Zoeken

Tip

De winkel

Ik had geen werk. Maar mijn vriendin had wel werk. Ze was al op kantoor toen ik wakker werd. Ik keek naar de klok en knipperde met mijn ogen. Het daglicht verblindde me. Het drong door het laken dat diende als een gordijn. We moeten dringend gordijnen hangen, zei ik in mezelf, en ik kwam uit bed. Op het aanrecht stond een kan koude koffie. Ik schonk een kop in en zette de kop in de microgolf. Boven de keukentafel vlogen vliegen. Er waren altijd vliegen in de tuin, en nu ook in de keuken, want mijn vriendin had de deur naar de tuin niet gesloten. De katten van de buren kakten soms in de tuin en dan zag ik vleesvliegen samentroepen op de kattenstront. En misschien trokken sommige planten in de tuin vliegen aan. Ik had geen verstand van vliegen of planten. Ik stak een sigaret op. Toen ging de bel van de microgolf. Ik nam de opgewarmde kop en ging naar de kamer aan de straatkant. De vorige eigenaars van het huis hadden in de kamer aan de straatkant een tabakswinkel uitgebaat. Nu was alles oud in de kamer. De toonbank en de rekken van bewerkt hout, de bakelieten stopcontacten en lichtschakelaars, de draai- en schuifsloten op de deur, de beveiligingscamera, die nooit had geregistreerd. Toch was mijn vriendin gecharmeerd van de kamer. Ze wou er een nieuwe winkel beginnen. Tijdens het avondeten praatte ze over de mogelijkheden en vroeg ze me mee te denken. En dat deed ik. Ik had alleen geen goede ideeën. Er moet eerst nieuwe elektriciteit worden aangelegd, zei ik dan. En dan zei zij dat de toonbank en de rekken sowieso konden blijven. Voorlopig gaf ze de voorkeur aan een snoepwinkel. Ik vond een snoepwinkel een slecht idee. Maar dat zei ik niet. In de kamer was het rolluik voor het raam gesloten. Mijn vriendin had het niet geopend. Ik deed het licht aan en zag dat de postbode brieven had gebracht. Ik nam de brieven en legde ze op een verhuisdoos die we nog niet hadden uitgepakt. Ik trok van mijn sigaret. Ik hoorde mensen op het trottoir. Voetstappen en stemmen klonken luider en verwijderden zich. Ik zag de verhuisdozen, de camera, de rekken en de toonbank en ik dacht dat een dag hier een andere tijdsorde had. Dat de duur van een seconde in een kantoorgebouw vergrootte om ruimte te maken voor meer handelingen. Die onzin dacht ik. Ik dronk mijn kop leeg, duwde mijn sigaret uit en opende het rolluik. Ik ging terug naar de keuken, want daar stond mijn laptop. Ik had mijn werk verloren en nu zocht ik nieuw werk. Een antwoord van een bedrijf kon elke dag komen. Maar dat antwoord kwam niet vandaag. Ik opende mijn mailbox en er zaten alleen ongelezen mails van Groupon in. Ik nam mijn laptop en ging zitten in de tuin. Ik las het sportnieuws op de website van een krant. Op mijn rug en borst lag warm zweet. Na enkele minuten in de zon ging ik zitten op een stoel in de schaduw. Toen werd ik gebeld door een vriend. ‘Jan hier,’ zei hij. ‘Jan,’ zei ik. ‘Alles ok? Wat doe je?’ ‘Niets,’ zei Jan. ‘En jij?’ ‘Niets,’ zei ik. ‘Ik lees het sportnieuws.’ ‘En later op de middag?’ vroeg Jan. ‘Wat doe je later op de middag?’ ‘Verhuisdozen uitpakken,’ zei ik. ‘Of gordijnen hangen. We zien wel.’ ‘Wedstrijd gezien gisteren?’ vroeg Jan. ‘Nee,’ zei ik. ‘Valerie wou iets anders kijken.’ Valerie was mijn vriendin. Ze keek geen voetbal. Sport interesseerde haar niet. Ze ging graag naar tentoonstellingen en het theater. Ze had kunstgeschiedenis gestudeerd. Ze werkte op een kantoor omdat de lonen in de culturele sector te laag waren. Ik keek wel voetbal. ‘Goeie wedstrijd?’ vroeg ik. ‘Slechte wedstrijd,’ zei Jan. ‘Bijna in slaap gevallen.’ ‘Niets gemist dus,’ zei ik. ‘Nee,’ zei Jan. ‘Niets gemist.’ Ik keek naar de vliegen die rond mijn hoofd dansten. ‘Ik ga vanmiddag wat drinken,’ zei Jan. ‘Bel me als je wil langskomen.' ‘Doe ik,’ zei ik. ‘Tot later.’ ‘Tot later,’ zei Jan, en hij haakte in. Een uur later belde ik Jan. Hij zat op het terras van een bar waar ik vaak pool speelde. Ik ging te voet naar de bar. Het was maar een klein kwartier wandelen. Jan zat aan een tafel in de schaduw. We bestelden bier en praatten over voetbal. We hadden het ook kort over onze vriendinnen. We keken naar de mensen die voorbijwandelden. De tijd verstreek. Rond half vijf ging ik terug naar huis. Onder het lopen dacht ik aan gordijnen hangen en verhuisdozen uitpakken. Ik dacht ook na over de winkel. Ik was in de tuin toen Valerie thuiskwam. Ik raapte kattenstront op, met een plastic zak rond mijn hand. ‘Leuke dag gehad?’ vroeg ze. ‘Ja hoor,’ zei ik. ‘En jij?’ ‘Ging wel,’ zei ze. Ik gooide de plastic zak met kattenstront in een zak voor huisvuil. ‘Wat gaan we hieraan doen?’ vroeg ze. ‘Waaraan?’ vroeg ik. ‘Aan die kattenstront,’ zei ze. ‘Geen idee,’ zei ik. Ik stak een sigaret op. ‘Ik heb eens nagedacht,’ zei ik. ‘Waarover?’ vroeg Valerie. ‘Over de winkel,’ zei ik. ‘En?’ vroeg Valerie. Ik sloeg naar een vlieg die op mijn arm kwam zitten. ‘Ik weet het niet,’ zei ik. ‘Ik weet het echt niet.’  

JAN DE JONGHE
0 2

GOEDE KANTEN

PROLOOG 't was zo'n zielig zicht, medelijden als nagedachte, uren later. z'n hoofd, verkruimeld, verschrompeld, een mix van de twee, en te denken, nog niet zo lang geleden had hij die zware voorhamer niet eens kunnen opheffen, laat staan zwaaien met enige precisie. een mens verandert wel degelijk. WANDEL 'wat scheelt er?' 'ach god, niets, 't is dat ik zo'n hekel heb aan die plastic zakken.' 'hoezo?' 'ach ja, ze stropen altijd zo op, en snijden in je vingers. 't is verdo...' ... ze wandelen langs een muur. daarachter lag een oude lijmfabriek, dooie koeien, stinkend leer, haken en ogen, kleverig spul. nu is't een beschermde woonwijk. getuige de camera's die vantussen de prikkeldraad, waarschijnlijk onder electriciteit staand, alles filmen. of niks, als je daar je onbezorgd leventje leeft. ... ze durft weer, spreken, vragen. 'wil je er niet eentje overnemen?' hij kijkt haar niet eens aan, houdt zijn pas. resoluut. ... auto's razen voorbij. nu en dan een brommertje, zwaar claxonerend. ze wandelen de halve stadsring om, links verkeer, rechts nietszeggende gevels van minderzeggende flatgebouwen. in zo eentje wonen ze. om de zoveel kilometer een rood licht, een tunneltje voor fietsers, bromfietsen en voetgangers, niemand. niemand die hier ooit wandelt. tenzij in een dronken roes op zoek naar thuis, wat dat ook mag betekenen. dat betekent dat ze weet dat hij hier nachten in het duister rondstommelt.  ... de zon is een ijverige gier, wacht niet, doet het vuile werk zelf, stroopt de prooi, dood haar zelf wel. het duizelt haar voor de ogen, maar ze zet door. het is duidelijk dat het vandaag geen zin heeft om vragen te stellen, begrip te verwachten. soms, dan wel. ... ze probeert, al wandelend, een flesje water uit een van de plastic zakken te krijgen. de ondingen zijn zo zwaar, zo onhandig, ze begrijpt al dat zij het is die onhandig is, nog voor de pot aarbeienjam barst op het fietspad. nog voor de klap in haar gezicht, landt. ze vecht de tranen terug. bijt niet op haar tanden, wil niet dat hij haar kaken opeen geklemd ziet. dat nodigt enkel de volgende klap uit.  ... het is niet ver meer. als de realiteit is wat ze is, waarom niet vastklampen aan wat zelfbedrog? iedereen maakt zichzelf wel wat wijs, in meer of mindere mate, maar maakt dat wat uit? maakt de mate van zelfbedrog echt uit, als ze net niet wil overslaan in de richting van opname in een of andere psychiatrische instelling? thuis, en wat dat ook mag betekenen. dat betekent dat ze weet welke uitweg rest. ... ze weet waarom ze aan hem begon. ze weet waarom ze bij hem blijft. niet om z'n zich verbergende goede kanten, die af en toe vertederend opduiken, dat doen ze niet. niet om een verleden dat anders was, dat was het niet. niet om z'n geld, dat heeft hij niet. wraak, dat is het. niet om wat hij haar ontnam, hij ontnam haar maar wat ze hem gaf. niet om wat hij haar of anderen aandeed, niet om wie of wat hij is, niet omdat het iets met hem te maken heeft. wraak. omdat het haar een rol heeft gegeven, een personage om te belichamen, omdat het iemand van haar maakt. en niet niemand. wraak. ... het is de enige manier waarop ze zichzelf begrijpt. en daar is ze hem dankbaar voor. haar onzekere passen, het schichtig rondkijken, de toeters van wagens die haar opschrikken, ze wist wie ze was. wie ze altijd geweest is, als ze zo rond haar keek en nooit kon geloven wat ze zag. nooit de mensen begreep, hun lef. ze wist dat ze bang was, altijd maar bang. .... iemand die slim is, doet daar iets mee, wordt wat, een dokter, of advocaat, of iets met computers. iemand die sterk is, doet daar iets mee, wordt een sporter, of soldaat, of zoals hij. wat wordt iemand met angst? wat doet iemand met angst? wat zijn de keuzes? die zoekt thuis, wat dat ook mag betekenen. EPILOOG in de verte duikt hun appartementsblok op. het is echt niet ver meer. 'heb jij de sleutel', vraagt hij.

IT
0 0

Digitaal DNA

Wie ben ik? Ik ben een nummer, een getal van elf cijfers opgeslagen in een databank, rijksregister genoemd. Vroeger was dat een genummerde fiche, die gevuld was met zwarte, soms onregelmatig geschikte letters van een Remington en die verder verwees naar andere fiches of mappen met fiches op andere plaatsen. Nu ben ik omgezet in nullen en enen. Ik ben een digitaal DNA geworden, een soort Digitaal Numeriek Adres dat mij als individu onderscheidt van andere individuen. Aan dat DNA zijn dan weer nullen en enen verbonden, die vertellen wat ik ben, hoe ik ben, wat ik doe en gedaan heb en ook aan welke andere  digitale  DNA’s ik gekoppeld ben. Wat bezit ik? Ik bezit de klassieke behoefte: geld. Nee, niet onder de vorm van metaal of papier in een kous, kookpot, kast of kluis, maar ergens op een databank, omgezet in nullen en enen op een plaats die ook bepaald wordt door nullen en enen. Allemaal reusachtige getallen, veel langer dan het geldbedrag dat ik voor ogen heb. Mijn geld is dus uiteindelijk ook een  digitaal DNA geworden. Wat lees ik? Ik lees wel degelijk gedrukte teksten, maar die voortgesproten zijn uit nullen en enen en die mededelen wat anderen hebben verteld, meestal gecommuniceerd of verstuurd met nullen en enen. Alle ‘waarheid’ blijkt voortaan vervat te zijn in nullen en enen, in digitale DNA’s. Wat zie ik? Een hele wereld die bepaald, gestuurd en geregeerd wordt door stuurprogramma’s en procesoren die stoeien met de nullen en enen in chips, sticks en disks, waarbij ik al de mogelijkheden in deze realiteit aan de fantasie van de lezer overlaat. En wat als een digitale geneticus in staat is al die DNA’s ongevraagd te manipuleren?   © Bert Bergs, 2014  

Bert Bergs
0 0

Voor de eerste maal

Het is vrijdagavond en ik zit aan de bar in mijn geliefkoosd bruin café. Onverwacht ontmoet ik Annabel. Vorige week was ze er nog niet. Maar nu is ze er wel, samen met haar zusje en pas gearriveerd uit Frankrijk. Ze verbleef er vier jaar omwille van haar werk. Maar nu is ze definitief terug in het land. Ze is blij. Ze miste haar stad en haar vrienden. Maar die zijn er deze keer niet bij. Enkel dus haar zusje en die stelt mij aan haar voor.„Hallo Rob. Dit is mijn oudste zus Annabel. Zij logeert enkele dagen bij mij”.Het is nog vroeg op de avond en nog niet onder de invloed van enkele glazen alcohol, die mij soms helpen om de juiste woorden te vinden, wil ik haar inpakken met een onbeholpen:„Enchanté Anne, wat ben je belle”.Nog maar net hebben deze woorden mijn mond verlaten of ik heb al spijt dat ik ze uitgesproken heb. Waarom stel ik mij toch aan als een idolate tiener? Maar, wonder boven wonder, heeft mijn puberale begroeting toch een gevoelige snaar geraakt.„Je bent wel direct moet ik zeggen, maar geef toe welke vrouw gaat een complimentje uit de weg” antwoordt zij mij onverwacht. Het ijs is gebroken en de rest van de avond krijgt het ijs in haar longdrinkglas niet de kans om te smelten. „Zonde om die lekkere drank aan te lengen met water. Een beetje ijs mag maar het hoeft enkel te dienen om wat af te koelen” zegt ze verrukkelijk. Ik merk dat ik nog veel kan opsteken van haar. Als haar zus aanstalten maakt om een ander cafeetje op te zoeken, stel ik voor dat ik Annabel naar huis zal brengen. Ik vergeet met opzet te vermelden welk huis ik dan wel bedoel. Mijn thuis dus. Een gezellig appartement in de stad op slechts enkele minuten lopen van de uitgangsbuurt. Annabel is fantastisch en bij momenten hilarisch als ze vertelt over gebeurtenissen in haar jeugd of voorvalletjes tijdens de jaren die ze doorbracht in Toulouse. Voor de eerste maal sinds mijn scheiding ben ik weer verliefd. Smoor op haar zoals die puber van daarstraks. Zij is het einde. Zij is een nieuw begin. Onze handen laten even los als we thuis toekomen en ik de sleutel in het deurgat steek. Voor de eerste maal kus ik haar. Vier verdiepingen lang tot de lift abrupt stopt en onze lippen scheiden. Voor even maar. In mijn appartement vinden we dadelijk de weg naar mijn slaapkamer. Voor de eerste maal sinds ik alleen ben, ben ik niet meer alleen. Annabel is bij mij. In mij. Op mij. Van mij. Wat ben je mooi. Wat ben je lief. Wat ben je niet? Je bent alles. Voor mij. Van mij. Na de liefste vrijpartij van mijn leven, gaan we samen in bad. Het grote gietijzeren tweepersoonsbad. Mijn pièce de résistance. Het veelkleurige badmatje dat er al veel te lang ongewassen ligt schop ik in een hoek. Ik doe beide kranen open en zoek naar de ideale temperatuur. Annabel zoekt een lekker badschuimpje uit en we verdwijnen onder de belletjes. Haar tenen wriemelen aan mijn neus en ze schatert het uit. Voor de eerste maal ben ik weer gelukkig, weer gelukkig sinds lang.„Ik hou van het kuiltje in je kin en van het zout en peper in je haar” hoor ik haar graag zeggen.„Dan moet ik het zeker wassen” antwoord ik en verdwijn met mijn hoofd onder water. Terwijl ik mijn ogen sluit en mijn kruin met shampoo bewerk, hoor ik haar zeggen:„Ik stap er al uit en wacht op je in ons warme bedje”.Haar rechtervoet schuurt even langs mijn been als ze uit het bad stapt. Ik dompel mijn hoofd onder water en hoor een zware dreun. Als ik rechtkom bengelt Annabel’s linkerbeen over de badrand. Terwijl ik probeer recht te komen zie ik haar hoofd in een grote bloedplas liggen op de kale, zalmroze marmervloer. Ik verlies mijn evenwicht en val achterover terug in het bad en stoot mijn linkerslaap met volle kracht tegen de kraan. Mijn bloed vermengt zich met de laatste verdwijnende zeepbelletjes. Voor de eerste maal zijn we samen dood.

Marc M. Aerts
0 0

De stad van mijn dromen

Op blote voeten rende ik door de straten van de stad, asfalt, versierd met droombeelden gecreëerd door mijn onderbewustzijn. Ten prooi gelegd aan de keurende blikken van de voorbijgangers. Het asfalt voelde als een zachte streling aan de onderkant van mijn voeten terwijl ik over donzige witte wolken liep, bewoond door een mysterieus volk. Ik ging voorbij oude kastelen, beschermd door ridders met een streng maar knap gezicht, liep door donkere bossen, met duistere wezens die naar me loerden met hun rode ogen, alsof ze zo tot leven zouden komen, me zouden bespringen en me zouden verscheuren met hun tanden. Ik wendde mijn blik af van de droombeelden die onder mijn voeten voorbijdreven en liet mijn ogen langs de metershoge wolkenkrabbers, volledig gemaakt uit glas, glijden. Ze weerkaatsten het zonlicht, wat voor een kleurenspektakel aan de hemel zorgde. Stralen in duizend verschillende kleuren die over het asfalt streken, de droombeelden een vreemde glans gaven. Mijn voeten bleven rennen, doorheen nachtmerries en donkere schaduwen, doorheen mooie dromen en valleien vol geluk, doorheen dalen van verdriet, over bergen van woede tot ik in het centrum van de stad kwam. Een bruisend centrum, bedekt met zachte kasseien die bespaard waren gebleven van de droombeelden. Andere mensen doolden er rond, een lach op hun gezicht, gehuld in een cocon van geluk die de stad over hen heen had gelegd. Ik keek om me heen, op zoek naar hetgeen waarnaar mijn voeten onderweg waren geweest. Een glans van herkenning dreef mijn ogen binnen toen ik de witte letters zag die boven één van de gezellige cafeetjes waren geschilderd. Mijn hart versnelde lichtjes toen ik over de kasseien liep, richting de ingang van het café. Een jongen op een vliegend skateboard kon me nog maar net op tijd ontwijken, een verwensing naar mijn hoofd snauwend. Auto’s, bevrijd van de zwaartekracht en ronde wielen zoemden voorbij de rand van het stadscentrum waar ze niet waren toegelaten. Mijn hand omvatte het handvat van de houten deur die toegang bood tot het interieur van het café, een nerveus gevoel bekroop me toen ik het handvat naar beneden duwde en de deur openzwaaide. Mijn voeten zakten meteen weg in een zacht tapijt, gemaakt van rode stof. Kaarsen waren uitgestald op dunne planken die tegen de muren waren gezet, de vlammen die erboven dansten wierpen flakkerende schaduwen op de bordeauxrode muren, ze vormden allerlei figuren die ooit in mijn dromen waren voorgekomen. In de ruimte stonden er een aantal ronde, mahoniehouten tafeltjes. Aan de rechterkant stond een bar, het lichte hout bedekt met honderden citaten, elk met een betekenis die ik zo mooi vond dat ze door mijn hoofd bleven spoken en door mijn onderbewustzijn werden geprojecteerd op het lichte hout. Van ver leken het gewoon lijnen die zich over het hout heen bewogen als kronkelende slangen, maar als je dichterbij kwam kon je zien dat het allemaal letters waren die zinnen vormden, gescheiden door een kleine krul voor ze overgingen in het volgende citaat. De barman die achter de toog stond had een lichte baard, groenblauwe ogen en kort, bruin haar. Het toonbeeld van jongens die ik knap vond, maar het was niet hem die ik zocht. Ik liet mijn ogen weer door de ruimte dwalen, op zoek naar de jongen die ik wel zocht, de jongen naar wie mijn hart zo verlangde. Hij zat verborgen in de duisternis, achteraan het café, zijn vingers tokkelend op een schrijfmachine. Het geluid vermengde zich met de muziek die doorheen het café dreef, muziek zonder woorden die leek te versmelten met het geluid van de schrijfmachine, rustig als hij een rustige scène schreef voor zijn boek, opzwepender als hij een spannende scène uit zijn vingers liet vloeien. Het houten parket kraakte lichtjes onder mijn blote voeten terwijl ik naar hem toeliep. Zijn blauwe ogen keken op toen zijn oren het gekraak waarnamen. Een glimlach gleed om zijn lippen toen hij me herkende. Woorden waren overbodig. Hij stond recht uit zijn stoel en strekte zijn hand uit. Met bonzend hart liet ik mijn hand in de zijne glijden, voelde zijn warmte mijn poriën binnendringen. Hij liet zijn schrijfmachine achter en loodste me richting de uitgang van het café. Het begon zachtjes te regenen, maar in plaats van dat de mensen een paraplu tevoorschijn haalden en zich naar hun vervoersmiddel haastten waarmee ze zouden kunnen thuiskomen, verwelkomden ze de regen als een oude vriend. In het midden van het plein, waar aan de rechterkant het stadhuis stond, trots en majestueus, het enige oude gebouw in een stad vol moderniteit, stonden waterpistolen op palen die meteen bemand werden door de kleine kinderen. De regen voedde het reservoir en de kinderen begonnen met water naar elkaar te schieten, helder gelach vulde al snel het centrum. De jongen die me uit het café had geloodst, leidde me dwars over het plein waardoor we besproeid werden door stralen water, afkomstig uit de waterpistolen. We liepen voorbij het stadhuis, voorbij de bibliotheek die als een driehoek in de lucht rees, een glazen wand onthulde duizenden boekenkasten met miljoenen boeken. Voorbij het museum waar de mooiste kunstwerken werden bewaard. Dubbele deuren boden toegang tot de mysteries die in het rode gebouw verborgen zaten. Grijze trappen, bestrooid met enkele droombeelden, leidden naar die dubbele toegangsdeuren. Het rode gebouw rees hoog in de lucht, af en toe onderbroken door een glazen veranda, dat lichtjes uit het gebouw stak en de bezoekers een uitzicht bood over de stad. We verlieten het centrum en bleven lopen, over het asfalt met de droombeelden, tot we het einde van de stad bereikten en door een grote glazen poort, die open stond, liepen. Een houten brug grensde aan de dubbele deuren, bood een veilige overgang over het heldere water dat rond de stad stroomde en allerlei tropische vissen herbergde. Onze voeten denderden over dat hout en we kwamen in een oase van groen terecht. Links, in de verte, zag je een tweede stad liggen, een vage schim die nog bewerkt moest worden door mijn onderbewustzijn. Rechts lag de zee, hoge golven sloegen neer op het gele strand dat net te onderscheiden was van het groen waar onze voeten nu in wegzonken. Hij loodste me verder, tot in het midden van die groene vlakte en keek me toen diep in mijn ogen. Hij boog zich naar voor, twinkelingen glinsterden in zijn ijsblauwe ogen. Het geluid van een alarm drong mijn gehoorgangen binnen. Ik werd wakker. Het geluid van auto’s dreef mijn oren binnen, ik keek uit het raam, naar het grauwe asfalt dat geen enkele tekening weerkaatste. De netten van de realiteit hadden me weer stevig in hun greep.

Quies
16 0

het kanaal

Weer geen enkele vis gevangen vandaag. Zal toch een ander plekje moeten zoeken. Het kanaal is niet meer wat het ooit geweest is. Vroeger ving ik snoeken, baarzen, karpers, meervallen en brasems bij de vleet. Het hele dorp keek naar mij op. Ik won de ene prijs na de andere. Ik leerde mijn vrouw kennen op de jaarlijkse visvierdaagse van Oosteeklo. Ik stond op het hoogste schavot, nam een daverend applaus in ontvangst, zag haar staan bij de frigo's. De manier waarop ze naar de diepgevroren kabeljauw keek, raakte mij diep. Ik stapte op haar af en begon over de verraderlijke stromingen bij hoogtij. Twee uur later lagen we uitgeput in bed. Zou een nieuwe hengel soelaas bieden? Een meer gesofisticeerd ophaalsysteem? Genetisch gemanipuleerde wormen met extra vitaminen en mineralen? Ik weet het niet. Vroeger wist ik alles, twijfelde ik nooit. Nu durf ik met moeite een zebrapad over te steken. Auto's vertragen, chauffeurs geven vriendelijk voorrang, maar nog sta ik te drentelen als een klein kind. Wanneer ik dan toch een been verzet, is de verkeersstroom al lang weer ingezet en keer ik terug van waar ik kom, meestal Café de Smos in de Kerrestraat. Mijn vrouw geloofde al lang niet meer in mij. De eerste jaren was ik haar held, niets kon ik misdoen. Ik reisde de wereld rond, gaf demonstraties, lezingen, workshops. Ik werd gevraagd voor debatten, parlementaire commissies, radioprogramma's. Vanaf het woord vis viel, kwam ik op de proppen. Maar plots kwam de kentering en verloor ik mijn mojo. Jaar na jaar ging het bergaf. De top was zo hoog dat de val tergend lang duurde. Pas vorige week bereikte ik het dieptepunt: mijn vrouw verliet mij voor Jan de Mosselman. Ik gaf bijna over van verdriet. Van frustratie. Van zelfmedelijden. Ik nam mijn hengel en fietste naar mijn plekje aan het kanaal. Daarna leek Café de Smos mij een goede optie.

Maarten Verhelst
0 0