Zoeken

Ramadan Kareem!

Op de eerste dag van de Ramadan komt onze dochter uit school gefladderd met een papieren lampion aan haar hand waarop haar dartelheid zich in blauwe stippen en geel-met-roze wolken aftekent. ‘Dit, mama,’ zegt ze, ‘is een ramadan kareem!’ De r-en lopen sterk als Arabische koffie uit haar mondje. Dat de Ramadan zo tastbaar een luchtige lampion kon zijn, dat had ik op voorhand niet kunnen denken. ‘Maak dat je wegkomt voor de vasten begint!’, luidde het eenvoudigweg bij de andere vreemdelingen hier. Stoffige dagen, hongerige chauffeurs, dode winkels, eten noch drinken. Of bedreigingen als je het toch doet. Nu komt, zo leerden we al, het verblijf in een gastland met lusten en lasten. De Ramadan kreeg het voordeel van de twijfel. Bovendien schijnt hier nu elke dag de zon en vraag ik onze dochter soms om mij een wolk te tekenen zodat ik het bestaan ervan niet vergeet. Zo slecht kon het toch niet worden. En het beste was nog dat ik zelf niet zou vasten. En tastbaar werd de Ramadan. Op vele momenten, maar nog het meest van al in dat onbestemde land tussen de dag en de nacht. Net voor de zon de kim gaat kussen. Niet zoals anders slokt het donker de geluiden op. De muezzin klimt de minaret op en schraapt al zijn keel. Want deze keer gaat iedereen luisteren. Schotels worden dampend op tafel gezet. Water, dadels, vruchtensap. Sigaren en aansteker grijpklaar gelegd. Hoort!, hoe de mensen zich naar hun huizen haasten. Geroezemoes en gekonkelfoes. Tot dan, de muezzin zo verlossend de nacht inzingt. Komen eten! Daar tinkelt overal het bestek. De iftar begint. En later, terwijl de volle maan over de stad zeilt, waaien vanaf de minaret eindeloos woorden aan tot bij de sterren en wie het horen wil. Alles komt goed, zo klinkt het. Als sprookjes van duizend en één nacht. Op ons terras zijn onze avonden gevuld. Van een wereld rondom waar wij maar schaars deel aan hebben. Af en toe breekt de klap van een vuurpijl buiten of het sissen van een voetzoeker. Wij denken na over de dagen. Over de tijd die nu met twee tempo’s lijkt te gaan: loom en trager, nerveuzer en koortsachtig rijk en vol. Tot op een nacht percussie en een lallende stem tegen mijn slapen komen gebotst. Bijna roep ik om mijn moeder. Tot ik weer weet dat ik zelf mama ben – hopelijk sliepen de dochters er doorheen. Dwars door ons huis lalt de man, zo lijkt het wel. Zijn stem verwijdert zich, maar het bonzen stopt niet. Of neen, dat is mijn hart. Op de klok is het twee uur dertig, 2.30u in de ochtend! ‘Het is niet omdat jullie Moslims het nachtje doordoen, dat je ons erbij moet betrekken!,’ denk ik het hele ontbijt lang. De volgende nacht is de lallende man er weer. Heeft nu nog geen enkele buur hem een schoen toegeslingerd? En de nacht daarop opnieuw. Wat een tolerantie! Of er moet een verband zijn. En zoals met alle raadsels in dit samenleven hier, leg ik het voor aan mijn Mevrouw de Uil. Mevrouw de Uil, dat is Miss Hanan. Zij is de directrice van het schooltje. Miss Hanan, voor wie ik een groeiend respect koester. Niet in het minst omdat zij de mooie combinatie bezit van gulle wijsheid en kinderlijke blijheid. Wanneer ik voor haar de nachtelijke onderbrekingen van percussie en dronkemansgebras op mijn vingers tel, beginnen haar ogen te glinsteren. ‘Bestaat dat nog?,’ roept ze uit, ‘Waar woon jij wel?’ Zij spreekt de woorden alsof zij daar ook wil wonen. Want in onze wijk, zo blijkt, flakkert een oud gebruik weer op. De trommelaar. In ruil voor wat eten haalt hij de mensen uit hun bed. Zo hebben ze tijd genoeg voor de maaltijd tot de muezzin weer tot de orde van het vasten oproept. In de zomer wordt het vroeg licht. De nacht daarop gaat de folklore aan mij voorbij. Ik word niet meer wakker. Ramadan kareem!

Marjanne Sevenant
0 0

To be

Lieve landmeter, Slechts rakelings zijn onze levens langs elkaar gescheerd. En toch, niet omwille van de alliteratie hierboven, noem ik jou ‘lief’. Je was, na al die maanden in dit land, de eerste die mij vroeg of jouw roken in mijn buurt mij niet stoorde. Alleen al daarom. Veel weet ik niet over jou. Je afkomst en je beroep. Vanwaarbenje en watdoeje. Dat was genoeg voor mij. Het riep een wereld voor me op. Landmeter, uit Syrië. In het lauwwarme uur aan het eind van de dag legden onze schaduwen zich samen op de stenen zitjes van het Romeinse theater in het hart van Amman. De kleine vedetten van de avond lieten op zich wachten. Niets in in dit land begint op tijd. Jij en ik geraakten aan de praat. Of ik het niet erg vond dat het theaterstuk Arabisch gesproken zou zijn, wou je weten. Ik weet niet of ik jou heb kunnen uitleggen hoe ik daar hoegenaamd niet aan tilde. Dat het voor mij genoeg zou zijn om te zien en te horen. Shakespeare door een groep kinderen uit het grootste Syrische vluchtelingenkamp in Jordanië: Zaatari. Shakespeare en Zaatari in één zin, dat volstond. Van België wist je dat het er goed leven is. En je kende één stad: Brugge! (Van de film “In Bruges”.) A small town, zei je, almost a village. Tjaa. En je had gehoord dat in België homo’s homo’s mogen zijn. Ik stond bij die kennis van jou niet lang stil. Maar achteraf beschouwd, je witte T-shirt met een V-hals tot net boven je gitzwarte borsthaar, wie zal het zeggen en wat doet het er toe. In Damascus heb je nog familie wonen, vertelde je. Ze willen er niet weg. Het is er relatief rustig. Zou dat op den duur wennen, dat geroffel in de verte en mensen die daarvan sterven? Ik heb het jou niet gevraagd. In Saudi Arabia had je een goeie job. Maar tegenwoordig is de verblijfsvergunning voor een Syriër jou te duur. Dus leef je in Amman. Illegale ober (maar zo ga ik jou dus niet aanspreken). Je hebt vele vrienden hier. Allemaal Syriër. Verbeeldde ik het mij of ging er een rilling door de lauwe tribunes, toen over het orchestra daar beneden plots een kleine jongen zonder benen werd gerold? Een andere jongeman, ook in een rolstoel, tilde de jongen op tot ver boven zijn hoofd, tot dichtbij het heldendom. En schaterlachen dat die twee deden. Zoveel andere dingen om naar te kijken in dat Romeinse theater, maar volgens mij had iedereen net dat gezien. Kreeg jij, lieve landmeter, daar ook kippenvel van? En toen begon het. Een roedel zwarte kopkes stoof het theater binnen. Samengebracht door de echte tragedie en de tragedie van Hamlet. Glitterpailletjes, sluiers, speelgoedzwaarden, krullepruiken, koning en prinsessen. Ze speelden het woestijnstof van de stenen. Boven het theater werd de avond van terracotta. Tegen de moskeeën knipte het groene neonlicht aan. Hoog aan de hemel dansten twee vliegers muisstil. Toen begon de stad de zonsondergang in te zingen. In het theater stroomden alle grote mannen tussen de tribunes naar buiten en haastten zich naar het gebed. Maar niets bracht de jonge acteurs uit het lood. Niet alleen door een taalverschil had ik het eind van het stuk niet zien aankomen. Toen de nieuwbakken acteurtjes zich in lange rijen opstelden, en met hun kartonnen wapentjes fiks in de hand de steile trappen tussen het publiek omhoogklommen. Toen het plots zo luid en overtuigd uit hun borstkasjes klonk: “To be or not to be!”. Tot ver boven de vliegers ging het. “To be or not to be!”. Ik hoor het nog in mijn hoofd! Het was geen stofje in mijn oog wat mij parten speelde. Na het eindeloze applaus voor het stuk, en voor veel meer, gingen jij en ik elk weer naar ons eigen leven. Ik kwam thuis en sloeg stomweg de krant open. Een fotoreportage. Een meute zwarte kopkes in het rosse gras. Met zelfgemaakte speelgoedwapens in de weer. Het konden mijn steracteurtjes zijn. In de velden rond hun vluchtelingenkamp in Jordanië waren ze aan het oefenen voor Shakespeare’s tragedie. Dat dit in mijn Belgische krant kwam! Tot ik de titel boven de reportage las: Kindrebellen. En de tekst langs de foto’s. Deze kinderen waren niet in Zaatari. Ze waren nog op het Syrische platteland. Ze hielden generale repetitie voor een echte tragedie. Lieve landmeter uit Syrië, naar de tragedie in je land kijk ik evenzeer met ongeletterdheid. De plot begrijp ik niet en evenmin zie ik het einde aankomen. Maar tegen beter weten in hoop ik heel vurig dat jij binnenkort weer land mag meten ginds. Het ga je goed, hier en nu en ginds en later, Marjanne

Marjanne Sevenant
0 0

Van weg geweest

Er is een knalgeel eendje voor Julie. Het rinkelt en knispert een beetje als je erin knijpt. Ik reik het haar aan. Ze brengt haar beide armpjes omhoog, strekt haar vingertjes uit en plukt het met twee handjes uit mijn handen. Aangereikte dingen met twee handen aannemen, in India heb ik geleerd dat het in Azië een gebaar is van respect. Ik heb het altijd een mooi gebaar gevonden. Alsof je iets ten volle grijpt. Van overal neem je iets mee. Het brengt me bij mijn mijmeringen op de fiets wanneer ik het bochtige pad neem langs de rivier op weg naar mijn werk. De rivier geeft meer stenen bloot dan anders. Het groen is uitbundig nu, het schreeuwt in vele vormen. Mijn mond valt open en er dansen muggen binnen. Ik verslik me in de natuur. Soms ligt een dikke tak op het pad na een donderstorm – zo heet het hier – , waar ik dan mijn fiets overheen moet tillen. Een stuk bos dat praktisch begint aan onze voordeur, en elf kilometer verder praktisch eindigt aan de glazen draaideur van mijn kantoorgebouw langs Pennsylvania Avenue. Een man in uniform met witte handschoenen laat me binnen en wenst me een mooie dag. Stel je dat even voor. Enkele blokken verder ligt het Witte Huis en daarvoor het IMF dat sinds kort een nieuwe baas heeft, ik las het nog in de krant. De dijk ("Boardwalk") in Oceancity Stel je dat even voor. Soms zeg ik dat tegen mezelf. We mogen stilaan beweren dat we een vol jaar hier zijn, een vol jaar niet meer in België geweest. De dingen wennen. Er komen schuurplekjes op het laagje chroom van nieuwigheid. Ik stel dit niet zonder spijt vast. De dingen vallen minder op. Sommige dingen heb je, zonder dat je het wist, volledig aanvaard. Koffie van Starbucks. Bij wijze van voorbeeld. Dat men er koffie uit papieren of plastieken bekers drinkt, als op een Vlaamse kermis of een muziekfestival omdat het daar niet anders kan. Mee-békeren. Dat men je toelaat er allerlei smaken en brouwsels en poeders aan toe te voegen. Alsof koffie pur sang niet lekker zou zijn. Het went. Vorige week bestelde ik een Frappuccino decaf hazelnut flavor no sugar 2% milk no topping, en ik vond het lekker. Had niets meer met café frappé of cappuccino vandoen, maar op zichzelf mocht het er zijn. Of ik neem de metro naar het werk. In het station waar ik opstap, heb ik een gesprek met een Canadese die hier een stage komt doen en zich over de metro in DC verbaast. Onderweg tel ik de Ipads niet meer op één hand – hoe donker ook de metrogangen, er zijn vele vensters op de buitenwereld. In het station waar ik uitstap, heb ik een gesprek met een man die, zo blijkt, voor Obama heeft gewerkt toen die nog senator was. Voor het loket wenst een man van Metro elke reiziger in de stroom een heerlijke dag toe. Zou dit tot zijn welomschreven takenpakket behoren? Ik sluit het niet uit. Boven aan de roltrap hoor ik van een zwarte man dat ik er goed uitzie vandaag. Stel je voor. (Pendelen of op straat komen tout court, is hier goed voor je zelfbeeld of dat van je kind: what a gorgeous baby you have! Nice shoes! Dus: heb je een off-day, ga effe strollen). Ik heb het nooit dagelijks gedaan in België, dit conventionele openbaar-vervoerspendelen. Ik vraag me dus af of een doordeweekse Belgische pendelaarsdag naar hartje Brussel ook zo vrolijk kan starten. Graag traag, spelende mensen in Annapolis Ik vraag me veel af. Of wij, bijvoorbeeld, over enkele weken weer ginds, een laagje chroom van nieuwigheid op de Belgische dingen zullen weten? Nieuwe terrasjes in Gent, bijvoorbeeld. Of oude die er anders dan vroeger uitzien. (Nog gezelliger?). Nieuwe layouts in de wegen, de gebouwen. Een nieuwe regering. Of oude dingen die ons vroeger nooit opgevallen zijn. Onkruid langs de pechstrook. Smalle wegen, tramsporen en kasseistenen. Veel blanke mensen. Hoofddoeken. Authentieke endogene bouwstijlen, die hun plaats kennen. (Toscaanse kerken midden in DC, het wil maar niet wennen). Geen baby change station in elk toilet, en al helemaal niet bij de mannen. Gras in de tuin dat gewoon zichzelf mag zijn, blozend van droogte of gezond groen van regen (liever dat eerste in augustus :-)). Vrouwen van middelbare leeftijd die nog rimpels hebben en ook mooi zijn. In de supermarkt zelf je tassen met boodschappen vullen, niemand die dat voor je doet, je gul een prettige dag wenst, en jou doet wankelen omdat je niet weet of dit allemaal een fooi behoeft. En geen kat op straat die vraagt hoe je het maakt vandaag. Ik vraag me ook af hoeveel Amerika we in België zullen bespeuren. Het nieuwe continent dat het oude verovert. Het is al langer aan de gang. De geschiedenis, maar dan omgekeerd. Ongemerkt gebeurt het. Starbucks komt naar Gent, vind ik geen appetijtelijke krantenkop. Liever heb ik zelf naar Starbucks te gaan dan dat Starbucks naar me toekomt. Een stel nieuwe ogen om naar de dingen te kijken. Het zou reuze zijn. Kristalklare blik. Ze haken zich vast aan de mozaïekjeslamp tegen het plafond. Tot ze moeten lossen omdat ze haar hoofdje geen driehonderzestig graden gedraaid krijgt. Soms kan een hoofd toch ernstig in de weg zitten.

Marjanne Sevenant
0 0

Systeempje

Veel is er niet nodig. Zes blokken, een oud botervlootje, een lege fles, drie ringen, een knoopje aan het truitje. Met korte zuchtjes en kleine handjes dropt ze blokken in potjes, duwt ze ringen tussen de spijlen van haar box, keilt ze de fles naar de dichtste verte, draait ze minutenlang aan het knoopje. Soms doen ook de voetjes mee. Om een potje vast te klampen dat onbedoeld de dieperik in dreigt te gaan. Zuchtjes. Soms wat geneurie. Een mini kortverhaaltje in een klankrijke taal. Er is niemand meer in de kamer. Al ben ik er nog, ik ben van geen tel. Alleen het kleine meisje met haar mini handelingen. Ik kijk en kijk. Of er een systeempje schuilgaat achter de eindeloze verrichtingen van de tien vingertjes. Want met zo’n serieux gebeurt het dat het wel niet anders kan. Misschien zit zij over mij met dezelfde vraag. Of het tokkelen van tien vingers op wat meer knopjes een vernuft systeem verbergt. Soms is er wat meer nodig. Een paar andere handen. Die wuiven naar haar vanop afstand. Ze wuift terug, met één handje. Het andere zit aan haar oor. Dat systeempje ken ik al: een beetje moe. Of een stem vanaf de overkant die zegt: doe maar, je kunt dat wel, je doet het goed. Ik ben er tóch nog. Maar vaak is er niet veel nodig. Zelfs haar tongetje hangt windstil uit haar mond terwijl ze met grote ogen de prompte gevolgen van haar daden observeert. Er hangt een aura van focus en bezieling rond haar box als zij daar is. En stond haar box in Peking, Tokyo of Dakar, het zou niet anders zijn. Zo kijken wij naar haar. En zien onszelf. Onze box staat in Washington. Er is wat materiaal voorhanden. Potten en pannen. Een tournevis. Twee wielen. Of vier. Een weg. Daarmee verrichten wij onze handelingen. We fietsen. Wandelen. We gaan werken. We koken of bestellen. We eten lekker. We verleggen onkruid en grenzen. We duwen doosjes in dozen. We kletsen. We forwarden en deleten. Gooien doosjes weg. We praten. Ontdekken weer nieuwe doosjes die er gisteren nog niet leken te zijn. We slaken grote zuchten. Schudden ons hoofd. Glimlachen. We nodigen uit. We wuiven uit. We onthalen. We smeden banden. Plannen. We ontdekken. We bakken brood. Soms pannenkoeken. We lezen. We kijken. We kijken uit. Maken schoon. We schrijven. Draaien potjes dicht. Zoeken dekseltjes. Niet noodzakelijk in deze volgorde, maar wel vaak in dezelfde volgorde. Of hoe je ook in den vreemde op den duur aan routine gaat doen. Aan systeempjes. We hebben ons gewoontes eigen gemaakt. Of zij ons. We volgen bekende routes. Gaan naar bekende plaatsen. Op dezelfde tijdstippen. Met dezelfde mensen die bekender worden. Ongemerkt is alles vertrouwder geworden. En waren wij in Peking, Tokyo of Dakar, zou het dan anders zijn? Dan is er een man. Temidden van gewoonte. Aan de rand van de luide weg. Wacht hij tot het verlichte mannetje aan de overkant op wandelen gaat staan? Hij wiegt met de heupen. Hij danst bijna. Richt zijn gezicht naar de hemel en lacht bijna. Grote ogen, zo open dat ik in zijn hoofd kan kijken. Hij zou hier wel willen blijven staan. - He’s good, zegt hij dan. Hij knikt naar de andere man die de ziel uit zijn lijf staat te spelen in de grijze metrohal. Tussen de doffe pendelaars is zijn saxofoon van puur goud. - O yè!, zeg ik. Wieg ik nu ook een beetje? - I’ve got all his CD’s. He’s too good for the street. Zijn hand duikt in de zak van zijn mantel. Het mannetje aan de overkant springt op wandelen. De man beent in de andere richting weg. Een dollar in de hoed. De muziek stopt niet. Wel de donderdagochtendroutine. Even. Met een halve danspas op het zebrapad. Veel is er dus niet nodig. Wel net genoeg. En af en toe een stem vanaf de overkant die zegt…

Marjanne Sevenant
0 0

Ik ben geen liefdadigheidsinstelling.

Ik wil grof zijn als het even mag. Gewoon grof zijn. Mijn hand uitsteken om een mindervalide man te helpen die de trap op wil maar niet kan. Mijn hand uitsteken en dan terug wegtrekken en de man zien vallen. En dan een: ‘Ik-herinner-mij-net-dat-ik-snel-weg-moet’   Ik wil gestoord zijn als het even mag. Begrijp je me?Iemand levend villen, z’n bloed opdrinken alsof het vruchtensap was. Elke druppel zuig ik uit het kronkelend, stervende lichaam van mijn slachtoffer. Dan snijd ik het in stukken en steek het terug in z’n vel. Of ogen doorprikken met rietjes. Ik zet u op een dieet van enkel droge beschuitjes en drop u in de Sahara. En net wanneer je dood gaat (dood wílt), red ik u en rijd ik u op m’n dooie gemak naar een ziekenhuis waar geen pijnstillers aanwezig zijn –ik ben uw redder!-.   Ik wil natuuronvriendelijk zijn als het even mag.White Spirit injecteren bij straatkatten, rattenvergif als zaad voor de vogeltjes –kom, vogeltje, kom!-. Recycleren, daar is het ook mee gedaan en sorteren hetzelfde verhaal. Ik gooi nog geen snoeppapiertje in de vuilbak –ik weiger- en begin ook al vast met sluikstorten. Ik wil vloeken als het even mag.                                                                                             3, 2, 1, START! GEZWOLLEN KUTBLAAR! STRONTVLIEG! DIKKE WINDHOND! BEDROGEN ALLEENSTAANDE! MISLUKTE CUPIDO! LEVENSVERZIEKER! KAKKERLAK! TENTSLET! HYPOCRIETE PARANOÏDE SCHYZOFREEN!     Ik wil anders zijn als het even mag.Niet meer de saaie, kalme, oppervlakkige mezelf. Laat mij even luidruchtig zijn. Laat mij even doen alsof ik wel besta voor andere mensen. Doen alsof er mensen om me geven en niet willen dat ik de foute kant opga.Even doen alsof het leven máár het leven is en er verder geen problemen zijn.   Ik wil wreed zijn als het even mag? Ik ben al lief genoeg geweest.

Jane
20 2

Noten kraken

Later zou Linda haar naam veranderen in Linde, maar toen ze zes was dacht ze daar nog niet aan. Ze vond de namen van haar zusjes en van sommige meisjes op school mooier, maar ze wist nog niet dat je daar zelf iets kan aan doen.   Ze had wel al een besef van de plaats die ze had tussen de mensen en dat het leek alsof zij de enige was die niet iemand naast zich had. Zo hadden haar oudere zusjes Annie en Rosie elkaar omdat ze een tweeling waren en haar jongere broertjes Jo en Jan ook want die waren amper een jaar na elkaar geboren. Bovendien waren ze jongens en dat hield hen samen. Haar ouders waren samen en haar grootouders ook.   Wat niemand wist, was dat Linda een zusje had dat Isabelle heette. Niemand kon Isabelle immers zien en dus ook niet hoe mooi en hoe lief ze was en dat ze lang bruin haar had en een lichtgele jurk met een wijde rok en witte linten droeg.   Isabelle ging overal mee, naar de lagere school aan de andere kant van de stad, naar de kruidenierswinkel naast hun huis om brood en kaas, en naar de poort een paar huizen verderop waar ze groenten en fruit verkochten. ’s Woensdags ging ze soms mee spelen bij een vriendinnetje wiens ouders een meubelwinkel hadden en waar ze als de ouders het niet zagen in de toonzalen gingen spelen.   Op zondag mocht ze mee eten bij oma en opa, en daarna in de tuin en de veranda spelen. Als het regende keken ze naar de kleine zwart-wit tv in een onhandige hoek van de kamer. Onhandig, omdat de deur naar de keuken uitgaf op die hoek en als opa binnen zou komen, zou hij als er een tekenfilm speelde, de uitknop indrukken. Opa vond tekenfilms onnatuurlijk en ongezond voor kinderen.   Op zo’n zondagmiddag zaten Linda en Isabelle samen op de bank naar de tv te kijken. De jongens zaten op de grond en de tweeling zat op een stoel aan de tafel. De meisjes hielden de deur in het oog waarachter druk gepraat werd. Meer dan druk, de stemmen van opa en van hun vader werden luider en gingen soms gelijk de hoogte in en dat bedierf een beetje het heimelijke plezier van het kijken naar Popeye the Sailorman. Het voordeel was dat ze de hele aflevering konden uitkijken en daarna nog naar een film over mensen in een grijs stoffig land, die een aap en een leeuw hadden.   Net toen de aap teruggevonden werd nadat hij gestolen was door een donkere halfnaakte man en hij zich rond het bovenlichaam van een blonde vrouw in een safaripak klampte, ging de deur naar de keuken open. In het deurgat stond mama met vijf wollen jasjes over haar arm en evenveel bivakmutsen. Achter haar was het stil.   Rosie zette de tv uit en de andere kinderen haalden hun jas op bij hun moeder en trokken hem aan. Alle knopen moesten dicht en oma en opa moesten gezoend worden eer ze naar buiten mochten. De bivakmutsen hoefden niet. Isabelle hoefde geen jas aan. Ze nam geen plaats in, met vijf en ook met zes, konden ze gemakkelijk op de achterbank van de Mercedes.   Linda mocht bij de deur zitten, want ze werd soms ziek in de auto. Als ze overgaf, werd haar vader boos en dat wou niemand, dus mocht ze altijd naast de deur zitten. Ze kon dan het raam naar beneden draaien als ze lucht nodig had of ze kon snel uitstappen als haar vader bij een gracht stopte waar ze kon overgeven.   Ze hoopte dat ze niet moest overgeven want ze hadden die middag kip met appelmoes en gebakken aardappelen gegeten en het was zoals altijd bij oma heel lekker geweest. Maar nog meer wenste ze dat het niet zou gebeuren omdat haar vader er ontstemd uitzag en ze niet wilde dat hij door haar misselijkheid echt boos zou worden. Ze hield haar lippen stijf op elkaar en ze kneep langs de ene kant in Isabelles hand en aan de andere kant in de handgreep van de autodeur en zo hield ze het vol tot ze bij hun huis aankwamen.   Hun huis was geen gewoon huis. Het was geen rijhuis zoals alle huizen verder in de straat en het was geen huis in een tuin zoals bij oma en opa. Het was een grote garage waar mensen kwamen om hun auto’s te laten repareren. Beneden was naast de grote hal waar de auto’s in- en uitreden een bureau en een kleine keuken, waar mama eten maakte en soms de klanten begroette. Boven was een donkere woonkamer, een badkamer en drie slaapkamers.   Papa reed met de auto tot vlak voor de grote poort en iedereen moest blijven zitten tot de poort openging. Alleen Linda mocht eruit omdat ze zo bleek zag. Ze ging bij het roostertje in de goot staan omdat ze niet zeker was of ze zou overgeven of niet. Isabelle bleef bij haar.   Ze stonden hand in hand in de koele vooravondlucht en Linda rilde. Ze keken naar de auto die door Papa naar binnen werd gereden en hoe hij moest zigzaggen tussen de auto’s van klanten die klaar stonden om morgen opgehaald te worden door hun eigenaars. Ze hoorden het schuren van metaal tegen metaal en dan hoe papa heel luid begon te vloeken en te roepen dat het mama’s schuld was dat hij tegen de auto van dokter Kestermans was gereden.   Linda boog zich over de goot en kokhalsde, maar er kwam niets uit.   Later zaten ze allemaal boven in de woonkamer. Er kwam alleen licht van een staande lamp en uit de tv. Buiten werd het al donker. Mama lag op de bank te huilen en papa keek naar de tv waar veel fietsers kromgebogen over hun stuur te zien waren en dan snelle auto’s die veel lawaai maakten en soms praatte er een nette meneer of een mooie mevrouw en af en toe zong iemand een liedje over rozen of liefde.   Omdat er geen plaats was op de bank zaten alle kinderen op een stoel rond de tafel en keken ze mee naar het oplichtende scherm en probeerden ze het snikken van mama niet te horen.   Op de tafel stond een schaal met okkernoten en twee notenkrakers. De ene notenkraker bestond uit twee dikke lepels die je tegen elkaar moest duwen tot de noot barstte. De andere had een huisje waar je de noot in moest stoppen en dan aan een schroef draaien tot de noot geen kant meer op kon en kraakte. Linda had als eerste de notenkraker met het huisje te pakken en begon te kraken. Jan keek eerst boos toe, maar nam dan de andere. Samen kraakten ze zwijgend noten en deelden ze uit aan Rosie, Annie, Isabelle en Jo, die ze stil opknabbelden terwijl ze naar Louis Neefs keken. Iedereen hield van Louis Neefs, maar niemand zei wat.   Ze dachten niet dat mama zin had in okkernoten, maar voor papa legde Linda een hoopje opzij. Toen ze er tien had, trok ze er ook de velletjes af. De twintig bleke helften legde ze eerst in twee rijtjes op tafel en daarna deed ze hen in een rond kaasdoosje waarin ze eerst wat watten had gelegd.   Ze bracht het doosje naar haar vader die nu in de relaxzetel zat. Hij zag er niet meer boos uit, hoewel ook niet echt ontspannen en lief, maar toch kalm genoeg zodat Linda hem het doosje durfde aanbieden. Hij zei dat ze een braaf meisje was, nam een halve noot en keek knabbelend verder naar het nieuws.   Na het nieuws kwam de weerman en daarna Het Manneken, wat iedereen heel grappig vond, behalve Linda en Isabelle die hem eng vonden. Daarna was het bedtijd, de kinderen zoenden hun vader en de vader liet zich zoenen terwijl hij naar het voetbal keek. Alleen Isabelle gaf hem geen zoen.   Daar lag Linda aan te denken, net voor ze in slaap viel. Dat Isabelle papa geen zoen had gegeven. Dat Isabelle niet van papa hield.  

Christine Van den Hove
0 0

Geen ersatz gewenst

Ik kwam binnen, keek rond en zoals altijd zag ik het eerste ogenblik niemand, verblind door de collectief op mij gerichte ogen. Dan heb ik altijd de neiging om het heel stil uit te schreeuwen: ‘Ik heb jullie niets gevraagd!’ Ik voel me dan een indringer die binnenvalt in een groep onbekenden en als een vreemd element het biologische systeem van hun biotoop uit zijn evenwicht brengt. Ik probeerde me duidelijk voor ogen te houden dat ik omringd was door patiënten en dat die met verdubbelde spontaneïteit de wereld inkijken. Zo rustig mogelijk hield ik dus de blikken van mijn lijf tot ikzelf op een stoel zat, zij mij integreerden als deel van het verstoord interieur, de ogen van mij wegdraaiden en ik op mijn beurt kon meekijken naar diegenen die binnen en buiten liepen. Wel ging er op dat ogenblik niemand binnen of buiten. De muren waren hardblauw geschilderd om je in de diepste kelders van de oceaan te wanen. Een plafond zo hoog dat de afgebladderde verfkrullen nauwelijks opvielen. Stevige tafels en stoelen, bestand tegen een dreun.   'Ze is gedempt blond en niet onaardig. Haar leeftijd? Veertig, ze verjaart in juni. Een gemiddelde gestalte. Mollig, maar niet wat men dik kan noemen. Geëpileerde wenkbrauwen, althans toen ze nog thuis was. Naast de mond heeft ze een verbleekt, haast onopvallend litteken. Zelf denkt ze dat het van de waterpokken is die ze als kind had.' Met die signalementen moest ik het zien te rooien. Om te beginnen was er niemand onder de vier aanwezige vrouwen die niet onaardig was. Buiten die ene ginder, die hád wel iets. Waren het hun jaarringen? Ik zag een floers hun gezichten bedekken, die de versheid aantast. Misschien was de stroming in de bloedbaan gaan vertragen. Of zat het in het hoofd? Goed mogelijk dat ze zich tussen de stangen van vicieuze cirkels ingekooid voelden, gegijzeld in eigen lichaam met soms heftige dromen om er uit te stappen. Waanzin puilt langs de ogen naar buiten, wordt beweerd. Aan een van de tafels zat een dame, het haar vlekkeloos zwart als de nacht en keurig gekapt rond de oren. Ze had een lieflijk gezicht, geteisterd door de zenuwen en de medicamenten. Ze had gezelschap van een man die zijn uitstraling haalde uit zijn lederen laarzen waarvan de schachten tot aan de knieën reikten. Zij glimlachte sporadisch. Maar die emoties welden niet uit haar binnenste op. Het waren de spieren van de mondhoeken die zich verplaatsten. Ik hoorde hen gedempt praten. ‘Heb je nog problemen met de stoelgang?’ ‘Vorige week produceerde ik iets dat met het blote oog nauwelijks te onderscheiden viel van de omgeving,’ zuchtte ze. ‘En gisteren?’  ‘Jawel, met mondjesmaat.’ ‘En vandaag?’ ‘Er komt schot in.’  Van de drie overigen zou je kunnen zeggen dat hun haar laveerde tussen blond en afgeleefd. Die ginder tegen de muur was eerder oud te noemen, door de jaren latachtig verdund. Haar kin en de klep van een baseballmuts concurreerden in het verst vooruit steken. Een elleboog op tafel, arm en hand verticaal opgericht, scheen ze een heilgroet te brengen, met tussen de vingers een sigaret, langdradig onder de opstijgende rooksliert uitgerekt. Ze gaf  zichzelf een omslachtige uitleg en luisterde daar aandachtig naar.   De vrouw met de rug tegen de ramen van de binnentuin had mooi kunnen zijn, ware het niet dat ze ingepakt zat in te veel vlees. Ze was bezig haar buitenmuren nog aan te dikken met sukadekoek. Tamelijk blond omkranst hoofd, door de muren heen kijkend, zat ze kennelijk op niemand te wachten. De vierde, levenloos haar in pieken, had een slobberig trainingspak aan en converseerde zwijgend met een mannelijke patiënt. Geen van hen zat op mij te wachten, ze keken me niet aan. Dan ineens kwam ze binnen. Ze was inderdaad niet onaardig, het meisjesachtige snijwerk van haar trekken was nog niet aangetast door het slijten van de jaren. Ofschoon haar blond haar een grijze schijn begon te krijgen, was ze toch nog jong genoeg om mijn kandidate te zijn. Pauserend bij elke aanwezige, ook bij mij, keek ze de zaal rond en nam een stoel. Ze droeg een zwarte spannende kousenbroek en elegante riemschoenen. Met die mantel strak rond haar lichaam vroeg ik me af of ze van ergens uit haar kamer gekomen was en na nog een blik op de algemene situatie op het punt stond de ontmoetingszaal te verlaten en de straat op te gaan. Zou wel niet lukken met die bewakingscabine naast de ingangspoort. Ze begroef haar neus in de haren van de pelsen kraag, een mink, of gewoon een konijn of synthetische rommel, trachtte ik te raden. Allicht strelingen over wangen en neus die ze elders niet meer te goed had. Ze sloeg de benen over elkaar en duwde haar handen in de met pelsomzoomde zakken. Dus ze wachtte. Het duurde geen vijf minuten. Gehaast stond ze op en liep de deur uit. Alles bij elkaar kon die blonde niet onaardige vrouw mij natuurlijk onmogelijk kennen. Ik vroeg me af welke beschrijving mijn collega van de dagelijkse treinreis naar het kantoor in de stad haar van mij gegeven had en hoe ze mij van daaruit kon identificeren. Kijk nu, daar was ze ineens weer. Ze keek de zaal rond, met gecontroleerd ongeduld. Ik was er zeker van dat ze iemand zocht of verwachtte. Ze zette zich neer en drukte de handen in de zakken van haar mantel. Niets hield haar vast aan de tafel, zelfs niet aan de stoel, geen wiebelende benen, maar de voeten tegen de tegels gedrukt, startblokken om recht te veren van zohaast de bekende bezoeker opdaagde. Het duurde weer niet lang of ze kwam inderdaad met een schok recht en ijlde naar buiten. Ik keek nog eens rondom mij. Als zij het niet zou zijn, waar bleef dan mijn blonde niet onaardige vrouw, begon ik zelf ongeduldig te worden. Tot de mink verkleed in vrouw alweer in het deurgat kwam staan. Ze overschouwde nu ronduit berispend de zaal. Is zij nu mijn kandidate of niet, groeide mijn twijfel. Weer eens de stoel op, stijfjes, armen tegen het lijf gedrukt en wachten. Ik waag het er op, besliste ik.   In de vroege ochtend geperst tussen de rechtopstaande pendelaars thuis-werk-thuis in de middengang van de treincoupé ontmoeten we elkaar haast dagelijks. Van ver een groet met een handzwaai. Als we dicht genoeg bij elkaar staan, lanceren we al eens over de koppen van de andere forensen heen een machteloos gemopper over het hardnekkige slechte weer. ‘De politie moest er maar eens naar kijken,’ vind ik dan en hij beaamt. Dus een kennis, mag ik zeggen, die net als ik het beste van zijn leven slijt in een kantoor in de hoofdstad. Wederzijdse sympathisanten van het zelfde beschoren lot. Op de duur zijn we met elkaar zo vertrouwd als waren we familieleden, terwijl je nauwelijks weet waar de andere woont. Die keer was het op zijn gezicht te lezen. Hij wrong zich tussen de schouders en de armen van de reizigers en kwam er helemaal voor bij mij staan. ‘Ik heb met haar definitief gebroken. Het was al een hele tijd aan de gang. Voor de kleinste onbenulligheid maakten we slaande ruzie zonder ook maar een woord te zeggen. Maar zij wil er niet van weten, ze heeft het in haar hoofd gestoken en is opgenomen in de psychiatrische. Ik kan haar niet onder ogen komen, maar blijf bezorgd om haar. Ik ben geen onmens. Ik weet niet hoe ze zou reageren: me krijsend naar de keel grijpen of op de knieën vallen en smekend janken om de hele instelling op te schrikken. Doe me een lol en ga eens kijken hoe ze het stelt. Gewoon eens polsen. Ik zorg er voor dat ze weet van je komst.’   Ik stond op en ging naar haar toe. Aan haar ogen te zien was ik een inter-oceanisch containerschip dat op het punt stond haar roeiboot te rammen. Ik dacht alsnog rechtsomkeer te maken, maar vermande me en ging voor haar staan. ‘Excuseer, kijkt u naar iemand uit?’ ‘Ja.’ ‘Ik heb een ontmoeting met Ofelia. Bent u Ofelia?’ ‘Dat gaat jou niks aan.’ ‘Tja, u hebt beslist iemand anders op het oog. Maar hoe weet u dat u op mij niet wacht?’ ‘Ik wacht al twee maanden, elk uur, op mijn vriend en die heeft bepaald een andere smoel dan jij. Ik hoef geen ersatz.’ Ze drukte haar neus in de mink, sprong op en liep naar buiten.   Guido De Schrijver

Guido De Schrijver
0 0

Wellness

Een groepje luidruchtige dames van middelbare leeftijd maakt kennis met de saunacultuur in het thermen- en wellness centrum. Ze slaken gilletjes van verwondering en opwinding omdat het in de zweetcabines warm is en het water in het afkoel bad ijskoud aanvoelt. In die ambiance waag ik een poging om zen te worden. Het zwembad, dat er dampend bijligt op deze winterse dag, lijkt rust te kunnen bieden. De kin steunend op de handen hang ik aan de scherpe rand van het bassin naar de wit berijmde dennen te staren. Mensen lopen in en uit de Keno, de Himalaya Grötte en de Finse sauna. De nep grot met de zoutkristallen is het meest in trek. De ruwhouten deur zwaait onophoudend open en dicht alsof er zich het toilet van een druk bezochte discotheek achter bevindt. Of je in deze kunstmatig paradijselijke omgeving tot innerlijke rust kunt komen is weinig plausibel, mijmer ik. Veel tijd krijgt ik niet om daarover door te bomen want ergens schijnt er een appelsien, munt, perzik of limoen opgietsessie afgelopen te zijn. Op zoek naar verkoeling komen rood aangelopen gezichten vanachter de plastieken lamellen, die het binnen- van het buitengedeelte van het zwembad afscheiden, te voorschijn. Een trio dertigers doet zich opmerken. Luidruchtige kerels met bruine basten en kitscherige tattoos op armen en rug. Twee patsers zwemmen vlot naar de verste kant, de derde vordert traag. Zich aan de boord krampachtig vasthoudend, beweegt hij zich naar zijn kameraden. Hij kan niet zwemmen, stel ik vast. Als hij hen eindelijk vervoegt zijn ze al druk bezig, met andere ploeteraars als ongewilde toehoorders, elkaar te overtroeven met namen van skistations waar nu zeker nog geen sneeuw ligt. Hij mengt zich in het gesprek en blijkt ook twee plaatsnamen te kennen waar al evenmin sneeuw ligt. “Het is de opwarming van de aarde”, concludeert er één. Hij heeft thuis een “digibakske van Telenet”, en heeft het gezien en gehoord op National Geographic, “Zelfs de gletsjers zijn aan het smelten.” De deur van de Kelo blijft lang dicht hetgeen me doet vermoeden dat er niet veel volk binnen zit. Ik hijs me uit het water, droog me oppervlakkig af en stap de, met 300 jaar oude Scandinavische vurenhouten bomen opgetrokken, constructie binnen. Twee vrouwen liggen op de bovenste banken. Voor de rest is de grote ruimte rond het knetterende haardvuur uitnodigend leeg. Ik kies een hoekje uit dat ver verwijderd is van beide vriendinnen, draai de zandloper om en ga met één been opgetrokken op de rug liggen. Met gesloten ogen laat ik de behaaglijk droge hitte bezit van mijn lijf nemen. Het piepend geluid van de deur verstoort het zalig soezen. De drie lawaaierige musketiers doen hun intrede. Op de laagste bankenrij gaan ze zitten, zuchtend en blazend. Hij-die-niet-kan-zwemmen kijkt rusteloos rond zijn schichtige blikken afwisselend richtend op mij, de twee jonge schoonheden en zijn maatjes. Door mijn wimpers loerend veins ik te dutten, vrezend dat hij het onzalige idee zou kunnen hebben een gesprek te willen aanknopen. In het oranje licht van de vlammen, die wapperende figuren op het schuine houten plafond tekenen, wrijven zijn beide handen onophoudend over zijn bovenbenen, knieën en buik. Hij lijkt niet in harmonie met zichzelf en schijnt nauwelijks innerlijke rust in deze isotone atmosfeer, te zoeken. De beide gratiën houden het voor bekeken, ze knopen hun handdoek rond de verleidelijke heupen en verdwijnen door de donkere deuropening. Je zou denken dat hij daar heeft op zitten wachten. Over zijn schouder heen monstert hij mij, net alsof hij zich er van wil vergewissen of ik wel echt slaap. Ik blijf doen alsof. Door de spleetjes van mijn oogleden sla ik een merkwaardig tafereel gade. Het drietal wisselt, nu enkele decibels zachter, natuurkundige gegevens uit. “Warm hé, ik zweet nogal.” “Ik ook, komt door dat vuur.” “Ja, mannekes, zie dat eens hier.” Hij wijst met de kin naar zijn onderbuik, de twee spitsbroeders volgen zijn blik, hoofdschuddend grimlachend. Zijn rechterarm maakt ritmische op- en neergaande bewegingen. Verdraaid, die vetzak zit zich hier af te trekken, daagt het mij. Om de zoveel rukbewegingen onderbreekt hij de activiteiten en bouwt hij een rustpauze in. De handen zijdelings achter de rug op de bank geplaatst leunt hij puffend en briesend achterover. De cyclus herhaalt zich enkele malen. Ik heb er genoeg van. Met gewild opvallend misbaar kom ik recht uit mijn horizontale positie, pak de haarklem die aan de bandhanddoek geklemd zit, steek mijn vochtige rode haren op en verlaat haastig, met grote schreden de sauna. Tien minuten later, rustend in een relaxzetel, hoor ik hen langskomen, richting Brasserie. “Een Leffe, dat zal deugd doen“, kan ik opvangen.   “48.000 Euro, dat is wat John Cleese vraagt voor een lezing plus acte de présence van 2 uur op een managers event. En hij wordt druk gesolliciteerd.” Twee high level leidinggevenden kennen de prijzen en openbaren ze, of die dat willen of niet, aan de andere bezoekers van het Turks stoombad. In een bizarre mengeling van Engels en pseudo Nederlands begeven ze zich in de betegelde ruimte op het modieuze pad van brainstorming en experience sharing. “Waar ik nu mee bezig ben is het zoeken naar een goede invalshoek. ” “Hoe ben je op dat idee gekomen?“ “Op een avond, ik was op een beurs, heb ik deelgenomen aan een work-shop over self-coaching en time management. In wat die Tine Walravens daar zegde over ayuverda heb ik direct onontgonnen opportunity’s gezien. Zeker als je dat specifiek uitwerkt voor hr afdelingen, die zijn gevoelig voor alles wat met absenteïsme te maken heeft.” “Ja, dat speelt mee voor hun bonus, vertel me wat. Maar dan kunt ge niet short term gaan denken vermoed ik. Zijt ge nog in de pre study phase of doe je al aan commercial development?“ “Als ik de topic aan een goede case kan linken begint de machine volop te draaien.” “Weet je dat ik jaloers op jou ben? Ik vind het razend interessant met wat je daar bezig bent. Ik Heb al spijt dat ik mijn sabbatical year niet voor zoiets gebruikt heb.” “In het begin heb je natuurlijk een try out nodig, zien of het werkt.” “Snap ik, maar dat zit je al direct in een scenario van “no cure no pay” en dan moet ge wel een risk-factor gaan incalculeren.“ “Je moet een financiële basis hebben, maar overschat dat niet, de investeringen zijn klein. Als ik een bedrijfje op naam van mijn vrouw zet kan ze fiscale voordelen krijgen en mij op de payroll zetten.” “Je kan je als kleine ondernemer flexibel opstellen en werken op a.w. basis, dat is een service die de groten niet kunnen bieden.” “a-w?“ “As wish, ken je dat niet?” “Oppassen daarmee, het wordt al snel bekeken als een “nice to have” hebbedingetje en zoiets geven ze wel eens in handen van een uitgerangeerde die veel tijd heeft maar niets kan beslissen.“ “Ik weet het, dat sneuvelt uiteindelijk bij de senior business controller. Niet bij de bc op een lager niveau, daar kan je al eens met gaan eten, maar op een hoger level pakt dat niet meer.“ “Neen, daar lukt dat niet, die zijn te veel met hun bonus bezig.” “Ben je nu al zelfstandig bezig? “ “Neen, ik sta nog op de payroll, mijn opzeg zogezegd.“ “Bij ons is business development bezig met een studie om te bekijken of er op de markt behoefte is aan een synergie tussen technieken voor transport en networking.” “Dat kan natuurlijk altijd maar ik denk dat het een kleine niche is, als die er al is.“ “Maar daar moet je het nu juist van hebben. Het is dikwijls zo dat die behoefte er wel is maar dat de consumer er nog geen weet van heeft. In feite moet je de markt boetseren naar je product, eens dat uw challenge is wordt het boeiend.” “Dan kom je op het terrein van sales, not my cup of thea, je moet het idee, het concept en uiteindelijk ook het product verkopen.” “Je zegt dat nu wel maar at the end moeten we onszelf toch ook altijd verkopen, Je employability moet van je uitstralen of je valt uit de boot.” “Daar heb je een punt, dikwijls komt het daar op neer, de perceptie die ze van je hebben geeft de doorslag.” “Het is psychologie en daar zitten ze bij ons slecht. Te veel oude universitairen. Daar kan je niet veel mee doen, zeker niet bij de commercials en in feite nergens.” “Ze hebben wel ervaring.” “Dat telt niet, het is eerder een weakness die als een rem op nieuwe ontwikkelingen werkt dan een uitdaging voor vernieuwing.” “Kan je volgen hoor, maar neem nu de Guy Vernoppen bij mijn bedrijf, die is toch al 49 en hij kan nog echt mee.” “Maar die heeft geen pedagogisch inzicht en voor onze doelgroep heb je dat juist nodig. Die mannen zitten vast in hun voorbijgestreefde cursussen. Ik ben sociaalvoelend en zeker geen liberaal van de harde lijn, maar bij downsizing moet er te veel rekening gehouden worden met de unions.” ”Zeg, heb je dat boek “self coaching” van Dimitri Pieters?” “Ja, Dimitri Pieters is voor het moment hot en sexy. Absoluut incontournable als je mee wilt zijn. Ik heb vorige week nog een artikel over hem gelezen in BusinessWeek.” ,,Als je het kunt missen zou ik het willen lezen.” “Dan voor een week of zo, want voor mij is dat een werkdocument.” “Dat is ok. Ik heb al twee boeken gekocht voor de vakantie, ik weet nu al dat ik er één op het vliegtuig zal uitgelezen hebben. Normaal is mijn ritme één boek per week.” “Dat haal ik niet, maar bij mij is het dan ook meer in de diepte lezen dat ik doe.” “Ik kan er wel niet meer zoveel kopen via de job, tenzij het boeken zijn die ik direct the day after kan gebruiken voor een practical use, een seminarie bijvoorbeeld. Anders wordt het te moeilijk om die aankopen te verantwoorden op de expense account.” “Jan Meyers is nog zo een kei, in network coaching dan. Een referentie dezer dagen, je met zo iemand associëren opent veel deuren.” “Networking is uiteindelijk mijn ding niet.” “Het is een openliggende markt, je kan me geloven. Ik zie dat in de bedrijven en op events, veel managers zijn overgekomen vanuit een kleinere field-unit en hebben de backgound en de ability niet om hun contacten tot een win win situatie uit te bouwen.” “Van het Peter principe vind je overal voorbeelden.” “Coaching, dat is de key, ze worden niet goed gecoacht en bij elke re-engineering duikt dat op als een negatieve factor.“ “Er zijn er genoeg die “het” niet hebben, bij screenings komt dat naar boven.” “Onderschat ambitie ook niet, veel mensen hebben te veel schroom. De ingesteldheid waarmee je aan networking doet moet zijn: Hoe kom ik met drie kruiwagens en niet met één kruiwagen contacten naar huis. “ “En dat bereik je niet met een meet and greet. Als je de lat niet hoog legt kom je er niet.” “Mij met enkele rake key-words duidelijk profileren bij de end-user is mijn belangrijkste target.” “Heb je daar een deadline opgeplakt?” “Voor ik op vakantie vertrek moet dat duidelijk zijn, ik wil met een gerust gemoed kunnen herbronnen en de batterijen opladen.” De rest van de verhelderende conversatie gaat verloren in het gekletter van de koude douchestralen tegen de betegelde vloer.   Een half uur later lig ik op de massagetafel, een luxe die ik me regelmatig veroorloof. De knedende en strelende handen wisselen fluwelen zachtheid af met gedoseerde stevigheid. Ik geef me over en geniet.   In de kleedkamer doe ik een poging om mijn haren te fatsoeneren. Het lukt niet echt. “Het viel me al op in het restaurant, hoe kom jij aan zo’n mooie, stevig gespierde benen?” De vraag wordt gesteld door de glimlachende vrouw in de lichtblauwe badjas die uit de cabine met het zonnekanon komt. Onzekerheid, gêne, gevoel van ontmaskering, betrapping. Ik voel hoe ik begin te blozen. “Goh, dat is omdat ik vroeger een man geweest ben, het zijn mannenbenen”. Meer is er niet nodig om de schenkster van het compliment op haar beurt met een ongemakkelijk gevoel op te zadelen. “Oei, sorry, dat wist ik niet, excuseer.” Ik stamel een flauw “Het is niets hoor, toch lief van jou.” en maak me, bijna vluchtend, uit de voeten. Mijn haarspeld vergeet ik op het tafeltje aan de spiegel.

Nancy Del Fuego-Costales
11 0

Knooppuntroute

We hadden ruzie, niet eens zo erg, over iets onbenulligs, een plank die kraakt en waar ik niet op mag stappen, want dan wordt de onderbuurvrouw wakker, of misschien iets nog onbenulliger. Niet erg dus, maar toch erg genoeg om het over ernstige dingen als vertrouwen te hebben. En erg genoeg om me af te vragen en zelfs hardop te vragen of we niet beter uit elkaar zouden gaan.   Daarna kookte jij eitjes en aten we een ontbijt van toast met eieren alsof de dingen die we gezegd hadden niet van belang waren.   We zouden met de fiets naar het kunstenfestival gaan. Ik had er wel zin in, en ook weer niet want ik was nog boos en ik was bang om bij al dat moois ontmoedigd te geraken. We zouden met de fiets gaan, hoewel het best een eind was en de ochtend al een stuk opgeschoten was door die ruzie en dat ontbijt, en ik nog een doos pralines moest gaan kopen voor de verjaardag van mijn moeder.   Na een kilometer had jij al dorst en toen ontdekten we dat we het flesje met kraantjeswater waren vergeten. Tenminste, jij vond dat ik het vergeten was, terwijl ik dacht dat jij het op het aanrecht had laten staan. Want jij had het gevuld.   Voor we verder reden betastte jij de achterband van je minifiets en stelde ik de overbodige vraag of we een fietspomp bijhadden. We reden nog een eindje verder en zagen een man en een vrouw die de fietsostrade zochten. Zij hadden een fietspomp bij.   Na het pompen leek de band nog platter te worden en we keerden terug. Ik dacht dat we naar huis zouden gaan en in bed zouden gaan liggen, maar jij vond een fietswinkel die open is op zaterdag en voor twee euro werd je band opnieuw opgepompt. Of er een scheurtje in de band was, kon de man niet zomaar zeggen. Je zou het wel merken zei hij.   En dus reden we nog niet naar huis, maar namen we een kortere weg naar het punt waar we rechtsomkeert hadden gemaakt. Ik reed achter jou om je achterwiel in het oog te houden. Soms reden we naast elkaar en bespraken we scenario’s waarin de band het begaf en we op een plek zouden zijn waar geen openbaar vervoer was.   De knooppuntroute die jij uitgestippeld had, bracht ons langs holle wegen, bospaadjes en smalle straatjes met veel lelijke en een paar mooie huizen, weiden met paarden en tuinen met caravans en plastic stoelen. Ik keek vooral naar je achterband.   Het flesje water dat we bij een benzinestation hadden gekocht was bijna leeg en we kregen honger. Ik dacht niet dat we bij het kunstenfestival zouden geraken als we niet eerst wat zouden eten. We verlegden ons doel en keken nu uit naar een café of een eethuisje waar we iets kleins maar voedzaams te eten zouden vinden.   In Boom vonden we een café met een prachtig terras aan het water. We gingen binnen zitten want we waren al een paar uur buiten geweest en het deed goed om even geen wind te voelen. We waren te hongerig om kieskeurig te zijn en aten dingen die we anders nooit in een café eten omdat we ze thuis zelf veel beter kunnen maken: jij pannenkoeken en ik croque monsieur. Ik bedacht dat ik je zelfs nog nooit ergens anders dan thuis pannenkoeken had zien eten. Het was alsof je weer een beetje nieuw voor me was.   Door het eten kwam er weer kracht in mijn armen en benen, en bemoedigd spreidde ik de kaart op de tafel. Het kunstenfestival was nog erg ver. We zouden er aankomen als alle gedichten al voorgelezen waren en de mensen hun spullen en kinderen al aan het verzamelen waren om naar huis te gaan.   Je stelde voor om naar huis te rijden over een andere knooppuntroute. Ik voelde spijt en opluchting en eerst meer spijt dan opluchting, maar daarna een soort kinderlijke blijheid dat we terug zouden keren.   We liepen naar onze fietsen en ik liep achter jou. Ik zag je naar het stuur van je blauwe minifiets grijpen en mijn blijheid werd plots groot en wijd en onbegrijpelijk intens en na een paar seconden kwam het gevoel mij bekend voor. Ik nam je gezicht in mijn handen en ik kuste je mond en ik zei dat ik helemaal niet van je weg wilde, dat jij mijn allerliefste bent.   We reden weer naar huis, langs het glinsterende water, langs bomenrijen en een veld waar kraaien opvlogen die in hun vlucht kleine spartelende vogels meenamen. Ik reed achter jou en de hele rit bleef ik me verbazen over wat mijn hart met me doet als ik naar jou kijk.  

Christine Van den Hove
16 1

De stad

1. Hij wandelde en zag de tuinen – de druppels water vielen op zijn hoofd – er waren nergens mensen in de straten, de lucht was donker en hij was alleen.   Toen hij een kind was zag hij achter alle vensters het bewegen van gordijn en altijd was hij bang dat uit zo’n raam een vuist zou opgestoken worden.   Maar nu hij groot was zag hij dat uit al die lege vensters niet gekeken werd en wilde hij niets liever dan dat men uit zo’n raam zou roepen, schelden, iets.   Dat ze hem zagen.   Er was niemand in de lege straten. Hij wist niet meer wat hij hier deed. Zijn voeten liepen naar de plaatsen waar hij nooit eerder was geweest. Vooral als kind.   Vooral als kind.   Het duister was als een beschermend laken, maar kil – de nachten die hij doorbracht zonder deken (hij voelde nog de kou) tegen een boom geleund omdat hij   niet meer durfde: dat ene huis tussen de vele binnengaan uit angst dat het zijn huis niet was (en dat was vroeger). Nu wist hij zeker dat het zijn huis niet was.   Dus als een droom liep hij nu door de blinde straten al bleef de regen vallen.   2. Hij wist dat hij zijn gras moest maaien in de voortuin en ooit het onkruid moest verdelgen dat al voor de ramen groeide. Misschien was het te laat.   Want aan de voorkant van het huis viel toch geen licht naar binnen en niemand keek ooit naar zijn tuin dus niemand zou het zien als hij er planten –   Hij was alleen.   Soms dacht hij nog dat hij de wereld haatte met al zijn schimmen en zijn smalle straten. Maar dan besefte hij dat hij zelfs dat niet kon. Niet meer.   Een bos, hoe zag een bos eruit?   De ochtend zou als licht zijn, en niet het opentrekken van gordijnen, de zon zou in zijn moeë ogen priemen hij zou niet zelf de ochtend moeten maken.   Teleurstelling van mist achter het raam.   3. Misschien moest hij zijn bed niet meer verlaten de blinden laten waar ze altijd waren het duister van de nacht en van de dag was toch gelijk voor hem.   Hij zou de dagen niet meer tellen.   Als hij na jaren buiten kwam, zou iemand hem dan kennen? Wie haalde hem nog ooit uit deze tuin vol onkruid waarin je niet meer kon verdwalen   waarin geen rozen bloeiden om doorheen te hakken. Zou iemand ooit zijn stoep –   Wie keek er nog naar hem vanuit de warmgedampte ruiten van de andere huizen?   Wie nam hem mee?

jépé
0 0

kunstelend plooien wat dialoog wil

niet, het is niet, niet dat ik uweg, op stang, over de klingof zowil jagenmaar jagen, dat doe ik, na. iets, in de zin, tegenstelling met, niets. nee, simpel, ben ik, maar niet wanneer, nee,maar niet waarom, ben ik, moeilijk doe ik ooktoch ben ik, zo, gewoon, als. als bakstenen, nog verpakt, in plastic, dat ook nog,emotieloos, gekunsteld, toch ondoordacht, want soms regent het op hen, op me, en dan wekt daar, meestal binnen afzienbare afstand van een wekker, emotie, maar meestal dan, in de zin van, afzienbaar enkel toepasselijk, toepasbaar, of zegbaar over een periode, die dan ook nog niet lang dient te zijn, laten we de afstand betrekkelijk noemen, overbrugbaar op zijn minst mits, mits. hopelijk. als bakstenen dus, bakstenen, bakstenen die van geen huis weten, geven, geen thuis, welk woord dan ook heilig mag wezen, weet van houden niet wat aan te vangen met hem, dat is, ik, mij, mezelf, ziet u stiekem genot hier kent geen methode, geen reden tot verbergen, want mijn knedende handen die die bakstenen, tweemaal die, die bakstenen met liefde de oven instuwen, duwen en iets stapelen, om de bouw, het overzicht, uitzicht ervan, dan, aan een ander over te laten, het zou bijna durven zeggen, als een schilderij, leest u mij af, gebruik uw vinger om mij te volgen, en de vervalser, weet, weet ik, weet u, weet het altijd beter, is van een doorzicht, een inzicht voorzien, dat van handen een gebaar maakt, dat hem niet toebehoort, maar wel de ogen die zijn werk aanschouwen. slagen, dat willen, dat kan ik niet, het is niet, niet dat ik uweg, op stang, over de klingof zowil jagenmaar jagen, dat doe ik, na.

IT
0 0

Ledematenweegschaal

Tussen de wakke blaren plantte een trieste voet zich neer. De kuit rillend van inspanning. Een vochtige voet, hunkerend naar een handdoek en droge sokken.   In zijn armen de stukken van een zoon. Een zoon die hij nooit goed had gekend.   Als mensen beginnen schreeuwen en jij weet niet waarom.   Een tweede voet plantte zich neer, en twee knieën, geknikt door teveel aan volharding.   Doorheen de dikke flarden mist kon hij nauwelijks zien wat er in zijn handen lag.   Dat besef sijpelde koud door zijn ledematen.   Dagenlang al in deze bossen die hij dacht te kennen maar toch in verdwaalde.   Met zijn zoon in zijn handen, en zijn handen in zijn haar.   Afleiding is belangrijk, en de eerste dag had hij daar geen gebrek aan gehad. Zijn zoon had hem beschuldigd, met ogen vol angst, droog van paranoia, dat ze verdwaald waren door zijn schuld.   De jongen wist niet beter, hield de man zich toen voor. Hij heeft een grote mond, maar een klein hartje. En hij is zo snel moe.   Hij moet gedragen worden.   Paranoïde, droge ogen, het enige droge in deze vochtige vallei, hadden voor zijn afleiding gezorgd, en daar was hij nu dankbaar om, want afleiding is hetgeen een kostbaar goed zou worden.   Hij was meer dan een vader, hij was een man met trots in zijn leven, die macht had over anderen.    Hij beet op zijn kaken. Niet alleen omdat hij honger had, maar ook om die verdomde mist uit zijn mond te houden. Het gat van de tand die zijn zoon de eerste dag had uitgemept pikte als hij zijn mond opendeed.   Het is oorlog en we moeten vluchten of iedereen gaat eraan.   ‘Zie je wel,’ zou zijn wijlen moeder gezegd hebben moest ze niet jaren eerder in haar bed zijn gestorven. Met haar hoofd vol angst na een leven lang oorlog vrezen in vrede.   Maar nu was het zover. De aap in hem vluchtte terug naar waar ooit menselijkheid onstond miljoenen jaren geleden: de bossen. Maar dan in het verkeerde continent.   Zijn zoon woog terug even zwaar als toen hij drie jaar was. Zijn zoontje.   Hij kon niets zien in de witte massa voor hem, net als op skivakantie, en ook nu, kon hij elk ogenblik geen grond meer onder zijn voeten voelen. Geen zicht, geen smaak, enkel het ruisen van zijn adem door de mist, en het gevoel van zijn zoontje in zijn armen. Meer had hij nooit gewenst.    Zijn zoon was zwaar en oud geworden.   Zijn vrouw was zwaar en oud geworden.   Hij daarentegen, voelde zich hetzelfde, maar dan tussen oude mensen.   Zwaar, oud, en dood.   In de middeleeuwen zou hij gehandicapten en criminelen zijn tegengekomen in dit bos, maar nu enkel gestalten van geschaduwde bomen. Daar legde hij zijn zoon neer, die ooit zoveel kansen had gehad, maar nu een mens in stukken was.   Prachtig hoofd dat ooit naar hem had opgekeken, maar hem de laatste jaren had beledigd.   'Een tijdbom. Die jongen gaat nog eens ontploffen.'   Het hoofd moest vergaan maar het hart zou hij houden. Om hem te vergezellen door zijn tocht in de mist. Door het bos van de mensheid, op zoek naar resten goedheid.                      

Han Hartmoed
0 0

Een bloedstollend feest

De nacht viel over de dichtbeboste heuvels van het Land Voorbij de Wouden. In een doodse, onheilspellende stilte bescheen een met wolken omfloerste maan het kasteel op de heuvel, en gaf het een griezelige aanblik. Ver weg in het woud scheurde het gehuil van een eenzame wolf de nacht in twee.   Een hobbelige weg dwars door de bossen was de enige toegangsweg naar het kasteel, dat omringd was door een ravijn. De ophaalbrug was opgetrokken, waardoor het slot, met zijn vele spitse torentjes en zijn honderden kamers, als hermetisch van de rest van de wereld afgesloten was. In vele kamers brandde licht, waardoor men vermoedde dat het bewoond was. Niemand had echter ooit iemand zien binnen- of buitengaan en de valbrug werd nooit neergelaten. In het dorp in de vallei leefde het vermoeden dat hier wel eens de sleutel kon liggen voor de vele verdachte verdwijningen in de streek, al had niemand enig bewijs om dit vermoeden te staven.   Van de maan ging een mysterieus licht uit, een seconde maar, niemand die het opmerkte. De stralenbundel richtte zich op het kasteel, zweefde over het ravijn, onder de spleet tussen de arduinen dorpel en de massieve houten poort naar binnen, de krakende trap op naar boven. Als iemand zich al in de buurt had gewaagd op dat ogenblik, zou die zeker verstijfd hebben toegekeken hoe het licht zich een weg naar boven baande, zich door het sleutelgat van de zolderdeur wrong, en daar door een kier onder het deksel van een doodskist verdween.   Gedurende enkele seconden gebeurde er niets. Tot piepend het deksel van de doodskist openging en een witte gestalte uit de kist oprees...   “Hhhhmmmmppffff!!!”, zuchtte de verschijning, die zich weldadig uitrekte en een angstaanjagende lach liet horen. “Aaarghh, wat heb ik goed geslapen vandaag! Maar genoeg gerust nu. Tijd om op te staan!”   De gedaante had een doorschijnend witte huid, holle ogen, zwart haar en lange nagels. Hij kroop de kist uit en stommelde naar de deur en de trap af. “Amai, mijn hoofd tolt en mijn maag voelt als een vat zuur,” klaagde hij luidop, “Stommeling! Waarom heb je vorige nacht ook zoveel groep A gedronken? Je weet dat je het niet kan verdragen.” Wat waar was. Groep A was totaal zijn ding niet. Keer op keer hield hij er een gevoel aan over alsof een vleermuis zijn maagwand aan het opvreten was. Maar het smaakte zo lekker zoet en hij kon er niet aan weerstaan. Hij zou zich beter bij groep B en O houden. En eventueel AB. Daar zat ook nog een beetje van de A-smaak in, maar hij hield er tenminste geen zwarte kater aan over.   Hij stommelde verder naar beneden, ging de badkamer binnen en keek in de spiegel. Niets te zien! Goed zo, alles was in orde. Natuurlijk was het dan wel moeilijker om zijn tanden in te steken en zijn cape juist aan te trekken. Als laatste vertegenwoordiger van zijn roemrijke adellijke geslacht hechtte hij veel belang aan een verzorgd uiterlijk.   “Morana!”, riep hij, en het galmde doorheen het hele kasteel. Spinnen kropen weg bij het horen van zijn stem en de ratten in de kelder bleven stokstijf zitten. Algauw hoorde hij voetstappen naderen. Hij herkende de lichte tred van zijn geliefde Morana, met haar 208 jaar een kleine honderd jaar jonger dan hijzelf, waardoor zijn soortgenoten hem soms groen van jaloezie nastaarden.   “Mijn lieffte Vrykolakaff”, kirde ze bij het binnenkomen, “Ik heb vo heerlijk gedroomd over vorige nacht. Ik fidder van verlangen voor wat onf komende nacht te wachten ftaat!”   “Kan ik geloven”, gromde Vrykolakas, “Maar wil je wel eerst je gebit insteken? Je uitspraak lijkt nergens naar!”   “Oei”, giechelde Morana, en ze haalde uit een ivoren doosje een hagelwit gebit dat ze snel in haar mond stak. “Zo, teerbeminde Vrykolakasje. Wat kan ik voor je doen dat je mij geroepen hebt?”   “Wil je mijn cape halen? Ondertussen vijl ik nog even mijn hoektanden bij. En zorg dan ook maar dat je klaar bent. Je weet dat we een rendez-vous hebben met Graaf Dracula en Adachi-Moor om de feesten in de vallei te gaan opluisteren.” De laatste opmerking ontlokte aan hem een duivelse lach, maar Morana liet een pruilmondje zien.   “Is dat die Japanse vleermuis met wie Dracula tegenwoordig zo opschept? Ik moet haar niet erg, weet je,” pruttelde ze.   “Hoe dan ook, je gaat mee,” sommeerde hij haar, “En je zorgt ervoor dat je je manieren houdt, hoor je.” De laatste keer dat ze ergens de pest in had gehad, had ze Graaf Dracula, een van zijn betere vrienden, en een belangrijke rader in zijn netwerk, beledigd door te zeggen dat zijn toenmalige vriendin naar knoflook rook, en hem later ook nog eens vol bloed gekotst nadat ze teveel gedronken had.   “Zullen Incubus en Succubus er ook zijn?” vroeg ze. En ze was opgelucht toen Vrykolakas bevestigend knikte. Het waren twee onnozelaars, die met hun slachtoffers eerst de liefde bedreven, voordat ze hun levenskracht opzogen. Maar ze trokken zich nergens van aan en je kon er lol mee trappen. Ze zou zich wel met hen amuseren.   Toen ze klaar waren, kropen ze in hun vleermuismobiel en vlogen de heuvel af. In de dichtbeboste vallei was een dorp dat elk jaar zijn doden herdacht met een groot feest. In de hele omgeving hingen lampionnen die het dorp spookachtig verlichtten. De herbergen zaten vol met feestgangers en in de gemeentelijke zaal speelde een orkest ten dans. In de achterafstraatjes echter was waar het echt gebeurde voor de vampieren. Daar lagen de beschonkenen hun roes uit te slapen, speelden occasionele koppeltjes het heimelijke spel van de verboden liefde en keken onvoorzichtige puberknaapjes zich de ogen uit hun kassen, om nog te zwijgen over hun andere, allerindividueelste handelingen. Daar was het echter ook het donkerst, en waren de mensen nonchalant en onoplettend, meer bezig met hun onweerstaanbare verlangens dan met de gevaren die overal loerden. Dat was ook het doel van Vrykolakas en Morana, Graaf Dracula en Adachi-Moor, Incubus en Succulus. Zoals elk jaar beloofde het weer een feestelijke nacht te worden. Het bloed zou over hun hals stromen toen ze hun scherpe hoektanden erin plantten en ze zouden het gulzig en laveloos opdrinken.   Groot was dan ook hun verbazing toen ze merkten dat er in de donkere straten rond het feestende centrum geen levende noch een dode ziel te bespeuren viel. Dit dreigde een afknapper te worden. Vrykolakas vloekte: “Vervloekt zijn de hoorns van Nosferatu! Hier is niemand. Wat nu?”   “Ja, wat nu? Ik heb honger hoor,” kirde Morana. “Ik heb ook hongel,” sprak Adachi-Moor strijdlustig, “Als Mozes niet naal de belg wil komen, moet de belg maal naal Mozes gaan!” “Wat bedoel je, lieverd?” vroeg Graaf Dracula, “Je wil toch niet naar binnen gaan? Stel dat iemand ons herkent!”   “Waalom niet?”, sprak Adachi-Moor, “Ik heb hongel, dolst, en velschlikkelijk veel goesting! En we kunnen nog een feestje meepikken. De mensen weten toch niet dat wij vampielen zijn. En iedeleen is velkleed vandaag.”   Daar hadden ze geen argumenten meer tegen. En hoewel niet erg op hun gemak waagden ze zich toch naar binnen in de dorpszaal waar het orkest speelde. Binnen was het tamelijk donker, de zaal was slechts schaars verlicht met kaarsen die in uitgeholde pompoenen brandden. De mensen zongen, dronken en dansten en letten schijnbaar niet op de vier vreemdelingen die net binnengekomen waren en die op het eerst gezicht niet opvielen. De vier vampieren begaven zich naar het midden van de zaal om een beter zicht te hebben op hun toekomstige slachtoffers. Nog altijd trok niemand zich van hen iets aan. Tot ze in het midden van de zaal aanbeland waren en ze iemand recht op zich zagen afkomen. De man torste een groot kader met zich mee, en toen hij zich vlakbij hen bevond, draaide hij het kader om. Het bleek een spiegel te zijn...   Op dit moment ging de muziek over van een wals naar een steeds sneller en dreigender Slavische dans. De menigte stopte met praten, zingen en dansen en iedereen draaide zich om naar de vier lijkwitte gedaanten in het midden van de zaal. Er vormde zich een dreigende kring rond hen. En voor iedereen die de voorkant van de spiegel zag, kwam de griezelige werkelijkheid als een slag in het gezicht.   De stemming werd nu nog dreigender. De plastieken drietanden, die door de vampieren als feestattributen aanzien werden, bleken omhulsels te zijn voor houten kruisen, onheilspellend voorzien van scherpe punten. De dotjes in het haar van de oude vrouwtjes bleken trossen knoflook te zijn. En terwijl de vier vampieren elkaar verschrikt en in paniek aankeken, ontspon zich voor hun ogen hun gruwelijke lot...   In het kleine dorpje in de vallei nabij het duistere slot in het Land Voorbij de Wouden is  sindsdien nooit nog iemand als vermist opgegeven. Rond het kasteel zijn wel regelmatig onheilspellende stormen. Erna vliegen vleermuizen in groten getale ijselijk krijsend door de vallei, alsof ze op zoek zijn naar iets. De autoriteiten zoeken tevergeefs naar de eigenaars van het kasteel. Maar in geen enkel archief is iets over de herkomst ervan terug te vinden; geen eigenaar, geen bouwheer, geen plannen. Alsof het slot in werkelijkheid niet bestaat.

Koen Vanantwerpen
0 0

Transparantie (intro)

Er was niemand te zien die morgen. Niets. De mist lag in dikke lagen over de weiden, zodat je de bomen achteraan niet meer kon zien. De koude, vochtige lucht drong door tot op het bot. 'Maar jij bent altijd vrolijk, nietwaar, Boris?', zei Nicky. 'Vooral als je weet dat je snel eten gaat krijgen'. Nicky zette voor zichzelf koffie en schonk voor Boris een beetje lauw water in zijn drinkbak. Nicky dronk haar koffie rustig uit, de hond dronk gulzig van het water. 'Moet je een paar hondenbrokken hebben? Ja?', beantwoordde ze zijn vragende blik. 'Kijk eens hier! Als je dit hebt opgegeten, kan je er weer voor een tijdje tegen'.   Vaak bracht ze haar ochtenden op dezelfde manier door: pratend tegen Boris, geduldig koffie drinkend. De mist was het enige dat varieerde van seizoen tot seizoen. In de zomer hing er in de plaats van mist soms een zwerm muggen in de lucht, die aangetrokken werden door de beek in het bos aan de overkant. Op zulke dagen was het moeilijk om goed te slapen door de vochtige warmte, terwijl het nu de kilte was die haar 's nachts wakker hield. Een warmer donsdeken zou ze misschien wel kunnen gebruiken, maar de kou leek altijd zo plots te komen en de dichtstbijzijnde winkel die donsdekens verkocht, lag al snel tientallen kilometers verder. Daar kwam nog eens bij dat ze weinig zin had in rijden, zoeken, kiezen, geld uitgeven, … 'Ik heb het goed hier, zoals het nu is', zei ze tegen zichzelf. Boris kwam naar haar toe gelopen. Hij leek het te beamen.   De mist trok maar niet op.

Evelien W
0 1

De achtste vrouw

Ik ben Aimah, achtste vrouw van de hoge Tsoekran. Sinds de dood van mijn tweede zoon vrees ik voor het leven van mijn ongeboren kind. Niemand mag het weten, zelfs de hoge Tsoekran niet. Want het kind is niet van hem.   Toen Rima ziek werd, wendde ik me in wanhoop tot de Aishnaripriesters. Zij worden door het hof geminacht vanwege hun zachtmoedige inborst en liefdevolle levensstijl. Die gebiedt hen ieder te helpen die in nood is. Ik hoorde dat Tsahib, de Meester Aishnari, in de hoofdstad was en zond hem mijn vertrouwelinge. In het grootste geheim bracht ik hem mijn zieke zoon van amper drie jaren. Zodra Tsahib hem zag, schudde hij droef het hoofd. ‘Hij is in de ban van een kwade kracht waar mijn Gezangen geen vat op hebben. Een kwade kracht die in het paleis broeit en de onschuldige prinsen treft.’ Mijn hart brak bij het horen van dat harde oordeel. Het bevestigde mijn bange vermoedens. Ik kon het echter niet aanzien om mijn zoon te zien sterven, niet nog een keer. Ik smeekte en pleitte, huilde en brak. Was er niet iets wat hij kon doen? Het minste om mijn jongen wat meer tijd te geven? De Meester Aishnari zwichtte, nam het kind uit mijn armen en Zong. Het was het mooiste geluid dat ik ooit gehoord had. Het was als het fluiten van de wind door de hoogste toren van het paleis. Maar de klank was voller, zachter en tegelijk zo enorm krachtig. Ik voelde me omringd door een warmte alsof ik mijn moeders armen om me heen voelde en weer kind mocht zijn. Toen de klank uitdoofde, was ik hoopvoller dan ooit. Mijn zoon opende zijn ogen en reikte klagend naar mij. Tsahib zuchtte. ‘Hij zal wat langer leven,’ zei hij, ‘maar niet veel.’ Ik wist niet of ik moest lachen of huilen, dus deed ik beide. Ik weet nog steeds niet waarom, maar ik reikte naar Tsahib en hij sloeg zijn armen troostend om me heen. Even snel verbraken we de verboden omhelzing, maar het zaad van de liefde ontkiemde in mij als een lamp die ik met geen middelen meer kon doven. Elke keer dat Rima de dood nabij was, zocht ik Tsahib op. Elke keer verlengde hij het prille leven en troostte hij mij. Uiteindelijk ging ik meer om hem te zien en zijn Zang te horen dan om mijn zoon, van wie ik langzaam maar zeker afstand nam. Die laatste nacht verleidde ik Tsahib onder het mom van verdriet en hij zwichtte en viel. Rima lag stil en stervend in de andere kamer. Toen ik wakker werd, lag mijn zoon slapend in mijn armen. Hij was voor de laatste keer geheeld van het gif dat zijn lichaam opvrat. Ik wist het, Tsahib wist het, Rima wist het. Alsof hij ouder was dan zijn leeftijd deed vermoeden, sloeg hij zijn ogen naar mij op in een stille smeekbede hem eindelijk te laten gaan. Ik kon het niet. Pas toen ik nieuw leven in mij voelde ontkiemen, was ik klaar om hem los te laten. Hij stierf en ik treurde. De hoge Tsoekran, mijn echtgenoot die ik met veertien andere vrouwen deel, treurde. Maar zijn verdriet was afgevlakt door de vele zonen die hij reeds aan de erfopvolging had verloren. ‘Weer één,’ moet hij gedacht hebben toen hij naast mij stond en naar de rituele verbranding van zijn, mijn zoon keek.   Ik ben Aimah, achtste vrouw van de hoge Tsoekran. Sinds de dood van mijn tweede zoon vrees ik voor het leven van mijn ongeboren kind. De rouw staat me toe me zeven maanden afzijdig te houden. Het vormeloze zwarte kleed zal mijn vormen verhullen. Maar waar kan ik een kind verbergen? Ik heb reeds een week niets van mijn vertrouwelinge gehoord. Ze zoekt Tsahib, de Meester Aishnari. Zal hij mijn, zijn ongeboren kind kunnen redden?

Lyne Uytterhoeven
0 0

Hier zijn

De zon roept me op, maar ik ben nog niet klaar om wakker te worden. Ik lig met mijn hoofd op jouw borstkas, met mijn kloppend hart tegen jouw warme lijf, met jouw zachte toch sterke armen om mij heen terwijl jouw liefhebbende handen onbewust en dromerig mijn rug strelen. We ademen op hetzelfde ritme. Ik ben rustig, tevreden, volmaakt. Er is geen betere plek op deze wereld om te zijn dan hier. Hier is geen exacte locatie. Hier is bij jou en bij jou kan overal zijn. Als ik niet bij jou ben, dan ben ik nergens. Daarom wil ik ook niet wakker worden. Dat wil zeggen dat de tijd aanbreekt om nergens te zijn tot het weer tijd is om hier te zijn. Ik ben niet graag nergens, want het is daar minder warm dan hier. Ik wist niet dat ik nergens was, tot ik hier was.De zon wordt sterker en wint de strijd met de nacht. Ze wordt verwelkomd door fluitende vogels, drukker verkeer en lachende kinderen die naar school trekken. Ik ben wakker, maar ik ontken het. Ik doe alsof ik nog slaap. Jij ook. Al voelen we beiden dat de ander wakker is. We verkiezen om nog even langer hier te zijn. Om nu te zijn. En niet ergens anders op een ander moment. Op dit moment haat ik tijd. Ik wenste dat ik het stil kon zetten en dit simpele, perfecte moment van geluk pas moest verlaten als ik er klaar voor was. Ik vermoed dat ik er nooit klaar voor zou zijn en dit moment voor altijd zou willen beleven. Ik ontwaak uit mijn sluimerslaap. Mijn bed voelt leeg en koud. Jij bent er niet meer. Ik begrijp niet waarom je er niet meer bent. Ik besef dat ik al een jaar elke ochtend zo wakker word en telkens weer mijzelf afvraag waarom ik niet wakker word in jouw warmte. Ik begrijp niet waarom ik eraan blijf vasthouden. Ik heb het eigenlijk niet meer vast. Wat ik vasthoud is al weg. Ik wil voort, maar jouw herinnering houdt me hier. Hier is nu daar. Daar is niet hier. Waarom doe ik alsof daar hier is? Het enige antwoord dat klopt is dat ik hier wakker word in plaats van nergens. Daarom houd ik vast aan het hier dat nu daar is. Hoe neem ik afscheid van jou? Ik wil verder, ik wil je loslaten. Vertel me hoe ik hier kan vinden zonder jou.  Het enige wat ik wil: hier zijn, maar ik lijk het niet te kunnen zonder jou. 

Voguish
0 0

Superman

De tafel waaraan we onze boterhammen eten, is wankel. Dat is al zolang ik me herinneren kan, maar er is niemand die ernaar omkijkt. Op den duur vergeet je dan ook dat het ooit anders is geweest. Ik hou ervan om, wanneer ik eet, beurtelings met elke hand op het tafeloppervlak te duwen. Als ik daarbij mijn handen ver genoeg uit elkaar spreid, wankelt de tafel harder, zodat de melk in mijn glas beweegt. Ik stel me dan graag voor dat ze er weer uit wil omdat ze heimwee heeft naar het brik. Soms geeft mama me een standje en zegt ze dat ik niet mag spelen aan de tafel. Soms zegt ze niets, en staart ze nietsziend uit het keukenraam naar buiten, waar de blinde muur van het belendende gebouw het troosteloze uitzicht vormt. Na het eten speel ik meestal nog wat in de woonkamer. Ik hield altijd het meest van mijn verzameling steentjes. Ik heb hen vergaard op weg naar school en terug. Elk van hen heeft een speciale vorm en stelt een Pokémon voor uit het tijdschrift dat ik kreeg voor mijn verjaardag. In mijn klas had iedereen echte Pokémonpoppetjes. Die toonden ze aan elkaar op de speelplaats. Ik had enkel het tijdschrift. Ik zei hen niet dat ik geen poppetjes had. Ik zei hen er helemaal niets over. Een keer deed ik dat wel. Ze lachten me uit. Het eindigde met een blauw oog en gesmoord gesnik in mama’s rokken. Ze streelde me over mijn haren. Zei dat ik geen poppetjes nodig had om gelukkig te zijn. Maar ik hoorde het in haar stem. De pijn. De schaamte. Soms waren er van die dagen dat de fantasie niet wilde komen. Dagen waarop het grijs in het zwerk zo ondoordringbaar was, dat het zelfs de wijzers van de klok leek te vertragen. Dan zat ik lusteloos op de grond en rolde wat met de steentjes op en neer. Maar in het doffe licht dat door de ongelapte ramen naar binnen viel, kon ik er met de beste wil van de wereld geen Pokémon in zien. Mama streek dan over mijn haren, en moedigde me aan om het toch te proberen. Soms deed ik dat, maar soms bleef ik nukkig voor me uit zitten staren, de verveling om me heen gedrapeerd als een te dik, verstikkend deken. Het was op een van die momenten dat het mij voor het eerst opviel. Ik wierp een steelse blik op mama. Ik hoopte dat ze misschien naar mij keek en zag hoe ik me verveelde, zodat ze toch Pokémon voor me zou kopen, hoewel ik diep vanbinnen wist waarom dat niet kon. Maar ze keek naar me met een heel andere blik. In haar ogen las ik een mengeling van spijt en bitterheid die haar knappe gezicht lelijker maakte. Die avond hoorde ik haar huilen. Ik greep het lakenpunt vast en balde machteloos mijn vuisten. Boos liet ik mijn tranen de vrije loop en viel uiteindelijk in slaap, gewiegd door de regelmaat van mijn snikken, in dezelfde maat als het gedempte gehuil van mama onder mij. Nadien heeft ze nooit tegen me gezegd dat ik haar zo verdrietig had gemaakt. Het schuldgevoel daarover maakte me beschaamd, zodat ook ik er met geen woord over repte. Maar er veranderde wel iets. Op een dag merkte ik dat mama de krant had gekocht. Normaal deed ze dit nooit. Ze keek ernaar zonder de bladzijden om te draaien, en toen ze mijn blik merkte, legde ze de krant weg en glimlachte afwezig naar me. Iets in de manier waarop ze me had aangekeken, verried een zenuwachtigheid. Ze stond op en wandelde naar de keuken. Ik inspecteerde het blad in de krant dat ze las, maar er stonden geen tekeningen op, en lezen kon ik nog niet erg goed. Het was een bladzijde met allemaal kleine hokjes, die vol stonden met halve woorden waaraan ik geen touw vast kon knopen. Toen zag ik, in een flits, mama’s naam in een van deze hokjes. Maar ik hoorde haar terugkomen, en ging snel weer naar mijn speelgoed toe. Een tijdje nadat de bezoekers begonnen te komen, zag ik dingen veranderen in huis. Mama kocht af en toe eens kleren voor mij of voor haarzelf. Er werd iemand betaald die de ramen kwam lappen. Het licht dat de kamer binnenviel, liet de meubels er helemaal anders uitzien. Had het bankstel altijd al die vrolijke kleur? Op een ochtend stonden de ontbijtgranen in de kast waarvoor ik steeds zeurde in de winkel, maar die ik nooit kreeg. Ik lachte. Mama lachte, want ik was gelukkig. Maar de echte verrassing kwam na een paar weken. Toen ik thuis kwam van school, stond er een grote doos op de tafel. Nieuwsgierig gleden mijn ogen over het zilveren inpakpapier en de gouden strik. Mama had zitten wachten tot ik er was. Zenuwachtig veerde ze recht, drukte haar sigaret uit in de assenbak en presenteerde het cadeau zoals de meisjes in de gezelschapsspelen op tv de vaatwasmachine presenteren aan de winnaar: met wapperende handen en een kamerbrede glimlach. Even aarzelde ik; geloofde het niet. Zulk groot cadeau? Voor mij? Mama moedigde me aan met een trots knikje. Toen viel ik aan. Ik scheurde het papier open en zag wat erin verscholen zat. Een doos met daarin een verzameling van tien Pokémons. Mijn kreten vulden het appartement met een blijdschap die het zelden had gekend. Dagen, weken lang was ik niet weg te slaan van mijn poppenspel. In mijn fantasie speelden zich fabelachtige Pokémongevechten af. De vraag waar mama dit plots vandaan had gehaald, kwam helemaal niet in me op. Daaraan denk ik nu terwijl ik in mijn bed lig. Ik hoef niet op mijn klok te kijken om te weten hoe laat het is. Dat heb ik te danken aan het feit dat de gordijnen van mijn slaapkamerraam te kort zijn. Door de spijlen van mijn bed zie ik een rechthoek, op de vloer getekend door het licht dat onder de te korte gordijnstof door de kamer binnenglipt. Eerst bevindt hij zich bij de deur. Hij tekent een felle vlek op het blauwgrijze linoleum, en naarmate hij opschuift, wordt hij steeds zwakker. Nu is het laat, want de lichtbalk is tijdens zijn reis over mijn kamervloer uitgerekt tot een diffuus, langwerpig vierkant dat steeds minder te onderscheiden is van het duister dat in de kamer oprukt. Het is bijna zo ver. Ik voel de spanning opborrelen in mijn maag. Een tintelen, vol van verwachting en stiekeme hoop. Mijn hand glijdt onder het kussen en strijkt daar over de synthetische stof. Ik weet wat er gaat gebeuren. Mijn hart begint sneller te slaan en ik sluit alvast mijn ogen. Een seconde, twee seconden, drie … Ik hoor haar voetstappen op de trap. Achter mijn geloken oogleden is het duister volledig. Ik hou me zo stil mogelijk, zodat ze niet weet dat ik nog wakker ben. Haar voetstappen worden steeds luider en stoppen tenslotte voor mijn slaapkamerdeur. Zoals elke avond opent ze zo zacht mogelijk de deur; en hoor ik haar binnensmonds vloeken wanneer die deur langgerekt piept, onverschillig voor het late uur. Ze trippelt naderbij en bukt zich over me heen. Haar parfum wolkt in mijn neusgaten op het moment dat ze zich naast me bukt en haar lippen vluchtig mijn voorhoofd raken. Het intense gevoel van rust dat nu over mij komt, is onbeschrijflijk. Al het wachten in de minuten sinds ik in mijn bed geklauterd ben, heeft geleid tot dit moment. Een nachtzoen van mama. Daarna vertrekt mama nog niet meteen. Mijn ogen blijven stijf dichtgeknepen. Ik hoor haar, ze ademt zacht. Ze zet een paar passen in de richting van de kast. Ik hoor hoe ze een paar van de steentjes neemt die Pokémon moesten voorstellen. Ik vraag me af wat ze nu denkt. Een paar tellen later triptrapt ze naar de deur, sluit die zo zacht mogelijk achter zich en loopt de trap af. Pas als ik het slot hoor klikken, besef ik dat ik mijn adem inhield. Daarna bekruipt me het gevoel van onbehagen. Het wachten heeft nu iets gespannen. Komt er vandaag weer eentje over de vloer, of niet?Het blijft enkele minuten stil nadat mama de trap weer is afgedaald. Daarna klinkt heel kort de deurbel, niet meer dan een aanzet tot een echt gerinkel. Wanneer ’s ochtends de postbode aanbelt, klinkt het altijd veel langgerekter. Ik heb me een hele tijd afgevraagd waarom de avondlijke bezoekers niet langer op de bel drukten. Als mama het nu toevallig eens niet hoorde? Maar ze opent de deur keer op keer, en dan hoor ik haar zacht kirren als antwoord op het diepe gebrom van de, altijd mannelijke, bezoekers. Uiteindelijk begreep ik het. Natuurlijk, het was zo simpel…Ze wilden mij niet wakker maken. Nu lach ik erom als ik bedenk dat het enkele weken duurde om tot dit besluit te komen. Ingespannen lag ik toen te luisteren om te achterhalen waarover hun gesprek ging. Maar het duister in mijn kamertje was dik, en sloot het af voor duidelijke geluiden van buitenaf. Soms hoorde ik lachen, soms werd er gewoon gepraat. Wat alle bezoekers echter gemeen hadden, was dat ze na een tijdje niets meer zegden. Ook mama zweeg dan. Meestal verplaatste het geluid van hun stemmen zich ook naar mama’s slaapkamer. De reden daarvan kon ik lastiger vinden dan die van het mysterie van het korte belgerinkel. Toch kon ik ook dit uiteindelijk achterhalen. Bij het eerste cadeau, mijn Pokémonpoppetjes, zag ik het nog niet. Maar toen mijn geliefde pak kwam, ging er een lampje branden in mijn hoofd. Ineens zag ik het allemaal helder voor mijn ogen, alsof ik er zelf bij was. Al de cadeaus die ik kreeg. Ik wist dat mama ’s avonds verkopers uitnodigde om over mijn cadeaus te praten. Wanneer ik op school was, kon ze immers niet naar de winkel gaan, want dan moest ze zelf werken! Nog twee keer schalt het korte, hoge rinkeltje door het appartement. Mijn maag trekt samen. Ik voel me als een tube die iemand leeg wil knijpen. Mijn hart schakelt in een hogere versnelling en ik luister ingespannen. In het begin klinkt alles net als anders. Een mannenstem en mama’s stem in gesprek. Stilte. Geluiden vanuit de slaapkamer. Op dit moment bundel ik al mijn concentratie op wat ik hoor. Ik denk automatisch terug aan die ene keer, maar dat mag ik nu niet doen; ik moet opletten! Toch komen de gedachten, ik kan het niet helpen. Het woedende geschreeuw van de man toen, en het angstige gehuil van mama. De volgende dag had ze een blauw oog, en kreeg ik ook geen cadeau. Toen ben ik gaan beseffen dat sommige verkopers gevaarlijk zijn. Daardoor rijpte het idee om het pak te vragen. Ik ben toch de man in huis. Ik moet mama beschermen. Na een tijdje gebeurde het dus. Ik was al bijna gewend geraakt aan het bijna dagelijkse klingelen van de bel en wat er daarna kwam. Mijn aandacht was verslapt en ik poogde niet meer om de conversaties beneden te volgen. Met een half oor ving ik nog een deel van het gesprek op en hoorde ik de slaapkamerdeur van mama dichtslaan. Mijn ogen sloten zich en gingen weer open. Sloten zich, gingen open. Het was heerlijk warm in mijn bed. Toen gebeurde het. Een snerpende gil en een doffe klap. Ik zat op slag rechtop in bed, klaarwakker. Een kwade vloek steeg op vanuit mama’s kamer en bonsde op mijn deur als een moker. Terwijl de adrenaline door mijn aders gierde, hingen mijn armen en benen er bij als gelatinestengels en weigerden ze alle dienst. Weer een gil. Mama! Ik moest iets doen, ik moest haar helpen! De kracht keerde terug in mijn benen en ik sprong het bed uit. Ik vloog de trap af. Mijn voeten raakten nauwelijks de treden. Ik hamerde met mijn kleine vuisten op mama’s deur en gilde haar naam. Meteen daarna werd de deur woest open getrokken. Een man kwam buiten gestormd. Ik viel op de grond; ik kon zijn gezicht niet zien. Hij banjerde naar de voordeur en sloeg haar met een knal dicht. Daarna hoorde ik niets meer. Alleen een loodzware stilte. Ik zag dat mama op haar bed lag, haar gezicht in het kussen gedrukt, haar schouders geluidloos schokkend. Het duurde een tijdje voordat ze erin slaagde zichzelf van het bed te plukken en naar mij toe te strompelen. Ze nam me in haar armen, en meer was er niet nodig. De tranen kwamen. Hoe lang we daar zo zaten weet ik niet. Ik werd de volgende ochtend wakker in mijn eigen bed. Zoals zo veel andere zaken, werd ook dit voorval niet meer besproken en door mama weggemoffeld achter de glimlach die ze altijd droeg. ‘Mijn kleine held’, fluisterde ze in mijn oor toen ze mijn kom met cornflakes voor me neerzette, en dat was dat. Ondertussen is het volledig donker in mijn kamer. Tot nu toe lijkt alles goed te verlopen. Maar ik blijf alert, sinds die ene keer. Ik heb al vaak geoefend wanneer mama even niet thuis was, en nu overloop ik in mijn hoofd wat er moet gebeuren. En dan zal ik die verkoper eens laten zien wat ik kan als ik mijn pak draag. En dan gebeurt het. Het komt zo onverwacht, dat ik twijfel of ik het wel goed hoorde. Een zwaar geluid, als een stoel die op de grond smakte. Mijn twijfel duurt een seconde, en dan hoor ik mama kreunen, en de man sist woorden die ik niet kan ontcijferen door de twee deuren en de trap die ons van elkaar scheiden. Het klinkt ingehouden, alsof ze niet willen dat ik het hoor. Nu weet ik zeker dat er weer wat mis is. Ik verwacht half en half dat mijn benen dienst zullen weigeren, maar mijn lichaam reageert koelbloedig, en doet precies wat ik ervan verlang. Meteen grijp ik onder mijn kussen, naar het pak, en trek het aan. Het synthetische blauw sluit zich rond mijn benen, de S prijkt op mijn borst. Mama heeft haar Superman nodig. Ik been vastberaden door mijn kamer, ruk de deur open, en ren holderdebolder naar beneden, met twee treden tegelijk. Het gekreun klinkt wanhopiger. Ik kom net op tijd! Mijn hand grijpt naar mama’s slaapkamerdeur. Mijn vingers sluiten zich om de klink en trekken, maar er gebeurt niets. Alleen het geluid binnen verstomt. Ik hoor hoe mama de verkoper tot stilte maant. Ik ruk nogmaals aan de deur, maar ze blijft vastberaden dicht. Ik twijfel even, en wordt bijna weer gewoon een jongen in een pak. Dan hoor ik mijn naam. Het is mama, ze klinkt vertwijfeld. Meteen daarna vloekt de man. Ik reageer bliksemsnel. Superhelden hebben geen deuren nodig om ergens binnen te komen. Mijn hele lichaam tintelt van de opwinding. Ik ren naar de kamer naast die van mama, de rommelkamer. Ik hol voorbij de strijkplank en de stapel wasgoed die erop ligt te balanceren. Ik open het raam en klim onhandig op de vensterbank. Gestommel hiernaast, en opnieuw weerklinkt mijn naam. Ik hoor paniek in mama’s stem en de deur van haar kamer wordt opengegooid. Dat is de verkoper, hij wil ontvluchten! Maar hem krijg ik nog wel te pakken. Eerst moet ik mama redden. Ik sta nu rechtop in de raamopening, de wind buiten strijkt kil langs mijn benen doorheen de stof van mijn superheldenpak. Ik slik. De drukke straat, acht verdiepingen onder me, lijkt even slingerend te bewegen terwijl mijn blik zich aanpast aan de diepte. Ik heb nog nooit gevlogen, maar het is slechts een paar meter naar het slaapkamerraam van mama. Ik mag nu niet nadenken, ik moet vertrouwen op mijn pak. Ik kom eraan, mama! Ik zet me af, en net op dat moment komt er iemand binnengestormd achter me. Mama gilt nu heel dichtbij. Met een ruk draai ik me om, een blik van onbegrip in mijn ogen. Is ze dan niet opgesloten? Ik zie haar op me afkomen in een sneltreinvaart. Ze draagt enkel ondergoed, net als de man die achter haar aankomt. Ik begrijp het niet. Waarom gillen ze zo angstig? Waar zijn hun kleren? Ik wil me volledig omdraaien. Ik verzet mijn voet. Maar ik zet hem verkeerd, er is geen ondergrond. Mijn been glijdt weg, mijn lichaam kantelt en het andere been volgt. De ogen van mama worden nog groter voordat ze uit mijn gezichtsveld wegkantelen. Ik zie de lucht boven me, en voel hoe ik naar beneden val. Ik draai mijn hoofd naar het raam. Mama hangt met haar halve lichaam naar buiten, hysterisch krijsend en naar me graaiend met haar armen. De handen van de verkoper proberen haar weer naar binnen te trekken. Ik zie haar snel kleiner worden. Ik strek mijn armen ook naar haar uit, zodat ik naar boven kan vliegen. Maar het lukt me niet. Waarom werkt mijn pak niet? Ik wapper wanhopig met mijn armen terwijl mijn lichaam begint rond te tollen. De wind fluit in mijn oren en de autolichten op de straat komen steeds dichter bij en een ijskoude waarheid sluipt langzaam mijn hart binnen en ik probeer nog eens uit alle macht mijn armen uit te strekken want ik moet echt vliegen en …

Hans Deckers
0 2