Zoeken

Wat ik je niet zeg

Op een bank in de tuin. Zo zie ik je kijken: alsof de anderen merkwaardige wezens zijn. ‘Ze zijn hier allemaal oud,’ zeg je en je vergeet dat je zesentachtig bent. ‘Die man,’ zeg je, en je wijst met je kin naar mijnheer Fort, ‘Die is toch niet ziek? Waarom is hij hier?’ Ik heb niet meteen een antwoord. Nee, hij is niet ziek. Hij loopt kaarsrecht en zonder stok het rolstoelpaadje op en neer. Dan wijs je zonder gêne naar mevrouw Paule. ‘Weet je hoe oud die is? Tweeënnegentig. Ze heeft een tijdje in een rolstoel gezeten, maar nu loopt ze weer rond.’   ‘Laten we wat wandelen,’ stel ik voor. Je hijst je op aan je looprekje. Het geëffende pad loopt langs grasveldjes en oude bomen en een lange rij lavendelstruiken onder de ramen van de kamers op het gelijkvloers.   Wat ik in de achterste kamer zie, vertel ik je niet. In het bed ligt een magere vrouw, met ingevallen wangen, de ogen gesloten, een verpleegster wisselt het infuus. Jij houdt je blik op de grond en je schuifelende voeten.   Wat ik in de voorste kamer zie, vertel ik je niet. Een koffer op een bed. Iemand is aangekomen of weggegaan.   Op een bank in de tuin. Wat jij ziet, zie ik anders. Of is het omgekeerd? Ik zie een vrouw die een rolstoel duwt. Moeder en dochter, ze lijken sprekend op elkaar. ‘Wat erg als je zo’n kind hebt,’ zeg je. Soms spreek ik je tegen. Vandaag niet. De dochter van mevrouw Berjoan duwt haar moeder voort met iets dat tussen kranigheid en moed der wanhoop ligt. Ze komt hier al zeven jaar op bezoek, drie keer per week.   ***   Als het killer wordt, wil je niet meer naar buiten. We blijven in je kamer praten over mijn kleine en jouw nog kleinere wereld. Er wordt aarzelend geklopt op de openstaande deur. De dochter van de rolstoelvrouw wenkt mij. ‘Kom kijken, zegt ze, ze is dood.’ Alsof ze het hardop moet zeggen om het te geloven. ‘Het is net gebeurd,’ zegt ze.   Daar ligt mevrouw Berjoan, nog niet gefatsoeneerd, het hoofd achterover, de mond open. Als verstild in volle overgave.    Dat zeg ik je niet, waaraan ik moest denken, toen ik haar zo zag. Aan dingen waarover we nooit spreken. Omdat ze niet van onze taal en ook te lang geleden zijn.

Christine Van den Hove
57 0

Icarusskelet

Nu kon hij ademhalen. Over een paar uur zou hij weer aan deze deur staan en ze dichtdoen aan de andere kant. Dan zou het hopelijk muisstil zijn als hij binnenkwam. Maar vaak was het er net heel lawaaierig. Overdreven uitgelaten. Gespeeld bezorgd. Fake familie in een nest van doodgeboren vogels. Hun lijken rotten mijn gevederde huid weg, hun sterfte verzwart mijn leven. Had ik maar de kracht om mijn vleugels open te slaan naar een grote, witte maanbol. Naar de basis van het menselijk denken. Een witte schedel met hersenen als kraters. En vooral, ruimte om te groeien zonder te verschrompelen in de schaduw van monsters. Ik zou naar de maan vliegen en niet naar de zon, want dan zouden mijn vederen branden. Dan zou ik neerstorten in een oude legende van een slimme vader en een domme zoon... Een Icarusskelet in een doodgeboren vogelnest. Ooit geleefd maar doodgestorven. Uitgevlogen in een wanhoopsdaad niet te sterven in een ademtekort. Wie kan Icarus dat kwalijk nemen?   “Niemand”, leek de kat van de buren te wenen. Het was een pikzwart beest. Jasper kon alleen maar raden waar ze zat door het geluid achterna te horen. Daar zat ze. Rechts van hem. De kant waar hij niet naartoe ging. Naast een autoband. Twee blinkende parels in een sterreloze nevelnacht.   De buurt was omgeven van de katten, en kikkers. Bijna geen honden. Jasper haatte honden. Die afgunst lag niet aan het dier zelf, maar aan de mensen die het dier bij zich hadden huizen. Mensen met een hond waren achterdochtig, gemeen, conservatief. Alles wat ze tegenkwamen, wilden ze in vakjes denken, in hokken. Iedereen wilden ze aan de leiband. Binnen handbereik. Ze voederden mensen met gedachten opdat ze zouden gehoorzamen. Ze wilden iedereen rond hun vingers draaien met één grote leiband. Ze probeerden mensen te conditioneren. Mensen met een kat waren waren helemaal anders. Zij gaven liefde als de geliefde erom vroeg. En vooral ...     gunden ze vrijheid. Want een kat laat je buiten. Van een kat raap je de stront niet op achter haar gat. Een kat is één van de weinige dieren die de mens vrijlaat. Althans sommige mensen. De ergsten zijn zij die... ook een kat aan de leiband binden, en er dan mee gaan wandelen. Hun persoonlijke mini-tijger. Een dompteur in een burgercircus. En toch, ... blijft het de meester die achter de slaaf aan loopt. Of loopt de echte meester vooraan? Aan de leiband.   De kat sloop onder de auto uit en liep Jasper voorbij. Hij besefte dat hij overdreven lang naar het beest had gekeken. En dit was het sein. De kat vond zijn glurende blik welletjes geworden.   “Genoeg,” scheen de staart te schrijven in het duister.   Jasper keek het dier na, dat de straat en stoep als fluweel bewandelde. Stoer. Met de schouders afwisselend hoog en laag. Links hoog – rechts hoog – links hoog – rechts hoog. Het stoere bokserspasje werd één van de vele donkere vlekken in de scène van deze nacht.

Han Hartmoed
0 0

De rit van je leven

Mijmeringen Muziek helpt me door moeilijke tijden. Het is de trouwe metgezel die niet blaft als er eten in de buurt is. Het is de vrouw, zoiets moois kan uiteraard alleen van het sterke geslacht zijn, die me altijd binnenlaat, zelfs nadat ik net haar beste vriendin heb binnengedaan. De vrouw voor wie alcohol wel een geldig excuus is. Ze versterkt je gevoelens, positief én negatief, maar laat je altijd achter met hoop. Hoop doet leven. De ingeslagen weg De laatste tijd luister ik vaak naar muziek. Het is een signaal dat ik niet mag negeren. Muziek is naast al het voorgaande ook slechts een oplapmiddel, geen remedie. Het valt in dezelfde categorie als sporten, lang vergeten hobby's hervatten en begraven dromen oprakelen. Het helpt je weer een dag verder in de zoektocht naar en aanvaarding van jezelf. Bijna iedereen onder ons komt tijdens zijn of haar korte tijdspanne op onze blauw-grijze bol op dat punt, sommigen zelfs meermaals. Het punt waarbij we ons afvragen, wie we zijn, of we gelukkig zijn met de weg die we zijn ingeslagen, of het gras aan de andere kant écht niet groener is. Het punt waarop je je heel eenvoudig kan verliezen, jezelf schouderklopjes gevend voor de moed die zo'n beslissing vergt, niet beseffend hoe verregaand de implicaties van beslissingen tijdens zo'n emotionele rollercoaster kunnen zijn. Learn, adapt, evolve. Toch is het dit keer anders. Ik ben ondertussen in een ander station aangekomen tijdens de dolle rit die ons bestaan is. Ditmaal blijf ik mijn gevoelens, ondanks continue impulsen, zo veel als menselijk mogelijk beheersen. Niet alleen omdat ik zelf weinig aan de uitkomst kan veranderen, ook uit puur zelfbehoud. Je zou het volwassenheid kunnen noemen, ik houd het liever op een ingebakken stukje overlevingsdrang. Ik word natuurlijk ook ouder, wat niet noodzakelijk wijzer betekent. Er rest me steeds minder tijd. Naast het zelfbehoud, is er dus ook sprake van egoïsme: ik wil geen tijd meer verliezen aan een hopeloze strijd. Daartegenover staat dat ik des te harder wil vechten voor de ster die altijd extra schittert wanneer ze aan mijn firmament verschijnt. De verlegen, onzekere parel, die net dat duwtje in de rug nodig heeft om helemaal open te bloeien. De eenzame schoonheid die me voor de volle honderd procent kan gelukkig maken. Vechten is soms ook negeren, al je natuurlijke instincten laten voor wat ze zijn en de andere kant uitkijken wanneer de schittering helderder aanwezig is dan ooit tevoren. Het is schoonheid de tijd geven om zichzelf te waarderen en toe te geven klaar te zijn voor het gewone geluk, zonder de letterlijke prins op het witte paard die haar meeneemt naar verre landen, maar die de parel doet opengaan bij de energie die ontstaat als het gevecht uiteindelijk door een duo-eenheid wordt beslecht. Het langste spoor Twee weken lijkt een niemendal, verwaarloosbaar is het groter geheel van het zijn. Twee weken wegkijken, zelfs twee uren, lijken echter eindelozer dan het wachten op een snoepje voor een kind van een jaar of drie. Twee weken van zweven tussen hoop en angst. Hoop doet dus, zoals zo vaak al beschreven in menig klassieker, leven. Hoop op een toekomst, op een teken, hoop dat we allemaal onze ster tegen komen die we extra kunnen laten schitteren. Gelukkig vinden we uiteindelijk allemaal onze weg, naar tranen en geluk, naar eenzaamheid en liefde, tijdens een rit die af en toe een panne heeft, noodzakelijke onderhoudsbeurten durft over te slaan en nooit echt stopt. Een rit die maar in één richting verder dendert en voor iedereen op dezelfde manier eindigt. De rit van je leven.

Zielvlieg
14 0

Strabismus

Bruin brood mocht dan wel gezond zijn, maar dat had Valère genoeg moeten eten in de oorlog, tussen het schuilen voor de bommen door.   Nu waren hij en Mariette al lang op pensioen en woonden ze op de vierde verdieping van een chique appartementsblok, waar het leek alsof ze elke dag aan zee waren. Zo was haast alles op een kilometer afstand en vlogen er zelfs meeuwen. Maar zonder de dagtoeristen, dure zeetongen of gezonde jodium. En geen zee, natuurlijk.   De ligging van hun hoekappartement gaf hun veel bekijks. Er waren de mensen van het café, de steenweg met interessant verkeer, de stoet van schoolgaande kinderen, en het plein waar elke maand een groot evenement plaatsvond.   Terwijl Mariette de restanten van een zonsopgang aanschouwde, omhelsde Valère haar. In de hoekramen zag hij twee oude mensen staan. Veel ouder dan hij zich voelde. Hij nam haar handen vast. Ouderdomsvlekken. Streelde haar zachte oude vel. Rimpels. Lang kon hij haar niet vastnemen. Dat deed pijn.   ‘Daar,’ zei Mariette, ‘kan je het zien? Ons oude huis.’   Een jaar geleden hadden ze nog in een villa gewoond. Met een tuin. Maar Valères slechter wordende gezondheid had hen gedwongen doen verhuizen naar wat hij als hun laatste halte beschouwde. Althans de zijne. Was dit het dan?   De kerk konden ze niet zien vanuit hun appartement, maar hij begon er meer en meer aan te denken. Hij maakte zich ongerust dat niet alles in orde zou zijn op zijn begrafenis. Dat er mensen te laat zouden zijn, dat…   ‘Kom, Valère, het is tijd om te winkelen.’ Mariette nam haar zakdoek, dipte die op haar tong, en veegde zijn mondhoeken proper. ‘Je hebt daar nog wat soldatenkoek hangen,’ zei ze vastberaden. Die gewoonte van haar was begonnen in de tijd dat ze nog jonge kinderen hadden. Nadat die hadden leren eten had ze haar opvoeding verder gezet op Valère. En nu deed ze het vele keren per dag, want het dik speeksel dat zich ophoopte in zijn mondhoeken vond ze wansmakelijk.     Eenmaal in de wagen, reden ze de parking uit zonder blikschade, wat Valère normaal optimistisch stemde. Maar niet vandaag, want dat onbehaaglijk gevoel van de laatste tijd bekroop hem weer.   Zijn vrouw reed niet meer met de auto sinds ze dertig jaar geleden eens gebotst was. Zou ze het ondertussen verleerd zijn?   ‘We moeten voortmaken,’ zei zij, ‘want straks komt de oudste van ons Pascale de computer maken.’   Dat maakte Valère nog zenuwachtiger. ‘Hoeveel tijd hebben we dan om te winkelen?’   ‘Een uur.’   ‘Maar, bel hem dan dat we nog maar net vertrokken zijn naar de winkel. Een uur… Mariette, dat is te kort.’ Hij hapte naar adem.   ‘Doe dan voort,’ zuchtte ze.   Iets later kwamen ze aan bij de winkel die eigenlijk erg dichtbij was, maar toch te ver om de boodschappen te voet naar huis te dragen.   Bij het uitstappen stootte Valère weeral zijn hoofd. Hij vloekte, en voelde aan de bult die al jaren was overgroeid door een grote gebarsten korst.   Tot enkele weken geleden spraken ze nog af met een bevriend koppel aan de winkel om een koffie te drinken in het café ernaast. Maar de man was nu dood. Voor diens begrafenis had de weduwe, Irma, gevraagd kleurrijk gekleed te komen. Dat had Valère geweigerd uit principe, maar Mariette had hem ertoe verplicht.   Mariette leek zijn gedachten te lezen. Plots zei ze: ‘We zouden nog eens moeten afspreken met Irma. Ze zit veel alleen de laatste tijd.’   Valère gromde. Hij had met Irma doen, maar het zat hem nog altijd dwars. Een onnozelaar in een kanariegeel kostuum. Op een begrafenis! Hij had verdomme zijn been stijf moeten houden!   Er was slecht weer op komst. Voorzichtig stapten ze naar de schuifdeuren. Vorig jaar was hier nog een vriendin van hen gevallen. De heupoperatie had haar op slag tien jaar ouder gemaakt.   De manier waarop Mariette een winkel binnenkwam deed Valère altijd denken aan de kippenren van zijn vader zaliger. Kop naar voor en achter. Loshangend nekvel. En kakelen.   Nadat ze nog eens met haar zakdoek langs zijn mond had geveegd, ging ze naar de beenhouwer. Dat betekende dat Valère een kar moest nemen om dan bij haar te gaan wachten. Als een onnozelaar.   Al jaar en dag kwam hij in deze winkel, maar de jeugdige bediende aan het rek met karren had hij nog nooit gezien. Die zei: ‘Meneer, kan ik u helpen?’   Valère knikte eens nors terug, wilde een kar nemen, maar die blokkeerde even.   De bediende kwam dichterbij en riep nu in zijn oor. ‘Kan ik u helpen, meneer?’   Valère was geïrriteerd, maar wist niet wat zeggen. Hij vond het steeds moeilijker om te praten tegen nieuwe mensen.   De bediende kwam nog wat dichter en legde begripvol een hand op Valères schouder. ‘Kan ik u helpen, meneer?’   Maar Valère voelde zich getutoyeerd. Hij schudde kwaad zijn hoofd en zijn oude schoolmeesterstem haalde de bovenhand: ‘Het lukt, dank u!’ Hij rukte de kar los en duwde die rakelings voorbij de bediende.   Hij voelde zich opgejaagd. Zijn hart klopte luid en onregelmatig in zijn borst. Hij sloeg in paniek en begon te trillen. En plots… zag hij alles wazig.   Wankelend, steunend op zijn kar, schuifelde hij naar de beenhouwer. ‘Mariette,…’ lispelde hij.   Maar die was druk aan het kakelen.   ‘Heb je het gehoord van Gilbert?’   ‘Ja. In zijn slaap.’   ‘Dat is nog een schone dood.’   ‘Mariette!’   Toen die zich eindelijk omdraaide, slaakte ze een gil. ‘Valère!’   Ze hadden nog nooit zo snel gewinkeld. En de hele tijd had hij niet mogen opkijken van zijn vrouw. Zij had de kar gereden. Zij had betaald. En toen ze bij de auto waren gearriveerd, had zij ook alle boodschappen ingeladen. Allemaal erg ongewoon, maar de ernst begon hem pas te dagen toen zij haar hand had uitgestoken. ‘Sleutels.’   ‘Je hebt al dertig jaar niet meer gereden,’ kreunde hij.   ‘Jaja, sleutels.’   Hij was niet graag passagier. ‘Wat scheelt er met me, Mariette? Ik ben echt niet goed.’   Ze fronste bezorgd.   Eenmaal op het appartement had hij niet de typische ziekenverzorging gekregen. Geen thee, geen pijnstiller, geen lieve woorden.   Mariette stapte uit de slaapkamer met haar maquillagespiegel. Ze aarzelde even, maar hield die dan toch voor Valères gezicht.   En toen zag dat hij scheel keek. Als een otter. Twee keer.   Mariette nam de telefoon.   ‘Wacht!’ zei Valère, ‘wat ga je doen?’   ‘De dokter bellen, tiens. Je kijkt scheel als een onnozelaar. Dat is toch niet normaal?’   Hij zei koppig: ‘Ik ga niet in die wachtzaal zitten.’ Maar Mariette was al aan het bellen.   Ze legde af en zei: ‘Vanavond hebben we een afspraak.’   ‘Maar…’   En ze gaf hem een zonnebril.   ‘Voor straks?’   Ze lachte krampachtig. ‘Zet hem nu ook al maar op. Werkelijk, het is geen zicht.’     Hoe ouder je wordt, hoe meer je naar de dokter zou moeten gaan. Maar elke keer dat je gaat, kan die nog minder doen dan de vorige keer. Daarom at Valère elke dag een appel om gezond te blijven. En een soldatenkoek.   Hij wist dat hij een ondraaglijk humeur had vertoond de laatste weken. Iedereen had ervan moeten lusten. Zijn vrouw, kinderen, kleinkinderen, schoonfamilie, … Zelfs zijn vrienden wilden niet meer met hem kaarten.   ‘Ogen open!’ zei Mariette streng. Een nieuwe dag en weer druppels in zijn ogen, zodat hij niet dubbel zou zien.   Mariette fronste, pakte haar zakdoek en wreef zijn mondhoeken schoon.   ‘Nee!’ zei hij plots en hij sloeg haar hand weg.   ‘Valère!’ riep Mariette geschrokken.   ‘Ik ben geen gehandicapte! Stop met me zo te behandelen!’   ‘Kalm, Valère, …of-’   ‘Of wat? Of ik ga nog scheler kijken? Veel scheler dan dit kan het nochtans niet. Verdomme.’   Hij stapte naar de hoek van het appartement tussen de twee vensters en keek naar het begin van een miezerige ochtend. Hij hoorde Mariette naar de keuken stappen en met gerief beginnen rommelen.   Zijn vrouw had auto gereden, klussen gedaan, … Alles wat zijn pensioen nog betekenis had gegeven de voorbije jaren was uit zijn handen ontnomen.   En hij was dingen gaan vermijden uit schaamte. Zo was hij al weken niet meer mee gaan winkelen.   Mariette kwam uit de keuken en haalde diep adem. ‘We moeten naar de winkel,’ zei ze gerepeteerd.   Het woord viel als een bom.   Even wachtte ze nog, maar zuchtte dan, en nam de autosleutels al van de haak. Ze leek zo kwetsbaar.   ‘Wacht…, Mariette…’ zie Valère, en hij stapte naar haar toe, wreef over haar zachte handen, en nam de sleutels. ‘Laat mij gaan. De dokter zegt dat ik het kan.’   Haar gezicht klaarde op. ‘Hier is het lijstje.’   Hij winkelde niet graag alleen, maar deze keer stond er veel op het spel.     Moe van de autorit, maar tevreden van de overwinning, was de winkel donker met zijn zonnebril. Hij nam een kar en negeerde de jonge bediende die in de buurt stond.   Ze hadden de laatste weken blijkbaar de opstelling van de rayons en de producten gewijzigd. Verdomme, dacht hij, niet nu.   Iets later zat hij nog maar in de helft van zijn lijst en was hij al uitgeput. Hij zocht naar de soldatenkoeken, maar die leken wel verstopt tussen een massa andere merken. Overdaad. In mijn tijd waren soldatenkoeken nog genoeg.   Hij deed zijn ogen dicht om de gonzende hoofdpijn te sussen, en probeerde de juiste koeken te vinden door de verpakking te betasten. Gebukt en gehurkt. Zijn hele lichaam deed nu pijn.   ‘Meneer?’ vroeg plots een fijn stemmetje. ‘Kan ik u helpen?’   Hij deed zijn ogen open en zag een lief meisje van zo’n tien jaar. Voor de eerste keer in weken deed hij zijn zonnebril af.   Dat deed het meisje vrolijk hardop lachen. En ze stopte niet.   Eerst voelde hij zich beschaamd. Maar haar lach was zo aanstekelijk dat al snel de tranen uit zijn ogen stroomden. De pijn ebde weg.   ‘Ik zoek soldatenkoeken,’ zei Valère na een tijdje.   Prompt pakte het meisje een doos koeken uit het rek en gaf die aan hem. ‘Ziezo!’ En ze dartelde weg.   ‘Bedankt,’ fluisterde hij na.   En thuis zou hij merken dat het geen soldatenkoeken waren, maar zachtere koeken met een zoete smaak, en een kinderachtig beertje op de verpakking. Maar hij zou die opeten met smaak.   En erna zou Mariette zijn mondhoeken mogen afvegen.      

Han Hartmoed
0 0

Concha's kinderen

Heeft de trein naar Prades vertraging of heeft ze hem gemist vandaag? Concha kijkt eerst naar de stationsklok, dan naar het elektronisch bord en besluit dan dat hij te laat is. In ieder geval later dan gewoonlijk. Op het perron staat niemand aan wie ze het kan vragen, behalve de twee jongetjes die net als zij elke woensdag de trein nemen en bij de tweede halte, in Saint-Feliu-d’Avall, al uitstappen. Het lijkt niet erg praktisch om aan hen te vragen of ze soms weten of de trein vertraging heeft, maar ze gaat toch dichterbij staan. Ze willen immers op dezelfde trein en er is duidelijk iets niet in orde.   Nu verschijnen er rode cijfers naast het vertrekuur op het elektronisch bord. ‘Hij heeft acht minuten vertraging,’ zegt de oudste jongen half tegen zichzelf, half tegen haar. Ze knikt. Er is iets vreemds aan de jongen. Iets dat haar nieuwsgierigheid wekt en haar tegelijk op afstand houdt. Het zijn de flipflops, denkt ze eerst. Het zijn slippers met goudkleurige bandjes, een maat te groot. Misschien zijn ze van zijn moeder, denkt Concha en in gedachten ziet ze een vrouw die haar kind goudkleurige slippers doet aantrekken omdat hij de trein moet halen en hij zijn sandalen niet vindt. Het zijn die kleren ook, dat gebloemde hemd op een geruite short. En dat gezicht van die jongen. Het zijn de tanden. Nu ziet ze het. Hij heeft erg grote tanden.   De jongen glimlacht naar haar. Aan zijn gestalte schat ze hem een jaar of tien. Maar dat gezicht, die oplettende ogen, hij lijkt ouder. Het broertje -zou het zijn broertje wel zijn?- ziet er heel anders uit. Een bleek gezichtje, grote donkere ogen, lange wimpers. Een kind dat nog een kind is. Hij komt naast haar staan en pakt haar hand. Het handje plakt. Ze wil het van zich afschudden maar doet het niet.    ‘Oma,’ zegt het kind. Ze schrikt. Zie ik er zo oud uit? Ze probeert het handje los te laten, maar het houdt stevig vast. Het broertje komt ertussen.  ‘Laat los, Audric! Dat is oma niet. Oma is dood.’ Hij kijkt haar verontschuldigend aan. De trein dendert het station binnen. Acht minuten geleden waren ze nog vreemden voor elkaar. Nu stappen ze op, met hun drietjes. De oudste voorop, dan Concha met Audric aan haar hand.   ***   Voor de kinderen maakt de richting niet uit. Concha zit graag met de rug naar Perpignan en het gezicht naar Prades. Weg van haar werk in het rusthuis waar ze al vierentwintig jaar de vloeren dweilt en de badkamers poetst. Op weg naar haar appartement in Prades, met het gezellige terrasje achteraan en de smalle keuken waar ze vanavond fideuà zal koken voor haar zoon Enrique.             Ze kan nu niet denken aan Enrique en aan wat ze nog moet kopen voor het avondeten -zure room niet vergeten- want de kleinste klimt op haar knieën. Hij knijpt in haar been tijdens het klimmen en het doet pijn, maar nu ze weet dat hun oma dood is, kan ze het niet over haar hart krijgen om hem meteen van haar schoot te tillen. Audric zoekt een plekje dat lijkt op het plekje van oma, ergens in het midden van haar dijen, zodat hij stevig zit en zijn hoofd tegen haar schouder kan leggen zonder om te vallen. Concha’s handen willen hem helpen, hem tegen haar lichaam trekken, maar ze laat haar handen op de zitbank rusten.   Ze vraagt aan de oudste jongen hoe hij heet. De trein zoeft en de wagon rammelt, daarom komt hij naast haar staan.  ‘Fabien,’ zegt hij in haar oor. Fabien en Audric. Ze vragen haar niet hoe ze heet. Voor Audric is ze ‘oma’.   ‘Ben jij een oma?’ vraagt Fabien. Ze schudt haar hoofd. Ze liegt. Ze weet meteen dat ze liegt, ze was het niet vergeten, maar het is te laat, ze heeft haar hoofd geschud. ‘We moeten eruit in Saint-Féliu,’ zegt Fabien. ‘Wonen jullie daar?’ vraagt ze, om iets te vragen, om iets te zeggen, om niet meer te moeten liegen.  ‘Mama woont daar,’ zegt Fabien, ‘en papa woont in Perpignan’. ‘En wij wonen in de trein.’ Hij lacht zijn grote tanden bloot om zijn eigen grapje. Hij blijft naast haar staan in het gangpad, de voeten gespreid om zijn evenwicht te bewaren. Als de trein schommelt, houdt hij zich even vast aan de rugleuning van de bank waarop ze zit. Maar als hij in evenwicht is, houdt hij de handen in zijn zijde. Nog iets wat hem ouder doet lijken, alsof hij gehaast is om bij de grote mensen te horen.   Concha voelt zich ingepalmd, overmeesterd. Ze is te verbaasd om te denken en nog vragen te stellen. Fabien vertelt, de handen op de heupen, over mama’s huis met een tuin en een notelaar, waar ze straks noten zullen rapen -de afgelopen dagen zullen er weer veel gevallen zijn- en waar ze zullen wachten op mama, in de tuin of bij de buurvrouw soms. Audric ligt nog steeds tegen haar schouder. Een handje -niet het kleverige- dwaalt rond haar hoofd, voelt aan haar oorbel en aan de clip in haar haar. De kam komt wat los. Straks, als ze uitgestapt zijn, zal ze haar kapsel wel weer in orde maken   ***   In Saint-Féliu staan ze te zwaaien. Ze blijven zwaaien tot de trein zuchtend optrekt. Concha zwaait tot ze kramp in haar arm krijgt, tot ze uit het zicht zijn.   Waar was ze gebleven? Bij Enrique die vanavond komt eten en de fideuà die ze voor hem zal koken. De inktvis ligt al in de koelkast, vermicelli heeft ze altijd in huis. Witte wijn en zure room moet ze nog halen. Enrique zal haar ophalen en ze zullen samen boodschappen doen. Ze zal zich weer ergeren aan zijn sloomheid. Van wie heeft hij dat? Ze kan zich nauwelijks zijn vader herinneren. Hij was al weg voor zijn zoon geboren werd. Als Enrique nu eens een vrouw vond, een fijne jonge vrouw, een schoondochter. Ze zouden nog kinderen kunnen krijgen. Enrique en de schoondochter die ze in gedachten heeft, ze probeert het zich voor te stellen, maar het werkt niet. Enrique en een vrouw. Het zou een wonder zijn. En dus onmogelijk.   Bijna even onmogelijk als zelf nog kinderen krijgen. Er komen geen kinderen meer. Ook al liegt ze dat ze geen oma is, ze heeft er de leeftijd voor. Ook al ziet ze er jong uit, draagt ze jeans en sneakers, verft ze haar haar donkerrood en draagt ze grote zilveren ringen in haar oren. Ze is oma.   Ciri kent haar oma niet. Ze weet misschien niet eens van haar bestaan. En Concha weet alleen dat ze Ciri heet -aan de naam is ze gewoon geraakt- en dat ze nu negen is. Zou ze vragen stellen aan Blanca, haar mama?   ‘Heb jij een mama? Heb ik dan een oma? Waar is ze dan?’ Ze legt haar moeder op de rooster tot Blanca zwicht en zelfs inziet dat het gedaan moet zijn met die onzin. Dat zij, Blanca en Ciri, samen oma Concha zullen opzoeken. Ze woont nog steeds in dat kleine flatje in Prades. Ze zal niet verhuizen, want ze hoopt dat Blanca op een dag aan de deur zal staan. Ze zullen elkaar om de hals vallen en om vergeving vragen. Wie moet wie vergeven? Ze weten het al niet meer. Ze zullen lachen en huilen, zoals je dat soms op de televisie ziet.   Concha kijkt niet meer naar dat soort programma’s. Ze kent haar dochter. Haar koppigheid. Ze weet niet meer hoe het begonnen was, maar wel nog de woorden. Hoe gewond ze zich had gevoeld. Hoe waar het was dat ze Blanca teveel alleen had gelaten. Dat ze niet had nagedacht over wat met een meisje kan gebeuren, een kind nog. Dat ze soms bij een minnaar was gebleven in de hoop dat hij bij haar en haar zwijgzame zoon en opstandige dochter zou komen wonen. Was ze daarom slecht? Verdiende ze dat woord? Dat woord dat ze zelf nooit zou gebruiken?   De trein vertraagt en maakt een bocht. Tussen Vinça en Marquixanes komt de Canigou in zicht. Hij is grijsbruin en zwart aan de top, het is nog te vroeg voor de eerste kraag sneeuw. Ze houdt van de Canigou, van zijn massieve aanwezigheid, zoals iedereen die hier woont ervan houdt. Hij is troost en belofte voor al wie dat soms nodig heeft. Soms kijkt ze minutenlang naar de bergen vanop haar terrasje en denkt aan het land dat daarachter ligt. Ze is nooit meer de grens overgestoken. Spanje is te groot, waar moest ze beginnen zoeken?   ***   Enrique staat bij het hekje waar hij al die jaren elke woensdag staat. Nadat Blanca vertrokken was, werd het snel een gewoonte. In het begin hadden ze het nog dikwijls over Blanca gehad. Waarom toch? Waarom zo plots? Waarom was ze zo kwaad? Wat had ze misdaan? Waarom zonder adres, zonder telefoonnummer achter te laten? Enrique had geen antwoorden. Hij luisterde en knikte of schudde zijn hoofd. Hij klaagde niet. Hij zei nooit : ik ben er ook nog, mama. Hij zei dat niemand in de streek zo‘n lekkere zarzuela kon maken als zij. Ze deed haar best. Ze wou dat hij bleef komen.   Hij blijft komen. Het is een gewoonte. Nee, het is meer dan een gewoonte, het is trouw. Trouw, dat is het woord dat bij Enrique past. Sloom, maar trouw. En dan hoopt ze weer heel even dat hij iemand vindt die van hem houdt. Een vrouw, of toch iemand.   Zoals hij daar staat, de handen in de zakken. De rust, de kalmte die hij meebrengt als hij in haar richting komt en haar op beide wangen kust. Ze slaat haar armen om zijn nek.  ‘Hijo mío,’ fluistert ze. Hij maakt zich glimlachend los uit haar omhelzing en zegt dat ze laat is.    ‘De trein had al vertraging in Perpignan,’ zegt ze, ‘dat is nog nooit gebeurd. Deze niet.’   Ze ziet weer de rode cijfers op het bord, ze denkt aan de warme adem van Fabien in haar oor, ze voelt nog wat plakkerigheid in haar hand. En ze weet zelf niet zo goed wat haar zo blij maakt.  

Christine Van den Hove
7 0

Passage uit manuscript Douceurtje

‘Ik ben spiritueel aan het ontwaken,’ zei Robin op een vrijdagavond. Ik gooide de koekenpan en het schuursponsje in de wasbak en draaide me om. ‘Je bent wat?’ vroeg ik. Ik moest moeite doen om niet in lachen uit te barsten. Of in tranen. ‘Spiritueel aan het ontwaken,’ zei hij nogmaals. Hij ging zitten in de brede vensterbank, pakte een van de kussentjes en legde die in zijn rug. ‘Ik ontwaak ook iedere morgen,’ zei ik, ‘maar dat doe ik bij voorkeur met een kop koffie.’ Robin schudde zijn hoofd. ‘Je begrijpt het niet. En dat is oké. Een ieder heeft zijn eigen pad te volgen. Mijn pad wordt me steeds duidelijker. Ik voel de energie stromen,’ zei hij, terwijl hij uit het raam staarde. Hij trok zijn benen op, zette zijn blote voeten ook op de vensterbank en wreef met zijn handen over zijn tenen. ‘Is dat wat ze je leren op die reiki-cursus die je volgt?’ vroeg ik. Robin legde zijn handen op zijn knieën. ‘Vanwaar die woede?’ ging hij op zachte toon verder. ‘Omdat ik je godverredomme helemaal niet meer herken, Robin!’ riep ik. ‘Vroeger was je tenminste normaal. Nu lijk je wel een verstandelijk beperkte hippie. Hou toch eens op met dat gezweef. Lul!’    ‘Waar het verstand ophoudt, begint de woede,’ antwoordde hij, ‘daarom is woede een teken van zwakte.’ Met tranen in mijn ogen draaide ik me om en ging weer verder met het afwassen van de aangekoekte koekenpan. Ik schuurde net zo lang en net zo hard met het sponsje, totdat de anti-aanbaklaag aan het verdwijnen was. Net zoals mijn gevoelens voor Robin. ‘Het lijkt me verstandig als een van ons een tijdje uit logeren gaat,’ zei Robin. ‘Ik heb ruimte nodig om verder te groeien. Dat kan niet in deze negatieve energie.’ Ik smeet de koekenpan in het afdruiprekje. ‘Prima!’ schreeuwde ik. ‘Blijf jij maar lekker hier. In je dorp. In je wierookhol. Geniet ervan.’ Ik rende de trap op, griste wat kledingstukken bij elkaar en smeet ze in een tas. Zonder wat te zeggen liep ik langs Robin, die nog steeds in de vensterbank zat. In mijn kleine, zwarte autootje reed ik terug naar Amsterdam. Op de hoek van de Leliegracht liet ik me vollopen met alcohol. Midden in de nacht slenterde ik huilend naar Lotje. ‘Hij trekt wel weer bij,’ zei ze, ook met een flinke slok op, ‘hij gaat je heus wel missen.’ © Juliëtte Rosenkamp www.julietterosenkamp.nl

Juliëtte Rosenkamp
0 1
Tip

Wijn met een rietje

'Wat wil jij drinken, opa?' vraag ik. Het duurt even voordat er een reactie komt. 'Doe mij maar een witte wijn,' antwoordt hij, al is het nauwelijks te verstaan. Alleen het woord 'wijn' komt er nog duidelijk uit, de rest is gebrabbel. Maar ik ken zijn intonatie en daarom weet ik wat hij bedoelt. De gastvrouw kijkt mij aan. Ze wacht zeker totdat ik een goedkeurend knikje geef. Ze zal zich vast afvragen waarom deze man, in zijn driedelig pak en met zijn hoedje op, om half elf 's morgens een wijntje wil. In de wereld van mijn opa is het niet meer ochtend, middag of avond. Hij weet niet eens welke dag het is. Het enige wat hij wil is zijn pak aan en met me mee naar het restaurant van het verzorgingstehuis. En dat doe ik, elke dag. Ik haal hem op van zijn kamer, help hem in zijn rolstoel en rij hem hier naartoe. Ik herhaal de bestelling: 'Een witte wijn voor mijn opa, met een rietje graag'.   Met een servetje veeg ik wat broodkruimels van opa's lippen. Vroeger, toen ik nog klein was, liet hij vaak expres kruimels op zijn lippen zitten. En ondertussen maar doorpraten en doen alsof hij niks in de gaten had. Hoe smeriger ik het vond, hoe meer lol hij erom had. Tegenwoordig is het geen grap meer. Hij heeft het niet meer in de gaten. De kruimels op zijn lippen zitten er en blijven zitten totdat iemand ze wegveegt. Als hij probeert te praten, zie ik ook restanten van zijn ontbijt. Ik voer opa een slok wijn. 'Neem maar een goede slok,' zeg ik, 'dan kun je meteen die stukjes brood wegspoelen.' Braaf doet opa wat ik hem opdraag. Ik breng het rietje naar zijn mond en hij slikt.   Een eindje verderop, bij de schuifdeur, staat mevrouw Kers. De deur gaat niet open. Daarvoor moet je de code kennen en die weet ze niet. Mevrouw Kers heeft haar jas aan en ze houdt haar handtas stevig tegen zich aan gedrukt. Een paar dagen geleden is ze ook opgenomen op deze gesloten afdeling van het verzorgingstehuis. Ze is de nieuwe buurvrouw van opa. Als ik naar haar toe loop, raakt ze lichtelijk in paniek.  'Ik moet naar huis,' roept ze en bonkt op de dichte deur. 'Ik moet hier weg.' ‘Waarom wilt u naar huis?’ vraag ik. ‘Ik heb jonge kinderen,’ roept ze, ‘en die zijn helemaal alleen thuis.’ Ik leg een hand op haar schouder. ‘Zal ik straks even bij uw kinderen gaan kijken?’   Mevrouw Kers knikt. ‘Als dat kan, heel graag.’ 'Kom,' zeg ik en begeleid haar naar haar stoel, ‘over tien minuten gaat u eerst lekker eten.’ Opa heeft niet eens in de gaten gehad dat ik even weg was. Zijn ogen zijn dicht. Hij zit te sukkelen. In zijn hand houdt hij een denkbeeldig glas vast en brengt het naar zijn lippen. Vlug pak ik zijn echte glas en breng het rietje weer naar zijn mond. Opa neemt een slok en zet zijn fictieve glas terug op tafel.    De liftdeuren gaan open. Oudjes in rolstoelen worden door verpleegsters binnen gereden. Enkele, enigszins mobiele senioren wandelen erachteraan met een rollator. Ze gaan zitten in een kring en de begeleidster zet een CD aan. De Oudhollandse liederen worden meegezongen door enkelen. De rest zit er voor spek en bonen bij. Opa's ogen zijn nog steeds gesloten. Ik vraag me af waar hij over droomt. Is hij bang? Verdrietig? Of zit hij gewoonweg in een eeuwigdurende roes? Wat zal er in dat kopje van hem omgaan? Mevrouw Kers staat opnieuw bij de schuifdeur te roepen dat ze naar huis moet. De verpleegkundigen zijn druk bezig met de steunkousen van mevrouw Maandag en het voeren van appelmoes aan meneer Ten Dam. Ik besluit de oude dame nogmaals te helpen. ‘Geen zorgen,’ zeg ik, ‘straks ga ik bij uw kinderen kijken.’ Mevrouw Kers kijkt me verbaasd aan en begint hard te lachen. ‘Kinderen? Ik heb helemaal geen kinderen.’ ‘Maar zojuist vertelde u over uw kinderen…’ Resoluut schudt ze haar hoofd. ‘Nee hoor, dat heb ik nooit gezegd.’ ‘Dan heb ik het vast verkeerd verstaan,’ antwoord ik. ‘Komt u maar met mij mee.’ Mevrouw Kers loopt aan mijn arm mee en gaat weer zitten op haar stoel bij het raam. Ze zwaait naar wat voorbijgangers op straat. Bij het horen van de muziek beweegt ze haar hoofd en handen aritmisch mee.   'Geef mij maar Amsterdam' wordt afgesloten met een daverend applaus door de activiteitenbegeleidster en de anderhalve paardenkop die meegezongen heeft. Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat mevrouw Kers weer aanstalten maakt om naar huis te gaan. Voordat de warme maaltijd geserveerd zal worden, is er nog tijd voor een liedje. Het betreft een verzoeknummer, vertelt de begeleidster. Even is het stil. Mevrouw Kers blijft ook even stilstaan. Dan klinken de eerste klanken van 'Mijn opa'. 'Mijn opa, mijn opa, mijn opa... In heel Europa was er niemand zoals hij..' Er verschijnt een glimlachje op opa's gezicht. © Juliëtte Rosenkamp www.julietterosenkamp.nl

Juliëtte Rosenkamp
41 1

Duin

Duin   ‘T’is toch altijd spannend om eerst het water te horen vooraleer je er een glimp van opvangt, vind je niet. Nog even klimmen en we zien haar.’ Met overdreven dichtstem voeg ik eraan toe: ‘de zee: een vertrouwde kracht die nooit exact dezelfde vorm aanneemt.’ Haar reactie had ik wel verwacht: ‘Eumm, ik denk dat je dit al eens eerder hebt gezegd. Of nee: geschreven.’ Ironisch genoeg reageer ik voor de honderdste keer met hetzelfde: ‘Moet dan alles wat er gezegd wordt uniek zijn? Alsof alleen eenmalige dingen waardevol zijn.’  Het fronsen van haar wenkbrauwen is even prominent als haar ingehouden lach. Ik vervolg dan maar: ‘Jij vraagt me toch zelf zo vaak om te herhalen waarom en hoeveel ik van je hou.’ Terwijl de zon in haar blonde haren met schakeringen van geel en goud speelt, antwoordt ze: ‘Maar dat is net iets wat telkens anders kan. Je liefde blijft hetzelfde, maar hoe jij je er op elk moment bij voelt en hoe je het onverwoordbare in woorden giet, is toch telkens nieuw.’  Mijn hart mist een slag. We komen dichterbij. Ik heb dit zo goed voorbereid; heb hier al honderden keren gewandeld in mijn gedachten en toch ben ik nerveus. Alsof haar antwoord me nog zou kunnen verrassen. Alsof één plus één opeens toch nog iets totaal anders dan twee zou blijken. We wandelen verder over het strand, laten voetstappen achter die door getijden stapsgewijs zullen wegebben. Ik draag de picknickmand, zij het lakentje en de camera. We hervallen in een zalige stilte opgeluisterd met een harmonica van golven, een zoute bries en het genot van niks te hoeven zeggen. Vogels beheren de lucht en ongetwijfeld zwemmen vissen als keizers onder de blauwgrijze spiegel van de zee. Maar wij zijn landdieren. Wij voelen ons opperbest als we met onze voeten paden kunnen creëren die nooit eerder zijn gevormd. Zo bewandelen we deze aardbol begeesterd en bezield. Wat ons gisteren en morgen aan volledige vrijheid doet ontberen, zijn krachten groter dan wijzelf: maatschappij, tegenslag, onomkeerbaarheid. Maar wij tweeën, op dit moment, zijn vrij. Het liefst wil ik dat we terugkeren en dezelfde wandeling meteen opnieuw doen, maar dan in elkaars voetstappen. Gewoon omdat het kan. Dit idee spoelt me terug naar de eigenlijke reden van deze wandeling. Wat ik het liefst wil, is heel mijn liefde, hartstocht en overtuiging bundelen tot één klein geheel. Ik wens mijn gevoelens voor haar, voor ons, te smelten tot één uniek symbool: een schelp of smaragd of een metafoor als deze:   Liefde is een tweezit die in tijd en ruimte opschuift om de juiste mensen op te vangen en hen dan toefluistert: ‘maak het je gemakkelijk en geniet van de rit. Eerst zetelen, dan pas nestelen. Als je het goed doet, leven jullie samen dubbel zo lang.’   We zitten naast elkaar op ons lakentje op de hoogste duin, met ogen en doelen in dezelfde richting en beider hart als kompas. Vol emotie kijk ik nog een laatste keer naar de zee en spreek tot mijn geliefde in een stem die probeert zware woorden licht te doen klinken: ‘De tijd is rijp om lentes als bruggen over komende winters te slaan.’ Pas dan wend ik mijn blik naar haar verwonderd gezicht, waar het altijd warm is, waar zij vol van leven, alle zonnestralen en deze vraag opvangt:

Joachim Stoop
8 0

De buitenlander

Tijdens de treinrit besefte Mont dat dit wel eens de laatste keer kon zijn. Met vrouw en tienerdochters naar de zoo. Dergelijke voorstellen zouden voortaan stoten op puberale pruilsessies achter gebarricadeerde deuren. Van hun dochters, uiteraard. In de treinzetels achter hem en zijn vrouw blaften twee mannenpubers hun vroegtijdig seksuele ervaringen heen en weer. Vermoedelijk waren ze opgevoed door ouders die elk product van hun nageslacht inkaderen, en hadden ze als kind nooit eens een goede tik gehad. Hij kon hun ongestrafte puisten haast proeven in de weeë lucht van deze zaterdagochtendtrein. Terwijl zijn dochters gedachteloos de tekst van een vrouwonterend lied meelipten, las zijn vrouw een boek dat hijzelf als seksistisch zou bestempelen. Eventjes raakte ze zachtjes zijn been aan. Dat kalmeerde hem. Plots voelde de dromerige zon erg aangenaam op zijn koude huid. Hopelijk, als hij maar een goede vader speelde, kwam alles gewoon goed. ______________ Zelfs de wc van de zoo rook naar dierenmest. Met de tickets in zijn vers opgetrokken achterzak stapte hij naar buiten, maar zijn gezin was nergens te bespeuren. Een grijzige angst begon onder zijn sternum te knellen. Zijn familie kwijt, net als twintig jaar geleden, toen hij werd getroffen door kleurenblindheid. Toen hij Polly leerde kennen. Ongerust liep de kale man, begin veertig, ooit blond-rossig, tussen de andere bezoekers waarvan iedereen een gezond grijze haardos had. Primaten… geef haar een park vol dieren en ze kiest diegenen uit die het meest op onze soort lijken. ‘Daar ben je,’ lachte Polly. ‘Ona en Shau zijn bij de reptielen, in de Dahakatuin.’ Mont lachte flauw terug. ‘Had je nu echt niet op me kunnen wachten, ik heb-’ Polly praatte over zijn zin heen. Zoals vele mensen in dit land. Alsof hij niet bestond. ‘De meisjes konden niet wachten om de zwammen te bezichtigen, seizoen van de Marasmius Oreades, weet je nog? En bovendien- denk je dat die aapjes in hun kooi daar wachten op elke aapje dat achterblijft?’ zei ze minachtend. Mont had geleerd zijn repliek te laten wegsijpelen. Enkele chimpansees kwamen naar het venster toe en keken nieuwsgierig naar het veertigjarige koppel. Mont wees: ‘Je bedoelt die copulerende primaten daar?’ Ze tuitte haar lippen en raakte zacht Monts arm aan. Hij voelde zich plots uitgelaten. Polly legde even het bandje in haar haren terug goed. ‘Je blijft ze primaten noemen. Alsof je dat erg belangrijk vindt.’ ‘Als er één soort is naar wie ik juist wil verwijzen, is het wel die waar wij het dichtst bij staan als mens.’ ‘Wij?’ vroeg Polly ironisch en ze stapte dicht tegen Mont aan en ademende warm in zijn oor. ‘Zeg dan eens, hoe lijken “wij” dan op die aapjes?’ Ze was zo dichtbij dat hij maar één soort voorbeeld kon geven. ‘Wel, om ruzies op te lossen gebruiken ze seks…’ ‘Net zoals wij, schat.’ Ze duwde haar heupen hard tegen hem aan. Plots galmden de stemmen van hun dochters. ‘Kijk, ze vechten!’ Het copulerende koppel was opgebroken door een andere belanghebbende die nu zijn rechten liet gelden met ontblote tanden en bruut geweld. Dit zou volk trekken. Mensen houden van brood en spelen. Maar de andere bezoekers liepen nauwelijks geïnteresseerd door. Wel kwam er een opzichter met een geweer, die zonder aarzelen met loden munitie de primaat doodschoot die zonet nog aan het copuleren was geweest. Het vrouwtje krijste en was duidelijk overstuur. Polly knikte en zei belerend tegen haar kinderen. ‘Dit is wat er gebeurt als een aapje niet meer in de groep past. De andere aapjes bijten hem dood. Maar soms kunnen de aapjes het zelf niet oplossen, en voert iemand anders de straf uit.’ Shau zag er bleekjes uit en was aan het wenen. ‘Maar het zijn primaten, net als wij! Wat die opzichter deed was toch niet menselijk, papa?’ Meteen beet Ona: ‘Het zijn maar beesten, toch?’ Mont troostte Shau in zijn armen en kreeg daarop een nijpende blik van zijn vrouw. Het deed haar, heel eventjes, ouder lijken dan twintig jaar geleden. _________________________ De week erop broeiden de spanningen thuis in een nest van hete angels. De tirades van zijn tienerfeeksen waren onaangenaam, maar verbleekten bij de doodgezwegen wonde die etterde in het hart van het gezin. Ze waren gestopt met praten en negeerden elkaars gezicht. Polly mijdde elke aanraking, en elke avond ging ze het huis uit, stilzwijgend, naar mannen of vrouwen die hij misschien kende, zoals wel vaker gebeurde. Maar deze week merkte hij een geur op als ze thuiskwam. De geur van andere mannen. Het was intussen een week na het bezoek aan de zoo. Shau en Ona waren gaan paardrijden. Polly nam haar jas al om het huis te ontvluchten, maar deze keer hield Mont haar tegen. ‘Polly, we moeten praten. Heb- heb jij seks met iemand anders?’ ‘Ja,’ zei ze droog. ‘Natuurlijk.’ Mont voelde een drukgolf, plat in zijn gezicht. Hij moest gaan zitten. ‘Zeg dat dit niet waar is.’ ‘Natuurlijk is dit waar.’ ‘Maar je bent mijn vrouw… een fysieke affaire?!’ ‘Mont, mijn aapje, je ontbloot je tanden weer.’ Zijn handen tot witte vuisten gebald. ‘Hoe lang?’ ‘Al altijd. Maar de laatste week, meer,’ zei ze dit keer fronsend. ‘Mont, ik weet niet wat ik moet zeggen, je had nooit zo lang mogen blijven. Ik dacht dat je je zou kunnen aanpassen aan onze cultuur. Heb jij me dan nooit fysiek bedrogen, Mont? Zelfs niet één keer?’ Ze zei het haast smekend. Mont zat er geslagen bij. Polly schudde haar hoofd. ‘Je zal je moeten aanpassen, Mont. Ik wil niet langer met een aapje getrouwd zijn.’ ___________________________________________ Met dichtgenepen billen en in zijn hand de losse leiband van zijn trouwe hond die verderop in het veld zijn gevoeg deed, keek Mont omhoog naar de sterren op deze donkere avond. Toen hij ze vroeger met zijn grootvader had bestudeerd, stonden die sterren nog anders. Het was erg lang geleden dat hij zijn familie nog had gezien en de herinneringen aan hen waren meestal vaag. Langs het wegje in dit veld was het zwart door het gebrek aan licht, waardoor de warme schijnsels van de vreemd gebouwde huizen rondom het veld nog aantrekkelijker leken. Volgens Polly speelde ook in die huizen iedereen het spel mee. Wees elkaar trouw met anderen. Ze had het hem nu voor het eerst duidelijk uitgelegd. En Polly had gelijk. Toen ze hem het huwelijkscontract had laten nalezen eerder die avond, had ze gewezen op de kleine lettertjes ergens onderaan.                   *Echtgenoten zijn uitsluitend trouw aan elkaar door fysiek verbonden te zijn met anderen. Al die warme lichten brandden blijkbaar niet alleen voor de bewoners, maar ook voor mogelijke bezoekers. En of er nog zo’n mensen als hij waren, was hij zo stom geweest te vragen. Er waren er zeker, had ze gezegd, maar de meesten bleven niet in onze cultuur. Het leek haast waarschuwend, hoe ze had gefluisterd: “Sommigen gedroegen zich als aapjes en gingen snel weg. Anderen… wilden niet weg, maar moesten toch weg”. Het was één van die cryptische omschrijvingen waar hij stilaan aan gewend geraakt was sinds hij naar Polly’s streek was verhuisd. Maar gemakkelijk was het nog steeds niet. Hij wandelde naar de straat toe en riep zijn hond, wiens natte vacht vettig aanvoelde als hij erover wreef. Enkele voorbijgangers keken nieuwsgierig naar het beestje. Hier had niemand een hond, en het was de trouw van het beestje wat hij erg gemist had in het begin, na de verhuis naar dit land. Hij glimlachte bij de herinnering, toen Polly hem had meegenomen toen ze was gaan paardrijden in het bos. Mont had hem een naam willen geven, maar volgens Polly had het al één: Hont. Niemand op straat, in deze natte streek die rook naar bos en paarden, waar de huizen hun licht uitnodigend naar buiten toe brandden. Hont stopte bij de volgende voortuin om de zoveelste druppel uit zijn lijf te persen. En beetje bij beetje, ontspande Mont zijn nijpende billen. _____________________________________________________ Terwijl de taxushagen hem giftig leken toe te wuiven op de oprit, snokte Mont aan de leiband om duidelijk te maken dat het wandelen gedaan was. De trouw van Hont gaf hem een machtig gevoel. Het was de soort relatie die hij gemakkelijk kon vatten. Zijn huis baadde in het warme licht. Uitnodigend, maar blijkbaar niet alleen voor hem. Hij deed de deur open en stootte tegen Polly. ‘Je bent niet weg?’ mompelde hij verrast. Hij duwde zich langs zijn vrouw, maakte de hond los, en vulde een bakje met water. Hij schonk zichzelf ook iets in. ‘Waar zijn Shau en Ona?’ ‘Nog aan de stallen.’ Ze kwam naar hem toe en raakte hem aan. De eerste keer in een week. Hij voelde zich plots opgelucht. ‘Mont… ik kan er toch ook niet aan doen dat je niet op de hoogte was… ik dacht dat je in jouw land geleerd had over de Mab en haar wetten.’ ‘Hoe kunnen mensen een andere cultuur leren als er zoveel zaken van die cultuur verzwegen worden? Geografie hebben we geleerd, en taal. Maar dit? Dit… overspel? Nee.’ ‘Al twintig jaar ben je hier, en niemand heeft je ooit signalen gegeven om te…?’ vroeg Polly. Mont zei beschaamd: ‘Ja, dat wel, maar ik heb nooit… seks gehad met hen. Jij bent de enige… Ik weet het niet meer. Zeg het me dan, Polly, wat kan ik doen?’ ‘Wil je bij je gezin blijven?’ vroeg ze en ze aaide zijn nek. Hij knikte. Plots greep ze zijn kruis hard vast en zei verbeten: ‘Doe dan wat er in je huwelijkscontract staat.’ __________________________________________________________________________ Elf maanden later hadden Monts pogingen om zijn huwelijk na te leven hem in de rechtzaal doen belanden. Die was niet zo pompeus en met goud belegd als hij zich had voorgesteld. De plantentekeningen in het behang op de muren, grijze tongen met grijze vogels, grijze paarden met grijsgehaarde ruiters, toverden de macht van de zaal eerder in een mistig bos. Hij keek naar achteren en zag hoe de zaal uit haar voegen barstte van de toeschouwers. Als een aapje in de zoo, onder hun vizier. Polly zat er ook. Hij wuifde flauwtjes naar haar, maar kreeg enkel een opgetrokken mondhoek terug. De middenste van de elf rechters droeg een grijze pruik met oude oren door. Zijn neus was paarsgeaderd. ‘Beklaagde, u mag rechtstaan.’ Hij keek met gespitste ogen over zijn bril heen. ‘Schuldig aan actieve weigering van deelname in taken van een getrouwd gemeenschapslid. Pleit?’ Monts advocaat sprak geconditioneerd: ‘Schuldig met inbegrip van jarenlange onwetendheid inzake impliciete wetgeving van deelname aan overspel. De verdediging vraagt behoud huwelijk.’ De rechter keek naar zijn vrouwelijke collega links van hem. Zij sprak met kenmerkend schrille stem: ‘Er is een tweede klacht. Openbare aanklager pleit schuldig aan fraude. Voor illegale poging tot schijnoverspel, vragen wij, als voorbeeld voor de maatschappij, levenslang!’ Mont fluisterde gespannen: ‘Meester, wat is dit? Zie je wel dat ik niet had mogen bekennen! Ik wil niet naar de gevangenis!’ De meester bedaarde Mont, rechtte zijn rug en sprak: ‘Omdat de beklaagde geen eerdere feiten heeft gepleegd, vragen wij een alternatieve straf, meneer de rechter.’ De ijzige vrouw brak in schelden uit en richtte zich naar de rechters. ‘U ziet het toch? De schande aan de Mab is te groot. Als levenslang niet kan, is verbanning het enige mogelijke alternatief.’ Maar enkele rechters mompelden dat dit inderdaad de beklaagde zijn eerste feit was. De rechter met de paarsgeaderde neus wendde zich tot Mont: ‘Illegale activiteiten, meneer… dat is niet niks. Wat deed u dan in die zaak van slechte reputatie?’ Mont zuchtte. ‘Ik wilde mijn huwelijk redden.’ De schrille stem daverde door de zaal: ‘Uw huwelijk redden, meneer, doet u door te doen wat in de Mab staat geschreven op zo’n impliciete manier dat wij dit niet letterlijk kunnen citeren, en wat niemand in deze zaal met ook maar de minste citering mag uitdragen, op straffe van verbanning! Maar neen, meneer deed dat niet! Neen, meneer ging naar een zaak van slechte reputatie!’ Mont porde zijn meester in de zij en die verdedigde: ‘M-mijn client, waarde rechter, heeft wel pogingen ondernomen om zich aan te passen aan de in zijn ogen vreemde impliciete regels van onze cultuur. Ik citeer mijn client als ik zeg dat er voor hem plots een nieuwe deur openging.’ Goedkeurend knikje van Mont. ‘Mevrouw de aanklager, mijn client heeft voor hem tegennatuurlijke pogingen ondernomen, in overleg met zijn vrouw, om het huwelijkscontract na te leven.’ De mannelijke rechter las goedkeurend voor: ‘Pogingen met buurvrouwen, klanten, vriendinnen en familie van vrouw, collega’s,… Dat lijkt er al meer op. Meneer, over hoeveel vrouwen gaat het hier?’ Schoorvoetend zei Mont: ‘Net geen elf, maar ik kon nooit fysiek… begrijpt u dan echt niet…? Mijn vrouw is… is mijn ware liefde! En zij zal ook altijd mijn enige fysieke liefde zijn.’ De meester trok zijn schouders op en siste. ‘Mont, wat had ik gezegd, geen liefdesverklaringen!’ Geroep en geschreeuw in de zaal. Rumoer. De banken kletsten hun hout op de stenen vloeren. De deuren zwaaiden dicht. De rechter sloeg meermaals met zijn hamer tot orde. De schande was te veel geworden voor sommigen in de zaal en zij hadden de zoo verlaten. De rechter wuifde flauwtjes met zijn hamer. ‘Mag ik u vragen, meneer, dergelijke ziekmakende verklaringen niet meer te herhalen of ik kan uw veiligheid niet garanderen.’ De openbare aanklager kwam tussen. ‘Wat de beklaagde durft te zeggen, gaat in tegen het hart van onze maatschappij. Als mensen hun liefde niet meer delen, als bijen slechts één bloem bestuiven, dan wordt fauna én flora ziek.’ Mont keek smachtend naar de zaal. Waar zijn vrouw eerder zat, was nu een leegte. Ook voor haar moet de publieke verklaring te veel geweest zijn. Mont besefte nu dat hij zijn laatste kans had verspeeld. Weer die schrille stem. ‘Meneer! Kijk me aan als ik tegen u spreek. Waarom ging u naar die illegale zaak? Antwoord!’ Mont zuchtte. ‘Omdat ik nooit overspel zal kunnen plegen, mevrouw. En het enige dat me kon helpen waren de diensten van die onderneming. Ik kocht…’ Voorzichtig keek hij in de zaal achter zich. Dit zou stof doen oplaaien. ‘Ik kocht geruchten van overspel zonder het echt te plegen.’ Hout op steen. Hamer in het rond. Dichtgegooide deuren. Een advocaat die driest nee schudde. En uiteindelijk, een vonnis door grijze pruiken. ‘Verbannen! Met ingang van morgen, bent u verplicht onze wereld te verlaten binnen de termijn van zeven zonsondergangen. U gaat in culturele quarantaine totdat het eerste schip vertrekt.’ Een zachte knik van een geslagen man. ‘Ik hoop u hier nooit meer terug te zien. Tot nooit, meneer.’ De hamer dreunde neer als de slag van een geweer. __________________________________________________________________________________ Nadat hij de praktische zaken met de balie had geregeld, was hij onder toezicht van een wethouder van de Mab naar huis gekeerd om kort afscheid te nemen van zijn gezin en om Hont op te halen. Zijn vrouw had hem kil begroet met zijn twee dochters in haar armen. Ona had hem niet sneller dag kunnen zeggen, alsof hij een zieke primaat was die geliquideerd moest worden. Maar Shau wou met hem meegaan. Een lichtpunt. Zijn hele leven en gezin achterlaten, het leek te moeilijk. En toen Polly meteen had toegestemd met Shaus vertrek, besefte Mont dat zij haar spullen al had gepakt. Nog nooit had hij zo snel afscheid genomen in zijn eigen huis. Daarop had de wethouder Mont en Shau naar de haven begeleid, waar ze in culturele quarantaine zouden verblijven tot het eerste schip. Twee maanden zou de zeereis duren, doorheen golven en verpletterende afstand. De eerste dagen waren moeilijk geweest. Hij had zijn vrouw en Ona enorm gemist, maar was dankbaar dat Shau mee was gekomen, ook al weende ze veel in het begin. Hij voelde zich dan ook schuldig, omdat hij haar had geamputeerd van het netwerk waarin zij zich met haar ziel geweven voelde als een paddestoel in het bos. Maar hoe langer hij wegvaarde van het eiland, hoe moeilijker hij het had, niet met het gemis, maar met het herinneren waarom, en zelfs wat, hij miste. Het leek alsof hij jaren onder een donkere wolk had geleefd en dat hij nu pas kon nadenken dankzij de vloed aan frisse zeelucht. Over zijn scheepsgenoten had hij zich aanvankelijk zorgen gemaakt: gevangenen, gehandicapten, zwervers, rasechte criminelen, waaghalzen, extremisten van allerlei, … Maar vreemd genoeg, en dit kwam misschien doordat hij een nieuwe uitweg zocht voor zijn hart vol doelloze liefde, leek het wel alsof hij deze mensen beter begreep. Ze waren allemaal gevangenen hier. Lotgenoten. Verbannen. Het was een groot schip, en toen hij op een keer met Hont over het dek liep, werd hij aangesproken door enkele mensen uit zijn vaderland die al jaren geen hond meer hadden gezien. Eindelijk kon hij zijn taal terug spreken, met de vertrouwde gebaren uit zijn moedercultuur. Met een week vertraging kwamen ze uiteindelijk aan op de bestemming waarover in Polly’s cultuur werd gesproken met rillingen in stem en rug. Een plaats waar een samenleving was ontstaan zonder het wakend oog van rechters met pruiken en wetboeken van de Mab. Maar lang zouden ze er niet blijven. Na enkele weken reisde hij door naar zijn geboorteland, samen met de mensen van zijn moedercultuur die hij had leren kennen op het schip. _________________________________________________________________________________________________________________ Een jaar later bevond Mont zich terug in zijn geboorteland en had hij er zo’n succesvolle winkel gestart dat verschillende families in het dorp hem nu huwelijksvoorstellen deden. Zo zat Mont enkele maanden later in het raadshuis. Vandaag zou hij trouwen volgens de regels van zijn cultuur. Zoals het hoort. Normaal. Maar voor hij het huwelijkscontract tekende, las hij deze keer aandachtig de kleine letters.                   *De man zal trouw zijn aan zijn partner, door trouw te zijn aan zeven vrouwen, waarvan hij slechts met één fysiek verbonden is. Tevreden gaf Mont de pen door, aan zijn zeven nieuwe vrouwen.              

Han Hartmoed
0 0

Allesverterend

Tussen mijn halfgesloten oogleden door keek ik naar hen. In de tuin was mijn schoonvader druk in de weer met zijn geliefde barbecue, houtskool en aanmaakblokjes, een glas wijn binnen handbereik. Mijn schoonmoeder riep hem vanuit haar hangmat goedbedoelde aanmoedigingen toe, maar hij werd er alleen maar zenuwachtig en prikkelbaar van. Het gebruikelijke tafereel. Straks kwam het gevloek, misschien heel even ruzie. Maar de uitkomst stond vast: mijn schoonvader die met geheven glas de retorische vraag stelde of er iets heerlijker was dan een gegrilde kotelet onder de Franse avondzon. Mijn vrouw Valerie trok er zich niets van aan. Zij lag op de stoel naast me, verzonken in een Aspe, haar derde van de week. Op mij lette niemand. Ze dachten dat ik sliep, en dat vond ik uitstekend zo. Ik lette erop dat ik zo min mogelijk met mijn hoofd bewoog. Mijn ogen zaten verscholen achter mijn zonnebril-met-spiegelglazen. In mijn schoot lag Kundera's 'Onsterfelijkheid', opengeslagen met de rug naar boven, zodat ik ook daar niet verraden kon worden. En intussen keek ik. Of beter: ik gluurde. Ik gluurde en genoot.Ik kwam al jaren mee met de familie naar hun zomerhuisje in de Luberon. Tien dagen in de eerste helft van augustus, elk jaar opnieuw. Een goedmoedige routine, waar we telkens tegen op zagen ('Volgend jaar moeten we toch echt een keer ergens anders naar toe, gewoon met ons twee') maar ook weer heimelijk van genoten.Vorige zomer nam ook Charlotte voor het eerst een vriendje mee. Lander was zes jaar ouder dan zij, en dus maar nipt vijf jaar jonger dan ikzelf. En vanaf was Charlotte ineens niet mijn kleine, onschuldige schoonzusje meer, en werd alles anders.De manier waarop Charlotte zich in, om en langs het zwembad bewoog was haast niet te vatten in woorden. Het water golfde nauwelijks terwijl ze baantjes trok – haar duiksprong was van een volmaakte elegantie. Ook op het droge verloor ze niets van haar gratie. Zoals ze daar op haar strandstoel lag, een been gestrekt en een lichtjes opgetrokken, leek ze zo weggeplukt van de cover van Sports Illustrated. Een vrouw van net 20, met een lijf met – alle objectiviteit in acht genomen – de welhaast perfecte verhoudingen.Charlotte was het type vrouw dat zich haast ergerlijk bewust was van haar schoonheid. Ze gebruikte die ongegeneerd om van alles van anderen - mannen - gedaan te krijgen. Lander was de eerste die haar langer dan enkele weken de zijne mocht noemen, maar hij was dan ook niet de eerste de beste; hij had het afgetrainde lichaam van een atleet, en op de koop toe ook een flink stel hersens. In enkele jaren tijd had hij zich aan de Antwerpse balie opgeworpen als dé strafpleiter van de volgende generatie. Geen wonder dat Charlotte wel perspectieven in hem zag.Eigenlijk was alles als vanzelf gegaan. Ik had het niet opgezocht, of toch niet echt. Goed, ik was – inderdaad niet geheel toevallig – de badkamer binnengegaan, net toen de douche stopte met lopen. Maar dat was een instinctieve reactie geweest, een ingeving van het moment. Ik beschouwde het als niet meer dan een duwtje in de rug van het lot, een trigger die iets versneld in gang had gezet dat ook anders even goed onvermijdelijk was geweest. Nadien was elke sturing overbodig geweest.Die enkele minuten in de badkamer betekenden voor mij een omwenteling, een Gestaltswitch. Ik had in de tekening waarin ik al die jaren een eend zag plots een konijn ontwaard, en kon me ineens ook niet meer voorstellen dat ik er ooit nog een eend in zou zien. Het werd een vakantie van gestolen momenten, van angst om betrapt te worden en van euforie om niet te betrapt te zijn, van verwarring en tegelijkertijd onmiskenbare helderheid. Alles was anders, en ik wilde nooit meer terug.Weer thuis gingen we gewoon verder, namen lange lunchpauzes waarin niet gegeten werd, brachten elkaar bezoekjes als we wisten dat onze wederhelften niet in de buurt waren. Tijdens het kerstfeest dat we traditioneel met de hele familie in het ouderlijke huis vierden, verdwenen we tussen kalkoen en dessert naar Charlottes tienerkamer. Jarenlang werd ik er, als vriendje van grote zus, angstvallig geweerd. Niets dat er toen op wees dat daar, tussen de posters van boysbands en de pluchen beren, die warme gulzige lippen me naar een schitterende kleine dood zouden leiden, terwijl beneden mijn vrouw geduldig de sterke verhalen van haar nonkels en de klaagzangen van haar tantes doorstond.'Is er iets beter dan een gegrilde kotelet onder de Franse avondzon?'.  Zichtbaar voldaan zat mijn schoonvader onderuit gezakt aan de feestdis die hij, de pater familias, de jager voor zijn nageslacht bereid had. Een laatste avondmaal voor deze vakantie, straks vertrokken hij en zijn vrouw weer naar België, 's nachts om de file te vermijden. Een mens zou van minder emotioneel worden. Vader stond op en bracht, met licht trillende stem, een toost uit op zijn grote geluk. Zijn dochters grinnikten om hun vader – je merkte toch dat de man een dagje ouder werd – en gaven hem een knuffel.Picture perfect. Maar niet voor mij. Voor mij stond er te veel volk op het plaatje. Over de tafel heen zocht ik naar de enige ogen die er voor mij nog toe deden. Ik kreeg een schalkse blik terug, maar dat volstond niet. Niet meer. Voor mij was het geen spelletje meer. Ik wilde ervoor gaan, in alle openheid en eerlijkheid. Maar ik wist dat het niet vanzelf zou gaan. Het lot had opnieuw een duwtje nodig, een heel kleintje maar, en daar ging ik voor zorgen. Morgen was het game over.We wuifden pa en ma uit. Eens de Toyota Carina uit het zicht verdwenen was, werden alle remmen losgegooid. Het volume van de muziek ging de hoogte in, in snel tempo werden enkele flessen wijn soldaat gemaakt. Ik zorgde dat de glazen gevuld bleven maar zelf dronk ik hooguit twee glazen. De meisjes wilden dansen. Valerie trok Lander recht; Charlotte drukte zich tegen mij aan, vol overgave en zonder een greintje gêne. Haar been schuurde tegen mijn kruis, ik voelde haar tepels door haar topje heen in mijn borstkas prikken. Bijna raakten onze gezichten elkaar. Ik keek haar recht in de ogen. Zonder knipperen keek ze terug. Zij leidde. Nu nog. Morgen zou het anders zijn, maar daar had ze geen idee van.Middernacht. Tijd voor stap 1.'Lander, wat denk je? Toertje met de mountainbike morgenochtend? Acht uur vertrekken?'Charlotte keek me smalend aan.'Wat is 't, broerke? Moet je je mannelijkheid bewijzen? Wel nog wat vroeg voor een midlife crisis hoor.'Ik negeerde haar, bleef naar haar vriendje kijken: 'Wel? Je ziet het toch wel zitten?'.'Allez, zoet, 't is vakantie, doe niet zo ongezellig, we slapen gewoon uit morgen'.Dat was Valerie. Ze legde sussend een hand op mijn arm. Met een ruk trok ik hem weg.Lander twijfelde. Zomaar weigeren zou hij nooit doen, dat wist ik zeker, hij wilde zich niet laten kennen.'Ja tuurlijk. Maar iets later dan misschien, zo vroeg vertrekken is toch nergens voor nodig?''Halfnegen dan. Anders begint de zon te fel te branden voor we goed en wel vertrokken zijn.''Deal.'In zijn ogen die kwajongensblik.'Ik neem je zo hard te grazen morgen, kerel.'Hufter... we zouden het nog wel eens zien, wie wie te grazen nam.Slapen lukte niet echt, maar daar maakte ik me niet druk om. Geduldig wachtte ik tot de ochtend aanbrak. Om klokslag acht uur schoof ik uit bed. Ik keek naar Valerie. Het was niet meteen een flatterend zicht: ze snurkte, mond halfopen, een sliertje kwijl liep naar haar kussen. Ze was verzonken in een diepe, van alcohol doordrenkte, haast comateuze slaap. De eerste uren kreeg zelfs een aardbeving haar nog niet wakker, daar was ik van overtuigd. Ik boog me naar haar toe en drukte een kus op haar voorhoofd.Ik ging naar de keuken en begon spek met eieren te bakken. Intussen bladerde ik door L'Equipe van eergisteren. Weerom was de trui van Nibali niet in gevaar gekomen.Lander was om halfnegen stipt beneden. Geen seconde te vroeg, ook niet te laat. Ik had niet anders verwacht. Hij werkte in enkele happen zijn omelet naar binnen. Het beest.'Zeg, die meiden zijn nog ver heen hoor. We kunnen net zo goed hier, op ons gemak...'Ik onderbrak hem. Nee, dat konden we niet. Niet vandaag. Not part of the plan.'Eerst fietsen maatje. Laat maar eens zien wat je kan.'Het eerste uur was afzien. Gezien Landers alcoholverbruik van de dag voordien had ik verwacht dat een fikse kater hem parten zou spelen en ik hem makkelijk de baas zou kunnen. Maar hij bewees opnieuw het ongelooflijke recuperatievermogen eigen aan de jeugd en ging als een wildeman tekeer. Zeker toen de weg begon de stijgen zag ik sterretjes. Het was een stevig bergje, niet heel lang maar behoorlijke steil. Ik hield mijn blik strak gericht op Landers benen, die gestaag, soepel en tegen een verschroeiend tempo omwentelingen bleven maken. Zelf reed ik op een veel grotere versnelling, en ik moest uit alle macht op de pedalen stampen om Lander bij te houden. Ik voelde de verzuring toeslaan, mijn kuiten stonden op barsten. De top van het colletje kwam niets te vroeg. Lander hield de benen stil en keek over zijn schouder. Hij stak zijn duim omhoog en nam zijn drinkbus uit zijn houder. Voor mij was dat het sein om al mijn krachten bijeen te rapen. Ik ging op de pedalen staan en met enkele flinke lendenrukken reed ik Lander voorbij. Ik probeerde mijn ademhaling zo goed en zo kwaad als het kon onder controle te houden en terwijl ik passeerde, riep hem toe: 'Je dacht toch niet dat je me kwijt was?'. Dat was het kantelpunt. Vanaf hier nam ik de overhand. Lander mocht dan wel jonger, atletischer en krachtiger zijn dan ik, als het aankwam op stuurvaardigheid was ik zijn meerdere. En vanaf hier kwam het aan op stuurvaardigheid, durf en stuurvaardigheid. Die wetenschap joeg de adrenaline door mijn aderen, en ik sneed vol risico de eerste bochten aan. In de rechte stukken trapte ik nog bij, om de snelheid zo hoog als mogelijk op te drijven. Op geen enkel moment keek ik achterom. Dat was ook niet nodig; Lander was een competitiebeest, een echte winnaar, en ik wist dat hij tot het uiterste zou gaan om me te volgen, net als ik tijdens de beklimming. Ik concentreerde me volledig op de weg, elke inschattingsfout kon hier fatale gevolgen hebben. Een tegenligger trouwens ook, maar hier was haast geen verkeer, en daar rekende ik dan maar op. Toen we bijna weer in de vallei waren, hield ik voor de eerste keer in. Toen ik onder mijn oksel doorkeek, zag ik dat Lander enkele tientallen meters achterop lag. Ik wachtte tot hij nét dicht genoeg kwam om me te horen en riep hem toen toe: 'Bij de volgende bocht gaan wij rechtdoor!'. Rechtdoor, dat was een smal pad dat steil naar beneden het bos in liep.Zonder een antwoord af te wachten stortte ik me naar beneden. 'What the fuck??', hoorde ik Lander roepen, maar onmiddellijk daarna hoorde ik de takjes onder zijn wielen kraken. Hoe verder we het bos in gingen, hoe stiller het achter me werd. Ik wist echter dat hij niet zou opgeven en keek niet meer om tot ik beneden kwam, aan een meertje. Dit was perfect. Hier kwam geen mens, niemand zou ons storen, hier kon je een moord plegen met enkel merels, lijsters en een zeldzame wielewaal als getuige. Ik plantte mijn fiets tegen een boom, en wachtte, de armen gekruist tot Lander ook beneden kwam. Het duurde vijf volle minuten, heel even was daar de twijfel – was hij misschien gevallen, of had hij er dan toch de brui aan gegeven en was hij teruggekeerd?Maar eindelijk was hij daar. Uitgeput liet hij zich vallen. Daar lag hij dan, op zijn rug in het gras naast zijn fiets, ongecontroleerd hijgend, hyperventilerend haast, een vogel voor de kat. Een gevallen Apollo, even goddelijk als hulpeloos. Ik boog me over hem heen. Zijn ribbenkast ging vervaarlijk te keer, hij leek niet meer bij volle bewustzijn. Ik scheurde zijn shirt open om hem lucht te geven. Ik drukte mijn lippen op de zijne en streelde zijn gladde, gepolijste borstkas. Ik trok zijn broek naar beneden, haalde dat zeemvel van tussen zijn kruis, masseerde zijn geteisterde ballen. Hij kreunde. Langzaam kwam hij weer tot leven, mijn atleet, mijn Eros, mijn alles. Weldra zouden we voor altijd samen zijn, zonder verdere bemoeienissen.Ergens rinkelde een gsm. Tegen deze tijd hadden L'Equipe en het fornuis wellicht hun krachten verenigd en de rest van het werk gedaan. Allesverterend.

Lennaert Leo
0 0

De minnaar

Hij had het al zo vreemd gevonden dat ze plots weer contact met hem zocht. Twee jaar gaapten tussen hun laatste ontmoeting en hun afspraak nu. Toen waren ze netjes opgekleed en droegen ze een uit Engeland overgewaaid hoofddeksel voor afgestudeerden. De foto die die avond genomen was van de hele groep, hing lekker ouderwets afgedrukt op glanzend papier in zijn kamer aan de muur, om even of langer een blik op te werpen als hij zuchtend en vloekend naar een studieboek of een taak zat te staren. Natuurlijk was de hele groep overbodig op die foto, alleen zij trok keer op keer zijn aandacht. Waarom ze juist nu een bericht naar hem had gestuurd, zou wel duidelijk worden, besloot hij toen hij voor de spiegel de kraag van zijn hemd rechtzette. Na hun afstuderen had hij zijn vergeefse pogingen om met haar af te spreken nog even voortgezet. Die verliepen volgens het vaste scenario: elke keer was haar reactie heel enthousiast, tot hij enkele data voorstelde. Dan bleek ze opeens nooit te kunnen. Maar het zou er nog wel van komen, hoor. Uiteraard was hij te vroeg op de plaats van afspraak. Elke halve minuut keek hij op zijn horloge en zag massa’s mensen voorbijkomen. Zij was er niet bij. Stipt vijf minuten na het afgesproken tijdstip kwam ze daar aangestapt. Nog steeds even gracieus, een sigaret tussen haar vingers als een dwaallichtje in de nacht. Ze haalde haar vrije hand even nonchalant door haar krullende haren voor hij haar zonder woorden op haar wang kuste. Ze namen plaats aan een tafel waarop een inspiratieloze kelner net een kaarsje had geplaatst waarvan de vlam bij elke windvlaag opflakkerde en dreigde te doven. Nog altijd had ze geen woord gezegd. Hij probeerde het gesprek op gang te brengen. Nochtans was zij nu de vragende partij geweest, die maar bleef aandringen om eens samen iets te gaan drinken. Tijdens hun schooljaren was zij het geweest die vertelde en hij die luisterde. Gesprekken die hem hoop gaven: dat ze hem uitkoos als vertrouwenspersoon om al haar kleine en minder kleine zorgen bij te ventileren, betekende misschien wel dat ze iets meer voor hem voelde. Als een geduldige geliefde had hij dus al die jaren gewacht. Zelfs nu was hij nog altijd even geduldig, ook al bloedde elk onderwerp dat hij aansneed dood. Dan keek zij plots weg, staarde in de verte of antwoordde gewoon niet op zijn vraag. Stil vergezelde hij haar door de schaars verlichte straten naar de parkeergarage aan de rand van de stad waar haar auto stond. Vlak voor ze wilde instappen om weer naar huis te rijden, zoende ze hem vol op de lippen. ‘Ik dacht dat je een relatie had?’ Ze knikte kort. ‘Dan begrijp ik je nog minder.’ Ze zuchtte en keek hem aan met doffe ogen, alsof haar relatie te saai was voor woorden. Hij probeerde zich een beeld te vormen van haar vriend, gebaseerd op alle foto’s die hij gezien had waarop zij met haar geliefde pronkte. ‘Zet er dan een punt achter.’ Ze streek met haar zachte hand over zijn slordig geschoren kin. De parkeergarage was verlaten, het enige geluid dat ze hoorden was het gezoem van de schaarse lampen. Opnieuw zoende ze hem, minutenlang. Toen ze wat later uit het zicht verdween met haar autootje, bleef hij nog lang tegen het muurtje leunen in de doodstille parkeergarage, starend naar de betonnen vloer, denkend aan al die pogingen die hij toen had ondernomen om haar geliefde te worden. Nu was hij haar minnaar.

Felix Sandon
0 0

Het sprookje van de Slapende Tiran

Er was eens lang, lang, héél lang geleden, echt al zo lang geleden dat niemand nog wist hoelang geleden het nu precies was. Nu ja, veel doet het er eigenlijk niet toe. Maar laten we voor de historische correctheid van dit verzonnen verhaal ervan uitgaan dat het zich afspeelde na de tijd dat de dieren konden praten en voor de tijd dat robots de wereld overnamen. Met die tijdsperiode in het achterhoofd was er eens heel lang geleden en hier heel ver vandaan ... Hoe ver precies is moeilijk te achterhalen, alle relevante geografische informatie is verloren gegaan tijdens de grote, fictieve bibliotheekbrand. Wel speelt het zich met quasi zekerheid af op onze planeet, of op zijn minst in ons zonnestelsel, enfin toch zeker in onze melkweg. Dus, er was eens relatief lang geleden en hier betrekkelijk ver vandaan een klein, naamloos en voor de rest totaal onbelangrijk koninkrijkje. Het was er vaak koud, vooral in de winter. In de zomer daarentegen, was het er doorgaans warm - omdat de zon dan dikwijls scheen. Het regende er ook regelmatig, dat kon echt van alles zijn: kleine miezerige druppels, van die grote spetters die in kleine spatjes op de grond uit elkaar spatten, reusachtige ijsbollen, pijpenstelen, bakstenen en oude wijven. Sommige dagen van het jaar kon het er enorm hard waaien. Op andere dagen waaide het dan weer matig tot vrij krachtig uit noordoostzuidwestelijke richting en op nog andere was er soms helemaal geen wind. Dit op het eerste gezicht alledaags en zelfs doordeweeks koninkrijk stond onder het alslapend oog van een tirannieke dictator, bijgenaamd de Slapende Tiran. De Slapende Tiran was een arrogante, egoïstische, luie, machtsgeile, niet al te snuggere, onhygiënische, sadistische stinkerd. Hij had dan ook een broertje dood aan hygiëne - maar dit terzijde, dit speelde zich af lang voor de gebeurtenissen van dit verhaal. De autoritaire alleenheerser heeft altijd gevonden dat persoonlijke lichaamsverzorging iets is voor het gepeupel, niet voor zij die blauw bloed door hun aderen hebben stromen. Uit al zijn lichaamsopeningen walmde een stank die, volgens bepaalde verloren gegane bronnen uit die tijd, onmenselijk was. De voltallige populatie was het erover eens dat ze liever dagenlang vastzitten middenin een enorme berg verse mest onder een verschroeiend hete zon, dan ook maar enkele seconden blootgesteld moeten worden aan zijn persoonlijk aroma. Het was niet alleen zijn onevenaarbare lichaamsgeur die een onvergetelijke indruk naliet. Zijn scheten stonken zodanig dat de omringende rijken geïnvesteerd hadden in reusachtige geurfilters. Daarnaast was hij minstens even berucht om zijn boeren die ze twee koninkrijken en één keizerrijk verder konden horen en ruiken. Die hadden het koninkrijk (lees: de bevolking) al talloze boetes wegens geluidsoverlast en geurhinder gekost. Niet alleen de buurlanden hadden al geruime tijd problemen met hem, ook zijn eigen familie is niet gespaard gebleven van door hem veroorzaakte tragedies. Zijn eigen broertje, zoals eerder vermeld, kon die stank niet meer aan en stierf ten langen leste van pure walging. Zijn oudere zus - en troonopvolger - had hij laten vermoorden, nadat hij eerder zelf een paar onsuccesvolle pogingen had ondernomen. Zijn moeder, de koningin, had hem daarom - dat wordt tenminste vermoed - uit het koninkrijk verbannen. In zijn afwezigheid floreerde het koninkrijk als nooit tevoren. Er heerste vrede, voorspoed en bovenal, mensen waren gelukkig. Maar een oude wijsheid hing in dat koninkrijk als het zwaard van Damocles boven de hoofden van de bevolking: ‘Mooie liedjes duren niet lang’. En zoals algemeen bekend is, bevatten oude wijsheden vaak een grote kern van waarheid, anders waren het vergeten verzinsels of fictieve fabeltjes. Ook hier is het niet anders. Net op het moment dat iedereen vergeten was dat hij bestond, dook hij zomaar uit het niets terug op. En niet op kousenvoeten langs de achterdeur, maar in vol ornaat langs de grote stadspoort. Ondanks een hevig stil protest van de bevolking, verwelkomde de koningin hem met open armen en een volledig aan hem opgedragen eetfestijn. Net als elke moeder zat ze vol naïeve goedgelovigheid over de bedoelingen van haar zoon en wou ze hem een tweede kans geven. Het overgrote deel van de bevolking had geen enkel probleem met tweede kansen, zelfs zeven maal zeventig maal indien nodig, maar die had hij lang geleden al opgebruikt. Volgens de laatste berekening stond de teller op tweeduizend driehonderdvijfennegentig. Maar uit respect voor de koningin - of was het uit pure lamlendige luiheid? - besloten ze hem een tweeduizend driehonderdzesennegentigste kans te geven. Misschien dat het nog wel zou meevallen, dachten ze, hoopten ze. Wel, dat viel dik tegen: hij eigende zich het paleis toe, stootte zijn moeder met een dikke, houten stok van de troon en ontsloeg iedereen die er werkte. Zijn moeder degradeerde hij tot hoofd van de huishouding, wat er in de praktijk op neerkwam dat ze zijn was en plas moest doen, koken, het hele paleis inclusief de kasteeltuin onderhouden, … en dit alles onbetaald, zodat hij de hele dag kon doen waar hij echt goed in was: in zijn bed liggen stinken en snurken. Zijn paleis liet hij bewaken door een reusachtige, vliegende, vuurspuwende draak. Dit was gemakkelijker, productiever en vooral goedkoper dan eender welk leger. Tijdens de regeerperiode van de Slapende Tiran werden rechten vervangen door plichten, mensen onderdrukt en iedereen leefde in constante angst. De meesten onder hen waren enorm verzwakt door ondervoeding. De bevolking hield nauwelijks genoeg over om hun eigen gezinnen te voeden. Vier vijfden van hun oogst moesten ze afgegeven als voedsel voor de draak. Weigerden ze, dan kwam het vuurspuwende monster persoonlijk langs en zette hun huizen in vuur en vlam. Maar ergens in dat koninkrijk was er een kleine groep moedige verzetsstrijders die het vertikten om zich neer te leggen bij het dictatoriale bewind van die tirannieke despoot. Ze spraken af in verlaten huizen of in afgelegen grotten diep in het bos. Die keer die belangrijk is voor ons verhaal, ontmoetten ze elkaar in een klein hutje ergens in het midden van een groot, dicht bebost woud aan de rand van het koninkrijk. Omdat de samenzweerders liever anoniem wilden blijven, hadden ze allemaal hun kap diep over hun hoofd getrokken, behalve één, hij was zijn mantel vergeten. Om toch onherkenbaar te zijn had hij een lap stof toegenaaid, er drie gaten in geknipt en die op zijn hoofd gezet. Om onnodige complexiteit te vermijden, noem ik hen Jos, Marie, Ludovic, andere Jos, Perafina en Anna-Helena-Jozefina. Jos, Marie, Ludovic, andere Jos, Perafina en Anna-Helena-Jozefina zaten aan een klein, rond houten tafeltje in het schijnsel van vijf dikke kaarsen. Anna-Helena-Jozefina, de secretaris van het genootschap, haalde perkament, een ganzenveer en een inktpotje boven en plaatste dit alles nauwkeurig voor haar op tafel. De geheime vergadering kon beginnen, ze waren er helemaal klaar voor.  "Waar waren we gekomen?" vroeg andere Jos aan zijn collega-samenzweerders. Alle hoofden draaiden in de richting van Anna-Helena-Jozefina. Ze rolde het perkament open en las het twee volle seconden zorgvuldig door. "We hadden een naam gekozen", zei ze. "Juist, ja", zei Ludovic. "De Complotterende Conspiratoren." "Ligt dat er niet wat dik op?" vroeg Jos. Iedereen aan tafel zuchtte. "Niet opnieuw, hé," verzuchtte Marie, "die discussie hebben we vorige keer al gevoerd. En afgesloten." "We noemen onszelf niet De Koene Kanaries", zei Perafina. "Wat is daar mis mee?" vroeg Jos. Het klinkt goed en het is grappig?" "Het is niet grappig," zei Ludovic, "maar belachelijk." "En De Complotterende Conspiratoren niet?" "Het vat goed samen wie we zijn en wat we doen." "Iets té goed, volgens mij." Anna-Helena-Jozefina slaakte een diepe zucht. "Wat denken jullie dan van De Complotterende Kanaries? Het vertelt wat we doen, maar het blijft luchtig." De anderen haalden hun schouders op. "Dat is dan geregeld", zei ze en paste het officiële document aan. "Oké, het volgende punt op de agenda is …" "Een naam bedenken," onderbrak Jos haar, "voor het plan." "Zouden we dan niet eerst een plan bedenken?" opperde Perafina. "Als je het per se zo wilt doen", mompelde Jos. Hij kruiste zijn armen en leunde naar achteren. "Iemand een idee?" vroeg Anna-Helena-Jozefina en keek iedereen één voor één aan, Jos had zijn blik afgewend en staarde vol geveinsde interesse naar het plafond. "We ontvoeren hem." "Hoe raken we ongezien het kasteel binnen?" "We graven een tunnel." "Dat duurt eeuwen. En hoe wil je dat ongezien doen? Een berg aarde die er vroeger niet was, valt wel wat op, niet?" "Hij komt niet buiten. Hij zou het nooit merken." "Maar die draak wel. Ze roostert ons levend." "Dan graven we nog een put. We kunnen daar de aarde in gooien." "Briljant", reageerde Jos die zich tot dan toe afzijdig had gehouden. "En waar blijven we dan met de aarde van die tweede put? Wacht, niets zeggen, laat me raden, dan graven we nog een put", voegde hij er sarcastisch aan toe. "Ah, niet aan gedacht", zei Ludovic. "Rustig, rustig, allemaal", zei Anna-Helena-Jozefina. "Dit is zinloos. Zo komen we nergens. Laten we beginnen bij het begin." De hele nacht vergaderden ze verder. Op het einde hadden ze zo goed als iets dat in de verste verte enigszins ietwat op een plan leek. Jos en Anna-Helena-Jozefina zouden de draak afleiden en vangen. De vier anderen zouden het kasteel binnendringen, de dictatoriale dwingeland overmeesteren en de grens overbrengen om hem daar ergens vast te binden. Het moment van actie was eindelijk aangebroken. Hier hadden ze lang naar uitgekeken. Om de tijd tussen het bedenken en het uitvoeren ervan te doden, correspondeerden ze in geheimzinnige codetaal over een gepaste naam voor het plan, daar waren ze tijdens de vergadering nog niet aan toegekomen. Na veel heen en weer gediscussieer kozen ze voor 'De Ontvoering Van Een Notoir Ellendige Tiran En Luiwammes' ofwel ‘Plan DOVENETEL’. Nachtenlang hadden ze met z’n allen lakens verzameld, de kostuums gemaakt en kilo's en kilo's koekjes gebakken. Iedereen was uitgeput. Marie had daarom voorgesteld alles uit te stellen, maar daar wilden de anderen niets van weten. Die nacht was het ideale moment en anders moesten ze al die zelfgebakken koekjes weggooien. Om welke dag het precies gaat, is doorheen de tijd onduidelijk geworden. Laat ons er gemakshalve van uitgaan dat het een woensdag was. Woensdagen zijn nu eenmaal mooie dagen om een coup te plegen. Dus, die woensdagnacht was heel het koninkrijk verzonken in een diepe slaap, of toch bijna heel het koninkrijk. Onze zes helden natuurlijk niet, anders zou het hier al gedaan zijn en wie wil er nu een verhaal met een anticlimax? In de hoogste torenkamer van het paleis sliep de ex-koningin, dus zolang onze heldhaftige opstandelingen niet te veel lawaai maakten, vormde zij geen enkel obstakel. De tiran zelf sliep helemaal alleen in een kingsize bed in het midden van de troonzaal. Terwijl Jos en Anna-Helena-Jozefina de draak afleidden, drongen de vier anderen het kasteel binnen. Daar lag hij, zoals verwacht, te snurken in zijn bed. Hun adem stokte in hun keel, hij was nog afstotelijker dan ze zich herinnerden. Zijn haar hing in vettige slierten langs zijn gezicht dat vol stond met etterige puisten die eruitzagen alsof ze ieder moment konden ontploffen. Zijn tanden, of wat ervan overschoot, hadden een vieze geelbruine kleur. Zijn eetpatroon van het voorbije decennium kon via de etensrestjes tussen zijn tanden, volledig gereconstrueerd worden. Maar het ergste was die stank, die niet te harden, zurige, penetrante geur die het hele kasteel vervulde. Ze haalden een mondmasker boven en bonden die voor hun neus. Dit hielp echter voor geen meter. De Slapende Tiran had helemaal niets gemerkt, hij ronkte gewoon verder. Ze slopen naar hem toe en verdoofden hem met, waarschijnlijk, iets verdovends. Zijn armen en benen bonden ze vast. Ze wikkelden hem in een honderdtal dekens die ze hadden meegenomen (in de hoop de stank wat te dempen), maar niet alvorens ze dikke handschoenen hadden aangetrokken (je kan niet voorzichtig genoeg zijn). Samen met de intussen gevangengenomen draak sleepten ze hem de grens over, diep het bos in. Hoe de draak precies gevangen werd, zou ons veel te ver leiden (maar met deze trefwoorden kun je het verhaal voor jezelf reconstrueren: drakenkostuums - afleidingsmanoeuvre – twintig kilo verdovende koekjes – een vlindernetje – driemaal nationaal lassokampioene). Ze bonden hen vast aan de grootste en dikste boom die er te vinden was. Perafina en Ludovic waren ooit nog bij de scouts geweest en wisten dus alles van knopen leggen. De Complotterende Kanaries highfiveden elkaar enthousiast om het succes van 'Plan DOVENETEL' te vieren. Ze zwaaiden als afscheid een laatste maal naar de nog steeds in lakens gehulde, slapende Slapende Tiran en de grollende, rookuitblazende draak en huppelden arm-in-arm gelukkig en opgelucht terug naar huis. Eind goed, al goed en iedereen leefde nog lang en gelukkig. Oh, excuseer me, dit is het foute einde. Dit is de afloop van een ander verhaal, eentje waarvan ik nu even niet op de titel kan komen. Deze eindigt ietsjes anders. Na een paar dagen - twee om precies te zijn - wist de draak zich uiteindelijk te bevrijden. Volledig uitgehongerd at ze de koning, met lakens en al, op, vloog terug naar het koninkrijk, maar werd onderweg misselijk en spuwde alles onder. Het hele rijk werd bedolven onder drakenkots. Sommigen verdronken, anderen stikten erin. Niemand overleefde het. Iedereen was bijgevolg dood. Of toch bijna iedereen. De draak leefde gelukkig nog. En enkele vogeltjes, allez toch dat ene die in de lucht vloog tijdens de braakselvloedgolf. De draak en het vogeltje leefden nog lang - voor zover dat mogelijk is volgens hun natuurlijk levensverwachtingspatroon uiteraard - en gelukkig ... Daar ga ik tenminste van uit, want eigenlijk weet ik niet of draken en vogels daartoe in staat zijn. Nu ja, voor dit verhaal doet het er niet echt meer toe. De draak en het vogeltje kregen vele kindjes (hoe die eruit zagen wil ik me liever niet voorstellen), ze leefden ongeveer vijf procent langer dan hun voorspelde, gemiddelde levensduur en waren, voor zover men weet, gelukkig. Zo eindigt alles dan toch nog goed.

Jenna
0 0

Vrouw zakt door perron

De scherpe pijn in haar staartbeen verdringt gedurende een paar seconden alles. Ava houdt haar rechterhand in een kom rond de plek van waaruit de pijn haar hele lichaam rondstraalt en pas als ze de hevigheid voelt afnemen, ziet ze zichzelf in een halfdonkere ruimte zitten en komt de angst opzetten.   Ze voelt aan de wand, het is vochtige aarde, en ze kijkt in de grote opening boven haar hoofd waardoor het vroege ochtendlicht naar binnen valt.   Het duurt niet lang eer ze zich herinnert dat ze even ervoor op het perron stond en heen en weer wandelde omdat het fris was en de trein naar Kortrijk op zich liet wachten. Dan waren de betontegels onder haar voeten weggeschoven. Ze was letterlijk in de grond gezakt.   De put is diep en wijd. Ava begrijpt niets van zoveel ruimte onder de grond en doet ook verder geen moeite om te begrijpen. Ze probeert te denken aan iets dat haar hieruit kan helpen. Ze vraagt zich af of ze iemand gezien heeft op een van de andere perrons en –nog belangrijker- of iemand haar gezien heeft.   Dan komt de angst opnieuw, nu snel en onbeheerst en ze begint te roepen. Het geluid van haar stem wordt gedempt door de zachte wanden. Ze probeert het nog eens en wat harder en ze denkt aan akelige dromen waarin ze om hulp roept, maar geen geluid uit haar keel krijgt. Meestal werd ze dan wakker geschud door Myriam want die hoorde haar wel kreunen. Myriam. Gek dat ze er nu pas aan denkt dat ze iemand kan bellen.   Maar moet het Myriam zijn? Hoe moet ze uitleggen wat ze om zes uur ’s morgens in het station van Mechelen doet? Wat kan Myriam doen behalve de hulpdiensten bellen? Zou ze zich naar hier haasten? Kan ze niet beter zelf de politie bellen? Wat is het nummer? 100? 101?   Ze vindt haar mobiele telefoon onderaan in haar tas en haalt hem bevend boven. Net als ze het met nummer 100 wil proberen, hoort ze een stem. Als ze naar boven kijkt, ziet ze een hoofd over de rand hangen. De man is blijkbaar op zijn buik gaan liggen.   ‘Is daar iemand?’ vraagt hij overbodig, want er is nu al zoveel licht dat hij haar wel moet zien zitten. ‘Ja ja’, roept Ava beverig. Ze voelt plots tranen en snot en ze zoekt naar een zakdoek terwijl ze ‘Ja ja, help mij’ blijft herhalen.   Er komt een tweede hoofd bij. ‘Bent u gewond?’ vraagt hij.   ‘Ja, nee, een beetje,’ roept Ava terug. Ze tast naar haar staartbeen en voelt dan pas de pijn in haar pols en iets prikken aan haar oor en haar lip. Er komen donkere vlekken op haar zakdoek.   Ze dringt nieuwe tranen terug, ze slikt en slikt en dwingt zichzelf tot een droog gesprek met de mannen die haar kunnen redden.   ‘Bent u van het station?’ vraagt ze. ‘Bent u gekwetst?’ vraagt de man opnieuw. Hun vragen overstemmen elkaar.   Het is lastig naar boven kijken, ze houdt haar hoofd een paar tellen naar beneden. Als ze weer naar boven kijkt, hangt er een derde hoofd over de rand.   Het is een vrouw. ‘Mevrouw,' zegt ze ‘er is hulp op komst.’ ‘Bent u gekwetst? Hebt u pijn? Waar hebt u pijn?’   Antwoorden kost moeite. ‘Mijn rug, onderaan, en mijn pols.’   ‘Kunt u rechtstaan?’   Ava schudt het hoofd. Ze wil het niet eens proberen.   De twee andere hoofden verdwijnen.   ‘Er is hulp onderweg,’ zegt het vrouwenhoofd weer. Dan verdwijnt ze ook.   Het geluid van de ambulance lijkt nog ver weg als het al stopt. Na een tijdje komen nieuwe hoofden kijken.   ‘Te diep en te gevaarlijk,’ zegt het ene hoofd, ‘bel het klimteam.’   ‘Mevrouw, er is hulp op komst, 'roept de man nu ook weer naar beneden, ‘wij kunnen u hier niet uithalen, het klimteam is opgeroepen.’   Het is wachten, de pijn in haar rug die minder hevig is, en de pijn in haar pols verdragen. Wachten en op de tanden bijten, en proberen om wat comfortabeler te gaan zitten.   Dan komt de vraag weer op of ze Myriam zal bellen. Ze tikt het nummer in, maar bedenkt zich.   Myriam zal de brief pas vanavond vinden. Ze kan net zo goed niets doen en de dingen laten verlopen zoals ze gepland waren. Met vertraging, want ze had nu op de trein moeten zitten, al uren ver verwijderd van het leven met Myriam.   Ze had een Noord-Franse stad op het oog, Lille of misschien Rouen. Ze zou er een paar dagen op hotel gaan en er werk zoeken. Vandaag zal het niet meer lukken. Ze zullen haar naar een ziekenhuis brengen. Ava ziet zichzelf al in een wit bed liggen. Het Sint-Maartenziekenhuis is het dichtste bij.   Als zij Myriam niet belt, zou ze het op een andere manier te weten komen?   ***   In het ziekenhuis vragen ze voor de derde keer of ze iemand moeten bellen.   ‘Nee, nee, alstublieft niet.’   Het is allemaal niet zo erg. Een gekneusd staartbeen, een verstuikte pols, hechtingen in haar lip, haar wenkbrauw en haar oor. Voor de zekerheid kan ze beter een nachtje blijven.   De pijn is te verdragen, alles is gezalfd, omzwachteld, gehecht of bepleisterd. Het bed ligt fijn, er brandt licht op de gang, de belknop is binnen bereik.   Slapen is alles wat ze kan en wil doen. Slapen.   En morgen vertrekt ze gewoon opnieuw. De grootste hindernis, heeft ze gehad. (Naar een bericht in De Standaard op 26/08/2014)

Christine Van den Hove
19 2

De begraven trofee

In zijn burcht aan de rivier liep de graaf druk gebarend door de grote zaal, met in zijn kielzog een minder fraai geklede man. ‘En dit is de mooiste trofee aan mijn muur. Prachtig, niet? De laatste eenhoorn. Afgemaakt met een schot in het hart. Gevaarlijke beesten, hoor! Ik hield me op in het struikgewas, en besloop het rustig, maar plots, alsof het een kwelgeest had gezien, stevende het op me af. Maar zoals u ziet, heb ik gelukkig de nodige ervaring om een dergelijk gevaar met efficiëntie af te handelen.’ De graaf likte zijn lippen. De man aan wie deze jachttrofee getoond werd, zei: ‘Meneer de graaf is een ervaren schutter, en het ontgaat me dan ook waarom hij de hulp inroept van een jager als ik?’ ‘Heer jager, een man van mijn statuut kent vele verzoeken. Ik vraag u niet een dier te schieten, maar eerder doe ik beroep op uw diensten van… hoe u dat ook noemt, magiebehoud?’ ‘Bedoelt u dat we de magische krachten van een natuurgebied onderhouden?’ ‘Exact! Er is maar één bos in mijn graafschap waar de zeer zeldzame en waardevolle Pixivium Magillus -of in de volksmond Levensbes- kan groeien. Die bes is u welbekend neem ik aan?’ ‘De Levensbes.’ prevelde de jager vol ontzag, ‘Die ken ik enkel uit een kindervers: Eet Levensbes bij volle mane, dat uw leven trager tane. Lijck de mannekes van bos en aarde, met dyzend jare lange baarde. Maar opgepast, zijt hen geen last, of…’ De graaf onderbrak hem. ‘Een kindervers, maar naburige baronnen en hertogen zijn in een wedloop om de bes in grote getale te kweken, want allen willen zij net als ik, hun leven verlengen. Maar de geschikte grond is schaars, en zoals zowel de naam van de bes als het vers ons vertelt, wordt die grond meestal bewoond door wezens die sommigen kabouters noemen maar eigenlijk regelrechte kwelgeesten zijn. Er wordt gezegd dat zij hun toverkracht geven aan de grond zodat de Levensbes kan groeien, maar tegelijkertijd bouwen zij die vruchtbare grond vol en is er geen ruimte meer voor bessenstruiken… dus… Heer jager, ik wil de zeldzame Levensbes laten bloeien in onze streek en verzoek daarom dat u het bos van Kyrie ontruimt van kwelgeesten.’ De jager sperde zijn ogen in ongeloof. ‘Meneer de graaf, het bos van Kyrie bevat de oudst gekende nederzettingen van het kaboutervolk. Zonder dat bos…’ ‘Uw bezwaren zijn eervol, maar acht u het welzijn van uw familie niet even belangrijk? Het hele bos vol bessen, meer dan een graaf kan wensen. Ik zou delen met de mensen die me hielpen, heer jager.’ ‘Maar de magie in de grond… zal de magie niet verdwijnen zonder kabouters?’ ‘Als dat het geval is vinden we dan wel weer een oplossing. Wat we weten van de kwelgeesten die u kabouters noemt, is dat één, ze toverkracht bezitten, en twee, ze zich onzichtbaar kunnen maken voor mensen, en dan vooral voor mensen die met minder goede bedoelingen hun grond betreden. Daarom dat ik een man met een goed hart vraag de klus te klaren.’ De graaf nam de jager mee naar een andere kamer, en toen ze voorbij een grote lege muur liepen zei hij: ‘Aan die muur wil ik zo snel mogelijk een grimbeer hebben hangen.’ Hij grinnikte. ‘Toen ik diezelfde zin zei tegen de gravin dacht ze dat ik een schilderij wilde kopen.’ De graaf haalde uit een verborgen kast een loden kist, en toen hij die opendeed werd de hele kamer gehuld in een gouden sprankelgloed. ‘Dit, heer jager, is waar het om gaat, de zaden van de Levensbes.’ De jager mocht de kist even in zijn handen nemen en werd bevangen door de magische gloed. De graaf nam de kist meteen terug en klapte het deksel dicht. ‘Wat… wilt u dan doen, meneer de graaf?’ De graaf stapte naar een raam en keek naar de rivier die langs de burcht liep. ‘Mijn vriend de baron van Westland kwam tot een akkoord met de kwelgeesten van zijn land. De bessen zouden over de nederzettingen groeien en zouden ook verzorgd en geplukt worden door de plaatselijke kwelgeesten… maar de eerste volle maan brak aan, en de baron wilde zijn oogst, maar de kwelgeesten hielden alles voor zich en werden sterker en sterker met het eten van de bessen. Het kostte de baron uiteindelijk het leven van honderden ridders en soldaten voordat hij uiteindelijk het hele bos liet platbranden en omwoelen. Maar dat omwoelen kost tijd, en rendement.’ De jager schuifelde ongemakkelijk. ‘Meneer de graaf, als u me het toelaat te zeggen, mijn vrouw kent, net als vele andere dorpelingen, kabouters uit dat bos. Ze helpen ons, en doen ons nooit kwaad.’ ‘En met een bos vol Levensbessen in dit graafschap zullen de dorpelingen langer leven, nooit meer honger lijden en gelukkiger zijn. En bent u ooit al een kwelgeest tegengekomen die niets vroeg in ruil voor zijn dienst? Wel, de Levensbes groeit en blijft groeien, het hele jaar lang, in dienst van de mens.’ De jager dacht aan de kinderen die hij had zien teloorgaan aan de honger, en aan zijn zwangere vrouw, en met pijn in het hart, bood hij zijn diensten aan. Hij zou eerst vallen moeten zetten, om de vluchtende kwelgeesten te grijpen. Ze moesten allemaal dood, want het waren beesten die altijd weer hun weg naar hun eerste huis terug zochten, ook al werden ze aan de andere kant van de wereld gezet. Dan het bos in gaan, en de truffelzwijnen loslaten op de paddestoelenpest, want voor zwijnen waren de kwelgeesten niet onzichtbaar. En alles wat zichtbaar uit de huisjes kwam: afschieten, maar niet in het hoofd, want de pinnemutsen moest de jager bijhouden. Trofee en speelgoed voor de dochter van de graaf. Zwaar beladen met een gruwelijke opdracht ging de jager naar huis. En zijn gemoed woog zo door dat geen enkele rimpel in zijn gezicht nog kon lachen. Met verstomde blik kwam hij het huis binnen. Meteen vroeg zijn vrouw hem wat er mis was, en wenend biechtte hij alles op. En ze smeekte hem, om de opdracht niet uit te voeren. ‘Mannetje,’ zei ze met zijn koosnaam, ‘schiet niet op alles wat beweegt. Wat hebben die kabouters jou kwaad gedaan?’ ‘Als zij weg zijn, zullen wij en onze kinderen gezond zijn.’ ‘Er gaat niets veranderen, mannetje, doe de graaf een plezier en hij vraagt er geld voor. Ziekte en dood kunnen niet worden overwonnen met een magische bes. Ellende en wreedheid komen dra in de plaats.’ De dag daarop ging de vrouw naar het bos van Kyrie om de kabouters te waarschuwen zodat zij een verdediging konden bouwen. Zij bedankten haar vurig en gingen meteen aan het werk. Een week later werd de jager terug ontboden bij de graaf. Hij werd ontvangen in dezelfde zaal waar hij de eerste keer werd onthaald, en werd meteen geleid naar de nieuwste aanwinst van de graaf: het hoofd van een zeldzaam dier dat nu een muur als lichaam had. ‘Vertel me, jager, is het bos ontdaan van de paddestoelenpest?’ ‘Geen stip meer te bekennen, meneer de graaf,’ zei de jager zenuwachtig. De graaf kwam wat dichter tegen de jager staan en onderzocht diens gezicht. ‘Er is iets met jou, jager, ik weet niet juist wat, maar soms denk ik dat ik je niet kan vertrouwen.’ Plots draaide de graaf zich om en riep met een bulderende stem: ‘Zadel mijn paard!’ En wendde zich dan tot de jager: ‘Ik ga het bos controleren, en jij komt mee.’ De graaf en de jager kwamen aan het bos van Kyrie, en gingen te voet verder door de dichte begroeiing. Na een tijdje merkte de graaf tevreden op dat er nog geen zicht was van kwelgeesten of hun nederzettingen. Ze waren nu diep in het bos toen plots de jager wees naar een grote bruine gestalte in de verte. ‘Meneer de graaf, ginds, een grimbeer!’ De graaf zei opgewonden maar ingehouden stil: ‘Is het er een? Die heb ik nog nooit geschoten! En ik die dacht dat mijn vriend de baron de laatste had! Wees stil, jager. We sluipen dichterbij, want hij staat nog zo ver dat ik hem niet goed zie.’ De beide mannen kropen voorzichtig door het struikgewas en beslopen de grimbeer. En terwijl de graaf zijn zinnen zette op het hoofd van een nieuwe prooi, beslopen wel duizenden kwelgeesten gevoelloos zijn lijf. De graaf siste nog, ‘Ik zie hem niet meer, ben je zeker dat het geen boom is?’ Maar zijn graat van rug tot nek krioelde al van de naderende dood en duizenden prikken later, lag de graaf met open ogen stil op zijn buik in het bos van Kyrie, en daar zou de grond hem ook verteren. Met hoofd en al, want de trofeeën van een kwelgeest hangen niet pronkend aan een muur. Zij rotten in de grond en vergaan in het niets.                

Han Hartmoed
0 0

Sinds Birte

Sinds Birte gestorven is, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat er iets niet klopt. Erger nog, dat er iets helemaal verkeerd is. Natuurlijk is het verkeerd dat Birte er niet meer is. Het duurt altijd een paar tellen eer dat besef tot mij doordringt. Maar het is nog iets anders. De dag begint op een manier waarop hij niet zou moeten beginnen. Ik word wakker in een smal bed in een ruime kamer. Iemand trekt de gordijnen open en zegt goeiemorgen. Op het veel te kleine schrijftafeltje staat een blad met een saai ontbijt: een kop lauwe koffie, drie sneetjes witbrood, een kuipje aardbeienconfituur en een rechthoekje boter.             Daar begint het al. De koffie zou heet en sterk moeten zijn en vooral, door mij gezet. In de keuken. Waarom heb ik geen keuken meer?                         Na het ontbijt komt een meisje vragen of ik hulp nodig heb bij het wassen en aankleden. Ik schud mijn hoofd. Ze trekt de deur meteen weer dicht. Ze kent het antwoord, maar ze moet het vragen. Ik ben nog altijd in staat om een broek en een hemd aan te trekken, en mijn kleren zou ik liever zelf wassen. Ik zou niet zo’n rare plooi in mijn broek strijken, ik zou de kraag van mijn hemd wat rechter zetten. En ook geen vouwen in de mouwen alstublieft.               ‘Niet moeilijk doen, liefste,’ zou Birte zeggen. ‘We hebben hier alles wat we nodig hebben.’ En dat was ook zo. Zolang Birte zorg en vooral veel aandacht nodig had, was het handig om niet te moeten koken, poetsen, strijken. Lezen of naar de tv kijken ging ook niet, maar dat vond ik niet erg. Dat zou later wel weer komen. Want er zou een later komen, zonder haar en zonder de kabbelende gesprekjes tussen ons.             Die mis ik nog het meest. Birte was graag aan het woord. Over de ergernis die ik daarbij soms voelde, heb ik nu spijt. Maar spijt en woede –woede, omdat ze weg is- daar koop ik niets mee. Dus leg ik spijt en woede opzij en probeer ik de dag door te komen. Meer lukt me voorlopig niet. Al moet er iets gebeuren. Morgen misschien, of volgende week.             Om tien uur liggen de kranten in het salon. Er eentje van de tafel grissen en meenemen naar je kamer wordt niet op prijs gesteld. Nee, het is de bedoeling dat we samen de koppen doornemen, om aan te tonen dat we nog bij ons verstand zijn. We zijn met niet velen die dat nog kunnen. De animatrice test elke dag onze kennis van aardrijkskunde, geschiedenis en politiek. Het is een knap meisje. Ze heeft kort zwart haar, wat langer in haar nek, en ze heeft een blinkend steentje in haar neusvleugel. Ik kan het niet laten om haar na te kijken als ze door de gang loopt. Ze heeft brede schouders –zou ze zwemmen?- en een jongensachtige tred. Ik denk dat ze is zoals wij, maar ik durf het haar niet te vragen. Zou ze het weten van mij? Ze kan er toch moeilijk naast kijken? Maar ze heeft geen oog voor mij. Ze spreekt me beleefd aan met mevrouw zoals ze dat hier met iedereen doen. Mevrouw, mijnheer. Als er nieuw personeel is, want het wisselt nogal, is er al eens eentje bij die zich vergist en mij met mijnheer aanspreekt. Ik verbeter ze niet, ik ben het gewoon. Na een dag of twee zien ze hun vergissing in.               Mevrouw Simons is ook weer bij het krantenuurtje. Haar man heeft ze in hun kamer gelaten. Ze luistert gespannen naar de vragen, de ogen half gesloten, de handpalmen op de tafel, en ze probeert als eerste te antwoorden. Uitsloofster. Als het krantenuurtje voorbij is, mogen we de krant van vandaag in het salon lezen. Die van gisteren mogen we mee naar de kamer nemen. Met oud nieuws onder de arm slof ik naar mijn hol. Ik moet het samenzijn in een ruimte met anderen doseren. Langer dan een uur kan ik nog niet aan.               In het restaurant blijkt mevrouw Bernards mijn plaats te hebben ingenomen. Ik overweeg om haar rolstoel achteruit te trekken, een stoel bij te schuiven en te gaan zitten, maar uit goed fatsoen blijf ik staan bij de tafel waar ik tot voor kort nog met Birte zat. De zaalverantwoordelijke neemt me bij de arm en leidt me een paar tafels verder.             ‘We dachten dat u hier beter zou zitten,’ zegt ze. Ze schuift een stoel achteruit en nodigt me uit om te gaan zitten. Bij Simons en haar man, en nog een kale man die ik wel al gezien heb, maar verder niet ken. De mannen zitten in een rolstoel en alsof ze behalve hun benen ook hun handen niet kunnen gebruiken, begint Simons water in hun glazen te gieten. Ik leg mijn hand op mijn glas en zeg bijna onhoorbaar ‘Nee, dank u’.             ‘Drinkt u wijn?’ vraagt Simons, ’Gezellig, dan ben ik niet alleen.’               Er komt een karafje met een halve liter rosé op tafel. Ik giet haar glas voor driekwart vol, dan het mijne en ik zet het karafje langs mijn kant. Zo zal ik het vanavond en morgen ook doen. De nieuwe situatie meteen goed beheren. Ik hoor het klaterende lachje van Birte.                    ‘Zo ken ik je weer’, zou ze zeggen. Dat er zowel bij de lunch als bij het diner wijn bij het eten werd geserveerd was het doorslaggevend argument om voor dit etablissement te kiezen. Ik vond het anders wel erg duur, maar Birte vond dat we onszelf niets tekort mochten doen. Voor haar lagen de zaken anders dan voor mij, daar stonden we toen niet bij stil.               Mijnheer Simons kijkt verongelijkt naar de karaf wijn.             ‘Hij heeft suikerziekte,’ verduidelijkt mevrouw. ‘Nee, man’, zegt ze, ‘het mag niet van de dokter.’             ‘Man’, zegt ze tegen hem. Heeft hij geen naam? Zij heet Emma, ben ik intussen te weten gekomen. Als hij tegen haar praat is het Emma voor en Emma na. Behalve suikerziekte heeft hij een rothumeur en een aanleg tot zeuren. De man naast hem kijkt in zijn bord en in zijn glas water en doet of hij er geen last van heeft. Ik volg zijn voorbeeld en doe of ik niet zie hoe Emma Simons naar mij kijkt en hoopt op een aangenaam tafelgesprek.             Na het dessert maak ik dat ik wegkom, dankbaar dat ik niet in een rolstoel zit en moet wachten op iemand die mij naar mijn kamer brengt.               Mijn siësta bestaat uit drie kwartier naar het plafond kijken en me afvragen of ik naar het salon zal gaan of in mijn kamer blijven. Het wordt in de kamer blijven. Ik heb geen zin in mandala’s kleuren. Als er op de deur geklopt wordt, ben ik er zeker van dat het Emma Simons is. Het personeel klopt niet. Ze komen gewoon binnen, of ik in mijn onderbroek sta of niet, ze zien niet eens het verschil.               ‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze.             ‘Nee’, zeg ik en ik probeer de deur weer dicht te duwen. Maar ze heeft al een voet binnen en kijkt nieuwsgierig de kamer in.             ‘Mag ik Cécile zeggen? Ik ben Emma.’             ‘Het is Sil’, zeg ik, norser dan bedoeld.             ‘Mag ik binnenkomen?’ vraagt ze dan. Ik doe een stap achteruit.               Ze komt binnen en blijft bij de schrijftafel staan. Ze kijkt een paar seconden naar de foto van Birte alsof ze bij een graf staat. Ze is een vrouw van de wereld, er is iets sjieks aan haar en voor het eerst voel ik wat van mijn afkeer wegzakken. Ik heb geen afkeer van haar, maar van iedereen die hier nog levend rondloopt, bedenk ik plots. Ik voel een snik opkomen, maar ik verman me. Ik wijs haar een stoel en ga zelf in de fauteuil zitten. Ik strijk over mijn knieën en probeer de vouw in mijn broek wat minder scherp te krijgen.               Als ik opkijk, zie ik haar vriendelijke gezicht. Vriendelijk, ik moet het toegeven. En mooi. Haar zilvergrijze haar is recht afgeknipt op kinhoogte. Ze heeft wat lipstick op, maar verder is ze niet opgemaakt.             Ze vraagt hoe het nu met mij is. Ik haal mijn schouders op.             ‘Waren jullie ... was zij je vriendin? Ik bedoel ...’             Ik voel mijn stekeligheid weer opkomen. Heeft ze dan geen ogen in haar kop? Ik toon haar mijn ring.             ‘We waren getrouwd,’ zeg ik.             Ze knikt en kijkt dan rond in de kamer op zoek naar een nieuwe vraag. Dan staat ze op.             ‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze weer. Ik schud mijn hoofd.             ‘Ik kan je niet in mijn kamer uitnodigen’, zegt ze dan, ‘mijn man ...’             ‘Ik begrijp het,’ zeg ik en ik denk: gelukkig maar.               Sinds Emma in mijn kamer is geweest doe ik aan tafel iets meer moeite om hoffelijk te zijn. Tegen Emma tenminste. De mannen negeer ik. Ook tijdens het krantenuurtje doe ik mijn best. Het krantenmeisje is zichtbaar opgetogen met mijn toegenomen ijver. Ze snijdt spannende onderwerpen aan en vraagt op een dag in welke landen het homohuwelijk is toegestaan. Emma kan ze bijna allemaal opnoemen. Het krantenmeisje kijkt in mijn richting en knipoogt. Ik krijg het warm en ik zet een extra knoopje van mijn hemd open. Bloost ze? Of beeld ik me dat in?               Tijdens de siësta vertel ik Birte over Chris, het krantenmeisje.             ‘Je bent nu vrij,’ zegt Birte, ‘Maar is ze niet wat jong voor jou?’             Natuurlijk, veel te jong, hoe dwaas van mij.               Emma Simons staat weer aan de deur. Ze vraagt of ze binnen mag komen. En of ik zin heb om met haar een dagje naar zee te gaan.             ‘Naar zee? Hoe dan? Met de trein? Met begeleiding?’             ‘Maar neen, Silly, we gaan toch gewoon met de auto?’             Ik kijk verbaasd daar de sleutel in haar uitgestoken handpalm.             ‘Hij staat hier op de parking,’ zegt ze, ‘voor als we op stap willen gaan. Maar met die rolstoel is het zo’n gedoe.’                 Het lijkt lang geleden dat ik nog in een auto zat en nog langer geleden dat ik zelf aan het stuur was. Birte en ik namen de laatste jaren het openbaar vervoer. Emma merkt dat ik me aan de stoel vasthoud en dat ik mee rem.             ‘Ik kan het nog, hoor’, zegt ze, ‘maar als je wil, mag jij straks rijden.’               Op een rustige weg in de polders wisselen we van plaats. Het is even wennen, maar dan is het als fietsen. Ik leg mijn elleboog door het open raam en stuur losjes met een hand. Emma laat zich ontspannen achteruit zakken in de passagiersstoel. Ze stift haar lippen wat bij en zet een zonnebril op. Ik concentreer me op de weg.               Aan de kust is het rustig. Op de dijk niets dan oude mensen.             ‘Wij zijn ook oud,’ zegt Emma, ‘maar hier, hier kan je nog wandelen.’ Ze steekt haar arm door de mijne.             We eten zeetong en drinken er een glas chablis bij. Daarna een ijsje op een bank. Even met de blote voeten in het zand. Voor we weer in de auto stappen, wijst Emma naar de appartementen op de dijk.             ‘Er staat hier veel te koop,’ zegt ze.   ***               Mijnheer Simons heeft een andere tafel geëist en gekregen. Hij zegt dat ik niet normaal ben en dat ik een slechte invloed heb op zijn vrouw. Ze zitten nu bij het raam met een ander echtpaar. Ik zie Emma haar best doen om een gesprek op gang te krijgen, maar noch de man, noch de vrouw zijn gewillig. Mijnheer Simons houdt zijn mes rechtop in zijn vuist, alsof hij wil laten zien wie de baas is.               Aan mijn tafel werden de Simonsen vervangen door de laatste twee alleenstaande mannen die er nog zijn. Blijkbaar denken ze dat ik een gevaar voor het vrouwvolk ben. Ik heb gevraagd of ik in mijn kamer mag eten, maar dat mag alleen als je ziek bent.   ***               Emma komt mij bezoeken met een tros druiven en een paar sinaasappels die ze van de dessertkar genomen heeft. Ze vraagt wat ik heb. ‘Ik weet het niet,’ zeg ik schouderophalend, ‘ze vinden niets. De dokter zegt dat het op onze leeftijd niet ongewoon is om wat minder goede dagen te hebben. Ik moet een paar dagen rust nemen.’               ‘Rust!’ Ze lijkt ontdaan. Ik heb plots in de gaten dat ze ongerust is, dat we niet meer op stap kunnen gaan.             ‘Het gaat al beter, hoor,’ zeg ik vlug. ‘Over een paar dagen ben ik weer de oude. Of de jongere,’ grap ik.               ‘Ik hoop het,’ zegt ze , ‘want het is geen leven meer met hem. Ik was beter thuis gebleven. Ik ben nog veel te fit om hier te zijn.’ Tegen wie zegt ze het.               ‘Maar, als jij niet met hem meegekomen was, hadden we elkaar niet leren kennen.’ Ik schrik zelf een beetje van wat ik zeg. Meen ik dat?               Ze glimlacht als een meisje en staat recht. Ik stotter dat ze best nog wat mag blijven.               ‘Je moet rusten’, zegt ze plagerig.   ***               Mijnheer Simons is echt ziek. Zijn bloeddruk gaat onrustbarend de hoogte in, telkens als Emma en ik een uitstapje hebben gemaakt. Emma vindt dat hij uitstekend verzorgd wordt en dat zij daar niet altijd bij nodig is.             ‘Eigenlijk’ zegt ze, ‘kan ik niet veel voor hem doen. Hij is misschien wel beter af zonder mij.’             We gaan nog elke dag naar het krantenuurtje en daarna nemen we samen de immobiliën-bijlage door.   ***   Sinds Emma en ik aan zee wonen, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat ik droom. Het duurt een paar tellen eer ik besef dat het echt is, dat zij naast mij ligt, haar grijze haar uitgewaaierd op het witte kussen. Dan glip ik stilletjes uit bed. Ze doet of ze slaapt. Ik zie het aan haar mondhoek die ze in de plooi probeert te houden. Ik haal croissants en broodjes bij de bakker op de dijk en daarna zet ik sterke, hete koffie.   De foto van Birte heb ik in de keuken gezet. Ze kijkt goedkeurend toe terwijl ik een eitje kook. Ik knipoog naar haar. We praten niet meer zoveel met elkaar, maar het is goed zo.              

Christine Van den Hove
14 0

Koffie

Als een verstijfde zombie sta ik voor het espressoapparaat. Mijn koffietas in de rechterhand geklemd. Als het vasthouden van een laatste strohalm. Mijn hoofd troebel van de slaap en de zorgen. Puberende kinderen en een vrouw die niet beter weet. Een moeder die angstaanjagende vooruitgang boekt in het dementeren. En bijgevolg midden in de nacht belt of ik achter kolen kan gaan. Hoewel ze al tien jaar op gas verwarmt. De hopen geld die steeds moeten worden verdiend en meteen uitgegeven moeten worden. Elke dag opnieuw. Het doet me al voor de wekker afgaat verlangen naar dat zwarte goud. Het enige wat me nog steun lijkt te geven in het leven. Hoe is het zover kunnen komen? Aan een pensioen mag ik nog niet beginnen te denken. Dat is nog zeker vijftien jaar ver. Nog veel te vroeg dus om al streepjes in mijn bureau te kerven al was het een grijze gevangenismuur. Ik zet mijn tas onder het espressoapparaat. Een collega komt opgewekt en uitgelaten goeiedag zeggen. Ochtendmensen. Ik heb het er nooit op begrepen. Ik mompel een “lang leve de werkdag” terug, met het onverborgen cynisme er nog aangeplakt. De collega stoot een korte en felle lach uit, legt zijn brik melk in de koelkast en maakt rechtsomkeer. Even gezwind als hij gekomen was. Was ik maar zoals hem. Zorgeloos hoewel hij net zijn tweede scheiding achter de rug heeft. En een kale plek op zijn kruin heeft die elk jaar groter wordt. De goeie centimeter die het jaarlijks opschuift heeft zowat dezelfde functie als de jaarringen van een boom bij hem. Maar het moet toch geweldig zijn het leven met een roze bril te bekijken. Ongeacht het weer. Regen of zon. Altijd die zonnebril op. Met een diepe zucht druk ik op de knop. Laat dat bakje troost maar snel komen. Het apparaat begint te pruttelen en braakt mijn koffie uit met het nodige lawaai. Zwart. Diepzwart. Ik merk dat mijn veter los is en buk me om hem te knopen. Ik begin spontaan te lachen. Tot mijn verassing zie ik dat ik twee verschillende paar sokken aan heb. Een lichtblauw en een grijs exemplaar. Ik moet meteen aan mijn vrouw denken die me nog gisteren een gekkerd noemde. Je kan het verstrooid noemen maar ik ben wel gek genoeg om twee paar kousen aan te trekken. Toch wel het ultieme teken van zorgeloosheid denk ik dan. Met wat zit ik toch altijd in mijn kop. Weet je, denk ik, morgen doe ik mijn beide kinderen verschillende sokken aan. En mijn vrouw mag me nog eens gekkerd noemen. Een sokkenrevolutie tegen zwartgallige gedachten daar teken ik voor. Met een grote glimlach pak ik mijn koffie en been de keuken uit. Laat de dag maar komen.

Tim Berghman
0 0

Svetlana

De Rode Zee is van een extreem blauw. Er ligt een spaarzaam strandje langs. Het randje van een land in ontwikkeling. Strooien parasols. Half afgewerkte (of half afgebroken) toeristische infrastructuur. Ernaast een tent van UNHCR waar mensen in wonen – dit land is werkelijk tot de rand gevuld met vluchtelingen. Aan de overkant de Sinaï. Daar besmuikte gisteren een rookpluim van een bomaanslag dit intense tafereel. Nu omkadert vurig fuchsia van een bougainvillea mijn vista, oleanders gniffelen in de wind. Een rafelig strandje Voor dit multireële tableau, zit ik. Ik tuur de horizon af. Ik wacht op mijn man. Al weet ik hem gewoon onder dat strakblauwe wateroppervlak, voorzien van zuurstofflessen en een goede gids, ik stel me voor dat zijn wereld nu vol sirenen, heremietkreeften en regenboogvissen is. Maar zeker ben ik dat hij straks als een goedgeluimde Neptunus uit de branding zal verrijzen. In afwachting zit ik met Lana opgescheept. Op het half afgewerkte terras van de half afgebroken duikclub is ze niet met de lichtste aarzeling op me afgestapt. En tenslotte aan mijn tafeltje komen zitten. Lana moet een eind in de vijftig zijn, misschien zestig, of wie weet wel zestigplus. Aan Lana heeft de tijd nog niet veel aandacht besteed. Haar gezicht is bondig en vrij van fijne lijnen. Haar korte stugge haar kan, naargelang het felle licht, evengoed blond als grijs zijn. Onder haar rode koltruitje zit een slanke lijn in haar zij, waar ze voortdurend haar handen legt en cirkels met haar heupen wiegt. Lana houdt van honden (dat verhaal bespaar ik u) maar heeft met katten gemeen: haar lenige lijf dus, en meerdere levens. Die ze nu gul aan mij vertelt in een Engels met de afgemeten mechaniek van een notenkraker. In een vorig leven was Lana Svetlana. Een man, drie kinderen en een koude oorlog later is ze in de Golf van Aqaba verzeild. Haar nieuwe man is Jordaans, rookt en drinkt, heeft een hartprobleem. En liegt niet meer tegen haar. Hoe dat laatste zo is gekomen, dat krijg ik willensnillens te horen. Aan ‘in goede en kwade dagen’ had Lana haar Mohammed laten toevoegen dat hij zou stoppen met roken en drinken. Die extra trouwgelofte was de uitkomst van een voor haar zeer logische gedachtengang geweest: zijn hartinfarcten waren volgens de dokter het directe gevolg van zijn slechte gewoonten. Dus moesten die gewoonten Siberischkoud afgeschaft worden. Zo beloofde haar Mohammed. En zo geloofde zij haar Arabier. Tot ze hem op een dag betrapte. Rokend met zijn broer. Dat liet Lana niet over haar kant gaan. De poten van het ijzeren stoeltje gieren over de terrastegels als ze recht gaat staan en mij met een zwier van haar armen toont hoe ze de riem uit de broek van haar man sleurde en hem hiermee slaat. Mijn oren doen er pijn van. Voor mijn ogen lijkt het opnieuw te gebeuren: de ranke Russische slaat haar man voor het oog van zijn broer en wie weet de hele clan die er net op bezoek was. En haar Arabier, die gaat bij zijn moeder uithuilen. Maar het mag niet baten: de stamouders geven Lana gelijk. Trouw is een weids woord. En nooit gratuit. Dit moet even bezinken. Samen turen we naar de kruimelige bodem van het lege zwembad, Lana en ik. Over de manvrouwverhouding in deze maatschappij raak ik elke dag meer in de war. Over de liefde geen woord. Ik wil het niet weten, maar het lijkt me dat op het droge geen prijs voor Lana te hoog was voor de vrijheid om hier elke dag, wars van Rusland, naar het koraalrif te duiken. Volgt nog het verhaal van de straathond. Met de puppies. Maar dat bespaar ik u, zoals beloofd. Waar blijft Neptunus nu toch? Ik kan al niet wachten om straks het zeewier van tussen zijn baard te oogsten en gepekelde kussen van zijn mond te plukken.

Marjanne Sevenant
0 0