Zoeken

Toeval bestaat niet...

Toeval bestaat niet… Zou het toeval zijn? Kan het toeval zijn? Of heeft een hoger wezen een plan waarin ik pas? Of is het een lager wezen dat plannen smeedt en mij opvoert als marionet voor zijn eigen vermaak? Wie weet? Wat weet wie? Weet jij wat? Weet iemand iets over het toeval en over hogere of lagere wezens? Ik moest mijn gedachten verzetten en wandelde naar de kringloopwinkel, hier vlakbij. Het was best tof. Het is eigenlijk altijd tof. Die vrijblijvendheid, die sfeer van "pas eens iets geks". En spullen vinden voor een volgende collage. Ach, het is één en al pruts, ik weet het wel. Maar boeken, die zijn ernst. Daar kan ik niet aan weerstaan, dus ga ik uitgebreid "neuzen". Ik ben er lang gebleven. Toen vond ik het welletjes geweest. Met mijn boeken en spullen koos ik onbewust dat moment uit om naar de kassa te gaan.   De tijd. Het moment. De ruimte. Op een moment, bepaald in tijd en ruimte besloot ik aan te schuiven. Precies op dat moment loopt een dikke man me tegen het lijf en zegt opgetogen: "Hè, dag Marijke." Eenmaal raden, ’t is X-stof. Uit het lood geslagen, onvoorbereid en meteen volgens de ingebakken regels van beleefdheid groet ik hem, vreselijk vind ik dat. Op de wandeling terug naar huis heb ik hartgrondig gevloekt. Omdat die engerd van een X-stof – dat slijmstof - alweer mijn pad kruist. Ook gevloekt op de dwaas die ik zelf ben met mijn onnozele beleefdheid. En gevloekt op het rottige toeval of het ellendige plan van onzichtbare wezens die iets "tof" met mij voor hadden.

dcmarijke
0 0

De lift

De lobby van het hotel was overvloedig bekleed met scharlaken fluweel. Een blauwdruk van vergane glorie. We kregen korte aanwijzingen om de lift te nemen naar de 107de verdieping. Daar hadden we een kamer binnen ons karige budget. De miljoenenstad vrat in geen tijd je geld op als je in een deftig hotel wou verblijven. We hadden de grootte van het gebouw niet kunnen inschatten. De foto’s op computer toonden een wat onpersoonlijke wolkenkrabber. Een bescheiden kamer met witmetalen bedden. We waren allebei opgegroeid in een huis met weinig verdiepingen. Het leek alsof we zo ver daarboven geen aarding meer zouden hebben met de grond, alsof we in het ijle zouden leven. We besloten dat de kamers aan deze prijs hoger gelegen waren, waardoor de klanten meer tijd verloren aan de lange trajecten in de lift. Dit nadeel bracht ons een korting op en we vatten weer moed. Onze geanimeerde overwegingen waren onzichtbaar voor het personeel. Zonder levenslust werkten ze voort.  De lift was enorm en eveneens in donkerrood fluweel. Ovaal. Een danszaal eerder dan een lift. Andere hotelgasten zaten her en der verspreid, apathisch. Ze leken overgeleverd aan de tocht. De boy vroeg ons kordaat wat onze verdieping was. Hij drukte op een knop ergens bovenaan. Er was geen liftmuzak, enkel stilte. Een ontzield koppel zat op een ovale bank in het midden voor zich uit te staren.  De anderen, een twintigtal, waarvan iets meer vrouwen als mannen, stonden tegen de beklede wanden en keken elk een andere richting uit. Het was zulk een artificiële opstelling, bestudeerd bijna. Was het geregisseerd, zaten we in een opname? Ik zag aan mijn vriendin dat ze zich dezelfde bedenkingen maakte. Ze snoof een fijne scheut lucht binnen alsof ze haar hersenen wou voeden om dit mysterie te begrijpen. De boy klikte nog enkele andere verdiepingen aan en de lift trad in werking. Vreemd genoeg maakte hij concentrische bewegingen terwijl hij steeg. Bij elke verdieping draaide hij om zijn as. De draaibeweging gaf ons het gevoel dat we opgetild werden, dat de zwaartekracht ons had opgegeven.  Bij de eerste verdiepingen waren we te verbaasd om iets te voelen, maar al snel trad een misselijkheid op die niet te stuiten was. Mijn vriendin ging langs de kant zitten, stelde zich hard op, beslist om niet toe te geven aan haar duizeligheid, maar ze moest al gauw een plastic tasje volkotsen. Ook mijn maag draaide zich om. De andere liftreizigers bleven apathisch gefocust op een punt. Konden ze de draaierigheid hiermee om de tuin leiden? Onze reactie op de trip sloeg hen niet uit hun lood. Niemand snelde ons ter hulp. Ze leken op die paspoppen die melancholisch met hun half geschilderde ogen in het ijle staren, steunend op hun stijve ledematen, maar deze personen waren wel degelijk van vlees en bloed. Ze zagen eruit alsof ze met een zware waarheid moesten omgaan, waarvan iedereen op de hoogte was, behalve wij. We waren naïef. We gaven toe aan onze lichamelijke reflexen, terwijl er schijnbaar iets veel erger aan de hand was. Hoe veraf was het moment waarop we enthousiast het toeristengidsje hadden doorbladerd. De lift stopte even tussen verdieping 53 en 54. We wachtten eerst af wat de volgende verrassing kon zijn, een denderende crash. We wendden ons af van die waanidee en overlegden of we deze trip meermaals per dag konden ondernemen. Hadden we die martelgang over voor een goedkope hotelkamer? Mijn vriendin, die er het ergst aan toe was, vermande zich. Het was veel geld en we zouden iets anders moeten zoeken. We zagen de werkdagen aan ons voorbijgaan die de trip had gekost en besloten dat we het wel gewoon zouden worden. De tweede helft van het traject was zo mogelijk nog erger, alsof de lift onze hoogmoed wou bestraffen. Er kwamen vibraties bij, kleine schokjes. Mijn vriendin vroeg aan een dame naast haar, waarvan de vale strakke rok dezelfde oubolligheid als de lobby uitstraalde, of dit normaal was. Alsof mijn vriendin haar hoogst onaangenaam nieuws had gemeld, wendde de dame haar blik snel af. Uiteindelijk gingen de liftdeuren open. Er waren geen vensters op deze verdieping. Als we geen opwaartse beweging hadden gevoeld, hadden we gedacht dat we naar het midden van de aarde gereisd waren. We zagen een zwarte kerel in uniform: een blauwe broek met een rode lijn en een rode blazer met gouden knopen. We vroegen hem waar onze kamer zich bevond. In zijn bijna kleurloos blauwe ogen zagen we dat ook hij het niet wist.

Pons
0 0

Bad Date

‘Mijn linkerborst is groter dan de rechter.’ Marianne heft het glas en neemt een gulzige slok. Ze voelt haar wangen gloeien, een gezonde blos, hoopt ze. ‘Nu jij.’ ‘Mijn echte naam is Fredericus,’ zegt Fred terwijl hij haar strak in de ogen kijkt. Marianne giechelt. ‘Dat verklaart veel.' Zou hij haar ondeugend vinden? Intrigerend? ‘Wat bedoel je daarmee?’ vraagt Fred terwijl hij haar glas nog eens bijvult. Marianne glimlacht zo mysterieus mogelijk. Ja, wat bedoelt ze nu, daarnet wist ze het nog. Het was gevat en interessant, maar wat was het? Ze laat de wijn in haar glas walsen. Prachtig, die kleur, zo intens rood. ‘Wel?’ Die vage glimlach op zijn gezicht, wat vindt ze die sexy. Marianne legt nonchalant een vinger tegen haar lippen. Wilde dat het zijn lippen waren. Of beter nog, zijn vinger tegen haar mond, afglijdend naar haar kin, haar hals, haar … ‘Filosofie,’ zegt ze met een hoofdknik naar het tijdschrift dat hij meebracht en dat nu naast hem op tafel ligt. Als eerste kennismaking een beetje een afknapper. Wat kon die sobere roodbruine omslag anders verraden dan saaiheid? En dan die foto, zo’n middeleeuws schilderij, daarboven in grote witte letters: ‘Filosofie’. Echt een tijdschrift voor een oubollige Fredericus, denkt ze. Deze Fred lijkt haar nochtans meer iemand voor een sportmagazine, of voor zo’n typisch ruig, mannelijk, macho, … ‘Toch beter dan het cliché van de rode roos, niet?’ zegt Fred. ‘En hiermee heb je tenminste iets te lezen als je date niet komt opdagen.’ ‘Dat is zo.’ Ze legt een hand onder haar kin. De elleboog waarop ze steunt schuift over het tafelblad, tot tegen de rand. ‘Of,’ gaat Fred verder, ‘wanneer je date tegenvalt.’ ‘Hey,’ Marianne gaat weer recht zitten en kijkt hem gespeeld boos aan. Hij plaagt haar, plagen is een goed teken. Het is plagen, toch? Fred lacht. Pretlichtjes in zijn ogen, of is het de weerspiegeling van de kaars die tussen hen staat? Kaarslicht is gunstig, heeft ze ergens gelezen. Het verzacht je gelaat, maakt kraaienpootjes minder zichtbaar. ‘Heb je soms iets tegen mijn ‘Feeling’’ Haar lievelingsmagazine. Straalt vrouwelijkheid uit, vindt ze. Bewust leven, assertief en zacht tegelijk. Toch had ze nog even getwijfeld om ‘Goed Gevoel’ mee te nemen, maar de goedkeuring die dat zou uitstralen had ze iets te voorbarig gevonden. ‘Het verschil in keuze kan alvast aanleiding geven tot een interessant gesprek.’ Opnieuw lacht Fred zijn sexy halflachje. ‘Of in ons geval: de overeenkomst.’ ‘Aha,’ zegt Marianne met een vinger in de lucht. Ze knikt hem veelbetekenend toe. Ze heeft geen flauw idee wat hij bedoelt.

Ruth A
0 0

Als liefde wringt (excerpt)

      Verschillende keren had hij in het loop van het jaar gebeld. En hij haatte bellen. Hij vond het onnatuurlijk een stem te horen en geen lichaam te zien. Niet te kunnen doorgronden wat het lichaam vertelde, en de stem niet onthulde. Telkens beefden zijn handen van nervositeit. Hij voelde zich een televerkoper, hij vond dat gevoel vreselijk, want het ging nota bene over zijn eigen investering, zijn grote droom. Alles had hij gegokt op dat ene moment om zijn naam te zien prijken op de cover van een drukwerk. Rijk hoefde hij niet te worden, wie werd er dan ook rijk van gedichten, ook niet beroemd. Hij wilde zich gewoon schrijver kunnen noemen. Nadat hij in Leuven het contract had getekend, had hij Albert nog eenmaal gezien. In zijn eigen flat te Torhout. De dikke zwarte BMW die Albert Buitendorp voor de deur had geparkeerd, had hem vertrouwen geschonken. De vijftigduizend frank die Arnold zou betalen als tegemoetkoming voor de drukkosten, lag in een keurig stapeltje op de salontafel naast enkele verdwaalde bladzijden tekst die nooit zouden worden afgewerkt. Lang was Albert niet gebleven. Lang genoeg om het geld in zijn portefeuille te steken. Lang genoeg om hem de hand te schudden en hem te verzekeren dat hij zich geen zorgen hoefde te maken. Binnen de maand mocht hij de drukproeven verwachten, zo vertelde Albert hem. Op de achtergrond speelde “Het Testament” van Boudewijn De Groot. Op de zwarte salontafel smeulde een wierookstokje naar zijn einde toe. Hij herinnerde zich nog hoe hij naar de plaats had gestaard, nadat Albert Buitendorp alweer vertrokken was, waar amper minuten geleden een rijkdom had gelegen. Jaren later zou Pieter Aspe tijdens een lezing in een bibliotheek zeggen dat als je er alles voor over hebt, het niet anders kon dan lukken. Hij had zuur gegrinnikt. De vijftigduizend frank was niet enkel een representatie van alles geven; het was letterlijk alles wat hij had; al twee jaar was hij werkloos, en dan had je het niet voor het oprapen. Gelukkig had hij de huur al betaald, maar wat hij de volgende week zou kunnen eten, was een groot raadsel, want nu was alles echt op. De drukproeven hadden twee maanden nodig om hem te bereiken. Neen, hij had in die maand vertraging niet gebeld, al was hij wel ongerust geweest. Twee dagen lang had hij niets anders gedaan dan geredigeerd en verbeterd, hij wilde absoluut dat die drukproeven binnen de week zijn flat verlieten. Dat was in april geweest. Pas in augustus pleegde Arnold zijn eerste telefoontje. Vier maanden later en drie maanden voor de Antwerpse boekenbeurs. “Ja ja, het zal zeker klaar zijn voor de boekenbeurs. Maak je maar geen zorgen, we zijn er druk mee bezig... Moet je trouwens geen toegangstickets voor de boekenbeurs?” In oktober: “Ja, ik vrees dat het niet meer zal lukken voor de beurs. We zijn daar nu al druk mee bezig, weet u, en onze folder is ook al gedrukt! Moet ik tickets opsturen voor de boekenbeurs?” “Ja, maar wanneer zal mijn bundel dan af zijn.” “Meteen na de boekenbeurs beginnen we er terug aan! Maak je maar geen zorgen!” Maar zorgen begon Arnold zich wel te maken. En hij had terug naar het zwarte stukje vierkant op zijn salontafel gestaard, waar zijn rijkdom had gelegen. Drie maanden later had hij nog eens gebeld. “Dit nummer is niet langer in gebruik”, had het bandje hem in vier talen gemeld. Toen wist Arnold hoe laat het was. En opnieuw staarde het zwarte stukje vierkant van de salontafel hem spottend aan.   Zijn kat was bij hem sinds hij amper vijf maanden oud was. Hij had de flat zich danig eigen gemaakt. Het was zijn jungle, en de twee balletjes met bellen waren zijn muizen waarop hij elke dag jaagde. Opvoeden had hij het katertje niet gekund; de poten van zijn stoelen, de leuningen van zijn zetels, overal had de zwarte poes zijn handtekening op gezet. Arnold had goede voornemens gehad; hij zou niet op de tafels mogen en al zeker niet de resten uit de borden mogen oplikken. Arnold had zelfs een sproeiertje gekocht, want hij had gelezen dat je katten dingen kunt afleren door hen te besproeien met water. Zes jaar was P’tje inmiddels. En nooit had hij meer gezien dat het kleine flatje dat ze samen deelden. In het prille begin was het moeilijk geweest zijn vertrouwen te winnen. Hij had gejankt terwijl hij alle hoeken had besnuffeld, om zich vervolgens onder de grootste zetel weg te steken. Op een dag was dat echter veranderd. Arnold lag languit naar een film op TV te kijken, wanneer het poesje de zetel op schuifelde en zich op zijn arm neer vleide. Arnold had niet meer durven bewegen, uit angst het kleine katertje weer weg te jagen. Naarmate hij ouder werd, werden ze beide echte vrienden. Het zwarte katertje volgde hem overal, zelfs naar het toilet. Als hij de deur durfde dicht te doen, bleef hij net zolang tegen de deur krabben en miauwen tot Arnold de deur open deed. Ze waren zelfs minnaars; als Arnold in de winter 's avonds onder een deken kroop bij het kijken naar de televisie, kwam hij steevast Arnolds been bespringen en in zijn tenen bijten. In het begin had Arnold gedacht dat hij kwam spelen, tot het kleine, roze piemeltje had gezien. Om twee redenen had Arnold verzaakt hem te laten castreren; enerzijds was hij doodsbang geweest dat P'tje het hem zou kwalijk nemen. Anderzijds was de kat met geen stokken buiten te krijgen. Arnold had het geprobeerd. Hij had hem op de arm genomen en hem tegen zich aangedrukt, maar naarmate hij naar de trap liep, begon P'tje te protesteren en zo fel te krabben om weg te komen, dat Arnold hem wel moest loslaten. Maar op een dag speelde P'tje niet meer. Een week daarvoor was het begonnen. Hij had zacht gemiauwd alsof hij ergens pijn had, maar zijn baasje er niet mee lastig wilde vallen. Hij was gestopt met eten, en drinken deed hij moeizaam. Eerst had hij zich steeds languit op het tapijtje bij de verwarming gelegd. Arnold had zich in het begin geen zorgen gemaakt. Ook hij had wel eens dagen gehad dat hij zich mottig voelde, en de hele dag in de zetel voor de TV doorbracht. Maar bij P'tje ging het niet zomaar over, en wanneer het katertje zich terug onder de zetel begon te verschansen en zich niet meer toonde, enkel zichzelf liet horen door zacht gemiauw en gekreun, begon Arnold zich wel zorgen te maken, grote zorgen. En wanneer hij op een dag thuiskwam en overal resten braaksel vond, terwijl de zwarte kat languit op zijn zij voor zijn kattenbak lag, was Arnold de wanhoop nabij. De tranen kwamen, hij kon het niet helpen. Hij ijsbeerde door de huiskamer, en wist dat hij een dierenarts moest raadplegen. Teder nam hij P'tje op, die met niet meer dan wat gekreun protesteerde. “Oh schatje toch!” Hij probeerde hem zelfs te dwingen te eten; hij drukte zijn snoetje in zijn bakje met droge korrels. “Je moeten eten, schatje! Zodat je weer beter wordt!” Hij probeerde het met melk waarin hij enkele brokjes brood weekte. Maar P'tje wilde niet meer. Kon niet meer. Het slikken ging hem moeilijk, en waar Arnold hem had neergezet, legde hij zich languit op de balatum. Arnold zag vol afschuw aan hoe zijn kleine lijfje moeizaam op en neer ging. Zijn tong die Arnold bij het thuiskomen altijd op de neus had gelikt, hing half uit zijn mond en zijn ogen leken glazig in de verte te kijken. “We moeten naar de dierenarts, schatje!” zei hij resoluut, en nam het tere, nog amper levende wezentje terug in zijn armen, dicht tegen zijn borst. Onder zacht bemoedigend gefluister en terwijl Arnold voortdurend het kopje van het beestje met zijn lippen streelde, begon hij aan de vervaarlijke tocht naar buiten. P'tjes ogen werden groot van angst, maar hij leek niet meer de kracht te bezitten zijn angst te beantwoorden en terug naar huis te vluchten. Het was koud buiten, en Arnold drukte het schimmetje nog dichter tegen zich aan, om hem te beschermen tegen de koude wind. Bij Arnold kwamen terug de tranen. “Rustig maar... Rustig maar...” prevelde hij constant weer, niet alleen om de kat moed in te zingen, maar ook zichzelf. Arnold wist dat het te laat was wanneer zijn beestje in zijn armen begon te kronkelen van de pijn, als een vis die op het droge naar lucht gapte. Zijn ogen tolden in zijn kassen. Het geluid dat hij maakte leek meer dat van een hond dan van een kat. Ze waren ongeveer halverwege naar de dierenarts wanneer het lichaampje in zijn armen verslapte, en uiteindelijk helemaal niet meer bewoog. “Het is oké, schatje”, snikte hij zacht, nog steeds zijn lippen tegen het zwarte kopje aangedrukt. “Slaapwel, schatje... Je voelt nu geen pijn meer.” Arnold draaide zich om en wandelde verdwaasd terug naar huis.  

Malakh Ahavah
48 0

onderlicht 3. water 1.

water in hand. Is't helderheid wat je wil, mijn lief kind, brutale eerlijkheid dan misschien, of gewoon de volgende leugen die je zielig voortbestaan intact laat? zeg het dan, je weet, ik heb naar alles oren, als 't uit jouw mondje wil komen. Je gekwijl en gesnotter, je onbegrepen verdriet, dat voor eeuwig enkel het jouwe mag zijn, god verhoede dat er nog iemand zich als jij voelt, zet je keel open, scherp je tanden aan venijnen woorden, vijl je vingernagels in mansvel, drijf die hielen 't snel zand in, zet je schrap, mijn lief kind, de wind die vangt je van voren, als je je bunker op een duin zet, blijft bestorming niet uit... zijn lijf davert, heeft het duidelijk niet op woede begrepen, zijn gezicht verwrongen staart terug vanuit de kleerkastspiegel, zijn benen zwalpen, zijn armen stijf langs hem af hangend, dit oefenen had hij beter niet voor de spiegel gedaan. de zweem van fictie bekleeft hem in de details. de neergebogen bocht van zijn oogleden, medelijden, wanhoop op zijn bovenlip gezeten, bezorgdheid in't fronsen van zijn kin, na elk gesproken woord, elk diep gehaat verkleinwoord, liefde in mijn lief kind verdringt elke vorm van geprobeerd sarcasme...  ze ziet zo door hem heen en hij weet het. hij staart nog even zijn teleurstelling aan, zakt dan op bed neer. hoofd valt voorover tussen benen in. hij is moe. van jaren moe te zijn, van eerst niet gezien, gemist, dan gezien, niet begrepen, dan denken begrepen, proberen, proberen, proberen moe. "zo is't in't kort gegaan, zie je", je neemt een slok water,"ik heb echt mijn best gedaan"."er is niemand hier die daar aan twijfelt, maar je weet wat ik wil, wat ik van je nodig heb, wat ik van je wil horen".

IT
0 0

onderlicht 3.

je woont in een huis, niets te groot voor kleine mensen, perfect om zo te zeggen, voor ons. weinig onderhoud, binnen, buiten weinig aan. je ziet ze welles vaker in rijtjes staan, ergens aan de rand van de stad. Zes, zeven huizen, een veld ernaast dat de buiten belooft, waar kinderen spelen van de buurt, voetbal, vliegers aan lange lijnen dansen door de wind. Zes, zeven huizen, een kiezelbaantje voor fietsers loopt errond, vanachter bekeken, tuintjes, klein hier en daar een kersenboom, door kraaien bezeten. Zes, zeven huizen dan naar't centrum toe, recent gebouwde villa's, praktijk inbegrepen, dokters hoofd en schouders, knie en teen. een voormalig schooldirecteur en zijn met boeken geleur, een straat dus mensen voetpad autobaan lantaarnpaal, goed leven zo gezegd zo gedaan. om het even. gedaan te hebben. In zo'n straat woon je, klaar om plaats te ruimen wanneer de stad aan uitbreiding toe is, onteigening in't verschiet, maar de trein die net iets te dicht, net niet ver genoeg, om het uur davert, die neemt ze dan wel mee. je komt haar overal in huis tegen, ziet haar zelden bewegen. ze zit tussen zijn in. en ik mis haar. overal. je ziet de bloemenjurk, zomers zoals elke vrouw, verwelken. de kleur vervagen, andere kleuren, bruin vooral verzamelen, egaliseren tot vlekkenjurk, geen wassen weet raad, geen geur weet van verdwijnen, overal bekleeft haar. ze zit daar. maar. dan eens op de rand van het bed, waarvan je vreest dat ze't nooit zal verlaten, tot je op de trap haar weet voor zich uitstaren, of in de gang, smal, haar ogen barstend in't plafond, ze zit daar. maar. vraag je haar, welke vraag dan ook, standaardantwoord, doe ik dan wel. betekende eerst, vlak voor het gebeuren moet, nu, in nietszeggen gehulde ontwijking, zo zie je haar, zelden anders, loop je haar mis."wanneer het mis lopen begon? eerder. eerder weet ik, niet wanneer precies. kunnen we een pauze nemen?""Tuurlijk, geen probleem, koffie? water?""graag"

IT
0 0

Onze Oorlog

Mensen kijken. Staren na. Doen zelfs geen moeite om te fluisteren. Om hun misprijzen en afkeer te verhullen voor het doelwit van die woorden, scherp als een gloednieuw keukenmes.In de supermarkt boze blikken. Gespot en binnensmonds gescheld op de trein. Bij de dokter durf ik de wachtzaal niet binnen. Ik wacht op de gang tot het laatst. De arts wenkt me, schrijft me gauw iets voor. Om het even wat. Liever had hij me doorverwezen naar een vakbroeder die op zijn beurt net hetzelfde zou doen. Zwijnen als ik verdienen niet beter. We hebben de oorlog gewonnen. De vijand is verslagen, zoals het hoort. Onze tegenstander was des duivels. Anders zouden we niet hebben gewonnen. God was met óns, niet met hen, zoveel is duidelijk. Al wie niet aan die zege heeft bijgedragen, al wie zich vanuit een misplaatst kosmopolitische visie heeft onthouden, is een verworpeling van de Nieuwe Wereldorde. Er is geen plaats voor hen of haar in het feestgewoel, in de vreugd van de overwinning tegen het grote Kwaad. De Andere. Dat ik de kogel niet heb gekregen, mag een wonder heten. Misschien huist er toch nog iets van beschaving in ons ondanks die nationalistische drang naar vernieling. Vaderland voor alles. Niet willen sterven is geen optie. Het individu is dood. Leve het kanonnenvlees. Ooit zei een officier me dat ik een laf stuk stront was. De volgende dag was hij dood. Twee kogels in de rug. En ik leefde nog. Nu hangt er een medaille aan zijn stenen graf, maar voor de oorlog stal hij van de armen. Hij sloeg zijn vrouw. Zijn dochtertje kampt nu met tegenstrijdige gevoelens. Wint een vooroorlogs trauma van een prepuberale seksuele ervaring in familiale kringen het van een door de gemeenschap opgelegde trots voor de held die haar vader was? Kan de gemeenschap al wat voor de oorlog kwam, wissen? Gewoon door uit te blinken in een strijd die ons door onze leiders werd opgedrongen? Is het zo eenvoudig? Ikzelf werkte in een fabriek. Ik was een goede echtgenoot en een goede vader. Ik deserteerde tijdens de oorlog. Mijn leven is geen sikkepit meer waard. Maar het is er nog. Ik heb mijn vrouw en mijn zoontje nog. Dat is alles wat telt. Ik heb de dood vaak in de ogen gekeken. Maar aan de andere kant, over de waterplas, las ik ook de angst in het wit van de ogen van mijn lotgenoten. Die toevallig een andere taal spraken. Diezelfde angst als die van ons. Alleen heeft het bij hen een andere naam. Want toevallig werd hen een andere taal aangeleerd bij de geboorte. En dat is wat ons scheidt. Dat is wat ons zo fundamenteel anders maakt. Althans zo werd ons dat geleerd. De dood was er al te vaak. Maar niet alleen door toedoen van onze officiële vijand. Er was een ander kwaad dat zich voortdurend in onze kampen schuilhield. De hiërarchische vloek die een blinde gehoorzaamheid predikt. Wat maakt menselijkheid, empathie, respect of het gebrek eraan nog uit - zolang de rang hoger is, dien je te luisteren. De grootste schurken vertelden me dat ik moest schieten. En dat deed ik. Op die zielsverwanten van me. Alleen heeft dat in hun taal een andere naam. Want zo gaat dat. Ik had beter mijn geweer negentig graden gedraaid. Het zou het schieten alleen hebben vergemakkelijkt. Het kwaad kwam van bovenaf, niet van over de waterplas. Overal de dood, zo ook bij zij die mij voor waren. Die de knoop doorhakten te midden van dit slachthuis en niet aan de grond werden genageld door twijfels, door angst voor de wrokkige officiers, die liever zijn eigen soldaten de kogel geven dan ze een vlucht te gunnen naar daar waar de dood niet heerste. Ook zij leken het onderscheid niet te maken. Waarom zouden wij dat wel hebben gedaan? Maar zij die mij voor waren, werden gevangen genomen. Niet door onze vermoedelijke vijand, maar door onze bevelhebbers. Ze eindigden als boomknuffelaars, in een omgekeerde omhelzing met de stam. Met touwen rond ledematen die hen hielden daar waar de dood tierde. De kogel kwam niet van over de waterplas, maar uit de loop van hun leiders. Het was de mooiste blijk van de natuurlijke drang van gezaghebbers om hun onderdanen naar een andere wereld te helpen. De haat in de ogen van onze officier was onvervalst. De dood zat in het slijk. De dood was onze zuurstof. De dood lag verscholen in het hart. Redenen te over om ervan te gaan lopen. Een paar morsdode gelijkdenkenden hielden me niet tegen. In het holst van de nacht verliet ik mijn post. Ik keerde nooit terug. Achteraf bedenk ik me wel eens dat het allemaal heel anders had kunnen aflopen. Ik zou mijn vrouw en zoon nooit hebben terug gezien, had een meer dan gemiddeld snuggere officier mijn pad gekruist. Dat gezegd zijnde... ik had allerminst geaarzeld mijn wapen te richten op de man aan de knoppen, de heer en meester over deze ganse moordlustige mierenhoop, de regisseur van deze surrealistische puinhoop, mocht deze mij de doortocht hebben willen verhinderen. Niemand komt tussen mij en mijn toekomst. Zelfs de oorlog niet. Maar ik kwam geen officier tegen. Enkel een soldaat. Verward en compleet het noorden kwijt. Gereed om in de val te lopen. Klaar voor de wijd openstaande muil van de Natie, die haar kinderen voor haar laat vechten, en de kaken sluit voor wie de benen neemt. Alleen hadden we nu twee legers tegen ons. Het zijne en het mijne. De officiële vijand en de eigenlijke. De lust tot doden zat niet in zijn blik gebeiteld. Niet in de zijne. Niet in de mijne. Enkel een soort van natuurlijke overlevingsdrang. Een biologische klok die alarm slaat wanneer het tijd wordt om de plaat te poetsen. In plaats van elkaar af te maken, begrepen wij elk in onze eigen taal maar al te goed dat, als we de handen in elkaar sloegen, onze slaagkansen verdubbelden. Misschien zelfs verdrievoudigden. Nu maakt al die patriottische prietpraat geen bal meer uit. Zijn Natie heeft verloren en veel van zijn broeders rusten onder metersdik zand en slijk. Samen met mijn broeders. Maar hij leeft nog. En ik leef nog. Hij komt soms op bezoek. Wordt ook scheef bekeken. En ik door zijn bezoek nog meer. Maar het kan ons niet deren. Allebei hebben we voor de goede zaak gestreden. De strijdbijl begroeven we lang voor de oorlog eindigde. En telkens wanneer hij ons vergezelt naar het park, en we mijn zoontje in de speeltuin zien ravotten, kijken we elkaar recht in de ogen, en in die blikken, in onze blikken, is meer te lezen dan in de dikste boeken: een diepe dankbaarheid voor het complete gebrek aan vaderlandsliefde en de hoge dosis naastenliefde die we allebei vertoonden – en die nog steeds in ons huist – toen we elkaars pad kruisten, op de vlucht voor Vadertje Staat. En ’s avonds, wanneer ik mijn zoon onder stop, vertel ik hem over nooit meer oorlog. En de trots die glanst in zijn ogen, neem ik mee tot in mijn diepste dromen.

Gert Vanlerberghe
0 0

COMPLIMENTJES

Ze zaten met elf aan tafel, onder wie vier gerenommeerde misdaadauteurs. Trouwens, de overigen hadden ook heel wat spannends op papier gepresteerd. Behalve één iemand, Joris. Hij had zichzelf uitgenodigd als kersvers lid van de auteursvereniging, maar toen hij zag wie daar allemaal aan tafel zat, voelde hij zich klein, zeer klein. Wie was hij? Iemand die eventjes zijn criminal mind op papier had ontvouwd en hoopte dat hier en daar een lezer het einde zou halen van zijn eerste boek, dat hij in eigen beheer had uitgegeven. Joris zei weinig en wou zich absoluut niet profileren in dat exquise gezelschap. Diegene die links naast hem zat, –laten we hem voor de eenvoud Dirk noemen– had weer een nieuw boek geschreven dat net was uitgegeven. Het werk had reeds zeer lovenswaardige kritieken gekregen waardoor die man stilaan zijn plaats zou weten te veroveren naast de vier eerder aangehaalde sterauteurs. De diverse schotels werden vlot na elkaar opgediend. Op een flesje wijn werd niet gekeken. Dirk wist regelmatig de glazen en vooral de zijne te vullen, terwijl Joris voortdurend zijn glas met de hand moest afdekken omdat hij nog een eindje moest rijden. De tafelgesprekken schenen bij dergelijke samenkomsten altijd hetzelfde stramien te hebben: klachten over de uitgevers, die alleen maar oog hadden voor kookboeken, breiboeken en schrijfsels van auteurs, liefst BV's, die weinig te maken hadden met literatuur; klachten over de boekhandels, die te veel de buitenlandse misdaadromans etaleerden ten opzichte van werk van eigen bodem, enz. Zonder aanleiding vroeg Dirk opeens: ‘Wie ben jij?’ Joris trok zijn hoofd in tussen de schouders alsof er in zijn onmiddellijke omgeving een bom ontplofte.Voorzichtig zei hij: ‘Ik ben Joris Vercammen.’ ‘Uw boeken?’ ‘Ik heb net mijn eerste boek uit: Het ijzeren zwaard.’ ‘O ja? Is dat boek van jou?’ Joris wist niet goed wat deze vraag verder zou inhouden en antwoordde bijna onhoorbaar: ‘Jawel.’ ‘Maar dat boek is prachtig’, zei Dirk luid waardoor de tafelgesprekken ineens ophielden. Joris’ hoofd nam langzaam weer de normale hoogte tussen zijn schouders aan. ‘Is dat zo?’, bracht Joris voorzichtig uit. ‘Ja, man, jij hebt talent zeg!’ Joris wou nog vragen ‘Meen je dat?’, maar vond dat hij nu in zichzelf moest geloven en antwoordde zo neutraal mogelijk: ‘Ja.’ ‘Verdomd een goed verhaal en een fantastische ontknoping’, wist Dirk nog toe te voegen. Terwijl alle gezichten van zijn tafelgenoten met de glimlach naar hem keken, beaamde Joris dit weer met een korte: ‘Ja.’ ‘Doe zo voort, man’, zei Dirk nog en draaide zijn hoofd weer naar het gezelschap. De tafelgesprekken gingen weer door. Joris was in gedachten verzonken en hoorde nog nauwelijks wat er werd gezegd. De complimentjes van Dirk deden hem uitermate deugd. De avond kon niet meer stuk. Hij was toch blijkbaar een goede schrijver. Hijzelf en zijn werk waren nu aanvaard door de grote heren. Morgen zou hij aan zijn tweede boek beginnen. Het was tijd. Iedereen stond op. Ze gaven elkaar de hand met een ‘tot ziens’ of ‘tot de volgende keer.’ Joris liep naar de vestiaire en deed zijn regenjas aan. Net voor hij aan de deur kwam hoorde hij achter de jassen iemand zeggen: ‘Dirk was vanavond weer goed aangeschoten.’ En iemand anders zei: ‘Ja, en dan speelt hij altijd dat vervelend spelletje met het tegenovergestelde te zeggen van wat hij werkelijk meent.’ Joris’ hoofd zakte weer tussen zijn schouders. Hij zette zijn kraag van zijn regenjas recht en verdween in de natte nacht.

Bert Bergs
0 0

Over de functionaliteit van toiletten, in het bijzonder toiletbrillen.

Pennie ontwikkelde in haar prille jeugd een solide haat-liefdeverhouding met toiletbrillen. Vanaf het moment waarop de alwetende moeder besloot dat Pennie in staat diende te zijn haar gevoeg achter te laten in een keramische luier, voerde ze dagelijks een innerlijke strijd die zelden werd gewonnen door de rede. Meestal vond ze te weinig tijd om een gefundeerde winnaar aan te duiden: nog voor ze een eindoordeel kon uitbrengen baande haar brouwsel zich een weg van haar bovenbenen tot haar tenen. Dat ze veel sores kon voorkomen door eenvoudigweg op de toilet plaats te nemen bij het voelen van de drang: dat drong niet tot haar door. Ze moest die immanente krachtmeting voeren.             Pennie’s haat jegens toiletbrillen bestaat voor het grootste deel uit hun kilte, aangevuld met luiheid. Toiletbrillen zijn ijzige voorwerpen, in het bijzonder de toiletbril in haar moeders huis: een plek die geregeerd wordt door dictator Koude. Koude kan er onbelemmerd zijn slag slaan dankzij het streven van Pennie’s moeder naar de ecologische voetafdruk van Klein Duimpje.             Pennie’s liefde ten aanzien van toiletbrillen groeide mettertijd naar aanleiding van het groot aantal aha-erlebnismomenten die zich aan haar blootstelden terwijl zij haar tengere billen tegen de toiletbril duwde.Ze had een bil-à-bil toen ze besloot niet meer te eten, en ook toen ze besloot zichzelf dan toch niet op te geven, en toen ze besloot dat negenendertig kilo aan botten, bloed en huid nog te veel was, maar ook toen ze wist dat ze met haar vierendertig voor een dilemma stond: eten of sterven.          Het was ook daar dat ze het verband legde tussen vrouwen en aantrekkingskracht.           Het was daar dat ze besloot de gevoelens voor haar muze, mevrouw Eygenraam, niet langer te negeren. Het was daar dat ze een plan opstelde om meneer Eygenraam te ontdoen van zijn vrouw haar hart en het naast het hare te planten. Het was daar dat ze zich realiseerde dat mensen uiteindelijk wel zouden vergeten wat er allemaal was gebeurd: als ze zagen dat de liefde tussen de vijftienjarige Pennie en haar vijftigjarige lerares wiskunde oprecht was, zouden ze het moeiteloos accepteren. Ook als Pennie meneer Eygenraam daarvoor zou moeten vermoorden.

Linkervoet
0 0

onderlicht

1. onderlicht ze zitze zit daarze zit daar inze zit daar in dan ze zit daar in dan welik doe hetdan welin haar plaatszit ze daar in niet gedaanzit ze daar in nietzit ze daar inzit ze daarzit ze ze brakze brak ergensze brak ergens inze brak ergens in wilze brak ergens in wil wel kan ik nietwil welin haar plaatsbrak ze ergens in niet kunnenbrak ze ergens in nietbrak ze ergens inbrak ze ergensbrak ze wil wel zijnikin zittenin brekenin haar in danin dan welin wil welin haar dan wel wil welnietgedaanergenskunnenwil ik haar wel zijn ………………………………………………………………………………………………………....................................... 2. onderlicht pervers nieuwsgierig mag je denken,naar dat gezit van haar, ten dele waar, maar dat breken in,dat breken in, een beloftevol oordniets pervers aan, een gaan-en-staan-belofteeen plaats van tast, verboden in te brekenbetreden op eigen einde van bestaan, wilsverlies,maar op gemene grond, voeten geplant, elkaars gevondenzijn, begrepen wat haar dan wel, wil wel beweegtdaar gaan-en-staan misschien eigen waan toch gekundwant moet niet alles gedaan voor vaarwel gezegdtelkens weer wel gevonden onverdroten telkens nieuw stro dorsentelkens nieuwe oorden, dingen, woorden van hoopplots brutaal bedrieglijk te vindenwil dat haar zijn zeggen? zie het beeld beschimmeld tapijt, mieren, motten, glasscherven, schemerig licht, hoeken bezeikt, waar de kakkerlak verschijnt, braaksel her en der onder wat te vinden viel verstopt, hoop is de drug der wanhopigen, rekt hun bestaan in pijnen uit, een schroefbank kreunend houten pijndof en scherp tegelijk versplinterd scherp in vel gestoken, dof beslagen kop, etterend venijn, vervloek de hoop, en nog, niet haar dan wel wil wel begrepen, haar breken in in een plaats van eigen makelij, verondersteld haar breken uit uit een plaats van eigen makelij, wachten op dan wel wil wel, naast haar plaats staan, wachten, wachten. ................................................................................................................................................................................................... 3. onderlicht 3. is in productie, u kan de richting al raden. preliminiare bevindingen: meticuleus beschenen voeten de gang nagegaan, van zoek naar hoe het kwam, naar vindt van hoe het op te lossen, oplossen is wat het deed in een miasma van hem en haar, wierpen grenzen schaduwen vereend, op't plafond hun nucleair zijn gebrand, niet te scheiden wie is wie, blijft versteend aangerand door't leven aan hunzelf kleven. onderlicht 3. is in productie, hangt van variabelen af, niet in't laboratorium te creëren, bunzenbrander nooit heet genoeg om hoop te verzengen, duikt telkens weer en telkens weer op, reconstitutie, stalen genomen ter preventie, wachten op imminente explosie, dan door deconstructie reconstructie, rapport opgemaakt, voor 't administratief geweten zo geheten zo geschreven dan en toen en verdere feiten voor't nageslacht, conclusie in de vorm van projectie: variabelen te vermijden, resolutie desastreus. onderlicht 3: is in productie, recommendering: wachten.

IT
0 0