Zoeken

Kinderen

Vandaag is zo’n dag. Het is zo’n dag die, niet eens zonovergoten, smeekt om een zonnebril. Die heeft Maarten niet bij zich. Hij zit op een bank bij een speeltuin en wrijft in zijn ogen. Het is nog vroeg. Zijn fiets en rugzak liggen op de grond. Met zijn rechterhand beschut hij zijn ogen tegen het licht. Hij tuurt naar een herkenningspunt in de vloeibare verte, als in een woestijn.   Daar zit een meisje op een schommel. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes om naar haar te kunnen kijken. Het is een tenger meisje. Toch heeft ze zichtbaar sterke ellebogen en knieën. Zou ze al tien zijn? Ze zet een streng gezicht op terwijl ze schommelt, wacht telkens het juiste moment af om uit alle macht aan de touwen te trekken, krijgt de schommel zo hoog dat hij haar gewichtloze ogenblikken gunt. Maarten kan van haar gezicht niet aflezen of ze er plezier aan beleeft.     Zou ze met dezelfde tomeloze ijver haar huiswerk maken? Hoe dan ook zou ze het niet enkel voor de goede punten doen. Later zal ze prachtige samenvattingen maken van haar leerstof. Ze zal mooi zijn en geen onzin dulden van haar vriendje. Ze zal lak hebben aan twijfelaars. Maarten wiegt met het schommelende meisje mee.     Het meisje houdt het spelen voor bekeken. Ze rent door het zand en verdwijnt van het toneel. Maarten staart de schommel, zijn deelgenoot in hangerigheid, na. Hij raapt zijn rugzak op, neemt zijn fiets, en rijdt naar huis. Onderweg probeert hij in de rechte stukken zo lang mogelijk met de ogen dicht te rijden.   Later op de dag zit Maarten in het midden van de driepersoonsbank van een recent aangekocht Ikeasalon. Hij heeft een zonnebril op en rookt sigaretten. De stompjes dooft hij uit in de asbak op de salontafel. Met nadruk, alsof hij ze één na één een lesje leert. Hij neemt zijn tijd. Hij heeft zijn hemd met palmboomprint aangetrokken. Zijn zwembroek en badlaken hangen te drogen op zolder. De microgolfmaaltijd voor twee, gesigneerd door een beroemde kok, ligt in de koelkast. De kattenbak is schoon.     In de verte klinkt een sirene. Het geluid verplaatst zich erg langzaam. Wat moet het daarbuiten weer druk zijn, denkt hij. Hij droomt weg, starend naar twee kussens die op de sofa tegenover hem staan uitgestald, opgedoft en door een vrouwenhand geschikt als was het een stel, misschien zoals zij vroeger deed met pop en teddybeer.     Maarten schrikt op. Gerinkel van haar sleutelbos bij de voordeur. Hij blaast en wappert wat naar de rook – die gedwee opzij gaat, beleefd bijna, zich verontschuldigend, en vervolgens gewoon blijft hangen –, pakt de asbak en gaat op kousenvoeten naar de keuken. Anja komt thuis van het werk.   Zij is weer als de wind. Haar schoenen klakken en schuren in de hal. Ze is gehaast. De deur naar de woonkamer zwaait open. Haar lange wollen jas, nog net te zwaar voor het seizoen, blijft nog even aan. Eerst moet het raam open. Maartens zonnebril belandt met een boogje op de sofa, naast het stelletje kussens. Zij vraagt niet hoe zijn dag was. Hij kijkt haar glimlachend aan. Zijn dunne lippen spannen als elastiekjes.     ‘Niet grappig, Maarten’, zegt ze. ‘Denk om je zaad.’ Maarten verstart. Hij was het weer vergeten. Wat ze dadelijk gaat zeggen, klinkt hem als een voortijdige echo in de oren.     Ze zegt: ‘Je bent het weer vergeten. Ik zie je boven? En haast je, over een half uur heb ik yogalates.’ Ze loopt hem rakelings voorbij. Hij is als rook.   De trap op. Hij zal proberen er het beste van te maken. In de slaapkamer kijkt hij toe terwijl Anja zich uitkleedt. Werktuiglijk, alsof ze tegelijk probleemloos nog zou kunnen telefoneren, vergaderen, netwerken. Het maakt haar mooier dan wanneer ze haar ondergoed al te zelfbewust slechts met de vingertoppen zou beroeren. Niet meer, maar ook niet minder dan wat het is, staat het Maarten vrij haar te aanschouwen. Wie is deze vrouw? Hij vraagt het zich af terwijl zij alvast post vat op het bed. Een beetje plagerig houdt hij zijn kleren aan.     ‘Moefi’, zegt ze – Moefi, zo noemt zij hem soms, wanneer ze hem achter de veren moet zitten. Hij antwoordt dan steevast met een monotoon ‘Ja An’, of iets dergelijks, omdat zij daar niet tegen kan –, ‘Het moet nu, ik voel het aan mijn borsten. En de oefeningen straks kunnen alleen maar helpen.’     ‘Wat denk je, An? Dat ik een wandelende erectie ben?’ zegt hij. ‘Het moet altijd nu. Eerst hier even oefenen, ja?’     Anja zucht. Maarten laat zich uitkleden alsof hij, smerig van het stoeien in de speeltuin, een klein joch is dat in bad moet. Dat doet het hem. Anja zit op handen en knieën op het bed, zegt: ‘Dag jongeman’, en draait zich om, nu met het aangezicht naar de muur. Geen tijd te verliezen. Een beetje teleurgesteld, niet helemaal, weet Maarten wat hem te doen staat.   Hij kijkt naar een figuur op het behang dat Anja onlangs in een vlaag van koopwoede had meegebracht. Een vlinder in kinderlijke kleuren. De gebroken witte muren van eerder vond hij prima. Hij moet zijn gedachten erbij houden, of net niet. Om zichzelf aan te moedigen, pakt hij haar beet bij de billen. Zijn ogen volgen de welving die haar rug mooi in twee verdeelt, tot bij de aftekening van de knoken die de hals aankondigen. Het is de ritssluiting van Anja, zo stelt hij het zich voor. Bovenaan, net onder de haarlijn, trekt hij in gedachten de rits zachtjes open. Wat zich beetje bij beetje, roze en vochtig, onthult, durft hij niet aan te raken. Er naar kijken doet hem groeien in haar.   Aan haar kant van het bed nu, ligt Anja met de benen omhoog, de rug door de armen gestut. Haar ellebogen graven kuiltjes in de matras. Ze staart naar het plafond. Het is een eigenaardig stilleven dat Maarten stilaan vertrouwd aandoet. Alle beetjes helpen. Hij kijkt ernaar en denkt: zij schijnt te weten wat zij van de zwaartekracht vermag. Zijn penis ziet er ondertussen weer uit alsof je hem daarover niets hoeft te vertellen. Hoe vaak hebben ze hier zo gelegen, verfomfaaid en dompig, zoals het beddengoed?     Hij weet niet wat hij moet zeggen, maar hij verdraagt de stilte niet.     ‘Schat?’ vraagt hij.     Anja graait naar een hoofdkussen en verbergt zich. De spanning in haar lichaam bereikt Maarten via de matras. Ze is niet mis te verstaan. Hij weet dat hij nu beter zijn mond houdt.     ‘Misschien moest je de les deze keer maar eens overslaan?’ zegt hij. Na een paar tellen, alsof zijn woorden eerst even schenen te verdwalen in de vulling van het kussen, begint Anja’s bovenlichaam zachtjes te schokken.     ‘Huil je?’ Wat een domme vraag. ‘Is het zo’n dag?’ Waarom bewegen zijn lippen nog? ‘Ik weet het’, zegt hij tenslotte.     Anja werpt het hoofdkussen van zich af en kijkt hem, voor het eerst vandaag, rechtstreeks aan: ‘Wat? Zeg dat nog eens?’     ‘Wat?’     ‘Wat je nu juist zei.’     ‘Of het zo’n dag is?’     ‘Nee, ik bedoel: daarna.’     ‘ik weet het?’     Maarten ziet hoe Anja’s ogen tiktakken, alsof ze zijn blik peilt, in de hoop eraan te kunnen aflezen of ze nu moet schateren of janken. 

Jan
23 0

Trutjes met kutjes

Ik kwam vandaag de schrijver tegen met zijn hond. De schrijver heeft geen lief meer. Daarover heeft hij een boek geschreven. De schrijver behoort tot de schaamteloze mensen. Het is tegenwoordig in de mode om schaamteloos te zijn. De schaamteloze mens windt nergens doekjes om. Hij voelt zich niet aangetrokken tot een vrouw maar wordt geil. Hij heeft niet lief maar neukt. Hij spreekt over foef, tetten, ballen. Hij voelt zich niet triest maar pissed of fucked up. De schaamteloze mens is niet noodzakelijk een klootzak. Hij weet gewoon dat mensen klootzakken zijn en dat het ongelooflijk klootzakkig is om je anders voor te doen dan je bent, daarom lult hij uit goed fatsoen over de kont van madonna, het poesje van de buurvrouw, de droge pruimen van Theresa, het aftrekken van het koertje en het verstopte putje waardoor het gebroken water hem tot de lippen staat terwijl hij de ballen snapt van loodgieterij en daarom uit wandelen gaat met de pietluttigheid van zijn hondje dat aan het achterwerk van elk loops teefje ruikt wat zoveel beter is dan het beschaafde gewauwel van trutjes die als puntje tot bij paaltje komt toch simpele kutjes zijn.   “Ik” daarentegen ben een ander verhaal. Ik ben het meest beschaamde meisje van de klas. Je blik, keurt en kleurt mijn vlees. Ik spiegel me in jouw kijken en sla de spiegel stuk, verwond me met een scherf, terwijl ik steels het beeld van je ogen zoek om er mijn begeerte in te lezen waarvan ik wegvlucht in de hoop dat mijn rug je vertelt hoe graag ik wil dat je me achterna komt.   Ik geloof dat ik het trutje met het kutje ben dat zedig haar blik afwendt en over de schone kunsten praat!

Anca
96 1

Eeuwig jong

'Tegen niemand zeggen, maar jij bent uitverkoren. Ik breng je grootste wens in vervulling.' Het bericht dat Milo op zijn SmartPhone zag verschijnen zei hem niets. Hij vermoedde een flauwe grap en wou het dadelijk wissen, maar er was iets dat hem tegenhield. In een opwelling besloot hij erop in te gaan en koos ervoor 'om eeuwig jong te blijven'. Het was tenslotte bijna zijn veertigste verjaardag en daar zag hij wel wat tegenop.Hij dacht er verder niet meer aan, tot hij twee weken later een pakketje thuisgeleverd kreeg. Er zaten een grote pot crème en een doosje met geelgroene pilletjes in. Milo dacht aan een practical joke, maar toen zag hij de bijgevoegde boodschap: 'Om eeuwig jong te blijven: smeer tweemaal daags je gezicht en hals in met de crème en neem één pilletje voor het slapengaan. Er wordt je tijdig een nieuwe voorraad geleverd en dit gedurende drie maanden. Vanaf dan zal je leeftijd eeuwig blijven stilstaan. Vertel dit vooral aan niemand, anders wordt het proces omgekeerd.'Toen herinnerde hij zich het vreemde bericht en zijn antwoord erop. Wie zat hierachter? Eén van zijn kameraden die hem een poets wou bakken? Hij opende de pot en rook eraan. De bijna doorschijnende crème was reukloos. Hij nam er met zijn vingertop een heel klein beetje af en smeerde het op zijn hand. Het voelde zacht en fris aan. De pilletjes waren langwerpig en hadden een groene en een gele kant. Op het doosje stond helemaal niets.Hij had een vreemd gevoel, alsof iemand hem bespiedde en stiekem op zijn reactie wachtte. Even dacht hij eraan alles in de vuilnisbak te kieperen, maar hij kon het niet. Nog niet, dacht hij, ik moet er rustig over nadenken. Wie de anders zo nuchtere Milo kende, zou het nauwelijks geloofd hebben dat hij het überhaupt nog moest overwegen, maar iets belette hem overhaast te handelen. Zorgvuldig wreef hij de crème op zijn gezicht en hals. Hij smeerde een dikke laag in de hoop dat het dan sneller zou werken. Ook slikte hij twee pilletjes in plaats van eentje. Ze zagen er zo onschuldig uit. Na een tevreden blik in de spiegel ging hij slapen.Die nacht gebeurde het. Zijn gezicht trok aan alle kanten. Het leek of er iets zat te wringen om eruit te barsten. Zijn slapen klopten waanzinnig hard en hij had het gevoel dat zijn ogen uit hun kassen zouden springen. Milo slaakte een gil. Tenminste, dat dacht hij, want er kwam geen geluid over zijn lippen. Tastend naar zijn hoofd sprong hij het bed uit en rende naar de badkamer. Zijn hart bonkte als een razende. Geschrokken keek hij in de spiegel... De volgende ochtend gooide hij het hele boeltje de vuilbak in. Het was geleden van toen hij zes was, dat hij nog zo'n vreselijke nachtmerrie had gehad.

bieke bertram
15 0

zwart op wit

Ik weet het, het is mij medegedeeld. En ik zag het al lang aankomen. Maar dit is het moment dat ik het besef. Haar naam in zwart op dik wit papier. Het wringt. Het hoort niet. Het misstaat. Maar het staat er. Zwart op wit. De namen van haar kids staan eronder. Elk op een apart lijntje. Op zichzelf staande personen nu. Niet meer: zij en kinderen. Zij, die altijd zo kleurrijk was, zo eigenzinnig. Gewoon zwart op wit. Met een grijs randje. De kaart dwaalt rond. Op de keukentafel. Met een magneet op de frigo. Met enige schroom op de stapel te sorteren papieren. Wat doe je met zo'n brief? Weggooien is te koud. En ze kan zich zelf niet meer vrij bewegen. Want wat van haar overblijft staat op deze kaart: haar rouwende familie. Om van haar vele vrienden maar te zwijgen. Uiteindelijk leg ik haar met eerbied en een zoen in het vak met de kaarten die ik nog zelden zal bekijken maar die ik ook niet kan weggooien. Zo belandt ze tussen een gezellige groep vooral fris geboren baby's. Daar zit je goed, lach ik met een krop in de keel. Haar een beetje geforceerde lach op het doodsprentje (ik vermoed dat ze op dat moment al vreesde waar die foto voor zou gaan dienen) hang ik mee op het fotobord, tussen al die levenden, en een paar anderen die ook al aan haar kant zitten. Zo, dat is gebeurd. Nu kan de herinnering beginnen. Aan die warme vrouw met een koppige 'my way'-stijl. Die kon lachen en wenen, en vooral voor dat laatste meer dan voldoende reden had. Als er echt een god bestaat, dan had hij een pik op haar, zoveel is zeker. Maar na elk haar maar weer eens overkomen onheil stond ze terug op en ging weer verder. Een straffe madam.

ria massy
0 0

Alice

Alice vouwt haar magere, bleke handen rondom een kop koffie. Koestert de warmte. Kijkt me niet aan. Dat doet ze nooit. In het beste geval kijkt ze door me heen. Meestal staart ze gewoon voor zich uit. Alsof ze inwendig letters bijeen zoekt, aan elkaar rijgt tot woorden. Soms denk ik dat er letters uit haar mond ontsnappen. Dan zie je ze bijvoorbeeld omhoog kringelen uit een heet kopje koffie of uit haar sigaret. De twee dames aan een buurtafeltje gniffelen. Dat ze een paar vijzen mist. Ze niet meer alle vijf op een rij heeft. Dat ze het virus ook te pakken heeft, wellicht. Ik kijk hen strak aan. Ouwe bessen. Het gegniffel stopt abrupt. Alice zucht een flauwe glimlach om haar lippen. Duwt met haar schouders wat lucht omhoog. Nipt van haar koffie. De stilte. Rijst en valt. Tussen ons. Ik kan het hebben. We kijken gewoon wat naar buiten. Zuchten flauwe glimlachen om onze lippen. Duwen lucht omhoog. Tot tegen onze oorlellen. Daar tintelen verhalen die ze zomaar zou kunnen vertellen. Ooit dacht ik dat ik de schepper van mijn leven was. Zou ze dan bijvoorbeeld kunnen zeggen. Dat ik met een vingerknip zomaar dood kon zijn. En terug levend. In het beste geval. Dat ik zomaar flauw zou kunnen vallen. Als ik blikken op mezelf priemde. Blikken waarvan ik blozen ging en waarvan mijn hart wild tekeer ging. In mijn keel en dan doorheen mijn bloed, mijn lijf, mijn ingewanden. Gelijk een bassdrum in de disco. Gelijk gefluister onder water. In je hoofd. Kaboem kaboem kaboem. De keet zou elk moment uit zijn voegen kunnen barsten. Dus je danst, je rent, je springt nog wat hoger. En je zweet. Je kijkt je zelf aan in de spiegel. Voelt voorzichtig met je vingertoppen aan de mens die voor je staat. Of ‘ie echt is. En als ‘ie echt is of ‘ie dan barsten zou? Als je met je hoofd er tegenaan zou dreunen. Met briesende neusvleugels. Op een bloeddoorlopen lap tegen de muur. Kaboem. Kaboem. Kaboem. En dan kijk ik haar beduusd aan. Wat moet je anders? De gniffeldames priemen hun ogen op haar gelaat. Er is geen woord te vinden in de ruimte die zichzelf tegen ons aan plakt. Dus alleman zwijgt. Alice sopt haar oorlellen in zware lucht. Zo erg is dat allemaal niet, zou ze kunnen zeggen. Dat het nu diep verborgen zit in haar hoofd. Onder filterdunne laagjes bewustzijn. Dat het daar nu ligt te slapen. Te wachten op de dood. Dat die niet blijkt te komen in een vingerknip. En dat ze ook niet zomaar terug levend zal zijn. Zoveel staat vast. De schemerzone. Wie had ooit gedacht dat het vagevuur de ergste verschrikking zou zijn? Dat de hel de hemel schijnt. Dat de deur dan eindelijk valt in het slot. Dat de schepper dan schim kan zijn. Vrij. Vluchtig. Onbevreesd voor de zwaartekracht als ‘ie wankelt op de zevende verdieping, in een open raam. Waar armen langs binnen en langs buiten aan je trekken, duwen. Waar stemmen onder water wauwelen dat je niet vliegen kan. Dat je te pletter slaan zal. Dat je als de appel. Er dwarrelt een pluimpje langs het raam. Het eerste pluimpje van het jaar. Wit en pluizig. Zacht en vederlicht. Zweven op luchtstromen. Dobberen door de ruimte. In je hoofd. En daarbuiten. Onder een fleecedekentje. Op het zomerterras.  

Evy
0 0

De eikenhouten kast

tien uur 's morgens “Hoe kan je nu zo dom zijn?” “Moest ik het dan rieken? Hij sprak heel goed Nederlands. En toen hij zijn naam zei, was de afspraak eigenlijk al gemaakt. Hij komt om één uur.” Yilmaz, dat is de naam. Zo'n vreemdeling dus. Die mannen komen met heel hun familie. De ene onderhandelt over de prijs van de kast, de anderen kijken rond. Of er nog wat te rapen valt. Al dan niet goedschiks. En maar praten, en je verstaat er geen jota van. Maar hem zullen ze niet liggen hebben. Zowaar hij Raymond heet. De woonkamer gaat op slot, de Peugeot in de garage, de poort toe. De portemonnees en de diamanten ring van Maria in de kluis. Ze mogen alleen de trap op naar de logeerkamer, daar waar de kast staat. Maria loopt voorop, ik achteraan. En onderhandelen kunnen ze in de keuken. Als ze tenminste ècht geïnteresseerd zijn in zijn kast. Een degelijke eikenhouten kast, niet te verslijten. Dat komt ervan, de prijs van zo'n schoon kast laten zakken. Dan krijg je dat soort volk. En hij moet Willy bellen. Vragen dat hij hier samen met zijn zoon 'toevallig' op bezoek is. Je kan niet zeker genoeg zijn. Gewoon goede voorzorgen nemen. één uur 's middags Ding dong. Ze staan stijf van de adrenaline. Willy heeft daarjuist nog zo'n verhaal verteld. Ook niet slim. Nu heeft Maria nog meer schrik gekregen. Toch is zij degene die de deur open doet. De afspraak is tenslotte door haar gemaakt. “Goedemiddag mevrouw, heren. Ik ben Yilmaz. Aangenaam. Ik heb met mevrouw gebeld om eens naar die kast te komen kijken.” “Kom binnen meneer. Bent u alleen?” “Ja, ik kom eerst gewoon kijken. Als ik de kast goed vind komen mijn broers helpen om ze op te halen.” kwart na één 's middags Het ging goed. Hij zal vlug gezien hebben dat er hier niets achterover te drukken valt. En die vlieger van “Ik haal mijn broers” ging ook niet op. “Merci Willy. Goed idee om die kast direct uiteen te vijzen en naar zijn auto te dragen. Subliem.” “Ja, we zijn er om mekaar te steunen hé!” “Als ik eens iets voor jou kan doen? Je weet me wonen.” half twee 's middags “Ben je al thuis? En? ” “Ik heb ze gekocht. Een mooi stevig meubel. Niet te duur. Lieve mensen ook. Ze hebben de kast zelfs direct uiteen gevezen en samen in mijn auto gestoken. Niet dat ze nog jong waren. Maar dat ik Idriss en Öner zou halen, daar wilden ze niet van weten. – Nee,nee, dat is niet nodig, meneer. Het is zo gebeurd. Daar moet je toch je familie niet voor lastig vallen. Wij doen dat met plezier! – Echt! Heel vriendelijke mensen! “

ria massy
0 0

ONDERUIT

ONDERUIT Vanavond was het zover: zijn zoon Mathias kwam met zijn nieuwe vriendin bij hem eten. René hoopte dat het eindelijk wat zou worden. Hij had er al zoveel zien passeren, dat hij zelfs geen moeite meer deed om de naam te onthouden. Tot laat gisteravond had hij zijn recepten doorzocht om het perfecte diner samen te stellen. Waarschijnlijk had Mathias haar al verteld dat zijn vader een hobbykok was. Hij mocht de jongen niet teleurstellen. Voor de derde keer die ochtend overliep René het menu. Het leek hem nog steeds een goede keuze. Eerst een glaasje cava met enkele lepelhapjes, daarna Sint-Jacobsvruchten met bloedworst. Een beetje gedurfd, maar daar hielden jonge vrouwen van. De meeste indruk hoopte hij te maken met de hazenrugfilet in rode-wijnsaus en gekarameliseerd witloof, zijn favoriete wildgerecht. Toen hij naar buiten ging bedacht hij plots dat het vandaag markt was. Best handig, want daar vond hij alles wat hij nodig had. Hij ritste zijn leren vest dicht, klikte de helm vast en startte zijn motor. Nauwelijks twee straten verder gebeurde het. Een fietsster reed nog snel het kruispunt over, net toen hij de bocht nam. Hij remde bruusk maar raakte lichtjes haar wiel. De dame kon haar fiets niet meer rechthouden en viel op de grond. -‘Verdomme, verdomme!’ gromde René, meer van het schrikken dan uit boosheid. De vrouw krabbelde recht en keek hem aan. -‘Jij stomme macho! Zit er nog prut in je ogen? Meneer heeft me niet gezien zeker?’ Oké, dacht René, zo te horen is ze niet ernstig gewond. -‘Ho mevrouwtje, jij keek anders ook niet uit je doppen. Als ik me niet vergis, was het al rood toen je overstak.’ -‘Gaan we die toer op? Dan roep ik er de politie bij.’ Ze grabbelde naar haar handtas, maar die was verdwenen. René zag hem op de straatstenen liggen en raapte hem op. Ze graaide hem uit zijn handen en viste er haar gsm uit. Ondanks de omstandigheden moest René heimelijk lachen. Normaal zou hij kwaad geweest zijn. Het was hem echter niet ontgaan dat de onfortuinlijke fietsster een knappe vrouw was. Niet zo jong meer - eerder zijn leeftijd - maar verduiveld pittig en stijlvol. Intussen waren er al mensen blijven kijken naar wat er gebeurd was. Ze moesten maken dat ze hier wegkwamen voordat iemand zich met hen bemoeide, dacht hij.-‘Wacht even. Laten we vooral rustig blijven,’ suste hij, toen ze daadwerkelijk wilde bellen. Hij stak zijn hand uit om haar tegen te houden, maar ze duwde hem weg. Ze pakte haar fiets en zette hem aan de kant. Nu pas dacht René er ook aan om de weg vrij te maken. -‘Ben je in orde?’ Toen ze hem venijnig aankeek, verduidelijkte hij: ‘Ik bedoel, heb je ergens pijn? Ben je gewond?’ -‘Ik denk het niet. Hoewel…’ Ze wees op haar knie. ‘Dat zal morgen zeker een ferme blauwe plek worden.’ -‘Het spijt me. Wat denk je ervan om even te bekomen in die taverne daar? Een koffietje drinken en gegevens uitwisselen, voor het geval er morgen toch iets niet in de haak is.’En om je beter te leren kennen, dacht hij. René moest moeite doen om zijn ogen van haar af te houden. Hij wou niet dat ze hem provocerend vond. Even later zaten ze aan een tafeltje tegenover elkaar, elk met een koffie en een cognac. Je zal zien, had hij gezegd, het zal je goed doen. Ze had niet lang tegengestribbeld. Nu haar vijandige houding verdwenen was, waagde hij zijn kans. -‘Ik ben René,’ zei hij, ‘en ik vind het jammer om je op zo’n domme manier te leren kennen.’ Hij zag weer die felle blik in haar ogen en ging snel verder: -‘Nu ja, ik had het liever anders gewild, zonder je omver te rijden. Trouwens, als je morgen toch ergens pijn hebt, moet je zeker naar de dokter gaan en me iets laten weten.’ Ze schoof een beetje onderuit in haar stoel en roerde in haar koffie. Dan keek ze hem aan met haar wondermooie blauwe ogen. René wist niet wat hem overkwam. Vlinders in de buik, daar leek het nog het meest op. Om zich een houding te geven nam hij een slokje van zijn cognac. -‘Valerie,’ zei ze en stak haar hand uit. Ze glimlachten beiden toen ze elkaar de hand schudden. -‘Eerlijk gezegd ben ik wel erg geschrokken. Sorry dat ik zo geroepen heb.’Hoewel ze het zachtjes gezegd had, klonk het kordaat, helemaal niet als een excuus. Maar dat had hij ook niet verwacht van haar. Dat vrouwtje had pit. Misschien moest hij haar later eens bellen voor een echt afspraakje. Ze zou hem toch geen ‘stomme macho’ meer vinden? Pas toen hij haar vragende ogen zag, besefte hij dat ze iets gezegd had. -‘Wat zou jij geven als je ergens uitgenodigd bent voor een etentje? Bloemen vind ik zo gewoon en trouwens, niet echt iets voor een man.’ De vraag kwam zo onverwachts dat René niet wist of hij het wel goed gehoord had. Zei ze nu dat ze een afspraak had met een man? Een vriend? Familie? Verdorie, hij had zich weer eens laten gaan. Zo’n knappe vrouw zat natuurlijk niet op hem te wachten. Hij haalde zijn schouders op. -‘Een goeie fles wijn of zo is altijd oké, denk ik. Daar zou ik toch blij mee zijn.’ Valerie knikte. -‘Ja, dat lijkt me wel wat. Ik moest nu maar eens gaan.’ Nadat ze buiten afscheid hadden genomen, bleef René haar nakijken tot ze om de hoek verdwenen was. Terwijl hij aan het fornuis stond, dwaalden zijn gedachten weer naar die ochtend. Hij had zich de ganse dag lopen afvragen of hij haar moest vergeten of niet. Daar zat hij nu met het telefoonnummer van een aantrekkelijke vrouw, die hij niet durfde bellen uit vrees een blauwtje te lopen. De deurbel haalde hem uit zijn gemijmer. Hij zwaaide de deur open. Mathias glunderde. Valerie schrok even, net als René. Toen schoten ze beiden in de lach, terwijl Mathias hen verbaasd aankeek. -‘Alsjeblief,’ zei Valerie, ‘voor jou.’ Ze gaf hem een fles cognac en een kus op de wang. ‘Ik ben er zeker van dat je die wel zal lusten,’ voegde ze er ondeugend aan toe.  

bieke bertram
0 1

Het magische dal (stukje manuscript )

 Een stukje uit mijn boek     Draco, Santos en Lorenzo draaiden zich om en liepen richting de trap naar boven. Op de boven verdieping aangekomen keken ze naar de nummers die op de deur stonden en wandelende ze verder tot ze voor deur nummer 9 stonden. In de herberg was het stil, alleen beneden hoorde je een vleugje muziek dat de stilte verbrak. Draco kon de geur van de man ruiken en hij voelde zijn woede naar boven komen. Santos sprak in Draco’s hoofd dat hij moest kalmeren. Draco wist dat Santos gelijk had maar de woede overmeesterde zijn geweten. Draco wachtte tot hij wat rustiger werd en duwde toen de deur open. Raf sprong recht uit zijn zetel door het verschieten en keek verwonderd naar de drie mannen in het zwart. Hij stelde zich recht uit zijn zetel en riep op woedende toon ‘Potverdomme, wat komen jullie hier doen? Wie denken jullie wel wie jullie zijn ,zomaar mijn rust verstoren terwijl ik naar de voetbal kijk, je moet maar lef hebben,’ zei de man tegen Draco, Santos en Lorenzo. De man zijn gezicht liep rood op van woede. Hij probeerde zich stoer en dreigend over te laten komen tegenover de drie mannen voor hem. Draco kon zijn woede niet meer in bedwang houden en stormde op de man af  en pakte hem vliegensvlug bij zijn keel. Zo rap dat de man niet eens een de kans kreeg om te bewegen. Draco stak hem hoog in de lucht waardoor zijn voeten los kwamen van de grond. Draco voelde zijn razernij door zijn aderen lopen en zijn ogen gloeide van woede. Wraak was waar hij behoefte aan had, en het was zijn bedoeling om die klootzak te laten lijden voor wat hij Fee had aangedaan. Hij bewoog sneller dan het licht en pakte de man bij zijn keel en sloeg hem toen met volle vuist de grond in. De man lag op zijn rug op de grond naar lucht te hapte. De man schudde zijn hoofd en begon met zijn armen in het wilde weg te slaan in de hoop iemand te raken. Maar zo vlug is een stervelling niet. ‘Stop, stop, ik ken jullie niet, ik heb jullie niks misdaan,’ jammerde Raf. Draco keek gevaarlijk in de man zijn ogen. Terwijl hij hem nog steeds vast hield op de grond. ‘Daar zou ik niet zo zeker van zijn,’ antwoordde Santos meekijkend over Draco’s schouder. ‘Je hebt iemand aangevallen die nauw aan ons hart ligt en nu zal je daar voor boeten,’ glunderde hij. De man keek verward naar de drie mannen en schudde zijn hoofd van nee. Toen hij in Santos gezicht keek kreeg hij een rilling over zijn lichaam van afschuw. ‘Nee, echt ik ken jullie niet,’ antwoordde Raf geschokt. Toen liet Draco Raf los en gaf hem de tijd om recht te staan. Eenmaal Raf recht stond kwamen ze alle drie tegelijk in actie, rapper dan het licht en mensenogen konden zien sprongen ze op Raf af en begonnen ze hem alle drie tegelijk te kloppen en te schoppen in zijn gezicht, maag en ribben. De man viel op de grond en kronkelde van de pijn, hij probeerde zich recht te zetten maar toen vloog Draco naar de man, en nam hem van de vloer met één hand en stak hem weer de lucht in. ‘Je hebt mijn geliefde aangevallen op het strand, begint er al een belletje te rinkelen in die varkens kop van je,’ gromde Draco. De man bepiste hem van schrik en de urine liep langs zijn benen naar beneden. Lorenzo keek naar Raf met een verwonderende blik en zei,’ Da meen je niet man, je bent gewoon in u broek aan het pissen,’ zei Lorenzo verwonderd. ‘Het spijt me echt, wat ik ook gedaan heb, het spijt me ik zal het nooit meer doen,’ jammerde de man. ‘Spijt komt te laat smeerlap, iemand die vrouwen slaat heeft geen recht op compassie. Nu is het mijn beurt om u toe te takelen, en ik ga er met plezier van genieten.’ Gromde Draco met gevaarlijke stem. Hij duwde de man op zijn knieën. In gedachten sprak Draco tegen Santos en vroeg of hij de pook die naast het vuur stond al wou opwarmen in de haard. Draco keek naar de man en hij begon geniepig te lachen naar de man. ‘Ik ga u een lesje geven om nooit meer te vergeten, ik ging je eerst doden maar heb meer plezier aan foltering.’ De zweet parels liepen langs de man zijn gezicht af van angst. Hij wist niet wat hij moest doen om uit Draco’s handen te geraken, zijn keel werd bijna toegenepen en hij kon met moeite nog adem halen. Hij vroeg zich af wat ze met hem gingen doen. “ Oh, laten we zeggen dat het warm aan de poep zal worden,’ antwoorde Draco om de man zijn vraag te beantwoorden in zijn hoofd. De man keek niet begrijpend naar Draco want hij wist zeker dat hij die vraag niet luidop had gezegd. Hij kon met moeite ademen ver van iets te zeggen. Santos pakte de warme pook en gaf die aan Draco. De pook gloeide rood van de hitte. Santos en Lorenzo pakte de man over van Draco. Raf probeerde uit de handen van Santos en Lorenzo te glippen maar ze waren vlugger en veel sterker dan hem. Hij wist natuurlijk niet dat ze vampiers waren, zijn verzet leek hen niets te kunnen schelen. Het was zinloos merkte Raf. Hij verzette zich met al zijn kracht maar hij verroer geen millimeter, het was compleet zinloos merkte hij. Draco nam een doek van uit zijn jas en knoopte die rond de mond van de man zodat hij niet voor heel de buurt zou roepen. Santos en Lorenzo duwden de man zijn hoofd naar beneden zodat ze zijn handen naar achter konden trekken om ze dan vast te binden achter zijn rug. Toen pakten ze zijn voeten vast en bonden die samen met zijn handen. De man kon geen kant meer op. De paniek sloeg in de man zijn ogen. ‘Nu weet je ook eens hoe het aan voelt om niks te kunnen doen om je te verweren, dacht je nu echt dat je ongestraft uw leven kon verder zetten gij varken. Je hebt de verkeerde vrouw toegetakeld en hoeveel heb je er nog geslagen in uw leven. Je bent een varken, eens zien of je kunt roepen als een varken,’ zei Draco naast zijn oor. Draco pakte de pook uit het vuur en trok de man zijn broek uit tot zijn knieën en zette de gloeiende pook op zijn achterwerk. De pook brandde op Raf zijn bloot vlees tot op het bot, Raf kreunde van de pijn en de geur was gewoon niet te harden. ‘Je ziet er niet alleen uit als een varken, nu stink je ook gelijk een varken,’ lachte Draco gemeen. Toen pakte Draco zijn pinnenset en pakte de man zijn vingers vast . Draco nam een ijzeren naald uit zijn set en boorde die langzaam in zijn nagels één voor één in elke vinger. Het bloed droop van onder de nagels van de man, en Raf kermde het uit van de pijn. De tranen liepen langs zijn wangen naar beneden. Draco, Santos en Lorenzo hoorde in de man zijn gedachten dat hij lag te roepen van de pijn en smeekte om te stoppen. Ze moesten lachen omdat de man smeekte als een mietje. ‘Ik ben nog lang niet met je klaar jongen ,dit is nog maar het begin,’ antwoordde Draco in de man zijn gedachten. Toen nam Draco zijn ander hand en priemde de naalden één voor één in zijn ander hand, het bloed liep uit beide handen op de grond.’ Dit is je straf zodat je nooit meer een hand zou opheffen naar een vrouw. Niet aan mijn vrouw en niet aan een andere vrouw.’ Raf ging in schok van de pijn en verloor het bewust zijn. Santos gaf hem een rake klap in het gezicht en direct daarop gaf Lorenzo hem ook een klap langs de andere kant van zijn gezicht en toen kwam de man weer bij. ‘Sorry man, je was in slaap gevallen,’ zei Santos. ‘Sorry, ik moest je langs de andere kant ook slaan want anders kwam je niet in evenwicht, ’grijnsde Lorenzo naar de man . ‘Niet in slaap vallen tijdens de les jongen, dat is heel onbeleefd,’ zei Santos opnieuw met een lach op zijn gezicht. ‘Je zou beter op moeten letten zodat je niks van de les mist.’ Draco keek naar Santos en Lorenzo en moest lachen. Normaal waren ze niet zo wraak zuchtig maar wie aan zijn Fee kwam, kwam aan hen, dus het moest maar. De man keek smekend naar de drie mannen en hoopte dat ze gauw zouden weg gaan. ‘Nee, nee je bent nog niet van ons af, je moet nog één lesje krijgen zodat je ons zeker niet vergeet,’ antwoordde Draco op zijn vraag. Draco keek in de ogen van de man en zocht zijn diepste angst. Toen keek Draco in stilte naar Santos en Lorezo en sprak in hun gedachten. ‘Die vent heeft schrik dat we hem gaan verminken wat denken jullie? Zou hij een been of een hand kunnen missen?’ zei Draco. Lorenzo en Santos keken elkaar aan en knikte van ja. ‘Ik zou zijn hand af kappen,’ zei Lorenzo . ‘Nee, neem hem zijn been af zo kan hij niet weg lopen,’ grijnsde Santos naar Draco. Draco zat in een dilemma, eigenlijk was het eeuwen geleden dat ze zo barbaars waren geweest maar deze man had echt een lesje nodig. Hij had de gruwel op de man zijn gezicht gelezen toen die naar Santos gezicht keek naar het litteken dat over Santos gezicht liep. Daarop besloot hij om de man zijn ledematen te sparen en hem een aandenken te geven dat hij er altijd zou aan herinneren worden aan deze dag ,en dat was een picasso in zijn gezicht geven. Draco keek naar de man en haalde zijn dolk tevoorschijn. Hij zag de man angstig naar hem opkijken in afwachting wat er ging gebeuren. ‘En dit mijn jonge heer zal u voor de rest van u leven achtervolgen,’ zei Draco toen en haalde uit naar de man zijn gezicht en gaf hem een diepe snee over de lengte van zijn hoofd. De snee begon van boven zijn oog zo over zijn neus en lip. Het bloed kolkte eruit als een pul ketchup die open sprong en de man viel in schok neer op de grond. Santos en Lorenzo lieten de man vallen en ging naast Draco staan. ‘Zo onze les zit erop, je was een goed meewerkende leerling,’ zei Draco waarop hij hem om draaide en de kamer uit liep gevolgd door Santos en Lorenzo. Op de gang veegden ze het bloed van hun handen en gezicht en gingen rustig naar de trap naar beneden. Draco zag dat de jongedame nog steeds op haar plaats zat en nog altijd rustig in haar tijdschrift zat te lezen gelijk dat hij haar had op gedragen. Nu zou hij eerst haar geheugen moeten wissen zodat ze zich niks meer kon herinneren van hun komst. Hij zette zijn mooiste lach op en liep naar de jonge dame toe en tikte met zijn vingers op de toog. Het meisje haalde haar ogen van het tijdschrift en keek scheef van haar blad op om te kijken wie er voor de toog stond. Toen ze zag dat het weer die knappe man was sprong ze recht van haar stoel en glimlachte breed naar de man. ‘Heb je hem gevonden,’ vroeg ze vrolijk aan Draco. ‘Ja dank u, u was een voortreffelijke hulp,’ zei Draco glimlachend naar haar terwijl hij diep in haar ogen keek en mooie herinneringen in haar hoofd prentte. Dat ze hen nooit had gezien maar dat ze drie mannen waren van uit haar tijdschrift dat ze had over gelezen en over had gefantaseerd. Het meisje glimlachte naar hem zette zich terug neer en las verder in haar tijdschrift. Draco draaide zich om en voegde zich bij Lorenzo en Santos. Die waren onder tussen al naar buiten toe gegaan om te kijken of de kust veilig is om te vertrekken. Draco keek naar zijn neven en zuchtte voldaan. Zijn woede was weg voelde hij, nu wou hij zo vlug mogelijk weer bij zijn Fee zijn. Santos en Lorenzo keken hem aan en gaven het teken om te vertrekken. Zo vlug een vampier kon, vlogen ze de duistere nacht in terug naar huis naar zijn geliefde, zijn Fee. Onderweg naar huis dwaalden zijn gedachten steeds naar Fee die thuis op hem zat te wachten. Hij kon haar schrik voor hem voelen hoe dichter hij bij zijn huis kwam. Hij zou haar in zijn armen nemen en kussen tot ze er genoeg van had. Hij voelde zich van binnen blij worden, dat gevoel heeft hij lang gemist, hij kon zich niet meer herinneren wanneer hij zich voor het laatst zo goed had gevoeld bij iemand en zo naar iemand verlangde. Fee liep gelijk een opgejaagd dier in de leefruimte. Ze liep van de ene kant naar de andere kant. Het was al tegen vier uur ’s nachts en ze waren nog niet terug, ze hoopte maar dat alles goed ging met Draco en de anderen. Wat als Draco gewond was?  Rosallia las Fee haar gedachten,’ Je moet niet ongerust zijn lieverd,’ zei Rosallia. ‘ Het zal niet lang meer duren hoor, ik voel hun aanwezigheid steeds sterker worden, ze zijn op terugweg naar huis.’ Fee draaide zich om naar Rosallia en zei,’ Zijn ze gewond? Is alles ok met Draco en de anderen?’ Ze was er niet gerust in. ‘Ja Fee, volgens mij zijn ze in orde,’ antwoordde Rosallia met een tevreden blik. ‘Draco, Santos en Lorenzo hebben al voor hetere vuren gestaan hoor, je zou ze vroeger eens moeten hebben gezien tijdens de oorlog, het waren de sterkste krijgers van het leger, iedereen had schrik van ze, als ze hen zagen toekomen,’ antwoordde Lucillia fier tegen Fee. ‘Lucillia je moet Fee nu niet banger en ongeruster maken dan dat ze al is,’ zei Rosallia streng tegen Lucillia. ‘Kom mijn kind zet je hier bij ons in de salon, ze zijn op komst en kunnen hier elk minuut toekomen. Als Draco je zo ziet zal hij boos op ons zijn dat we u niet laten rusten hebben,’ zei Rosallia. Dankbaar knikte ze en zei toen,’ Hoe kan ik nu rustig blijven als ik weet dat Draco achter die man aan zit die me heeft pijn gedaan? Toen Draco vertrok voelde ik zijn woede tot in mijn lichaam,’ antwoordde Fee ongerust.’ Ik hoop dat ze er gauw zijn. 'Draco, Santos en Lorenzo kwamen eindelijk aan de verborgen grot. Ze liepen de donkere gang door tot de tuin, opende de kasteeldeuren en gingen naar binnen. Toen draaide Draco zich om naar zijn neven. ‘Santos, Lorenzo ik wil wel hebben dat je niks verteld tegen Fee wat we met die klootzak hebben gedaan. Ik wil niet dat ze schrik krijgt van ons of van mij,’ zei Draco ernstig. ‘Je hebt het zwaar te pakken hé, neefje,’ zei Santos. ‘ Je hebt je hart verloren aan een sterveling.’  ‘Wat ga je nu doen, ga je haar overbrengen naar onze kant?’ vroeg Lorenzo terwijl ze de lange gang in wandelde. ‘Ik weet het niet, ik kan toch niet verlangen van haar dat ze alles achterlaat en haar familie nooit meer te zien? Ik weet dat ze me leuk vind maar ik weet niet of ze van me houd,’ zei Draco kijkend naar zijn twee neven.                                                                       ‘Ze houd van je man, dat maakt dat je dat nog niet gelezen hebt in haar gedachten?’ vroeg Santos vragend aan Draco....

Cynthia
0 0

Kom dat nu tegen zeg

Lucas heeft zijn zoon Dylan uitgenodigd om te komen eten samen met zijn nieuwe vriendin. Dylan wordt vandaag 21jaar en hij zou iets speciaals klaarmaken. Hij was ook benieuwd naar Dylan nieuwe vriendin want iedere keer hij achter haar vraagt doet Dylan steeds geheimzinnig en begint hij over iets anders. Hij zou het wel zien vanavond, eerst moest hij nog een cadeau kopen voor zijn zoon. Dus nam hij de sleutels die op het kastje liggen in de gang en reed toen naar het shoppingcentrum. Aan het shopping centrum aangekomen wandelde Lucas direct naar de roltrap naar het eerste verdiep waar de juwelier zit. Hij wou namelijk een speciaal cadeau voor zijn zoon, je wordt tenslotte maar één keer 21jaar. Hij wist dat Dylan al heel lang een gouden armband wild, dus zou hij die voor hem kopen. Eindelijk stond hij aan de vitrine van de juwelierswinkel, er was veel volk in het shoppingcentrum en hij wou hier zo snel mogelijk vandaan voor hij iemand bekend tegen het lijf liep waardoor hij veel te veel tijd zou kwijt geraken door te staan praten. Daar ligt hij, de armband dat hij zocht, een gouden armband met zware schakels met een plaatje erop zodat hij Dylan zijn naam kon op laten graveren. Toen hij naar de prijs keek werd hij lichtjes ongemakkelijk maar ja hij heeft maar één zoon dus stapte Lucas de juwelierswinkel binnen. Voor hem staat een vrouw met lang blond haar met een weelderig figuur en strak kontje. Wauw, als haar voorkant er even prachtig uitziet dan is het een knap madammetje. De dame draaide zich om bij het horen van de winkelbel en keek Lucas aan en glimlachte naar hem en praatte dan gewoon weer verder met de winkelier. Ze was ongeveer zijn leeftijd schatte hij. Moest hij niet zo weinig tijd hebben dan zou hij haar vragen om met hem een potje koffie te gaan drinken. Het was ondertussen tien jaar dat zijn vrouw is overleden en volgens zijn zoon word het dringend tijd dat hij weer eens de bloemetjes buiten zet. ‘ Kan je alstublieft mijn vriend zijn naam in graveren? Het is namelijk een heel speciaal cadeau voor mijn vriend!’ zei Nica tegen de winkelier.                                                         ‘ Natuurlijk mevrouw, we kunnen dit direct doen, en welke naam zou dat moeten zijn?’ vroeg de winkelier.                                                                                                                   ‘ Zijn naam is Dylan en ik zou het graag in sierschrift willen als dat mogelijk is? Ik wil namelijk een mooier cadeau hebben dan zijn vader, ik wil in de smaak vallen bij zijn vader. Vanavond is het namelijk de eerste keer dat ik zijn vader ga ontmoeten dus ik wil een goede indruk nalaten,’ zei Nica met een glimlach naar de winkelier. ‘ Natuurlijk mevrouw, geen nood ik ga er iets moois van maken ik kom direct terug het duurt maar tien minuutjes.’ Lucas schrok op uit zijn dagdromen bij het horen van Dylan zijn naam. Dat is ook toevallig dat deze dame hetzelfde cadeau wild kopen en met dezelfde naam. Hij luisterde het gesprek mee en stond in schok.                                                                     'Hum, hum, eu mevrouw sorry dak u stoor maar mag ik u iets vragen?' vroeg Lucas beleefd. De dame draaide zich om en keek Lucas aan. 'Sorry dat ik u nu een onbeleefde vraag ga stelen maar die Dylan dat u net een cadeau voor aan het kopen bent is toch niet toevallig Dylan Piccaar?' vroeg Lucas beetje aarzelend.                                                                                                                             'Ja, kent u hem misschien?' vroeg de vrouw verwonderd.                                                     'Ja, toevallig ben ik zijn vader. Nu weet ik waarom hij zo geheimzinnig doet over u. Je bent potverdomme ver even oud of mij. Oké dame, ik hem mijn zoon eens voor te lachen gezegt dat men op een oude vélo moet leren rijden maar op zo'n oude vélo nu ook weer niet hé! Je kunt zijn moeder zijn. Hoe oud denkt u dat mijn zoon wordt vandaag?' Lucas  begon kwader en kwader  te worden,' Waar zit mijn zoon zijn gedachten?'                                                                                                                         Nica stond perplex door de uitval van Dylans vader maar ze ging zich nu niet laten beledigen ook. Dylan had haar al gewaarschuwd voor zijn vaders reactie.                         'Kijk meneer Picaar, wat jij er ook van denkt dat kan me geen barst schelen, ik zie uw zoon graag of je nu kwaad of blij bent interesseert me niet. Je hebt nog een ganse namiddag om aan het idee te wennen en je erbij neer te leggen. Je mag kwaad of blij zijn we blijven toch bij elkaar wat uw mening ook is!' Nica keek uitdagend naar Lucas voor een tegenreactie maar daar kwam de winkelier al terug en ze draaide zich om zonder Lucas antwoord af te wachten. Nica betaalde de winkelier en nam het zakje met haar cadeau van de toog en draaide zich om om naar buiten te gaan. Ze keek nog even naar Lucas,' Zo meneer Picaar ik en uw zoon kijken al uit naar vanavond, volgens Dylan kan je fantastisch koken. Ik wens u nog een fijne dag verder.' zei Nica met wat spot in haar stem en weg was ze. Lucas stond met open mond naar de deur te kijken, hij stond gewoon aan de grond genageld. Wat moest hij hier nu mee aanvangen? Moest hij zijn zoon zijn beslissing respecteren? Of moest hij zijn zoon is goed op zijn plaats zetten? Nu zat hij toch in een dilemma. Oké, op verliefdheid staat geen leeftijd, maar toch komaan hij zou zelf met die dame op date gaan. Ze is potverdikke zijn leeftijd, nee, dat kon niet zijn. Hij zou haar is zijn gedacht vertellen wat hij over deze hele situatie denkt. Hij moest die dame tegenhouden hij moest haar eerst spreken voor ze vanavond bij hem thuis zou zijn, hij mocht haar niet uit het oog verliezen dus rende Lucas de deur uit op zoek naar Nica. Lucas keek van links naar recht en zag in de verte een dame met lang blond haar en hij rende naar haar toe. Ze stapte bijna de lift in toen Lucas haar bij de arm nam en de vrouw omdraaide. 'Sorry dame maar je bent nog niet van me af,' zei Lucas wat buiten adem. Maar toen de vrouw raar naar hem stond te kijken besefte hij ineens dat dit niet het lief van zijn zoon is.'Sorry mevrouw, ik dacht dat u iemand anders was.' verontschuldigde hij zich. Lucas keek gauw rond hem maar zag niemand lopen die aan de beschrijving deed van Nica. 'Lap, ik ben haar kwijt!' Nu zal ik toch moeten wachten tot vanavond, dat zal vonken geven.  

Cynthia
0 0

Het Rennerke

Als ik niet vol in de remmen had gemoeten voor een slippendevoorganger, ik was er pardoes voorbij gefietst. Eén seconde heb ik nodigom te weten welk klein dingetje daar van op de grond een straal zonlichtin mijn ogen flitst. Een mini-fietser, een wielrenner van plastic, drie op driecentimeter klein. Een rennerke. Mijn hart klopt in mijn keel zoals de fietsvan Tom Boonen over de kasseien van Parijs-Roubaix dondert. Eenrennerke! Ik ontwijk de fietsers die achter mij komen en zet mijn mountainbike tegeneen boom. Ik doe mijn handschoenen uit en pak het rennerke vast. Hij zitonder de modder. Ik geef hem een verkwikkende douche met mijnspeeksel en droog hem af met de mouw van mijn jasje. Hij ziet er prachtiguit. Hij draagt een witte koerstrui met korte mouwen en een zwartekoersbroek. Zijn sokken hebben dezelfde kleur als zijn gladde benen enzijn schoenen hebben dezelfde metaalkleur als zijn fiets. De witte pet opzijn hoofd verraadt dat het een rennerke uit mijn jeugd moet zijn toen ervan verplichte valhelmen nog geen sprake was. Het is zondagochtend, nog geen negen uur en het vriest boomwortels uitde grond. Maar ik spring niet terug de fiets op om mijn tocht door deHerentalse bossen verder te zetten. Ik zet mij op de dichtstbijzijndeboomstronk terwijl de andere deelnemers van de toertocht mij passeren.Ik vang af en toe een “ça va?” en een “pech?” op maar echt registrerendoe ik dat niet. Het rennerke palmt mij zodanig in dat ik mijn handen zelfsniet voel verkleumen. Mijn gedachten fietsen nu in sneltempo achteruit om aan te belanden bijmijn kindertijd in ons huis in de Marialei. Ik zit aan de eettafel en mamaspreidt het blokjestafelkleed uit. Ik open mijn doos met rennerkes.Zorgvuldig plak ik een nummer op de rug van elke deelnemer ennauwgezet noteer ik namen en nummers in mijn koersschriftje. En danklinkt het startschot. Ik gooi met de twee dobbelstenen en zet rennerke narennerke vooruit op het tafelkleed. In stilte geef ik commentaar enco-commentaar bij de wedstijd. Ik zit volledig in mijn eigen koerswereld.Drie tussensprinten, twee bergprijzen en één massale valpartij later (mijnkleine broer vond het nodig aan het tafelkleed te trekken …) is het tijd omde prijzen uit te delen aan de meet. En dat alleen maar omdat mama mijnparcours nodig heeft om de avondmaaltijd op te serveren. Ach ja, danorganiseer ik na het eten wel een nieuwe rit. Ik ontwaak uit mijn dagdroom omdat mijn achterwerk het, ondanks datzemen vel in mijn broek, nu verdomd koud krijgt op die boomstronk. Iksteek het rennerke in het sleutelvakje vooraan in mijn koersbroek enspring gezwind op mijn fiets. Nu ben ik zelf een rennerke. Ik gooi mijninnerlijke dobbelstenen naar tweemaal zes ogen en ga als een bezetenetekeer. Ik vlieg elk heuveltje op om punten voor de bergprijs binnen tehalen, ik haal vol risico andere fietsers in om toch maar die ingebeeldetussensprinten te winnen. In de laatste kilometer krijg ik mijn kompanenwaar ik die ochtend mee gestart ben in het oog. Ik haal ze in en met eensplijtende demarrage laat ik ze achter. Helemaal warm vanbinnen bereikik alleen de aankomst. “Wat had jij ineens?” vraagt een vriend terwijl ik al aan het aanschuivenben aan de afspuitstand. “Tja, een goeie dag zeker?” antwoord ik.Onopvallend tast ik naar het rennerke in mijn broek. Een hele goeie dag!

igordaems
3 0