Zoeken

'Dankjewel' zeggen kost niets

Toen ik studeerde had ik een bijbaantje. Voordat ik bij het rijkscomputercentrum kon werken moest ik een verklaring van goed gedrag inleveren en kreeg ik een pasje. Bovendien kreeg ik zelfs een heuse cursus met een echt diploma. Ik voelde me heel wat!   Mijn werk als schoonmaakster heb ik dan ook niet als onplezierig ervaren. Samenwerken met veel Turkse meisjes leverde me ook wat op. Ik leerde wat Turkse woorden (nee geen vieze) en werd soms uitgenodigd om lekker te komen eten. Van de Turkse gastvrijheid kunnen we nog wat leren! Het werk zelf was niet zo heel enerverend. Elke dag twee uur lang de zelfde kantoren, dezelfde vloeren, dezelfde bureaus. Afstoffen, wissen, moppen.   Op de vierde verdieping helemaal achteraan in het laatste kantoortje zat altijd nog iemand tot laat over te werken.  Meneer Treur. Iedere keer als ik zijn kantoor had schoon gemaakt, keek hij op van zijn werk en zei "dankjewel" en ik "graag gedaan". Als je elkaar zo iedere dag tegenkomt schept dat toch een band. Vooral meneer Treur maakte graag een praatje met mij. Na verloop van tijd werd het oppervlakkige 'weer' praatje steeds meer een klaagzang over zijn thuissituatie. Zijn onhandelbare dochter en zijn machteloosheid hierin. Dat deze dochter van mijn leeftijd was vergat hij kennelijk in deze gesprekjes. Hij voelde zich ellendig en deed zijn naam eer aan. Zijn wanhoop was voelbaar en ik kon daarin natuurlijk niets voor hem betekenen dan alleen maar even, de vijf minuutjes die ik er was, luisteren. Toch bleef hij me consequent iedere keer bedanken.   Af en toe voegde hij daar aan toe: "Dankjewel zeggen kost niets toch?". Deze zin is altijd bij me blijven hangen. Het kost inderdaad niets, maar is wel waardevol. Als schoonmaakster vond ik het prettig om bedankt te worden voor mijn werk, want het is zwaar werk. Een groet, een glimlach, dankjewel zeggen, een luisterend oor bieden of een praatje maken. Het kost me allemaal niets en kan zo belangrijk zijn. Een draai aan mijn dag geven of aan die van een ander, door het te geven of door het te ontvangen.   Soms zie ik hem nog wel eens fietsen, meneer Treur, dan vraag ik me af hoe het gaat met zijn dochter. Ik zou hem willen bedanken, want het kost niets. Maar hij herkent mij niet en ik zeg niets..

Liselotte Schippers
17 0

Waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Opgestaan met een positief gevoel ben ik vastbesloten dat vast te houden. Met weliswaar nèt te weinig tijd en nèt teveel te doen, stap ik fluitend op de fiets om nog snel even boodschappen te doen. En snert, begint het natuurlijk te regenen. Eenmaal bij de winkels aangekomen ben ik drijfnat. Je weet wel, dat het niet goed te onderscheiden is wat zweet is en wat regenwater. Maar zo makkelijk is mijn positieve gevoel niet te verslaan! Dus geniet ik van de koele regendruppels op mijn gezicht en laat ik in mijn hoofd gezellige liedjes voorbij komen: "I'm singing in the rain..." en "het regent dat het giet en ik word niet nat...". De laatste klopt dan niet helemaal, want ondertussen soppen zelfs ook mijn sokken in mijn schoenen. Helemaal voorbereid (want hoe vaak moet ik eerst gaan wisselen) stop ik een muntje in het winkelwagentje en zoef met mijn lijstje door de supermarkt. Dat gaat soepel en al vlot sta ik met alle boodschappen bij de kassa. O -piep- ik ben broodjes voor de lunch vergeten en mijn boodschappen liggen al op de band. Dat zullen ze me thuis niet in dank afnemen. Er staan nog twee mensen voor me, met redelijk wat boodschappen, dus ik schat mijn kansen goed in om op tijd weer terug te zijn. Snel haal ik de broodjes op. Als ik terug kom bij de kassa, staat de vrouw achter mijn winkelwagentje in de rij, tot mijn stomme verbazing haar boodschappen voor de mijne te zetten. En ik ben nog helemaal niet aan de beurt!   Overmant door 'het onrecht' en opgejaagd door de tijd roep ik: "NEEE!!" Deze boodschap is kennelijk duidelijk genoeg, want geschrokken, maar ook met een boos gezicht, pakt ze haar boodschappen weer op. Wel verrast en trots op mijn eigen assertiviteit, klopt van spanning en de adrenaline mijn hart in mijn keel. Even denk ik weer aan mijn positieve gevoel. Misschien heb ik toch wel wat fel gereageerd dus ik probeer wat onhandig te zeggen dat ik nog niet aan de beurt was... En om een medestander te zoeken kijk ik vragend naar de mevrouw verderop in de rij. Zij reageert wel, maar zegt: "Tja het had ook langer kunnen duren...". Wat krijgen we nou!!! Nu begin ik toch aan mezelf te twijfelen. Zijn de sociale regels van het in de rij staan bij de kassa misschien veranderd en hebben ze mij vergeten in te lichten??? Ik houd mijn mond maar verder dicht, net als de hele rij en de kassière. Maar langzaam sijpelt het positieve gevoel weg en bekruipt me een onbehaaglijk gevoel. Natuurlijk heeft 'dat mens' haar fiets precies naast de mijne geparkeerd en staan we nog even stilzwijgend onze fiets in te laden. Met het laatste sprankeltje positieve gevoel knijp ik er nog uit: "Fijne dag toch nog!" Maar het komt niet over en ik krijg een onverstaanbare brommende sneer terug. Dan fiets ik maar weg, nog steeds in de regen, nu met een onbehaaglijke gevoel en geen: "I'm singing in the rain". Nog een tijdje ben ik zinloos, echt heel vervelend, aan het piekeren over de 'nieuwe' sociale regels. Thuis weer in een droge outfit gestoken, komen de broodjes op tafel. "Aan tafel, eten!" Door de lekkere broodjes verwacht ik een snelle opkomst en ja hoor, van alle kanten wordt er naar de zak met broodjes gegraaid. Hu ho stop! Even op je beurt wachten!" Ik hoor het mezelf zeggen, daarmee komt het positieve gevoel weer terug.  Kan een glimlach niet onderdrukken. Pfff waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Liselotte Schippers
0 0

Vlieden

‘Jouw beurt,’ siste hij. Hij duwde de vogel tegen mijn arm en wees naar het rode licht. ‘Je hebt exact anderhalve minuut, ik heb het getimed.’ Verfomfaaid kwam de vogel in mijn handen terecht. De dunne vleugels plakten aan mijn vingers. Het touwtje zat al meteen verstrikt. Onderweg naar hier had hij het me voorgedaan. In zijn ene hand had hij de vogel opgeplooid. De wijsvinger van zijn andere hand had hij door het lusje gehaakt. ‘Hop!’, deed hij, en liet de vogel vallen. Net boven de grond klapten de vleugels open. De vogel maakte een sierlijke bocht. ‘En dan laat je hem zweven, op ooghoogte van de chauffeurs. Zo,’ hij liet de vogel langs de jasmijnstruiken zeilen. Er speelde een glimlach rond zijn snor. Ik moest denken aan mijn kleine broer die sinds kort met alles wat hij vond de vlucht van vliegtuigen nabootste.‘Tussen de warme wagens gaat dat beter. Thermiek.’ zei hij. ‘En stel jezelf voor dat de auto’s vol kinderen zitten. Dat helpt.’ ‘Echt waar,’ zei hij toen hij mijn blik zag,’als ik aan jullie denk, verkoop ik meer.’ Ik was geen kind meer. Wou ik hem zeggen. Ik kon mijn eigen boontjes doppen. Dat had Yusuf mij gezegd. Ik geloofde Yusuf.   Als een troep dampende paarden stonden de auto’s voor het rode licht. De zon blikkerde op het chroom. ‘En dan mag je nog van geluk spreken dat het niet regent,’ had hij vanmorgen gezegd toen hij me hierheen sleurde. ‘Dan zouden we toch geen vogels verkopen,’ wou ik nog zeggen. Maar ik had gezwegen. Dan zouden we paraplu’s verkopen. Niet mijn vader. Die verkocht wat van de vrachtwagen viel. Maar die spullen buitelden meestal met een goede reden van de vrachtwagen. Dat beweerde Yusuf. En die kon het weten. De kleine superette die hij op een straathoek in de sjieke wijk openhield, had hij ‘Corner’ genoemd. In de rekken lagen producten van Amerikaanse import die tegenaan vervaldatum liepen. Hij verkocht ze duur aan de expats uit de buurt. Blij als een kind was mijn vader toen hij gisterenavond met de zak vol vogels thuiskwam. Honderd vogels, op de kop af. ‘Stel je voor dat we per vogel twee dinar kunnen krijgen. En aan de dikke bakken vragen we natuurlijk wat meer,’ had hij naar me geknipoogd. ‘Ik heb Yusuf beloofd...,’ begon ik. ‘Kratten versleuren,’ snoof hij, 'Yusuf profiteert van je. Hij geeft je een peulschil. Jij bent een verkoper, net als je vader. Jij komt met mij mee.’   Ik hield de vogel zo ver mogelijk van me af. Het plastieken oog stond star en vol verwijt. In mijn handen was de vogel een dode mus. Het zweet brak mij uit. ‘Trek je mooiste hemd aan, een verkoper moet er goed voorkomen.’ Voor de aanschaf van de rode gympen onder zijn afgebleekte jeans had hij een maand geld opzij gezet. Ze stonden hem niet. ‘Komaan!’, brulde hij, ‘Nu! Straks gaan ze weer rijden!’ In de smalle schaduw van het verkeerslicht was hij bezig een nieuwe vogel uit de zak te pellen. Ik keek naar de auto’s. Ze keken niet terug. Je kon niet zien wie er in zat tot je met je neus tegen de raampjes stond. Klant is koning. Dit waren geen klanten. ‘Blijven kijken,’ had mijn vader gezegd, ’in de ogen, ook als ze al met hun hoofd geschud hebben. Met die ogen van jou kan je dingen in beweging brengen, jongen.’   Aan de overkant van de straat sijpelden de mannen uit de moskee. Ze gingen alle richtingen uit. Drie straten verder was Yusuf nu de metalen rolluiken omhoog aan het duwen. Ik kon het kriepen bijna tot hier horen. Het bordje tegen de deur werd op ‘Open’ gedraaid.   De auto’s begonnen te grommen. Het licht ging op groen. Ik sprong van het trottoir en laveerde tussen de optrekkende auto’s. Vleugels. Het was een wonder dat ik ongeschonden aan de overkant kwam. Onder een steen op het trottoir legde ik een briefje van vijf dinar. De vogel nam ik mee. Voor mijn kleine broer.

Marjanne Sevenant
0 0

Venetiaans Blond

GIANLUCA   ‘Voor mij de duif alstublieft,’ zei de man. Gianluca zuchtte en gaf met uitgestreken gezicht zijn standaard antwoord: ‘In principe serveren we dat niet meneer, maar tegen een kleine meerprijs ga ik dadelijk op pad om speciaal voor u een topexemplaar te strikken. Met uw goeddunken zal mijn vader het dier hoogstpersoonlijk slachten en vervolgens met veel zorg en op aloude wijze voor u bereiden.’ De laatste tijd kreeg hij het mopje wel vaker te horen, van een zelfgenoegzame toerist die er zijn vrienden mee wilde entertainen of, zo mogelijk nog erger, indruk wilde maken op zijn date. Maar deze keer klopte dat plaatje niet.    De man kwam van hier, indien niet uit Venetië dan zeker uit Italië - toch was hij op zijn ongemak. Hij zweette zich te pletter. Zijn pak was te strak voor zijn lijf. Zijn handen waren groot en ruw. Gianluca vermoedde dat hij zich beter voelde op pakweg een scheepswerf dan in een restaurant. Hij wilde het liefst onzichtbaar zijn.   Zij daarentegen deed hoofden draaien. Een klassieke schoonheid was ze niet, en ook niet meer piepjong. Gianluca schatte haar begin de veertig, hooguit tien jaar jonger dan de man tegenover haar. Maar ze zoog blikken naar zich toe, en leek dat ook gewoon te zijn. Haar huid was wit, spierwit, haar ogen felgroen. Verder was ze rood – haar jurk, haar schoenen, haar lippen, haar haren. Ze intrigeerde. Wie was ze? En vooral, wat deed ze met hem?     HÉLÈNE   Hij deed zijn best, dat was het niet. Hij maakte zelfs dezelfde grap als toen. Het deed haar hart even opspringen, dat hij dat nog wist. Maar tegelijk was het pijnlijk. Toen deed hij het vol branie; nu bestierf hij het van de zenuwen. Verder hadden elkaar ze niets, maar dan ook niets te vertellen. Toen was hij een boefje, een ‘ladro di biciclette’, hij was vurig, veelbelovend, vol verwachtingen. Hij had haar meegetroond, zij, middelbare schoolmeisje op Italië-reis, haar helpen ontsnappen uit het hotel, haar de stad laten zien zoals hij, die er was opgegroeid ze zag. Die nacht had langer geduurd dan de rest van de reis. Ze gingen contact houden, dat hadden ze gezworen. Dertig jaar later had ze hem teruggevonden. Op Facebook. Hij was oud geworden, dikker, kaler, vader. Maar in zijn ogen had ze dezelfde schittering gezien als toen. Dacht ze. Hij had dadelijk willen afspreken. Nu zag ze in zijn ogen bitter weinig. Hij zei niet veel, als hij iets zei geraakte hij niet uit zijn woorden. Ze vroeg zich af wat hij zijn vrouw had verteld. Tot zover de belofte. Maar anderzijds, ook zij stond doen op de drempel van een leven vol mogelijkheden. Had zij de verwachtingen wel ingelost?     BEPPE   Beppe kwam nog maar zelden uit zijn keuken. Hoewel ze maar enkele honderden meters verwijderd waren van de toeristische trekpleisters van de stad, werd het restaurant tot voor enkele jaren hoofdzakelijk bezocht door Venetianen. Tot het in een hippe reisgids werd aangeprezen als ‘verborgen parel in het hartje van het authentieke Cannaregio’. De toeristen kwamen, maar veel vaste klanten bleven weg. Beppe verdiende goed, maar voelde zich niet langer thuis in zijn eigen zaak. ‘Papa?’ Zijn zoon Gianluca stond achter hem. ‘Probleem. Tafel 6 kan niet betalen. Ze willen afwassen, zeggen ze.’ ‘Toeristen?’ Gianluca knikte.   Beppe beende de keuken uit, recht naar de tafel van zijn weerspannige gasten, zijn hoofd rood en zichtbaar geagiteerd. ‘Mevrouw,’ stak hij van wal, ‘dit is een eenvoudig restaurant, maar dat wil niet zeggen dat wij geen respect verdienen. Wij bereiden met de grootste zorg…’. Zijn stem stokte. Hij keek, recht in die bezwerende, helgroene ogen en zweeg.     ‘U bént hier al geweest,’ zei hij uiteindelijk. ‘Lang geleden, maar ik herinner me u.’ De vrouw knikte. ‘Dat is zo.’ ‘U hebt toen ook de afwas gedaan. U was jong, heel jong nog…’ ‘Zeventien, op reis hier met de school. Ik was uit het hotel ontsnapt met een jongen van hier. Maar we hadden geen geld, helemaal niks.’   Beppe keek even opzij, naar de man. ‘Wilt u daarom opnieuw… Maar waarom?’ De vrouw zuchtte. ‘Waarom kijken mensen graag naar foto’s uit hun kindertijd? Waarom blijven ze hun hele leven luisteren naar muziek uit hun jonge jaren? Waarom zoeken ze contact met uit het oog verloren vrienden?’ Hij knikte. Alle boosheid was uit hem verdwenen. Het leek alsof een soort van weemoed hem overviel. ‘Ik hoop dat u er iets aan heeft…’ De vrouw haalde haar schouders op. ‘Ach, u weet vast ook wel hoe het gaat met zulke dingen. Ja, ik voelde me weer zoals toen, heel even, maar even snel is daar het besef dat het nooit meer terugkomt. Ik had het kunnen weten.’ Beppe zweeg. ‘U mag… als u dat wilt, mag u komen afwassen…’ ‘Laten we dat maar achterwege laten dit keer. Brengt u me gewoon de rekening maar.’ Ze richtte zich tot de man. ‘Je kunt beter gaan nu. Sorry dat ik je hierin heb meegesleept.’   Beppe draaide zich om naar zijn zoon. ‘Gianluca, breng je mevrouw de rekening? En een amaretto. Van het huis.’ Hij keek weer naar de vrouw. Ze had haar ogen neergeslagen, maar hij meende een traan te zien op haar linkerwang. ‘Weet u, mevrouw, het restaurant is best wel veel veranderd sinds u hier laatst was. Als u wilt, kunt u uw amaretto bij ons in de keuken komen drinken. Ik heb achterin nog foto’s liggen van toen.’ Ze keek op en knikte dankbaar.

Lennaert Leo
0 0

Snot, aap en nootjes

Dit is een wç voor piraten met één hand of minder. Overmorgen is er die babyborrel en over die zelfmoordplannen van een cirkel zal ik zwijgen. Zwaartekracht kan dodelijk zijn. Bij miereneters is het omgekeerd.   Geen melk vandaag. Ik ben op reis in een verwarrend land, lelijk en mooi, zijn tien parkieten in een kooi. Een man doodt soms de ganse dag. We kunnen een tentje opzetten, erin vertellen over vroeger. Kapitein Iglo woont in een kajuit. Ik had een fiets met een zelfgelast karretje. Hij was best abnormaal maar we wisten het niet.   1989, een helrode Ford Escort, paar dia's, een gewonnen hangertje, toch dat zakje apennootjes, symbolisch. Ver weg, Baltimore, de Baltische Zee, een strand met duizend vliegers, lachende gezichten in de branding. Kruimels waaien uit het bord. Het meesje is verduiveld snel, vangt de onraad met zijn bek want ik lieg. Over het aantal. De kinderen die ik heb verwekt.   De man telt ze niet meer. Runderblik, paté in potjes. Bij de croissant ligt er wat confituur, weet ik weer hoe je mijn grappen zelfs verdroeg. De waardebon voor een voldragen zwangerschap had ik naar een god gestuurd. Hij lachte, had een uurwerk. Toen ik hem later zag, sprak ie smalend dat het zo moest zijn, gij snotaap, die man, die ouwe zot in veelvoud, de haperingen, die krekelsprongen in mijn hoofd, zij weg, hun dood.    Beertje Colargol, met zijn koffertje, vond altijd een oplossing. Vruchteloos, adertjes, elektrische garagepoort, een boom met noten. Dakloze gedachten zijn ontzettend vrij. Het biggetje, het is van roze marsepein. Het kindje heeft dezelfde kleur en geurt naar toekomst. Ik herinner me de vorm van je mond.   Het kalf met dolle vlekken rust, op een lappendekentje. Hij staart naar de natte snuit. Je mag mijn snorkel gebruiken, geen wolkje, Petit Bateau. Moe. Ik wil straks in je schootje liggen, terwijl je de littekens streelt. Had gekund.   Toen ze plots kwamen, legde men ze achter het glas te stikken. Meer niet. Het brugje over de ravijn is roest, twaalf stappen lang. Er wachten geitjes aan de overkant. De herder heeft maar beter sterke armen en een stok.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'   

Bernd Vanderbilt
0 0

De toeschouwer

Wat voorovergebogen zit hij op de koude tegels. Zijn schouders hangen vooruit, zijn hoofd wat scheef op zijn nek. De enige beweging die hij maakt is het ongecontroleerd en onregelmatig tikken met zijn hand op de vloer naast zich. Achter hem klinkt kindermuziek op een tv waarnaar niet wordt gekeken. Hij staart peinzend de andere kant op. Aan zijn gezicht is niet af te lezen waaraan hij denkt. De dag die voorbij is, de maaltijd die moet komen... Zijn linkerschoen ligt rechts, buiten handbereik, nat door zijn speeksel. Hij draagt een broek vol vlekken met afgesleten stof aan de knieën. Zijn shirt is te groot, zijn mouwloze vest erover tot boven dichtgeknoopt. Tussen zijn benen liggen de sleutels die hij net liet vallen. Hij grijpt die sleutels met zijn linkerhand, terwijl hij met zijn rechter zijn lichaam ondersteunt. Hij krijgt zijn vingers niet onder controle en wanneer hij zijn hand met een ruk opheft schuift de sleutelring van zijn wijsvinger weer de grond op met een schelle plof. Opnieuw. Hij grijpt -met al zijn vingers nu- en heeft beet met ringvinger en pink. Wanneer hij de sleutelring van de grond opheft herhaalt zich op vijf centimeter hoogte het scenario. Zijn blik is vastberaden nu, alle aandacht gaat naar het metaal op de vloer voor hem. Hij haalt uit, grijpt, triomfeert. De sleutels worden op zijn uitgestrekte been gelegd. Even blijven ze daar, balancerend, tot ze er aan de andere kant weer afschuiven. Ze houden nog even zijn aandacht vast, maar hij lijkt zijn focus nu te verplaatsen naar een voorwerp dat verder ligt. Hij draait zijn hoofd om beter te kijken en toont zo de sporen die vingernagels achterlieten in zijn gezicht. Hij wil opstaan. Zijn hand grijpt de rand van de zetel naast zich en traag brengt hij zijn gewicht naar zijn rechterbil. Hij grijpt ook met zijn tweede hand de zetel vast en trekt zich langzaam, voorzichtig, op tot op zijn knieën. Twijfelend, onstabiel plaatst hij zijn eerst voet plat op de grond, zijn tweede volgt, de zetel biedt nog steeds ondersteuning, maar hij draait zich om, zijn blik in de richting van het voorwerp dat verder op de grond ligt. Zijn handen laten los en hangen naast zijn lichaam, hij steunt met zijn bil tegen de zetel. Hij zet een voet in de juiste richting, stabiliseert en laat een tweede volgen. Zijn evenwicht lijkt gevonden, maar na een derde onzekere stap op de rand van zijn voet gaat het mis. Hij valt voorover maar kan zijn armen niet tijdig plaatsen waardoor zijn neus de grond raakt. Een schreeuw volgt en tranen van frustratie. Hij zet zijn ellebogen. De tenen in de voet mét schoen vinden de grond en razendsnel drukt hij zich af. In geen tijd bereikt hij de gsm en drukt zich op tot op hij op zijn knieën zit. Hij slaat met een hand naar de gekleurde knoppen. Willekeurig, want de cijfers kan hij niet plaatsen. Er klinken mechanische tonen, dan is het weer stil. Een schaterlach. Hij grijpt opnieuw, maar zijn tere hand kan het toestel niet houden. Ook de telefoon valt hard op de stenen grond. Vanop zijn knieën zet hij zijn handen voor zich en duwt zijn voeten en kuiten recht totdat hij als een vreemde brug op de vloer staat. Als een trage acrobaat laat hij zijn handen los en richt zijn lichaam op. Een stap, twee stappen, drie stappen. En hij laat zich vallen. Vooruit, in mijn armen. Weer die schaterlach. Wat doet hij dat goed. Mijn ventje wordt een jaar volgende week.

Carolyn Krekels
3 0

Potentie

Een meisje met een hoofddoek stapte op en balanceerde met haar rugzak in het gangpad. ‘Mag ik hem onder de zetels schuiven?’ vroeg ze. Ik tilde mijn voeten op, zij schoof. Toen ze ging zitten mengde haar frisse buitengeur zich met het stof uit de zetels. Ze haalde een rolletje muntjes uit haar zak en bood het mij aan, ‘Ik ben Sara.’   Stef had mij naar het busstation gebracht. Hij vroeg hij of ik echt naar dat congres moest. Ik zei van wel. ‘Ik ga je missen,’ zei hij, ‘ En van de knappe mannen op de bus afblijven.’ Als Stef op zakenreis is, slaap ik in een T-shirt dat nog ruikt naar zijn parfum. Ik vraag mij af wat hij vanavond doet. ‘Maak je geen zorgen,’ glimlachte ik, ‘het zijn gewoonlijk reptielen met een tatoeage en een moeraslucht.’   Omdat ik nooit helemaal zeker ben van mijn adem, pakte ik een muntje aan. Ik vermoed dat Sara onze vriendschap daarmee als geopend beschouwde want binnen de kortste keren wist ik dat ze net zoals ik nog geen maand geleden getrouwd was en dat ze haar man achterna reisde naar Montpellier.   Ik vertelde niet dat ik ben op weg was naar mijn achilleshiel. Sinds ons Erasmusjaar in Madrid stuurden we elkaar plagerige mailtjes. Heel af en toe lukte het om hem te bezoeken. Dan was het vuurwerk in pasteltinten. We aten aan wiebelende tafeltjes op een binnenplaast waar kleurrijke lampionnen in een plataan hingen. Instagram met een retro filter.   Ik pleit onweerstaanbare drang. Als ik bij hem ben, ben ik een andere versie van mezelf. Maar achilleshiel of niet, ik had hem niet op ons trouwfeest moeten vragen. Hij gaf ons een eikenhouten miniatuur van een eik en ging heel vroeg weg. Sindsdien was het anders. Ik wou hem zien.   Tijdens een nachtelijke stop dronken we thee en aten croissants. Wie af en toe knikt lijkt empathisch, dus ik zat het hele verhaal van Sara’s huwelijksfeest uit. Ze proefde het woord ‘echtgenoot’ en gebruikte het in elke zin, alsof ze het wilde testen. Hoewel het triest wegrestaurant was, merkten we aan de de croissants dat we vlakbij Parijs waren. In België bakken ze iets dat er nog vaag op lijkt, in Nederland is het een kwestie van volksgezondheid om op afstand te blijven. Nadat we de laatste schilfers hadden opgepikt met een vochtige wijsvinger, wachtten we op elkaar bij de stinkende toiletten.   ‘We willen binnenkort aan kindjes beginnen,' glunderde Sara terwijl ze haar handen droogde, 'Ik heb een zwangerschapstest gekocht om hem cadeau te doen.’ Ze fatsoeneerde haar lippen met een bordeaux lippenstift en haalde een flesje parfum uit haar handtas. De geur van chloor en urine waren al tastbaar in de bunker waarin de toiletten zatern, maar toen Sara haar parfum verstoof, kreeg ik het benauwd. In twee grote gulpen kwamen mijn thee en croissant er weer uit, over mijn voeten en op de vloer. ‘Shit,’ riep Sara, ‘Mijn god.’ Ik was zelf verbaasd en stapte langs de plas naar de wasbak. Sara deinsde zachtjes achteruit. Ik spoelde mijn mond, droogde hem en depte mijn schoenen zo goed mogelijk droog met papieren handdoekjes. Als een ballonnetje dat ontplofte in mijn hoofd, daagde het mij terwijl ik het zei, ‘Ik denk dat ik zwanger ben.’ ‘O,’ zei Sara, ‘Proficiat. Heb je al getest?’ Ik schudde van niet. Alsof we beste vriendinnen waren, zocht ze in haar handtas en gaf mij haar zwangerschapstest. Er zaten smalle roze en blauwe lintjes rond. Ze wees naar een hokje, ‘Hup, testen!’   Op ons trouwfeest kregen we een kleine eik uit eik. Ik vond dat triest toen. Eik kan bijna alles worden, waarom moet hij dan weer eik worden? Een klein eikje dan nog. Ik nam mijn telefoon, zocht zijn naam en schreef: ‘Kom ons halen, we zijn in Parijs.’

Tine Tytgat
0 0

Een dag uit het bestaan van Kalypta

Vrijdag 13 juni 2014 Het hele restaurant verstijfde toen hij binnenkwam. Hij zag er dan ook angstaanjagend uit. Een gloeiend rood litteken liep van zijn haarkruin over zijn helblauwe oog tot in zijn nek, waar zijn dikke zwarte haren waren samengebonden met een felrood lint. Hij droeg een bruinleren mouwloos hemd, zodat de drakentatoeages die over zijn gebruinde biceps slingerden duidelijk opvielen. Eronder droeg hij een pikzwarte pofbroek die eindigde in zware leren laarzen. Maar dat was niet waar iedereen naar staarde. Om zijn middel spande een brede donkerbruine riem waar een verscheidenheid aan messen instak. En aan zijn linkerheup hing een lus waarin een zwaard stak dat zo breed en krom was dat het er levensgevaarlijk uitzag. De blauwe ogen van de man flitsten over alle inzittenden en toen liep hij op zijn dooie gemak naar een leeg tafeltje voor twee en plofte neer op de stoel, zijn ogen op de deur gericht. Het duurde even voor de mensen zich weer herinnerden hoe te ademen. Een ober die plots besefte dat hij dienst had, ging met knikkende knieën naar de man toe en vroeg met trillende stem: ‘Wilt… wilt u iets drinken, meneer?’ Hij kreeg een onderzoekende blik terug waar hij zich duidelijk ongemakkelijk onder voelde, want hij deinsde achteruit. ‘Bier,’ zei de man met een zware raspende stem. De ober knikte en maakte zich uit de voeten. Geen van de aanwezigen durfde te bewegen. De enkeling die het toch waagde zijn vork op te nemen omdat zijn hongerige maag en het dampende gerecht voor hem hem moed gaven, liet die kletterend weer vallen na een oplettende blik van de man. Zelfs toen hij zijn bier gekregen had, bleef hij alles en iedereen in de gaten houden. De spanning was te om snijden en even scherp als het zwaard van de man. Toen ontsnapte er een verschrikte kreet aan een vrouw die bij het raam zat. Iedereen keek naar haar, en naar een klein meisje dat met grote ogen naar de man toe schuifelde. ‘Noortje, kom terug,’ smeekte de vrouw, maar niemand durfde een vin te verroeren om het kind te onderscheppen. Ze sloop nieuwsgierig, maar behoedzaam dichterbij tot ze vlakbij de grote man stond. Ze nam hem op van kop tot teen en vroeg toen met een fijn iel stemmetje: ‘Ben jij een piraat?’ Iedereen hield zijn adem in. De man draaide langzaam zijn hoofd tot zijn felle ogen op het kind vielen en zei met barse stem: ‘Nee.’ Het meisje schrok, maar bleef toch staan. ‘Welles,’ zei ze. De man zette met een klap zijn glas op tafel. Hier en daar klonk een gesmoorde kreet of kreun. Hij bracht zijn gezicht tot vlakbij het meisje. ‘Waarom?’ vroeg hij. Ze wees met trillende vinger naar het litteken. ‘En de tekeningen.’ Ze wees naar zijn armen. ‘En je zwaard.’ De man keek het meisje lang aan, leunde toen achterover en zijn mondhoeken plooiden in een grijns. Het litteken trok scheef mee, wat zijn gezicht er niet mooier op maakte. Er klonk een algemene zucht van opluchting. ‘Geen zwaard,’ zei hij, ‘zwaarden zijn recht. Dit is een Skmitar.’ ‘Smitaar?’ ‘Skmitar.’ ‘Mag ik kijken?’ Dat was de druppel voor haar moeder, die het bestierf van de zenuwen. Ze stond bruusk recht en zei met scherpe stem: ‘Nora Verbiest, kom nu onmiddellijk hier!’ Het meisje keek verbaasd om, alsof ze uit een droom ontwaakte. ‘Niet boos zijn, mama,’ zei ze ontwapenend, ‘ik wil alleen maar die sminkar zien.’ Haar moeder wilde antwoorden, maar zweeg geschrokken toen de man zijn kromzwaard met een vlotte beweging uit de schede haalde. Hij legde het op het tafeltje en Noortje kroop op de andere stoel om beter te kunnen kijken.  Ze liet haar kleine vingers over het koele staal glijden en voelde voorzichtig aan de scherpe randen. Haar ogen glinsterden toen ze opkeek naar de man. ‘Jij bent geen piraat,’ zei ze. ‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Wat dan wel?’ ‘Wachter.’ ‘Wachter?’ Ze dacht na. ‘Op wie wacht je dan?’ De man grijnsde opnieuw, maar keek het kind toen heel oplettend aan, zijn wenkbrauwen gefronst. Hij boog naar haar toe en fluisterde in haar oor: ‘Op jou.’ Noortje schoot geschrokken recht en wat er toen gebeurde, deed menig mond openvallen van verbazing. De donkere man stond op en knielde voor het meisje dat op de stoel stond. ‘Ik ben uw dienaar,’ zei hij plechtig. ‘Mijn Skmitar en mijn leven zijn de uwe, vrouwe Kalypta.’

Lyne Uytterhoeven
38 0
Tip

Het raadsel

In de verte klinkt een sirene. Brandweer, of politie, of een ambulance. Hij weet dat je ze kunt onderscheiden – twee- of drietonige hoorn, zoiets was het – maar hem lukt het nooit. Hij weet zoveel niet. Meer niet dan wel. Ja, onbenullige zaken, die onthoudt hij. Dingen waar je niks aan hebt. Dat een gemiddeld struisvogelei anderhalve kilogram weegt. En de hoofdstad van Burundi is Bujumbura. Maar waar Burundi ligt, dat weet hij dan weer niet. Gelukkig denkt hij daar nu niet aan, anders moest hij dat eerst opzoeken voor hij ook maar iets anders zou kunnen ondernemen. Soms zit hij uren achter zijn computer, op zoek naar wetenswaardigheden. Dat is heel vermoeiend, maar alleen zijn eetlust kan hem dwingen om te stoppen: de honger naar voedsel is sterker dan die naar kennis. Achter zijn computer eet hij niet, vanwege de kruimels in het toetsenbord. Daarna doet hij zijn jas aan, voor een lange wandeling. Die eindigt steevast in een onooglijk café, met sanseveria’s op de vensterbanken. Het is een café voor oude mensen. De gemiddelde leeftijd van de drie overige vaste klanten schat hij op vijfenzeventig jaar. Hij heeft daar als twintigjarige niets te zoeken, maar iedereen is aan hem gewend geraakt en ze hebben ook wel gezien dat hij geen normale jongere is. Een jongen van twintig die urenlang achter de vrouwentongen gaat zitten, een vergeeld kladblok op het Perzisch kleedje voor zich. Een jongen die zich inbeeldt dat hij schrijver is, maar nog geen letter heeft geschreven. En dat waarschijnlijk nooit zal doen. De barjuffrouw brengt hem ongevraagd elk half uur een kop slappe koffie. Die drinkt hij in gedachten verzonken, zonder melk en suiker, maar hij roert er wel altijd in, soms wel vijf minuten lang. Het lepeltje klingelt vrolijk tegen het hotelporselein. Het komt voor dat hij pas stopt met roeren als één van de klanten heeft gevraagd of de bodem er soms uit moet. Volgens de barjuffrouw is er weer ergens fik. Ze beweegt zich met een hollende tred naar het raam, tilt de geplooide vitrage wat omhoog – meer uit gewoonte dan uit noodzaak, want met haar één meter vijftig kijkt ze er zo onderdoor – en poetst met haar wijsvinger twee kijkgaatjes in de beslagen ruit. Ja, er is ergens fik. Ze zag de rode brandweerauto nog net de brug over razen. De oude mannen interesseert het niks. Zolang het café niet in lichterlaaie staat is er niets aan de hand. De jongen kijkt wel met haar mee, maar zijn ogen staan zo apathisch dat ze ook van hem geen bijval kan verwachten. Ze blijft nog even staan kijken, naar de grauwe straat, de grijze lucht en holt dan in slow motion terug naar de toog. Na vier koppen koffie houdt hij het voor gezien. Hij schuift het kladblok in de binnenzak van zijn jas, betaalt gepast en vertrekt. ’s Avonds kijkt hij naar quizzen op de televisie. Meestal kan hij vrijwel alle vragen beantwoorden, soms is hij zelfs beter dan de superspecialisten die alles weten van Marilyn Monroe, de architecten van de Amsterdamse school, de bisamrat, of de Vlaamse primitieven. Daarna volgt hij de actualiteitenrubrieken en de praatprogramma’s waarin politici, bekende Nederlanders en deskundigen discussiëren met verveeld kijkende presentatoren. Boeken leest hij niet. Dat kost te veel tijd en het ontmoedigt. Na het late journaal gaat hij naar bed, het kladblok paraat op zijn nachtkastje. De volgende dag zit hij weer bij het raam, op zijn vaste plek. De barjuffrouw vindt hem veel te jong voor een vaste plek. Ze moet er niet aan denken dat hij daar de komende vijftig jaar nog zit. Niet dat ze van plan is om zelf nog zolang te werken, maar het gaat om het principe. Voor het eerst spreekt ze hem aan. Ze vraagt hem of hij ooit wel eens iets opschrijft, in dat kladblok van hem, of hij soms schrijver is. De jongen legt zijn smalle hand op het vergeelde papier, alsof hij een obscene tekening probeert te verbergen. Hij heeft het kladblok zomaar bij zich, voor het geval hem iets te binnenschiet. De barjuffrouw heeft iets venijnigs in haar mond klaarliggen, maar ze bedenkt zich en perst haar violette lippen op elkaar. Als alternatief grijpt ze de balpen van het persje en maakt razendsnel een krabbel op het inferieure papier. De jongen moet raden wat het is. Bijna geschokt staart hij naar twee concentrische cirkels in het midden van een rechte streep. Het lijkt of hij gaat huilen. De barjuffrouw tilt onverschillig de vitrage omhoog, vraagt of hij al een idee heeft. ‘Het is een Mexicaan in een kano, van bovenaf gezien,’ zegt hij. ‘Een Mexicaan met een sombrero.’ ‘Gefeliciteerd,’ zegt ze tegen de beslagen ruit en tegen de mannen bij het biljart: ‘En Pierre, wat heeft hij gewonnen?’ ‘Een geheel verzorgde voetreis naar Rome op eigen kosten,’ zegt een man met blauwe vingers. Pomerans, denkt de jongen, het topje van een keu heet pomerans. Iedereen lacht schor. De barjuffrouw grinnikt een triest geluid en laat hem alleen bij het raam. Een dag later komt hij niet langs en de week erna ook niet. De barjuffrouw kan er niet echt mee zitten. Hij was niet bepaald een big spender en echt gezellig kon je hem ook niet noemen. Wat haar wel een beetje dwarszit, is dat zijn wegblijven waarschijnlijk het direct gevolg is van haar gekras in zijn smetteloze kladblok. Het voelt alsof ze hem heeft weggejaagd. Ook één van de oude mannen is het opgevallen dat de jongen er niet meer is, maar het blijft bij een gemompelde constatering van de lege stoel bij het raam. De jongen maakt nog steeds lange wandelingen, maar hij vermijdt het café. In plaats daarvan pauzeert hij op een bank in het park. Als het regent of het te koud is, loopt hij zonder te rusten direct naar huis. Het kladblok heeft hij weggegooid. Hij heeft geen nieuwe gekocht, want dat heeft geen zin. Alles is toch al geschreven.

Grand Foulard
78 0
Tip

Binnengluren

‘Wil je even kijken?’   Hij kijkt me aan met grote vragende ogen, glimmend van trots. Onbevangenheid, dat is misschien nog wat ik het meeste mis. Blij zijn om het hier en nu, zonder zorgen om de toekomst of bitterheid door het verleden. Hij kan het nog, ik zie het aan zijn open lach. Maar vast niet lang meer, want het valt me op hoe groot hij wordt. En hoezeer hij op mij lijkt. Ze zeggen dat al lang, mijn moeder, mijn tantes. Ik vond het altijd onzin, maar nu zie ik dat ze gelijk hebben: hij lijkt op mij, heel erg zelfs. Ik lach en buig me naar hem toe, natuurlijk wil ik kijken. Hij geeft me de schoendoos en wijst me de uitsnijding aan, in het midden bovenaan: ‘Hier moet je door kijken.’    Ik verwacht me aan dino’s, of ridders, een maanlandschap vol kraters en buitenaardse wezens. Maar ik schrik wanneer ik in de kijkdoos gluur. Ik herken mijn eigen woonkamer, nagebouwd tot in het kleinste detail. Alles staat er zoals het er al jaren staat: de tafel in het midden met de zes stoelen, de televisie, de sofa, de kamerplant in de hoek, het dressoir compleet met de twee Ming vazen, het aquarium met de guppy’s en de zebravisjes. Op de sofa zitten een man en een vrouw, zijn hand op haar dij. De vrouw herken ik, wie de man is weet ik niet. Ik weet alleen dat ik het niet ben. Aan het deksel van de schoendoos heeft hij een jongen geplakt, hoofd naar beneden. Een zweem van surrealisme in de anders zo perfecte kopie.   ‘Het is prachtig, ik herken het helemaal. Je hebt er vast lang aan gewerkt?’ Hij knikt. ‘Heb je mij gezien?’ ‘De jongen aan het plafond? Waarom heb je jezelf zo erin geplakt?’ ‘Omdat ik altijd gek doe, toch? Gek doen is grappig.’ Ik glimlach. ‘Dat is het zeker, er wordt te weinig gelachen in het leven.’ Ik aarzel even maar zeg het dan toch: ‘Het is een mooi tafereel. Mama ziet er ook gelukkig uit.’ Zijn gezicht betrekt, zijn ogen kijken langs me heen. ‘Ze huilt ook vaak. Niet alles is wat het lijkt, papa.’ Ik schrik, van wat hij zegt maar nog meer van hoe hij het zegt. Tot zover de onbevangenheid. Negen is hij, en toch voel ik me plots het kind.   De hele tijd heb ik hun ogen door het glas op mijn rug voelen prikken. Nu gaat de deur open. ‘Het bezoekuur zit er op, meneer Leo. Neemt u afscheid van uw zoon?’

Lennaert Leo
13 1

Aangevuurd

De avondklok luidde en weergalmde door het ventilatiesysteem zodat het zich verspreidde door alle kamers. Het einde van de dag voor de meeste onder ons. Ik hoorde vanuit de meisjeskamer de grote metalen achterdeuren openen. De jongens die al een week bezig waren met een gat voor een tweede zwembad te graven kwamen binnen en begaven zich naar onze slaapzaal. Alle Doorzichtigen hadden een dun matje gekregen, een van de enige dingen die we mochten bezitten. Op mijn eerste avond toen ik de slaapzaal binnen kwam zag ik dat helemaal achterin de zaal de matjes lagen. Telkens een paar matjes op elkaar. De jongens en de meisjes, zonder speciale bevoegdheden kwamen die avond als eerste de zaal binnen. Het zweet droop van de jongens hun gezicht terwijl het ijskoud was in de sobere, bakstenen zaal. Het enige beetje blauwachtig licht kwam uit een raam waardoor de maan scheen. De jongens ploften neer op de matjes en namen allen een meisje onder de arm die zich dicht tegen hun lichamen drukten. Pas na een tijdje begreep ik dat we de matjes aan de jongens gaven omdat zij het het hardst te verduren kregen en dat het tijdens de winter te koud was om alleen te slapen. Alle Doorzichtigen die mochten gaan slapen waren de gangen uit en Kia die uit haar bed was gekropen vroeg me voor de duizendste keer om te vertellen waar ze naartoe gingen nadat we voor hun hadden gewerkt. Haar bruine ogen glansden van nieuwsgierigheid, maar haar broer had mij verboden iets over de maatschappij in de villa’s te vertellen. Ze wist dat zij boven alle slaven stond en dat we daarom Doorzichtigen werden genoemd. Omdat we niet als mens beschouwd werden, gewoon gebruikt om hun klusjes op te knappen. “Hup, terug in je bed”, gebood ik haar. Ze trok een pruillip maar draaide zich toch om. Ze legde zich op haar bed en wachtte tot ik de deken over haar zou trekken. Ze was een lief meisje met geen slechte bedoelingen ook al kon ze zo genieten van de aandacht die ik haar moest geven. Ik probeerde de roze deken zo goed mogelijk over haar heen te krijgen. Dit ging veel gemakkelijker toen ik mijn linkeronderarm nog had. “Slaapt Audrey al?” fluisterde ze. Ik liep naar de andere kant van de kamer waar het hemelbed van haar jongere zusje stond. Het bruine krullende haar van haar zusje was het enige dat nog boven haar deken stak. Ik knikte naar Kia. “Ga maar gauw slapen”, zei ik. Terwijl zij indommelde, keek ik door het raam naar de volle maan die licht wierp over de bossen naast de tuin. De maan trok mijn bloed aan en fluisterde me in dat ik naar buiten moest gaan. Ik schoof het gordijn voor het raam, en moest meteen toegeven aan de drang. Mijn voeten begeleidden me naar de gang zonder erover na te denken. Op de gang was alles stil. Ik sloot de deur stilletjes achter me en wandelde de gang in. Hij was de hele nacht verlicht en liep door de hele bovenverdieping met een grote marmeren trap bekleed met rood tapijt in het midden. ‘Waar ga je naartoe?’ Ik schrok en draaide me abrupt om. Pilo keek me kalm aan en liet zijn blik even hangen bij mijn geamputeerde linkerarm. Hij herstelde zich snel en glimlachte naar mij, maar een bleef een droevige kronkel in zijn lippen. ‘Het was het waard.’ prevelde ik met mijn blik strak op de grond gericht. Ik voelde zijn fronsende blik op mijn hoofd gericht. Wat?” vroeg hij. “De arm. Het was het waard. Je weet wel, toen ik bij jou…” ik bloosde, zijn blik nog steeds op mij gericht. “Nee, ze namen te veel”, zei Pilo met een diepe stem terwijl  hij voorzichtig het littekenweefsel aanraakte. Een tinteling raasde door mijn hele lichaam. Mijn hele leven al leefde ik volledig volgens de regels die de meesters ons oplegden. Die ene keer dat ik me liet gaan en iets deed wat ikzelf wou, werd ik gestraft. Ik wist wat ze zouden doen als ik met hem gezien zou worden, met de jongste zoon van de domeinmeester die getrouwd is en een zoontje heeft. “Kom even mee naar mijn kamer”, sprak hij zacht. Nu keek ik hem wel aan. Zijn helderblauwe ogen priemden zich in de mijne. Ik was de eerste die opzij keek. De maan schitterde door de talloze ramen en herinnerde me aan de drang. Ik schudde mijn hoofd. “Ik moet gaan.” Ik draaide me om en liep de trap af naar buiten, de bossen in. De seconde nadat het maanlicht over me scheen, voelde ik de energie door mijn lichaam schieten. Ik viel op mijn knieën terwijl de energie zich vanuit mijn kruinchakra verspreidde langs mijn keel naar mijn vingertoppen en zich ontfermde over mijn andere, geamputeerde arm. De energie maakte zijn weg door het littekenweefsel en het voelde alsof het nieuw weefsel aanmaakte. Ondertussen kroop de energie verder naar mijn tenen en gaf de geamputeerde stompjes en stoot waardoor er nieuw weefsel zich ontplooide. Ik pufte nog een tijdje na de laatste energiestoot uit. Mijn huid had een ivoorkleurige glans en mijn linkeronderarm, die de domeinbeulen hadden afgehakt als straf, scheen hersteld. Mijn huid leek verlengd en vergroeid in een handschoen die helemaal van boven mijn elleboog tot over mijn vingers ging, waar helemaal geen beenderen, bloed of vlees meer zaten. Ik stond op en voelde hoe mijn geest verdrongen werd uit mijn lichaam. Mijn bloedlijn stond me toe me te kunnen herstellen ten tijde van de volle maan , maar dat was enkel en alleen omdat mijn moeder me bloed had toegediend van een vrouw met de gave. Vroeger stroomde er gewoon bloed van een slaaf door mijn aderen. Maar mijn moeder werd bang toen ze me naar een andere afdeling in de villa brachten en droeg in een nacht wat bloed van de vrouw over aan mij zodat ik de gave overkreeg. Ik wist dat ze het goed had bedoeld, maar telkens wanneer de volle maan boven me uit torende waren de gedachten van die vrouw en de mijne onscheidbaar. Ik voelde haar verdriet, kon kijken in haar verleden ,wist haar bedoelingen, maar zat vast in de huls van mijn lichaam. Ze gebruikte mij als haar marionet om wraak te nemen op de dood van haar jongste dochter die door de domeinheer was verkracht en daarna vermoord. Lopend naar een van de geheime achterdeuren van de villa, besloot ik/zij dat ik eerst langs de keuken moest. Deze zat helemaal aan de andere kant van het gebouw dus versnelde ik mijn pas. De keuken bestond uit ijzeren kasten, ijzeren tafels en ijzeren fornuizen en was helemaal verlaten. Ik begon te zoeken door de lades van de kasten, rammelde door het bestek en vond uiteindelijk een vlijmscherp mes achterin de afwasmachines. Het mes had een lemmet dat bedekt was met zwart leder en waarvan de rand juist geslepen was. Ik voelde het gewicht ervan in mijn handpalm en vertrok gewapend naar de vertrekken van de mensen in de villa. Hoe dichter ik bij de slaapvertrekken kwam, hoe ondraaglijker haar verdriet werd, hoe harder ik haar zin naar wraak kon proeven. Aangevuurd door haar verlangen sloop ik, met het mes in mijn hand, een kamer binnen waarin zij me stuurde. Een man zat voorovergebogen over zijn bureau. Door het licht van de bureaulamp kon ik enkel zijn silhouet zien. De ziel van de vrouw liet me met beide handen het mes oprichten en stapte op de man af. Hij schrok op van het geluid en draaide zich met een ruk om. Zijn helderblauwe ogen schoten open van verbazing. Mijn ziel werd wakker geschud bij het zien van Pilo. Het was logisch, de vrouw wou de domeinheer kwellen op dezelfde manier als zij gekweld was. Door het vermoorden van het jongste kind. Pilo stond op en liep op me af.  

Myrte VC
0 0

Sinterklaas kapoentje

Sinterklaas komt in hoogsteigen persoon langs bij meter en peter Valère. Meter heeft dat geregeld. Gezeten aan de rechterhand van God de Vader, hier vertegenwoordigd door ‘de pater’, regelt meter dat soort zaken. Meter heeft connecties. Meter is de sopraan van het plaatselijke kerkkoor. Niet de sopraan. Dè sopraan. De plaatselijke diva. En een gepriviligeerd lid van de kerkgemeenschap. Zo komt de pater meerdere keren per week bij meter en peter Valère in de beste zetel zitten. Meter schotelt hem dan het beste van Gods schepping voor: kaaskroketten met een schijfje citroen, Duvel en voetbal.   Natuurlijk moet er gezongen worden voor Sinterklaas. Meter in haar nopjes, de pater aan de piano en wij maar zingen:   Sinterklaas kapoentje Leg wat in mijn schoentje Leg wat in mijn laarsje Dank u Sinterklaasje.               ‘Hoor nu toch eens hoe een schone stem dat kind heeft’, verzucht meter. ‘Die klank: zo zuiver, zo puur.’   Het gaat over mij.               ‘Dat zou je toch niet verloren mogen laten gaan hé, zo’n talent!’ Meter kijkt vanonder haar wimpers naar moe.   Maar moe hapt niet toe.               ‘Je zou haar naar de muziekschool kunnen sturen’, oppert meter.   Moe hapt nog steeds niet. Ze heeft nu al schoon genoeg van meter haar gemanipuleer.               ‘Ze zou hier dan op de piano kunnen komen oefenen’, gaat meter verder.                 ‘Dan hoef je niet meteen een piano aan te schaffen.’ Nog een tersluikse blik van meter naar moe.                 ‘Allez Sinterklaas, wat drink je? Een cognac?’ Peter Valère verbreekt de kou die zich intussen genesteld heeft in de woonkamer.  

Jeanne
18 0

S.N.O.B.O.

9.10 u. Nog drie minuten. Ik haalde het kaartje uit mijn zak. Voor de tweeëndertigste keer bekeek ik het adres, dat ik inmiddels uit mijn hoofd kende. De straat klopte, het nummer ook. Boven de deur hing in afgebladerde goudkleurige letters ‘S.N.O.B.O.’, een naam die overeen kwam met de naam op het kaartje dat ik nog steeds in mijn hand klemde. Ik ijsbeerde en probeerde mezelf te overtuigen dat ik hier goed aan deed. Wat had ik te verliezen? 9.11 u. Nog twee minuten. Een kleine week geleden reageerde ik op een advertentie in de streekkrant: “Ben jij ondernemend en dynamisch? Hou je van uitdagingen? Ben je flexibel en denk je ‘outside the box’? Dan ben jij de M/V/of-iets-anders die we zoeken! Stuur je kandidatuur vandaag nog op.” Hoewel de advertentie noch specifieke vereisten noch een duidelijke functieomschrijving vermeldde, waagde ik het erop. Het voorbije jaar had ik honderdentwaalf sollicitatiebrieven verstuurd, waarvan de helft nooit beantwoord werd. Van de andere helft kreeg ik een beleefde brief terug waarin stond dat ze op dit moment geen vacatures hadden, maar dat ze mij zouden contacteren indien een gepaste functie vrijkwam. Een afwijzing meer of minder maakte me dan ook niets meer uit. Enkele dagen later ontving ik al een antwoord. Toen ik de bruine enveloppe opende, was ik voorbereid op de standaard afwijzingsbrief die ik inmiddels woord voor woord kon citeren. Tot mijn verbazing werd ik uitgenodigd voor een gesprek. 9.12 u. Nog één minuut. Ik bekeek het gebouw waar ik voor stond. Het deed me denken aan het cafeetje waar mijn sollicitatiegesprek had plaatsgevonden. Het was een onopvallend, smal pand op de hoek van een ietwat groezelige steeg waar ik in normale omstandigheden geen aandacht aan zou besteden. Ergens in een hoekje van dat cafeetje zat ik met mevrouw Boons aan een petieterig, rond tafeltje. Ze was helemaal niet geïnteresseerd in mijn capaciteiten of vorige werkervaringen. Ze stelde vooral gerichte vragen in de trant van ‘Wat als er, tijdens de werkuren, twee kabouters je vragen mee te gaan op zoek naar het einde van de regenboog? Ga je mee of niet? En indien je meegaat, wat zou je doen met jouw deel van de goudstukken?’ Toen mevrouw Boons uitgevraagd was, stak ze haar hand naar me uit. “Proficiat,” zei ze, “je hebt de job.” Verbaasd schudde ik haar hand. Ze stond recht, gaf me haar kaartje en zei: “Ik verwacht je maandag stipt om 9.13 u.” Nog voor ik iets kon zeggen, had ze zich omgedraaid en hinkelde ze het café uit.  9.13 u. Het was tijd. Ik opende de deur. Klingelingeling. “Mooi op tijd,” klonk het toen de deur achter me in het slot viel, “daar hou ik van, euh, wat was de naam ook weer?” “Billie,” zei ik. “Wel, Billie, welkom in S.N.O.B.O.” De winkel was vanbinnen groter dan je zou verwachten als je het langs de buitenkant zag. Deze stond vol met hoge rekken en kleine tafeltjes in alle mogelijke formaten en kleuren. “Vanaf vandaag wordt dit jouw territorium”, zei mevrouw Boons en wees rondom zich. “Zoals je ziet, verkopen we hier allerhande curiositeiten, van zeldzame boekexemplaren tot ongewone snoepjes tot eeuwenoude juwelen tot exotische kruidenextracten. Alles is alfabetisch gerangschikt. Hou het zo, dan vind je alles altijd gemakkelijk terug. Jouw taak simpel: je verkoopt alles wat je hier ziet en je vult de stock aan. Het maakt niet uit met wat, zolang het maar interessant is. Ik kom af en toe langs om alles eens na te kijken. Hierin,” ze duwde een dikke map in mijn handen, “zit alles wat je moet weten in verband met de openingsuren, contacten, budgetten, … Kortom, als je iets moet weten, vind je het daar wel in. Nog vragen?” Voor ik ook effectief iets kon vragen, sprak ze zelf opnieuw. “Goed zo. Alles wijst zichzelf uiteindelijk wel uit. Dit is je contract,” ze gooide een bundeltje papieren in mijn richting, “teken het en zend het op. Het adres staat op deze enveloppe.” Ze gaf me de enveloppe, het adres was er netjes opgeschreven en in de rechterbovenhoek hing al een postzegel. “De winkel opent over zeven en een halve minuut. Veel succes”, zei ze nog. Ze draaide zich om en hink-stap-sprong de winkel uit. 9. 28 u. Tijd om open te doen. Ik draaide het bordje aan de deur om zodat er nu ‘open’ stond in plaats van ‘gesloten’. Onmiddellijk, alsof er iemand op de wacht had gestaan, klonk de bel. Een man met een lange regenjas, bijpassende hoed en zwarte zonnebril strompelde binnen. Hij vroeg honderdentwee gram gedroogde zeepeperalgen. Mijn eerste klant. Ik was tegelijkertijd enthousiast, zenuwachtig en lichtjes in paniek. Zeepeperalgen, zeepeperalgen, waar zou ik die vinden? Bij de ‘Z’ waarschijnlijk. Ik liep de hele winkel door tot aan de ‘Z’. Zandsteenkoekjes, zatte goudvissen, zebrastrepen, aha hier, gevonden, tussen het zeekaravaan en de zinkmolentjes. Ik nam de grote glazen pot van het rek, hij woog zwaarder dan ik verwachtte, en hinkte ermee terug naar de toonbank. Ik zocht een plastic zakje. Ik trok de lades één voor één open, het leek alsof de toonbank alleen maar uit lades bestond. Eindelijk trok ik er één open waar er in zat wat ik zocht. “Honderdentwee gram was het, hé, meneer?” vroeg ik. De man knikte. "Mag het ietsje minder zijn?" De man knikte. “Ik heb jou hier nog nooit gezien”, zei hij. “Dit is mijn eerste werkdag. En eigenlijk ben jij mijn eerste klant.” De man reageerde nauwelijks.  “Dat is dan één zilveren zeepje en drie bronzen bijltjes, alsjeblief”, zei ik. Hij betaalde en toen hij weg was, zag ik dat zijn enorme, dikke, glibberige staart een slijmspoor had nagelaten. Ik zuchtte. Nog maar één klant gehad en ik kon al beginnen dweilen. 11.08 u. Klingelingeling. Ik zigzagde van tussen de rekken – die ik in de tussentijd aan het verkennen was – naar de toonbank. “Wat doe jij hier?” vroeg ik verbaasd toen ik de ‘nieuwe klant’ herkende. “Wat een vriendelijk ontvangst, zeg”, zei Triverius. “Ontvang jij iedereen zo? Of enkel je vrienden?” Triverius is één van mijn huisgenoten. Van nature was ze een panda, maar zij vond dat diezelfde natuur een grote fout had gemaakt. Ze zag er langs de buitenkant niet uit hoe ze zich vanbinnen voelde, als een zebra. Daarom beschilderde ze haar vacht met zwart-witte strepen. “Nee, natuurlijk niet”, zei ik. “Wat vind je ervan?" "Ziet er tof uit", zei ze terwijl ze rondkeek. "Wat kom je eigenlijk doen?" vroeg ik. "Je steunen op je eerste werkdag", zei Triverius. "Echt?" vroeg ik sceptisch. "Natuurlijk", zei ze met gespeelde verontwaardiging. "En Faro? Slaapt die nog?" vroeg ik. Triverius knikte. Faro is een andere huisgenoot en tevens mijn beste vriend sinds, sinds altijd eigenlijk al. Hij werkte op dat moment als nachtwaker in een ijssalon. Hoelang dat nog zou duren, wisten we toen nog niet. Zijn vorige job als snoepverkoper was hij al na anderhalve dag kwijtgespeeld. In plaats van de snoep te verkopen, bouwde hij er kastelen, ridders en snoepspuwende draken mee die niemand dan mocht aanraken. "En Carioca?" vroeg ik. "Die zit op het dak te mediteren. Hij wil niet gestoord worden." Carioca was mijn derde huisgenoot. Hij was sjamaan van opleiding, maar zat nu in een periode dat hij niet goed wist wat hij wou doen. Daarom hield hij zich de laatste tijd vaak bezig met mediteren, dan kon hij beter nadenken. "Dus eigenlijk kom je langs omdat je je thuis verveelt?" "Zo kun je het ook stellen, ja." "Dan heb je geluk. Ik ben daarjuist iets tegengekomen dat perfect zou zijn voor jou.” Ik kronkelde terug naar de ‘Z’ en zocht de rol met ‘zebrastrepen’. “Wat denk je hiervan?” vroeg ik. “Dat zou echt goed van pas komen”, reageerde ze enthousiast. “Hoeveel denk je nodig te hebben?” “Zo’n twintig vierkante meter zal wel voldoende zijn.” “Dat is dan vijf zilveren zeepjes en twee bronzen bijltjes.” “Amai, dat is ook niet goedkoop. Kan je er geen vriendenprijsje van maken?” “Dat kan ik echt niet maken, het is mijn eerste werkdag. En daarbij, denk aan al de verf die je nu gaat uitsparen.” Klingelingeling. Een nieuwe klant sprong naar de toonbank. Ondanks zijn zwanennek torende hij er nauwelijks boven uit. Dat had veel te maken met het feit dat die nek balanceerde op een geel-bruin gestreept kattenlijfje waar twee kikkerbilletjes onder uit piepten. “Je bestelling ligt klaar”, zei hij met een verbazend diepe, hese stem. “Welke bestelling?” vroeg ik. Hij negeerde mijn vraag compleet. “Je kan ze op dit adres komen halen.” Hij gaf me een dubbelgevouwen A8’tje. Ik leunde naar voren om het aan te nemen. “Ik zal het straks, tijdens de middag komen ophalen. Dan is de winkel toch gesloten.” “Ik zal het doorgeven”, zei de koerier en hopte terug naar buiten. 11.59 u. Ik draaide het bordje ‘open’ terug om naar 'gesloten'. Mijn eerste halve werkdag zat er al op. Al bij al was alles goed meegevallen. “Moet je echt nu gaan?” vroeg Triverius. “Ik had gehoopt dat we samen iets konden gaan eten over.” “Ik moet wel. Het is een bestelling voor de winkel”, zei ik. “En daarbij, het is niet ver. Volgens dat briefje is het in deze straat. Het zal wel niet zo lang duren.” “Ik ga mee”, zei Triverius. “Ik kan je helpen dragen.” “Klinkt goed”, zei ik. Ik had helemaal geen idee hoe groot of hoe zwaar die bestelling zou zijn. "En dan gaan we erna snel iets gaan eten." 12.07 u. We stonden voor de deur. Er hing een briefje op: Gelieve bestellingen achteraan af te halen. We gingen langs achteren en kwamen terecht in een enorm magazijn. Een kangoeroe met een oranje, papieren hoed en paarse strik huppelde ons tegemoet. “Euh,” begon ik aarzelend, “ik kom een bestelling ophalen.” “Naam?” vroeg de kangoeroe. “Billie”, zei ik. Ze nam een klembord uit haar buidel en overliep een lijst. “Die bestelling staat wel niet op mijn naam”, zei ik. De kangoeroe zuchtte. “Op wiens naam dan wel?” vroeg ze. “S.N.O.B.O. Of misschien Boons”, zei ik. “Mevrouw Boons?” vroeg de kangoeroe. Ik knikte. “Ah, ben jij de nieuwe?” Ik knikte opnieuw. “Aangenaam, ik ben Akila.” Ze stak haar poot uit. “Adriaen!” brulde ze. Een oudere man met felgekleurde hanenkam kwam aansloffen op schoenen die minstens maat 48,7 moesten zijn. “De bestelling voor mevrouw Boons”, zei Akila. De oudere man schuifelde weer weg. “Hoelang werk je er al?” vroeg ze toen Adriaen uit het zicht verdwenen was. “Vandaag is mijn eerste dag”, zei ik. Ze bekeek me van top tot teen. “Succes”, zei ze. “Dank je”, zei ik. “Tot nu toe is alles vlot verlopen. De rest zal ook wel meevallen.” “Misschien. Ik hoop dat je het langer volhoudt dan de anderen.” “Hoezo?” vroeg Triverius. “Wel,” zei Akila en ze dacht eventjes na, “eentje is het na een uur afgestapt omdat hij bijna werd opgegeten door een verzameling kikvorsschorpioenen. Een ander had een gaslek veroorzaakt en heeft het niet overleefd. En je directe voorganger is verloren gelopen in het doolhof dat achter de winkel ligt. Allez, dat denken we toch. We hebben hem nooit meer teruggezien.” Ondertussen kwam Adriaen terug met drie kartonnen dozen “Hoeveel weegt het?” vroeg Akila aan Adriaen. “Drie kilo tweehonderdzevenenvijftig en een half.” “Dat zijn dan drie opdrachten”, zei Akila tegen me. “Hoe bedoel je?” vroeg ik niet-begrijpend. “Zoals ik het zeg. Je bestelling kost drie opdrachten. Jij voert die uit en dan kan je je dozen meenemen.” “Dat gaat toch niet te lang duren?” “Wees gerust. Het zijn drie kortjes. Klaar voor opdracht één?” Ik knikte. Akila gaf me een groot blad groen papier. “Hier”, zei ze. “Maak er een mooie hoed van.” Dat was niet zo moeilijk. In één, twee, drie had ik dat blad papier omgevormd tot een prachtig hoofddeksel. Akila nam het aan, keurde het grondig, gooide haar oranje hoed weg en zette de nieuwe op haar hoofd. “Opdracht één heb je volbracht”, zei Akila. De tweede opdracht luidde als volgt: ‘Zing van achter naar voren Altijd is Kortjakje ziek terwijl je op en neer springt op één been en je armen in de lucht houdt.' Dat klonk gemakkelijker dan het was. Ik ben drie keer opnieuw moeten beginnen. "De derde en laatste opdracht is," zei Akila, "sta langer stil dan die lantaarnpaal." “Welke lantaarnpaal?” vroeg ik. “Die daar.” Akila wees naar een paal die enkele meters verder in een hoek stond. “Dat meen je niet? Dat duurt eeuwen.” “Je kan de bestelling ook hier laten.” “Nee nee, ’t is al goed.” Ik positioneerde me zo comfortabel mogelijk en bleef stil staan. Ik bleef staan en bleef staan om daarna nog wat langer onbeweeglijk stil te staan. Ik begon kramp te krijgen in mijn rechterkuit en mijn neus begon te kriebelen. Na wat wel een eeuwigheid leek, moest de lantaarnpaal niezen. Wat een geluk voor mij. “Voilà, de betaling is in orde”, zei Akila. “Tot de volgende keer.” 18.13 u. Ik kwam thuis en een geweldige geur drong mijn neusgaten binnen. "Het ruikt heerlijk", zei ik. “Het is je lievelings,” zei Faro, “gebakken spruitvogelfilet.” “Mmm”, likkebaarde ik. “Het is bijna klaar”, zei hij. “Triverius,” riep hij, “dek jij eens de tafel.” “Wat denk je ervan?” vroeg Triverius toen ze de keuken binnenparadeerde. “Het staat je prachtig”, zei ik. Ze had de lap zebrastrepen die ik haar had verkocht, omgetoverd tot een prachtig pak. “Hoe was je eerste werkdag eigenlijk?” vroeg Faro. “Nog bestellingen moeten afhalen?” “Nee, gelukkig niet”, zei ik. “Nog veel verkocht deze namiddag?” vroeg Triverius. “Dat viel mee. Enkele giftige reuzenpaddenstoelen, een paar doorgespoelde goudvissen en wat zure zoethoutstokjes”, zei ik. “Zit Carioca nog altijd op het dak?” Triverius schudde haar hoofd. “Hij zit nu in de kastanjeboom.” “Moeten we hem niet gaan zeggen dat het eten klaar is?” vroeg ik. “Hij wou absoluut niet gestoord worden”, zei Triverius. “En daarbij, als hij honger krijgt, zal hij wel naar beneden komen.” “We kunnen aan tafel”, zei Faro. Eindelijk. Ik scheurde van de honger.

Jenna
0 0