Zoeken

Vijf bruggen verder

Ik weet niet of ik haar graag zie. Ik mag haar, dat wel, maar graag zien is nog vijf bruggen verder. Daar geraak ik alleen als de bagage te dragen is en er zo goed als geen twijfels zijn. Maar zij is een twijfelgeval. Om duizend en één redenen die elke seconde wisselen in soortgelijk gewicht. Zo spendeert ze te veel tijd in haar hoofd. Even niet opletten en haar ogen bollen naar binnen. Daar daalt ze zonder enig zelfbehoud af naar de krochten van haar zijn, om met de armen op de rug rondjes te draaien en te schoppen tegen elke verdachte steen. Eerst een beetje aarzelend met de punt van haar schoen, daarna zo hard ze maar kan, om te kijken wie of wat ervanonder komt gekropen. Altijd een risico, dat duiken onder de oppervlakte, maar ze kan het niet laten. Zodra ze de binnenkant beu is, richt ze haar pupillen naar buiten. Dan is ze meestal zo duizelig dagblind dat ze niet ziet wat er vlak voor haar voeten ligt. Dus trapt ze wel eens in een hoop stront, of ze stoot zich weer tegen een van die stenen die ze net heeft weggeschopt. En dan schaam ik mij voor haar. Zo diep, dat ik naar de eerste de beste straatsteen staar en gebaar dat ik haar niet ken. Of ik word kwaad. Zo kwaad dat ik haar trut, kalf en koe noem. Dan doe ik dingen die niet schoon zijn en dat is dan natuurlijk allemaal haar schuld. De trut. Ze moet ook niet zo verdomd gevoelig zijn. Eén platte kat op de baan en haar hele voormiddag is om zeep. Twee scheve blikken naar haar leren broek en ge riskeert een pak frieten in uw gezicht. Drie klappen op de overbuurjongen en ze droomt nachtenlang van de afgehakte losse handjes van zijn vader. En toch mag ik haar. Omdat ze luistert voor ze praat, nog het liefst met een mond vol zoet. Omdat ze naar me zwaait op straat, en dat alleen niet doet als ze haar bril niet draagt. Omdat ze wil dat het mij aan niets ontbreekt, ook al mist zij veel. Misschien moet ik haar toch maar eens iets cadeau doen met kerst. Geen ketting, want ze buigt niet voor bling. Geen strijkijzer, want alleen al de gedachte aan huisvrouwen maakt haar moe. Haar eens goed tegen mijn hartkleppen drukken, dat ga ik doen. Haar oren uitkuisen en fluisteren dat ze er mag zijn, dat is een gedacht. En als ze het niet wil horen zal ik roepen. Roepen tot mijn stem overslaat en haar oren nog meer tuiten. Roepen tot ze het voelt in de toppen van mijn tenen. Tot ik heel even stop met tegen stenen te schoppen. Tot ze het snapt. Dat ge eerst uzelf graag moet zien voor ge een ketting koopt voor een ander.

a little bit of soap
0 0

Verjaardagscadeau

 Sophie schoof mechanisch een lepel havermout in haar mond terwijl ze krampachtig iets positiefs over de komende dag probeerde te bedenken. Het was zoals elke ochtend een heuse opdracht. Het feit dat het bijna weekend was en ze dan naar de film mocht met haar vriendinnen om haar verjaardag te vieren, had ze gisteren al gebruikt. Telde het dan nog ? Ze trommelde met haar lepel op de tafel en bedacht dat deze namiddag muzikale opvoeding op het programma stond. Ze glimlachte even, blij dat haar vader boven onder de douche stond na zijn dagelijkse ochtendjog. Hij mocht beslist niet weten dat ze een oogje had op Matthias.   Ze had haar gevoelens voor hem nog met niemand gedeeld, zelfs niet met Tina die ze al sinds de kleuterklas kende. Zij vond Matthias maar een rare. Grappig hoe Tina en haar vader dezelfde mening hadden; ze zouden er wellicht beiden van huiveren als ze het wisten. Vijf over zeven reeds, Pap liep achter op zijn schema. Sophie schoof haar bord richting spoelbak, smokkelde een koek uit de kast en sleepte zichzelf richting gang.  Daar stond haar zak reeds klaar naast de trap, waar ze zich op liet ploffen. Ze moest nog net haar schoenen aantrekken… De roze Nikes staarden haar aan. Sophie staarde terug. Ze wist dat ze ze wel moest aantrekken.  Dat was onvermijdelijk geweest vanaf het moment dat ze de dag ervoor uit de cadeauverpakking tevoorschijn kwamen. Het ergste was dat ze best mooi waren. Haar vader had wellicht in de winkel om hulp gevraagd en de verkoopsters hadden daarvan handig gebruik gemaakt om hem de duurste schoenen uit de winkel aan te smeren. De meeste meisjes in haar klas zouden stikjaloers zijn. Sophie kon de oohs en de aahs van haar klasgenoten al horen. Dan zou er iemand, misschien zelfs een leerkracht, het grapje maken dat ze niet wisten dat de directeur zo’n goede smaak had.   Het zou best leuk kunnen worden, totdat iemand onvermijdelijk zou vragen waarom een dik meisje zoals zij in godsnaam sportschoenen droeg. En dan zou iedereen lachen… Nee, dat was niet waar: iedereen behalve Tina. En Matthias, maar hij lachte bijna nooit mee met de rest van de klas. Het ergste was dat paps wellicht hetzelfde dacht als de jongens die haar pestte. Hij probeerde haar continu tot sporten aan te zetten en toverde het ene na de andere groene slaatje en vetarme gerecht op tafel. Gezond leven, het was een van zijn vele nieuwe obsessies sinds mama hen verliet. Alsof ze nu nog niet genoeg haar vaders dochter was op school. Wat zou iedereen zeggen als ze met hem elke ochtend door het park moest hollen? Daar zat ze echt niet op te wachten! Ze hoorde dat de douche boven dichtgedraaid werd. Met een diepe zucht trok ze haar schoenen aan, nam ze haar jas uit de kast en trok ze haar rugzak losjes over haar schouder. Over enkele ogenblikken zou haar vader – zoals elke ochtend – in paniek de trappen afdalen en eisen dat ze direct zouden vertrekken. Of anders zouden ze te laat komen! Ze waren nooit te laat. Ze kwamen altijd samen met de overgrote meerderheid van de leerlingen toe. Ze stonden dan rustig toe te kijken als de directeur – tergend traag - met zijn ouderwetse, maar degelijke oude Volvo de schoolpoort kwam binnengereden en zich voor het hoofdgebouw parkeerde. Niemand kon hem missen, want hij claxonneerde als een gek naar iedereen die zich in een straal van een halve kilometer bevond. Sophie sloot haar ogen en concentreerde zich op onopvallendheid. Vandaag zou ze niets doen of zeggen waardoor ze aandacht trok. Zelfs haar schoenen zouden onopgemerkt blijven! Het was een leuke fantasie.   Geen seconde later stormde haar vader de trap af. “Sophie, haast je! We gaan te laat zijn.” Ook hij dook in de gangkast voor zijn jas.    “Maar enfin, waar is die meid nu?” mompelde hij in zichzelf. “Sophie! We komen te laat!” “Pap?” vroeg ze met een zachtere stem dan hij gebruikt had. Ze stond immers nog geen meter van hem af. Hij knipperde verbaasd met zijn ogen. “Ah, daar ben je.” Met een onbeholpen schoudergebaar dat ofwel spijt ofwel haast uitdrukte, joeg hij haar de deur uit. Het was tijd voor school.     

Ainsley W.
0 0

brief, 14 december 2013

Mijn liefste T. Ik moest weer aan jou denken vandaag, na een gesprek met een collega van me. Even een extra detail vermelden: een collega van me, op mijn nieuwe job. Ja hoor, het is me weer gelukt de werkloosheid tussen twee contracten te ontlopen! Het ging zelfs heel vlotjes. Ik zag de vacature in de krant: een standaardbriefje van mijn kant, een telefoontje van hun kant en na één enkel gesprek kon ik een paar dagen later aan de slag. Het werk valt best mee: wat administratie, wat baliewerk. Niets wat ik niet aankan, dus. Het kantoor ligt niet al te ver buiten de stad en er is er een bus die net voor de deur stopt. Heel handig met dit weer. De collega’s zijn heel aangenaam en houden net als ik van een goede babbel.  Enkel jammer dat het weer maar een vervangingscontract is, het zoveelste. Naar wat ik hoor is de kerel die ik vervang best – en ik citeer – “een goede pee”. Hopen dat hij langer ziek blijft, zou niet mooi zijn van me. Maar als ik heel eerlijk ben… Ach kom, terug naar mijn verhaal. Jan, mijn onofficiële mentor, zei me vandaag dat ik “een aardig potje kan doorbomen”. Eerst was ik wat slechtgezind omdat ik dacht dat hij “dwarsbomen” bedoelde. En dat terwijl ik de afgelopen week heel hard mijn best had gedaan om alle kneepjes van het nieuwe vak te leren! Hij legde gelukkig snel uit wat hij wel bedoelde. Al is het misschien even onflatterend voor mij. Blijkbaar had ik hem het verhaal van een lastige klant en de bijhorende reacties van mijn vroegere collega’s al een keertje verteld. En had ik het de tweede keer nog een beetje opgeblazen. Hij vond het best grappig. “Doorbomen”. Het visuele beeld is gewoonweg prachtig: woorden zaaien als bomen. Verdwalen in je eigen woorden. En dan nog maar meer boompjes planten in de hoop op zijn minst een coherent bos te creëren voor andere wandelaars.  De meeste mensen zouden het “zagen” noemen en dat impliceert bizar genoeg net het vellen van bomen. Heerlijk toch, zo’n onlogische kronkels in onze spreektaal! We konden er vroeger uren over doorbomen. Het amazonewoud werd vele malen opgebouwd en neergemaaid tussen ons tweetjes.    Ik mis die avonden. Groet, T. 

Ainsley W.
0 0

Algehele ontregeling

Ik noem me fotograaf. Ik plaats me liefst aan de andere kant van de realiteit, aan de zijde waar het er niet toe doet of je lacht of huilt, of je gevormd of misvormd bent, waar ik tegen de hete, bezwete buitenkant van het leven van een ander kan leunen zonder dat van mij te moeten verantwoorden. Ik knipper er met mijn ogen en neem beslissingen door iets wat nauwelijks meer is dan een vingerkramp – vereeuwiging in een reflex. Een pose waarin ik mijn andere zintuigen geheel kan afsluiten. Het kan me niet schelen of het geluid ondraaglijk is, of het er stinkt naar de riolen van hun geschiedenis - of je moet overgeven als je aan hun slijmerige bestaan likt. Hoe het eruitziet, daar gaat het om, daar komt Inspiratie vandaan. Ik probeer er zin uit zinloze levens te onttrekken, uit een wereld die is gevuld met haast, met mensen die te veel en te snel eten en drinken, het vet dat van hun kin loopt, die te hard lachen en te veel wenen, die ruzie krijgen om niets; emotie zonder motie, gevoel zonder te voelen. Mensen met een onbevredigbaar verlangen in hun ogen. Ze wachten op een g(G)od die nooit zal komen. Ze lachen en gaan door met vreten en kijken – om zich heen, naar het oppervlakkige, alsof ze zoeken naar dat deel van hen dat hen één zal maken, dat hen volledig tot leven kan wekken. Ze roepen en tieren op elkaar; vaders op moeders op kinderen op honden. De hele weg naar hier en ginder en de hele weg terug. Vanaf de dag dat ze het koortsig inwendige van hun moeders verlaten begint het blèren en het willen, het materialisme en de drang naar meer en doel en streven. En dan staan ze daar, en lachen hun leugen voor mijn flitsende leugendetector. En flits, nauwelijks meer dan een knipoog! Opnieuw een verzinsel, een lachend gezin dat onmiddellijk na het vastleggen van deze wittandige en pas gestreken onwaarheid, weer vervalt in schelden en zeiken. Mannen en vrouwen die, hun wenkbrauwen fronsend, temidden van wat zij noemen ‘gezin’ aan hun hoofd krabben, waarna de algehele toestand van ontregeling enkel maar toeneemt – dingen lopen uit de pas. Maar ik heb hun leugen vastgelegd en dra ontwikkel ik het tot werkelijkheid, in mijn zwarte kamer ontstaat lichtheid van het gezin. Alweer een leugen aan de muur, ik geef hun het ritme van hun pas terug. Begrijp me niet verkeerd, mijn vak mag niet lichtelijk worden geschat. Elke foto die wordt genomen, is een morele beslissing die in een fractie van een seconde moet worden gemaakt. Tussen momenten van verheven kunstenaar en laaghartige smeerlap heb ik me een bestaan aangemeten. Zet ik mijn focus op de pure schoonheid van een vrouwenlach en op de afzichtelijke blik van een man die ziet hoe ik de schoonheid van zijn vrouw bezoedel met mijn blik. Met mijn toverkunsten vervorm ik het vluchtige vierdimensionale tot het vlakke tijdsloze, geef ik karakter aan hen die te veel onderwijs genoten en niet meer kunnen dromen. Maar de zwarte kamer in mijn hoofd geraakt vol. Ik knipper nog wel met mijn ogen, maar de beelden raken er niet meer bij. Mijn geest is verzadigd door dit menselijk gedrag. Het was me overkomen dat ze me tijdens mijn dwalingen doorzagen waarna ze riepen dat zoiets lelijks – waarmee ze mij bedoelden - nooit tot een mooi resultaat kon leiden, dat ik mogelijks een spiegel was die hun pracht niet ongeschonden zou reflecteren, maar zou omvormen naar iets afgrijselijks.  Daarom leg ik me nu toe op het vastleggen van dieren. Ik geloof dat de dieren geen berechtingsysteem hebben. Dat ik hen mag bekijken zolang ik maar wil, dat ik mijn hoofd mag vullen met plaatjes zonder dat één van hen me een spiegel zal voorhouden. Het dieren-kijken is iets waar ik een buitengewone gave voor heb die ik moeilijk kan omschrijven. Misschien kom ik nog het dichtst in de buurt wanneer ik stel dat ik me onzichtbaar kan maken. Of zelfs beter, dat ik mezelf klein kan maken. Hoewel ik nietig van stuk ben, bedoel ik het klein-worden niet lichamelijk maar psychisch. Ik speel gewoon mijn eigen onbeduidendheid en krimp ineen tot het negeerbare – klein worden om groots te zijn. Maar dit vermogen om mezelf te minimaliseren, is slechts één van mijn verborgen identiteiten, de meest zichtbare van mijn lagen der vermommingen. Mijn nederig gedrag overtuigt de jagende kat dat ik zijn tanden niet waard ben. De grazende geit overreed ik dat zij het vluchten beter uitstelt tot er echt gevaar is, en de spiedende muis fluister ik toe dat hij alert moet zijn voor het klapwieken van een uil eerder dan voor het ritselen van mijn voetsporen. Ik breng hen tot het inzicht dat ik niet goed genoeg ben voor hun opmerkzaamheid. Misschien werkt het omdat ik rechtschapen ben, op mijn rug bungelt geen geweer en mijn hoofd wordt niet overschaduwd door een net. Ik draag belevenissen met me mee, herinneringen van spottende gezichten en andere minachtende gedaanten. Emoties waaruit ik kan putten als ik mezelf in mijn geringe, dierlijke waarde wil verliezen. Door deze aanleg kan ik doorlopen tot vlak voor hun hol of poel of nest; tot vlak aan het verhoog van hun toneelstuk; daar waar de beestacteurs voorstelling geven met een kundigheid die geen door-de-wolven-gevoede-Mowgli noch een tarzan-Weismuller, en zeker geen Fly-Goldblum vaardig zijn. Ik kan hun realiteit binnendansen en slowen tussen parende konijnen, walsen met jagende vossen en ik tango er met een stervende beer – ik kan doordringen tot in het bepalende moment van hun bestaan, enkel om die foto te nemen. Ik overreed hen woordeloos. Deze gave van het onstoffelijk worden, heeft me op vele momenten het leven gered. Als de mensen me zeiden niet over de weide te lopen want de wind: ‘Mijn God, mijn God, denk toch aan de wind!’ zat niet goed, dartelde ik zonder me te besprenkelen met geconcentreerde muskus of versterkt luipaardferomoon, dadelijk tussen het gebrul en gegrauw van hongerige wezens. Als de mensen me zeiden dat hol niet te betreden, want de uitwerpselen: ‘Mijn God, mijn God, denk toch aan de uitwerpselen.’ zijn nog vers, wierp ik me subiet op handen en voeten en stak zonder handschoen of helm mijn hele lijf in dat hol. Ik werd er onweerstaanbaar naar toe getrokken. Wilde een breedbeeld van de wereld maken zoals deze is wanneer iemand de huid er vanaf zou stropen. Meer dan naakt, voorbij kwetsbaar. Rood gekleurd, grootgetand. Ik kick nu eenmaal op gevaar en neem elke dag een overdosis. Ik wil weten dat het kwaad bestaat en welke vorm het zich heeft aangemeten. Ik wil het herkennen als ik het op straat tegenkom, het over me voelen heenkomen – zijn werking begrijpen door het te ervaren.

Ben
0 0

Brief, 6 december 2013

6 december 2013   Mijn liefste T., Sinterklaas vandaag. Geen cadeautjes voor mij helaas, tenzij je de extra mandarijntjes in de fruitmand op het werk mag meetellen. Bittere troost jammer genoeg, gezien de laatste dagen van mijn contract ingaan. In 2014 ben ik weer werkloos na mijn zoveelste tijdelijke contract.    Ik had je raad moeten opvolgen en ICT moeten bijstuderen! Ach ja. Misschien een goed voornemen? Dat hoort wel bij een nieuw jaar. Een nieuw jaar en een nieuwe reeks sollicitatiegesprekken in mijn agenda. Nieuwe rondjes vragen zoals: waar zie je jezelf over 5 jaar? Of mijn lievelingsvraag: wat zijn je beste/slechtste karaktereigenschappen? Alsof iemand daar ooit eerlijk op antwoordt! Tja, ik werk eigenlijk niet graag met mensen samen. Of:  Liever lui dan moe!  Ik zou nooit meer aan een job geraken, als ik niet met de glimlach verhaaltjes uit mijn duim kon zuigen over wat voor een geweldige werknemer ik wel niet  ben.   Ik hoor je het al zo zeggen: wat zie je het weer somber in, jij pessimist! En ik antwoord je zoals altijd: niet pessimist, realist. Ik ken mijn gebreken en ik weet waar ik moet op letten als ik weer voor de zoveelste keer opnieuw begin. Natuurlijk maak ik dan weer een andere fout en wordt mijn lijstje weer wat langer.    Misschien ben ik toch een pessimist. Gelukkig ken je me en mijn buien al, anders zou ik misschien deze brief moeten verscheuren.  Als we dan toch bezig zijn over mijn gebreken: het spijt me dat ik vorige maand niet op bezoek kwam. Ik wou komen… maar je weet dat ik het zo niet op mensenmassa’s heb. En je moeder, ze heeft liever niet dat ik kom. Ze heeft het me nog niet vergeven, denk ik. Dat is niet erg hoor, ik neem het haar niet kwalijk. Ik heb het mezelf ook nog niet vergeven. Ik zag haar chrysanten gisteren, mooie gele. Ze heeft goede smaak, je moeder. Ik weet nooit wat ik moet meebrengen en sta meestal maar wat te draaien in de bloemenwinkel tot een van de meisjes me komt helpen. Nog eentje voor op mijn lijstje van gebreken. Of misschien steel ik wat van je optimisme en zet ik het op mijn lijstje goede voornemens. Tot volgend jaar met zelfgekozen bloemen. Ik mis je.

Ainsley W.
0 0

Tijdloos

Het was alweer een hele tijd geleden dat we nog samen gekomen waren. Een hele resem verworvenheden, vanzelfsprekendheden dienden teruggedraaid te worden. Omdat ze verkeerd bleken. Omdat ze in alle eerlijkheid een klucht van een idee waren geweest. Omdat we te zat waren. Te ver heen in de olie. Te diep in het glas. Tussen opgedroogde druiven. Rozijnen noemt men dat. En als je lang genoeg in de spiegel kijkt. Je gezicht. Onherkenbaar. In de schaduw van zijn plooien. Vind je dat niet raar? Dat wij spreken over oceanen. Over melkwegen als het moet. Dat wij zien doorheen muren. En lichtsnelheden. Vermorzeld. Zonder een spatje puin. En dat we ondertussen wegkwijnen in onze eigen duisternis. Vind je dat niet raar? Je zou het raar moeten vinden. Als je nadenken zou. Zonder vooroordelen. Zonder premisse. Hypotheseloos. Als een vrij mens. We nemen er het lijstje bij. Te schrappen: Democratie. Emancipatie van de vrouw. Geld. Religie. Tijd. Als we daar nu eens mee zouden beginnen? Dat lijkt me haalbaar vóór de pauze. Koffie schrappen we vooralsnog niet. Thee? Dat blijft een twijfelgeval. Koekjes? Niet meer van deze tijd. Tijd? Nog verkrijgbaar tot de noen. Goed. Democratie, dus. Wat doen we in de plaats? Of schrappen we het gewoon? Niemand zal het merken. De mensen hebben nooit echt iets in de pap te brokken gehad. We behouden de formaliteiten nog één, twee, drie decennia. Gommen elk jaar wat weg. Tegen 2050 weet niemand nog dat het ooit anders was. En tussen haakjes: Het evolutionair verdwijnen van de noodzaak tot herinnering loopt gesmeerd. Geen kat die het merkt. Hersenen passen zich aan. Google eyes. Externe geheugenunits. Gigabits & bytes. Vol manipuleerbare informatie. Beheers het verleden. Bepaal de toekomst. Het heden is een illusie. Next. Emancipatie van de vrouw. We kijken elkaar aan. Plooien onze lippen simultaan. Breder en breder. Gelijk een ondergaande zon aan de einder. Barsten ten slotte in schaterlachen uit. Storm op zee. Vuurwerk. We scheuren van de rollercoaster. We beloofden voldoening en vrijheid. Verschaften stress, rilatinekoters, E-nummers en grote betonnen kooien. Gomden reeds aan tijd. Want voor wat hoort wat. Je kunt niet alles hebben. Weg ermee? Ja, alstublieft, voor hun eigen goed. Schrappen die handel! Moet er wat in de plaats komen? Tijd. Tot aan de noen. Daarna bekijken we dat wel weer. Tijd dus. Nog heel even. Next. Geld. Opnieuw kruisen onze blikken. Doch, onze lippen golven zich niet. De zee is bedaard. Van ongeloof gaan liggen. Op een bedje van zichzelf. Had je ooit kunnen denken dat ze het zouden omarmen? Een sprookje dat opgeraakt. Als je niet meeheult. Als je niet weet wat men denkt te weten. Als je niet kunt wat iedereen kan. Als je het niet verder vertelt. Versnipperd in kleine anekdotes. Zonder enige moraal. Moraal! Dat ze ook dat zouden slikken. Een goed en een slecht. Een hemel en een hel. Wat een brug! Religie! Het lachen is ons vergaan. We schrappen zwijgzaam. De stilte dreunt over tafel. De klok tikt. En tikt. En tikt. En niks verandert. We draaien rond. In een ellips. Rond onszelf. Gewichtloos. We slurpen de laatste seconden tijd naar binnen. Nooit smaakten ze zo vol en zoet en als een zuchtje wind. We knikken. Het is tijd om haar te schrappen. Het is tijd voor iets anders. Het is tijd voor tijdloosheid. Niemand zal het merken. Er restte ons immers weinig. Geen haan die er naar kraaien zal.  

Evy
0 1

Emma's wraak

‘Hallo, is dit Eerste Hulp bij Relatieproblemen? Dag mevrouw. Ik bel u omdat… Weet u… Het is heel simpel. Er is me iets ongelooflijks overkomen, ja iets zo ongelooflijk vreselijks dat ik erover moet praten, dat ik er met iemand over moet praten, ik kan het absoluut niet aan mijn moeder vertellen, en ik dacht, waarom niet aan u, want ik zag uw advertentie op internet. Zal ik u het probleem voorleggen? Ik ga het uitleggen… hoe moet ik beginnen, hoe moet ik woorden vinden, ik weet het niet… Ja, ik zal proberen te bedaren. Diep ademhalen zei u? Ik zal het proberen. Goed. Ik ben getrouwd. Ik ben dertig jaar. Ik heet Emma…’ ‘Uw stem komt me zo bekend voor. Een zeldzaam warm timbre, vooral als u zich opwindt. Zingt u als hobby? Of misschien wel professioneel?’ De stem van de dame van de Eerste Hulp bij Relatieproblemen zakte een octaaf. Ze wilde rust uitstralen. ‘Nee, nee, ik heb nog nooit met zo’n nummer gebeld, ik heb als kind al geleerd mijn problemen zelf op te lossen. Hoe komt u erbij dat ik…’ riposteerde Emma. ‘Ik heet Caroline,’ onderbrak de vrouw aan de andere kant van de lijn. ‘Zullen we elkaar tutoyeren, dat praat wat makkelijker.’ Ze ging zonder op een antwoord te wachten op ‘je’ over. ‘Emma, vertel me nu eens in één woord wat er is gebeurd, dan gaan we daarna wel in detail.’ ‘Verliefd,’ mompelde Emma. ‘Oké, dat is toch prachtig. Ik zou een gat in de lucht springen. Maar je zei net dat je getrouwd bent en ik neem niet aan dat hij de gelukkige is.’ ‘Waarom moet het een ‘hij’ zijn? Tegenwoordig kan je ook best een ‘zij’ hebben,’ antwoordde Emma. ‘En in dit geval ís het een ‘zij’ en daar schaam ik me niets voor.’ ‘Heb je er met haar al over gesproken? Dat je verliefd bent op een ander.’ ‘Ben je belazerd. Mijn vrouw, ze heet Olga, is strafrechtadvocaat. Die ziet overal een misdrijf in en ze mept er meteen op los als ze denkt dat iemand haar ontrouw is. Dat heb ik al twee keer ondervonden.’ ‘Ben je al twee keer vreemd gegaan?’ ‘Nee, eigenlijk niet, maar zij dácht dat ik een ander had. Ze vond een verdachte voornaam in mijn smartphone: Amber, en dat vindt ze een typische slettennaam. Razend was ze. En de tweede keer ben ik inderdaad gaan tongen met Amber. Daar had ik al langer zin in en nu vroeg mijn vrouw er gewoon om. Maar ze lachte me midden in mijn gezicht uit toen ik het haar opbiechtte. Ze schaterde: “Jij met die slettenbak? Daar geloof ik niets van. Zo’n meid gaat niet met jou bekken.” Ze had het met een jaloerse ondertoon gezegd en was naar de keuken gegaan om een espresso te halen. “Jij er ook een?” had ze gevraagd. Ze had me diep in mijn ogen gekeken en haar mond op mijn mond gedrukt. Haar tong was naar binnen geglipt en was een vurige dans begonnen met de mijne. “Je hebt er niets bij geleerd,” had ze de spot met mij gedreven en haar mond weer vrijgemaakt voor haar espresso.’ ‘Oké, het gaat dus over een zekere Amber. Daar ben je nu verliefd op. Ze kan blijkbaar lekker kussen.’ ‘Nee, ik ben niet verliefd op Amber. Ja, lekker zoenen kan ze maar ze heeft zelf ook een relatie. Hij heet James, die kende ik al eerder van squashen, en ik heb een keer met hem gevreeën maar dat was vóór mijn huwelijk. Hij was de laatste man in mijn seksleven’ ‘Dus die is het ook niet?’ ‘Ik heb James al een paar jaar niet gezien. Eigenlijk het laatst bij de crematie van Georgina. Die is door een auto-ongeluk om het leven gekomen. Ze was nog geen dertig maar ze was het zelf schuld dat ze moest sterven.’ ‘Zo, dat is harde taal. Waarom haatte je haar zo?’ ‘Ze moeten van mijn spullen afblijven. En van mijn geliefdes. Niemand speelt spelletjes met mij. Wie dat wel doet, wordt gestraft. Zij is te ver gegaan.’ Caroline slaakte een lange zucht. Ze werd steeds nieuwsgieriger. ‘Vertel me wat er gebeurd is, we hebben alle tijd.’ ‘Ik heb Daphne op een receptie leren kennen. Ze beviel me meteen. Ze stond als een trotse leeuwin in een hoekje van de zaal met een glas champagne in haar hand. Mijn ogen kleefden aan haar lichaam en haar fonkelende blik nodigde me uit om dichterbij te komen. Ik liep volkomen weerloos naar haar toe en gaf haar een hand. Ik was niet verrast dat ze me nog dichter naar zich toe trok en me vol op mijn mond kuste. Zelden in mijn leven ben ik acuut zo opgewonden geweest. We hebben urenlang gepraat en zijn daarna naar haar appartement gegaan. We schopten onze schoenen uit, rukten elkaar de kleren van het lijf en ploften op haar driezitsbank om in een opeenvolging van explosies te belanden.’ ‘En toen zijn jullie een stelletje geworden?’ ‘Ik wilde graag. Maar Daphne vertelde me de volgende morgen dat ze me een heel geil wijf vond maar er niet over peinsde een relatie te beginnen. Vrijheid blijheid had ze gezegd, dat kreng. Maar zo ga je met mij niet om. Aflikken, krikken en wegflikkeren? Dat schreeuwde om wraak.’ ‘En toch heb ik je stem wel eens gehoord. Weet je echt zeker dat je hier nog nooit gebeld hebt?’ ‘Nee, echt niet, dat weet ik zeker. Maar wil je de rest ook horen?’ Caroline fluisterde ‘ja’. Ze voelde een mengeling van groeiende interesse en verholen angst. ‘Ik heb haar dagenlang gemaild, gebeld, beschoten met sms’jes, gevolgd in de stad, achtervolgd met bussen, trams en taxi’s. Waar zij verbleef, was ik ook of kwam minuten later. Ik was haar schaduw geworden en slaagde erin haar identiteit te misbruiken. Talloze pakketten van Zalando heb ik laten bezorgen op haar adres, dozijnen dildo’s, hetzelfde merk waar we elkaar die nacht mee volgestopt hebben, honderden flessen champagne, haar lievelingsmerk, en tenslotte vond ze zichzelf terug in diverse overlijdensadvertenties. Aan kanker gestorven, omgekomen bij een busongeluk, de hand aan zichzelf geslagen. En toen dat allemaal niet hielp…’ Caroline zat ademloos te luisteren. Ze twijfelde of ze Emma verder zou laten praten of haar zou doorsturen naar psychiatrische hulp. ‘Jij denkt nu vast dat ik rijp ben voor een psychiater,’ zei Emma. ‘Nee dus. Ik weet heel goed wat ik doe en wat de consequenties zijn. Ik heb een half jaar voorwaardelijk gekregen wegens stalking en oplichting en dat heb ik er graag voor over gehad.’ ‘Maar wat is de rol van Georgina in dit hele verhaal?’ ‘Die hoer heeft ná mij met Daphne aangepapt. Ik heb ze samen gezien toen ik met mijn verrekijker vanuit de galerij van de flat tegenover in haar appartement keek. Met míjn Daphne, op onze bank, met onze speeltjes en onze drankjes. Ik was razend. Uren later, diep in de nacht, kwam Georgina naar buiten en liep naar haar auto. Ik zat al klaar aan de overkant van de straat in mijn BMW, startte en gaf meteen vol gas. Georgina kwakte tegen de voorruit en plofte via het dak achter mij op het asfalt. Volgens de krantenberichten was ze op slag dood. Jammer, ze had rustig wat langer kunnen lijden of in een rolstoel kunnen belanden. Gelukkig had mijn auto weinig schade.’ ‘Heeft niemand gezien dat je haar aangereden hebt?’ ‘Volgens mij niet. Ik heb er nooit meer iets van gehoord. Vier dagen later was haar crematie en heb ik nog bloemen voor haar meegebracht. Haar broer vroeg me of ik haar goed gekend had en nodigde me uit voor een hapje en een drankje met de familie. Ik heb op haar geproost. Mooi dat je weg bent hoer, dacht ik nog toen ik mijn glas hief in de richting van haar ouders. Hadden ze haar maar beter moeten opvoeden, het verschil tussen mijn en dijn moeten verklaren.’ ‘Maar die Georgina heeft toch eigenlijk niets fout gedaan. Daphne was toch vrij om te doen en laten wat ze wilde. Je wist toch dat ze geen vaste relatie wilde?’ ‘Hoe vaak ik dat al tijdens mijn leven heb moeten horen, niets fout gedaan. Toen ik zes jaar was, had ik een grote bruine beer. Gekregen van mijn tante op mijn verjaardag. Ik was gek op dat beest. Hij at mee aan tafel, keek televisie op de bank en deelde mijn bed met mij. Mijn broertje van drie heeft allebei zijn oren afgebeten toen ik even op straat speelde waarna ik hem een dreun voor zijn kop heb verkocht. Mijn moeder heeft me bont en blauw geslagen. Ik had er maar rekening mee te houden dat mijn broertje nog niet wist wat hij deed. Nou, dat wist hij heel goed, die vuile grijns van hem zit nú nog op mijn netvlies.’ ‘En daar ben je nog steeds zo kwaad over?’ ‘Twee jaar later kreeg ik mijn eerste fiets. Blauw met zilvergrijze strepen. Plus een mandje achterop. Ik was apentrots. Ik liet hem meteen aan mijn vriendinnen zien en fietste ermee naar school. Na een week was hij al gestolen. Terwijl het slot er op zat, dat wist ik zeker. Kreeg ik opnieuw een pak rammel van mijn moeder. Ik kon dat mens wel schieten. ’s Nachts voelde ik de pijn van de slagen maar nog meer het verdriet om het aangedane onrecht. Ik ben huilend in slaap gevallen en droomde dat mijn moeder onder een trein kwam. Ik stond naast haar op het perron en lachte haar uit toen ze door een zwerver op de rails geduwd werd en vervolgens overreden. Zelf schuld dacht ik voordat ik badend in het zweet wakker werd.’ ‘Heb je nog contact met je ouders?’ ‘Met mijn vader wel, mijn moeder leeft niet meer. Soms denk ik dat ik haar écht dood gedacht heb. Een soort Voodoo voor beginners. Je zou er bijna in gaan geloven. Maar ze had longkanker. Dat domme gerook ook. Het hele huis stonk ernaar. Mijn vader heeft nu een nieuwe. Die rookt gelukkig niet. Ik houd zielsveel van mijn vader. Wie aan hem komt, komt aan mij. Dan ben ik tot alles in staat.’ Caroline zocht naar woorden en zinnen. Ze wilde Emma niet onderbreken maar het gesprek over een andere boeg gooien. ‘Vertel eens iets over je eerste liefde.’ ‘Je weet de zwakke plekken wel te vinden. Op mijn veertiende gingen we op vakantie naar Italië. Mijn moeder met haar losse handjes, de duivel hebbe haar ziel, mijn lieve doch onmachtige vader en mijn eikel van een broer. We zaten op een camping aan het Lago Maggiore en het wemelde daar van die huisbakken Latino-jongens. De een nog charmanter dan de ander. Verstaan kon ik ze niet maar hun gezichten spraken boekdelen. Blonde meid uit Holland met voor haar leeftijd behoorlijke borstjes. De jacht was meteen geopend. Ik ging echter voor een blonde jongen, tot afgrijzen van de donkerharige exemplaren die mokkend afdropen. Carlo was al zestien en wist van wanten. Na een middag zwemmen nam hij me mee naar het washok en sloot de deur achter ons met een sleutel. Hij nam mijn hoofd in zijn handen, aaide over mijn bol en voor het eerst in mijn leven kreeg ik een vreemde tong in mijn mond. Ik was op slag verliefd maar nog genoeg bij kennis om zijn naar mijn billen graaiende handen weg te duwen. Hij keek me vuil aan, liet me los en verdween. Een dag later zag ik hem weer. Hij had een zwartharig meisje in de houdgreep dat hij eveneens, de route was mij bekend, naar het washok voerde. Blijkbaar was dat zijn afwerkplek maar dat woord kende ik toen nog niet. Ik liep achter hen aan en begon, nadat ze binnen waren, keihard op de deur te slaan en ‘bastard’ te roepen. Dat woord kende ik wél, van televisie. Het meisje kwam meteen naar buiten. Ik ben naar haar toegegaan en heb haar twee keer keihard in haar gezicht geslagen. Rothoer schreeuwde ik maar dat begreep ze niet. Ze rende huilend weg.’ Caroline speelde nerveus met het slotje van haar zilveren halsketting. ‘Ik weet nu zeker dat ik je stem gehoord heb. Maar waar was dat in godsnaam?’ ‘Nee hoor, ik zou niet weten waar. Er zijn zoveel stemmen die op elkaar lijken.’ ‘Maar nu weet ik nog steeds niet op wie je verliefd bent. Of moet dat een geheim blijven?’ ‘Op jou!’ Caroline zocht met beide handen steun op haar bureau terwijl de hoorn van de telefoon op de vloer kletterde. Ze raapte hem meteen op. ‘Ben je er nog?’ vroeg Emma. Ze klonk licht geïrriteerd. ‘Dit is zeker een grapje. Je hebt mij nog nooit gezien of gesproken. Hoe kan dat nu?’ ‘Ik volg je al een half jaar. De eerste keer dat ik je zag, was in de ‘Zwarte Maagd’, die pub in de binnenstad. Ik was meteen helemaal ondersteboven van je. Die onpeilbare arrogante blik, dat uitdagende strakke lijf. Je bleef tot sluitingstijd en daarna ben ik achter je aan gelopen naar je appartement. Als een loopse hond ben ik je gevolgd, trillend over mijn hele lichaam. Ik kwam bijna klaar op straat. Rozenstraat, nummer 69, drie hoog aan de gracht. Ik heb je vervolgens gevonden op Facebook, op Twitter en op Instagram. Ik heb je wel tien keer gebeld op je mobieltje en je gevraagd of je mij wilde ontmoeten. Een blind date. Maar mevrouw wilde niet. Gelukkig getrouwd, man en twee jonge kinderen. Nou en? Wel eens van “second love” gehoord? En misschien is seks met een vrouw wel een stuk lekkerder.’ Caroline verwerkte razendsnel wat Emma vertelde. Ze ís stamgast in de ‘Zwarte Maagd’, ze wóónt op het genoemde adres en ineens wist ze ook waar ze die stem van kende. Die vreemde voorstellen om elkaar op een parkeerplaats te treffen. Seks niet uitgesloten. Ze had ervan gewalgd omdat ze een pure hetero is maar met name van de brutaliteit om zó in medias res te gaan. ‘Ik zie je vanavond in de ‘Zwarte Maagd’. Om tien uur! En geen woord tegen je man. Zeg maar dat je uit gaat met je beste vriendin, Annette heet ze toch? En bij haar blijft slapen. Als je niet komt, vertel ik die vent van je dat we al een half jaar met elkaar vrijen. Ik krijg alles wat ik wil. Goedschiks of kwaadschiks. Die twee prachtige kinderen van je, hoe oud zijn die? Drie en vier, hè? Dat is een heel kwetsbare leeftijd.’  

hanco naninck
0 0

Het Woud

Nu is er niemand om mij de weg te wijzen. Ik ben overgeleverd aan deze wilde natuur, die zich als duizenden handen aan mij vergrijpt. Een heel gretige, maar onverbiddelijke natuur. Een natuur die geen stuk van me overhoudt en me volledig wil absorberen. Een natuur die neemt en niet geeft. Duizenden bomen, miljoenen bladeren. Het dichtbegroeide woud. Donker. Slechts enkele hoopgevende straaltjes licht. Daar in de hoogte. Daar is de buitenwereld. Daar is mijn leven. Alles wat ik ken. Alles wat ik heb. Verslagen kijk ik naar mijn tijdmachine, nu niets meer dan een aftands anachronisme in deze primitieve wereld. Een hulpeloze Ikaros in deze woeste, groene zee. Enkele ogenblikken geleden nog in al zijn glorie. Weldra een immobiele, overwoekerde Prometheus, volledig ingenomen door de oppermachtige natuur. Zijn doel was te ijdel. De hoop op vooruitgang. Het toonbeeld van macht en trots. Als een koning hoog boven deze vergankelijke, bespottelijke wildernis. Als een schaterende albatros, onoverwinnelijk en oppermachtig, die vol minachting de naïeve onderwereld gadeslaat, en af en toe zijn uitdagende blik nog hoger wendt. Er zijn geen grenzen aan vooruitgang. Met van tijd tot tijd eens een offer stelt de wetenschap zich tevreden. Mevrouw Clamence. De heer Ferrès. Hun dochter Lucy. Hun neef Pierre Lachutte. Die vriendelijke Engelse wetenschapper. Onze steward. De norse co-piloot. Ook de piloot. Allemaal zijn ze. Een slapende Lucy was het laatste wat ik zag voor de hele wereld instortte. Ze leek zo onschuldig. Als een zorgeloos engeltje, met haar zilveren kettinkje om haar hals. Ik duizel. Ik walg. Een tweede keer val ik. Dieper en dieper dan die eerste, noodlottige keer. De verstikkende adem van de jungle brengt me weer bij. Ik voel een sterke aanwezigheid vlakbij mij. Versuft probeer ik recht te staan. Mijn ogen zijn mijn bode. Ik weet het weer. Het wordt tijd om het altaar te verlaten en mijn krachten te meten met de enige ware god. Ik neem Pierre nog zijn offermes af en werp nog een laatste blik op het afschuwelijke massagraf. Ik verdwijn. Op weg naar nergens. Wat voor zin heeft dit? Waar wil ik dan heen? Ik weet niet eens waar ik me bevind. Dit moet één van de miljoenen eilanden in de oceaan zijn. De kans is dus groot dat het onbewoond is. Is dit wel een eiland? Veel dieren heb ik hier ook niet gezien. Zelfs geen vogels. Hoe zou ook maar iets kunnen overleven in dit verstikkende woud? Alles is donker en de verzengende lucht grijpt me bij de keel. Ook de bomen zijn niet zoals ik ze gewoon ben. Hier zijn ze dreigend en angstaanjagend. Het is donker. De hitte is bijna niet uit te houden. Het ademen wordt moeilijker en moeilijker. Het lijkt wel of het woud beetje bij beetje alle lucht uit mijn strot probeert te knijpen. Het lijkt wel… Nu weet ik het. Het woud berooft mij van mijn adem. Het plundert mijn longen. Als een parasiet leeft het op mijn luchtwegen. Ik kan het zelfs horen. Het ademt in en uit. Meer dan ooit voel ik nu die beklemmende aanwezigheid. Iets jaagt op mij. Een onbekend woud. Maar ik moet erdoorheen. Er zit gewoon niets anders op. Ik kan niet eten. Ik kan niet drinken. Ik kan niet uitrusten. Niet in dit woud. Ik kan amper ademhalen. Dat doet het woud in mijn plaats. Moeizaam zet ik mijn tocht verder. Een eindeloze excursie door het donker. Een marteling. Takken. Hitte. Duisternis. Lucht. Adem. Het houdt niet op. Mijn zintuigen zijn murw geslagen. Alsof ze onder een pletwals zijn terecht gekomen en nu in elkaar overvloeien. Alsof het allemaal één afgrijselijke waarneming wordt. Een grandioze osmose. Een permanente synesthesie. Ik zweef in een ondraaglijke trance van radeloosheid, wanhoop en waanzin. Alles doet pijn. Mijn danig gescheurde kleren zijn nu overbodig. Mijn lichaam sleep ik mee. Als een last. En dan, in een vlaag van onbezonnen woede, ga ik het woud te lijf. Nee, niet dat beest dat alsmaar nader sluipt. Maar alle bomen rondom mij. Ik hak, ik snij, ik sla. Als een losgeslagen gek probeer ik het woud dodelijk te verwonden, in de hoop het naderende beest te verzwakken, en het nakende gevecht te vergemakkelijken. Ik draai, ik duizel, ik spring in het rond. Overal waar ik maar kan, plant ik mijn speer in. Het woud moet sterven. Ik niet. Ik wil niet sterven. Ik wil terug naar die zo vertrouwde wereld. Daar hoog boven mij. Dit is slechts een nachtmerrie. Ik wil wakker worden. Nu! Nu! NU! Een vreemde kreet doet me verstijven. Het ademen wordt luider dan ooit. Het doet pijn aan mijn oren. Ik draai me om in de richting van het beest. Ik zie het niet, maar weet dat het zich nu op zo’n drie meter van mij moet bevinden. Het schreeuwt om mij. Het wil mij. Maar voor het eerst voel ik me niet meer machteloos. Ik kan nu heel de wereld aan. Ook deze wereld. Deze verschrikkelijke, primitieve wereld. Een wereld waar geen mensen zijn, geen houvast, geen contact, een wereld die je isoleert, die je van zowel je adem als je verstand ontdoet, die je verstikt. Een wereld als deze, is geen wereld. En met een oorverdovende kreet werp ik me, met uitgestoken speer, in het woeste gebladerte. Het beest grijpt me vast en schudt me door elkaar, maar voor hem is het nu te laat. Ik plant mijn speer diep in zijn borst. En opnieuw. En opnieuw. De groene takken en bladeren rondom mij kleuren rood. Maar dat zijn maar kleuren. Want nu is er wél hoop. Eindelijk voel ik dat het beest in elkaar zakt. Het is dood. Het woud is verslaan. Totaal uitgeput zak ik in elkaar. Bloed en zweet verblinden me. Alles is donkerder dan ooit. Maar het beest is dood. Even verbaas ik me nog over die vreemde kreet. Het leek wel alsof het beest mijn naam riep. Nee. Dat kan niet. Ik had toch goed gekeken? Ik was de enige. Alleen ik was weer rechtgestaan. Het woud had iedereen tot zich genomen. Maar ik ben nu als winnaar uit de strijd gekomen. Ik heb hen allemaal gewroken. Alle gevallen engelen die nu branden in deze groene hel. Ik kom weer tot bedaren. Mijn ademhaling wordt weer normaal. De verstikkende lucht lijkt met het beest te zijn verdwenen en het woud ruikt nu fris en lekker. Met mijn handen veeg ik het bloed uit mijn ogen. Ik kijk op naar de zonnestralen, die feller schijnen dan ooit. Een mooier teken zou de wereld, ver boven mij, maar nu niet ver meer, mij niet kunnen geven. De bladeren lijken zelfs groener dan ooit en boven mijn hoofd kwetteren enkele papegaaien. Ontroerend. Het lijkt wel alsof ik deze wereld van een boze geest heb verlost. In het gras glinstert iets zilvers in de zon. Euforie maakt plaats voor gruwel wanneer ik een ongelovige blik werp op mijn onschuldige slachtoffer. Ze lijkt nog zorgelozer dan die laatste keer.

Gert Vanlerberghe
15 0

Undar de Onbevreesde

Voorzichtig ging het beest nog een stap verder op het ijs. Het was bang. Het had de voorbije jaren al heel wat van zijn soortgenoten zien sterven. Allen dachten ze de oversteek te kunnen wagen. Het ijs zou dik en sterk genoeg zijn, het zou hem houden, het moest gewoon. Het beest keek voor zich uit, naar de overkant. Hoewel het een veel beter zicht had dan eender welke mens, kon het de overkant niet zien. Zover het oog reikte was er slechts een witte, besneeuwde vlakte, eindigend in een alles verhullende mistbank. Het beest wist maar al te goed wat er onder deze schijnbaar vredige vlakte schuilde. Een enorme zee van water, donker en wild, met metershoge golven en witte schuimkoppen. Maar nu was het bevroren, getemd door de extreme winterkoude van de voorbije maanden. De voorbije jaren merkte hij al dat het waterpeil steeds maar zakte, en toen kwam het pakijs. Ijsschotsen die langzaam maar zeker over elkaar schoven en aan elkaar klitten. De moedigsten onder hun volk waagden de oversteek, maar de weg was dun en verraderlijk. Allen faalden, totdat niemand meer durfde. Net als zijn soortgenoten kon hij niet zwemmen. Hij begon te hijgen, witte wolkjes makend in de ochtendlucht. Weifelend keek hij achterom, naar de veilige oever die maar enkele stappen achter hem lag. Duizenden van zijn volk staarden naar hem. Sommigen glimlachten gemeen, ervan overtuigd hem te zien sterven, een rivaal minder voor de troon. De meesten keken echter vol verwachting, met een mengeling van hoop en vrees. De spanning was voelbaar. Hij draaide zich terug om en rechtte zijn rug. Hij had zijn besluit genomen. Het was nu of nooit. Langzaam, stap voor stap, ging hij verder en verder, weg van de overkant. Eerst wandelend op twee poten, al gauw rennend op zijn vier machtige poten. Hij was snel. Maar hoe snel het beest ook rende, de mistbank bleef onbereikbaar, oplossend in de ijle lucht om zich tientallen meters verder terug te formeren. Nog nooit was iemand zo ver op het water gekomen. Het beest brulde de angst uit zijn enorme lichaam. Hoe lang hij gerend had, wist hij niet. De ochtend was haast onmerkbaar overgegaan in de avondschemering. Hij hijgde fel en zag kleurige vlekken voor zijn gele ogen opdoemen. Lange slierten kwijl dwarrelden uit zijn bek. En plots verschenen de kliffen aan de overkant. Hij herkende deze kliffen van de rotstekeningen in hun ijsholen. Grijnzend vertraagde hij en kwam langzaam terug op adem. De maan bood zijn ogen meer dan voldoende licht. Hij bestudeerde de steile rotsen, op zoek naar een ronde donkere vlek, net zoals op de rotstekeningen. Een tunnel door het gesteente. Eerst zag hij het niet, de paniek begon meester van hem te worden. Zonder tunnel zouden ze deze kliffen nooit kunnen betreden. En toen zag hij het, links van hem. Zijn hart maakte een sprongetje van ingehouden extase. Hij begon terug te kwijlen. Behoedzaam verhief hij zich op zijn twee achterste poten en richtte zich in zijn volle gestalte op. Hij snoof: de wind bracht enkel maar koude mee. Er was niemand in de buurt. De langzaam neerdwalende sneeuwvlokken bleven in zijn vuilbruine vacht zitten. Ze kwamen ook in zijn ogen. Hij had er geen last van. Hij overbrugde het laatste stuk naar de overkant. Op zijn hoede naderde hij de tunnel.

Kristof
0 0
Tip

Er vloog een meeuw in haar keel

Er vloog een meeuw in haar keel. Ze voelde hem zitten, hij was op haar strottenhoofd geland en streek er nu zijn veren glad. Hij was schoon en zacht, met plukken dons in zijn verentooi. Ze probeerde er kleuren in te onderscheiden, maar er was alleen wit. Wittig beige net als de muren van haar kamer in de stad aan het water. De meeuw keek haar met een kraaloog aan en even leek het alsof het zwart haar opslokken zou. Ze wilde hem grijpen en net toen ze haar handen uitstak om de vogel uit haar keel te trekken opende hij zijn snavel en riep luidkeels dat het over was. Ze was bezweet. Haar haar plakte aan haar hoofd en nek en toen ze erdoor streek bleef een pluk aan haar hand kleven. Ze schudde de klit van haar vingers. Het was donker, het maanlicht priemde doorheen de blinden en onttrok flauwe schaduwen aan de bank naast de boeken. De boeken. Hij kocht ze op de markt, toen die net open was op een vroege winterochtend en het kraakte onder hun voeten. Het kraakte toen ook onder hun wereld. Ze kende elke letter uit het hoofd al las ze nooit een woord. Hij las ze voor. Ochtenden en avonden versmolten op het ritme van zijn adem en wanneer de nacht hun lichamen zwart kleurde bleef ze roerloos hopen dat ze wakker was. Toen was er nog alles. Hij en haar en de beige kamer in de stad aan het water. Nu was er alleen nog diezelfde kamer, het bed waarop ze lag en het legpuzzelschilderij aan de muur. Het was er stil. Zij was stil. Ze hield haar adem in om het nog stiller te maken en sloot haar ogen. Ze dacht aan het strand. Er moest licht zijn en water, maar toen zij er stond was het donker geweest, koud, en vooral te stil. Ze had de haai in de golven gezien, maar hij had haar bloed niet geroken. Dat was vroegtijdig in haar aderen gestold toen haar hart versteende bij het dichtslaan van de deur. Bij het uitademen vervloekte ze de kortstondige ademloosheid. Ze sloeg haar ogen op naar het schilderij uit duizend-en-één stukken dat ze samen legden. Het was een kamer voor twee, met niets dan een bed met houten spijlen met van die draaiknoppen op waar je niet aan draaien kan. Ze dacht aan haar terras en aan het zonlicht dat er nu vast opviel. Fel, direct, zonder vrees neerzengend op de al verdorde planten. Dor was niet dor genoeg. Het beeld van een zomer die er niet was kleefde op haar netvlies. In gedachten liep ze weg, weg van haar kamer in de stad aan het water, over kusten nergens, want er was niets meer, alles was weg, net als zij. Alleen het stallinkje van kerst stond nog naast de bank met een opgebrande kaars ernaast. Ze dacht aan het gras en hoe groen het nu was, zo groen als hoop zijn kon of nog groener misschien, als pas verschenen lentegras dat nog volop denkt seizoenen te overleven. Door de blinden heen waaide nu een flauwe zucht wind. Ze rilde even, ook al was de wind warm en zuiders. Het laken waarop ze lag verdroeg haar huid niet meer. Toen ze haar arm om zich heen legde viel Jezus uit zijn kribbe op de koudbruine vloer. Het stof brak zijn val en zijn kroon. Daar ergens in de stad was hij, net als zij, maar waar zij was was niets meer en waar niets meer was wou zij zijn. Ze waarden rond haar, de geesten, zoals enkel geesten rondwaren kunnen in gedachten en hoofden van mensen die op bedden liggen en staren naar wat was. De wind waaide weg uit haar kamer in de stad aan het water. Het was beige daar, en stil.

Sara Greet
0 9

Twaalf mei

In gedachten kocht ik je een boeket gele zonnerozen en liet ze inpakken met bruin papier. Ik droeg de ring die ik een jaar eerder voor je kocht en wreef erover alsof het een oosterse lamp was. Ik zag je voor me, je gezicht wijd als open vlaktes en je lachte wetend naar me. Je verkiest koffie omdat koffie zwart is als je nachten. Het houdt je wakker en dat vind je best, want slaap is iets voor rustige mensen, mensen die zomaar geboren worden en hun dagen aan elkaar rijgen met gestage alledaagsheid. Je ontstond net als ik in verwondering, in de onverwachte verwachting. Ik voel je. Als ik niet weet waar je bent sluit ik mijn ogen en zie ik je naar je auto lopen. Je draagt je tas net als ik aan je rechterschouder en laat die wat afhangen. Je kin is onbewust net zo omhoog gekanteld, wat ons soms hautain doet overkomen, maar het is de onbewustheid van de beweging die ons draagt, niet de arrogantie. Je hebt een stevige pas die verzacht onder het wiegen van je heupen. Je draagt charme als een sjaal die zijn parfum in de wind wappert. Je haar zit altijd opgestoken. Alleen ’s avonds, net voor je gaat slapen, laat je ze je schouders raken. Je probeert er niet naar te kijken. Het herinnert je aan hoe jong je was toen je volwassen werd en je houdt niet van de losse onzekerheid dat elke haar een andere kant op kan. Ik kijk in de spiegel en zie je rimpels zich naast mijn ooghoeken stempelen. Hoe je blik door mensen valt en hoe mannen naar je kijken als was je onbereikbaar. In één seconde bouwen ze een feloek en varen ze voorbij hun realiteit, op zoek naar jouw kusten waar het zoet aanmeren is in paleistuinen minnekunst. Woorden werden voor jou uitgevonden. Jouw naam oversteeg tijd. Er wordt nog steeds over je geschreven. Er is iets met mijn lippen. Als ik ze op elkaar hou, een beetje naar voren tuit en dan mijn mondhoeken krul, trekken mijn jukbeenderen omhoog en denk ik aan je. Altijd. Het is een soort glimlach geworden waarmee ik mezelf optillen kan als de dag te zwaar om mijn schouders hangt. Het grondt me in de wetenschap dat ik net als iedereen geboren ben en niet uit de lucht kwam vallen als een dode ster. Toen ik je zag viel de lucht op mijn kop en stal mijn adem duizend wolken zuurstof. Er is geen mooiere vrouw. Je keurde me als een welp dat uit het nest viel en duwde je neus in mijn haar. Ik rook naar de wereld. Je sprak met de bedachtheid van een licentie rechten en vouwde je handen met de berusting van de Boeddha terwijl in je het noodweer al je schepen op mijn klippen sloeg. Hier op het strand, laat ik de zonnerozen in bruin papier aan de zee en haar tijdingen. Ik kom nog wel eens naar de horizon kijken, of je er al verschijnt en ik misschien een vuurtoren voor je aansteken kan.

Sara Greet
0 1

Na de opdracht

Het was reeds nacht. We bevonden ons in een kamer die enkel verlicht was door een kandelaar in het midden van de tafel. In de kandelaar bevonden zich vijf kaarsen, slechts half brandend en reeds kaarsvet druipend. Recht tegenover mij zat Jos. Links van hem Axel en rechts Gino. Voor elk van hen lag een pistool, geen idee wat voor pistolen, ik ben er tegen. Gino had een heimelijk lachje op zijn gezicht. Hij kon zich waarschijnlijk niets heuglijker inbeelden dan hier tegenover mij zitten aan deze tafel. Mij angst inboezemen alsof ik een klein, fucking meisje was dat al weken op zoek was naar haar mama. Hij kon niets beter bedenken dan dat ik zo’n domme fout zou maken. Een fout van leven of dood. Aan Axels gezicht zag ik dat hij zich schaamde. Dat hij teleurgesteld, trots, woedend en nog zoveel andere dingen tegelijk. Maar schaamte was het gevoel dat hij het meeste voelde, schaamte in mijn plaats. Schaamte dat hij mij had vertrouwd met deze opdracht en dat ik ze zo stevig verkloot had. Hij had mij op voorhand reeds gezegd dat hij trots op me was, tot ik hem vertelde hoe het verhaal afliep. Nog nooit had ik hem zo razend gezien als toen. En dan Jos nog. Jos toonde niet vaak emoties. Nog maar één keer tot nu toe, toen hij mij zijn knuppel gaf. Toen was hij ontroerd, trots en blij dat iemand hem –naar zijn woorden- waardig kon opvolgen. Ik vraag me af hoe daar nu over denkt. Ook zijn knuppel ligt hier op tafel. De knuppel ziet er even verslagen uit als ik. Bloed over gans zijn lengte, barsten in de top en het voelt alsof hij gaat ontploffen. Jos bekeek de knuppel even als hij binnenkwam, maar gunde hem nadien geen blik meer. Alsof hij zichzelf verafschuwde dat hij hem ooit aan mij had gegeven, al weet ik dat dat niet zo is. Plots staan de drie mannen recht, hun aangezicht slaat lijkbleek en het voelt alsof ze zo meteen één voor één gaan neervallen van angst. Zo had ik ze nog nooit gezien. Axel kijkt me recht in mijn ogen zonder dat zijn gelaat een krimp geeft. Ik besef dat ook ik moet gaan rechtstaan, dus dat doe ik. De deur achter me gaat open met enig gepiep en een lichtstraal die langs me heen ontstaat en zich voortplant over de tafel. Een schaduw wandelt binnen. Ze torent hoog boven mij uit, neemt en stoel en plaatst zich achter me. Ik durf niet omkijken uit angst wat ik zou te zien krijgen. Ik voel me in een slechte, té amerikaanse actiefilm, maar durf me niet verzetten tegen het gevoel om te zwijgen en te luisteren. Het angstzweet breekt me nu dan toch uit. Ik voel hoe mijn lichaam klam en nat wordt en ruik de geur van niet enkel mijn, maar ook het zweet van de drie mannen tegenover me. Ze gaan terug zitten. Ikzelf wil ook terug op mijn stoel plaatsnemen, maar Axel kijkt me weer in de ogen met dezelfde blik als daarnet. Mijn knieën krijgen het zwaar en de stress begint me teveel te worden, nog heel even en ik val tegen de grond. Een zware stem, afkomstig van de stoel achter me beveelt me ta gaan zitten. De stem verteld me wat ik allemaal voor de organisatie heb gedaan. 34 opdrachten en 53 ritten. ‘En dat allemaal op 1 jaar 3 maanden en 12 dagen.’ Zegt de stem, ‘Indrukwekkend.’ Ik durf niet te antwoorden. Wat moet ik hierop antwoorden? Ik weet dat ik hier niet zit om complimenten te ontvangen. Ik zwijg. Axel kijkt me in de ogen, maar probeert het niet te laten merken aan de rest. Hij doet teken dat ik moet antwoorden. ‘Maar ik weet niet wat’, spreekt mijn blik voor zich. ‘Awel, Komt er nog wat van?’ Een harde tik ramt tegen de achterkant van mijn hoofd en zorgt er bijna voor dat ik van mijn stoel glijd. ‘Ja! Ja, ja. Dat ben ik, dat heb ik allemaal gedaan.’ ‘Ah, Toch nog. Wat was dat gisteren man? Godverdomme he!’ roept de stem. ‘Iemand dat zich zo inzet kunnen wij hier blijven gebruiken ze. En wat nu? He? Nu kunnen we u ni meer bij ons houden he. Godmiljaar!’ Wat bedoelt hij daarmee? Waarom kunnen ze mij niet bij hun houden? En waarom liggen die drie metalen schiettoestellen op tafel? Ze gaan mij kapot maken he?! Ik Voel het! Wat moet ik nu doen? Weglopen, of wat? Ik weet niet meer wat te denken. Ik voel een druppel van mijn halflange lokken op mijn neus druipen en tot op mijn bovenlip lopen. De stem ging verder. Hij zei me dat hij kon begrijpen dat ik mijn koelheid al eens kon verliezen, maar dat ik wel mezelf altijd onder controle moet houden. Dat ik niet zo mag reageren als nu. Dat wat ik nu gedaan enorme gevolgen gaat hebben. Niet enkel voor mij, maar ook voor de organisatie. Dat als ze mij nu niet zouden verwijderen dat ik binnen de korste keren achter slot en grendel zou zitten, en dat ik dan niet in verband mag komen met de organisatie, in geen enkel geval. Ze moeten mij losknippen, mij wegbonjouren en nooit meer achterom kijken. Een steek diep binnen in mij, dat kan ik je wel vertellen. Een hand glijd mijn rechterschouder op, knijpt er in. Mijn hoofd wil zich draaien. De bron van de stem recht in de ogen kijken en daarna vluchten. Vluchten in de lichtbundel die door het sleutelgat van de deur achter mij de kamer binnen schijnt en zich aan baan tot aan mijn voeten vecht. Als ik daar nu eens zou kunnen in wegzwemmen, recht naar de zon. Wat zou ik nu graag overal zijn, zolang het maar niet hier is. Ik zoek de kracht, of überhaubt een kracht om recht te springen, de stoel die mij een plaats biedt op te nemen en er mee in het rond te zwaaien tot de vloer zich heeft verscholen onder de plas bloed van de vier mannen die mij in de kamer vergezellen.

Senne
0 0

Dorp

Er is een dorp, in Frankrijk, waar we vaak komen. Als ik mémoires had, dan zou ik ze daar schrijven. Zo'n dorp is het. Voor een huis, op een groot zwart bord, schrijft men met wit krijt: 'poisson, demain, 9 h' En soms ook niet. Dan is er geen vis. Dat soort dorp is het. Er zijn huizen met nog veel asbest. En als je iets verbouwt, dan breekt men de asbest er wel uit. Men doet dat gewoon. En men brengt het weg. Geen idee waarheen. Zo'n dorp is het. Zaterdagmiddag worden er in een weide soms banden verbrand, en een hele hoop rotzooi. Weg is weg. En de lucht is van iedereen. Er zijn huizen met gaz de ville. En er zijn huizen zonder. Op de parking van de Carrefour kan je butagaz kopen. En soms ook bedden en matrassen. Super conditions. Ik loop er graag te strandjutten. Oranje nylon, blauwe bussen, rode stukken plastic. Er zijn planken met perfecte rondingen die op duizend golven gedreven hebben. Dat neem ik mee. In een zak van de Aldi. Kwestie van wat bij het landschap te horen. Er is drie keer per week markt. Mannen met handen als schoppen verkopen dan synthetische bloemende bloezen aan vrouwen die op hun hond lijken. Er is een kraam met toutuneuro. Ik loop er wat in te neuzen. Er zijn dingen die ik koop, en later vastknoop met oranje nylon aan rode stukken plastic en op ronde planken timmer. Dan waan ik me de koning te rijk. Het zijn werken die ik in open lucht tentoonstel aan de meeuwen die er krijsend hun afschuw over uiten. En we fietsen. Naar het oosten. Naar het westen. Naar het zuiden. En steeds opnieuw, omdat we altijd weer vergeten waren hoe fijn de dagen er zijn. Het is iets om naar uit te kijken. Zoals de lente.

Jan De Palmeneire
16 4