Zoeken

Superman

De tafel waaraan we onze boterhammen eten, is wankel. Dat is al zolang ik me herinneren kan, maar er is niemand die ernaar omkijkt. Op den duur vergeet je dan ook dat het ooit anders is geweest. Ik hou ervan om, wanneer ik eet, beurtelings met elke hand op het tafeloppervlak te duwen. Als ik daarbij mijn handen ver genoeg uit elkaar spreid, wankelt de tafel harder, zodat de melk in mijn glas beweegt. Ik stel me dan graag voor dat ze er weer uit wil omdat ze heimwee heeft naar het brik. Soms geeft mama me een standje en zegt ze dat ik niet mag spelen aan de tafel. Soms zegt ze niets, en staart ze nietsziend uit het keukenraam naar buiten, waar de blinde muur van het belendende gebouw het troosteloze uitzicht vormt. Na het eten speel ik meestal nog wat in de woonkamer. Ik hield altijd het meest van mijn verzameling steentjes. Ik heb hen vergaard op weg naar school en terug. Elk van hen heeft een speciale vorm en stelt een Pokémon voor uit het tijdschrift dat ik kreeg voor mijn verjaardag. In mijn klas had iedereen echte Pokémonpoppetjes. Die toonden ze aan elkaar op de speelplaats. Ik had enkel het tijdschrift. Ik zei hen niet dat ik geen poppetjes had. Ik zei hen er helemaal niets over. Een keer deed ik dat wel. Ze lachten me uit. Het eindigde met een blauw oog en gesmoord gesnik in mama’s rokken. Ze streelde me over mijn haren. Zei dat ik geen poppetjes nodig had om gelukkig te zijn. Maar ik hoorde het in haar stem. De pijn. De schaamte. Soms waren er van die dagen dat de fantasie niet wilde komen. Dagen waarop het grijs in het zwerk zo ondoordringbaar was, dat het zelfs de wijzers van de klok leek te vertragen. Dan zat ik lusteloos op de grond en rolde wat met de steentjes op en neer. Maar in het doffe licht dat door de ongelapte ramen naar binnen viel, kon ik er met de beste wil van de wereld geen Pokémon in zien. Mama streek dan over mijn haren, en moedigde me aan om het toch te proberen. Soms deed ik dat, maar soms bleef ik nukkig voor me uit zitten staren, de verveling om me heen gedrapeerd als een te dik, verstikkend deken. Het was op een van die momenten dat het mij voor het eerst opviel. Ik wierp een steelse blik op mama. Ik hoopte dat ze misschien naar mij keek en zag hoe ik me verveelde, zodat ze toch Pokémon voor me zou kopen, hoewel ik diep vanbinnen wist waarom dat niet kon. Maar ze keek naar me met een heel andere blik. In haar ogen las ik een mengeling van spijt en bitterheid die haar knappe gezicht lelijker maakte. Die avond hoorde ik haar huilen. Ik greep het lakenpunt vast en balde machteloos mijn vuisten. Boos liet ik mijn tranen de vrije loop en viel uiteindelijk in slaap, gewiegd door de regelmaat van mijn snikken, in dezelfde maat als het gedempte gehuil van mama onder mij. Nadien heeft ze nooit tegen me gezegd dat ik haar zo verdrietig had gemaakt. Het schuldgevoel daarover maakte me beschaamd, zodat ook ik er met geen woord over repte. Maar er veranderde wel iets. Op een dag merkte ik dat mama de krant had gekocht. Normaal deed ze dit nooit. Ze keek ernaar zonder de bladzijden om te draaien, en toen ze mijn blik merkte, legde ze de krant weg en glimlachte afwezig naar me. Iets in de manier waarop ze me had aangekeken, verried een zenuwachtigheid. Ze stond op en wandelde naar de keuken. Ik inspecteerde het blad in de krant dat ze las, maar er stonden geen tekeningen op, en lezen kon ik nog niet erg goed. Het was een bladzijde met allemaal kleine hokjes, die vol stonden met halve woorden waaraan ik geen touw vast kon knopen. Toen zag ik, in een flits, mama’s naam in een van deze hokjes. Maar ik hoorde haar terugkomen, en ging snel weer naar mijn speelgoed toe. Een tijdje nadat de bezoekers begonnen te komen, zag ik dingen veranderen in huis. Mama kocht af en toe eens kleren voor mij of voor haarzelf. Er werd iemand betaald die de ramen kwam lappen. Het licht dat de kamer binnenviel, liet de meubels er helemaal anders uitzien. Had het bankstel altijd al die vrolijke kleur? Op een ochtend stonden de ontbijtgranen in de kast waarvoor ik steeds zeurde in de winkel, maar die ik nooit kreeg. Ik lachte. Mama lachte, want ik was gelukkig. Maar de echte verrassing kwam na een paar weken. Toen ik thuis kwam van school, stond er een grote doos op de tafel. Nieuwsgierig gleden mijn ogen over het zilveren inpakpapier en de gouden strik. Mama had zitten wachten tot ik er was. Zenuwachtig veerde ze recht, drukte haar sigaret uit in de assenbak en presenteerde het cadeau zoals de meisjes in de gezelschapsspelen op tv de vaatwasmachine presenteren aan de winnaar: met wapperende handen en een kamerbrede glimlach. Even aarzelde ik; geloofde het niet. Zulk groot cadeau? Voor mij? Mama moedigde me aan met een trots knikje. Toen viel ik aan. Ik scheurde het papier open en zag wat erin verscholen zat. Een doos met daarin een verzameling van tien Pokémons. Mijn kreten vulden het appartement met een blijdschap die het zelden had gekend. Dagen, weken lang was ik niet weg te slaan van mijn poppenspel. In mijn fantasie speelden zich fabelachtige Pokémongevechten af. De vraag waar mama dit plots vandaan had gehaald, kwam helemaal niet in me op. Daaraan denk ik nu terwijl ik in mijn bed lig. Ik hoef niet op mijn klok te kijken om te weten hoe laat het is. Dat heb ik te danken aan het feit dat de gordijnen van mijn slaapkamerraam te kort zijn. Door de spijlen van mijn bed zie ik een rechthoek, op de vloer getekend door het licht dat onder de te korte gordijnstof door de kamer binnenglipt. Eerst bevindt hij zich bij de deur. Hij tekent een felle vlek op het blauwgrijze linoleum, en naarmate hij opschuift, wordt hij steeds zwakker. Nu is het laat, want de lichtbalk is tijdens zijn reis over mijn kamervloer uitgerekt tot een diffuus, langwerpig vierkant dat steeds minder te onderscheiden is van het duister dat in de kamer oprukt. Het is bijna zo ver. Ik voel de spanning opborrelen in mijn maag. Een tintelen, vol van verwachting en stiekeme hoop. Mijn hand glijdt onder het kussen en strijkt daar over de synthetische stof. Ik weet wat er gaat gebeuren. Mijn hart begint sneller te slaan en ik sluit alvast mijn ogen. Een seconde, twee seconden, drie … Ik hoor haar voetstappen op de trap. Achter mijn geloken oogleden is het duister volledig. Ik hou me zo stil mogelijk, zodat ze niet weet dat ik nog wakker ben. Haar voetstappen worden steeds luider en stoppen tenslotte voor mijn slaapkamerdeur. Zoals elke avond opent ze zo zacht mogelijk de deur; en hoor ik haar binnensmonds vloeken wanneer die deur langgerekt piept, onverschillig voor het late uur. Ze trippelt naderbij en bukt zich over me heen. Haar parfum wolkt in mijn neusgaten op het moment dat ze zich naast me bukt en haar lippen vluchtig mijn voorhoofd raken. Het intense gevoel van rust dat nu over mij komt, is onbeschrijflijk. Al het wachten in de minuten sinds ik in mijn bed geklauterd ben, heeft geleid tot dit moment. Een nachtzoen van mama. Daarna vertrekt mama nog niet meteen. Mijn ogen blijven stijf dichtgeknepen. Ik hoor haar, ze ademt zacht. Ze zet een paar passen in de richting van de kast. Ik hoor hoe ze een paar van de steentjes neemt die Pokémon moesten voorstellen. Ik vraag me af wat ze nu denkt. Een paar tellen later triptrapt ze naar de deur, sluit die zo zacht mogelijk achter zich en loopt de trap af. Pas als ik het slot hoor klikken, besef ik dat ik mijn adem inhield. Daarna bekruipt me het gevoel van onbehagen. Het wachten heeft nu iets gespannen. Komt er vandaag weer eentje over de vloer, of niet?Het blijft enkele minuten stil nadat mama de trap weer is afgedaald. Daarna klinkt heel kort de deurbel, niet meer dan een aanzet tot een echt gerinkel. Wanneer ’s ochtends de postbode aanbelt, klinkt het altijd veel langgerekter. Ik heb me een hele tijd afgevraagd waarom de avondlijke bezoekers niet langer op de bel drukten. Als mama het nu toevallig eens niet hoorde? Maar ze opent de deur keer op keer, en dan hoor ik haar zacht kirren als antwoord op het diepe gebrom van de, altijd mannelijke, bezoekers. Uiteindelijk begreep ik het. Natuurlijk, het was zo simpel…Ze wilden mij niet wakker maken. Nu lach ik erom als ik bedenk dat het enkele weken duurde om tot dit besluit te komen. Ingespannen lag ik toen te luisteren om te achterhalen waarover hun gesprek ging. Maar het duister in mijn kamertje was dik, en sloot het af voor duidelijke geluiden van buitenaf. Soms hoorde ik lachen, soms werd er gewoon gepraat. Wat alle bezoekers echter gemeen hadden, was dat ze na een tijdje niets meer zegden. Ook mama zweeg dan. Meestal verplaatste het geluid van hun stemmen zich ook naar mama’s slaapkamer. De reden daarvan kon ik lastiger vinden dan die van het mysterie van het korte belgerinkel. Toch kon ik ook dit uiteindelijk achterhalen. Bij het eerste cadeau, mijn Pokémonpoppetjes, zag ik het nog niet. Maar toen mijn geliefde pak kwam, ging er een lampje branden in mijn hoofd. Ineens zag ik het allemaal helder voor mijn ogen, alsof ik er zelf bij was. Al de cadeaus die ik kreeg. Ik wist dat mama ’s avonds verkopers uitnodigde om over mijn cadeaus te praten. Wanneer ik op school was, kon ze immers niet naar de winkel gaan, want dan moest ze zelf werken! Nog twee keer schalt het korte, hoge rinkeltje door het appartement. Mijn maag trekt samen. Ik voel me als een tube die iemand leeg wil knijpen. Mijn hart schakelt in een hogere versnelling en ik luister ingespannen. In het begin klinkt alles net als anders. Een mannenstem en mama’s stem in gesprek. Stilte. Geluiden vanuit de slaapkamer. Op dit moment bundel ik al mijn concentratie op wat ik hoor. Ik denk automatisch terug aan die ene keer, maar dat mag ik nu niet doen; ik moet opletten! Toch komen de gedachten, ik kan het niet helpen. Het woedende geschreeuw van de man toen, en het angstige gehuil van mama. De volgende dag had ze een blauw oog, en kreeg ik ook geen cadeau. Toen ben ik gaan beseffen dat sommige verkopers gevaarlijk zijn. Daardoor rijpte het idee om het pak te vragen. Ik ben toch de man in huis. Ik moet mama beschermen. Na een tijdje gebeurde het dus. Ik was al bijna gewend geraakt aan het bijna dagelijkse klingelen van de bel en wat er daarna kwam. Mijn aandacht was verslapt en ik poogde niet meer om de conversaties beneden te volgen. Met een half oor ving ik nog een deel van het gesprek op en hoorde ik de slaapkamerdeur van mama dichtslaan. Mijn ogen sloten zich en gingen weer open. Sloten zich, gingen open. Het was heerlijk warm in mijn bed. Toen gebeurde het. Een snerpende gil en een doffe klap. Ik zat op slag rechtop in bed, klaarwakker. Een kwade vloek steeg op vanuit mama’s kamer en bonsde op mijn deur als een moker. Terwijl de adrenaline door mijn aders gierde, hingen mijn armen en benen er bij als gelatinestengels en weigerden ze alle dienst. Weer een gil. Mama! Ik moest iets doen, ik moest haar helpen! De kracht keerde terug in mijn benen en ik sprong het bed uit. Ik vloog de trap af. Mijn voeten raakten nauwelijks de treden. Ik hamerde met mijn kleine vuisten op mama’s deur en gilde haar naam. Meteen daarna werd de deur woest open getrokken. Een man kwam buiten gestormd. Ik viel op de grond; ik kon zijn gezicht niet zien. Hij banjerde naar de voordeur en sloeg haar met een knal dicht. Daarna hoorde ik niets meer. Alleen een loodzware stilte. Ik zag dat mama op haar bed lag, haar gezicht in het kussen gedrukt, haar schouders geluidloos schokkend. Het duurde een tijdje voordat ze erin slaagde zichzelf van het bed te plukken en naar mij toe te strompelen. Ze nam me in haar armen, en meer was er niet nodig. De tranen kwamen. Hoe lang we daar zo zaten weet ik niet. Ik werd de volgende ochtend wakker in mijn eigen bed. Zoals zo veel andere zaken, werd ook dit voorval niet meer besproken en door mama weggemoffeld achter de glimlach die ze altijd droeg. ‘Mijn kleine held’, fluisterde ze in mijn oor toen ze mijn kom met cornflakes voor me neerzette, en dat was dat. Ondertussen is het volledig donker in mijn kamer. Tot nu toe lijkt alles goed te verlopen. Maar ik blijf alert, sinds die ene keer. Ik heb al vaak geoefend wanneer mama even niet thuis was, en nu overloop ik in mijn hoofd wat er moet gebeuren. En dan zal ik die verkoper eens laten zien wat ik kan als ik mijn pak draag. En dan gebeurt het. Het komt zo onverwacht, dat ik twijfel of ik het wel goed hoorde. Een zwaar geluid, als een stoel die op de grond smakte. Mijn twijfel duurt een seconde, en dan hoor ik mama kreunen, en de man sist woorden die ik niet kan ontcijferen door de twee deuren en de trap die ons van elkaar scheiden. Het klinkt ingehouden, alsof ze niet willen dat ik het hoor. Nu weet ik zeker dat er weer wat mis is. Ik verwacht half en half dat mijn benen dienst zullen weigeren, maar mijn lichaam reageert koelbloedig, en doet precies wat ik ervan verlang. Meteen grijp ik onder mijn kussen, naar het pak, en trek het aan. Het synthetische blauw sluit zich rond mijn benen, de S prijkt op mijn borst. Mama heeft haar Superman nodig. Ik been vastberaden door mijn kamer, ruk de deur open, en ren holderdebolder naar beneden, met twee treden tegelijk. Het gekreun klinkt wanhopiger. Ik kom net op tijd! Mijn hand grijpt naar mama’s slaapkamerdeur. Mijn vingers sluiten zich om de klink en trekken, maar er gebeurt niets. Alleen het geluid binnen verstomt. Ik hoor hoe mama de verkoper tot stilte maant. Ik ruk nogmaals aan de deur, maar ze blijft vastberaden dicht. Ik twijfel even, en wordt bijna weer gewoon een jongen in een pak. Dan hoor ik mijn naam. Het is mama, ze klinkt vertwijfeld. Meteen daarna vloekt de man. Ik reageer bliksemsnel. Superhelden hebben geen deuren nodig om ergens binnen te komen. Mijn hele lichaam tintelt van de opwinding. Ik ren naar de kamer naast die van mama, de rommelkamer. Ik hol voorbij de strijkplank en de stapel wasgoed die erop ligt te balanceren. Ik open het raam en klim onhandig op de vensterbank. Gestommel hiernaast, en opnieuw weerklinkt mijn naam. Ik hoor paniek in mama’s stem en de deur van haar kamer wordt opengegooid. Dat is de verkoper, hij wil ontvluchten! Maar hem krijg ik nog wel te pakken. Eerst moet ik mama redden. Ik sta nu rechtop in de raamopening, de wind buiten strijkt kil langs mijn benen doorheen de stof van mijn superheldenpak. Ik slik. De drukke straat, acht verdiepingen onder me, lijkt even slingerend te bewegen terwijl mijn blik zich aanpast aan de diepte. Ik heb nog nooit gevlogen, maar het is slechts een paar meter naar het slaapkamerraam van mama. Ik mag nu niet nadenken, ik moet vertrouwen op mijn pak. Ik kom eraan, mama! Ik zet me af, en net op dat moment komt er iemand binnengestormd achter me. Mama gilt nu heel dichtbij. Met een ruk draai ik me om, een blik van onbegrip in mijn ogen. Is ze dan niet opgesloten? Ik zie haar op me afkomen in een sneltreinvaart. Ze draagt enkel ondergoed, net als de man die achter haar aankomt. Ik begrijp het niet. Waarom gillen ze zo angstig? Waar zijn hun kleren? Ik wil me volledig omdraaien. Ik verzet mijn voet. Maar ik zet hem verkeerd, er is geen ondergrond. Mijn been glijdt weg, mijn lichaam kantelt en het andere been volgt. De ogen van mama worden nog groter voordat ze uit mijn gezichtsveld wegkantelen. Ik zie de lucht boven me, en voel hoe ik naar beneden val. Ik draai mijn hoofd naar het raam. Mama hangt met haar halve lichaam naar buiten, hysterisch krijsend en naar me graaiend met haar armen. De handen van de verkoper proberen haar weer naar binnen te trekken. Ik zie haar snel kleiner worden. Ik strek mijn armen ook naar haar uit, zodat ik naar boven kan vliegen. Maar het lukt me niet. Waarom werkt mijn pak niet? Ik wapper wanhopig met mijn armen terwijl mijn lichaam begint rond te tollen. De wind fluit in mijn oren en de autolichten op de straat komen steeds dichter bij en een ijskoude waarheid sluipt langzaam mijn hart binnen en ik probeer nog eens uit alle macht mijn armen uit te strekken want ik moet echt vliegen en …

Hans Deckers
0 2

12 november

Het regende pijpenstelen toen ze werd gegrepen door die tram. Tram 24, om precies te zijn. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Het was zelfmoord. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Vluchtmisdrijf is altijd een beetje moord. Als ik een moordenaar zou zijn, wat zouden ze me vragen? Hoe voelt het om een moord te plegen? Je moet zelf een moordenaar zijn om te beseffen hoe een moord plegen voelt. Net daarom heb ik films over moordenaars altijd rotzooi genoemd. Wat is moord? Een slagersmes pakken en iemand neersteken? Of je omdraaien wanneer je iemand dat ziet doen? Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. Er waren geen getuigen, die bewuste avond. Voor oude vrouwtjes die hun lelijke hondjes uitlaten was het al te laat op de avond, en voor feestende jongeren was het nog te vroeg op de week. Ik was daar, toegegeven. Op dinsdagen fiets ik door de stad. Zomaar. Zomaar, omdat een moord ook op dinsdagavond kan gebeuren. Er waren geen getuigen. Alleen een tramchauffeur, zijn lege tram en de lege ogen van een dood meisje. Niemand had me gezien. Verdwijnen in de nacht was een goed plan. Ik trok mijn kap wat strakker over mijn hoofd en zette mijn fietslampjes uit, maar wegfietsen deed ik niet. Ik bleef kijken. Kijken naar de wanhopige tramchauffeur die het meisje een hartmassage gaf en in paniek naar het ziekenhuis belde. Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. En toekijken, is dat dan geen moord? Eigenlijk is het zonde, zo’n jong en dood meisje. En dat leek ze zelf ook te denken, want ze stond achteloos op, bedankte de tramchauffeur voor de goede zorgen en fietste verder. Neen, dat beeldde ik me in. Ik sloot mijn ogen enkele seconden en opende ze weer. Zou het niet mooi zijn als ze weer opstond? Zou het niet mooi zijn als omstaanders eens een keertje helpen wanneer iemand problemen heeft? Ik herinner me die keer dat we eens gingen dansen. Dansen, dacht ik. Leuk. We hadden afgesproken elkaar naar huis te brengen en onder te stoppen, als één van ons te veel gedronken had. Enkele uren later vond ik Augustientje met een gebroken neus tegen de gevel. Ze had geprobeerd twee kemphanen te kalmeren. En ik zit hier al een heel uur, huilde ze. Zonder enige hulp. Ik keek om me heen, waar niemand zich iets aantrok van de ellende die ik ondersteunde naar de ambulance die net aankwam. Toen Augustientje thuis in haar bed lag, ging ik terug om Mimi te zoeken. Ik struikelde en kwam niet veel later een tweede keer op de spoedafdeling terecht: op de bewakingsbeelden werd duidelijk dat Mimi al een kwartier op de grond lag. Het meisje had even vrolijk krullende haren als Augustientje, en Mimi had dezelfde fiets en handtas. Misschien was het wel Augustientje die Mimi’s spullen bij zich had. Als ik een moordenaar zou zijn, dan zou ik een motief nodig hebben. Augustientje ging wel eens met de jongens lopen die ik leuk vond, dat wist ze. Oh, dan kon ik haar de haren uittrekken. Ik keek naar het meisje. Ondertussen was ze kletsnat en lag haar gebarsten bril naast haar hoofd. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Eigenlijk had ik ook niks gezien. Ik trek mijn kap wat strakker, veeg de druppels van mijn bril en draai me om, de nacht in. Ik heb niets gezien.

MDB
0 0

Middag op de Markt

  Hij trekt de punt van zijn kraag recht en wisselt de zwarte leren boekentas van hand. Haalt een hand door zijn te lange haren. Donker, wild, weerbarstig. Licht grijzend vlak tegen de kruin aan, maar dat zie je alleen van erg dichtbij. Zijn vrouw had er onlangs met ernstig gezicht naar gekeken, die kruin van hem. Aan haar ogen had hij het gezien, dat het zover was. Onomkeerbaar. De eerste tekenen van jeugdige vergankelijkheid. Hij wandelt verder met stevige tred. Het schuren van de mouw van zijn jas tegen zijn romp maakt een ritselend geluid. Het geluid van haast, noemt hij het, want je hoort het alleen bij mensen die zodanig vlug wandelen dat hun armen ongecontroleerd op en neer naast hun lichaam vliegen. Alsof ze elk moment kunnen opstijgen, in de hoop alsnog op tijd ergens toe te komen. In de verte ziet hij de halte in de ochtendmist opdoemen. Al jarenlang wandelt hij dagelijks naar dezelfde halte. Tram acht. Al jarenlang doet hij dagelijks hetzelfde traject. Twee keer. Elke dag opnieuw. Hetzelfde jasje, dezelfde boekentas, dezelfde ongecontroleerde armbeweging. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Zelfs het hobbelige voortglijden van de tram over de sporen is dagelijks even repetitief. Doe-doek. Doe-doek. Binnen drie tellen komt er een bocht. Piep. Hij houdt van repetitieve handelingen, daar niet van. Hij vindt het fijn dat hij weet wat er komen zal. Hij is geen mens van verandering. Hij gebruikt al sinds zijn tienerjaren dezelfde eau de cologne en draagt al jaren dezelfde afgetrapte schoenen die hij ooit van zijn vrouw kreeg. Zijn dagen waren perfect voorstelbaar, tot in de puntjes, vanaf het moment dat hij ‘s ochtends zijn bed uitstapte. Tot er gisterenmorgen geen boterhammen met kip curry voor hem klaar stonden op het aanrecht, en zijn vrouw diezelfde avond zonder aankondiging ook niet meer thuis kwam. Nu klinkt zelfs de tram niet meer repetitief.   Hij denkt na over hoe en wat er gebeurd kan zijn, maar na een half uur leegte komt hij tot de constatatie dat hij eigenlijk niet zo goed nadenken kan. Hij heeft dat nu eenmaal al zo lang niet meer hoeven te doen. Alles is altijd maar ok geweest zoals het was. De laatste keer dat hij nadacht over wat hij wilde eten, is meer dan tien jaar geleden, bedenkt hij zich. De laatste keer dat hij op vakantie ging ook. Dat hij op vakantie wilde. Dat hij een curryworst special van de frituur achter de hoek wilde. Pas op, dat wil niet zeggen dat hij alles tegen zijn zin doet. Dat hij ongelukkig is. Elke dag eet hij kipcurry tussen zijn boterhammen, omdat hij ervan overtuigd is dat er echt niets lekkerders bestaat. Elke dag heeft hij zijn nylon zwart jasje aan, ook al is dat geen mode meer sinds hij veertien was. Het voelt vertrouwd, en dat is goed genoeg. Net zoals zijn vrouw, denkt hij dan. Vertrouwd. Wat een mooi woord. Dat wil niet zeggen dat hun relatie dood is, dat ze berusten in een vlucht naar vroeger. Ze weten gewoon perfect wat ze aan elkaar hebben. En dat vindt hij niet zomaar alleen slecht. Hij heeft hoegenaamd geen behoefte terug te denken aan de tijd dat hij zijn stropdas net dat beetje meer aanspande om er gesofisticeerd uit te zien. Dat hij haar witte rokken net dat beetje teveel ophief wanneer ze haar laarsjes optrok. Dat wil niet zeggen dat ze verlangen allebei weer tieners te zijn die elkaar verlegen, hitsig en met het schaamrood op de wangen liefdesbriefjes toestaken door de spijlen van de schoolpoort. Zij onbereikbaar, in de vierde klas van de meisjesschool, tussen de nonnen. Hij leutig stoer, in het college handbewerking bij de paters. Twee verschillende scholen onder één dak. Een gietijzeren poort die hun liefde van elkaar scheidde, willekeurig neergepoot door God de Vader. Zo gevochten dat hij heeft voor haar. En het enige wat hij zich nu nog kan herinneren, is hoe ze de staart van de kat aait. En hoe ze haar keel schraapt vlak voor ze zich omdraait in haar bed, wanneer ze gaat slapen.   Hij kijkt om zich heen, zijn nek kraakt. Het huis ligt er nog steeds kraaknet bij, alsof er niets gebeurd is. Ze heeft het prachtig ingericht, denkt hij. De moderne meubels en geometrische lijnen zijn eigenlijk niet helemaal zijn ding, maar het resultaat mag er toch wel wezen. Hij weet nog goed hoe ze hem van de ene meubelwinkel naar de andere meetroonde. Wat dacht hij van een ijzeren tafel en een zwarte eiken boekenkast? Hij had er geen idee van. Doe maar wat jij goed vindt lieverd, zei hij, ik vertrouw je helemaal. Ze glimlachte dankbaar op dat moment, daar in de twintigste meubelzaak die ze die dag bezochten. Haar ogen zacht en warm, maar tegelijkertijd vurig en vastberaden. Hun gloednieuwe huis was in goede handen, wist hij. Nog even, en ze zou een nest voor hun tweetjes gebouwd hebben. Ondertussen is dat al jaren geleden. De meubels zijn niet modieus meer, het leer van de zetel is zacht, dun en vaal geworden. Dat vindt hij niet erg, integendeel. De zetel is perfect doorgezakt op de plaats waar hij altijd zit. De eiken boekenkast kraakt ondertussen onder het gewicht van haar inhoud, het blad van de ijzeren tafel is bedekt met krassen. En haar ogen zijn al lang niet warm, zacht, vastberaden of vurig meer, maar vooral moe. Zo gevochten dat hij heeft voor haar. En het enige wat hij zich nu nog kan herinneren, is hoe ze de staart van de kat aait. En hoe ze haar keel schraapt vlak voor ze zich omdraait in haar eigen bed, wanneer ze gaat slapen. Ze had dat voorzichtig aangepakt, dat van dat bed. Hij snurkte en woelde ’s nachts vreselijk, en zij geraakte daar moeilijker en moeilijker van in slaap. Eerst werden haar ogen en haar haar dof, daarna kreeg ze een lastig hoestje. Oververmoeid, zei de dokter. En hij wist dat het zijn schuld was. Maar wat was de oplossing? Man en vrouw horen nu toch eenmaal samen te slapen, opperde hij onzeker. En toch. Twee weken later kwam er een bevriend schilder de logeerkamer in het zachtroze schilderen. Er werd een nieuw bed geleverd, en dat was dat. Van toen af aan dekte hij haar elke avond onder, en bleef hij naar haar kijken tot ze inslaapt. Zoals bij de kinderen die hij altijd wilde, maar die ze nooit kregen.   Hij is moe. Hij kan zich moeilijk concentreren op zijn werk. Zijn baas stelde voor dat hij enkele dagen thuis zou blijven, maar daar heeft hij weinig zin in. Hij wil graag blijven vasthouden aan zijn dagelijkse tramritten, zijn zwartleren boekentasje en zijn afgetrapte werkschoenen. De rapporten die hij opmaakt en naar het management in Lyon verstuurt. Hij zou niet weten wat hij nu anders zou moeten doen. Hij weet dat hij vooral rustig moet blijven om zijn vrouw terug te vinden. Rustig. Dat wordt hij alleen als hij op elk moment perfect weet wat er komen gaat. En het is al meer dan gek genoeg niet te weten wat hij vanmiddag zal eten.  Sinds zijn vrouw zoek is, staan er geen boterhammen met kipcurry meer voor hem klaar, en is hij genoodzaakt zich neer te leggen bij de gebrekkige kookkunsten van het cafetaria-personeel. Zo kiest hij elke dag voor een kom dampende soep, begeleid van een witte pistolet met minarine, maar welke soep hij zal eten, weet hij niet. Elke dag is anders. Bovendien is het in zijn bedrijfskantine perfect mogelijk een oranje tomatensoep voorgeschoteld te krijgen, of een groene wortelsoep die naar courgette smaakt. Daar raakt hij maar moeilijk overheen. Wanneer je een cd met cellosuite’s van Bach opzet, verwacht je ook geen elektrische gitaren te horen. Hij heeft het probleem al meermaals aangekaart bij het management, maar in het bedrijf werken meer dan 3000 mensen met meer dan 3000 wensen, en de zijne is daartussen niet van prioritair belang, zo werd hem verteld. Hij probeert dan maar te leven met het idee dat elk middagmaal een verrassing zal zijn, en dat de naambordjes bij de grote salamanders soep geen garantie zijn voor de inhoud. Zijn duim speelt onophoudelijk met de trouwring aan de ringvinger van zijn rechterhand. Gek, die draagt hij pas weer sinds zijn vrouw verdwenen is. Alsof hij wil laten zien dat ze wel terug gevonden moét worden omdat ze zijn bezitting is. Of omdat hij zich schuldig voelt, misschien is het wel zijn schuld dat zijn vrouw kwijt raakte, omdat hij zijn ring al jaren niet meer droeg.   Hij weet nog hoe hij de eerste avond na haar verdwijning op zijn knieën voor zijn nachtkastje zat, op zoek naar het gouden onding. Hij wist dat hij het artefactje van wat ooit een liefdesdroom was – nu slechts een zeurende herinnering in zijn achterhoofd – érgens in zijn nachtkastje had gepropt, nadat hij tot de pijnlijke vaststelling was gekomen dat zijn ooit ranke vingers zich tot zijn kipcurry-verbruik waren gaan verhouden. Hij kreeg het ding aan noch uit, en verwenste elke herinnering aan zijn jonge, gelukkige, fitte leven tot in het donkerste hoekje van een compleet zinloos meubelstuk. Niet dat hij zijn vrouw minder graag was gaan zien, maar gewoon omdat niet in onvrede wilde raken met zijn huidige bestaan. Omdat hij niet meer wilde denken aan de tijd dat hij een jonge kerel met een getraind lijf en een hoop wilde dromen was.   Hij is nog steeds diep in gedachten verzonken naar zijn rechterhand aan het kijken wanneer de postjongen zijn kartonnen kantoortje binnen stapt met een brief voor hem in zijn hand. Vreemd, hij had al twintig jaar lang geen brief meer gekregen. Met licht trillende handen scheurt hij de enveloppe stuk. Tergend traag, onzichtbaar naar adem happend. De receptionist blijft onaangenaam lang in zijn kantoor staan en kijkt hem met vragende blik aan. Jonge mensen hebben geen greintje respect voor privacy meer. Dat komt misschien wel door al die sociale media en virtuele identiteiten van tegenwoordig. Je hoeft alleen nog maar iemands naam in de searchbalk van Google te typen, en je vindt zijn hele leven terug. Hij vindt dat geen goede evolutie in deze wereld. Het idee dat iemand zomaar elk detail uit zijn leven kent zonder dat hij die persoon ooit maar heeft gezien, beklemt hem. Al heeft hij eigenlijk geen enkel idee wat er nu juist zo interessant zou kunnen zijn aan zijn leven. Buiten het feit dat hij altijd kip-curry tussen zijn boterhammen eet en dat hij zijn vrouw kwijt is.   Het is een korte brief, ziet hij meteen. Het dubbelgevouwen blad is nauwelijks groter dan een post-it, in dik, geribbeld papier. Hij herkent meteen het logo van het Museum voor Moderne Kunst uit de stad. Hij is er vorige week nog naar een tentoonstelling over de geschiedenis van de jazz geweest. Het was eerder en vernissage waar jonge kunstenaars hun werk tentoon konden stellen. Wel boeiend, maar een leerzame kroniek was het niet geweest. Hij had er meer van verwacht. Het briefje telt slechts vier woorden. En één smiley. Ook daar heeft hij een hekel aan. Hij vindt het een teken van onstabiliteit, het gebruik van smiley’s. Alleen pubers en labiele werklozen gebruiken ze, denkt hij afkeurend.
Hij schudt zijn hoofd. De grote hanenpoten in dunne, zwarte stift ergeren hem mateloos. Opnieuw een teken van onstabiliteit. Zelf schrijft hij zo klein mogelijk, zo recht mogelijk, zo duidelijk mogelijk. En altijd met zijn metalen regel. Proper, overzichtelijk en 100% recht. Daar wordt hij rustig van. Dan leest hij de tekst. Zijn adem stokt. Hij is haar kwijt.   ‘ZE IS WEG. VOORGOED. :)’

Annelies Leysen
0 0
Tip

Hotel Prestige

“Knoopt uw jasje schoon dicht”, sist zij kordaat. Haar mooie, diepe, donkere ogen staan scherp. Er valt met haar niet te sollen, zoveel is duidelijk. Haar lange haren golven op en neer terwijl ze stevig en vastberaden weg beent. Hij heeft zichtbaar moeite om haar bij te houden. Hij opent zijn mond even, maar lijkt zich dan te vermannen en doet dan, met enige tegenzin in zijn blik, gedwee wat ze zegt. Ze is niet makkelijk om mee samen te werken, weet hij, maar om één of andere reden krijgt ze toch altijd maar alles klaar gespeeld. En hij? Hoewel hij de hoofdrol speelt in dit verhaal, weten ze allebei dat hij het in zijn eentje nooit zou klaarspelen. Hij houdt even halt, haalt diep adem, en zet het dan op een lopen om haar in te halen. Oké. Showtime. Nog een laatste keer. En dan is het allemaal voorbij. Ze naderen de grote, zwarte, smeedijzeren deur. Alsof ze elkaar nooit gekend hebben, gaat zij links, en duwt hij de zware deur half open. Hij kucht geluidloos, recht zijn schouders en loopt daarna met een gladde zelfverzekerdheid het kleine trapje op, tot in de grote lobby. Het smakeloze zalmroze tapis-plain dat de hele ruimte bedekt, komt duizelingwekkend snel op hem af. Zelfs in de jaren zeventig kan dit niet mooi geweest zijn. Hij laat bij het voorbijlopen heel even voorzichtig, bijna lieflijk, zijn linkerhand rusten op de roze leren sofa in het midden van de lobby. Dat mensen hier vrijwillig blijven overnachten, en er dan nog een fortuin voor neertellen, daar kan hij met de beste wil van de wereld niet bij. Uit de muziekinstallatie kraakt ‘Private Dancer’ van Tina Turner, nog zo’n afgebleekt icoon uit vervlogen dagen. “Oké”, zegt hij tegen zichzelf. “Oké”. Met een Hollands accent. “Owkej”. Kom op man, draai die knop om, en ga ervoor. Niks te verliezen. Gewoon gaan. Haal die charmante lach nog eens boven, schud nog eens met die prachtige donkere haren. Laat je perfect gevormde haarlijn maar eens zien aan de smakeloze vrouwen in dit smakeloze etablissement. Binnen tien jaar is het te laat, dan zal je langzaamaan grijs geworden zijn, en zal blijken dat dat knappe gezichtje van je lang niet meer zo gaaf is als vroeger wel leek. Zorg vandaag maar voor dat appeltje voor de dorst. Hij merkt dat hij te lang heeft stilgestaan wanneer er langs achter zachtjes iemand tegen hem aan botst. “Excuseer,” zegt een vrouwenstem dicht bij zijn linkeroor. Te dicht. Er loopt instinctief een koude rilling over zijn nek bij het horen van de lage vrouwenstem. Bingo. Zou hij nu al beet hebben? Geluidloos haalt hij adem, knippert een fractie van een seconde met zijn ogen, en draait zich dan om. Nog steeds geluidloos, en traag. Ze is mooi. Erg mooi. Haar ogen staan levendig, haar wangen energiek rood. Dit is ongetwijfeld de dochter van graaf de Craene, zijn target voor dit weekend. Wat een toeval. Maar god, wat is ze mooi. Waarom is zij in godsnaam hier? Wat doet zij tussen deze onverdraaglijke elitaire oude zakken? Ze misstaat hier als een panter in een varkensstal. Ze glimlacht spontaan en vriendelijk, wat haar nog mooier maakt. Het duizelt hem even. Tina Turner reutelt ondertussen zeer overtuigend haar finale, maar de muziek stoort hem ondertussen niet meer. Hop. Hij is volledig in zijn focus. Eindelijk. “Mijn excuses”, lacht hij charmant. Zijn perfecte tanden steken fel af tegen het zalmroze interieur. “Ik weet dat ik in de weg stond, ik geloof dat ik even in gedachten verzonken was.” Hij zegt het opzettelijk geheimzinnig, iets zachter dan hij anders zou praten. Vrouwen houden van mannen die in gedachten verzonken zijn. Altijd. En aan de blik van dit exemplaar te zien, heeft hij prijs. Het mysterie van de man. Een succesformule.  “In gedachten verzonken? Ben je dan niet aan het werk?” vraagt ze terwijl ze terloops even op de twee grote koffers die naast haar staan wijst. Even is hij van zijn stuk gebracht. Hij heeft al veel meegemaakt in deze kringen, maar nooit eerder werd hij als loopjongen van het hotel aanzien. Hij knippert even verbaasd met zijn ogen. Is het zo duidelijk van hem af te lezen dat hij hier eigenlijk niet thuishoort? Voelt ze dat hij geen van hen is? Heel even dreigt zijn masker te vallen, maar hij herstelt zich razendsnel. “ Ik? Ik kom voor het congres van morgen. Maar zal ik even iemand roepen voor je koffers?” ze lacht even ongemakkelijk, en tuit haar lippen. Een zucht peperdure parfum overvalt hem. Dit, denkt hij, is de geur van geld. Dit moet hij hebben. Hij mag haar niet meer uit het oog verliezen. Subtiel toenadering zoeken, haar verleiden met zijn geoefende mysterieuze blik en zijn gedistingeerde houding. Het vertrouwen winnen, haar kop een klein beetje zot maken, en dan keihard toeslaan. Binnen vierentwintig uur is hij zo rijk als de zee diep is. Dan kunnen Saskia en hij stoppen met dit dwaze vertoon. Een jacht kopen en eindeloos ronddobberen op de Stille Oceaan. “Focus! Hou je hoofd er bij!” sist Saskia opnieuw, dit keer door het oortje dat hij in zijn rechteroor heeft. Ze heeft gelijk. Hij moet bij de zaak blijven. Op het gezicht van de steenrijke dochter valt intussen af te lezen dat ze hem zonet een vraag stelde, maar hij heeft geen flauw idee wat. “Zullen we even buiten gaan zitten?” vraagt hij zo nonchalant mogelijk, “Ik krijg het hier zo benauwd van dat kunstmatige licht.” Om zijn rol af te maken, diept hij uit zijn linker broekzak een maagdelijk witte, gesteven zakdoek. Hij zucht te luid en te diep en dept zijn voorhoofd. Bingo. Op het voorhoofd van de mooie blondine verschijnt een diepe rimpel, instinctief neemt ze hem vast bij de ellenboog. “Gaat het wel? Je ziet er inderdaad een beetje bleekjes uit.” Hij knikt met dichtgeknepen ogen, terwijl de vrouw hem naar de patio loodst. Ook hier is de inrichting zo smakeloos dat hij er bijna echt onwel van wordt. Nog even doorzetten. Kom op, jongen, je kan dit. Nog één keer.  Denk aan dat jacht. Denk aan bodemloos rijk zijn. Denk aan die joekel van een verlovingsring om Saskia’s ringvinger. En aan haar verbaasde gezicht.  Hij ploft gespeeld vermoeid neer op één van de houten tuinstoelen die op het zalmkleurige terras staan. Ja. Nu komt het. Nu zal ze voorstellen om een glaasje water te gaan halen. Het moment om ervandoor te gaan met het tasje dat ze zal laten liggen. Één minuut heeft hij nodig. Één minuut, en hij is rijk. “Zal ik even een glaasje water voor je gaan halen?” Er klinkt een zekere ongerustheid door in haar stem. “Nee hoor, hoeft niet, het gaat zo weer beter.”, wuift hij haar voorstel weg, goed wetende dat ze toch naar de bar zal gaan om een glas water. En jawel, ze staat op, de diepe rimpel is er nog steeds. “Ik ben zo terug,” zegt ze, “water doet altijd wonderen.” Showtime. Hij kijkt hoe ze inderdaad haar tasje naast hem laat liggen, volgt haar met zijn ogen terwijl ze langzaam weg stapt, en maakt aanstalten om het tasje te nemen en weg te lopen. Maar dan ziet hij vanuit zijn ooghoek hoe een in het zwart gehuld figuur hem strak aankijkt. Fuck. Ze heeft verdomme haar eigen bewakingsagent bij. Dat maakt de zaken moeilijker, maar niet onmogelijk. Nadenken, jongen. “Saskia!” fluistert hij tegen het revers van zijn kostuumjasje. “Problemen. Ik heb de water-truuk boven gehaald, maar haar bodyguard staat mij hier aan te gapen. Heb jij haar in je vizier? Kan je voor afleiding zorgen?” Een seconde stilte. Even vreest hij dat graaf de Craene hun spelletje doorheeft en dat Saskia nu omringd is door een legertje ongure mannen, maar dan klinkt er heel droog “Check. Doe het nu.” in zijn oortje. Saskia. Redder in nood, altijd weer. Wat een wijf.    Zonder om zich heen te kijken of te aarzelen grist hij het tasje vast en zet hij het op een lopen, in de richting van de struiken rondom de patio. Uit het kletterende glas dat hij binnen hoort, maakt hij op dat Saskia inderdaad voor afleiding zorgt, en dat hij nog zeker een dikke minuut heeft vooraleer de diefstal opgemerkt zal worden. Zijn hart bonkt in zijn keel, de adrenaline bruist in zijn hoofd. Alles suist. Vooruit. Recht vooruit. Hij voelt ondertussen de ogen van de bodyguard in zijn rug priemen, maar hij maakt zich geen zorgen. Als hij rent voor zijn leven, komt alles goed. Hij is sneller dan die lome krachtpatser. Sneller en slimmer. Hoor die kerel maar eens stampen. En lopen maar. Daar, door dat gat in de haag, recht de wildernis der struiken in. Nog even en hij is veilig. Nog één minuut pompen en hij hoeft zich nooit meer zorgen te maken. De mouw van zijn jasje scheurt aan een tak waarachter hij blijft haken, maar hij blijft lopen. Zijn duurste aankoop ooit. Hugo Boss. Pure zijde. Getailleerd. Een echte investering, hij mocht immers niet opvallen. Met dit pak en zijn perfecte smile won hij altijd instant geloofwaardigheid bij de rijke vrouwen die hij bestal. Hij zal het toch niet meer nodig hebben, na deze catch. Het had zijn beste tijd toch al gehad.  Wanneer hij zeker is dat hij niet meer gevolgd wordt door de zwartgeklede kleerkast, zet hij zich hijgend op zijn knieën. Hij heeft de longen uit zijn lijf gelopen. Zijn vingers trillen van opwinding wanneer hij de portefeuille van dochter de Craene uit haar tasje haalt. Baar geld, een handvol platina creditcards en een stapel staatsbonnen, volgens Saskia’s research. Goed voor een paar miljard euro. Tergend traag opent hij de ritssluiting van de peperdure portefeuille. Zijn oren suizen. En dan…  Één kleine post-it. Verder is de portefeuille leeg. Een belachelijk klein papiertje met een smiley, begeleid door één zinnetje. “Kijk in je achterzak.” Hij krijgt het ijzig koud. Plots voelt hij het. Zijn hart begeeft het bijna. Leeg.  

Annelies Leysen
5 1

Achttien in Brussel

Ik zit in het station. Tegenover me zit een man. Hij ziet er serieus uit. Hij draagt witte sportschoenen die niet passen bij de rest van zijn outfit. Ik kijk op de monitor. Een halfuur. Ik ben goed op tijd, toch zweetten mijn handen.   Een vrouw strompelt naar binnen. Haar voeten schuifelen over de tegels. Ze heeft een klein hondje bij aan een zwarte leiband. Wanneer ze naast me komt zitten, voel ik me onwennig. Haar gezicht is vuil, verweerd en simpel. Ze draagt kleren die te klein zijn, in alle kleuren van de regenboog. Ze kijkt me aan en ze glimlacht. Ze lacht alsof er geen zorgen in de wereld zijn. Ik glimlach terug en ontwijk nerveus haar blik. Ik kijk op de monitor. Vijfentwintig minuten.   Een derde figuur verschijnt: een oude hippie met grijze dreadlocks wandelt het station binnen. Hij gaat op de bank links van me zitten. Hij kijkt niemand aan en begint in zichzelf te mompelen. Hij praat rustig, redelijk, maar onverstaanbaar. Zijn woorden weerkaatsen zachtjes in de hal. Geïntrigeerd door zijn persoonlijke discussie, kijk ik een paar keer zijn kant op. Hij merkt het niet, of het kan hem niets schelen. Daarna kijk ik naar de vrouw. Ze is bezig met haar hondje en lacht haar eigen lach.   De norse man met de witte sportschoenen kijkt de twee veroordelend aan. Daarna stapt hij op en verdwijnt hij.   Ik kijk nogmaals op de monitor. Nog maar tien minuten. Het hondje blaft. De hippie doorbreekt  plots zijn gemompel en buigt voorover, zijn grote ogen gefixeerd op het beestje. 'Wat mooi', zegt hij met een grauwe, eerlijke stem. De glimlach van de vrouw wordt breder. 'Ja hé', antwoordt ze kinderlijk. Daarna kijkt ze naar mij. Even weet ik niet wat ik moet doen. Dan besef ik dat ze beaming zoekt. 'Ja, hij is heel mooi', zeg ik zacht, terwijl ik naar het bruine beestje kijk.   De vrouw knikt en gaat verder met glimlachen. De hippie begint terug in zichzelf te praten. Ik voel me eindelijk op mijn gemak. Mijn rol is hier gespeeld. Ik sta op en wandel naar buiten, zonder om te kijken naar de twee zonderlinge figuren die ik voor eeuwig achter me laat. Ik wens hen het beste.   Ik stap op de trein en zet me ergens alleen. Ik kijk naar buiten. Na een tijd begint de wereld die ik ken te verdwijnen, eerst heel langzaam, daarna steeds sneller. Tot de dingen voorbijrazen aan mijn raam.   Ik kijk naar buiten en ik zie de dingen, zo vaag. Nog nooit wist ik zo zeker dat ik zo weinig wist. Ik ben achttien. De wereld raast voorbij mijn raam. En doelloos.

Marijn P
0 0

Winter in Kiev

Winter in Kiev Te midden van de chaos probeerden ze opnieuw een front te vormen. Ze hadden terrein gewonnen, nu moesten ze het proberen bij te houden ook. De demonstranten waren terug gedreven, al was het maar voor even. Eén van hen lag nog op het asfalt te kermen. Dikke klodders rood sijpelden uit de gapende wonde op zijn slaap. Toch wist de man weg te kruipen, de rook in. Viktor keek naar zijn knuppel. Het ding was besmeurd met een mengsel van zweet en bloed. Tot zijn ontsteltenis merkte hij dat zijn hand trilde. Even vroeg hij zich af wie of wat hij was. Een berkut, dat ben ik, dat mag ik niet vergeten. Hij droeg een dikke helm met plexiglas, een blauw camouflagepak met veiligheidsvest en zwarte boots met ijzeren tippen. Hij was gewapend met knuppel en schild. Hij was een berkut, een Oekraïense adelaar, zorgvuldig geselecteerd en zes jaar lang getraind. Samen met zijn maten had hij massa's protesten gebroken. Nooit hield hij zich in. Hij was sterk. Hij had mensen zien kermen voor zijn kracht. En toch, vandaag trilden zijn handen.Hij voelde zich doelloos, beland in een situatie die hem vreemd was.Dat was hem nog nooit overkomen. Hij bad voor duidelijkheid en probeerde het gouden kruisje te voelen dat hij onder zijn uitrusting droeg. Hij kon het niet vinden.Een groot stuk grijs knalde tegen zijn schild. Het begon stenen te regenen. Brokstukken doemden op uit de rook en ketsten op de ordetroepen af. De demonstranten hadden autobanden in brand gestoken waardoor een dikke, stinkende damp zich overal had verspreid. Het speelde in hun voordeel. Zij konden nog altijd lukraak met stenen gooien, terwijl de geweren met rubberen kogels zo goed als nutteloos waren. Ze werden gedwongen zich terug te trekken. In de rook was hergroeperen onmogelijk. Met hun schilden als paraplu's omhoog geheven liepen ze weg, op zoek naar dekking. Viktor dacht terug aan de afgelopen dagen. Hun bataljon was niet lang geleden vanuit het oosten van het land naar Kiev gestuurd. Vanaf het moment dat ze toegekomen waren, was de hel losgebarsten. Dat had hij niet erg gevonden, integendeel. Daar waren ze op getraind. Ze zouden orde op zaken stellen. Het was een uitdaging. Toch waren de dingen anders gelopen dan hij had verwacht. Dagenlang hadden ze gevochten. Eerst zoals altijd, met knuppels en schild. Zijn rechterarm was al na één dag stijf van het meppen. Maar de menigte leek onstuitbaar. Daarom kregen ze toelating om waterkanonnen te gebruiken, ondanks de vriestemperatuur. Officieel gebruikten ze rubberen kogels, maar een paar keer werd er met scherp geschoten. Er vielen doden. En toch stonden de demonstranten op straat, elke dag opnieuw.Viktor wist dat hun missie onmogelijk was. Het volk zou nooit opgeven.Vandaag is een wanhoopspoging. De ordetroepen hadden zich ver genoeg teruggetrokken om een nieuwe linie te vormen. Viktor voegde zich in de strakke, zwarte lijn. Hij was één van hen, zo hoorde hij zich te gedragen. Toch voelde hij zich verloren tussen de anderen.De rook klaarde op. Eén voor één werden de demonstranten zichtbaar.Hun kreten zwollen aan tot een krachtig geheel. Viktor moest een rilling onderdrukken. Voor hem openbaarde zich een waanzinnige massa. Allen waren ze vol vuur en woede. Zelfs de man waarvan Viktor dacht dat hij hem een hersenschudding had geslagen, stond tussen de menigte. Een dikke korst bloed bedekte de linkerhelft van zijn gezicht. Hij leek zijn wonden niet eens te voelen. Viktor wenste dat hij kon verdwijnen.Hij wilde niet nog eens vechten, maar hij wist dat het onvermijdelijk zou zijn.Hier word ik voor betaald. Waarom stel ik vragen? Nogmaals zocht hij wanhopig naar het kruisje onder zijn vest. Hij kon het niet vinden. Draag ik het wel? De ruimte tussen de ordetroepen en de demonstranten werd kleiner en kleiner. Alle troepen hieven hun schilden op, klaar voor de strijd. Allemaal, buiten Viktor. Zijn schild en knuppel liet hij vallen, zijn helm gooide hij op de grond. Zweet en tranen druppelden van zijn gezicht. Hij zocht kermend naar het kruisje onder zijn borst, naar één of andere uitweg, een mirakel. Een mirakel. Viktor keek omhoog. De tijd leek stil te staan. Hij zag een warme, oranje schittering in de lucht. Zijn verlossing, wist hij, neergedaald uit de hemel om deze waanzin te stoppen. Viktor moest bijna huilen van geluk. Hij merkte niet dat de troepen links en rechts van hem wegdoken. De molotov cocktail raakte Viktor recht in zijn gezicht. Het ding ontplofte en slaakte een geweldige vuurbal. Alles gebeurde in een flits. Viktor voelde geen pijn. Hij zag het meest wonderbaarlijke schouwspel dat hij ooit gezien had. Op dat moment was hij overtuigd van een heilige verlossing voor hen allen. Op dat moment wist hij zeker dat alles goed ging komen.

Marijn P
0 0
Tip

Kippies zwemvest

Het eerste wat ik die dag verkocht was een boek over Nieuw-Zeeland. De vrouw die het kocht had oranje haar en een bleke huid en ze droeg een rode bril. Het duurde even eer ik mijn aandacht van haar gezicht kon verplaatsen naar haar vragen. Of het een goed boek was, vroeg ze. Ik moest bekennen dat ik het niet gelezen had. Ik kon me zelfs niet meer herinneren waar, wanneer en waarom ik het ooit gekocht had. En nee, ik ben nooit in Nieuw-Zeeland geweest. Zij wel. Ze had er twee jaar gewoond. Ze was er lang geleden naartoe getrokken om er met haar vriend een zaak te beginnen. Nog geen maand nadat ze er waren, maakte hij het uit. ‘Daar stond ik dan,’ zei ze. ‘Ik was te trots om terug te keren en ik bleef.’ Ze had er gewerkt en ze had er rondgefietst.   Een deel van haar verhaal ben ik vergeten, maar haar gezicht bleef me bij. Haar ogen waren donker aangezet. Ze zag er vermoeid uit, alsof ze te snel geleefd had. Ik vroeg twee euro voor het boek. Het was in uitstekende staat maar het was misschien wat gedateerd. Wou ze dan nog teruggaan? Nee, zeker niet. Het klonk zo stellig dat ik het wonderlijk vond dat ze er dan toch nog een boek over kocht. ‘Ik ga nu wat anders doen’, zei ze. Volgende week vertrek ik naar Maleisië.’ ‘Met mijn kinderen,’ voegde ze er nog aan toe. Bij Maleisië en nog meer bij het woord ‘kinderen’, flakkerde er iets op in haar ogen.   Tijdens ons gesprek was de zon doorgebroken en waren er wat meer mensen in het park gekomen. Iemand vroeg naar de prijs van de luster, het grootste stuk dat op mijn twee vierkante meter zeil stond uitgestald. Daardoor verdween de vrouw met het boek zonder dat ik haar goede reis had gewenst.   De verkoop ging goed. Verbazend goed, want af en toe begon het regenen en moest ik alles afdekken. Maar zo gauw het ophield, kwamen de mensen weer aanschuiven en kochten ze dingen die ik niet meer wou hebben, maar toch nog te mooi of te goed vond om ze weg te gooien: borden, bestek, een blikopener, kandelaartjes, een paar gedeukte mosselpotten. Vooraan op het zeil stond een doos met autootjes, poppetjes, sleutelhangers en kleurige prullen waar kleine kinderen graag naar graaien.   Een nieuwe regenbui zette de helft van het zeil onder. Ik was blij dat het boek al weg was. De rest kon ertegen. Ik schudde alles af en droogde hier en daar wat bij met mijn zakdoek en probeerde een nieuwe opstelling uit.   Een man op een fiets stopte voor mijn kraampje en boog zich naar de speelgoeddoos. Hij viste er een zwemvest uit die ooit van Action Man was geweest uit en stak het omhoog. ‘Hoeveel kost dat?’ vroeg hij. ‘Als u daar een bestemming voor hebt, mag u het gratis hebben’, zei ik. ‘Ik heb daar zeker een bestemming voor, zei hij, maar ik wil er wel voor betalen.’   Hij zat nog steeds op zijn fiets en glunderde op dezelfde manier als het jongetje dat een paar minuten ervoor een autootje uit de doos had mogen kiezen.   Een zwemvest op poppenmaat, hij maakte me nieuwsgierig naar de bestemming. Hij haalde zijn iphone uit de zak van zijn regenjasje en liet me een foto van twee jongens zien. ‘Mijn kinderen leren zeilen, zei hij, met dit zwemvest kan hun knuffel, Kippie, ook mee.’ Hij had geen foto van Kippie, maar hij zou er een sturen. Ik gaf hem mijn e-mailadres en hij gaf me twintig cent.   Bijna drie vierden van mijn rommel heb ik die dag verkocht. Ik had genoeg over voor een hotdog met zuurkool (twee euro), een knipbeurt bij de gelegenheidskapper (vijf euro) en een paar nieuwe boeken voor op de trein.   De rest van de rommel bracht ik naar de kringloopwinkel. Ik sloot de studio waar ik de laatste maanden had gelogeerd af en ik vertrok naar een ander land.   Onderweg dacht ik nog aan de vrouw met het oranje haar, aan de man op de fiets en aan alle vrienden en kennissen die ik die dag niet gezien had. Waarschijnlijk had niemand die dag zin in een rommelmarkt en had het niets te betekenen.   Toch had ik die dag een bekend gezicht gezien, dat van een vrouw waar ik lang geleden leuke gesprekken mee had gevoerd. Ik zag haar van ver aankomen en ik lachte haar uitnodigend toe. Ze lachte een kleine wat afstandelijke glimlach terug en liep verder. Het heeft niets te betekenen, moest ik een paar keer tegen mezelf herhalen. Het is gewoon tijd om weg te gaan.   Ik ben er niet achter gekomen of de vrouw die het boek over Nieuw- Zeeland kocht, op het vliegtuig naar Maleisië zat dat op 17 juli in Oekraïne neergehaald werd. Misschien is ze een dag eerder vertrokken, of een dag later, of misschien helemaal niet.   Van de man op de fiets kreeg ik een mail met een foto van Kippie en de jongens, allemaal met zwemvest aan. Het was een fijne, geruststellende gedachte dat Kippie, als hij over boord zou vallen, snel gered kon worden.        

Christine Van den Hove
108 8

Business as usual

“Ik werkte geruime tijd voor dit farmaceutisch bedrijf met internationale faam. Mijn werk behelsde voornamelijk allerhande vergaderingen bijwonen en hierover verslagen schrijven met als doel publicatie voor intern gebruik. Er wordt behoorlijk wat vergaderd in een bedrijf als dit, dus dat was ontegensprekelijk mijn eerste taak. Maar soms kwamen ook mensen van de commerciële dienst aan mijn deur kloppen als ze verlegen zaten om een broodnodige slagzin. Dat waren voor hen wanhopige momenten waarin hen niets anders restte dan hun bestaan binnen het bedrijf in vraag te stellen. Deze laatste bedrijvigheid was trouwens strikt gescheiden van mijn eigenlijke beroep. Mijn redactionele grenzen waren vastgelegd in mijn contract en als er externe publicatie mee gemoeid was dan kostte dat het bedrijf een aardige extra duit. Deze lucratieve bijverdienste werd altijd netjes beheerd door mijn boekhouder. Laat het duidelijk zijn dat ik kennis van zaken had. Neem het mij niet kwalijk, maar voor ik ga, voel ik de absolute drang om iets na te laten. Dat komt onder meer door het feit dat ik geen kinderen heb waaraan ik mijn kennis en ervaringen kwijt kan. En mijn vrouw, tja, na al die jaren kijkt ze nog altijd angstig weg als het woord business valt. Het kan natuurlijk ook pure ijdelheid zijn, mijn nood aan schrijven. Laat dit schrijfsel een gids zijn wanneer u, aanstormend talent, de eerste stapjes in de wondere wereld van de business zet. (korte pauze) Ik ga ervan uit dat u net aangenomen bent. U zal weldra een mooie uitnodiging ontvangen om samen met uw wederhelft het jaarlijks feest bij te wonen. Krijgt u al meteen het gevoel alsof het feest om uw persoon draait? Vergeet het maar. Vergeet ook het geplande gesprek dito handdruk met de directeur. Die is van het toneel verdwenen voor u het goed en wel beseft. Het is namelijk niet de bedoeling dat u hem leert kennen, maar wel dat hij u leert kennen, zij het dan indirect. Uw op papier gedrukte versie volstaat voor hem want hij heeft weinig tijd. Tijdens uw eerste feest wordt u daarom gedurende het hele verloop nauwlettend in de gaten gehouden door personen van de dienst Human Resources. Deze dienst heeft daar uitgebreid over nagedacht. En ik kan het weten, ik was erbij. Als u, net als Pierre vorig jaar, helemaal op het einde straalbezopen met stoel en al achterover valt, dan hebben ze het gezien en kunt u een kruis maken over uw verdere carrière in het bedrijf. Welke successen u ook moge boeken, nooit zal nog aan u gedacht worden als een hogere functie dient ingekleed. Of als u zoals Jean, het jaar daarvoor, denkt iedereen te moeten onderhouden met een uurtje moppen tappen. Geen slecht idee als het tenminste goede moppen betreft. Maar zelfs dan doet u het beter terloops, maximum een paar minuten lang. En begeef u, in tegenstelling tot Jean, in geen geval naar de belangrijkste tafel als u daar nog niet klaarvoor wordt geacht. Ze zullen lachen, daar kunt u van op aan, maar geenszins om uw komisch talent. Wel met het horizontale verloop van uw carrière. Het is maar dat u het weet. Geen paniek, u krijgt het volgende jaar ruimschoots de kans het beest in u los te laten wanneer uw partner niet meer welkom is. U wordt namelijk maar één keer gekeurd. Onderdruk dus nog even dat jaloerse gevoel als u de collega gadeslaat die in de late uurtjes tijdens een slow, bevrijd van de priemende blikken van zijn vrouw, het achterwerk van de directiesecretaresse mag kneden. (korte pauze) Voor het feestmaal wordt opgediend zal een hele colonne aan hoge en minder hoge pieten de revue passeren. Tijdens ellenlange speeches van mijn hand zult u om de oren worden geslagen met bedwelmende winstcijfers en grootse plannen. Komt u dan al handen tekort bij de zoveelste staande ovatie? Goed zo! Voelt u zich meteen uitermate euforisch en deel van een grote familie? Prachtig! Verbaast u uzelf, luid aangemoedigd door uw nieuwe familieleden, de keel schor te schreeuwen met de leuze van het bedrijf? Magnifiek, zo zien ze het graag! Verrast u uzelf nogmaals door na het feestmaal uw verlegen ik opzij te schuiven en bij aanvang van een zeer vertrouwd in de oren klinkende intro met volle overgave de dansvloer op te springen, om daar en masse gitaar te spelen op de tonen van Smoke on the water van Deep Purple? Wat een lef! Stelt u zich de dag daarna bij dit alles geen vragen? Dan hoeft u niet verder te zoeken. U heeft uw bestemming in de kudde gevonden! Ik wens u van harte veel geluk! (korte pauze) Lijkt het u echter fijner bovenaan de ladder, dan moet u het anders aanpakken. U mag blijk geven van een kuddegeest, maar niet te veel. Doe het op een afstand. Vergeet niet dat ze u in de gaten houden. Bent u overduidelijk een kuddedier dan wordt u ook zo gecatalogiseerd. Zelfs zonder de stupiditeiten zoals die van Jean en Pierre zullen uw promoties zeer moeizaam verlopen en wie weet zelfs nooit plaatsvinden. Een bedrijf heeft nu eenmaal werkpaarden nodig. Meer nog, zonder dezen geen bedrijf. Er moet dus voor een constante aanvoer worden gezorgd. Dit is de eerste prioriteit van de dienst Human Resources. Dat is werkelijk de allereerste schifting die ze maken in de op het feest volgende week. Hebt u echter met een bepaalde gereserveerdheid deelgenomen dan belandt u vrijwel zeker in de tweede groep: mensen met schijnbaar potentieel. Is dit garantie op promotie? Niet meteen, maar het is wel het eerste zinnetje dat door de bevoegde personen gelezen wordt. En deze mensen, op welk niveau ook, vertrouwen blindelings op de aanbevelingen van de dienst HR. Eenmaal in de tweede groep en zo u ziekelijk ambitieus bent, komt het er dan op aan te herkennen wat echt belangrijk is, met name de machtsverhoudingen onder het oppervlak die zelden dezelfde zijn als wat van naamplaatjes valt af te leiden. Daarbij moet u de echte machthebbers vriendelijk maar kordaat laten kennismaken met uw ambities. Verricht eventueel al eens een vriendendienst of doe wat extra werk om vertrouwen te wekken. En laat al die andere schijnbaar potentiëlen maar uiterst zorgvuldig de voorgeschreven regeltjes volgen. Doe het zelf enkel wanneer nodig. U vraagt me: wanneer? Als de echte machthebber, van welk niveau ook, u deze regels informatief meedeelt, met een knipoog als het ware. Als u echt een promotiejager bent, zult u zich gerustgesteld voelen door zijn of haar lichaamstaal en blik. Machthebbers onder elkaar, snapt u? Voor de op papier bevoegde bent u aanbevolen als zijnde ‘schijnbaar potentieel’ en de echte machthebber zal die bevoegde daadwerkelijk weten te overtuigen. (korte pauze) Is dit nu allemaal wel rechtvaardig? Neen, maar we leven nu eenmaal in een onrechtvaardige wereld. Al die procedures zijn enkel en alleen ingevoerd om de mensen die rechtvaardigheid hoog in het vaandel dragen te sussen. Let op, eerste gouden regel: wees geduldig! Werk trapje per trapje af op weg naar eenzame hoogten. Ik heb ze in mijn loopbaan genoeg meegemaakt, die heren en dames die dachten al eens een niveau te mogen overslaan en door hun arrogantie op vele tenen trapten. Tot ze plots op bepaalde hoogte geweigerd werden en meteen een paar treden naar beneden donderden. De overgeslagen niveaus haalden dan, met goedkeuring van de top, de pot pek en veren boven. Een dergelijke handelwijze werd niet zelden al op voorhand zo afgesproken. Tweede gouden regel: u kunt maar beter goed voorbereid zijn bij de poging om het zitje in te nemen van een van de mensen op het allerhoogste niveau. Alle schouderklopjes ten spijt, indien u met uw baanbrekende nieuwe inzichten de directeur niet van zijn sokken blaast, dan blaast u de aftocht. Maar lukt het u wel, dan bent u eindelijk daar aanbeland waar u al die tijd heeft naar uitgekeken. Heb geen berouw om het slachtoffer. Vroeg of laat overkomt het ook u en dan zult u merken dat u sowieso in ere hersteld wordt. De gouden handdruk behoort tot het door mij geschreven protocol en bij het zien van dat bedrag zult u zeer snel de stukgelopen relaties tengevolge van uw talloze overuren vergeten, en smakelijk lachen om de obligate dineetjes die als enig doel hadden het werk met de ellebogen te oefenen. (korte pauze) “Hoe weet ik dit nu allemaal?” vraagt u zich nu misschien af? Wel, voor de youngsters onder jullie, ik stam uit een tijdperk waar langdurig werken voor dezelfde werkgever nog in de mode was. Door mijn lange staat van dienst, une éminence grise zo u wilt, ken ik het reilen en zeilen van dit bedrijf als geen ander. En ja, een oude rot in het vak komt men al wel eens om raad vragen. Dat was meestal het geval net voor ze op het allerhoogste niveau afstormden. U kunt eigenlijk wel stellen dat ik een soort stille macht had in het bedrijf waarbij ik niet zelden iets te weten kwam. Iets niet bestemd voor publicatie, als u begrijpt wat ik bedoel. Ik heb wel mijn machtspositie nooit misbruikt, men wist mijn zwijgzaamheid altijd zeer te waarderen. Door de aard van mijn job moest ik ook wel zwijgen. (korte pauze) Laten we nu even teruggaan in de tijd. In tegenstelling tot de vele niveaus met bijbehorende subniveaus die nu gehanteerd worden, was er bij mijn start maar één verschil dat werd gemaakt: u was lid van de directie of u was het niet. Iedereen die het niet was, werd gewoon werknemer genoemd. En dan zeker in dit dochterbedrijf dat toen nog maar juist was opgestart en derhalve weinig personeelsleden telde. Als werknemer was men ook niet dit of dat, neen, men was dit en terloops ook nog dat. Ik was bijvoorbeeld magazijnier maar deed ook wat elektriciteit. Toen ik er al wat dienstijd op had zitten, begon er ook wat werkvolk naar mij te luisteren omdat ik goed kon organiseren. U kan dit 'technical team leader' in spe noemen of er eender welk ander modern etiket op plakken, feit was dat ze naar mij luisterden en dat bleven doen omdat, als het er op aan kwam, ik ook nog altijd zonder morren de handen uit de mouwen stak, mij dus hoegenaamd niet beter voelde dan de rest. En dan kwam daar de grote Amerikaanse overname van het Franse moederbedrijf. Overnames zijn dezer dagen een quasi verplicht onderdeel van de bedrijfspolitiek, maar toen was dat nog groot nieuws. De Amerikanen schrokken zich wel een hoedje toen ze hier voor het eerst kwamen. Het was meteen duidelijk dat ze niet geloofden dat hier ook maar iets naar behoren werkte of ook maar iets deftigs van de band rolde, in zo een naar hun maatstaven chaotische sfeer. Deze Belgische stijl vonden ze best wel ‘funny’ en ‘charming’, maar toch pasten ze alles aan hun normen aan, wat dus betekende: heel duidelijk omschreven taken, bijzonder correcte naamgeving,... kortom de u wel zeer vertrouwde poespas. Van mij maakten ze echt een ‘technical team leader’. (korte pauze) Alhoewel ik het eerst, ondanks mijn mooie titel, niet zo begrepen had op de Amerikanen, moest ik na een tijdje toch mijn mening herzien. Ze dachten meer na dan verwacht, waren minder dom dan ze er uitzagen. Hun opgelegde metamorfose werd namelijk niet meteen volledig uitgevoerd, dat gebeurde maar met mondjesmaat. Eerst herstructureerden ze een beetje, bekeken het resultaat, voerden aanpassingen door waar nodig en begonnen dan pas aan de volgende stap. Er werd zelfs naar ons, mannen op de werkvloer, geluisterd! Dat was du jamais vu ni entendu! Uiteraard betrof dat een vals blijk van vertrouwen, het waren niet voor niets Amerikanen, maar door hun bereidheid om te luisteren zag ik wel de kans om mij te profileren. Tijdens hun reorganisatie hadden ze namelijk één ding over het hoofd gezien en dat was een goede communicatie. Dat kan vreemd lijken want laat dat net een van hun stokpaardjes zijn, maar de heren van over de Grote Oceaan hadden verkeerdelijk de indruk dat iedereen bij ons alles verstond wat ze in hun nasaal Engels zeiden. Maar dat was niet zo, verre van eigenlijk. Nederlands en Frans, vormden in de regel meestal geen probleem, maar Engels was andere koek. Die verkeerde indruk ontstond ook omdat iedereen van onze directie, ja zelfs de grote baas, altijd maar beleefd knikte om toch maar geen slechte indruk te maken en zo mogelijk hun baan te verliezen. Je wist maar nooit bij een overname! Het is meer dan eens gebeurd dat wanneer de Texanen de deur achter zich dichttrokken, de Belgische top vergaderingen belegde, niet om hun ideeën of plannen verder uit te werken maar simpelweg om alle beetjes die eenieder had verstaan bij elkaar te sprokkelen. Mijn geluk was dat ik als enige in het bedrijf een Engelse tak in de familie had en dus echt een aardig mondje Engels verstond, en praten kon. Ik werd er dan ook telkens bij geroepen om de stukken in elkaar te passen. In het geheim welteverstaan, want ik was geen lid van de directie. (korte pauze) Een tijdje na de overname stond ik daardoor op een goed blaadje bij de directie en ontvouwde ik de grote baas mijn plan. Een beetje lef af en toe mag wel. Ik vond dat we open kaart moesten spelen en de volgende keer dat de Amerikaanse delegatie zou langskomen hun voorzichtig zouden kunnen wijzen op het probleem van de taal. Ik zou ik niet geweest zijn, moest ik er niet meteen mijn volgende idee bij gelanceerd hebben, namelijk het aanstellen van een tolk, ik dus. Als bij wonder waren de Amerikanen meteen enthousiast om zoveel initiatief. En zo, beste ex-collega’s, geschiedde dat van de ene dag op de andere de dienst vertaling werd opgericht. Als enig lid werd ik ook meteen hoofd. Reorganisatie na reorganisatie werd doorgevoerd en af en toe kwam er al eens een lid bij op mijn dienst, maar ik bleef hoofd. Elke nieuwe directie nam mij over van de vorige. En dit zonder enig diploma in mijn bezit te hebben. Het gerucht dat hier de ronde doet als zou de ex-nummertwee van de redactie er niet voor zijn opgeleid, is hierbij dus bevestigd. Wacht eens, ik ben al die tijd hoofd geweest en toch als de nummer twee geëindigd? Inderdaad, één jaar geleden is meneer Vanderbilt er bijgekomen, u allen wel bekend. Of juist niet, meneer Vanderbilt moet namelijk veel op zakenreis, heeft het altijd druk, druk, druk. Hij kreeg bij aankomst mijn dienst, met mij er dus bij, onder zijn hoede. Maar ik mag in alle bescheidenheid denk ik toch wel stellen dat ik mijn strepen ondertussen wel verdiend had, niet? (korte pauze) Waar waren we gebleven? Oh ja, nog wat later na de overname bleek zelfs dat ik talent had om te schrijven. Niet onnoemelijk veel, maar toch genoeg om ook de nieuw verzonnen functie van de Amerikanen erbij te nemen. Een functie die ik, zoals in het begin gezegd, tot op de dag van gisteren uitoefende. Ik vond dat extra werk hoegenaamd niet erg. Het Engels van iedereen was al een stuk verbeterd waardoor ik tijd over had en die nieuwe functie zat er toch aan te komen want de Amerikaanse vergaderwoede had ook hier zijn intrede gedaan. Nog meer dan voorheen was ik aanwezig op die vergaderingen waar de belangrijkste beslissingen werden genomen. Voor een nieuwsgierig man als ik was dit echt top. U moest ook de jaloerse blikken op de werkvloer eens gezien hebben telkens ik, gehuld in goedkoop kostuumpje, probleemloos toegang kreeg tot de hoogste regionen. Ze hadden natuurlijk ook reden om jaloers te zijn. Alhoewel ik niet op de hoogste post zat en daar ook nooit zou raken, beschikte ik via mijn beetje talent toch over tal van privileges vergelijkbaar met die van het allerhoogste niveau. Ik denk met plezier terug aan die vele congressen in het buitenland waar ik meer dan eens, in een voor mij onbetaalbare luxueuze hotelkamer, roomservice belde. Ik was omwille van mijn vaardigheden zelfs een bijna onmisbare, onvervangbare schakel geworden. Wel met de nadruk op ‘bijna’, want de marge hing uiteraard af van het karakter van de persoon voor wie ik de pen ter hand nam, en daar was doorgaans geen touw aan vast te knopen. Was ik de enige geluksvogel? Neen, een andere groep die tot het kransje der bevoordeelden behoorde, was de audiovisuele technici. Ze behoren er trouwens nog altijd toe. Hun macht zit in het simpele feit dat ze apparatuur bedienen. Niets hilarischer dan de verbaasde blik van de zelfverzekerde spreker die met gebalde vuist zijn speech inzet, en alleen maar een bomvolle zaal gebalde vuisten terugkrijgt omdat de fader van de mengtafel niet geopend is en het beleefd publiek, niets horend, denkt het mimespel te moeten imiteren. Echt gebeurd! (korte pauze) Hopelijk heeft u nu geen té romantisch beeld gekregen van mijn loopbaan. Tegenwoordig lijkt het mij bijna onmogelijk om nog op een manier als de mijne, zo uit het niets, carrière te maken. En zelfs moest de bedrijfscultuur het toelaten, vergeet dan niet dat er wel degelijk ergens een link moet zijn. U moet als pas aangeworven dame van de koffie, met alle respect, morgen dus niet zomaar al zingend het kantoor van de directeur binnenvallen. Hij zal hoogstens verlekkerd kijken naar uw vibrerende decolleté als u de hoge do probeert te halen. Is dat het eigenlijke opzet, laat mij u dan niet weerhouden van uw plan. (korte pauze) Ik ga afsluiten met volgende bedenking: als u daar zit waar over het lot van honderden anderen wordt beslist, als uw handtekening bepalend is voor levens die in de armoede worden geduwd of niet, dan kunt u niet meer hoger. Bij die gelegenheid zult u merken dat u nog iets mist, iets om aan uw persoon luister bij te zetten. Ja, dan zult u aan mij denken, maar ik ben weg. Denkt u maar aan Jos. Bij deze, Jos, gefeliciteerd!”   Met deze bemoedigende woorden voor zijn opvolger eindigde Frans zijn speech die hij morgen zou voorlezen op het feest naar aanleiding van zijn pensioen. Hij leunde voldaan achterover en dacht aan de staande ovatie die hem te beurt zou vallen: “Die staande ovatie is wel protocollaire kost, maar het zal de eerste keer zijn dat ze uitsluitend voor mij zullen klappen. De meeste leden van de directie zullen na het einde van mijn eigenzinnige speech eerst wat aarzelen om te applaudiseren maar als de CEO begint, zullen ook zij dra volgen. Met de CEO zal ik kortstondig een blik van verstandhouding wisselen. Waarschijnlijk zal hij dan nog iets harder beginnen klappen, recht staan en zo de hele zaal verplichten om dat ook te doen. Hij houdt wel van wat overdrijving. Mevrouw Kuipers, hoofd HR, zal dus ook moeten meedoen, maar met veel tegenzin, woedend als ze zal zijn. Het deert mij niet, ik heb die feeks toch nooit kunnen uitstaan. Jos, mijn maatje, zal ook enthousiast en hard klappen, maar ook verbouwereerd staan, met de tranen in de ogen, want hij zal zijn promotie dan pas vernemen. Vanderbilt zal verbaasd zijn over die promotie. Hij zal niet weten wat te moeten denken omdat ook hij het dan pas verneemt. Hij zal niet weten wat te moeten denken daar hij normaal medezeggenschap heeft in zulke beslissingen met betrekking tot zijn dienst. Maar de promotie van Jos is op mijn vraag beslist door de CEO en die staat nog altijd een paar trappen hoger dan Vanderbilt, die op dat moment eigenlijk zou moeten voelen dat er iets aan de hand is. Maar dat zal hij niet doen, zo snugger is hij niet. Hij zal zijn eigen arrogante zelve weer staan wezen. En na het feest zal hij dan nogmaals verbaasd staan kijken. De CEO zal hem op het matje roepen en hem meedelen dat hij als mijn directe baas verantwoordelijk was voor de toon, een tikkeltje te vrijpostig, van mijn speech, pensioen of niet. Vanderbilt zal bij hoog en laag beweren dat hij die tekst nooit gekregen heeft, dus nooit zijn fiat heeft gegeven. De CEO zal dan samen met Vanderbilt diens e-mail gaan bekijken en met hem constateren dat de dag ervoor precies om 17u30 een mail van ene zekere Frans Vertongen is binnengekomen met vermelding ‘Speech voor pensioen’. Op dat moment zal Vanderbilt waarschijnlijk doorhebben dat het doorgestoken kaart is, alhoewel. Hij zal er zich alleszins niet meer uit kunnen praten en moeten toegeven dat hij niet meer aanwezig was op desbetreffend uur. Hij zal zijn afwezigheid niet kunnen verantwoorden, de CEO kent zijn planning, hij moet normaal gezien tot 18u00 aanwezig zijn. Het zal een directe aanleiding vormen voor de CEO om hem te ontslaan want Vanderbilt heeft voor hetzelfde al twee aangetekend verzonden waarschuwingen gekregen. Vanderbilt zal hangen. Dat is wat ik wil, dat is zeker wat de CEO wil. Zo hebben wij dat afgesproken. Die waardeloze onbenul die enkel en alleen zijn postje te danken heeft omdat hij familiale connecties heeft in het Amerikaans moederbedrijf. Die lul die altijd maar met zijn diplomaatje stond te zwaaien en mij één volledig jaar werkelijk in het gezicht uitgelachen heeft. Maar zijn familiale connectie zal op dit moment ook moeten vertrekken. Wel om andere redenen, maar de CEO is daarvan al een tijdje op de hoogte. En vanavond ben ik officieel uit dienst, dus bij wet onbereikbaar. Het interne netwerk ligt op vraag van de CEO vanaf 17u35 tot morgen 09u00 plat, zogezegd wegens nieuw te installeren software, zodat Vanderbilt zijn mails thuis niet kan lezen. Morgen stipt om 09u00 stap ik dat podium op!” Frans keek naar het lege bureau wat verderop en lachte duivels hard. Dan bracht hij kordaat zijn linkerarm voor zijn gezicht, las 17u30 op zijn polshorloge en met een druk op de knop vertrok de e-mail waar het uiteindelijk allemaal om te doen zou zijn.

johan saenen
0 0
Tip

Avocado

Net voor ze de avocado in tweeën gaat snijden, aarzelt het mes in haar hand bij de schil. Nooit heeft ze hem deze vrucht zien eten. Hoe zou dat zijn? Misschien zoals toen, tijdens de trekking, die avond op de pas. Waar landschappen als decorstukken elkaar verdrongen om een streling van het laatste licht op te vangen. Terwijl ze even uitrustten bij de top van een kleine heuvel, had ze een appel in stukken gesneden en met hem gedeeld. Stil nam hij de stukken van haar over en hoewel hij volledig in zijn schrift opging, at hij ze gretig op. Hij smakte erbij. Toen ze hem daar voorzichtig op wees, zei hij dat hij erover aan het schrijven was. Over de tocht door de bergen, over de appel, over haar. Luidop had hij alles vertaald voor haar. Met dezelfde gretigheid had hij medicijnen gegeven aan de zieke vrouw in het kleine donkere keukentje van de familie bij wie ze die nacht zouden verblijven, had hij geprobeerd zijn gasvuurtje te verkopen op de camping, had hij in het grote krentenbrood gebeten en haar voor het eerst gekust. Het is de eerste avocado die ze eet sinds ze terug is. De vrucht is perfect rijp. Het mes valt bijna door het vlees. Ze ziet het satijngroen al voor zich. Zoals de gerstvelden die oogstklaar lagen als tapijten rond de dorpjes op de hellingen. Temidden die velden had ze lange gesprekken gevoerd met hem. Eerst zonder hem. Toen hij nog op haar aan het wachten was in een stoffig dorp. Vlug genoeg met hem, toen de kleine riviertjes rood werden als slagaders bij zwellende harten. (Waar ze hem moest uitleggen dat het door de pigmenten van de textielverven kwam en niet door het bloed van slachtingen.) Maar misschien had hij haar veel meer bijgebracht. In die korte tijd. Eerst en vooral had hij haar een nieuw scheppingsverhaal gegeven. Daarna werd hij ziek en leerde hij haar om bij hem te zijn. Ze leerde op hem te wachten. Op andere dagen had hij uit haar verhalen gepuurd. Dan luisterde hij met al zijn oren. Wanneer hij terug aan het praten ging, kwam soms een oud verdriet tegen de oevers van zijn ogen gerold. Ook al spraken ze een andere taal en proefden de woorden soms vreemd, ze dacht dat ze elkaar begrepen en samen konden reizen. De laatste helling waren ze rennend en rollend naar beneden gekomen, joelend als kinderen. Geen zinnen meer. Ze scheidt de helften van de avocado en voelt hun weerstand. De militair in het kleine luchthaventje moet het ook gevoeld hebben toen hij hen afscheid zag nemen. Tegen alle regels in liet hij hen samen in de passagiersvertrekken toe. Prachtige woorden vonden ze uit. Afscheid en afwezigheid zouden niet gelijk zijn. Ze neemt het zoutvat. Te veel zout regent neer op het glanzende vruchtvlees. Hoe vaak heeft hij haar er niet voor gewaarschuwd. En ook voor te veel zon. Ze glimlacht. De gepolijste pit glijdt uit haar handen. Ze probeert hem nog op te rapen, ze krijgt er geen vat op. Als in het midden van een verhaal voelt het.

Marjanne Sevenant
29 1

Uit

Hij voelde dat hij nu iets moest zeggen. Dadelijk was ze weg. Hij zou haar nooit meer terugzien, dat wist hij nu wel zeker. Ze zou met de regen mee wegstromen uit zijn leven. ‘Straks val je van de bank.’ Hij liet het zo luchtig mogelijk klinken. Ze gaf geen krimp. ‘Kom, schuif eens wat dichter,’ probeerde hij nog eens, sussend nu. ‘Zo moeten we naar elkaar roepen.’ Ze hield de paraplu gekneld in haar hand. Haar vrije hand lag als een gewond vogeltje in haar schoot. Haar vingers vormden een bleke vuist. Hij wist dat ze het koud had. Hij wist ook dat ze lang, heel lang kon zwijgen. Gedempt zuchtte hij. Provoceren, dat moest hij doen. Het was zijn enige kans. ‘Straks komt er iemand tussen ons in zitten, dan kunnen we helemaal niet meer praten.’ Ze bleef strak voor zich uit kijken, toen ze schamper zei: ‘Er zit iemand tussen ons.’ Ze zuchtte. Hij had zoiets verwacht, ze hield ook van metaforen. ‘Neen,’ zei hij, ‘die zit er niet meer.’ Hij wist dat het zwak klonk. Wild verpakte ze de paraplu in haar andere hand en draaide haar hoofd weg. Er stoven druppels op zijn lederen jasje. Hij vloekte in gedachten. Waarom konden ze niet gewoon ergens binnen een koffie gaan drinken. ‘Ach,’ snoof ze,’en hoe weten we dat zo zeker?’ Nu, dacht hij. Hij wist dat hij nu terug moest tennissen. Een magisch woord. Zekerheid, dat wou ze. Een stukje brood op zijn uitgestrekte handpalm. Alles komt goed. Aarzelend zou ze dichterbij gesprongen komen. Het kon eenvoudig zijn gegaan. Een sms. Gisterenavond, na het eten, rustig op de bank. Mobieltje bij de hand genomen. Het nummer ingetikt dat hij vanaf het begin vanbuiten heeft gekend. Ik heb gekozen, tikken. Voor haar. Hij keek naar de punten van zijn schoenen. De regen vormde er kwikbolletjes op, zo goed waren ze gepoetst. Zijn gedachten kreeg hij niet rond. De woorden waren een kudde opgejaagde herten. Niet één kreeg hij te pakken. ‘Hé?,’ met een ruk draaide ze haar hoofd weer zijn kant op, ‘hoe kunnen we dat zo zeker weten?’. Hij moest iets zeggen. ‘Je schreeuwt,’ zei hij stil. Ze wreef een druppel van haar neus. Kalmer nu. Ze keek hem aan. ‘Ik heb het altijd al geweten.’ Nu pas hoorde hij hoe ritmisch de regen op hun paraplu’s tikte. Zou ze er nu ook een liedje bij bedenken? Ze had gelijk. Sinds kort was er een ‘voor’ en een ‘na’. En het hele stuk ‘voor’ was eigenlijk een voorbereiding op het ‘na’ geweest. En ‘na’, dat was nu. Nog bezig. Voor altijd. Niet te stelpen. Dat moest hij haar nu zeggen. ‘Ja,’ zei hij alleen maar. Ze keek nog altijd zijn kant op. ‘Nu weet jij het ook,’ zei ze. ‘Je hoeft niet meer te liegen, dat is het belangrijkste.’ Net voor ze opstond tikte haar paraplu even tegen de zijne. ‘Ook niet tegen hem.’ Ze wandelde weg. In de plassen vormde zich een kielzogje achter haar sneakers.

Marjanne Sevenant
14 0

C + G voor zolang eeuwig duren kan

In het leven gaat het vaak zo dat je de zaken uit je verleden die nu immens belangrijk lijken bent vergeten. Je zou je ze graag herinneren omdat, naar jouw gevoel, dat ene moment, dat ene woord of die ene oogopslag het verschil heeft gemaakt. Het is niet slechts een deel van het geheel, het is het deel dat het geheel heeft bepaald. Het is geen puzzelstuk van een puzzel, het is de afbeelding die de puzzel na afwerking toont. Maar hoe hard je ook probeert, je weet het niet meer.             Zo ook met mijn ontmoeting met Carlotta. Ik herinner me er niets van. Wellicht komt dat omdat ik indertijd een jaar of zes was en dat het nu eenmaal wel vaker voorkomt dat je gebeurtenissen uit je kindertijd vergeet. Maar waarom vergat ik dat ene moment waarop Carlotta en ik ontmoetten en heb ik wel talloze details onthouden zoals de sticker van de blauwe vlinder die op de bovenkant van haar beugel plakte?             Inderdaad, ze droeg een beugel. Vaak is dit de ideale reden voor jong gespuis om iemand uit te lachen maar Carlotta kwam er aardig mee weg. Het stond haar. Die metalen lijn langs haar boventanden maakte haar nog net iets specialer. Het betrof een beugel die ze gemakkelijk uit- en aandeed en niet mocht aanhouden bij het eten. Wanneer ik mijn ogen sluit zie ik nog steeds hoe ze tijdens de middagpauze haar brooddoos opendeed, haar boterhammen met kaas een boosaardige blik gaf en nadien haar rechterhand in haar mond stopte om haar beugel er met één soepele beweging uit te halen. Ze legde het ding meestal in het beugeldoosje dat ze meebracht naar school maar soms legde ze het op tafel. Terwijl we aten keek ik naar de blauwe vlinder en geen porie in mijn lichaam vond haar met speeksel omfloerste beugel stuitend. Integendeel: ik was jaloers op die beugel. Ik wilde er ook één zodat ik iets meer op Carlotta lijken kon.         In het leven gaat het ook vaak zo dat je dolgraag iedereen behalve jezelf wil zijn.   Die eerste ontmoeting is dus gewist uit mijn geheugen maar wellicht viel deze voor in het eerste leerjaar. We zaten in dezelfde klas. Ik zat al vanaf de kleuterklas op die school, zij was er nieuw. Misschien had juf Nancy de eerste schooldag in het eerste leerjaar gezegd: ‘En dit is onze nieuwe leerling. Ze heet Carlotta. Wees allemaal lief voor haar. Help haar om haar weg in deze school te vinden.’ Maar dat weet ik dus niet meer. Misschien had ze zich aan me voorgesteld – dat is mogelijk, ze was immers erg joviaal. Maar dat weet ik dus niet meer. Wat ik wél zeker weet is dat ik me niet aan haar heb voorgesteld, dat deed ik nooit – ik was dan ook het tegenovergestelde van Carlotta: ik was enorm verlegen.             We werden meteen vriendinnen, hoe die eerste ontmoeting ook verliep. We waren tegenpolen en misschien daarom een perfecte combinatie. Wanneer ik moest spreken maar de angst me op de hielen zat, was zij mijn praatgrage mond. Wanneer zij impulsieve beslissingen dreigde te maken zoals ze er honderd op één dag maakte, was ik haar welberaden hoofd.                        We hadden toekomstplannen. We hadden een plan uitgetekend met twee huizen naast elkaar, waar we elk zouden wonen met ons gezin, en een ondergrondse tunnel van haar huis naar het mijne, waar we geheime afspraken zouden hebben wanneer we elkaar misten. Waarom die ontmoetingen in het geheim moesten gebeuren was geen discussiepunt, het was gewoon zo, omdat een ondergrondse tunnel ons fantastisch leek. We zouden elkaar nooit ofte nimmer uit het oog verliezen. We zouden tot de dood ons scheidde vriendinnen blijven. Carlotta maakte er zelfs een tekening van, ik heb hem nog steeds: twee doodsgraven met onze namen op, enkele bloemen die erbij gelegd zijn, en in de lucht geschreven: C + G voor eeuwig. We wisten toen nog niet dat er op de weg naar eeuwig veel kronkelpaden liggen. Het eerste kronkelpad dat ik beliep in mijn leven was het pad der stilte. Ik had het plekje erg jong ontdekt, vele jaren voor Carlotta zich in mijn leven introduceerde. Ik bleef er graag ronddolen en als ik in de verte de uitgang zag, dan maakte ik rechtsomkeer omdat ik er nog niet klaar voor was.                       Bij mijn geboorte slaakte ik één lange gil, verklaart mama altijd, en nadien zweeg ik alle talen. Ik was een vrolijk kind dat een hele dag met een glimlach op het gezicht rondliep maar geen haar op mijn hoofd dat er aan dacht om iets te zeggen.                          Waarom willen mensen zo graag dat je praat? Omdat ze denken dat jij je dan beter voelt? Of omdat ze zichzelf dan beter voelen?             De dokter zei: ‘Jij voelt te veel.’                     Mijn ouders keken dokter Vanvratem verbaasd aan.                     ‘Daarnaast scheelt er niets met Gloria,’ zei ze terwijl ze haar stethoscoop van haar nek hield en hem opborg in de grijze kast naast de onderzoekstafel. Dokter Vanvratem was al jaren onze dokter, ze kende het hele gezin. Ze wist dat mama vaak keelontstekingen kreeg, ze wist dat papa zowat elke winter een dipje had waarbij er nooit iets lichamelijks misliep maar hij toch niet in staat was te gaan werken, ze wist dat Gemma dikwijls verkouden was, ze wist dat Gabriël nooit ziek was maar wel op vierjarige leeftijd werd geopereerd omdat zijn appendix dreigde te barsten, en ze wist dat ik niet sprak.             Ik zat in mijn slip op de onderzoekstafel en probeerde niet te bewegen omdat het witte papier dat over de tafel lag dan begon te kreuken.             Dokter Vanvratem had naar mijn hart en mijn longen geluisterd die gewoon deden wat ze zouden moeten doen. Ze richtte zich weer tot mij. Haar felblauwe ogen priemden door de mijne heen. Ik wou wegkijken maar bedacht dat ze misschien mijn ogen onderzocht en dat ik niet wegkijken mocht.            'Hoe oud ben jij nu?’ vroeg ze uiteindelijk.                      ‘Vijf,’ zei ik. Ik had het zo stil gezegd dat ik vermoedde dat dokter Vanvratem me niet had verstaan maar ze knikte en lachte naar me.                     ‘Wat vind je leuk om te doen, Gloria?’ Haar ogen keken me nog steeds indringend aan en ik durfde nog steeds niet wegkijken.                      Dat vond ik een moeilijke vraag: er was zoveel dat ik graag deed. Moest ik één ding kiezen dat ik graag deed of moest ik alles opsommen? Hoelang moest mijn antwoord zijn? Wat verwachtte ze van me? Ik zweeg en keek eindelijk weg. Ik bestudeerde de vloertegels die klein en bruin en vies waren.                       ‘Tekenen?’ vroeg dokter Vanvratem.                     Ik schudde van neen. Tekenen vond ik tijdverlies.                      ‘Tikkertje spelen?’                      Ik schudde opnieuw van neen. Tikkertje spelen was vast en zeker tijdverlies.             'Ze schrijft,' zei papa uiteindelijk.                                                                              ‘Maar je bent nog maar vijf jaar! Kan jij al schrijven?’                      ‘Enkele woorden,’ zei papa, ‘en die schrijft ze opnieuw en opnieuw.’                       ‘Hm,’ deed dokter Vanvratem. Wat ze daarmee bedoelde wist ik niet maar het klonk alvast niet bijster positief. ‘Je mag je kleren weer aantrekken.’                       Mama gebaarde me dat ik naar haar toe moest komen en ze trok mijn kleren aan. Haar blik stond op bezorgdheid en schaamte waardoor ik de neiging had te beginnen huilen. Ik beet op mijn onderlip om mijn aandacht af te leiden van het vocht dat klaarzat in mijn traankanalen. En ik zag dat mama in haar donkere, bijna zwarte ogen ook last had van wateroverstromingen.                      ‘En dat huilen dan? Altijd maar zwijgen en altijd maar huilen, waarom doet een kind dat? We weten niet wat we met haar moeten,’ zuchtte papa.                       Dokter Vanvratem installeerde zich op de stoel achter haar bureau. ‘Zoals ik zei: ze voelt te veel. Gloria is erg gevoelig. Alle indrukken die ze overdag opdoet zijn haar te veel. Ze weet er geen blijf mee. Ze kan ze nog niet in woorden uitdrukken dus huilt ze. Dat is haar enige manier om haar gevoelens te filteren.’                       ‘Zal ze die gevoelens ooit op een andere manier kunnen uitdrukken?’ Zoals gewoonlijk was het papa die het woord voerde. Binnenshuis was mama diegene die sprak, buitenshuis was dat papa’s taak.                       ‘Natuurlijk. Naarmate ze ouder zal worden zal ze taal beter kunnen hanteren. Ze zal kunnen zeggen wat er op haar lever ligt. Ze is nog erg jong, geef haar wat tijd.’ Dokter Vanvratem schreef een groen briefje vol met onleesbare tekens. ‘En,’ voegde ze er aan toe, ‘dat schrijven is misschien zo slecht nog niet. Volgend jaar gaat ze naar het eerste leerjaar en zal ze meer woorden kunnen schrijven. Het kan haar helpen om al schrijvend te verwoorden wat er scheelt.’                       ‘Dus we moeten geduldig zijn.’                      ‘Inderdaad.'                     ‘Ze is zo anders dan de rest van het gezin. Gemma is het tegenovergestelde: zij stopt niet met praten. Gabriël kan zich ook goed uitdrukken.’                     ‘Iedereen is anders.’ Dokter Vanvratem kribbelde onderaan het briefje nog iets en legde het voor papa’s neus. ‘Drieëntwintig euro, alstublieft.’                        Toen ik in het eerste leerjaar meer woorden leerde schrijven had dat als gevolg dat ik meer schreef. Ik schreef verhalen over dinosaurussen die bij elkaar op de thee gingen en een clown die zo ongelukkig was dat hij een volledige dag huilde waardoor zijn make-up uitliep en zo zijn baan in het circus verloor omdat zijn baas hem niet meer herkende. Maar ik schreef nooit over wat ik voelde, tot grote ergernis van mijn ouders. Ook het spreken evolueerde niet. Ik antwoorde ‘ja’ en ‘neen’ bij vragen, ik zei ‘dank u’ wanneer dat gepast leek maar meer zei ik niet. Ik bewonderde mensen die wel spraken en wellicht was het daarom dat ik opkeek naar Carlotta. Zij was een spraakwaterval. Maar waarom zij graag bij mij was begreep ik niet. Ik kon niet vatten waarom iemand zoals zij graag vertoefde bij iemand die louter zweeg.                        Ik ben nu zeventwintig jaar en ik begrijp het nog steeds niet.

Linkervoet
0 0

Vera en Maria

Haar vroegste herinnering speelt zich af in de derde kleuterklas, met in de hoofdrollen zijzelf en juffrouw Maria – jawel, genoemd naar, ook maagd maar gelukkig nooit geplaagd door onbevlekte ontvangenissen. Maria had op haar achttiende prompt beslist om kleuterjuf te worden, volgens de praatgrage dorpsbewoners omdat ze toen al had geweten dat een man en kinderen niet voor haar zouden zijn weggelegd. Smalend werd daar dan aan toegevoegd dat de elk jaar terugkerende kleutertjes van het Sint-Jozefscollege een soort troostprijs waren voor haar kinderloos bestaan. Maria noemde de kleuters dan ook steevast ‘mijn kindjes’. En zoals moeders hun kroost voor het slapengaan nog een verhaaltje voorlezen, zo startte elke schooldag in het klasje van juf Maria met een weesgegroetje. Uiteraard. “Wees gegroet Maria, vol van genade, de Heer is… Veraatje, mondje toe tijdens het gebed!”“Oeps”, mompelde Vera en ze trok er een zo schuldbewust mogelijk gezicht bij.“Gezegd zijt gij boven alle vrouwen en gezegend… Godverdomme Vera!”, vloekte Maria nu ongeremd nog voor de vrucht van haar lichaam te sprake kwam. Met grote stappen liep ze naar de knutselkast, haalde er een dikke rol zwarte tape uit en sneed er een stuk van een centimeter of tien af. Vera zag wat haar juf van plan was en begon door de klas te rennen, achtervolgd door een uitzinnige Maria en aangemoedigd door enkele klasgenootjes. Uiteindelijk kreeg ze haar te pakken, duwde haar met veel kracht op een stoel en plakte in een vloeiende beweging het stuk tape over Vera’s kleine mond.“Wie niet horen wil, moet voelen!”Vele jaren later pas, toen Vera in het laatste jaar van de middelbare school zat, zag ze haar terug. Geen haar veranderd, zouden de mensen zeggen. In het geval van Maria waren het net enkel haar haren waar de tijd een lichtgrijze vat op had gekregen. Maria – ze wist niet goed of ze daar nu nog juf moest bijzeggen of niet - stond te wachten voor een rood licht. Vreemd, zo'n dorpsfiguur midden in een grootstad. Met één arm omklemde Maria de verkeerslichtpaal terwijl ze met haar vrije hand onophoudelijk op het knopje drukte. Verwonderlijk, zo vond Vera, hoe mensen werkelijk geloven dat het sneller groen wordt zolang je maar op die knop blijft drukken. Zelf had ze zich lang voorgesteld hoe ergens op een eenzaam bureautje een man zit die de duizenden wij-willen-groen-lichtoproepen ziet binnenkomen en alles maar moet zien te regelen. “Dag juffrouw Maria, kent ge mij nog?" Ze had dan toch juffrouw gezegd. Automatisch bijna, maar ook omdat Maria zich zo gemakkelijker zou herinneren dat de jonge vrouw die voor haar stond ooit bij haar in de klas had gezeten.Geen antwoord.“’t Is Vera. Van in de derde kleuterklas. Gij hebt mij indertijd bijna vermoord.” Een verdwaasde blik.Nu pas zag Vera Maria’s mond bewegen. Ze zweeg en hoorde hoe er een soort fluisterversie van een weesgegroetje uitkwam.“De Heer is met u, gezegend zijt gij boven alle vrouwen,…”Het is maar dat ze het gebed nog uit haar hoofd kende, anders had ze nooit een woord van Maria’s gemompel begrepen. “Met een stuk zwarte tape?", op vragende toon nu, in de hoop dat Maria haar gebed zou onderbreken om haar van een antwoord te dienen. Maar ze negeerde Vera en bad onverstoord verder.“En gezegend is de vrucht van uw lichaam Jezus,…” “Weet ge dat dat voorval mijn vroegste herinnering is?” Vera ging zich niet zomaar laten afschepen door Maria. Niet door zij die hier voor haar stond en niet door zij aan wie het gebed gericht is. Of zij die erin gegroet wordt. Wist zij veel. “’t Was in de derde kleuterklas. Ik had gewoon niet zoveel zin in bidden, omdat ik namelijk een kleuter was, en gij hebt mij letterlijk de mond gesnoerd. Met een stuk dikke zwarte plakband uit de knutselkast. En ge hebt mij daar verdomme een ganse voormiddag zo laten zitten!”Dat ze een moord zou begaan voor zo’n stuk tape, dat dacht Vera. En dat ze er vervolgens ook echt een moord mee zou plegen. Ze schrok bijna toen “nu en in het uur van onze dood” luider klonk, veel duidelijker ook dan de voorgaande verzen. Ze zag hoe Maria naar de overkant keek, naar het groene ventje dat daar verscheen. Zonder Vera ook maar één keer aan te kijken stak ze de straat over. De meneer in zijn eenzaam bureautje was aan Maria’s oproep aanbeland. Haar vroegste herinnering speelt zich af in de derde kleuterklas. Een moordpoging, met in de hoofdrollen zijzelf, een stuk plakband en de juf. Maria heette ze. Haar weesgegroetjes hielpen nooit.

joke
16 0

.be

Ze zit al een hele tijd op het terras, onder zes golfplaten en een druivelaar. Hij vangt alle blikken. Niet haar man, hij rookt niet. Zij blaast de rook onder de rokken en het kleed van het tuinmeubilair. De buiken bewegen nauwelijks. Hongerig kunnen ze niet zijn, ze kregen zonet nog zwoerdjes. 'Wil je een biertje?' Haar opstekende duim: top! 'Wat is de lucht mooi!', roept hij uit. 'Een roos-oranje verte', zegt ze dromerig. Niemand zegt dat daar in de verte een man wordt gestoken met een mes, meermaals en diep, niemand ziet dat de dader er plezier in schept. Ook op die afstand schept een kind van vier een emmer vol tijdverdrijf en zand. Hoor je iemand ritmisch ademen in de slaap, dan fladdert die adem in een buik kortbij. Je merkt het niet eens dat het jouw lichaam is, de buik en hangende longen in jouw lichaam, jouw leven speelt zich af in het roos-oranje licht.  .beangstigend is fantasie en rustig ademen niet. 'De landen willen dat het geweld stopt', zegt hij. Landen maken akkoorden. Ze zijn te .bedeesd ze te verbreken.  Zij merkt op dat ze nog nooit eerder sprak over 'mijn' land. Indien zij een ander land zou bewonen, zou zij het land van geboorte als haar land beschouwen. Misschien...eventueel... 'Zie jij dat kind met de emmer?', vraagt ze. Hij vermoed dat zij het in de verte, met een strand en zand, moe van liggen en waaien, op een akkoord gooide. Een mens ademt en rust in een land, hoort de meeuwen krijsen, schudt aan de pols van de wind. Het strand is kleurloos, het trekt geen mes door de buik van zandkorrels. Alles is moe. Soms is een mens zo moe dat hij meermaals en diep verdwaald, iets opgeeft, iets opheft in de longen en maag, en braakt. Kort daarop landt de reiger. .behoedzaam worden er nieuwe afspraken gemaakt. De mens met het mes heeft dan toch een gesprek over tijdverdrijf, het zand aan de voeten na een wandeling.

Ingrid Strobbe
0 0
Tip

Er waren geen wolven meer

Alles is veel verder dan het lijkt. Dat is het enige dat ik op dit moment, op deze plek zeker weet. Als ik naar het dal kijk, zie ik het huis. Er komt geen rook uit de schouw, ik heb de kachel uit laten gaan. In de kleine woonkamer staat mijn rugzak op de tafel, naar achter hellend, de riemen naar voren, klaar om gehesen te worden. In het zijzakje mijn ticket, een dure plaats op een snelle trein naar het noorden. Mijn verblijf hier was tijdelijk. De rust die ik had was luxe. Ginder wachten ze op mij. Het laatste uur dat ik nog had, wou ik buiten zijn, op de harde grond, tussen de koude bomen.   Als ik naar boven kijk, zie ik de kam met daarachter een helblauwe lucht. Bovenop de bergrug kun je de zee zien, zeker met dit weer. De lucht is er koud en zuiver. Alles is helder en lijkt bedrieglijk dichtbij. Maar achter de kam ligt nog een kam en daarachter nog een. Het kan niet, het mag niet. De top is te ver, er is geen tijd meer.   Nog een klein stukje. Ik trek mijn mouw over mijn pols, ik wil niet weten hoe snel de tijd gaat. Tot aan de eerste kam. Neen, tot aan die jonge eik. Daar kan ik even rusten en dan terugkeren. Het klimmen gaat goed. De paden zijn geëffend door de schapen en de geiten die voor de winter van de berg werden geleid. De zon verwarmt mijn rug. Ik heb geen water mee, ik moet terug. Ik moet terug.   De jonge eik is de laatste boom. Daarna zijn er enkel nog winterslapende struiken: heide, brem, tijm. Ik ga op een steen zitten en kijk naar het dal. Als ik nu snel naar beneden ga, haal ik het nog. Als ik omkijk, ben ik verloren.   Ik kijk om. Tegen de hogere helling ligt hier en daar sneeuw. Glinsterend. Ik voel mijn dorst. Ik trek aan mijn mouwen en ik klim verder. Wat sneeuw leek, is ijs. Ik breek een stukje af en laat het smelten op mijn tong.   Voor de rand van de kam zie ik een weg, waarvan ik weet dat hij langzaam naar het dorp daalt. Ik kan hem nemen, want ik heb tijd nu. Op de razendsnelle trein zal een plaats leeg blijven. Ik heb nu zoveel tijd dat ik de weg in oostelijke richting zou kunnen volgen, weg van het dorp, naar de kale vlakte waar wellicht een koude wind waait.   Er beweegt iets op de grijze helling. Een donkere stip die snel groter wordt en de vorm van een hond aanneemt. Een grote hond. Ik voel mijn hart, dat nog bonkt van het klimmen, groter worden. Het drukt tegen mijn keel en mijn schouders. Ik probeer traag te ademen en te verstillen, ik laat mijn armen hangen. Dieren vallen niet aan als je zelf niets doet, houd ik me voor.   De hond komt in zwenkende draf dichterbij. Op een dertigtal meter stopt hij. Hij kijkt naar mij en lijkt hetzelfde te denken als ik: als ik niet aanval, doet ze misschien niets. Ik kan nu zijn dikke grijsbruine pels zien. De stevige poten, de spitse snuit. Hond, denk ik, jij bent een wolf.   Ik voel aan mijn broekzakken. In mijn linkerzak mijn telefoon, rechts een plat fototoestel. Op de tast haal ik het eruit. Ik probeer zo traag mogelijk te bewegen. Terwijl ik mijn ogen op het dier gericht houd, breng ik het toestel voor mijn buik. Ik aarzel, bang dat hij een beweging maakt. Er is niets beangstigends aan hem. Ik weet zeker dat hij niet in mijn richting zal springen. Hij zal zelfs niet dichterbij komen. Zijn hele houding is erop gericht om rechtsomkeer te maken. Niet omdat hij bang is, maar omdat ik vreemd en onbelangrijk ben.   Ik zou hem willen zeggen dat het voor mij anders is. Hij is belangrijk, hij is prachtig. Ik zou hem graag van dichtbij willen zien, misschien wel aanraken. Ik zou graag een foto van jou willen nemen. Om straks thuis naar jou te kijken, om je niet te vergeten, om je aan anderen te laten zien.   Op de tast druk ik af. Nog terwijl ik de droge klik hoor, draait hij zich om. Hij loopt weg, in dezelfde ongehaaste draf waarin hij gekomen is. Ik vraag me af wie er het meest teleurgesteld is, hij of ik. Ik vervloek het fototoestel, ik vervloek mezelf.   Ik krijg het koud en draai me naar de zon. Ik moet een richting kiezen. Ik neem het brede pad naar het dorp. Mijn passen zijn snel en boos. Als ik vertraag, ebt mijn woede weg.   Na een half uur zie ik het eerste huis van het dorp. De rook komt dik uit de schouw en rafelt uit in de koude lucht. Ik loop wat vlugger de helling af want ik zie mijnheer Joch met een lege kruiwagen naar de achterkant van het huis gaan.   ‘Monsieur Joch!’ roep ik. Hij keert zich om. Het duurt een paar minuten eer hij mij herkent. Ik vergeef het hem. Hij is oud en hij leeft al een heel leven in dit onooglijke dorp, op de rand van de wereld.   ‘Ik heb een wolf gezien’, zeg ik. Het duurt weer even eer hij reageert. ‘Dat kan niet,’ zegt hij ‘er zijn geen wolven meer.’ Ik haal mijn fototoestel uit mijn zak en ik toon hem het scherm. Er is niet veel te zien: een wazige bruine vlek tegen een grijze achtergrond. Met wat goede wil kun je er het silhouet van een weglopende hond in zien. Mijnheer Joch schudt zijn hoofd. ‘Het kan niet’, zegt hij weer.   Hij kijkt naar de berg en ik zie hem denken, twijfelen.   ‘Juffrouw’, zegt hij dan, ‘doe dat weg.’ Hij wijst naar mijn fototoestel. ‘Doe dat weg en zeg het aan niemand.’ Hij legt een hand op mijn mouw. Zijn vingers klauwen zacht in mijn dikke trui. Zijn nagels zijn geel en lang.   Met knikkende knieën loop ik het dorp in. Het ruikt er naar houtvuur, er is niemand op straat. Het huis is nog niet helemaal afgekoeld. Ik steek de kachel aan en pak mijn rugzak uit.

Christine Van den Hove
49 1

Gesprek met een bijna-vierjarige

Vandaag was het de tweede kampdag van Lowieke. Hij moest groene kleren dragen en er zou geverfd worden …Dat is er aan te zien wanneer ik hem om vier uur ga halen. De regen valt met bakken uit de lucht. Ik parkeer mijn autootje en volg een vrouw waarvan ik vermoed dat ze de weg wel weet te vinden. Ze vervoegt een andere dame onder een afdakje. 'Niet veel volk' denk ik. Dan zie ik in de verte een deur opengaan en daar verschijnen plots tientallen kinderlichaampjes. Op weg daarheen bemerk ik onder een nog groter afdak een grote groep mama's, papa's, oma's en opa's die hun oogappeltjes komen ophalen. Als zijn ze zelf kinderen, stuiven ze, met hun paraplu in aanslag, op de geopende deur met vele kinderkopjes af.Een mama met een lichaamslengte van minstens een meter tachtig maar met het verstand van een nuljarige baby, vind het noodzakelijk om menig kinderhart de weg naar buiten te versperren. Gelukkig is er een attente opvoedster die alle grote (lees kleinzielige) mensen terug naar de speelplaats verwijst.Dan zie ik het zoekende gezichtje van Lowie.'Opa, opa' roept hij vrolijk en opgelucht, want je weet maar nooit wanneer die oude, verstrooide opa's komen opdagen.Hij baant zich een weg tussen de mastodonten van grote (lees weinig verstandige) mensen.'Opa, ik heef geverfd' zegt hij triomfantelijk.Ik bekijk hem van kleine kop tot kleine teen.'Ik zie het' zeg ik en wijs naar zijn met verf besmeurde broek.'Das nie erg hè opa' vraagt hij lichtjes beteuterd.'Neen, dat is niet erg jongen. De kleren die je draagt op dit kamp mogen vuil worden’.Lowie haalt opgelucht adem.Nadat we zijn rugzakje en regenjasje hebben opgepikt gaan we onder opa's paraplu naar de auto. Ik riem hem vast in de kinderstoel en zet koers naar het huis van zijn ouders. Net vertrokken zegt hij:'Opa, ik moet wel plassen'.'Dat is geen probleem' antwoord ik, 'we zijn dadelijk thuis'.'Maar ik moet wel dringend plassen' riposteert hij heel gevat.We moeten slechts enkele kilometers en evenveel minuten rijden, dus zeg ik hem:'We zijn er bijna. Kan je nog even wachten?''Ik zal nog even ophouden' weet Lowie mij te zeggen, 'maar ik moet wel dringend'.'Dat is flink Lowieke. Grote jongens kunnen al even wachten en hun pipi ophouden' is mijn antwoord (hoe gevatter kan je zijn ...).'Maar het is wel dringend' herhaalt hij nog even, om zeker te zijn dat ik het begrepen heb.'Ik heef nog niet in mijn broek geplast' zegt mijn kleinzoon honderd meter verder en zes seconden later.Ik begin mij langzamerhand zorgen te maken.'Dat is goed jongen. Jij kan al goed ophouden' is mijn repliek.'Maar ik moet wel dringend plassen' hoor ik hem zeggen, waarbij ik hem verdenk dat hij toch stiekem een eerste straaltje loost.'Als je nu in je broek plast dan zijn je kleren nat, maar dan is de autostoel ook helemaal nat en dan moet opa die wassen' probeer ik Lowie aan zijn verstand te brengen in de hoop dat dit de aandrang van mijn kleinzoon zal temperen.'Ja, en da mag nie' is het wijze besluit van de kleine.'Maar ik moet wel dringend'. Met deze woorden onderstreept hij zijn betoog.'Kijk Lowieke, we zijn in uw straat. Nu mag je bijna plassen' probeer ik aan mijn Manneken Pis uit te leggen.'Ja oef, want ik moet wel dringend, hè opa'. De korte rit lijkt uren geduurd te hebben.'Ik parkeer de auto, ik neem je uit je autostoel en neem je rugzak en jasje' murmel ik om hem bezig te houden.'Loop maar naar de voordeur'. De seconden tikken voorbij.De deur gaat open en Lowie gaat 'op zijn gemak' naar het toilet.'Eerst het lichtje aandoen' zegt hij, terwijl ik denk: ‚Vooruit, doe wat je moet doen'.Dan hijst hij zich op de toiletbril.'Ik doe pipi' zegt hij, 'en ik heef nie in mijn broek geplast'.Dat laatste, daar moet ik me nog even van overtuigen. Ik kijk in zijn onderbroekje en zie een minuscuul vochtig vlekje.'Flinke jongen, mijn Lowieke' denk ik en geef hem een kusje.

Marc M. Aerts
25 0