krantenwinkel, en terug, terwijl zijn zilveren oorbel wiebelde op het ritme van zijn RoboCop-stap. Elke dag dezelfde weg, telkens weer hetzelfde gewiebel. Te traag om normaal te zijn, te snel voor een mindervalide. Die stuntelige tred, waarvan niemand de precieze oorzaak kende, ontlokte gejank aan kleine kinderen en grote honden, en soms ook omgekeerd. Halverwege de straat durfde hij wel eens halt te houden, om net iets harder dan sociaal wenselijk was “GOENDAG!” te roepen naar buren en onbekenden. Maar zijn bombastische stem blies elke glimlach van je gezicht, hoe goed zijn bedoelingen ook waren. Maurice had er zich bij neergelegd. Hij zou zijn dagen slijten in deze kasseistenen straat, alleen en in stilte. De bommen hadden zijn leven bepaald, en daar viel weinig anders tegen te beginnen dan roken als een Turk en elke weekdag rond tien na acht afstemmen op Thuis, met ondertiteling. Toen er op 7 februari een verhuiswagen in de straat stopte, voor het groene huis met nummer 109, probeerde Maurice zijn tijd te verdelen tussen turen naar de verhuizers en staren naar het tv-scherm. Hij wilde weten of ze op de nieuwsdienst al meer wisten over de gewapende inval bij Charlie Hebdo, maar tegelijk wilde hij niets missen van de onverwachte intrede in zijn straat. Toen hij zag hoe de verhuizers een hoekzetel uit de vrachtwagen laadden, bedacht hij dat hij zich maar beter zo snel mogelijk kon gaan voorstellen aan de nieuwe bewoner, kwestie van zijn reputatie vóór te zijn. Hij wachtte de begintune van het weerbericht af en hinkstapte naar buiten, richting nummer 109. Terwijl hij voorbij het grote gordijnloze raam liep, voelde hij iemand staren. Hij wendde zijn blik en stond oog in oog met de vrouw des huizes. Ze keek zonder hem te zien en duwde een blad papier tegen het raam. ‘Je suis Charlie’, stond er. Maurice voelde de krop in zijn keel aanzwellen. Eindelijk, dacht hij. Eindelijk! Met een maag vol emotie haastte hij zich naar huis. Hij pakte een pen, scheurde een blad van een oude kalender en schreef in hoofdletters op de achterkant: ‘Je suis Maurice’. Met tranen in de ogen trekkebeende hij naar buiten, het blad stevig in beide handen geklemd. Nog even en het gewone leven kon beginnen.  

a little bit of soap
54 3