Zoeken

onderlicht.

ze zit
 ze zit daar
 ze zit daar in
 ze zit daar in dan 
 ze zit daar in dan wel
 ik doe het
 dan wel 
in haar plaats
 zit ze daar in niet gedaan 
zit ze daar in niet 
zit ze daar in 
zit ze daar 
zit ze ze brak
 ze brak ergens
 ze brak ergens in
 ze brak ergens in wil 
ze brak ergens in wil wel  
kan ik niet
 wil wel 
in haar plaats
 brak ze ergens in niet kunnen 
brak ze ergens in niet
 brak ze ergens in
 brak ze ergens
 brak ze wil wel zijn 
ik 
in zitten
 in breken
 in haar 
in dan 
in dan wel 
in wil wel
 in haar dan wel wil wel
 niet
 gedaan
 ergens 
kunnen
 wil ik haar wel zijn 2. onderlicht pervers nieuwsgierig mag je denken,
 naar dat gezit van haar, 
ten dele waar, maar dat breken in, 
dat breken in een beloftevol oord
 niets pervers aan, een gaan-en-staan-belofte,
een plaats van tast, verboden in te breken
, betreden op eigen einde van bestaan, wilsverlies,
 maar op gemene grond, voeten geplant, elkaars gevonden
 zijn, begrepen wat haar dan wel, wil wel beweegt, 
daar gaan-en-staan misschien eigen waantoch kon, want moet niet alles gedaan voor vaarwel gezegd, 
telkens weer wel gevonden onverdroten telkens nieuw stro dorsen, 
telkens nieuwe oorden, dingen, woorden van hoop 
plots brutaal bedrieglijk te vinden
 wil dat haar zijn zeggen? zie het beeld beschimmeld tapijt, mieren, motten, glasscherven, schemerig licht, hoeken bezeikt, waar de kakkerlak verschijnt, braaksel her en der onder wat te vinden viel verstopt, hoop is de drug der wanhopigen, rekt hun bestaan in pijnen uit, een schroefbank kreunend houten pijn, 
dof en scherp tegelijk versplinterd scherp in vel gestoken, dof beslagen kop, etterend venijn, vervloek de hoop, en nog, niet haar dan wel wil wel begrepen, haar breken in in een plaats van eigen makelij, verondersteld haar breken uit uit een plaats van eigen makelij, wachten op dan wel wil wel, naast haar plaats staan, wachten, wachten. 3. onderlicht 3. is in productie, u kan de richting al raden. preliminiare bevindingen: meticuleus beschenen voeten de gang nagegaan, van zoek naar hoe het kwam, naar vindt van hoe het op te lossen. oplossen is wat het deed in een miasma van hem en haar, wierpen grenzen schaduwen vereend, op't plafond hun nucleair zijn gebrand, niet te scheiden wie is wie, blijft versteend aangerand door't leven aan hunzelf kleven. onderlicht 3. is in productie, hangt van variabelen af, niet in't laboratorium te creëren, bunzenbrander nooit heet genoeg om hoop te verzengen, duikt telkens weer en telkens weer op, reconstitutie. stalen genomen ter preventie, wachten op imminente explosie, dan door deconstructie reconstructie, rapport opgemaakt, voor 't administratief geweten zo geheten zo geschreven dan en toen en verdere feiten voor't nageslacht, conclusie in de vorm van projectie: variabelen te vermijden, resolutie desastreus. onderlicht 3: is in productie, recommendering: wachten. ... onderlicht 3. je woont in een huis, niets te groot voor kleine mensen, perfect om zo te zeggen, voor ons. weinig onderhoud, binnen, buiten weinig aan. je ziet ze welles vaker in rijtjes staan, ergens aan de rand van de stad. Zes, zeven huizen, een veld ernaast dat de buiten belooft, waar kinderen spelen van de buurt, voetbal, vliegers aan lange lijnen dansen door de wind. Zes, zeven huizen, een kiezelbaantje voor fietsers loopt errond, vanachter bekeken, tuintjes, klein hier en daar een kersenboom, door kraaien bezeten. Zes, zeven huizen dan naar't centrum toe, recent gebouwde villa's, praktijk inbegrepen, dokters hoofd en schouders, knie en teen. een voormalig schooldirecteur en zijn met boeken geleur, een straat dus mensen voetpad autobaan lantaarnpaal, goed leven zo gezegd zo gedaan. om het even. gedaan te hebben.In zo'n straat woon je, klaar om plaats te ruimen wanneer de stad aan uitbreiding toe is, onteigening in't verschiet, maar de trein die net iets te dicht, net niet ver genoeg, om het uur davert, die neemt ze dan wel mee.
je komt haar overal in huis tegen, ziet haar zelden bewegen. ze zit tussen zijn in. en ik mis haar. overal. je ziet de bloemenjurk, zomers zoals elke vrouw, verwelken. de kleur vervagen, andere kleuren, bruin vooral verzamelen, egaliseren tot vlekkenjurk, geen wassen weet raad, geen geur weet van verdwijnen, overal bekleeft haar. ze zit daar. maar. dan eens op de rand van het bed, waarvan je vreest dat ze't nooit zal verlaten, tot je op de trap haar weet voor zich uitstaren, of in de gang, smal, haar ogen barstend in't plafond, ze zit daar. maar. vraag je haar, welke vraag dan ook, standaardantwoord, doe ik dan wel. betekende eerst, vlak voor het gebeuren moet, nu, in nietszeggen gehulde ontwijking, zo zie je haar, zelden anders, loop je haar mis.
 "wanneer het mis lopen begon? eerder. eerder weet ik, niet wanneer precies. kunnen we een pauze nemen?"
 "Tuurlijk, geen probleem, koffie? water?" 
"graag" onderlicht 3. koffie. "Tuurlijk, geen probleem, koffie? water?" 
"graag" hij laat me zitten stoel stekend in mijn rug, aan zweterige tafel onder TL-licht en geperforeerd plafond, in vierkant zonder raam, ventilator uit. in de hoek, deur op straf gezet. nu, wat er achter ligt, stoel metalen model, tafel door handen hoeveel? bepoteld door angst, eerder onzekerheid door TL uitgelicht. van't geperforeerd plafond dwarrelt stof terug de tijd in, landt op bodem, zes, kubus compleet, wetend handen wachten om te draaien, keren, sturen tot kleur op vlakken aansluit, algoritmisch leven ten eind. voor ventilator besproken, deur op straf gezet geopend, komt hij binnen, suikertube, melkcontainer, plastic lepel, koffie in hand. onderlicht 3. water. "Tuurlijk, geen probleem, koffie? water?"
"graag" hij laat je zitten. in gedachten verzonken, stoel dieper in. nek naar achter, zoek een rij om alles op te zetten, adem diep, begin, bij het begin. flitsen beelden als de gaten van't geperforeerd plafond aan je ogen voorbij.soms verbonden gaten lijken wat te zeggen, willen in ieder geval, een geheel tonen, tot dan een ander gat de aandacht trekt een nieuwe rij verbindt met, probeer het bij te houden, tel de gaten, volg de lijnen, slik het stof in't geheel in, droge mond, ogen glijden zeeën golven in, ergens de stop, wachtend om uitgetrokken te worden.lijkt gevonden, zo vaak, en telkens weer, opnieuw en opnieuw, tong's tipje gestreeld, daar ja, daar het begin, maar nee, telkens nee, dan daar de ijzeren ketting, zo bekend, zo vaak gevolgd in terug, naar de stop, trok eraan, zo vaak gedaan, trek eraan, opnieuw, harder, opnieuw en opnieuw en opnieuw... TL-licht verblindt je, tast je in't witte duister, blijf je keten en stop, de zee vol golven stormen. rukt je overeind, blik afgericht om te ontwijken, stort de tafel over, handpalmzweet, kleeft, confronteert, je ogen dicht, berust je even, de deur open gehoord, komt hij binnen. water in hand. onderlicht 3. graag. "Tuurlijk, geen probleem, koffie? water?" 
"graag"
 "ok, wat precies?" 
"eigenlijk, doe maar een biertje, als't kan"
 "heb nog wel een fles whiskey staan..."
 "ook goed" de deur valt dicht en hij blijft achter in vaal vlak licht, hij heeft het hier niet op begrepen. op dit kot van gedwongen zakelijkheid, kijkt hij neer. deze van manipulatie zwanger, door voorgangers bezeten, door vragen bestookte ruimte. hij heeft het onaangenaam warm, en dat ze't weten bewijst de ventilator, wat deze echokamer nodig heeft, is geluid. monotoon gesuis om de leugens, zo geschapen om onmacht te verbergen, te onderstrepen. hem bloot te leggen als de in de hoek op straf gezette deur, onder hun controle, het openen, het sluiten. de wereld daarbuiten, waar zij woont, zal er niet door veranderen. zij zit dan wel. nu hij ook. een ras van twee, bepoteld, onder de loupe gelegd, gepookt tot reactie uitgelokt verklaring zou bieden. 
ze zullen zeggen dat hij hier zit, uit vrije wil, maar wil heeft niets met de ontdekten te maken.  wil de stam de blanke indringer, wil curare de pijl, en wil de pijl de mens, hij zegt van niet. wat de mens wil is zijn oerwoud intact houden, zegt hij.
de deur opent "zei je iets?" 
"nee, neenee."
 een fles en twee glazen, klinken. 
"op't derde wiel"
 "das een te veel" 
"ook goed" onderlicht 3. water 1. water in hand. 
Is't helderheid wat je wil, mijn lief kind, brutale eerlijkheid dan misschien, of gewoon de volgende leugen die je zielig voortbestaan intact laat? zeg het dan, je weet, ik heb naar alles oren, als 't uit jouw mondje wil komen. Je gekwijl en gesnotter, je onbegrepen verdriet, dat voor eeuwig enkel het jouwe mag zijn, god verhoede dat er nog iemand zich als jij voelt, zet je keel open, scherp je tanden aan venijnen woorden, vijl je vingernagels in mansvel, drijf die hielen 't snel zand in, zet je schrap, mijn lief kind, de wind die vangt je van voren, als je je bunker op een duin zet, blijft bestorming niet uit... zijn lijf davert, heeft het duidelijk niet op woede begrepen, zijn gezicht verwrongen staart terug vanuit de kleerkastspiegel, zijn benen zwalpen, zijn armen stijf langs hem af hangend, dit oefenen had hij beter niet voor de spiegel gedaan. de zweem van fictie bekleeft hem in de details. de neergebogen bocht van zijn oogleden, medelijden, wanhoop op zijn bovenlip gezeten, bezorgdheid in't fronsen van zijn kin, na elk gesproken woord, elk diep gehaat verkleinwoord, liefde in mijn lief kind verdringt elke vorm van geprobeerd sarcasme... ze ziet zo door hem heen en hij weet het. hij staart nog even zijn teleurstelling aan, zakt dan op bed neer. hoofd valt voorover tussen benen in. hij is moe. van jaren moe te zijn, van eerst niet gezien, gemist, dan gezien, niet begrepen, dan denken begrepen, proberen, proberen, proberen moe.
 "zo is't in't kort gegaan, zie je", je neemt een slok water,"ik heb echt mijn best gedaan".
 "er is niemand hier die daar aan twijfelt, maar je weet wat ik wil, wat ik van je nodig heb, wat ik van je wil horen". onderlicht 3. inderdaad. "inderdaad" de dingen die hij voor haar deed, waren van allerlei aard. gingen van tafel dekken, sloffen wegzetten, en kruimels vegen tot lichten aan en uit knippen, stof vegen en zuigen, en afleiding verzorgen waren dingen die hij deed. tot werken niet meer ging. en mensen betrokken raakten. hulp gevraagd werd, waar zij geen nood aan zei te hebben. en mensen verdwenen. een na een hele groep, en dan een na een. hij kan ze niet benoemen, weet van hen raad gekregen, raad gebruikt, weinig effect bereikt. goede bedoelingen stuk voor stuk geen doel gevonden in haar dan wel wil wel. tot inderdaad. inderdaad, hier kan geen hulp baten, daagde het einde op. en nu zit hij hier, probeert zich te dwingen open te zijn, toe te geven dat hij te kort schoot, zijn hoofd van schaamte vol vond geen verbergen in die jaren, en nu, nu hij hier, uit vrije wil, iets van haar probeert te herstellen, in ere, of in miniem beeld van ooit opgevangen bevlogenheid van een verrukkelijk mens, vrouw, een liefde, zelfs dat krijgt hij amper over zijn lippen.  "je bent hier toch om me een structuur te bieden waarin ik haar herstel, haar recompositie, haar reconstructie, haar robotfoto kan gieten?""is dat wat je denkt?" hij voelt zich hier niet goed. alsof hij haar verdeelde, in mootjes verkocht aan wie wou helpen haar terug samen te stellen. hij voelt zich hier ongemakkelijk. "ik voel me ongemakkelijk""daar moet je doorheen, echt en als de keuze bestond, zou ik zeggen kies voor de korte pijn, maar in dit geval...""...bestaat die niet""daarom denk ik dat je zo treuzelt, maar maak je over mij geen zorgen, ik heb tijd, dit kan toch enkel wat worden als we elkaar vertrouwen""mag ik je dan wat vragen?""ga je gang""waarom denk jij deed ze het?" hij voelt zich nu ook ongemakkelijk, ziet hij, in speculatief denken betreden we even hetzelfde terrein. onderlicht 3. koffie 1. koffie in hand. "dankjewel"
"geen probleem" 
"ik weet nog", suiker schuift kop in, lepel roert, "dat ze koffie maakte met haar grootmoeder's molen" ik lig in bed, onder veel te veel lakens, ze hield van veel te veel lakens, ik zweet. zij heeft het warm. ik registreer dat ze uit het bed glipt, dat in de keuken een kast opent en sluit, dat een molen maalt, een raspend geluid, ik duw de lakens van me af. ze morrelt wat aan, water in een ketel op het fornuis fluit, roept me de ochtend in, wakker nu, maar liggen, nog even, wil ik. dan in de deur verschijnt ze, naakt, koffiepot in de hand, een reuzemok in de andere. ze lacht. ik lach. dan struikelt over een slof, onder't laken verborgen van't bed af geduwd, valt ze voorover, gloeiend heet dom ongelukje. ik ontwijk op drupjes na, vraag me nu af of ze zichzelf ooit vergaf, of dit het was waar het ooit begon. ze weende urenlang, ondanks mijn geclown, geprobeer, licht te maken in de situatie. ze stopte uiteindelijk bleef ze in tranen.  "hij is lekker", blies stoom van koffie af. onderlicht 3. ook goed. ook goed. hij gelooft hier niet in. dit tong los gemaakt gedronken relaas. hij gelooft niet in de oren die zeggen te willen horen, roert meewarig zijn whiskeyglas de lucht in, kijkt er naar, het hangt niet van zijn geloof af. 
"wat jij wil mag ook naar voren komen, dat jij ook van tel bent."
 "jaja, mijn leven is ook van belang, maar enkel door het hare."
 "kan je zo wel denken? echt?""nahja, 't is eerder dat ik't niet over mezelf wil hebben, ik blijk wel uit, in relatie met haar, daar gaat het toch om? ik ben maar tot narrator te herleiden."
 "ook goed, dan haar, wat was er met haar?"hij neemt een slok, brand ideeën, dooft ze uit. ze zag er zo uit dat ze wel bij hem paste, en hij bij haar, kortom zij bij elkaar. van door de weekse haren uitzonderlijk in normaliteit, van ogen die net zo min zien als ze veel kijken, van een mond voorzichtig uitgesproken lippen die woorden tegenhouden, maar gevoelens schonken als een vrouw dat kan, tot omgekeerd waar werd. tot gevoelens weerhouden, woorden geschonken, tot ook die woorden verstilden. 
hij hield van haar, wil hij wel zeggen, soms als verrassing, soms uit gewoonte.het lijkt zo troebel nu. de feiten sluiten niet aan op zijn herinnering, alles is ontwricht.  "een voorbeeld, misschien?"
 hij vult zijn glas bij, misschien. 
onderlicht 3. water 2. "....wat ik van je wil horen"."laten we't over de nacht in kwestie hebben, dan" Je weet hier geen wolven huilen, ondanks maan's gehang, ondanks maan's gelicht, op struiken gericht, als ze te verwachten zijn, met hun luizige pelsen, van kwijl druipende tanden, dan daar, in en tussen 't verlichte, groene gebladerte. je geest zoekt op handen's tast vertrouwend, bang te vinden wat daar beknauwd en bebeten voor't grijpen ligt. tak na tak verschuif je, dring je dieper door, in. splijt je je ogen nachts zinnespel door. je wacht met zien tot na de schok. ratten zoenen hier wel, en kevers, ongedierte, in heel de wereld wel, zoemen. tjirpen. razen. bij 't vinden van haar, lijk, kan je niet van herkenning spreken, al't gewetene, gekende, toevertrouwde, toegedichte schoonheid.  woorden heb je.
 bleek.
 blauw.
 kippevel.
 boven de enkel. 
minnespel. der magen.
 vol.
 maan's buik, rat's zoen, kever's zoem, tsjirp, raas.
 huil je.
 en nog meer. "hoe kwam ze daar?"
 "hoe kwam ze daar te liggen? ze zat al zo lang, in dan wel wil wel." je weet het niet. 
"had ze iets gezegd" 
"waaruit wat precies af te leiden viel?" onderbreek je.
 "dat ze" 
"ik weet het wel" zeg je. onderlicht 3. misschien. misschien. hij wil dat hij haar verhaal vertelt, maar hoe onvolledig haar beeld ook is, zijn rol erin, is nog onduidelijker. een voorbeeld van haar. "ze schilderde wel eens" 
"oh ja, wat zoal?" 
"de kamers van't huis, het plafond van de keuken, de vloer van de badkamer" het was een dag, zo een waar hij ziek van werd, de dag erna. stak hij in bed, was zij in de weer, dat moet ergens een tijd geweest zijn, die er ziek van werd, een tijdje later.
hij kwam de trap af en liep de leefkamer door, honger wilde hem de keuken in. hij greep wat brood uit de lade, wat bessenconfituur, blauwe, een smeermes. hij merkte het eerst niet op. at wat. een halve boterham voor de volledigheid van't beeld. voelde iets drukken op, over. het licht was niet meer hetzelfde als ervoor. een zwaarte, een schaduwige smurrie die naar aangekoekt frietvet rook, maar verf bleek te zijn, kaatste anders de keuken in. hij keek op, een bruingele brij, alsof jaren koken in een keuken op't plafond nooit gewassen was uitgesmeerd, alsof haar borstel, in de gootsteen, op de tijd vooruitliep. of omdat ze vond dat een keuken zo hoorde. nu eenmaal.er volgden nog dagen, en dagen erna, van kamers geverfd volgens bestemming door haar bepaald, tot alles in het huis een voorbijlopen van de feiten was verworden. tot alles was, waar zij kon zitten in dan wel wil wel, niet gedaan. "ze sprak niet over waarom" 
"deed ze zelden, tot nooit. dat ze deed, maakt dit een fijne herinnering"
 "inderdaad" onderlicht 3. koffie 2. ... stoom van koffie af. ik was thuis in een huis van waanzin en wanhoop. mijn hoofd knel tussen die twee tralies, een kind met het hoofd tussen de spijlers van de trap. Paniek werd een eerste reflex, zo natuurlijk als ademen, onverstoord, aanvaardbaar, uiteindelijk onopgemerkt. uiteindelijk de enige glimp van leven nog, sudderend onder het oppervlak. Als de warmwaterketel floot, dan vrees dat hij zou verbranden, werd er gekookt in potten en pannen, dan vrees dat ze zouden verbranden, vielen de lichten uit, de zekeringkast betast, vrees dat ze zou verbranden, blies de wind het slaapkamerraam open, vrees dat het zou verbranden, liep het bad vol, vrees dat het zou verbranden... blipjes op mijn radar uiteindelijk niet meer, startschoten voor mijn verdediging ingesteld op haar verdediging, te onderscheppen regelmaat van paniek's leven, afgestompt tot routine over tijd. gleed mijn hoofd met gemak vantussen die tralies, met evenveel gemak, stak het er terug tussen. "dat is toch hoe ze't noemen? repetitie van't zelfde gedrag zonder verandering in uitkomst" onderlicht 3. de verhuis. de 6 vlakken van de kubus, voor hen kleur in eendracht, het algoritme ontrafeld. zijn 3 ondervragers hebben geen vragen meer de zaak afgedaan. water, koffie, en dies meer, een voetnoot nog, een herinnering die een herinnering opvolgde.  hier is geen tijd maar een onderweg, een start in wegkwijnen, verhuizen door vrienden zo bewogen, al eeuwen niet meer gesproken, hij zoekt het land op, het simpele leven, van dag in dag in afwachten tot het einde bereikt, bezwijkt aan termen  als ondergedoken in verdrongen herinneringen, vervanging zoeken voor een was een is invullen. een andere ik, verser dan de hij die jij toen was, toen zij nog was. het rijden door dit land is als drijven te beschrijven, alles zo zuiver en geen kiezel die op de weg durft liggen, de zon kijkt er zich scheel op, op zoek naar plekjes, kleine maar om vuile schaduwen te werpen, de stad ligt achter hem, maar de weëe geur kleeft hem nog aan't lijf. lichtzuur, muntig, met de nasmaak van drop, maar daar is alles pristien sprankelend en helder verdiend, daar waar hij zal zijn, als hij het toelaat. daar waar hij in een zuiver kleed gestoken, het van binnen uit kan bevuilen, met het verderven van zijn karkas, het is wachten nu, precies nog dringender, indringender dan ooit voordien. dit rijden zijn laatste beweging, zijn laatste in gang treding tot hij arriveert, waar hij nooit van terugkeert. zo zijn voornemen, door wagen bewaard, nergens anders gehoord, geen levende ziel die hem zo begrijpt. de knalpijp puft gestaag, bomen staan er bij, moeten kijken, laatste getuigen van zijn verhuis. onderlicht 3. het huis. het is een huis van achter oren krabben, puisten plukken en neushaar trekken, een huis van tijdverdoen en slijten die broek, en de drank kopen van de boer die hem aan de deur verkocht, microbrouwer, maar met dat woord onbekend, melkman maar dan met bier.  een huis van staren naar de muur zonder te vragen wat is hangbaar daar, weten dat is geen optie, daar kan je niet buiten, je weet altijd iets. een huis van ontbrekende smuk, vaas, behalve dan die ene, stuk. een huis van wil u geen gordijnen-vraag door de buurvrouw gesteld toen binnenkijken begon, toen mensen kwamen even het nieuwe van't gezicht herkennen alsdusdanig nieuw, tot het ervanaf is. een weekje ongemak, drank geleverd, helder, elke donderdag, gordijnen eenmalig verkregen met dank geschonken en aanvaard, gewenning nu aan huis dat hem bewaakt. in't land van de stilte is de beste zwijger koning, roddels ontstaan, is dat'em niet, en ik denk het wel, ze hebben zijn kop vast in de krant zien staan, toen dat geval met die vrouw, die stierf in een dag tijd, waren het voor hem meer, dan hield het voor hen daar buiten weinig in, behalve dan een collecte gehouden, platitudes ingezameld, in een korf, kaart, fruit en bloemen mix, aan de deur gelaten. van niet weten wat zeggen, gesproken, van niet durven. tijd verstrijkt, bierman die ook eten levert tegen een prijsje, de enige regelmaat, het is lang geleden, die stilte te horen, het zitten te dragen als een soldatentaak hij herinnert zich zijn naam, als vanuit een putje in de ardennen opgedolven, een dennenaald plots gevallen, granaat ontploft. dit huis verdient zijn naam, zoals het onderzoek, zijn 3 ondervragers een pseudoniem aanbevolen, mocht hij naderhand terug de anonimiteit willen opzoeken.  Tsjeu van Orp die woont en wacht in het huis dat hem bewaakt. Tsjeu van Orp staat op uit de zetel die ooit van iemand was, wandelt naar de open haard, pookt het vuur, houdt de pook erin, laat het ijzer heet worden en schrijft er zijn naam mee op de eikenhouten balk waar niets dan stof op ligt. Tsjeu laat iets achter. onderlicht 3. het huis 2. Tsjeu doet niet veel. in de weken die komen, blijven de muren kaal, blijft de vaas in stukken en blijft zijn gebrandmerkte naam hem aanstaren. het huis heeft ruimte om leeg te zijn, de zolder, de bovenverdieping blijven onbezocht, beneden blijven vertrekken wachten op voeten, adem en insecten. enkel de keuken, de badkamer en de zitkamer vertonen sporen van leven's geduld.  soms giert de wind door kale ruimtes maar het is niet precies een wind van weerse makelij. soms is het koud, maar ook daar heeft het weer weinig mee te maken. vocht kruipt langs de muren omhoog, omdat schimmel een kans moet krijgen. sterven in traagheid biedt kansen en Tsjeu's gelatenheid tiert welig op.  'vergis je niet', lijkt het huis in overduidelijkheid te vervallen, 'hier wordt traag gestorven'. daar kan het huis niets aan veranderen, daar wil Tsjeu niets aan veranderen, als hij voor het raam staat en naar de gordijnen staart. gordijnen met een bloemenmotief als een jurk die hij ooit kende. Tsjeu deed niet veel die eerste weken in't huis. stak wel eens zijn hand uit, naar de bloemen op het linkergordijn omdat daar het zonlicht net op viel, dat heeft met weer te maken. hij streelde de bloemen, een onwennige vreemdeling die vergat hoe dat voelde. en dat het niet precies zo voelde. maar dat deed Tsjeu. elke dag. soms bewoog het gordijn lichtjes, verwachtte hij er benen achter, van die ranke slanke met enkels in schoenen gestoken, als het licht juist viel. dan werd hij kwaad, maar niet precies, kwaad als een kale muur, een vaas in stukken, een gebrandmerkte naam lokt zijn ogen, gebiedt hem 'vergeet me en de rest zal volgen'.  onderlicht 3. de keuken. het was vanuit de keuken dat hij haar voor't eerst zag, maar denk er niet romantisch over na. hij was zijn sokken en ondergoed in de lades aan't sorteren, 't leek hem een uitgelezen stek, zeker om de bovenverdieping te vermijden. zijn vier hemden, twee broeken en enige maatpak lagen opgevouwen in die diepere lade, die voor potten en pannen was voorbestemd, maar hier haar doel missen moest. de keuken leek hem op maat gemaakt want waar de strijkplank ooit verborgen stak, als een uitvouwbaar bed in een te klein appartement, kon hij nu zijn jassen hangen en zijn schoenen zetten. maar goed zo stond hij daar, en waar de zitkamer gordijnen had, viel in de keuken buiten binnen als licht te verdragen, en daarbij het gerinkel van een fietsbel. in zijn handdoek rond z'n midden gedraaid, hij dus staand, druppend na de douche, bloot torso omgekeerd, zijn blik verrast verdraaid, daar zag hij haar, op pakweg 100 meter, op haar fiets gezeten. het was een blik van geregistreerd, nog geen waarde toegekend aan dat haar, dat lichaam, dat mens dat daar zo reed. een simpel erkennen van haar bestaan, zou in de keuken wel volstaan. regelmaat slaat sneller toe dan tijd's besef, en zijn douchen viel voortaan, ongewild altijd samen met haar voorbijrijden aan zijn raam. ongemerkt was er plots ruimte voor groei ontstaan, en die eerste keer wist Tsjeu niets van dat alles, was zij daar buiten rinkelend nauwelijks noemenswaardig, toch kriebelde er iets wat Tsjeu in retrospect troost zou noemen, troost in't weten dat als zijn tijd gekomen was, zij daar vrolijk verder fietsen zou. onderlicht 3. de badkamer. dat ging zo goed, een dikke maand, met meer dan 31 dagen dus, dagen van melkman maar dan bier gebracht, dagen van af en toe taartje bezorgd door mevrouw Gordijn zoals ze kwam te heten, dagen van douchen en haar, aan't raam voorbijgefietst, gerinkeld gezien. dagen van goed en niet te veel nagedacht, gewoon voorbijgegaan, geacclimatiseerd. wie zegt dat verdringen niet werkt, en op dat moment was het Tsjeu natuurlijk niet langer gegund dat te geloven, er moest iets tegen gaan steken, hij wist het, en de winter zou hem niet tegenspreken.  de badkamer kroop in kou verborgen weg, als een land dat dreef naar polen, zuid of noord, nog niet besloten, als't maar ijzig van wind was. de tegels in hun witte reinheid, reflecteerden Tsjeu's zinkend gemoed, het scheren stak hem tegen, de kwast  haar haren verstijfden en het mes lag lichtjes bloed te wenen. in al zijn ontblootheid om van proper zeker te zijn, durfde hij nauwelijks iets te raken, zijn tenen leken meters uit te rekken en op het kleinste raakvlak te balanceren, toch kroop de kou hem in de botten. de wasbak trilde uit sympathie mee met zijn klapperende tanden die probeerden, smeekten, haal ergens warmte vandaan, het plastic douchegordijn kleefde als een platvis aan zijn lijf als hij in de douche stapte, water liep in sputterende druppels over hem heen, niet langer dan 10 minuten voor hagelstenen door de waterleiding ratelden, hun weg vonden en Tsjeu bekogelden. dan snel snel de handdoek en elke porie drogen, snel, zijn kleren aan.  't waren zijn haren die hem bleven herinneren aan de kou, als ze onregelmatig druppels dropten in zijn nek achter zijn kraag, zo zat hij voor de open haard waar hout het vuur bijeen sprokkelde om als as achter te laten, om de haverklap opgeschrokken, verdomde druppels. en toen blafte zijn mond, snuifde zijn neus en beet de ziekte hem in't vel. 't zou nu niet lang meer duren, dacht Tsjeu nog wel hooguit ... maar hij durfde er geen aantal dagen op plakken, ziek en serieus werd hij wel, geplaagd door koorts en geesten 1, 2, 3, en de 4de was zij die wachtte, Marlies of zoals Tsjeu haar noemde Marley. onderlicht 3. de zitkamer. het is niet dat Tsjeu het besefte. niet dat hij besefte dat bij elk gekraak van de vloer, elk gekreun van de dakspant, elke zucht van't gordijn. dat hij daarbij haar gezicht zag, Marley zoals ze was, nog voor ze in dan wel, wil wel verkeerde, nog voor ze 't spoor vond om zich aan over te geven. dat ze smeekte, beseft Tsjeu niet. dat ze hem vroeg, niet zo verder te gaan, besefte Tsjeu niet.  Tsjeu besefte niet eens dat bierman niet meer langskwam, afzien, lijden 't is niks voor mannen, en Tsjeu besefte niet dat mevr. Gordijn eten bracht en dekens en medicijnen,  nog minder besefte Tsjeu dat de vrouw die hem het klamme washandje op het voorhoofd hield, de rinkelende vrouw op de fiets was. voor al wat Tjseu wist, wist hij iets anders, de zetel een foltertuig dat zijn lichaam kneedde in de meest vermaledijde vormen, de lamp die hem met vurig lava bestookte, de zitkamer die zat als zij, Marley, zat, op zijn borstkas, en zijn ademen bedreigde. hij hijgde zweette bloedde alle tranen die hij kon bedenken, zwoer dat hij ze als een parelduikster uit de diepste meren opvissen zou om ze dan te verkopen aan een bokkenkoning die hoefijzers aan de deur verkocht.  Het ging niet goed, nu, zo, met de winter in volle zwier, en de rinkelende vrouw die zich verder geen raad wist, kon zijn smeekbeden om vader en land niet beantwoordden, maar ze bleef zitten tussen zijn ijlen en hapjes soep in, het enige wat hem op de been hield, een 27-tal erwten om de zoveel uur. maar de zitkamer vertoonde geen teken van opstaan. bleef in dan wel wil wachten, dringend dwingend wat Tsjeu had willen ontwijken.  Het was een zondag uiteindelijk toen de koorts hem opnam, zijn ziel tilde tot tegen zijn lijf en erdooruit in zwevend erboven gezond, keek Tsjeu op zichzelf neer. hier klopte niets meer, geen geesten, geen gisteren, geen nu, geen morgen. hier heerste een stem die hem beval, en zei waarop het stond.  'je bent ziek, maar het komt goed als je een paar dingen voor mij doet'. onderlicht 3. koorts. In koorts' gevangenschap verschijnen cipiers als celgenoten en de druppels die in je ogen zweten spreken van wat ijlen vermag. een in fracties verpakte waarschuwing pakt gipsen beelden uit, de zaag wacht in je hand, maar eerst, Tsjeu luister je, eerst moet je een paar dingen doen. eerst, Tsjeu moet je stoppen, even niet vechten, je hand uitsteken en je laten meenemen. Marley wacht op wat haar toekomt. Koffie.  dan Tsjeu moet je stilstaan, op je tanden bijten, je vuist ballen en laten ontspannen.Marley kan zijn wat ze is. Water. en tenslotte Tsjeu moet je veranderen. in graag, inderdaad, ook goed, misschien. dan komt het goed.  het komt goed, daar is ze rinkelend zeker van, dame van de fiets.  onderlicht 3. koffie 3. paraat ijlen. weet je nog, zegt hij. 
Tsjeu doet niet eens de moeite om natuurlijk te zeggen. als je jong bent, zijn dingen als een paraplu bij de hand hebben onbelangrijk, laat de regen maar vallen. toen Tsjeu jong was, had hij niet eens een portefeuille bij. gewoon wat geld in zijn broekzak, was alles wat hij nodig had. als je dat vergelijkt met die dag in maart, leek hij oud. hij had sleutels bij zich, van het huis, de wagen, de brievenbus. hij had een zakdoek bij, iets wat hem vroeger nooit overkwam, niezen, gebeurde nu te pas en te onpas, en een keer had het hem verrast, dus sindsdien, altijd een zakdoek op zak.
natuurlijk had hij zijn telefoon ook bij, hoewel het een oud onhandig ding was, maar er was hem verzekerd dat hij binnenkort niet zonder zou kunnen. ze hadden even gelijk gehad, en toen niet meer.
hij droeg een bruinlederen schoudertas, wat daar allemaal instak, van jong kon je echt niet meer spreken, nee Tsjeu leek echt oud zo, bepakt en bezakt. als je oud bent, zijn dingen als een paraplu bij hebben belangrijk, je haren mogen niet krullen. toen Tsjeu oud was, had hij altijd een portefeuille bij. gewoon zijn identiteitskaart erin, zijn geld erin, en kredietkaarten en tankkaarten en kortingsbonnen, maar nooit alles wat hij nodig had. als je dat vergelijkt met die dag in maart, leek hij jong. hij had sleutels bij zich, maar niet van de garage, niet van het kantoor, niet van het kluisje in de bank, en niet van moeder's huis in geval van nood. hij had geen zes zakdoeken bij, niet eentje om zijn schoenen af te vegen, niet eentje om zijn voorhoofd af te wissen, niet eentje om voor zijn mond te houden bij ziekte, zijn ziekte of een ander z'n ziekte, en niet twee in reserve. 
natuurlijk had hij zijn telefoon ook bij, maar geen tweede telefoon, hoewel het een splinternieuw snufje was, maar er was hem verzekerd dat hij er even mee door kon. ze hadden even gelijk gehad, en toen niet meer.
hij droeg een bruinlederen schoudertas, wat daar allemaal niet instak, van oud kon je echt niet meer spreken, nee Tsjeu leek echt jong zo, onbepakt en onbezakt. zij hing als een maartse bui in de lucht. ik had mijn paraplu bij. 'ik weet nog meer''zeg het maar' haar hak brak, ze klonk om, maar haar enkel was sterk, het was toch nog te vroeg om haar aan te raken, dat wist Tsjeu, zoals ze daar door de straten liepen.  met z'n linkerhand hield hij de riem van zijn bruinlederen schoudertas stevig vast, zijn rechterhand zwaaide lichtjes tussen hen in. hij had haar bij het breken bijna bij de arm gegrepen, maar ze leek iemand te zijn die zichzelf kon corrigeren, of zo iemand leek ze te willen zijn. ze lachte wat onhandig met een halve lip bebeten. oeps was de gedachte, ze bleek tijd te hebben, na die eerste onbelangrijke woorden te hebben gesproken. ze gingen iets drinken, omdat dat zo hoorde. ze deden negen weken wat hoorde. drinken, eten, lachen, kijken. die eerste dag van wandel, struikel en afspraak gemaakt, dacht hij alles aan haar, om haar, van haar te kunnen beschrijven, dat hij haar kon vangen in schoonheid als oeps. maar oeps bleek een wederkerend fenomeen. het was die eerste keer toen zijn vingers langs de hare streken, toen het tijd was om dat te laten gebeuren, dat hij begreep dat ze niet te vangen viel, maar oeps wat was ze mooi. elke afspraak weer meer, elke week weer meer, werd ze per ongeluk mooier en mooier. hij hield van haar. zij van hem. het werd hen per ongeluk duidelijk. van die keer in de negende week, bleven woorden hangen als beloftes vol overmoed gemaakt. dat ze hem nooit zou verlaten. dat hij haar oeps altijd zou beminnen. ze zaten in een restaurant, het tafereel niet voor niets een tafereel, hand in hand verstrengeld, ogen die door kaarsvuur en boven rode wijn elkaar zoeken, onder de tafel voeten die sluipen, dichterbij, en hoe diep dat gevoel vanuit een bodemloze tijd terugkaatst, alsof liefde altijd zo'n prille tafel zet, om ooit terug plaats aan te nemen. we spraken van dromen die we voor elkaar wensten uit te komen, van kinderen en een huis en hoe werk er zo niet toe deed, dat alles wel kwam zoals wij, in oeps, per ongeluk duidelijk. maar ook dat ze eerst wilde gaan, niet wilde zien hoe hij zou wegkwijnen als oud en ziek verkrampend mannetje, dat ze dat niet zou kunnen verdragen, dat hij verder moest leven twee keer zo lang als hij dat kon, dat zou haar gelukkig maken. hij dacht in oeps flapte ze er wat uit, zag niets zo duidelijk dan dat hij het haar beloofde. al wist hij niet waarom. 'dat ik me dat nog herinner, vreemd''misschien omdat je't moet weten, maar vertel verder, jullie gingen samenwonen?' onderlicht 3. koffie 3. paraat ijlen 2. 'samenwonen, samenwonen was als een persoonlijk voor ons ontworpen drug delen'. je kent ze wel die beelden, van lepel, naald, watje, onroerend goedje en opgeklopte ader, een zucht, val achterover en meer van dat gesuggereer. 't is dat je die dingen nooit zo realistisch kan vertellen zonder dat ze romantisch geïnterpreteerd worden. 't is dat je't maar weet, moest het niet 't geval zijn. Tsjeu vertelt het tegen niemand in't bijzonder, maar luistert precies voor de eerste keer naar zijn eigen woorden. 't duurde niet lang, je vertelde genoeg geluk, en't is niet dat het er oeps niet meer was, maar oeps plots was het er niet meer, geleidelijk aan, kruipend, sluipend. het begon met de deur. een close-up van handen in zakken zoekend naar sleutels, ze even in je handen wegen, de verkeerde wegtikken tegen elkaar tot de juiste gevonden, dan een ademteug. daar het sleutelgat, pulserend pompend wachtend. daar de sleutel in de gleuf. de klik van omgedraaid, de zucht dan binnenvallen en meer van dat gesuggereer. 't is dat je die dingen nooit zo. tot sleutel vergeten, aankloppen, bellen, wachten, wachten, tot ze dan een uur of zo later nadat je bij de buren de telefoon mocht lenen, de deur komt opendoen in dan wel wil wel pose. 't is dat je't merkt, maar niet zo dat je denkt er is iets nodig, 't lijkt nog steeds dat ze in staat wil zijn zichzelf te corrigeren, weigert elke helpende hand. 't is haar vinden meer en meer in kleren van weken gedragen, 't is haar vinden in dagen voor de tv in de zetel gelegen, tis die baarmoederhouding die plaatsvindt 'tis dat ze corrigeren zo oeps voorbij is gestoken. 't is dat het overcorrigeren is begonnen. dat vergeten deur te openen, werd een uitgebreid driegangenmenu, correctie, en je verspilt niet graag eten. dat kleren weken dragen, werd een leeggehaalde rekening voor een nieuwe bloemenjurk de laatste die ze ooit zou dragen, correctie, en je wilde enkel zeggen hoe goed ze eruit zag. dat liggen in de zetel, werd het zitten alomtegenwoordig in het huis, werd het plafond, de muren verven, zei ik dat al niet?
 die baarmoederhouding onder veel te veel dekens, werd een uitgestrekte naaktheid op elke vloer die haar houden wilde. correcties. overcorrecties. tot ze de fout die ze was, de oeps die ze was, herstelde. en Tsjeu er niets meer tegen in kon brengen. 't was dan Tsjeu die nooit meer zijn sleutels vergat, die kookte, die kleren kocht die ze niet dragen wilde. Tsjeu was het die haar overal vond, en verplaatste naar een andere plek waarvan hij dacht dat ze beter paste, beter dan de trap, een stoel in de keuken, beter dan in de gang, de zetel in de zitkamer, beter dan tegen de boiler in de badkamer, het bed op de slaapkamer, totdat de trap de stoel, de zetel, het bed geen beter meer te bieden hadden en Tsjeu niet meer wist waar haar naar toe te dragen. 't was toen dat ze besloot zichzelf naar buiten te dragen. overcorrectie. 'het is niet dat ik er niet anders over kan praten, 't is dat ik er met jou niet meer over wil praten. 't is dat hoe meer ik er over praat, hoe koeler ik klink' 
'misschien is't tijd om't achter je te laten' 
'dat kan ik niet maken'
 'waarom niet' 
'ik ben haar tenminste één overcorrectie schuldig'  onderlicht 3. koorts 2. de dame van de fiets brengt water naar zijn lippen, druppels tegelijk, Tsjeu kermt in 41graden tegelijk, zijn lijf zwaar, en moe gestreden, weet dat het ooit sterker was, de weg terug stevent op een keuze af die bewust wil lijken, maar het niet langer kan zijn. een zijden draad beslist er anders over. het huis zo leeg, stilaan druk, een dokter die zich geen raad weet, mevr. Gordijn die zich in de keuken bezig houdt en de melk, nee, bierman die met de mannen overlegt, denkt dat het niet meer goed komt. moest Tsjeu zijn ogen opendoen, geen bekenden zou hij zien, vreemden tot daar aan toe, maar hier voor hem, waarom zou Tsjeu nooit begrijpen. de dame rinkelt, het wordt laat, we zullen kijken hoe het deze nacht gaat, tijd dat jullie hem nu wat rust gunnen. een fout misschien denkt fiets-dame, terwijl de mensen het huis verlaten, nu staat ze er alleen voor, voor de nacht die voor Tsjeu ongetwijfeld de zwaarste wordt. ze weet niet goed wat te doen, maar dat ze het moet doen, is haar duidelijk. en terwijl ze in't huis rondwandelt en de leegte ziet, vraagt ze zich af wat deze ziel zo bespookt, welk verdriet hier ook huist, het kan voor haar geen reden zijn om hem alleen te laten achterwege in de koorts van't verleden die hem parten speelt. zo jammer klinkt het in haar oren dat ze't verhaal enkel in gebroken woorden kan horen. woorden die voorbijsnellen als een trein, beelden scheppen die in elektrisch taaltje zwellen tot stroomstoten, die niet te vangen vallen in volt of ampère omdat het aantal Ω met het stijgen van de temperatuur een isolator vormt, haar man was ook zo'n klus, die niet te aarden viel.  ze zal niet wijken, zelfs al mocht hij bezwijken, het idee hier te zijn, waar ze er voor haar man niet kon zijn, het lijkt een schuld ingelost. en zo zit ze daar terwijl de nacht valt over zijn gloeiend lichaam, Tsjeu krijgt weer water over zich heen. onderlicht 3. water 3. ijlend begrip. 'je verhuisde'.'dat deed ik, na, je weet wel, op zoek naar een overcorrectie'. je brak in, denkt Tsjeu, in haar wil wel, dan wel. om te begrijpen.het was een dreunen in een leeg huis. van koud water bewust. het was een vallen in herhaling dat uit herhaling klimmen, dwong herhaling op de knieeën, preekt, smeekt. het is onophoudelijk, alomtegenwoordig in elk pigment van kleur, in elk gaatje van't geperforeerd plafond, het is een lezen altijd vastgelijmd aan de woorden die meer wil zeggen dan er staat, al staat er hetzelfde net iets anders gezegd het is een dwangmatigheid die geen andere afloop kennen kan. maar dit keer niet door Marley ondergaan. dit keer door Tsjeu beleeft. ik vond mezelf overal in't huis, verloren als een stel sleutels dat niet meer weet wat ze moeten openen. mijn wil wel, dan wel, beperkte zich tot haar in gordijnen zien. ik vraag me af wat zij zag, toen ze op de trap zat, in de zetel, en wat er ontbrak. en ik besef dat we daarin verschillen. wat mij ontbrak, en ontbreekt, is zij. hoe hard ik ook zou beuken op de muren, hoe hard mijn naam ook schreeuwt in de balk boven de open haard, wat haar ontbrak zou ik nooit weten. en denken dat ik het was, of iets aan mij, dat haar ontbrak, dat is de schuld die praat. de spijt. en in dat huis lig ik nu in de koorts van waanzin. verzonnen door dame met fiets, Mevr. gordijn en melk, nee bierman, die nood hadden om zich over mij te ontfermen.  ik zie mezelf liggen in die zetel daar. een iemand die Marley wilde evenaren, op gelijke voet met haar wilde staan, gemene grond met haar wilde delen. en als ik het de psycholoog vertel, in koffie, of jou, de agent, in water, of zelfs de biograaf in woorden, zijn het hyperwoorden, die lopen aan een stuk door. zijn het beelden die als vlakken van verschillende kleuren eenzijdigheid zoeken. het draaien herhalen. feit blijft dat ik haar niet kan zijn of worden, dat besef ik nu. Marley is voor mij een mens te ver.  en dame met fiets, zit niet in deze kamer, speelbal van mijn waanzin, teken van hoop, en Mevr. gordijn, bracht me het verleden, en melk, nee bierman bracht me stilstand in dan wel wil, verzonnen vrienden alle drie in een waanwereld, buiten deze kamer, buiten deze kamer met geperforeerd plafond, waar psycholoog, en jij, agent, en biograaf elkaar afwisselen, om mij te helpen, mij het verschil tussen Marley en mezelf te tonen. en ik die dacht het in Marley te vinden, het in mezelf te vinden. 'het was niet jouw schuld, er wordt geen klacht ingediend, dat begrijp je?''nu, nu wel' onderlicht 3. graag. inderdaad. ook goed. misschien. dank je'
 'nee, jij bedankt' 
'graag gedaan' 'hoe denk je zal't boek eruit zien?'
 'anders, kalmer, minder en meer...'
 'herhaling?' 'de deur staat in ieder geval niet meer op straf.'
 'inderdaad.' 'zien we elkaar nog?'
 'in't boek?'
 'ook goed'
 'waarschijnlijk niet' 'vaarwel dan, en veel geluk'
'misschien.' Einde (dit was onderlicht 3, IT genoot en, zo werd hij grootgebracht, dankt u)

IT
0 0

Stilte

Het was muisstil in de kamer. En dat liet me nadenken. Nadenken over mijn leven. Over de keuzes die ik had gemaakt en of ik ze wel had moeten maken. Als je met de dood wordt bedreigd denk je over zulke dingen na. Je vraagt je af of je leven wel de moeite waard was. Misschien had het meer betekenis gekregen als je dingen anders had gedaan. Maar als je dan uiteindelijk niet sterft, verandert er niets. Je zet je leven voort op dezelfde manier waarop je het voorheen ook had geleefd. Waarom zou je je leven door één nare ervaring op zijn kop moeten zetten? Als je voorheen gelukkig was met je leefwijze zou je dat na die nare ervaring ook wel zijn. Maar zover was ik nog niet. Ik werd op dit moment nog steeds met de dood bedreigd. De dood school hier in de loop van een pistool dat recht op mij was gericht. Ik sloot mijn ogen zodat ik het zwarte metaal niet meer hoefde te zien. Ik wou niet in angst sterven. Het beklemmende gevoel dat de angst had veroorzaaktvloeide langzaam uit me weg terwijl ik me liet overspoelen door gedachten over vroeger. Een chaos van herinneringen waarmee mijn hersenen me bestookten. Elk vechtend voor de voorgrond. Er zat een patroon in mijn gedachten. Allemaal hadden ze iets met elkaar te maken. Ze vloeiden in mekaar over. Probeerden één geheel te vormen. Hij kwam het meeste voor. En dat liet me weer nadenken. Als een doodsbedreiging ervoor zorgde dat je diepste verlangens kwamen bovendrijven, iets wat vaak werd beweerd, zou ik hem dan nog een kans moeten geven in het geval datik hier levend uitkwam? Ik wou het wel, maar was het wel gezond? Onze relatie was, om het mild uit te drukken, ingewikkeld. Hij zou nog steeds hetzelfde zijn. Maar toch werd ik tot hem aangetrokken, ook al wist ik goed genoegdat dat gevaarlijk was. Ik wou er niet over nadenken. Maar de stilte die in de ruimte hing was te sterk. Ik had enkel mijn gedachten om niet volledig gek te worden. Ik wou kunnen praten met degene naast me, de stilte doorbreken, zodat ik de vragen die in mijn hoofd ontsprongen zou kunnen ontwijken. Maar dat ging niet. De angst bleef. Het zweefde aan de oppervlakte van mijn bewustzijn, sluimerend, wachtend. Ik kon het niet volledig uitschakelen. Als ik dat wel zou kunnen, zou ik wel praten. Maar ik was bang voor het pistool, bang voor de man die het voorwerp vasthield, voor de vinger die rond de trekker zat gevouwen. Praten zou de woede opwekken van de man. Het zou zijn vinger besturen. Het zou er misschien voor zorgen dat er een vlammende kogel recht op mij af zou komen, de dood in zich. Dat risico kon ik niet nemen. Ik probeerde de gedachten aan hem zo goed mogelijk uit te schakelen en dacht weer na over het leven. Mijn leven. Ik was jong, twintig jaar, moest nog zoveel ontdekken. Had ik wel genoeg ontdekt voor mijn leeftijd om vredig te sterven? Had ik tot nu toe alles uit mijn leven gehaald dat ik eruit had kunnen halen? Het antwoord was nee. Diep vanbinnen wist ik dat het antwoord nee was. Maar ik kon het niet, wilde het niet, aanvaarden. De stilte drukte zwaar op me neer. Het maakte dat ik gek werd van mijn eigen gedachten. Ik opende mijn ogen weer. De duisternis die me dieper in mijn eigen gedachten had geduwd verdween. Licht stroomde mijn ogen binnen en ik knipperde even om eraan te wennen. Toen ik weer scherp zag, zag ik dat het pistool nog steeds op mij was gericht. De angst kwam meteen in volle kracht terug. Hoe lang zaten we hier al? Het kon vijf minuten zijn maar evengoed een uur. Ik was het besef van tijd verloren. Ze hadden mijn uurwerk en gsm afgenomen. Mijn gedachten gleden naar mijn ouders. Zouden ze me al als vermist hebben opgegeven? Waarschijnlijk niet. Ze waren nog aan het werken, ervan overtuigd dat hun dochter op school zat. Zij zouden niets vermoeden. Maar mijn vrienden? Zouden ze ongerust zijn of niet? Misschien dachten ze dat ik ziek was. Ik dacht zelf ook nooit het ergste als iemand er niet was. Geen nieuws goed nieuws, toch? Dat was altijd al mijn motto geweest als er iemand niet was en die persoon ook niet antwoordde op mijn berichten. Ik keek voor de zoveelste keer de ruimte rond. Liet mijn ogen over elk voorwerp glijden, zoekend naar een uitweg waarvan ik al wist dat het er niet was. Ik kromp lichtjes ineen toen er plots een hoge piep de gekmakende stilte doorbrak. Ik zag aan de manier waarop de gijzelnemer met het pistool in zijn handen stokstijf bleef staan dat hij het niet gehoord had. Zijn ogen richtten zich nieuwsgierig op mij. Zich afvragend waarom ik net zo had gereageerd. Ik bleef zijn blik vasthouden, bang dat als ik zijn blik zou loslaten zijn vinger een onverwachte beweging zou maken,  tot hij zich van me afwendde en naar de andere gijzelaars keek. Mijn hart pompte snel in mijn borstkas. De ogen van de man op mijn netvlies gebrand. Ik sloot mijn ogen weer, liet de stilte me kalmeren, die stilte die me eerst bijna tot waanzin had gedreven. De duisternis zorgde ervoor dat mijn oren alerter waren, ze namen alle kleine geluidjes in zich op waar je normaal niet op zou letten als het wat rumoeriger was geweest. Een tikkend geluid van een klok die aan de muur tegenover me hing, zo’n zeven meter verderop. De voetstappen van de gijzelnemers die zich bijna geruisloos verplaatsten. Voorbijrijdende auto’s. Een klein kindje waarvan de moeder hem angstvallig probeerde te sussen. Ik probeerde al die geluiden een voor een uit te schakelen en dook weer in de stilte van mijn gedachten. Ik dacht weer aan hem en de brief die hij me een paar dagen geleden had gegeven. Hij zat nog steeds in mijn jaszak. Ik wou hem opnieuw lezen. De woorden een voor een analyseren om te zien of het niet een grote leugen was om me weer voor zich te winnen. Maar als ik mijn hand naar mijn jaszak zou bewegen zou de gijzelnemer dat verdacht vinden. En ik wou niet riskeren dat de vinger die nog steeds rond de trekker zat gevouwen zou doorduwen. Het kleine kindje begon weer nerveus te worden. Ik zag hoe een van de andere gijzelnemers geïrriteerd zijn kant op keek. “Laat haar zwijgen,” snauwde hij. “Alsjeblieft,”antwoordde een mannenstem waarin de angst duidelijk doorschemerde. “Laat hem gaan, hij is nog maar vier jaar.” “Ik laat niemand gaan.” “Ik zal je vergoeden, laat hem alsjeblieft buiten.” “Ik zei dat ik niemand liet gaan!” Ik zag hoe de gijzelaar met trillende vingers naar zijn jaszak greep. Waarschijnlijk op zoek naar geld of iets anders dat hij kon geven in ruil voor de vrijlating van het jongentje. Iets dat de gijzelnemers over het hoofd hadden gezien nadat ze hem hadden gefouilleerd. Maar dat hij beter niet gedaan. De met angst gevulde stilte werd doorbroken door een luide knal. Ik zag hoe mensen zich met een vertrokken gezicht van de scène afwendden. De met pijn gevulde schreeuw van de man drong mijn oren binnen en maakte dat ik nu nog minder de brief durfde te grijpen. Ik kneep mijn vingers tot een vuist en probeerde de angst die hevig door mijn lichaam stroomde te verminderen. Na de schreeuw leek de stilte nog duidelijker aanwezig dan voorheen. Mijn adem ging gejaagder. Ik was me nog bewuster van de vinger die rond de trekker zat gevouwen van het pistool dat nog steeds op mij was gericht. Het leek alsof de man die het pistool vasthad niet eens had waargenomen wat er zonet was gebeurd. Hij stond er nog steeds op dezelfde manier. Bewegingloos. Ik begon weer eens na te denken over mijn leven. Maar nu niet over het nut ervan. Wat zou er gebeuren als die vinger de trekker zou overhalen? Zou de kogel me meteen doden? En zoja, wat zou er dan gebeuren met mijn familie en vrienden? Ik probeerde de vragen weg te duwen maar ze sprongen automatisch in me op. Wat als ik in mijn voet werd geraakt en ze zouden moeten amputeren? Zou ik mijn leven dan nog kunnen leven op de manier die ik in mijn gedachten had? Ik zou blij moeten zijn dat ik nog zou leven maar toch dacht ik erover na. Zou hij om me treuren als ik er niet meer was? Ik wou dat ik mijn mp3-speler nog had zodat ik met muziek mijn hoofd zou kunnen leegmaken. Uiteindelijk klonken er politiesirenes buiten. De gijzelnemers waren meteen weer alert. De man voor me kreeg een vastberaden blik in zijn ogen. Zijn tweede hand vouwde zich rond het pistool zodat hij er een stevigere grip op had. De deuren werden opengegooid, gewapende politieagenten stroomden naar binnen. Er klonk weer een schot. Een schreeuw van een gegijzelde. Alles gebeurde als in een waas om me heen. Ik wist niet meer wat echt was of wat werd gecreëerd door mijn gedachten. Er werd teruggeschoten. Ik kneep mijn ogen stijf dicht en dekte mijn oren af. Ik boog me voorover. Mijn hoofd tussen mijn knieën. Stelde me voor dat ik ergens anders was. Nog meer schoten. Een vlammende pijn in mijn schouder. Meer geschreeuw. Mijn geschreeuw. Ik probeerde de stilte die me net nog had gefrustreerd terug te vinden. Maar hij was weg. De geluiden konden niet worden tegengehouden door mijn handen die over mijn oren lagen. Plotseling voelde ik een hand op mijn schouder die me zachtjes heen en weer schudde. “Het is voorbij, je bent veilig, rustig maar.” De stem maakte me kalm. Ik haalde mijn handen van mijn oren, wat meteen een hevige pijnscheut veroorzaakte in de schouder waar geen hand op lag. Ik opende mijn ogen, richtte ze op de pijnlijke schouder. Bloed stroomde er naar beneden. Ik wendde mijn blik af en keek naar het gezicht voor me. Het was een agent die me met een bemoedigende lach aankeek. Hij hielp me recht en begeleidde me naar buiten. Mijn ogen gleden over de omgeving. Zochten naar iets dat ik kende. Toen haakten mijn ogen zich vast in zijn ogen. Hij manoeuvreerde zich naar voor en ik liet me door hem omhelzen. “Het is voorbij,” zei hij zacht. “Ik ga voor je zorgen.” En ik geloofde hem.

Quies
0 0

onderlicht 3. water 3. ijlend begrip.

'je verhuisde'. 'dat deed ik, na, je weet wel, op zoek naar een overcorrectie'. je brak in, denkt Tsjeu, in haar wil wel, dan wel. om te begrijpen. het was een dreunen in een leeg huis. van koud water bewust. het was een vallen in herhaling dat uit herhaling klimmen, dwong herhaling op de knieeën, preekt, smeekt. het is onophoudelijk, alomtegenwoordig in elk pigment van kleur, in elk gaatje van't geperforeerd plafond, het is een lezen altijd vastgelijmd aan de woorden die meer wil zeggen dan er staat, al staat er hetzelfde net iets anders gezegd het is een dwangmatigheid die geen andere afloop kennen kan. maar dit keer niet door Marley ondergaan. dit keer door Tsjeu beleeft. ik vond mezelf overal in't huis, verloren als een stel sleutels dat niet meer weet wat ze moeten openen. mijn wil wel, dan wel, beperkte zich tot haar in gordijnen zien. ik vraag me af wat zij zag, toen ze op de trap zat, in de zetel, en wat er ontbrak. en ik besef dat we daarin verschillen. wat mij ontbrak, en ontbreekt, is zij. hoe hard ik ook zou beuken op de muren, hoe hard mijn naam ook schreeuwt in de balk boven de open haard, wat haar ontbrak zou ik nooit weten. en denken dat ik het was, of iets aan mij, dat haar ontbrak, dat is de schuld die praat. de spijt. en in dat huis lig ik nu in de koorts van waanzin. verzonnen door dame met fiets, Mevr. gordijn en melk, nee bierman, die nood hadden om zich over mij te ontfermen.  ik zie mezelf liggen in die zetel daar. een iemand die Marley wilde evenaren, op gelijke voet met haar wilde staan, gemene grond met haar wilde delen. en als ik het de psycholoog vertel, in koffie, of jou, de agent, in water, of zelfs de biograaf in woorden, zijn het hyperwoorden, die lopen aan een stuk door. zijn het beelden die als vlakken van verschillende kleuren eenzijdigheid zoeken. het draaien herhalen. feit blijft dat ik haar niet kan zijn of worden, dat besef ik nu. Marley is voor mij een mens te ver.  en dame met fiets, zit niet in deze kamer, speelbal van mijn waanzin, teken van hoop, en Mevr. gordijn, bracht me het verleden, en melk, nee bierman bracht me stilstand in dan wel wil, verzonnen vrienden alle drie in een waanwereld, buiten deze kamer, buiten deze kamer met geperforeerd plafond, waar psycholoog, en jij, agent, en biograaf elkaar afwisselen, om mij te helpen, mij het verschil tussen Marley en mezelf te tonen. en ik die dacht het in Marley te vinden, het in mezelf te vinden. 'het was niet jouw schuld, er wordt geen klacht ingediend, dat begrijp je?' 'nu, nu wel'

IT
0 0

onderlicht 3. koorts 2.

de dame van de fiets brengt water naar zijn lippen, druppels tegelijk, Tsjeu kermt in 41graden tegelijk, zijn lijf zwaar, en moe gestreden, weet dat het ooit sterker was, de weg terug stevent op een keuze af die bewust wil lijken, maar het niet langer kan zijn. een zijden draad beslist er anders over. het huis zo leeg, stilaan druk, een dokter die zich geen raad weet, mevr. Gordijn die zich in de keuken bezig houdt en de melk, nee, bierman die met de mannen overlegt, denkt dat het niet meer goed komt. moest Tsjeu zijn ogen opendoen, geen bekenden zou hij zien, vreemden tot daar aan toe, maar hier voor hem, waarom zou Tsjeu nooit begrijpen. de dame rinkelt, het wordt laat, we zullen kijken hoe het deze nacht gaat, tijd dat jullie hem nu wat rust gunnen. een fout misschien denkt fiets-dame, terwijl de mensen het huis verlaten, nu staat ze er alleen voor, voor de nacht die voor Tsjeu ongetwijfeld de zwaarste wordt. ze weet niet goed wat te doen, maar dat ze het moet doen, is haar duidelijk. en terwijl ze in't huis rondwandelt en de leegte ziet, vraagt ze zich af wat deze ziel zo bespookt, welk verdriet hier ook huist, het kan voor haar geen reden zijn om hem alleen te laten achterwege in de koorts van't verleden die hem parten speelt. zo jammer klinkt het in haar oren dat ze't verhaal enkel in gebroken woorden kan horen. woorden die voorbijsnellen als een trein, beelden scheppen die in elektrisch taaltje zwellen tot stroomstoten, die niet te vangen vallen in volt of ampère omdat het aantal Ω met het stijgen van de temperatuur een isolator vormt, haar man was ook zo'n klus, die niet te aarden viel.  ze zal niet wijken, zelfs al mocht hij bezwijken, het idee hier te zijn, waar ze er voor haar man niet kon zijn, het lijkt een schuld ingelost. en zo zit ze daar terwijl de nacht valt over zijn gloeiend lichaam, Tsjeu krijgt weer water over zich heen.

IT
0 0

onderlicht 3. Koffie 3. Paraat ijlen 2.

'samenwonen, samenwonen was als een persoonlijk voor ons ontworpen drug delen'. je kent ze wel die beelden, van lepel, naald, watje, onroerend goedje en opgeklopte ader, een zucht, val achterover en meer van dat gesuggereer. 't is dat je die dingen nooit zo realistisch kan vertellen zonder dat ze romantisch geïnterpreteerd worden. 't is dat je't maar weet, moest het niet 't geval zijn. Tsjeu vertelt het tegen niemand in't bijzonder, maar luistert precies voor de eerste keer naar zijn eigen woorden. 't duurde niet lang, je vertelde genoeg geluk, en't is niet dat het er oeps niet meer was, maar oeps plots was het er niet meer, geleidelijk aan, kruipend, sluipend. het begon met de deur. een close-up van handen in zakken zoekend naar sleutels, ze even in je handen wegen, de verkeerde wegtikken tegen elkaar tot de juiste gevonden, dan een ademteug. daar het sleutelgat, pulserend pompend wachtend. daar de sleutel in de gleuf. de klik van omgedraaid, de zucht dan binnenvallen en meer van dat gesuggereer. 't is dat je die dingen nooit zo. tot sleutel vergeten, aankloppen, bellen, wachten, wachten, tot ze dan een uur of zo later nadat je bij de buren de telefoon mocht lenen, de deur komt opendoen in dan wel wil wel pose. 't is dat je't merkt, maar niet zo dat je denkt er is iets nodig, 't lijkt nog steeds dat ze in staat wil zijn zichzelf te corrigeren, weigert elke helpende hand. 't is haar vinden meer en meer in kleren van weken gedragen, 't is haar vinden in dagen voor de tv in de zetel gelegen, tis die baarmoederhouding die plaatsvindt 'tis dat ze corrigeren zo oeps voorbij is gestoken. 't is dat het overcorrigeren is begonnen. dat vergeten deur te openen, werd een uitgebreid driegangenmenu, correctie, en je verspilt niet graag eten. dat kleren weken dragen werd een leeggehaalde rekening voor een nieuwe bloemenjurk de laatste die ze ooit zou dragen, correctie, en je wilde enkel zeggen hoe goed ze eruit zag. dat liggen in de zetel, werd het zitten alomtegenwoordig in het huis, werd het plafond, de muren verven, zei ik dat al niet?die baarmoederhouding onder veel te veel dekens, werd een uitgestrekte naaktheid op elke vloer die haar houden wilde. correcties. overcorrecties. tot ze de fout die ze was, de oeps die ze was, herstelde. en Tsjeu er niets meer tegen in kon brengen. 't was dan Tsjeu die nooit meer zijn sleutels vergat, die kookte, die kleren kocht die ze niet dragen wilde. Tsjeu was het die haar overal vond, en verplaatste naar een andere plek waarvan hij dacht dat ze beter paste, beter dan de trap, een stoel in de keuken, beter dan in de gang, de zetel in de zitkamer, beter dan tegen de boiler in de badkamer, het bed op de slaapkamer, totdat de trap de stoel, de zetel, het bed geen beter meer te bieden hadden en Tsjeu niet meer wist waar haar naar toe te dragen. 't was toen dat ze besloot zichzelf naar buiten te dragen. overcorrectie. 'het is niet dat ik er niet anders over kan praten, 't is dat ik er met jou niet meer over wil praten. 't is dat hoe meer ik er over praat, hoe koeler ik klink''misschien is't tijd om't achter je te laten''dat kan ik niet maken''waarom niet''ik ben haar tenminste één overcorrectie schuldig'

IT
0 0

onderlicht 3. Koffie 3. Paraat ijlen 1.

weet je nog, zegt hij. Tsjeu doet niet eens de moeite om natuurlijk te zeggen. als je jong bent, zijn dingen als een paraplu bij de hand hebben onbelangrijk, laat de regen maar vallen. toen Tsjeu jong was, had hij niet eens een portefeuille bij. gewoon wat geld in zijn broekzak, was alles wat hij nodig had. als je dat vergelijkt met die dag in maart, leek hij oud. hij had sleutels bij zich, van het huis, de wagen, de brievenbus. hij had een zakdoek bij, iets wat hem vroeger nooit overkwam, niezen, gebeurde nu te pas en te onpas, en een keer had het hem verrast, dus sindsdien, altijd een zakdoek op zak.natuurlijk had hij zijn telefoon ook bij, hoewel het een oud onhandig ding was, maar er was hem verzekerd dat hij binnenkort niet zonder zou kunnen. ze hadden even gelijk gehad, en toen niet meer.hij droeg een bruinlederen schoudertas, wat daar allemaal instak, van jong kon je echt niet meer spreken, nee Tsjeu leek echt oud zo, bepakt en bezakt. als je oud bent, zijn dingen als een paraplu bij hebben belangrijk, je haren mogen niet krullen. toen Tsjeu oud was, had hij altijd een portefeuille bij. gewoon zijn identiteitskaart erin, zijn geld erin, en kredietkaarten en tankkaarten en kortingsbonnen, maar nooit alles wat hij nodig had. als je dat vergelijkt met die dag in maart, leek hij jong. hij had sleutels bij zich, maar niet van de garage, niet van het kantoor, niet van het kluisje in de bank, en niet van moeder's huis in geval van nood. hij had geen zes zakdoeken bij, niet eentje om zijn schoenen af te vegen, niet eentje om zijn voorhoofd af te wissen, niet eentje om voor zijn mond te houden bij ziekte, zijn ziekte of een ander z'n ziekte, en niet twee in reserve. natuurlijk had hij zijn telefoon ook bij, maar geen tweede telefoon, hoewel het een splinternieuw snufje was, maar er was hem verzekerd dat hij er even mee door kon. ze hadden even gelijk gehad, en toen niet meer.hij droeg een bruinlederen schoudertas, wat daar allemaal niet instak, van oud kon je echt niet meer spreken, nee Tsjeu leek echt jong zo, onbepakt en onbezakt. zij hing als een maartse bui in de lucht. ik had mijn paraplu bij. 'ik weet nog meer' 'zeg het maar' haar hak brak, ze klonk om, maar haar enkel was sterk, het was toch nog te vroeg om haar aan te raken, dat wist Tsjeu, zoals ze daar door de straten liepen.  met z'n linkerhand hield hij de riem van zijn bruinlederen schoudertas stevig vast, zijn rechterhand zwaaide lichtjes tussen hen in. hij had haar bij het breken bijna bij de arm gegrepen, maar ze leek iemand te zijn die zichzelf kon corrigeren, of zo iemand leek ze te willen zijn. ze lachte wat onhandig met een halve lip bebeten.  oeps was de gedachte, ze bleek tijd te hebben, na die eerste onbelangrijke woorden te hebben gesproken. ze gingen iets drinken, omdat dat zo hoorde. ze deden negen weken wat hoorde. drinken, eten, lachen, kijken. die eerste dag van wandel, struikel en afspraak gemaakt, dacht hij alles aan haar, om haar, van haar te kunnen beschrijven, dat hij haar kon vangen in schoonheid als oeps. maar oeps bleek een wederkerend fenomeen. het was die eerste keer toen zijn vingers langs de hare streken, toen het tijd was om dat te laten gebeuren, dat hij begreep dat ze niet te vangen viel, maar oeps wat was ze mooi. elke afspraak weer meer, elke week weer meer, werd ze per ongeluk mooier en mooier. hij hield van haar. zij van hem. het werd hen per ongeluk duidelijk.  van die keer in de negende week, bleven woorden hangen als beloftes vol overmoed gemaakt. dat ze hem nooit zou verlaten. dat hij haar oeps altijd zou beminnen. ze zaten in een restaurant, het tafereel niet voor niets een tafereel, hand in hand verstrengeld, ogen die door kaarsvuur en boven rode wijn elkaar zoeken, onder de tafel voeten die sluipen, dichterbij, en hoe diep dat gevoel vanuit een bodemloze tijd terugkaatst, alsof liefde altijd zo'n prille tafel zet, om ooit terug plaats aan te nemen. we spraken van dromen die we voor elkaar wensten uit te komen, van kinderen en een huis en hoe werk er zo niet toe deed, dat alles wel kwam zoals wij, in oeps, per ongeluk duidelijk. maar ook dat ze eerst wilde gaan, niet wilde zien hoe hij zou wegkwijnen als oud en ziek verkrampend mannetje, dat ze dat niet zou kunnen verdragen, dat hij verder moest leven twee keer zo lang als hij dat kon, dat zou haar gelukkig maken. hij dacht in oeps flapte ze er wat uit, zag niets zo duidelijk dan dat hij het haar beloofde. al wist hij niet waarom. 'dat ik me dat nog herinner, vreemd' 'misschien omdat je't moet weten, maar vertel verder, jullie gingen samenwonen?'  

IT
0 0

onderlicht 3. de zitkamer

het is niet dat Tsjeu het besefte. niet dat hij besefte dat bij elk gekraak van de vloer, elk gekreun van de dakspant, elke zucht van't gordijn. dat hij daarbij haar gezicht zag, Marley zoals ze was, nog voor ze in dan wel, wil wel verkeerde, nog voor ze 't spoor vond om zich aan over te geven. dat ze smeekte, beseft Tsjeu niet. dat ze hem vroeg, niet zo verder te gaan, besefte Tsjeu niet.  Tsjeu besefte niet eens dat bierman niet meer langskwam, afzien, lijden 't is niks voor mannen, en Tsjeu besefte niet dat mevr. Gordijn eten bracht en dekens en medicijnen,  nog minder besefte Tsjeu dat de vrouw die hem het klamme washandje op het voorhoofd hield, de rinkelende vrouw op de fiets was. voor al wat Tjseu wist, wist hij iets anders, de zetel een foltertuig dat zijn lichaam kneedde in de meest vermaledijde vormen, de lamp die hem met vurig lava bestookte, de zitkamer die zat als zij, Marley, zat, op zijn borstkas, en zijn ademen bedreigde. hij hijgde zweette bloedde alle tranen die hij kon bedenken, zwoer dat hij ze als een parelduikster uit de diepste meren opvissen zou om ze dan te verkopen aan een bokkenkoning die hoefijzers aan de deur verkocht.  Het ging niet goed, nu, zo, met de winter in volle zwier, en de rinkelende vrouw die zich verder geen raad wist, kon zijn smeekbeden om vader en land niet beantwoordden, maar ze bleef zitten tussen zijn ijlen en hapjes soep in, het enige wat hem op de been hield, een 27-tal erwten om de zoveel uur. maar de zitkamer vertoonde geen teken van opstaan. bleef in dan wel wil wachten, dringend dwingend wat Tsjeu had willen ontwijken.  Het was een zondag uiteindelijk toen de koorts hem opnam, zijn ziel tilde tot tegen zijn lijf en erdooruit in zwevend erboven gezond, keek Tsjeu op zichzelf neer. hier klopte niets meer, geen geesten, geen gisteren, geen nu, geen morgen. hier heerste een stem die hem beval, en zei waarop het stond.  'je bent ziek, maar het komt goed als je een paar dingen voor mij doet'.

IT
0 0

onderlicht 3. de badkamer.

dat ging zo goed, een dikke maand, met meer dan 31 dagen dus, dagen van melkman maar dan bier gebracht, dagen van af en toe taartje bezorgd door mevrouw Gordijn zoals ze kwam te heten, dagen van douchen en haar, aan't raam voorbijgefietst, gerinkeld gezien. dagen van goed en niet te veel nagedacht, gewoon voorbijgegaan, geacclimatiseerd. wie zegt dat verdringen niet werkt, en op dat moment was het Tsjeu natuurlijk niet langer gegund dat te geloven, er moest iets tegen gaan steken, hij wist het, en de winter zou hem niet tegenspreken.  de badkamer kroop in kou verborgen weg, als een land dat dreef naar polen, zuid of noord, nog niet besloten, als't maar ijzig van wind was. de tegels in hun witte reinheid, reflecteerden Tsjeu's zinkend gemoed, het scheren stak hem tegen, de kwast  haar haren verstijfden en het mes lag lichtjes bloed te wenen. in al zijn ontblootheid om van proper zeker te zijn, durfde hij nauwelijks iets te raken, zijn tenen leken meters uit te rekken en op het kleinste raakvlak te balanceren, toch kroop de kou hem in de botten. de wasbak trilde uit sympathie mee met zijn klapperende tanden die probeerden, smeekten, haal ergens warmte vandaan, het plastic douchegordijn kleefde als een platvis aan zijn lijf als hij in de douche stapte, water liep in sputterende druppels over hem heen, niet langer dan 10 minuten voor hagelstenen door de waterleiding ratelden, hun weg vonden en Tsjeu bekogelden. dan snel snel de handdoek en elke porie drogen, snel, zijn kleren aan.  't waren zijn haren die hem bleven herinneren aan de kou, als ze onregelmatig druppels dropten in zijn nek achter zijn kraag, zo zat hij voor de open haard waar hout het vuur bijeen sprokkelde om als as achter te laten, om de haverklap opgeschrokken, verdomde druppels. en toen blafte zijn mond, snuifde zijn neus en beet de ziekte hem in't vel. 't zou nu niet lang meer duren, dacht Tsjeu nog wel hooguit ... maar hij durfde er geen aantal dagen op plakken, ziek en serieus werd hij wel, geplaagd door koorts en geesten 1, 2, 3, en de 4de was zij die wachtte, Marlies of zoals Tsjeu haar noemde Marley.

IT
0 0

Escapade (werktitel)

Proloog   De enige kunst die me ligt, stijgt op vanuit onrust en neigt naar sereniteit. — Andre Gide   Mijn naam is Luna. Ik woon op de tweede verdieping. Ik woon boven u. Ja hoor, ik denk dat u me al gezien heeft. In de vlucht. U met de deur nog in de hand. Ik met de lange haren flapperend uit de douche. Opgewekt en fris. En evenzeer weer weg in een oogwenk. Want zo ben ik wel: ik heb nooit tijd. Geloof me: nooit! Als eenieder moet ook ik het doen met die 24 uurtjes per dag, waarvan een 1/3 plichtsgetrouw in bed. Een ganzenverenwarm bed, maar toch. Het cijferscenario is onwrikbaar. Ik bots en bots en kan er maar niet bij hoe diezelfde ieder een het klaarspeelt. Hoe zij doen wat ze doen en laten wat ze laten. Hoe ze knopen ontwarren waar ze ontwarren en doorhakken waar ze doorhakken. Mijn exacte IQ van 123 snapt het ook niet. En mijn zoetzeme EQ zwijgt liever in al haar talen. Kwestie van niet te moeten stilstaan bij de tijd die dat zelf nooit doet. 5840 wakkere uren per jaar lang. En geen schrikkelseconde meer.   Onbewust zet ik in op inhaalmanoeuvres tijdens het traject van A naar B en van B naar C. Hangt het van mijn lijf af, dan ga ik snel, vaak zwevend op de energie van B en nadien C. Zo loop je trappen het snelst af met het bovenlichaam onbeweeglijk, de inspanning beperkend tot een automatische voetopvolging die het trapgewelf streelt. Bij het oplopen steun je met de volle handpalm op de trapleuning om zo telkens één trap te kunnen overslaan. Zich haasten op publieke plekken vergt andere fijngevoeligheden. Beleefdheid mag altijd voor: haast is nooit een passe-partout. De oprechte glimlach kan dat wel wezen, soms zeer expliciet toe te dienen aan nieuwsgierige voorbijgangers. Tenminste, als je wil dat het getokkel van fijne hakjes jouw medemens niet onnodig aanzet om de handtassendief te spotten. Nergens voor nodig. Op met die colgate smile.   Ik geef toe: ik ga soms oefenen aan het kanaal. Ik camoufleer me in volledige sporttenue, in zo’n tweedelig en gesponsord pakje van Jako, en trotseer de straat. Net echt. Oefenen biedt ruimte voor experiment. Daar maak ik ten volle gebruik van: vertragen en versnellen, snelwandelen en sprinten, behoedzaam uitwijken, duwen op de armen, luidop zingen, enz. Soms ga ik zelfs voor dat willekeurige vreugdepasje. Menig omstaander heeft al moeten vaststellen dat mijn zogenaamde verticaliteit niet in verhouding staat tegenover mijn horizontaliteit. Voor de niet-ingewijden zie ik eruit als een zwangere vrouw die zorgvuldig haar prenatale ademhalingsoefeningetjes doet, terwijl ze lekker op en neer huppelt. Een duim omhoog voor deze juffrouw. En die krijg ik ook vaak. Beeld zonder klank… maar mét muzikale filter. Die dicteert. De rest maakt me niet uit. Ik hou mijn elegantie in vorm, daar langs het kanaal. Maar vooral voor mijn versnelde tussentrajecten.   Een tijdlang durfde ik de weg van A naar B niet af te leggen alvorens bestemming C vastlag. Dat leverde een ernstig logistiek probleem op. B moest nog maar in het zicht verschijnen of de paniek sloeg al om me heen. Een zuiver geval van horror finem, het minder gekende, doch oudere broertje van horror vacui. Automatisch ging ik vertragen, zo subtiel dat ik het zelf amper opmerkte. Ik moest en zou het zogenaamde noodlot – die loerende eindbestemming – uitstellen. Manipulatieve kneepjes uit ‘creatief wezen binnen de wondere wereld van de artificiële vertraging’ werden vakkundig bovengehaald. Ik schreef me vol overtuiging in voor een nieuwe cursus (bedenk het zo gek nog niet), vond allerlei superdringende huiselijke taakjes uit, liet die laatste pagina’s van dat spannende boek ongelezen, sloeg uitbundig aan het socialiseren, kocht verrassende bus-, trein- en vliegtickets en liet ‘het einde’ verwateren.   Die tijd is gelukkig voorbij. Dergelijke psychologische creativiteit is ook eindig… al speel ik het spel als een kind en ondermijn ik vervolgens de nieuwe realiteit als een meester. Enfin. Dat was toen. Fini is gedaan. Nu lopen we, de Koninklijke me, myself and I. Met ons drietjes is het altijd feest. Lopen, lopen, lopen. We kunnen er niet snel genoeg wezen. We moesten er al zijn! Met dit eigentijdse adagium op zak loopt alles ook lekker. Er is per slot van rekening genoeg voor iedereen. Iedereen druk! Heerlijk toch. Elke bestemming is provisoir. En terplekke rekken we de tijd tot opperverfijnde kwali-tijd om dan opnieuw, gulzig als geen ander, af te stevenen op het volgende avontuur. Ja, met z’n allen hebben we het felle licht gezien. Halleluja!   En ik? Ik loop recht op die lamp af. De lamp verliest. Klets de grond op. Maar ik ook. Half been in het gips. Meer bepaald fluogroen gips dat licht geeft in het donker. Zodat ik niet van het pad afdwaal. Of beter: zodat ik het pad vind! De goden hebben inderdaad mijn klaagzang aanhoord: ‘Geef die juffrouw toch een beetje respijt.’ Ze duwen vastberaden de pauzeknop in. Een beetje bedenktijd. Tijd voor strategie en aanpak. Tijd voor inzicht… en zicht in de tijd. Tijd voor een gepermitteerde en grondige psychologische selfie. Zodat ik met beide voeten op de grond terechtkom. Weliswaar na de volbrachte gipstijd.     Onze gedragslijn wordt niet door onze ervaring bepaald, maar door onze verwachtingen. — George Bernard Shaw   I.    De ketel staat op het vuur. Pruttelend tegen de sterren op. Snelkook, dat spreekt voor zich. Alsof ‘traagkook’ ooit een marketingoptie was? Hoewel… als in een hip en organisch verantwoord alternatief misschien. Vandaag smaakt immers alles, als het maar lekker wordt ingepakt. Komaan, niet treuzelen: het eten dient opgediend. De magen grommen. De dorstigen dienen gestild en de hongeren gelaafd. Snelsnel. Neen Luna, je hebt geen tijd om dit artificieel te overpeinzen. Het heeft ook geen zin. Dit is basis. Soep, mens! Al goed: juliennesoep is verwennerij voor fijnproevers. Luciferdunne repen groentjes gaan in eigen sop lekker uit de bol (of net niet). Elk reepje behoudt daarbij liefst eigen geur en kleur, maar samen rocken ze de pan uit (of net niet). It’s all in the mix. Dat is de kunst. Liefst stomend heet opgediend.   De goden hebben mooi leuteren. Hemel en aarde vol, zo existentieel zijn ze wel. Me hier zo eventjes ‘immobiliseren’ om het rustig aan te doen en van dergelijke curiositeiten meer. Fantastisch. Waar halen ze het toch? Of groeit rust in de hemel wel aan de bomen? Zo tussen de appel- en de perenboom. ‘Mmm… wat is het rustfruit dit jaar toch weer heerlijk hé?’ smikkelt Atlas. Het sap van het vers geplukt exemplaar druipt zijn kin af. ‘Ja,’ knikt Demeter, ‘haar smaak is onovertrefbaar. Ook die ronding, die pit, … goddelijk!’ Of, voor de ondergrondse goden in het hemelrijk klinkt het eerder als: ‘Zeg Artemis, breng je me daar een bakje rustfruit mee vanuit de BE express (Bazar Eternel)?’’Apollo-man, waar vind ik die dan?’ ‘Bij het hemels fruit, hé miss. Achter de rayon met tijd in alle maten en gewichten.’   Mijn ketel kan het niet aan. Hij weet evenmin of hij nu op ontploffen staat of volledig weg wil smelten. Uit besluiteloosheid slaat hij langzaam blauw en vierkant uit… en dreigt hij faliekant en protserig te bezwijken onder zoveel druk. Mijn soep schreeuwt vuur en vlam. Alsof alle fijngereepte groensels in koor mopperen: ‘Opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats, wij hebben ongelofelijke haast.’ Duwen en trekken, boksen en stampen: alle fysieke registers worden opengetrokken. Geen reepje blijft gespaard. Geen reepje spaart een ander. Reep om reep, tand om tand. Tot het soepcanon haar climax bereikt en moet rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan. Roeren en roeren, zo maar door en door en door… en zonder oppepmiddel. Overkoken die handel.   Mijn gedachten razen door. Onder, boven, naast en op elkaar. Tot ze elkaar een voor een verpletteren, door en door verpletteren als in een eindeloze verpletpartij. Weliswaar wonderbaarlijk in evenwicht gehouden door een eindeloze ontspringpartij van nieuwtjes. Plet, spring, spring, plet. Allemaal geheel bewust. Onbewust spelen er stunts van een geheel ander kaliber. De dagelijkse fysieke passiviteit spat er vanaf en doodt elk spoor van dat blok aan mijn been. Dromen lijken communicerende vaten vol gemiste prikkelingen uit de wakkere uren. Ik heb ze wel door: ze compenseren. Quintuple. Hele constructies worden opgezet, volledig buiten mijn controle om. Intens en reëel, maar vooral ongelooflijk fysiek. Mijn lijf smeekt erom… om te zien, horen, ruiken, smaken, tasten. En te voelen dat het leeft! En het krijgt wat het wil. Of toch de illusie. Body, mind and soul: het scenario verweeft ze alle drie. Hoe zou het ook anders.

Elke de Echte
0 0

onderlicht 3. de keuken.

het was vanuit de keuken dat hij haar voor't eerst zag, maar denk er niet romantisch over na. hij was zijn sokken en ondergoed in de lades aan't sorteren, 't leek hem een uitgelezen stek, zeker om de bovenverdieping te vermijden. zijn vier hemden, twee broeken en enige maatpak lagen opgevouwen in die diepere lade, die voor potten en pannen was voorbestemd, maar hier haar doel missen moest. de keuken leek hem op maat gemaakt want waar de strijkplank ooit verborgen stak, als een uitvouwbaar bed in een te klein appartement, kon hij nu zijn jassen hangen en zijn schoenen zetten. maar goed zo stond hij daar, en waar de zitkamer gordijnen had, viel in de keuken buiten binnen als licht te verdragen, en daarbij het gerinkel van een fietsbel. in zijn handdoek rond z'n midden gedraaid, hij dus staand, druppend na de douche, bloot torso omgekeerd, zijn blik verrast verdraaid, daar zag hij haar, op pakweg 100 meter, op haar fiets gezeten. het was een blik van geregistreerd, nog geen waarde toegekend aan dat haar, dat lichaam, dat mens dat daar zo reed. een simpel erkennen van haar bestaan, zou in de keuken wel volstaan. regelmaat slaat sneller toe dan tijd's besef, en zijn douchen viel voortaan, ongewild altijd samen met haar voorbijrijden aan zijn raam. ongemerkt was er plots ruimte voor groei ontstaan, en die eerste keer wist Tsjeu niets van dat alles, was zij daar buiten rinkelend nauwelijks noemenswaardig, toch kriebelde er iets wat Tsjeu in retrospect troost zou noemen, troost in't weten dat als zijn tijd gekomen was, zij daar vrolijk verder fietsen zou.

IT
0 0

Al of niet

Professor Van Worm staat niet recht als Meester Klaas de grote vergaderzaal binnenstapt en hem de hand reikt. Van Worm schudt de hand wel, en kijkt dan snel weer naar zijn papieren. Klaas twijfelt even of hij de stoel naast die van Van Worm zal nemen. De vergadertafel is zes meter lang. De tafel is nog nooit zo lang geweest, vindt Han, die toekijkt van op zijn plaats aan de overkant. Hij voelt een zekere spanning en hoopt dat Klaas snel een plaats kiest. ‘Ga alsjeblieft naast de professor zitten’, smeekt hij hem in de gedachten, want als zij naast elkaar zitten, zo hoopt hij, dan zal de vergadering vlot verlopen, en snel afgelopen zijn, en kan hij vluchten uit de vergaderzaal. Meester Klaas legt even een hand op de leuning van de stoel naast de professor, maar bedenkt zich, loopt rond de tafel en legt zijn hand op de leuning van de stoel naast Han. ‘Of zit de uitgeefster hier?’, vraagt hij. ‘Laura is ziek’, antwoordt Han toonloos. De heren knikken, en het wordt stil. De vergaderzaal was nog nooit zo groot, vindt Han. ‘Dus u staat er vandaag alleen voor’, lacht Van Worm. Han werpt hem een glimlach toe, en denkt, ‘Wrijf het er nog eens in.’ De baard van de professor ligt er weer erg slordig bij, stelt Han vast. Zijn pak heeft weer enkele maanden meer stof opgezogen dan vorige keer. En hij zit daar ook zo alleen aan die kant van de lange tafel. Het is wachten op Meester Haenens en Han hoopt dat de heren alvast met elkaar een praatje slaan. Zelf weet hij niets te verzinnen. Normaal slaat de uitgeefster aan het begin van de vergadering een praatje, over koetjes en kalfjes uit het juridische milieu, zoals uitgeefsters dat zo goed kunnen, en wacht Han tot ze aan de vergadering beginnen en hij zijn taak kan doen, noteren en proberen te begrijpen wat er gezegd wordt. ‘Het toilet was…?’ Meester Klaas staat weer recht en gooit een vragende duim over zijn schouder. ‘Gang in, deur rechts, eerste deur links’ en voor Han klaar is, heeft Klaas de vergaderzaal al verlaten. Van Worm staart naar de schaal met broodjes. Je hebt volgens en leiders, bedenkt Han, sommigen hebben al een broodje van de schaal gegrist nog voor ze neerzitten, en anderen moet je de weg tonen. Han kan enkel volgen. Als uitgever-assistent neem je nooit als eerste een broodje. Maar als niemand leidt, kan hij ook niet volgen. Hij wijst naar de schaal. ‘Tast toe’, zegt hij. Van Worm lost zijn blik van de schaal en kijkt verward naar Han. ‘Pardon?’, en zijn blik zakt onmiddellijk terug naar de schaal, en zachtjes schudt hij met zijn hoofd. Van Worm heeft al gegeten, deelt hij mee, straks misschien. In stilte wachten ze tot ze de wc horen spoelen en drie deuren later Klaas weer op zijn stoel zit, van waar hij meteen een broodje van de schaal grist en het voor de helft in zijn mond stopt. Han kijkt naar zijn horloge. Meester Haenens is vijfentwintig minuten te laat, niet ongebruikelijk voor hem, maar wel vervelend. ‘Zullen we alvast…?’, probeert Han. Van Worm duikt onder de tafel. Han en een kauwende Klaas luisteren naar het gerommel aan de overkant. De professor duikt weer op, zijn haren nog meer in de war, en ploft een enorme agenda op de tafel. Talloze losse papieren puilen uit de agenda. Van Worm opent de agenda en de papieren vallen er uit. Klaas is klaar met kauwen, kuist zijn handen, haalt met een vloeiende beweging eenn toestel uit de binnenzak van zijn vest, legt het op de vergadertafel en drukt op een knopje. Het toestel zingt een kort liedje. Van Worm gunt het toestel geen blik waardig en maakt stapeltjes van de ontsnapte papieren. Han wil beginnen. Haenens kan ontploffen. Zoals gebruikelijk begint elke vergadering met een samenvatting van de vorige vergadering. Zes maanden gingen voorbij. Het boek is nog steeds niet klaar. Han heeft de heren uitgenodigd om te vragen hoe het vlot, of er snel een boek zal komen, omdat ze al maanden niet meer reageerden op zijn e-mails. Han haalt onopvallend diep adem, schraapt opvallend zijn keel en verheft zijn stem, ‘Dus…’ Hij kijkt even voor zich en naast zich. Van Worm staart naar broodjes, Klaas betast zijn toestel. ‘Na onze vorige bijeenkomst noteerden wij dat u voortgang maakte met het boek, dat een herziening is van uw eerdere publicatie omtrent het brede ondernemingsrecht, maar dat dit keer, in tegenstelling tot zijn lijvige voorganger, een hanteerbaarder volume zal kennen, half zo dik, des te praktischer gericht maar daarom niet minder allesomvattend.’ Han kijkt op van zijn papieren. De heren luisteren en knikken instemmend. Het zijn jullie woorden, denkt Han. ‘Wij noteerden ook dat u overweegt, met het oog op een maximaal bereik van de doelgroep, om het boek deze keer in het Engels te zullen schrijven en u reeds ver bent gevorderd met de taakverdeling onder u drieën.’ Han kijkt opnieuw op van zijn papieren, de heren knikken. Er staat niets meer op zijn papier. ‘Dus…’ zegt hij nog eens, en wacht op reactie, en alle drie schrikken ze op bij de donderende gong van de deurbel. Meester Haenens schudt handen, kiest de stoel naast zijn collega Klaas en pikt drie zorgvuldig gekozen broodjes van de schaal. Klaas vraagt of Haenens de samenvatting van de vorige vergadering wil horen, Haenens knikt en kauwt. Han herhaalt woord voor woord wat hij enkele minuten eerder vertelde. De drie heren knikken. ‘Dus… de stand van zaken?’ ‘Juist!’ roept Van Worm en hij slaat met een hand op zijn inmiddels weer gesloten agenda. Met drie op een rij staren ze naar de professor aan de overkant, en wachten ze op meer. Aan de overkant staart professor Van Worm vol verwachting terug naar hen. Meester Haenens pikt nog twee broodjes van de schaal, legt eentje op zijn bord en steekt het andere broodje in zijn mond, en Meester Klaas verlost Han uit zijn leiden. ‘Aan onze kant vordert het werk, gestaag zou ik zelfs durven zeggen.’ Han noteert ‘K.: werk vordert, gestaag. Inleverdatum??’ ‘Evenwel dienen wij verschillende struikelblokken te overwinnen, die gepaard gaan met de keuze om het werk in het Engels te schrijven, is het niet, Marc?’ Haenens knikt en kauwt, steekt een vinger in de lucht, want hij lijkt iets kwijt te willen, realiseert zich dat hij met een volle mond zal praten en laat de vinger weer zakken en laat Klaas ongestoord en zoals het hoort voort praten. ‘Vooral dan op het vlak van de terminologie en de correcte vertaling ervan dienen zich meer vragen aan dan antwoorden, voorlopig, en vooraleer wij echt uit de startblokken kunnen schieten en pagina’s vullen, overwegen wij een beraad te plannen om dit grondig te bespreken, zodat wij geen onnodig werk verrichten. En als wij dan eens kijken naar onze agenda’s en vaststellen dat deze tot ver na de lente goed gevuld zijn, zien wij geen andere mogelijkheid dan het werk voorlopig even te laten rusten, om het te laten bezinken, zo u wil, om het in de loop van de zomer met frisse moed weer bij de horens te vatten!’ Haenens kauwt en knikt instemmend. Van Worm staart afwezig naar een punt naast de schaal met broodjes. Han noteert ‘terminologie, zomer, inleverdatum??’ en kijkt naar de overkant, ‘Professor Van Worm, hoe vlot het aan uw kant?’ De professor denkt na, streelt zijn baard tegen de haartjes in, het geluid geeft Han de kriebels en de chaos in het gezicht van Van Worm is niet meer te overzien. Klaas en Haenens grijpen tegelijk naar hetzelfde broodje. Haenens, de jongste vennoot, trekt zijn hand terug en wacht tot Klaas het broodje genomen en in zijn mond gestoken heeft. ‘Ik… of wij, of beter gezegd de afdeling, ontkennen het probleem van de terminologie geenszins, en het verrast ons, in die zin, dat wij er persoonlijk, of ik toch niet, nog geen eerdere kennis van namen, gezien… De taken zijn verdeeld onder de medewerkers, die, elk voor hun toegewezen bijdrage, hoe zal ik het zeggen, de vertaling is een werk van lange adem, die met de nodige voorzichtigheid omslachtig dient bestudeerd te worden, alvorens, maar om misstappen en dubbel werk te vermijden, leek het ons, of mij in eerste instantie, want ik wil mij niet voorbarig uitspreken over mijn medewerkers, heb ik nog niet, hoe zal ik het formuleren, zoals u wel weten zal, is Engels mij niet genegen, of bekend genoeg om met voldoende vertrouwen het schrijven ervan, of toch het denkproces dat er aan vooraf gaat, wat u wel zult begrijpen, daar het geen van onze moedertaal is, en uiteraard het prangende probleem van de terminologie in rekening brengende, heb ik na rijp beraad besloten in eerste instantie mijn teksten in het Nederlands te schrijven, en dusdanig veroorloof ik mezelf…’ ‘Zullen schrijven?’ vraagt Klaas verbaasd. Han wacht gespannen op de reactie van de professor. ‘Wel ja, om precies te zijn, of preciezer, zo u wil, is er uiteraard al menig voorbereidend opzoekwerk aan vooraf gegaan en liggen de grote lijnen zo goed als vast en is het eigenlijke schrijven slechts een kwestie van… zonder mij op een datum vast te willen pinnen… mag ik toch…’ Han trekt twee streepjes onder ‘inleverdatum??’' ‘De zomer zal ons de nodige ademruimte bieden, na mijn vakantie uiteraard, met frisse moed en een helder en breed perspectief, om het echte schrijfwerk, in het Nederlands in beginsel, om dan, met de kwestie van de terminologie in het achterhoofd, echt, vooruit… Maar zoals u zegt, extra overleg valt ten zeerste aan te bevelen, de hoofden bij elkaar en op één lijn, want dit wordt zonder meer een prachtige publicatie, waar de sector op wacht, en wij mogen onze mensen niet teleurstellen, vindt u niet?’ Voorzichtig, onzeker en in stilte knikken de advocaten. ‘Dus…’ probeert Han een laatste keer en hij trekt een streep door ‘Inleverdatum??’

J. De Vries
0 0

De tijd stond stil

Ze staarde uit het raam. De tijd stond stil. Althans, zo leek het toch. Niets bewoog. Zelfs de blaadjes aan de bomen niet. Het was windstil. Haar ogen keken uit over het park, bekleed met groen, doorkruist door bruine paden. Mensen, als mieren verplaatsten ze zich over dat bruin. Sommigen snel. Anderen traag. Sommigen waren alleen. Anderen niet. De tijd stond stil. Maar de mieren bewogen, kropen verder over dat bruin tussen dat groen. Ooit was zij ook een mier geweest. Naïef. Onwetend. Haar handen lagen op de vensterbank. Bleek, met blauwe aders die door het doorzichtige vliesje dat haar huid moest voorstellen heen staken. Ze voelde haar hart kloppen in haar borstkas. Als om haar te vertellen dat ze nog altijd leefde, dat alles nog mogelijk was, dat ze weer een mier zou kunnen worden. Ze knipperde met haar ogen. Een fractie van een seconde was alles zwart. Zou ze in eeuwige duisternis terecht komen als de tijd echt stil zou staan? Gedachten, beelden, herinneringen zweefden door haar hoofd. Ze probeerden tot haar onderbewustzijn door te dringen. Maar ze liet het niet toe. Ze sloot haar ogen. De zachte, beschermende handen van de oneindige duisternis omhelsden haar. Zorgden voor rust en stilte in haar hoofd. Het zou zo gemakkelijk zijn om de tijd eeuwig stil te zetten. Ze hoefde enkel haar vingers naar het handvat van het raam te sturen. De kilte laten binnenkomen. Om daarna haar voeten te sturen naar waar nu haar handen lagen. Eén sprong en de tijd zou nooit meer voortgaan. Maar ze kon het niet, nog niet. Haar lichaam protesteerde. Haar hart probeerde haar te vertellen dat nog niet alles verloren was. Haar hersenen toonden beelden van een vreugdevolle toekomst. Haar handen toonden dat er nog steeds bloed door haar aderen stroomde. Ze vocht terug. Balde haar handen tot vuisten. Toonde haar hersenen dat een mooie toekomst niet voor haar was weggelegd. Vertelde haar hart dat alles al lang geleden verloren was. De tijd stond stil. De wijzers van de grote, houten klok die aan de muur hing, rechts van haar, bewogen al  een tijdje niet meer. Ze had bewust de tijd stil gezet, om aan het idee te kunnen wennen. In het begin had de stilte haar gek gemaakt. Ze was zo gewend geraakt aan het geluid dat de tikkende klok voortbracht, dat het bijna leek alsof ze en stukje van zichzelf had  verloren toen het geluid plotseling wegviel. Maar ze had de drang om het geluid terug te halen weten onderdrukken. Voor de mieren beneden bleef de tijd genadeloos verder tikken. Zij kenden het woord ‘haast’ nog. Voor hen betekende tijd nog steeds geld. Hun wijzers bewogen nog steeds. De tijd was gestopt toen ze alles had verloren. De klok stond stil sinds het besef eindelijk tot haar was doorgedrongen. Ja, de tijd stond al een tijdje stil, maar zij was nog altijd een deel van de levenden, ze was nog altijd een mier, ook al beschouwde ze zichzelf niet meer als een van hen die beneden over de bruine paden voortkropen. Ze had nog niet de moed kunnen verzamelen om haar verlies achterna te gaan. Haar lichaam had telkens weer de strijd gewonnen. Maar nu voelde ze dat ze er klaar voor was. Dat ze klaar was om zich te herenigen met haar verlies. Om zich voor eeuwig te laten omarmen door de duisternis. Om de tijd definitief stil te zetten. Ze liet de duisternis even los om nog een keer naar de kleuren te kijken. Om ze een voor een in te pakken zodat ze zou kunnen meenemen naar de duisternis. Zodat ze zou kunnen loslaten als ze bang werd. Het lichtblauw van de heldere lucht. Het wit van de donzige wolken. Het groen en bruin van het park. Het rood van het neonlicht aan de overkant. Het geeloranje van de ondergaande zon. Al die kleuren nam ze in zich op. Toen stuurde ze haar vingers naar het handvat van het raam. Het staal voelde koud aan in haar handpalm. Een koel briesje liet haar haren lichtjes wapperen. Ze plaatste haar voeten op de vensterbank. Ze sloot haar ogen weer. De duisternis verwelkomde haar als een oude vriend. De kleuren die ze had opgeslagen wervelden om haar heen. Ze sprong.

Quies
0 0

Fragment

Op een nacht kreeg Bianca het sublieme idee om de liefde op het balkon te bedrijven. Spiernaakt openden ze de deur naar buiten, waar een fris briesje de drukkende warmte maar amper had kunnen wegjagen. De fles cava ging mee, en voor de zekerheid namen ze nog één extra naar buiten. Ben legde zich op zijn rug en Bianca kwam dwars op hem zitten, zodat enkel haar hoofd en schouders boven de omheining uitstaken. De harde, korrelige stenen vloer schaafde zijn benen, zijn achterste, zijn schouders, zijn rug, maar lichtjes, heel lichtjes maar. En terwijl ze doorgingen, eindeloos, verzamelden zich voor het eerst in twaalf dagen dreigende wolken boven hen, alsof ze uit het niets kwamen, zonder waarschuwing, als onderdeel van een snood plan om de zomer voor eeuwig en altijd te verdrijven, uit dit land te bannen. De eerste druppels voelden ze niet eens, maar daarna kwam de regen eruit in bakken, emmers, waterreservoirs, meren, oceanen. Maar Bianca en Ben lieten zich niet afschrikken. Ze zouden deze storm trotseren en uiteindelijk ook verslaan. Ben kuste haar borsten en trok haar zachtjes dichterbij, met de meest passionele kus als gevolg, terwijl een plotselinge bliksemschicht het balkon en de rest van het decor van het hartstochtelijke strijdtoneel in lichterlaaie zette. “Dit moment wil ik vasthouden”, fluisterde ze in zijn oor. “Dit is zo intiem. Dit is werkelijk fantastisch”, hijgde ze, naar adem happend, terwijl regen haar naakte rug martelde, als ware het hagel, en haar kletsnatte haar zich in dikke slierten aan Bens gezicht vastzoog. Zou de metafoor van Alien hier gebruiken, misplaatst zijn? De wind heerste over de bovenwereld en haar grillige daken en werd een gevaar voor alles wat loshing. Enkele bladeren waren al te midden van het liefdesnest gevallen maar nu ook vielen verdwaalde takken op het balkon. Een hangende tak aan de kastanjeboom van de buren sloeg de omheining met volle kracht, als wou hij haar lijfelijk straffen voor het ontnemen van het zicht op zoveel moois, steeds sneller, een helse afranseling, meedogenloos, ongenadig, vol temperament en onbegrijpelijke woede, flora als een furie, weer een slag, en weer een slag, een drumsolo van de natuurelementen, een salvo vol venijn, als een swingende sater, een zwiepende tak in de hulpeloze holle omheining, steeds sneller, heviger, intenser, tot de bladeren afzagen van hun vermoeiende dans, en de tak weer naar de kant van de tuin helde, krom en zielig, druipend van het nat, vermoeid van het voortdurende gevecht met de hemelsluizen. Weer binnen doken ze drijfnat onder de lakens, hun afgematte adem synchroon, als ware het één respirerend wezen.

Gert Vanlerberghe
0 0

onderlicht 3. het huis 2.

Tsjeu doet niet veel. in de weken die komen, blijven de muren kaal, blijft de vaas in stukken en blijft zijn gebrandmerkte naam hem aanstaren. het huis heeft ruimte om leeg te zijn, de zolder, de bovenverdieping blijven onbezocht, beneden blijven vertrekken wachten op voeten, adem en insecten. enkel de keuken, de badkamer en de zitkamer vertonen sporen van leven's geduld.  soms giert de wind door kale ruimtes maar het is niet precies een wind van weerse makelij. soms is het koud, maar ook daar heeft het weer weinig mee te maken. vocht kruipt langs de muren omhoog, omdat schimmel een kans moet krijgen. sterven in traagheid biedt kansen en Tsjeu's gelatenheid tiert welig op.  'vergis je niet', lijkt het huis in overduidelijkheid te vervallen, 'hier wordt traag gestorven'. daar kan het huis niets aan veranderen, daar wil Tsjeu niets aan veranderen, als hij voor het raam staat en naar de gordijnen staart. gordijnen met een bloemenmotief als een jurk die hij ooit kende. Tsjeu deed niet veel die eerste weken in't huis. stak wel eens zijn hand uit, naar de bloemen op het linkergordijn omdat daar het zonlicht net op viel, dat heeft met weer te maken. hij streelde de bloemen, een onwennige vreemdeling die vergat hoe dat voelde. en dat het niet precies zo voelde. maar dat deed Tsjeu. elke dag. soms bewoog het gordijn lichtjes, verwachtte hij er benen achter, van die ranke slanke met enkels in schoenen gestoken, als het licht juist viel. dan werd hij kwaad, maar niet precies, kwaad als een kale muur, een vaas in stukken, een gebrandmerkte naam lokt zijn ogen, gebiedt hem 'vergeet me en de rest zal volgen'. 

IT
0 0

onderlicht 3. het huis.

het is een huis van achter oren krabben, puisten plukken en neushaar trekken, een huis van tijdverdoen en slijten die broek, en de drank kopen van de boer die hem aan de deur verkocht, microbrouwer, maar met dat woord onbekend, melkman maar dan met bier.  een huis van staren naar de muur zonder te vragen wat is hangbaar daar, weten dat is geen optie, daar kan je niet buiten, je weet altijd iets. een huis van ontbrekende smuk, vaas, behalve dan die ene, stuk. een huis van wil u geen gordijnen-vraag door de buurvrouw gesteld toen binnenkijken begon, toen mensen kwamen even het nieuwe van't gezicht herkennen alsdusdanig nieuw, tot het ervanaf is. een weekje ongemak, drank geleverd, helder, elke donderdag, gordijnen eenmalig verkregen met dank geschonken en aanvaard, gewenning nu aan huis dat hem bewaakt. in't land van de stilte is de beste zwijger koning, roddels ontstaan, is dat'em niet, en ik denk het wel, ze hebben zijn kop vast in de krant zien staan, toen dat geval met die vrouw, die stierf in een dag tijd, waren het voor hem meer, dan hield het voor hen daar buiten weinig in, behalve dan een collecte gehouden, platitudes ingezameld, in een korf, kaart, fruit en bloemen mix, aan de deur gelaten. van niet weten wat zeggen, gesproken, van niet durven. tijd verstrijkt, bierman die ook eten levert tegen een prijsje, de enige regelmaat, het is lang geleden, die stilte te horen, het zitten te dragen als een soldatentaak hij herinnert zich zijn naam, als vanuit een putje in de ardennen opgedolven, een dennenaald plots gevallen, granaat ontploft. dit huis verdient zijn naam, zoals het onderzoek, zijn 3 ondervragers een pseudoniem aanbevolen, mocht hij naderhand terug de anonimiteit willen opzoeken.  Tsjeu van Orp die woont en wacht in het huis dat hem bewaakt. Tsjeu van Orp staat op uit de zetel die ooit van iemand was, wandelt naar de open haard, pookt het vuur, houdt de pook erin, laat het ijzer heet worden en schrijft er zijn naam mee op de eikenhouten balk waar niets dan stof op ligt. Tsjeu laat iets achter.

IT
0 0

onderlicht 3. de verhuis.

de 6 vlakken van de kubus, voor hen kleur in eendracht, het algoritme ontrafeld. zijn 3 ondervragers hebben geen vragen meer de zaak afgedaan. water, koffie, en dies meer, een voetnoot nog, een herinnering die een herinnering opvolgde.  hier is geen tijd maar een onderweg, een start in wegkwijnen, verhuizen door vrienden zo bewogen, al eeuwen niet meer gesproken, hij zoekt het land op, het simpele leven, van dag in dag in afwachten tot het einde bereikt, bezwijkt aan termen  als ondergedoken in verdrongen herinneringen, vervanging zoeken voor een was een is invullen. een andere ik, verser dan de hij die jij toen was, toen zij nog was. het rijden door dit land is als drijven te beschrijven, alles zo zuiver en geen kiezel die op de weg durft liggen, de zon kijkt er zich scheel op, op zoek naar plekjes, kleine maar om vuile schaduwen te werpen, de stad ligt achter hem, maar de weëe geur kleeft hem nog aan't lijf. lichtzuur, muntig, met de nasmaak van drop, maar daar is alles pristien sprankelend en helder verdiend, daar waar hij zal zijn, als hij het toelaat. daar waar hij in een zuiver kleed gestoken, het van binnen uit kan bevuilen, met het verderven van zijn karkas, het is wachten nu, precies nog dringender, indringender dan ooit voordien. dit rijden zijn laatste beweging, zijn laatste in gang treding tot hij arriveert, waar hij nooit van terugkeert. zo zijn voornemen, door wagen bewaard, nergens anders gehoord, geen levende ziel die hem zo begrijpt. de knalpijp puft gestaag, bomen staan er bij, moeten kijken, laatste getuigen van zijn verhuis.

IT
0 0