Zoeken

De stad van mijn dromen

Op blote voeten rende ik door de straten van de stad, asfalt, versierd met droombeelden gecreëerd door mijn onderbewustzijn. Ten prooi gelegd aan de keurende blikken van de voorbijgangers. Het asfalt voelde als een zachte streling aan de onderkant van mijn voeten terwijl ik over donzige witte wolken liep, bewoond door een mysterieus volk. Ik ging voorbij oude kastelen, beschermd door ridders met een streng maar knap gezicht, liep door donkere bossen, met duistere wezens die naar me loerden met hun rode ogen, alsof ze zo tot leven zouden komen, me zouden bespringen en me zouden verscheuren met hun tanden. Ik wendde mijn blik af van de droombeelden die onder mijn voeten voorbijdreven en liet mijn ogen langs de metershoge wolkenkrabbers, volledig gemaakt uit glas, glijden. Ze weerkaatsten het zonlicht, wat voor een kleurenspektakel aan de hemel zorgde. Stralen in duizend verschillende kleuren die over het asfalt streken, de droombeelden een vreemde glans gaven. Mijn voeten bleven rennen, doorheen nachtmerries en donkere schaduwen, doorheen mooie dromen en valleien vol geluk, doorheen dalen van verdriet, over bergen van woede tot ik in het centrum van de stad kwam. Een bruisend centrum, bedekt met zachte kasseien die bespaard waren gebleven van de droombeelden. Andere mensen doolden er rond, een lach op hun gezicht, gehuld in een cocon van geluk die de stad over hen heen had gelegd. Ik keek om me heen, op zoek naar hetgeen waarnaar mijn voeten onderweg waren geweest. Een glans van herkenning dreef mijn ogen binnen toen ik de witte letters zag die boven één van de gezellige cafeetjes waren geschilderd. Mijn hart versnelde lichtjes toen ik over de kasseien liep, richting de ingang van het café. Een jongen op een vliegend skateboard kon me nog maar net op tijd ontwijken, een verwensing naar mijn hoofd snauwend. Auto’s, bevrijd van de zwaartekracht en ronde wielen zoemden voorbij de rand van het stadscentrum waar ze niet waren toegelaten. Mijn hand omvatte het handvat van de houten deur die toegang bood tot het interieur van het café, een nerveus gevoel bekroop me toen ik het handvat naar beneden duwde en de deur openzwaaide. Mijn voeten zakten meteen weg in een zacht tapijt, gemaakt van rode stof. Kaarsen waren uitgestald op dunne planken die tegen de muren waren gezet, de vlammen die erboven dansten wierpen flakkerende schaduwen op de bordeauxrode muren, ze vormden allerlei figuren die ooit in mijn dromen waren voorgekomen. In de ruimte stonden er een aantal ronde, mahoniehouten tafeltjes. Aan de rechterkant stond een bar, het lichte hout bedekt met honderden citaten, elk met een betekenis die ik zo mooi vond dat ze door mijn hoofd bleven spoken en door mijn onderbewustzijn werden geprojecteerd op het lichte hout. Van ver leken het gewoon lijnen die zich over het hout heen bewogen als kronkelende slangen, maar als je dichterbij kwam kon je zien dat het allemaal letters waren die zinnen vormden, gescheiden door een kleine krul voor ze overgingen in het volgende citaat. De barman die achter de toog stond had een lichte baard, groenblauwe ogen en kort, bruin haar. Het toonbeeld van jongens die ik knap vond, maar het was niet hem die ik zocht. Ik liet mijn ogen weer door de ruimte dwalen, op zoek naar de jongen die ik wel zocht, de jongen naar wie mijn hart zo verlangde. Hij zat verborgen in de duisternis, achteraan het café, zijn vingers tokkelend op een schrijfmachine. Het geluid vermengde zich met de muziek die doorheen het café dreef, muziek zonder woorden die leek te versmelten met het geluid van de schrijfmachine, rustig als hij een rustige scène schreef voor zijn boek, opzwepender als hij een spannende scène uit zijn vingers liet vloeien. Het houten parket kraakte lichtjes onder mijn blote voeten terwijl ik naar hem toeliep. Zijn blauwe ogen keken op toen zijn oren het gekraak waarnamen. Een glimlach gleed om zijn lippen toen hij me herkende. Woorden waren overbodig. Hij stond recht uit zijn stoel en strekte zijn hand uit. Met bonzend hart liet ik mijn hand in de zijne glijden, voelde zijn warmte mijn poriën binnendringen. Hij liet zijn schrijfmachine achter en loodste me richting de uitgang van het café. Het begon zachtjes te regenen, maar in plaats van dat de mensen een paraplu tevoorschijn haalden en zich naar hun vervoersmiddel haastten waarmee ze zouden kunnen thuiskomen, verwelkomden ze de regen als een oude vriend. In het midden van het plein, waar aan de rechterkant het stadhuis stond, trots en majestueus, het enige oude gebouw in een stad vol moderniteit, stonden waterpistolen op palen die meteen bemand werden door de kleine kinderen. De regen voedde het reservoir en de kinderen begonnen met water naar elkaar te schieten, helder gelach vulde al snel het centrum. De jongen die me uit het café had geloodst, leidde me dwars over het plein waardoor we besproeid werden door stralen water, afkomstig uit de waterpistolen. We liepen voorbij het stadhuis, voorbij de bibliotheek die als een driehoek in de lucht rees, een glazen wand onthulde duizenden boekenkasten met miljoenen boeken. Voorbij het museum waar de mooiste kunstwerken werden bewaard. Dubbele deuren boden toegang tot de mysteries die in het rode gebouw verborgen zaten. Grijze trappen, bestrooid met enkele droombeelden, leidden naar die dubbele toegangsdeuren. Het rode gebouw rees hoog in de lucht, af en toe onderbroken door een glazen veranda, dat lichtjes uit het gebouw stak en de bezoekers een uitzicht bood over de stad. We verlieten het centrum en bleven lopen, over het asfalt met de droombeelden, tot we het einde van de stad bereikten en door een grote glazen poort, die open stond, liepen. Een houten brug grensde aan de dubbele deuren, bood een veilige overgang over het heldere water dat rond de stad stroomde en allerlei tropische vissen herbergde. Onze voeten denderden over dat hout en we kwamen in een oase van groen terecht. Links, in de verte, zag je een tweede stad liggen, een vage schim die nog bewerkt moest worden door mijn onderbewustzijn. Rechts lag de zee, hoge golven sloegen neer op het gele strand dat net te onderscheiden was van het groen waar onze voeten nu in wegzonken. Hij loodste me verder, tot in het midden van die groene vlakte en keek me toen diep in mijn ogen. Hij boog zich naar voor, twinkelingen glinsterden in zijn ijsblauwe ogen. Het geluid van een alarm drong mijn gehoorgangen binnen. Ik werd wakker. Het geluid van auto’s dreef mijn oren binnen, ik keek uit het raam, naar het grauwe asfalt dat geen enkele tekening weerkaatste. De netten van de realiteit hadden me weer stevig in hun greep.

Quies
16 0

het kanaal

Weer geen enkele vis gevangen vandaag. Zal toch een ander plekje moeten zoeken. Het kanaal is niet meer wat het ooit geweest is. Vroeger ving ik snoeken, baarzen, karpers, meervallen en brasems bij de vleet. Het hele dorp keek naar mij op. Ik won de ene prijs na de andere. Ik leerde mijn vrouw kennen op de jaarlijkse visvierdaagse van Oosteeklo. Ik stond op het hoogste schavot, nam een daverend applaus in ontvangst, zag haar staan bij de frigo's. De manier waarop ze naar de diepgevroren kabeljauw keek, raakte mij diep. Ik stapte op haar af en begon over de verraderlijke stromingen bij hoogtij. Twee uur later lagen we uitgeput in bed. Zou een nieuwe hengel soelaas bieden? Een meer gesofisticeerd ophaalsysteem? Genetisch gemanipuleerde wormen met extra vitaminen en mineralen? Ik weet het niet. Vroeger wist ik alles, twijfelde ik nooit. Nu durf ik met moeite een zebrapad over te steken. Auto's vertragen, chauffeurs geven vriendelijk voorrang, maar nog sta ik te drentelen als een klein kind. Wanneer ik dan toch een been verzet, is de verkeersstroom al lang weer ingezet en keer ik terug van waar ik kom, meestal Café de Smos in de Kerrestraat. Mijn vrouw geloofde al lang niet meer in mij. De eerste jaren was ik haar held, niets kon ik misdoen. Ik reisde de wereld rond, gaf demonstraties, lezingen, workshops. Ik werd gevraagd voor debatten, parlementaire commissies, radioprogramma's. Vanaf het woord vis viel, kwam ik op de proppen. Maar plots kwam de kentering en verloor ik mijn mojo. Jaar na jaar ging het bergaf. De top was zo hoog dat de val tergend lang duurde. Pas vorige week bereikte ik het dieptepunt: mijn vrouw verliet mij voor Jan de Mosselman. Ik gaf bijna over van verdriet. Van frustratie. Van zelfmedelijden. Ik nam mijn hengel en fietste naar mijn plekje aan het kanaal. Daarna leek Café de Smos mij een goede optie.

Maarten Verhelst
0 0

schoendoos

Ik stond op de dansvloer, nog niet zat genoeg om zonder schaamte mijn heupen te bewegen. Ik voelde dat iedereen mij aankeek: de vrouwen, de mannen, Jani Kazaltzis. Deze laatste stapte op mij toe en zei dat ik dringend wat meer zelfvertrouwen moest kweken. Ik zei dat het wel snor zat met mijn zelfvertrouwen, behalve dan op een dansvloer met te weinig alcohol in mijn bloed. Hij draaide zijn ogen tot ver boven de ironiegrens en wees al lachend naar mijn kleren. Ik gaf hem een dreun op zijn neus en verliet onder luid gejuich de parochiezaal van Scheldewindeke. De volgende dag wist ik geen blijf met mezelf. Zou ik naar de slager gaan? Naar de grasmachinewinkel? Of zou ik de hele dag op zolder foto's bekijken van ex-lieven in erotische houdingen? Ja, dat kon nog eens leuk worden. Ik opende het zolderluik, ik knipte het licht aan, ik nam de vijfendertig schoendozen met foto's. Beneden werd er aan de deur geklopt. Ik kroop weer door het zolderluik, stapte de trap af, opende de voordeur. Een vrouw vroeg of ik drie balpennen wou kopen ten voordele van het kinderkankerfonds in Bulgarije. Het kostte maar 15 euro. Ik vroeg of ze kon bewijzen dat het geld effectief naar het kinderkankerfonds van Bulgarije zou gaan. Dat kon ze niet. Ik lachte minzaam, zoals steeds. Terug binnen had ik plots zin om de was op te hangen. Helaas was er geen was om op te hangen. Ik ging naar de buren en vroeg of zij geen was hadden die opgehangen moest worden. Ja, dat hadden ze. Ze hadden zelfs aardbeien die dringend opgegeten moesten worden. Dat ging mij toch een stap te ver. Minzaam lachend keerde ik huiswaarts. Mijn vrouw en kinderen waren ondertussen daar. Ik omhelsde hen innig. Naast mijn vijfendertig schoendozen waren zij tenslotte mijn enige reden van bestaan.

Maarten Verhelst
0 2

TERUG NAAR DE GEBOORTEPLEK

Het vliegtuig maakte een tussenlanding. Hij zat achter een glas pure rum met ijs op een Caribisch eiland te wachten. Een jonge vrouw in witte schort, achtervolgd door een zanikende hummel, liep in het restaurant van tafel naar tafel en vroeg de reizigers of ze hun bloeddruk mocht nemen. Eén dollar. De associatie sloeg in als een snapshot. Als jonge kerel verliet hij Vlaanderen en voer haveloos met een vrachtschip naar de Verenigde Staten van Amerika. Begonnen als letterzetter in een drukkerij leerde hij zijn echtgenote tijdens een campagne voor bloedinzameling kennen. 'Je handen zijn warm', had hij gezegd. 'Je hebt goede aderen. Ik kan de naald er van verre ingooien', antwoordde ze verrast. 'Mag ik volgende week nog eens komen?' 'Je levenssappen moeten eerst terug aangroeien', had ze hem geamuseerd gewaarschuwd. De week nadien troffen ze elkaar in een bar op een vloer die zweette. 'Op de vampier en haar slachtoffer', hief hij schertsend het glas. Kon hij niet dansen zij des te beter. Tijdens de openingsdans op het huwelijksfeest zette hij zich voor de hele zaal te kakken. Naderhand ruilde hij de letters voor de grafische kunsten. Hij was specialist in lithografie toen hij op pensioen ging. 'Passagiers voor Brussel aanmelden aan poort B!'  hoorde hij de luidspreker pal boven zijn hoofd. Hij tuurde door het kleine venster. De boeing vloog een overdekte zaal binnen, wolken tegen het plafond, wolken tegen de vloer en tussenin een holle doorlopende tunnel. De leegte waarin hij terechtkwam na het auto-ongeval was afgrondelijk. Maar hij kon niet zeggen of het met ruimte te maken had dan wel met tijd. In feite was hij drie dagen en drie nachten in coma blijven zweven. Het duurde daarna nog tergend lang eer hij wist dat hij in het ziekenhuis lag en eer hij in staat was naar zijn vrouw, zijn zoon, schoondochter en hun kind te vragen. Een hele stamboom uitgeroeid, kreunde hij nog jaren nadien. De familiekelder waar ze samen gelegd werden noemde hij zijn massagraf. Zijn zoon en kleinzoon wedijverden met elkaar om hem door hun afwezigheid pijn te doen. Hij stond weer alleen in de Verenigde Staten, net als toen hij zoveel jaren terug uit het vrachtschip stapte. Nu pas werd hij er zich van bewust hoe oud hij wel geworden was. Veel tijd was hem niet meer gegund. Hij zat in een op hol geslagen trein, niet te stoppen en die reed met hem recht de dood in. En als hij er nu eens probeerde af te springen? Langzaam aan begon de drang in hem omhoog te kruipen, weg van die trein, teruggaan, in de tijd achteruitkrabbelen, weer kind zijn. Dat moest kunnen als hij maar naar de omgeving waar het allemaal begonnen was weerkeerde. Door op de plaatsen waar het eens gebeurde te gaan staan, zou hij alles opnieuw kunnen beleven.         Het was een klein huis, aan de kant van de straat de 'schone plaats' waar ze nooit inkwamen, daarnaast de eetplaats waar ze leefden, dan de keuken met de groene gietijzeren waterpomp en de kleverige sunlightzeep onder de pompsteen, de wc met het gat in de houten zitplank,  het kippenhok en twee slaapkamers boven. Achter het kriepend poortje van de binnenkoer dat uitgaf op de tuin stond de pruimenlaar. En van daaruit kon hij van de ene in de andere tuin bij de buren lopen. Het poortje van Jeanine stond altijd open. Zo gebeurde het dat hij regelmatig de penis van haar vader met de grijze stoppelsnor zag terwijl  hij stond te plassen. De witte pisbak hing in de bakstenen muur vast gevezen en door roestvlekken half opgevreten. De gele mortel, meer zavel dan cement, sijpelde vergruisd uit de voegen. In plaats van te blijven mikken deed de man zijn hand weg en piste er naast. Zo zag hij de groene ader die door het stijve lid van de vader van Jeanine kronkelde. De man keek niet naar hem, maar hief het hoofd op naar de duiven op het afdakje die vanuit Aras en Saint Quentin prijzen gevlogen hadden.   Aan de horizon zakten de korenvelden in een glooiing en in die gleuf bewoog een onzichtbare trein. Alleen de schouw die zwarte rook uitstootte schoof zichtbaar tussen de halmen voorbij. Vader ging op een bureau in Brussel schrijven, maar ’s avonds plantte hij achter de pruimenboom aardappelen. Als ze in bloei stonden zaten ze vergeven van de coloradokevers. Hij mocht van vader de beesten plukken. Samen met de broer van Jeanine gooide hij de kevers en de paarsbruine gekromde larven in een ovomaltine-doos, de handen vettig van de oranjekleurige ingewandensappen en toen ze vol was staken ze vuur onder de metalen doos. Jeanine was iets jonger dan hij en ze had krulletjes. Hij ging met haar naar het kippenhok. Daar scharrelden acht witte hennen op een weeïg tapijt van keutels met ingeplakte  schavelingen en donspluimen rond. Tussen de starkijkende beesten speelde hij met haar doktertje. Ze was ziek, in het begin niet zonder tegenstribbelen. Ze lichtte toch maar haar rok op. Hij keek in haar broekje en zag onderaan haar spleetje. Met de kurk van een oude  wijnfles, gedoopt in wonderwater, dat hij met een conservenblik uit de regenput vol rode slingerwormpjes geschept had, drukte hij het genezende stempel in haar zachte buik net onder de navel. Daarna mocht zij het bij hem doen. En dan hij weer bij haar, terwijl de kippen een poot halfweg ingetrokken hielden, de glazen ogen wijdopen van verstomming.   Het vliegtuig begon te zenuwtrekken. 'Veiligheidsgordels aangespen', klonk het door de luidsprekers. Spontaan keek hij door het raampje. Misschien viel er iets abnormaal te bespeuren dat de schokken kon verklaren. Maar de krant van de passagier naast hem belemmerde het zicht naar buiten. 'Leraren staken. Scholen staan leeg', las hij de titel van het artikel. En zijn gedachten gingen terug naar de school van zijn eerste levensjaren. Het gebouw stond in zijn herinnering nog vaag overeind: mauve bakstenen vermengd  met witgeblakerde assenschilfers. Arduinen sokkels tot boven zijn hoofd om er gedurende de speeltijd bang tegen aan te leunen wanneer hij een strafbriefje naar huis moest meenemen om te laten ondertekenen. De onderwijzer van het vierde studiejaar stond hem nog het klaarst voor de geest. Een gemoedelijke man, die ’s morgens niet van huis uit vertrok. Wanneer hij op school aanlandde had hij er al een paar uren lijnvissen opzitten. Hij kwam met zijn gerief de klas binnen en beval de leerlingen hun wereldatlas boven te halen. Als taak moesten ze een provincie met een moeilijke naam opzoeken die hij zelf nauwelijks kon uitspreken zonder dat hij bladzijde of werelddeel vermelde. Ondertussen had hij breeduit de tijd om de draden van zijn lijnen te ontwarren en op te bergen. Vis zagen ze nooit. En de provincie met de moeilijke naam ook niet. Hij was niet van de stomste onder de leerlingen en één trimester was ruimschoots voldoende om het hele atlasboek te doorpluizen. En toen begon hij te twijfelen of die provincie wel bestond. Hij had er later ook nooit nog over gehoord.   Op zijn vijftiende zei vader: 'We gaan naar de stad wonen'. Sindsdien was hij nog maar zelden naar het dorp teruggekeerd. Hij ontgroeide het. Je kon niet op je stappen terugkeren, was toen zijn gevoel. Zijn dorp had hij definitief achter zich gelaten. Het was iets voor kleine kinderen geworden, een nest waar hij uitgevlogen was en nooit terugkeerde. Maar nu wilde hij weer jong worden, achteruitkrabbelen om de dood te vlug af te zijn. Een onbekende neef stond hem op de luchthaven op te wachten, een naambordje voor de borst. Zijn voorstel om hem naar zijn geboorteplaats te vergezellen wees hij af. Hij kon moeilijk iemand naar vroegere tijden meenemen, iemand die meer dan een halve eeuw later dan hij geboren was.    'Er is geen station meer in het dorp. Die spoorlijn is jaren geleden afgeschaft. Er bolt wel vanuit de treinhalte van de naburige stad een bus,' waarschuwde de neef hem. Hij zag het stationnetje voor zich met zijn buizenkachel in de winter die tijdens het warme seizoen uitgebroken werd om meer ruimte in de wachtzaal te scheppen. Op de plaats waar hij het meende te situeren stapte hij uit de bus. Er was niets meer te zien. Toch stond hij op de juiste plek, stelde hij vast, want daar liep de oude spoorbedding, een rechtlijnig met asfalt overgoten fietspad. De straten lagen nog op de zelfde plaats, missen kon hij dus niet om het ouderlijk huis terug te vinden. Onderweg groetten de voorbijgangers hem, uit gewoonte, want geen mens kende hem. Hij alleszins geen van hen, hoe hij zich ook inspande om ergens een gelaatstrek te herkennen. Was dit nu zijn straat? Ze was kleiner geworden, nauwer. De tijd doet de dingen krimpen, dacht hij. Misschien kon hij er als kind beter in en uit. Of was het zijn blik die toen niet verder dan enkele huizen reikte waardoor de straat eindeloos leek? Zelfs de weg naar school in het centrum van het dorp was telkens een wereldreis. Het huis was niet te vinden. Er liepen haast geen mensen op straat. Enkelen hadden nog gehoord van de familie, maar waar het huis stond, geen idee. Toch wou hij het niet opgeven. Aan de overkant van de straat duwde een vrouw haar fiets naar buiten. Ja, ze wist er nog van en wees in de richting van een gevel die er niet op leek. Toch maar de kans wagen. De bel klonk luid in de gang.   'Is het voor een bestelling?' vroeg een jongetje van zeven.  Het leek hem of  die snotaap net met Jeanine uit het kippenhok gekropen was. Aandachtig keek hij toe of hij geen donspluimen aan zijn zolen meesleepte en voelde plots warmte van binnen.   'Ik kom van ver', antwoordde hij met zijn Engels accent. 'Mama, een vreemde meneer', riep het jongetje en liep terug naar binnen, een afgedane zaak voor hem. 'Als dit het juiste huis is, ben ik hierboven geboren', zei hij vol verwachting. De terughoudendheid van de dame maakte plaats voor nieuwsgierigheid. Ze bevestigde dat de naam haar bekend voorkwam, uit de akte. 'We hebben het afgekocht van een eigenaar die het van uw familie zal gekocht hebben.' Ze liet hem binnen. Hij voelde de neiging om zich te bukken. Het interieur was niet meer te herkennen. 'Toen we het aanschaften was het nagenoeg een krot. We hebben muren uitgeslagen en de hele woning gerenoveerd'. 'Het kippenhok', zei hij bijna fluisterend.   'Nooit gekend. Kom maar mee', zei ze en stootte een metalen deur open, waar vroeger de keuken was. In plaats van op het binnenkoertje uit te komen stapte hij een ruime zaal vol tekentafels in. 'Het architectenbureau van mijn man', legde ze uit. Hij liep naar het einde van de zaal. 'Hier moet de pruimenlaar gestaan hebben', mat hij met de ogen en keek naar de blinkende tegels. Door een venster aan de zijkant probeerde hij de korenvelden met de glooiing terug te vinden. 'Daar beneden reed vroeger een trein, maar ze hebben de spoorlijn uitgebroken', zei ze. 'Weet ik', antwoordde hij en zijn stem klonk nu indroef, want ook de korenvelden waren verdwenen. Er stond een indrukwekkend plat gebouw. 'Een grootwarenhuis. Voeding,' verduidelijkte ze. Opeens werd het hem te machtig. Hij moest er bij gaan zitten om niet weg te draaien. De vrouw haastte zich om een frisdrankje te halen. 'De plek waar ik geboren ben en als kind rondgelopen heb, bestaat niet meer,' wist hij nu. Zijn ouders zijn er ook niet meer. Die liggen begraven in de stad. En Jeanine en haar vader met de stijve penis en de coloradokevers en de schouw van de trein tussen de halmen. 'Het is er allemaal niet, hier toch niet,' kreunde hij met de handen stevig op de knieën steunend. 'Waar dan wel? Wat maakt dan dat dit terrein mijn bakermat zou zijn? Het staat zelfs niet meer op de zelfde plaats als toen, want de aarde is intussen al miljarden kilometers verderop geschoven in het heelal. Is er dan nog iets dat maakt dat dit het stuk aarde is waar ik begonnen ben? Er moet toch ergens een referentiepunt zijn. Alleen maar het feit dat deze grond op de aardkorst toen en nog vandaag even veel kilometers van mijn villa in de Verenigde Staten verwijderd ligt? Of zou het toch de tijd zijn die mijn geboorteplek verplaatst heeft? Maar waarheen dan? Naar tachtig jaar verderop?' De vrouw schrok toen ze hem zag. 'Je ziet er verschrikkelijk beroerd uit. Zal ik een ziekenwagen opbellen?' riep ze. 'Niet meer nodig,' hijgde hij en zakte door zijn schouders. Hij probeerde haar aan te kijken, maar kon nauwelijks zijn hoofd oplichten. 'Ik ga sterven. Ik heb het willen uitstellen, terug van voor af aan beginnen. Maar het lukt niet,' murmelde hij en viel opzij aan de voet van de pruimenlaar.

Guido De Schrijver
0 1

Alles Is Mislukt

Ik zag het. Ik zag het in de lijnen in mijn gezicht die dieper waren dan de dag ervoor. Ik zag het aan het gezicht dat me in de spiegel aanstaarde. Ik had het moeten weten. Ik had me moeten ziek melden. “Sorry mevrouw de receptioniste, ik kan niet komen, de groeven in mijn gezicht wijzen op onheil”. Maar het was donderdag. De derde donderdag van de maand. Het wat woelig slapen was waarschijnlijk te wijten aan de opwinding dat deze avond zou komen. Het was niet de eerste keer dat ik wat nerveus sliep voor de derde donderdag van de maand. Ik boog me voorover en gooide het koude water dat uit de kraan gutste over mijn gezicht. Ik poetste mijn tanden in zeven ronddraaiende bewegingen per tand. Op de tand, zijdelings en dan de binnenkant. En schraapte op het eind mijn tong. Legde mijn haren goed. Vouwde de handdoek in 2 en drapeerde hem op het rekje. Deed mijn hemd en broek aan en liep de woonkamer in. Één, Twee en Drie, mijn katten begroetten me zoals altijd hartelijk. Luid spinnend, ronkend en vleiend. Alsof ik de hele winter had geslapen. Twee sprong de keukenkast op met een tijgersprong terwijl Één en Drie rond mijn benen draalden. Ze miauwden in koor als ik de koelkast open deed en hun eten eruit nam. Ik voelde met wat neerslachtig die ochtend. Had het te maken met de vermoeidheid? Toen de katten luid schransend zaten te eten moest ik denken aan vroeger. Aan de speelplaats. De andere kinderen joelden door elkaar, liepen heen en weer, speelden met elkaar. Ik zat meestal op de bank, het hele schouwspel gade te slaan. Neen, populair had ik me nooit gevoeld, al werd ik nooit zwaar gepest. Ik had ook nooit populair willen zijn. Het leek me een immense druk om daar mee te moeten omgaan. Rond mijn 14e levensjaar begon mijn levensfilosofie vorm aan te nemen als een standbeeld dat tevoorschijn komt uit een rots. Toen ik voor de zoveelste keer uit de boot viel. Omdat ik geen merkkleren droeg, niet de juiste schoenen droeg, niet de juiste hobby’s had, niet de juiste hippe woorden van het moment gebruikte, mijn haren door de wind verkeerd lagen, of wie weet welke reden dan ook de andere kinderen verzonnen om iemand uit te sluiten. Ik was niet onknap of arm. Mijn ouders waren gemiddeld welgesteld. Een keurig burgerlijk gezin. En ik had mooi dikke zwarte haren en doordringende bruine ogen. Een rond gezicht met misschien een te grote neus die wat uit de toon viel. Maar het versterkte wel mijn gezicht. Ik straalde karakter uit. Zo verwoordde een tante het eens. Al voelde ik het niet zo. Want sterke karakters zouden zich niet zo druk maken om futiliteiten zoals ik. Maar ik wilde gewoon rust, genieten van het leven. En zijn wie ik was. En me vooral niet bezighouden met de complexe sociale pikorde van de school. Maar toch was er altijd commentaar. Ondanks ik me neutraal opstelde werd me altijd duidelijk gemaakt om welke reden ik er die dag niet bij hoorde. Het was een vermoeiende aangelegenheid om aanvaard te worden. Of om gewoon gerust gelaten te worden. Het was vermoeiend om mens te zijn. Met de dieren ondervond ik geen problemen. Bij mijn ouderlijk huis had ik Balthazar de kater, Pekkels de hond, Tsjilp de parkiet en een toom kippen. Ongeacht hoe ik er bijliep, welke kleren, schoenen of zelfs als ik 5 dagen mijn ondergoed niet had ververst. Ze waren altijd blij mij te zien. Zij wezen niet naar mij met een priemende vinger. Zij sloten mij nooit uit. Zij namen het me niet kwalijk dat ik een woord uitwisselde met het meest gepeste kind van de school. Ze zeiden niets. Ze gaven alleen maar te kennen dat ze blij waren dat ik er was. En ik was gelukkig. Ik en de dieren. Geen complexe sociale verhoudingen, geen jaloezie, geen achterbaksheid,… Als de mensen zo waren, als de mensen zich zo gedroegen, neen, dan hoefde het niet voor mij. Dan ging ik liever anoniem door het leven. Ik en de dieren. Ik had geen mensen nodig. Een bewuste keuze die ik me 30 jaar later nog steeds niet beklaag. Ik had niet de moeite genomen om verder te studeren. Op school wisten ze in het 6e middelbaar al wie ik was. Of wie ik niet was. Een schim. Iemand die niet waard te vermelden of te pesten is. Het had tijd en moeite gekost. Een paar psychologen met gefronste blikken waren de revue gepasseerd. Ze waren met aandrang gestuurd door mijn bezorgde ouders. Maar een gelukkig asociaal kind kan je natuurlijk niet veel verwijten. Opnieuw het school proces doorlopen in de hogeschool of universiteit met de hippe vogels, de trends, de sociale groepen? Altijd was er wel een vakje aan te vinken. En in dat vakje wilden de mensen je dan stoppen. Neen. Ik had het zorgvuldig uitgestippeld. Met een job bij de overheid zou ik genoeg hebben om rond te komen om ergens alleen te wonen. Zodat ik een leven kon leiden in de schaduw. Een rustig rimpelloos leven. En natuurlijk enkele katten zouden daar deel van uitmaken. Mijn lievelingsdieren. Ik had ze Één ,Twee en Drie genoemd. Ik wou ze niet noemen zoals de katten bij mijn ouderlijk huis. Geen vermenselijking voor mijn katten. Ook daarom had ik er drie. Er waren er 3 over in het nest en ik wou geen keuze maken. Geen keuze maken zoals de andere mensen maken. Hij is toffer, dus jij niet. Hij is schattiger, dus jij niet. Hij is speelser, dus jij niet. Een job had ik vrij spoedig gevonden bij het Ministerie van Financiën. Stavingstukken in het systeem inbrengen of wijzigen. Dat was de jobomschrijving. En dat was ook wat ik hele dagen deed. Om dan keer op keer de stukken te bewaren met de toetsencombinatie Ctrl+Alt+F4. Ik was er heer en meester in geworden. Niemand kon zo snel als ik stavingstukken inbrengen of wijzigen in het systeem. Al maakte mijn snelheid van uitvoering me niet echt populair bij de collega’s. Typische ambtenaren die het credo “traag is goed” naleefden. Maar het gaf me toch enige houvast. Zeker in de continue veranderde tijden. De systemen werden vervangen door nieuwe systemen en dan weer door nieuwere systemen. Maar ik bleef de meester van Ctrl+Alt+F4. Ik en niemand anders. Oude stukken moesten opnieuw ingebracht worden, gewijzigd en bekeken worden. Een taak die mij na een decennia exclusief werd toebedeeld. Er was wel een keerzijde aan waar ik me nooit comfortabel heb gevoeld. Met de systemen veranderen ook de computers waarop de systemen draaiden. Van groot naar klein. Maar ook van wit naar zwart. Het systeem waarmee ik werkte draaide alleen nog op een oud type computer. Het gevolg was dat de werkvloer een zee van zwarte computers was, met in het midden, als enige een uit de kluiten gewassen witte computer. Als een omgekeerde kankervlek. Te opvallend in ieder geval. Mijn collega’s lieten me gelukkig begaan. In de beginjaren waren er toenaderingspogingen geweest, bespiedende blikken, vragende blikken, uitnodigende blikken. Maar langzaam aan, met het tikken van de klok hadden ze, net als op school, door dat ik gelukkig was. Gelukkig alleen. Drie draaide rond mijn been. Ik schrok wakker uit mijn overpeinzingen. Ik moest doorgaan en met haast. Een trein wacht niet. Ik trok snel mijn zwarte lederen schoenen aan. En haalde mijn groene jas van de kapstok. Mijn trouwe groene jas. Die al wat uitgerafeld was aan de mouwen. Maar hij zat me als gegoten. En winkelen, meer bepaald keuzes maken betreffende profilering deed ik niet graag. De woonkamer waar ik in stond had ik ook zo uit de toonzaal van Ikea gehaald. Ik had in Ikea rondgelopen en begon te meten welke opgestelde toonzaal van woonkamers er in mijn appartementje paste. Toen ik een woonkamer met de goede afmetingen had gevonden, begon ik naarstig alle nummertjes van de verschillende artikelen op te schrijven met het veel te kleine potloodje dat de woonketen voorzag. Terwijl de mensenmassa rond mij zich wentelde in hun wonderlijke meubelen biotoop Mijn woonkamer leek nu uit een designer blaadje te komen. Het liet me koud. Enkel het Perzisch tapijt op de vloer viel wat uit te toon. Maar mijn katten waren er zeer tevreden mee. Het miezerde en waaide buiten. Met gebogen hoofd reed ik op mijn fiets naar het station. Beukend tegen de wind langs een typisch Vlaamse steenweg bezaaid met een root huizen terwijl de ene na de andere vrachtwagen voorbijraasde. Toen ik nat geregend aankwam aan het station en mijn fiets in de voorziene stalling plaatste, kwam de trein al luid piepend en knarsend tot stilstand. Een minder fijn ochtendgeluid dan dat van mijn katten. Ik zocht snel naar mijn plekje in de laatste coupé, derde bank rechts met het gezicht richting Brussel. En begon de krant te lezen. Dit deed ik elke morgen. Om elke morgen te bevestigen dat ik 30 jaar geleden de juiste keuze had gemaakt. Toen de trein halt hield in Brussel-Noord en ik uitstapte, liet ik me meevoeren in de mensenmassa. Als een school vissen waarin de middelste exemplaren niet moesten nadenken over de richting maar hun voorganger moesten volgen. Deze school leidde me steeds van de trein tot aan mijn werk. De receptioniste zei zoals altijd vriendelijk goeiedag. Ik knikte. Stapte snel de lift in en drukte op acht. Op de achtste verdieping liep ik snel naar mijn bureau. Eindelijk wat rust en ik begon met een kop koffie aan mijn dagtaak. Een vers stapeltje stavingstukken, netjes geprint op A4 en zo een 35cm hoog. Stond al naast mijn bureau op een karretje. Gelukkig maar, zo zou de dag rap om zijn. Zoals elke derde donderdag van de maand voelde ik me lichtjes gespannen en opgewonden. En zoals elke derde donderdag van de maand zal ik deze avond naar huis gaan met een schuldgevoel. Waarna het schuldgevoel langzaam wegebt en ik de volgende maand terug gespannen en opgewonden aan mijn derde donderdag begin. Maar ermee ophouden wou ik niet. Ondanks het stapeltje werk kabbelde de dag traag vooruit. Er hing iets in de lucht. Ik had het moeten weten. Toen de klok eindelijke vier uur aangaf slaakte ik opgelucht een zucht. Ik sloot mijn krakende computer af en liep naar buiten. Ik glimlachte. Zoals altijd op deze dag in de maand ging ik niet rechtstreeks na het werk richting het Noordstation. Eerst stopte ik bij de broodjeszaak om de hoek voor een kleine hap. Meestal een martino met extra augurken op een wit broodje. Hierna ging ik de tunnel onder het Noordstation door aan het Solvayeplein. Deze kwam uit op de Aarschotstraat. In deze straat bevond zich mijn geheim. Mijn schuldgevoel. Het bewijs dat ik ondanks mijn afkeer ervan ook maar een mens was. Ik had er niet naar gezocht. Het was een bizar toeval. Toen ik op zoek was naar een goedkoop dik tapijt, waarop de katten zich warm konden neervlijen ging ik naar de Brabantstraat. Waar enkele winkeltjes degelijke import Perzische tapijten aanboden. Dit wist ik uit een schreeuwerig foldertje dat achteloos in de hal van het Noordstation rondslingerde. Het had de ronkende titel “Perzische tapijten zijn het mekka van de tapijten”. Het had niets dan lof over de kwaliteit van Perzische tapijten. Aan de rommelige en aftandse winkeltjes te zien was dit blijkbaar nog niet echt algemeen geweten. Toen ik na niet zo lang zoeken er één op de kop had getikt. Keerde ik terug via de Rogierstraat om vervolgens de Aarschotstraat te nemen richting het Brusselse Noordstation. Ik kon ook opnieuw via het Solvayeplein gaan naar het Noordstation. Maar zoals ik al zei het was een bizar toeval. En toen ik nog geen 10 meter ver was in de Aarschotstraat zag ik haar zitten. Met beide benen gekruist over elkaar. Een sigaret in haar rechterhand. Wezenloos voor zich uit te staren. Ik weet niet waarom ik als aan de grond genageld bleef staan. En wat me bewoog in haar richting. Het konden haar brede heupen zijn die me deden denken aan mijn moeders heupen. Het kon haar mond zijn die zich keer op keer hard sloot om de sigaret. Het kon haar kanten paarse lingerie zijn die haar huid een warme gloed gaf. Ik weet het niet. Ik stak blindelings de straat over en stapte binnen met het Perzisch tapijt gekneld onder mijn armen. Ze keek wat vreemd op. Een soort blik die ik al gewend was. Wat een raar mannetje zag je haar denken. Ze vroeg wat ik wilde. Ik haalde mijn schouders op. Ik wist niet wat ik daar deed in de naar zeemzoete parfum geurende inkomhal. Ze kwam van haar stoel en stapte op me af. Ze was verrassend klein, nauwelijks één meter zestig. Ze had een spitse neus. Ik kon moeilijk raden hoe oud ze was door de dikke laag fond de teint. Ze haalde haar blonde haren van haar schouders en stak deze in de lucht om dan weer op haar schouders te laten vallen. Het hoertje glimlachte naar mij, pakte mijn linkerhand vast en leidde mij langs het gordijn naar binnen in een kamer omgeven door een troosteloos bloemetjesbehang. Ik legde mijn tapijt op de vloer en liet me ondergaan. Ik wist niet wat me overkwam. Hoe warm en teder het was. Niet dat hoeren per definitie teder zijn. Maar deze vrouw die als broodwinning voor prostitutie had gekozen wist blijkbaar welk vlees ze in de kuip had. En hoe ze dit vlees wist te behagen. Tedervol te zijn maar toch op een degelijke afstand zonder mij te beklemmen. Sindsdien ging ik elke derde donderdag van de maand bij haar langs. Omdat het toen de derde donderdag van de maand was. Stipt om vijf uur. Ik kende haar naam niet, zij kende mijn naam niet. Er werd niet veel gepraat. Maar praten hoefde ook niet. Het ging om de vleselijke warmte. Aan sociaal contact had ik geen behoefte. Toen ik die dag in de Aarschotstraat kwam was het zoals gewoonlijke een heen en weer geloop van mensen. Mensen met hun handen diep in de zakken, met hun blik schuin naar één van de rood opgelichte ramen. Toen ik bij haar raam aankwam verstijfde ik. Het raam was leeg. Dat was nog nooit gebeurd. Ik keek op mijn horloge, vijf voor vijf. Misschien was ze nog aan het werk met een andere klant. Een andere man. Ik mocht er niet aan denken. Ze was een hoer, maar de gedachte aan andere mannen die haar beroeren kon ik niet aan. Het was één van die gedachten die ik niet begreep van mezelf en ook niet wou verklaren. Ik wachtte vijf minuten. Nog steeds was ze niet te zien. Altijd wachtte ze in haar raam, ze hield ze zich vrij voor mij. Als iemand binnenkwam tegen vijf uur weigerde ze. Het was een soort stilzwijgende overeenkomst. Ik gaf haar ook altijd iets extra, “verwen jezelf eens goed”, zei ik dan. Dat deed ze dan waarschijnlijk met sigaretten en drank. Vertwijfelend stak ik de straat over. Even blindelings als de dag dat ik voor de eerste keer naar haar raam toeliep. De deur stond op een kier. Vreemd. Toen ik mijn oor naar de deur toebracht hoorde ik een gedempt gekreun binnen. Mijn hand legde zich op de klink en duwde de deur zachtjes verder open. Voor ik het zelf goed en wel besefte schuifelde ik de gang in als een koorddanser. Stap voor stap naar het gordijn van haar kamer toe. Het gedempt gekreun bleef aanhouden. Ik legde mijn vinger op de scheiding van het gordijn. En gluurde voorzichtig naar binnen. Wat ik zag deed me verstijven. Een naakte man zat bovenop haar, en ging op en neer terwijl hij een kussen strak om het gezicht van het hoertje had gekneld. Zijn knokels zagen wit door de druk die hij uitoefende op het kussen. Het hoertje spartelde tevergeefs met haar benen. Haar vuisten beukten in op de rug van de man. Maar dat leek geen enkel effect te hebben. Vertwijfelend keek ik naar het schouwspel. Mijn hart ging als een razende tekeer. Ik moest dit stoppen. Op het kleine bijzettafeltje naast het gordijn stond een groteske glazen asbak in de vorm van een zwaan. Voor ik het goed en wel zelf besefte had ik de nek van de zwaan stevig omkneld en zetten een stap naar binnen. Met volle kracht wierp ik de asbak met een oerkreet richting de naakte pompende man. Alsof ik al jaren in Major League Baseball meespeelde. De asbak trof de man met volle kracht op het achterhoofd. De man schreeuwde kort en fel. Hij zeeg neer als een zandzakje dat van zekere hoogte valt. Het kussen trok hij mee in zijn val. Ik zag het paarse gezicht van het hoertje. Ze kreunde niet meer, ze bewoog zelfs niet meer. Ze lag roerloos op het bed. Ik kijk naar beneden, naar de mensenzee onder mij. Het gekronkel van de mensen die op deze hoogte stipjes lijken. Gekronkel als een mierenhoop. Continue werkend en de hiërarchie bevestigend. Ik zet mijn voeten tot op de rand. Mijn tenen krullen spontaan. Een spanning trekt over mijn hele lichaam. Alles is mislukt. Mijn levensfilosofie die ik de voorbije 30 jaar heb opgebouwd is voor niets geweest. Het heeft tot niets geleidt. De man die ik had uitgeschakeld met een kracht en overtuiging die ik nooit in mezelf had gezien bleek een serieverkrachter te zijn. Een man die de laatste jaren hoeren verkrachtte en versmoorde met een kussen. De politie trachtte hem al jaren te vatten. Tot ik, op het juiste moment gezien door de ogen van politie, de man op heterdaad betrapte en hem uitschakelde. Van de ene dag op de andere dag was ik een held. Een volksheld. Een bekend figuur. Mijn foto, een oude foto van in de begindagen op het Ministerie van Financiën, stond in het groot op de voorpagina’s van alle kranten. Ik verscheen in het journaal. Werd opgebeld door journalisten voor interviews of gevraagd voor verscheidene TV-optredens. Overal werd mijn heldendaad op een lyrische manier beschreven. Het hoertje zelf had het overleefd en vertelde honderduit over mij in de media. Ze verscheen zelfs live op televisie vanuit haar ziekenbed. Dit alles waarschijnlijk tegen goede betaling. Iedereen kende me nu. Toch was ik nog overtuigd, waarschijnlijk in een laatste koppige stuiptrekking, dat dit alles misschien maar een rimpel was in mijn leven en het misschien zou overwaaien door dit alles lang genoeg te negeren. Toen ik daarnet terug aan het werk ging en de lift uitkwam op het achtste verdiep en richting mijn bureau stapte ging iedereen op de werkvloer opeens rechtstaan en begonnen ze simultaan in hun handen te klappen. Een staande ovatie. En toen besefte ik dat alles mislukt was. Een gelukkige eenzaat die bewust niet met het menselijke gedoe betrokken wou worden voorbij was. Er was een onomkeerbare ommekeer. Ik was nu bekend en op handen gedragen door zoveel mensen. Anonimiteit bestond niet meer voor mij. Mensen zouden nu fluisteren en stiekem naar mij wijzen. Niet omdat ik een raar mannetje in een groene jas was. Maar omdat daar een onverschrokken man stond. Die een serieverkrachter kon uitschakelen met één precisieworp van een asbak. En een hoerenloper, laten we dat ook niet vergeten. Ik had me omgedraaid toen iedereen spontaan begon te applaudisseren en snelde terug de lift in. Ik drukte op de knop met het cijfer 17. Toen de lift was aangekomen op de bovenste verdieping stapte ik uit en nam de trap die leidde tot het dak. Hier sta ik dan. Ik schuifel mijn voeten nog wat naar voren zodat mijn tenen voorbij de rand zijn. Een wind jaagt door mijn haren. Ik sluit mijn ogen. Als ik dan toch moet opgenomen worden in de mensenmassa dan maar letterlijk. Ik laat me naar voor vallen.

Tim Berghman
0 0

IMPACT

Hey liefje, ik bevind me op ons plekje, zit opnieuw aan ons vertrouwd tafeltje. Je weet wel, onder de grote palmboom die jij zo geweldig vindt. Het voelt best een beetje vreemd, ietwat onwennig aan, om hier nu zo op mijn eentje te zitten. Ergens heb ik het gevoel dat jij nog steeds bij me bent. Ik denk niet dat de mensen rondom mij iets doorhebben. Ze zijn allemaal druk aan de babbel, schenken me nauwelijks aandacht. Ik ben de enige zonder gezelschap hier. Maar herinneringen aan de levendige gesprekken die we hier ooit voerden houden me stiekem gezelschap. Het lijkt alsof het gisteren was.   Ik heb de rijstschotel genomen, met de pikante chilisaus. Weet je nog liefje, nummer 58, je favoriete gerechtje. Natuurlijk weet je dat ik zelf geen fan van rijst ben, maar toch heb ik er nu voor gekozen, zo voel ik me nauwer met jou verbonden. Maar weet je liefje, al bij al voel ik me niet eens zo slecht. Er is natuurlijk nog steeds die pijn, een pijn die zich niet laat beheersen. Die zal wellicht nooit verdwijnen, zoals het hoort. Ik vind echt dat het zo hoort lieve schat. En jij liefste, voel jij nog altijd pijn? Wat was die klap toch oh zo vreselijk, ik kan me nauwelijks de pijn van de impact inbeelden.   Best grappig liefje, schuin tegenover me, maakt een koppeltje met fluisterende stemmen ruzie. Ze zitten net te veraf om te horen waarover het gaat, maar zij ziet er alvast niet gelukkig uit. Het doet me denken aan de laatste keer dat wij hier zaten, hier aan ditzelfde tafeltje. Weet je nog liefje, onze laatste ruzie? Toen jij me vertelde over je collega Mark, en over hoeveel spijt je wel niet had. Zou iemand ons toen in het oog hebben gehouden? Zou iemand je valse tranen hebben opgemerkt? Wat kostte het me toen immens veel moeite om mijn rust te bewaren. Maar je weet dat ik niet van scènes houd liefje, dat weet je toch nog?   Als ik er nu aan terugdenk, voel ik opnieuw hoe het bloed me uit het hoofd wordt gezogen. De gedachte aan jou met die achterbakse onderkruiper vind ik nog steeds ondraaglijk. Met alle mannen, maar moest het nou werkelijk met dat reptiel van een Mark? Zal het koppeltje er ook in slagen om rustig te blijven liefje? Haar gezicht ziet lijkbleek, net als ik toen, wellicht zoals jij nu. Uiteindelijk doet het er niet toe of ze al dan niet rustig blijven. Niet zoals jij ertoe deed. Want dat weet je toch he liefje, dat jij er altijd wel toe deed? Vergeet dat niet lieve schat, vergeet dat alsjeblieft nooit. Kan jij nog vergeten?   Met je zus gaat alles goed. Het was voor haar natuurlijk ook een shock, dat kan je raden. Maar we hebben troost gevonden bij elkaar. Is dat niet ironisch liefje? Jouw onkreukbare zus, diegene die jou altijd waarschuwde voor mij, net zij zocht troost in mijn armen. In mijn sterke armen, waar ze zich veilig waant, zei ze me onlangs nog. Ik denk niet dat ze het weet liefje. Ik denk niet dat zij weet waartoe deze sterke armen in staat zijn. Enkel jij weet dat liefje, wist je dat? Verbaasde het je liefste, de kracht die ervanuit ging?   Dat heb ik me altijd afgevraagd, of je de klap ook echt hebt gevoeld. Die vreselijke klap liefje, hoe voelde die? Kan je me dat vertellen? Heb je hem daadwerkelijk gevoeld, of was je er meteen door verdoofd, alvorens je iets voelen kon? Ik hoop echt dat je niet hebt geleden liefste, althans niet zo hard als mij. Daarvoor heb ik je veel te graag gezien. Dat weet je. Weet je dat liefje?   De rijstschotel is echt niet te vreten. Nooit begrepen wat je daar zo lekker aan vond. Maar dat gevoel had ik wel bij meerdere zaken van jou. Laat ik maar huiswaarts gaan, naar je zus die op me wacht. Ze vermoedt echt niets, die lieve, norse zus van jou. Echt liefje, ze weet niet waartoe mijn armen in staat zijn. Enkel jij weet dat liefje, enkel jij. Wat was het toch een vreselijke klap.

Daniel De Weerdt
33 0

de tandarts

In deze seculiere tijden zijn er nog maar weinig functies of beroepen die ons ontzag inboezemen. Gelukig troont er nog altijd 1 figuur bovenuit - god en duivel verenigd in 1 persoon: de tandarts. De geneeskrachtige, verlossende eigenschappen die wij, stervelingen met tandpijn, hem of haar toedichten zijn van een bovenaardsheid die zelfs het opgetelde bevattingsvermogen van god, boeddha, allah en thor overstijgt. Die klinisch witte schort, die futuristische toestellen, die diploma's aan de muur, die astronomische facturen: bij zoveel bovenmenselijkheid rest ons alleen onderdanigheid en een schietgebedje. Hier leer je weer de overgave, je legt je lot in de mijnwerkershanden of spichtige vingertjes van krachten die je verstand te boven gaan - gaatjes heten hier cariës, de hondsdolheid loert achter het behang.  Wanneer ze erop los ratelen kijk ik diep in hun ogen - zowat het enige object in mijn blikveld. Terwijl de tovenaar zich met pikhouweel, beitel en hogedrukreiniger een weg wroet naar de zingevende zenuw van mijn bestaan, hoop ik een reflectie van de schepper te kunnen opvangen in de iris van zijn aardse vertegenwoordiger. Hoe dieper hij boort, hoe groter het mysterie en de factuur. Ik heb maar weinig geluk gekend bij deze intieme handelaars in mondhygiëne. Eens de verdovende middelen zijn uitgewerkt, volgt de ontnuchtering. Het witte licht aan het eind van de tunnel bleek niet meer dan de verblindende tandarts-lamp. Bij mijn vorige bezoek kwam ik terug met een tranend lodderoog en een neus die op springen stond. Die daarvoor zadelde me op met een ontsteking waar die andere witte schort, apotheker genaamd en doorgaans een wandelende reclamezuil voor antidepressiva, zowaar vrolijk van werd. Maar ik weet dat deze beproevingen slechts dienen om mijn geloof te testen, en versagen doe ik niet. Mijn laatste tandartsbezoek is dan ook een vervolgverhaal. Zij ziet haar hele wereldbeeld gekanteld. Of de zenuw is zeer levendig en verstopt zich, of de zenuw is daarentegen zeer doods en afgestorven. Of de wortelkanalen zijn verkalkt, of ik speel met haar voeten. In elk geval, het komt erop neer dat ze bloed wil zien en dat mijn tanden haar dit genot onthouden. Het gezag is ontsteld, de woede kanaliseert zich in haar kloppende halsslagader. Bij het weggaan hoor ik een orgastische, wellustige kreet, als van een jakhals met tandpijn. Ik werp een blik in de wachtkamer en knik steungevend naar de volgende, berouwvolle gelovige. Op de gang wijk ik uit voor de vijfliterflessen javel. Een beetje tandarts verwelkomt je met een bebloede schort.

Guy Bourgeois
43 1

Monsters | Oneshot

   Prologue De monsters zijn overal. Misschien wil je het niet geloven, maar ik kan ze zien. Ik zag ze, de echte monsters en degene die monsters geweest waren. De angst weerhield me ervan om te worden zoals hen, maar het zal niet lang duren voor ze zelfs dat van me wegnemen. Ze hebben al alles gestolen, nu moeten ze mijn leven ook nog hebben.    1.   Story Toen ik eindelijk weer een stuk verharde weg onder mijn voeten voelde in plaats van de drassige bosgrond en de planten die de huid van mijn benen openhaalden, raakte de auto me. Ik had de koplampen niet gezien en ook de motor was onhoorbaar. Toch was die auto daar en kwam hij uit het niets. Ik vloog enkele meters verder en belandde met mijn rug op de harde weg. Een man greep me en droeg me in de kofferbak. De klep ging dicht en ik kon niets meer zien. Ook mijn oren zaten vol bloed en ik hoorde enkel nog vervormde geluiden. Mijn hoofd bonsde terwijl het bloed over mijn voorhoofd stroomde. Ik kon me niet bewegen. De honden achtervolgden me nog steeds. Ze hadden me uit huis gejaagd, het bos in. Ik rende uren lang, maar ze vonden me terug, elke keer. Hun ogen roodgloeiend en met schuim dat uit hun bek kwam. Ze joegen me steeds verder het bos in, over beekjes en heuvels tot ik de weg bereikte. De beelden werden wazig in mijn hoofd, alles werd een grote wolk waar regen langzaam uitsijpelde.  Uiteindelijk werd alles zwart en voelde of hoorde ik niets meer. Enkel nog de bedwelmende stank van de kofferbak hield me bij bewustzijn tot ook dat verdween.   Ik werd wakker op een metalen bed dat alles behalve comfortabel lag. Toen ik mijn hoofd probeerde op te tillen, voelde ik de pijn in mijn nek die me daar meteen van weerhield. Ook mijn zij voelde aan alsof het in brand stond en mijn hand was helemaal verdraaid. Ik kneep mijn ogen dicht tegen de pijn en luisterde naar de voetstappen die ineens zeer duidelijk hoorbaar waren. “Ze is wakker,” zei iemand met een lage stem. Het geluid van een openschuivende deur, meer voetstappen en nu ook twee andere stemmen. “Ze ziet er zwaar gehavend uit.” “Zorg maar dat ze is opgeknapt tegen morgenochtend.” Een hand die mijn arm ophief. Ik opende mijn ogen en keek recht in die van een oude magere man met wild grijs haar en een ronde dunne bril die helemaal bevlekt was. Hij bekeek mijn pols, draaide hem om en ook mijn handpalm kreeg een inspectie. Met een zucht legde hij hem weer naast mijn bewegingloze lichaam neer en trok de stof rond de wond in mijn zij naar boven. Ik hield mijn adem in om het niet uit te schreeuwen van de pijn. “Ik zal haar moeten meenemen naar mijn lab, dit kan ik hier niet behandelen. Moesten jullie haar echt zo toetakelen? Het is niet de bedoeling dat ze doodgaat!” mopperde hij. “Ze kwam uit het niets. Ineens stond ze op die weg. We hadden haar niet gezien,” zei de eerste stem die toebehoorde aan een man van hooguit 30. Hij had me aangereden. Hij had me van de weg gesleept en in de kofferbak gestopt. Ik rilde en ademde met korte halen. “Moet dat echt? Kun je haar niet gewoon hier laten?” De man kwam net binnen. Aan het gezicht van de oude dokter te zien was dit zijn baas, maar hij ging toch tegen hem in. “Als ik haar hier laat, zal ze sterven. Niet van deze wond, maar van de stress. Je weet wat er is gebeurt met dat konijn dat je meebracht…” “Ze is geen konijn, ze is verdomme een mens! Nou doe wat nodig is en haast je wat. Ik wil niet dat er nog een dood gaat,” onderbrak hij en verliet de vochtige stenen ruimte. “Oké, we gaan je even verplaatsen,” mompelde de dokter toen hij zich weer naar mij omdraaide. Twee sterke armen die duidelijk niet van de dokter afkomstig waren, tilden me onhandig op en brachten me de ruimte uit. Het was een cel die waarschijnlijk bestemd was voor mensen sterker dan ik. Mensen die zouden proberen te ontsnappen. De jongeman legde me op een metalen tafel in de kamer die de dokter zijn lab had genoemd. Het witblauwe licht was te fel voor mijn ogen, dus sloot ik ze. Ik ademde langzaam in en uit, maar bij iedere ademhaling deed het pijn. De tranen stonden in mijn ogen. De dokter moest mijn shirt openknippen om de wond goed te kunnen ontsmetten en verzorgen. Hij ging voorzichtig te werk, maar het bleef pijn doen. Toen hij het verband erom had gedaan, merkte ik pas dat ik aan het huilen was. Hij keek me enkele seconden aan en even dacht ik dat hij medelijden met me had. Toen keek hij op naar iets achter me. Of beter iemand. “Weet je zeker dat ze haar kunnen missen?” vroeg de dokter met opgetrokken wenkbrauwen. Hij kreeg geen duidelijk antwoord, maar glimlachte toch. Toen greep hij mijn pols ruw vast en gaf er een draai aan. ik kon het niet meer uithouden en schreeuwde terwijl mijn rug van de tafel afkwam. Mijn benen gleden over het metaal en schokkend kwam ik terug in een normale positie te liggen. Mijn ademhaling haperde terwijl de tranen over mijn gezicht stroomden. Het verband zat er in een mum van tijd rond en de dokter maakte ook mijn benen schoon. Toen greep hij mijn schouders beet en trok me recht. Ik schrok van zijn kracht en zijn gezicht die plots heel dichtbij was. Hij keek recht in mijn ogen en ademde uit in mijn gezicht. Ik kon ruiken dat hij wat had gedronken, maar liet niets blijken. Toen leunde hij weer naar achteren en zei: “Zo, ze is klaar.” De jongeman greep mijn goede pols en trok me van tafel. Bijna zakte ik door mijn benen van de pijn, maar zijn arm hield me staande. Hij trok me mee terug naar de vochtige cel en sloot de deur met een klap achter me.   Hij was vaak bij me gekomen om me eten te brengen of gewoon naar me te kijken, maar deze keer deed hij de deur open. Ik kroop naar achteren, zo ver mogelijk bij hem vandaan in de hoek en trok daar mijn benen op. Met grote ogen keek ik hoe hij naar me toe kwam, mijn arm zachtjes greep en me overeind trok. Ineens stond ik recht voor hem. Hij was niet zo groot, ik was amper vijf centimeter kleiner dan hem, en zijn handen waren zacht. Hij grijnsde en leidde me achterwaarts de cel uit. Ik durfde amper te ademen toen ik voorbij de bewaker liep die hier dag en nacht stond. “ik wil je iets laten zien,” zei hij toen we voor een metalen schuifdeur stonden. Deze was een stuk breder en dikker dan de deur van mijn cel en ik had geen idee wat zo sterk kon zijn dat het zo’n dikke deur nodig had om binnen te blijven. Maar toen hij de zware deur openschoof, zag ik enkel een jongeman aan een metalen raster geketend. Hij hield zijn hoofd tegen het metaal gedrukt en zijn kaken op elkaar geklemd. Zijn ogen waren gesloten en hij bewoog amper, buiten zijn trillende vuisten was hij volledig bewegingloos. Ik merkte dat hij zelfs zijn adem inhield toen ik binnenkwam, alsof hij me vanaf daar kon ruiken. “Dit is een prachtexemplaar die we niet zo lang geleden hebben gevangen. Hij lijkt misschien wel ongevaarlijk, maar zodra je hem een beetje elektrocuteert…” hij liet me alleen met de zwart gekleede jongeman achter en liep naar een houten tafel waar een rechthoekig instrument stond met ronde draaiknoppen en draden die meteen een plakker aan de arm van zijn slachtoffer bevestigd waren. “Kijk goed,” zei hij met een veel te brede lach. Hij draaide een van de knoppen volledig open en een schok ging door me heen toen ik de man aan het rek eerst zag trillen en even later schreeuwde hij. Het was niet zomaar een schreeuw, het was het gebrul van een wolf. Zijn tanden waren scherp en lang en zijn ogen gloeiden helblauw op. Ik zag hoe er bloed van zijn handen naar beneden drupte. Hij had zijn vuisten nog steeds gebald, maar zijn nagels haalden de huid open. Ik zag hoe hard hij zijn best deed om niet te veel te bewegen, alsof hij niet wilde ontsnappen. Alsof hij niet wilde uitbreken. Om wat eigenlijk? Mijn hartslag was merkbaar omhoog gegaan en mijn hand trilde. Triomfantelijk draaide de man zich weer naar mij. “Wat vind je van onze wolf?” vroeg hij. Hij had inderdaad wel iets weg van een wolf. Hij had veel meer haar op zijn gezicht dan ervoor en ook op zijn handen en armen. Toen hij zijn vuisten langzaam ontspande, zag ik de geelbruine lange nagels die hij had gebruikt om zijn handen mee open te halen. De wonden waren nog zichtbaar op zijn handpalmen, maar niet voor lang. Langzaam verdwenen ze, samen met het haar en zag hij er weer normaal uit. Zijn oogkleur verdonkerde weer tot ze bijna helemaal zwart waren. Ik rilde. Niet omdat het koud was, maar omdat zoiets niet zou moeten bestaan. Maar ik was verbaasd toen ik besefte dat ik helemaal niet bang was van de wolfman. Daar was zijn gezicht te gekweld voor.   Iedere dag bracht hij me naar een ander monster, maar ik kon er niet uit opmaken waarom. Ik zag vampiers en demonen en andere vreemde creaties. Zelfs dingen die hij zelf beweerde gemaakt te hebben. Ik hoorde duidelijk niet bij zijn collectie monsters en toch hield hij me hier. Ik had het gevoel dat hij me ergens op voorbereidde. Maar wat dat was, kon ik er niet uit opmaken. Dagen gingen voorbij, tot hij het me op een dag allemaal uitlegde. Hij nam me mee naar zijn huis boven de kelder waar hij ons al die tijd had opgesloten. Het was een chic huis met overal oude houten versieringen en schilderijen. Voor het eerst in tijden werd ik volledig gewassen in een echte badkamer en kreeg ik andere kleren. Het was een witte jurk die aansluitend was rond de taille en naar beneden wijd uitliep. Hij kwam tot mijn knieën en was versierd met enkele linten. Mijn haar werd opgestoken en toen was ik klaar om hem weer te ontmoeten. Zijn naam was Helsing, maar hij werd liever aangesproken met doctor. Hij zat vrolijk in een zetel met een glas wijn in zijn hand en lachte breed toen ik binnen werd gebracht. “Weet je waarom ik je hier heb gebracht? Waarom ik je alles uitleg over de monsters die ik maak?” Ik klemde mijn kaken op elkaar en keek hem recht in zijn ogen. “Ik wil dat je mijn dochter wordt. Wij jagen monsters, maar doen er ook experimenten mee. Ik ben nog niet zo lang geleden mijn dochter verloren en ik heb er wel een nodig. Jij lijkt me perfect voor die rol, niet?” Terwijl hij dat zei, bekeek hij me alsof hij me inspecteerde en goedkeurde. Hij kwam langzaam naar me toe en met zijn vrije hand streelde hij langzaam mijn arm. Een rilling ging over mijn rug en de haartjes op mijn arm gingen meteen rechtop staan. Ik kreeg er kippenvel van en even hield ik mijn adem in. “Hmm,” mompelde hij. Hij wilde duidelijk meer van me dan enkel een dochter. Hij pakte de hand die nog steeds in het verband zat en draaide hem om. Zijn duim ging over mijn handpalm en ik rilde weer. Ik staarde recht voor me uit naar een vaas op een kastje. Toen trok hij lichtjes aan mijn arm en begeleide me naar een kamer naast deze. Ik zag meteen wat hij wilde. In de kamer stond een bed met leren banden aan de zijkant. Angstig bleef ik staan en toen hij aan mijn arm trok, trok ik terug. Hij greep me steviger beet terwijl ik tegenstribbelde en me zo klein mogelijk maakte. Ik slaakte een gil en schreeuwde zo luid als ik kon. Toen wierp hij me op de grond en pinde mijn armen ertegen. In die paar seconden stilte zweerde ik dat ik de wolfman hoorde brullen. Een mondhoek ging omhoog en toen smeet hij me hardhandig op het bed. Mijn polsen en enkels werden vastgebonden met de leren banden tot ik niet meer kon bewegen. Ik kneep mijn ogen dicht en huilde. Je kon je niet voorbereiden op iets als dit, dus verwachtte ik het ergste. Het was niet erg genoeg.   Ik zat weer in de cel in de hoek met mijn benen opgetrokken en trilde over mijn hele lijf. De pijn was onbeschrijflijk en het was niet de fysieke pijn die me wakker hield. Ik durfde niet te eten of zelfs te bewegen. Hij kwam nog vaak bij me kijken, maar ik ontweek zijn blik met opzet. Toen hij weer een nieuw monster beweerde gemaakt te hebben, kwam hij weer naar me toe. Ik drukte me benauwd tegen de natte muur en schermde mijn hoofd af met mijn arm. Hij hurkte voor me neer en haalde mijn arm weg. Het duurde lang tot hij weer opstond en de dokter binnenhaalde. Hij wist dat er niets mis was met me, maar hij wilde dat ik niet meer zo bang was. Hij wilde dat ik gewoon recht kon staan en kon lopen, want dat deed ik niet meer. Ik was te bang om door mijn benen te zakken. “Er is wel iets wat ik kan proberen, maar ik heb geen idee wat voor uitwerking het op haar zal hebben,” zei de dokter daarop. “Doe het!” Hij klonk als op het einde van zijn Latijn en beende de ruimte weer uit zoals hij dat altijd deed. Ik kreeg een spuit en ging meteen buiten westen. Ik voelde helemaal niets meer.   “Ze zou op het randje van de dood moeten zijn. Maar wees niet bang, ze zal niet sterven. Beter nog, ze kan niet meer sterven. Telkens als ze dood gaat, zal ze terug in haar lichaam worden getrokken en zal ze weer verder leven.” De bekende stem van de dokter klonk in mijn oren, maar ik kon me niet bewegen. Ik ademde niet en mijn hart leek niet te kloppen. Ineens spanden al mijn spieren op en kreeg ik een beklemmend gevoel in mijn borst. Ik schoot recht terwijl ik zo veel mogelijk lucht naar binnen zoog. Mijn ogen waren maar half open en er leken veel meer mensen om me heen te staan dan stemmen die ik hoorde. Toen ik opkeek, zag ik zijn gezicht, maar reageerde er niet op. Er was iets mis, maar ik kon niet ontdekken wat dat was. Ik zou iets moeten doen, iets moeten voelen, maar ik bewoog me niet. Ik schrok zelfs niet van het kabaal dat ineens door de kelder klonk en de grond liet trillen. Het was alsof ik leefde in een droom en niets me kon aanraken. Toen de cel leeg was, draaide ik mijn hoofd. De cel was niet leeg. In een hoek van de cel leek een meisje te zitten, maar het kon geen echt meisje zijn. Haar lichaam was doorzichtig en haar gedaante flakkerde als een broze vlam. Ik stond op en liep naar haar toe. Toen ze opkeek, zag ik de wond in haar voorhoofd. Het bloed bedekte de helft van haar wang en haar blonde haar plakte erin. Ze was dood en ik kon haar zien. Op dat moment knapte er iets in me. Ik struikelde naar achteren toen ze opstond. Deze reactie voelde vertrouwder. Ik was bang. Ze liep naar me toe en zei heel de tijd: “Monster. Monster. Monster.” Toen ik de muur achter me voelde, hield ik mijn adem in. Ze hield haar gezicht dicht tegen me aan en keek toen ineens naar beneden. Ze greep naar haar buik die ongewoon dik leek terwijl haar armen en benen mager waren. Ze was zwanger toen ze stierf. Toen greep ze met haar haar hand naar mijn buik en ging er een schok door me heen. Hetzelfde groeide binnen in mij en zij wilde het hebben. Ik schoot weg bij de muur en rende naar de deur. De deur stond nog open en ik rende er doorheen, maar ik kwam niet ver. Sterke armen vingen me op en hielden me vast. Aan de manier van omgaan merkte ik al meteen dat het niet de bewaker was. Nee, de bewaker stond wel voor me, maar had net zo’n doorschijnend lichaam als het meisje van daarnet dat nu ineens verdwenen was. Ik draaide me in zijn armen en hij verslapte zijn greep. Ik herkende het T-shirt en keek op naar zijn gezicht. De aardige blik van de wolfman keek me aan, een beetje verbaasd maar vooral bezorgd. “Ze zijn dood. Ze zijn allemaal dood,” zei ik ademloos toen ik ook de dokter en Helsing levenloos voor me zag staan. “Ze zijn allemaal dood.”    The End!

Jacintha Ongenaert
0 0