Zoeken

Moordenaar

Ik staar in de spiegel. Heel mijn lichaam staat vol met dezelfde, donkere zwarte letters die samen dat donkere, vuile woord vormen. Mijn armen, mijn buik, mijn benen. Mijn hele lichaam staat er mee vol. Naar mezelf durf ik niet kijken, wil ik niet kijken. Een zonnestraal verblindt me. Ze schijnt via de spiegel in het lemmet van het grote keukenmes in mijn rechterhand in mijn ogen. even knijp ik mijn ogen toe, vergeet ik dit alles, maar al vlug overvalt de realiteit me weer. Daar zie ik mezelf weer staan. De letters op het ontblote lichaam. In de spiegel zie ik alles. Hoe klein ik ben in de gigantische slaapkamer. Waarom zou ik deze kamer verdienen? Ik hoor hier niet! Hij hoort hier! Niet ik! Ik verdien het grote, zilverkleurig bed niet dat bijna rijkt tot aan het pas wit geverfde plafond. Of de antieke bruine kast. Een kast met al meer ervaring, al meer verhalen dan ikzelf. Maar minder dan hij er had. Minder verhalen dan de verhalen die hij nu niet meer heeft, maar heeft doorgegeven aan zijn beminden. Waarom zou ik het tapijt verdienen, het gigantische tapijt waar ik als kind wel vaker op in slaap viel. Op de uitkijk naar de monsters onder het bed. Mij zouden ze niet verrassen, ik stond altijd paraat. Hoe kon het dat zo’n lief kind was uitgegroeid tot het monster dat hier nu voor de spiegel staat. Dit monster, momenteel getekend door de letters op zijn lichaam. Eeuwig geketend door zijn herinnering. Weer schijnt de zon in mijn gezicht. Ditmaal volgt hij het traject omgekeerd: via het mes in de spiegel, tot in een traan die over mijn wang rolt. Ik laat mijn blik nog voor een laatste keer op mezelf vallen. Nat van het zweet en de tranen sta ik te trillen, te beven voor de spiegel. Lees nog één keer de woorden die mij doen beseffen dat ik het hoogtepunt van mijn monster-zijn heb bereikt. Hoe vaker ik de letters lees hoe meer ik besef wat ik gedaan heb en hoe meer ik vindt dat mijn plan de juiste daad zou zijn. Het roestvrije stalen lemmet van het keukenmes wacht. Het wacht om tussen het vet rond mijn polsen te dringen en diep in mijn slagaders te dringen. Het wacht om de redder van mijn bloed te zijn, de verlosser van mijn geheugen. Het zal zowel mijn bloed als mijn herinneringen doen ontsnappen, ze laten gaan. Ik zou wel willen, maar kan het niet. De vogels die ik hoor fluiten achter het witte raamkozijn herinneren me aan mijn familie. Wat moet ik hen schrijven, hen nalaten? Wat kan ik hen als reden geven van mijn vertrek, van mijn plotse gaan? Ik kan mijn moeder toch niet vertellen wat haar zoon gedaan heeft.

Senne
0 0

Een vrouw had een weelderige derrière.

Een vrouw had een weelderige derrière. Zelf vond ze dat prachtig want als je van goede wil was, kon je letters en woorden onderscheiden op haar billen en mits een beetje oefening, kon je die letters en woorden tot zinnen vormen die dan samen een verhaal werden. De vrouw kon het verhaal zelf niet lezen maar ze liet het zich door haar minnaars voorlezen. Het was telkens een ander verhaal omdat iedere minnaar op een andere plaats begon met lezen en zelf bepaalde waar de woorden hem naartoe leidden. Soms gaven de woorden de richting aan maar het gebeurde ook dat er zoveel ruimte tussen twee woorden was dat je alle kanten uit kon. Toch wezen de woorden globaal gezien naar één centraal punt. Daar eindigde het verhaal. Als je tijdig van richting veranderde ontstonden er nieuwe intriges en verwikkelingen. Een happy end was niet altijd verzekerd want als de vrouw met haar billen bewoog, raakte je als lezer het noorden kwijt. Dat kon dramatische gevolgen hebben. De vrouw had een bruine getaande huid maar haar afkomst deed er niet toe, zei ze, want haar poep was multicultureel. Op haar linkerbil kon je van links naar rechts woorden in het Latijns alfabet lezen. Die woorden vormden meestal spannende maar soms ook hele mooie en ontroerende verhalen en een kundig lezer wist hier en daar een gedicht te ontwaren; het was alsof zo’n gedicht plots ontstond terwijl je even met de ogen had geknipperd. De vrouw hield het meest van de minaars die ook tot gedichten kwamen. Het stemde haar melancholiek. Op haar rechterbil kon je van rechts naar links lezen. Daar zag je Arabische tekens en wie ze lezen kon, verhaalde over prinsessen, volbloedpaarden en verre uitgestrekte woestijnen. In die verhalen kwam nogal wat moord en doodslag voor. Als je van boven naar beneden las waren het reclameslogans of Chinese tekens die je ook wel op menukaarten ziet. Wie van boven naar beneden las was altijd snel klaar en kon dan meteen vertrekken. Dat vond de vrouw niet fijn en dat soort minaars hoefde nooit meer terug te komen. De vrouw hield zelf het meest van de verhalen op haar linkerbil maar als de lezer te vlug naar de plot dwaalde liet ze een diep gegrom horen. Dan schrok de lezer. Sommige minaars konden zich herpakken en dwaalden nog lang rond tussen de punten, de komma’s, de vreemde ontwikkelingen en de heerlijke woorden die samen onafscheidelijke zinnen werden. Als een verhaal te lang duurde draaide de vrouw zich plots om en slokte de minnaar op voordat hij naar adem kon happen. Daar genoot de vrouw nog het meest van.

Le Claire
17 2
Tip

Zonnig met een wolkje armoede

Ooit The Wire gezien? Speelt zich af in de onderbuik van Baltimore, maar toen we even de wijk Raval in Barcelona doorkruisten, in mijn gids omschreven als "uw veiligheid is hier 's avonds niet gegarandeerd" maar door een vriendin aangeraden als een gezellige culturele smeltkroes, dacht ik even in voornoemde serie beland te zijn. Hustlers, players, dealers, working girls, ... In het spoor van enkele hooggehakte (mooie) benen passeren we een of andere evangelische missie met een lange rij hongerigen, moeten we uitwijken voor enkele Bubbs-figuren die een winkelkarretje met hun hele hebben en houden voortduwen, krijgen we hasjjies aangeboden, aanschouwen we de hele (onder)wereld op een vierkante kilometer, en als we op de lokale Rambla belanden is het plaatje compleet: een meute persmuskieten omcirkelt een of andere bobo-politicus die, aan de lijfwachten te zien, ook mijn gids gelezen - of geschreven - heeft. In elk geval, The Wire-gelijk waarvan het vijfde seizoen focust op de journalistieke kant van het verhaal, is het hoofdartikel de dag nadien in de lokale krant wel degelijk Raval. 'Vemos un barri digne'. Veel armoede hier in Barcelona. Zichtbare armoede, bedoel ik. Ontluisterend om zien hoe in een of andere bibliotheek in Raval (dé bibliotheek van Catalonië) met bijhorende paradijselijke binnentuin een groep toeristen wordt rondgeleid, terwijl twee meter verder, onder de beschutting van de galerij enkele daklozen in hun pis, of die van hun lotgenoten, dromen van betere tijden. Ook de wijk van ons hotel, de Barri Gotic ontsnapt er niet aan: als de avond valt, zijn er in bepaalde straten hoogoplopende discussies tussen jongerenbendes die strijden om "de hoeken" alwaar ze hun waar willen verkopen. Na twee dagen wandelen hebben we onze bekomst van de grootstedelijke drukte. Time to get out. Sitges wordt ons aangeraden door enkele Spanjaarden, een kuststadje waarvan de populatie in het toeristenseizoen verdriedubbelt. Het bevalt ons wel, maar toch nog een beetje druk. Ongelooflijk veel homokoppels ook. Zie je een man, dan zie je twee mannen. Niks op tegen, maar ze zijn écht wel in de meerderheid. En daarmee zijn de rollen eens omgedraaid: zoals zij de rest van de wereld waarschijnlijk ervaren, gevuld met die heterokoppels, zo voelen wij ons hier af en toe een beetje out of place. Vooral als je een hoek omgaat, en geheel onverwacht uitkijkt op een soortement naaktstrand alwaar de mens in volle glorie één wordt met de natuur. Na twee dagen hebben we Sitges ook wel gezien. Ségur de Calafell ligt ook aan de zee, en met veel plezier stappen we op de trein. Aangekomen op onze bestemming trekken we richting zee. Een desolate woestijn waar alleen een enkele gepensioneerde hond, excuseer, een gepensioneerde met hond, door het decor schuifelt. Als we op het enige terras in de omtrek vragen wat er hier zoal te beleven is, bekijkt de dienster me met grote ogen: "Nada" zegt ze beslist. Om er even later fronsend aan toe te voegen: "La plaja", achterom wijzend naar die grote leegte. Mmm, problematisch. Nada is perfect, maar we zijn het type toerist dat graag uitvalswegen heeft. Als we ergens arriveren, stormen we het toeristische infokantoor binnen. Folders, brochures, affiches, kaarten, reistijden, overstappen, openingsuren ... Overstelpt met goede raad en beladen met drukwerk verlaten we dan het kantoor om - het is echt sterker dan onszelf - een totaal verkeerde richting uit te lopen. Heerlijk om te weten wat je allemaal niét gaan doen. De Spanjaarden zijn op dat gebied trouwens een grote hulp. Passeer je een museum, kasteel of kathedraal (waar je wel even wil gaan schuilen voor de zon) dan is het gegarandeerd gesloten, vervallen of tijdelijk ontoegankelijk. Je zal het altijd zien, denk je dan, de landerigheid van de Spanjaarden vervloekend die je culturele uitstapje altijd weer dwarsbomen. Maar om terug te gaan naar Ségur de Calafell: nada is dus geen optie. En zo belanden we enkele kilometers verder in Calafell zelf, alwaar we vijf dagen eten, drinken, wandelen, genieten, uitblazen en ook een heel kleine beetje lezen (De gazet The Times ontdekt. Grappig hoor: Once, only a waiter could stand between a Frenchman and his lunch.) Dus: een bezienswaardigheid die het ook tot in de gidsen heeft geschopt? Niet gezien. Maar wel een deugddoende vakantie gehad.

Guy Bourgeois
0 1

de gestolde tranen van de uitgever

Ijdelheid, treurnis: wees gerust, in dit hoekje van de Standaard boekhandel had ik het rijk voor mezelf. 'Big data' spookte door mijn hoofd, en dus belandde ik bij de afdeling inwisselbare waren: communicatie, online media, management, marketing. Boeken die al gedateerd zijn bij verschijnen.  Bijsluiter-boeken over blogs, digital branding, sociale media. De bijsluiter als bijwerking. Gedrukte gedrochten, borrelende uitstulpingen van de online onderstroom. Papieren placebo's, daar waar zelfmedicatie onze enige hoop is. Willen die uitgevers nu echt per se failliet? En hoe zit dat met de papierindustrie? En geeft zo'n auteur dan zijn eigen boekje af als visitekaartje of zo? En de omloopsnelheid van boeken? Is dit het dan? Is dit het drama van het boekenvak, zijn dit de gestolde tranen van de uitgever? Moedeloosheid springt me naar de keel, als een uitgehongerde jakhals. Ach, big data, waar zitten jullie? Was 'Big data' eigenlijk wel de titel? In elke andere winkel had ik de kassierster, de schoonmaakploeg en de terloopse klant aan de tand gevoeld, maar hier neemt zo'n vraag al snel de allures aan van een rogatoir. Titel? Uitgever? Auteur? Publicatiedatum? ISBN? Waarom wil u dat boek? Waarom koopt u geen mooie verjaardagskaart, spannende zomerthriller of de nieuwste Jamie Oliver? En dus verliet ik mak en weemoedig (meewoedig) de winkel met Halfgod verzamelaar van Komrij, als een beteuterde wijnliefhebber die het alweer met een Chateau Pétrus 2005 moet doen. Een dag later is de wrok getemperd, de lucht opgeklaard. De kat vleit zich als een leeuw voor mijn aangezicht, de eksters kraaien. Berustend nestel ik me in de zomerse zetel. En ik lees Komrij's stuk uit 1987 over 'computerboeken': "De computer, die pretendeert paperassen overbodig te maken, heeft in werkelijkheid een heel nieuwe papierstroom op gang gebracht. (...) Door bedrukt papier laat men zich instrueren hoe men papier dat nog blanco is bedrukt krijgt. De computer hangt er wat onhandig tussenin." Computerboeken uit 1987 of sociale media-boeken uit 2013: "Waarom doet de computerwereld niet wat des computers is?" En alweer moet ik constateren dat de scherpe zienigheid van Komrij (doorzien is voorzien) nog altijd pertinent is. En dat ook wel nog enkele decennia zal blijven. Prachtboek.

Guy Bourgeois
12 0
Tip

DONDERSLAG

We zaten met z'n allen rond de keukentafel en plooiden gigantische tabaksbladeren open wiens bestemming het was dikke sigaren te worden. Ondertussen luisterden we naar 'Tineke met haar geheimzinnig dingetje' op radio Tornado. Tineke was de vrouw van Tony Lenko, en samen runden ze het radiostation waarvan de naam voluit 'Totale Ontspannings Radio Naast Alle Dagelijkse Onderrichtingen' betekende. In haar programma liet Tineke (toen ik haar voor het eerst in werkelijkheid zag was ik geschokt door haar omvang) een geluid horen waarvan de luisteraars de oorsprong moesten raden. Mijn broer veerde recht en vroeg moeder om te mogen bellen. Verrast keken we hem enkele seconden aan. Moeder verbrak de betovering. 'Allez!', zei ze, 'Voor één keer. Maar eerst je handen wassen!' De vochtig gehouden, bruin geworden tabaksbladeren scheiden een bruine smurrie af die eerst aan je vingers en daarna hardnekkig aan alles wat ze aanraakten bleef zitten. Mijn broer waste z'n handen, liep naar de telefoon en draaide het nummer dat tijdens het programma zo vaak herhaald werd dat we het jaren later nog van buiten kenden. 'Hallo', zei Tineke, 'met wie spreek ik?' 'Met Andy', zei mijn broer. 'Dag Andy' (nu liet Tineke een korte stilte vallen en probeerde de spanning op te bouwen) 'Weet jij misschien (stilte) naar welk geluid (stilte) wij luisteren?' 'Ja', zei Andy, 'dat is het geluid van een krakende balk'. 'Ai', zei Tineke terwijl er op de achtergrond een donderslag te horen was, 'jammer genoeg is het geen krakende balk Andy... Toch bedankt om mee te spelen en de volgende keer meer geluk!'. Ontgoocheld legde mijn broer de hoorn neer, en kwam weer bij ons aan tafel zitten. Stilzwijgend gingen we verder met het van elkaar losmaken en openvouwen van tabaksbladeren. Ondertussen luisterden we naar andere deelnemers aan het spel die zelfverzekerd klonken maar er uiteindelijk ook niet in slaagden het raadsel op te lossen. Tenslotte stond mijn broer opnieuw recht en keek moeder vragend aan. 'Allez', zei ze, 'maar eerst je handen wassen en 't is wel de laatste keer vandaag.'Hallo', zei Tineke, 'met wie spreek ik?' 'Met Andy', zei mijn broer. 'Ah Andy', zei Tineke, 'ga je het nog eens proberen?' 'Ja', zei Andy en vergaarde moed. 'Is het echt geen krakende balk?' Even bleef het stil, maar toen donderde het in de verte. 'Nee Andy', zei Tineke, het is helaas nog steeds geen krakende balk.' Verbluft staarden we met z'n allen naar Andy die met een ernstige frons inhaakte en toen opnieuw aan tafel kwam zitten. In gedachten verzonken luisterden we verder naar de andere deelnemers. Het regende donderslagen. Mijn broer mompelde iets. 'Wat?', vroeg mijn zus. Hij zweeg. 'Als je mokt, mag je nooit meer bellen', dreigde mijn moeder. 'Dat het toch een krakende balk is', siste Andy koppig.

Rino Feys
37 0

Prachtdier

1.   Moeizaam beklom Harald de heuvel, zijn heuvel. Hoe vaak had hij het parcours niet afgelegd met zijn vrouw? Eerst een pintje gaan drinken in De Sluwe Steenezel, voorbij de kleine velden, dwars door de duinen die steeds hoger leken te worden. Hij strompelde en voelde de toppen van het hoge gras onder zijn handen doorritselen. Zand kroop in open sandalen. De zee lag nu uitgestrekt achter hem, hij luisterde naar de zwakke golfslag in het donker. Boven op de heuvel schitterde eerbiedig de maan. Er lag een zekere spanning in het gezicht van de gepensioneerde boswachter. Hij voelde de stilte van de avond, de wind die fluisterde, ritselde, vermurwde. Een uil riep vanuit een lage boom. Gehinderd door het zand stapte hij verder.   Plots hoorde hij een gedempte knal. Hij keek om zich keek, indachtig waar het geluid vandaan was gekomen en snoof de geur op van de avondlucht. De duinen kwamen uit in een weggetje dat eindigde op een donkere plek. De plaats was vertrouwd, hier had hij vroeger vaak gespeeld, waar het pad smaller werd en er door de natuur gevormde putten lagen. Op de open plek zag Harald een geparkeerde auto staan, het portier was geopend en de koplichten brandden zodat het licht zich naar voren verspreidde, alsof daar enige actie waar te nemen viel. In het voertuig kon leven zitten. Zou mijn hond op de achterbank liggen, vroeg hij zich af. Even kreeg hij rillingen, de kille avondwind blies door zijn jas, de ondergrond was redelijk vochtig voor een lenteachtig jaargetijde.   Als een schichtig dier schatte hij de situatie in. Indien hier een onguur type rondliep dan zou deze wellicht voorzien zijn van een wapen. Stel je voor, dacht hij, je zit hier in het donker met een zaklamp en je wordt begluurd door moordenaarsogen, gefixeerd op een hakbijl. Gehurkt wachtte Harald af, een hardnekkige zandkorrel deed enkele voortanden knarsen. Na een volle minuut trok hij het met kloppend hart het portier helemaal open, gluurde naar binnen, het was leeg, de achterzetel ook. Hij gleed achter het stuur en plaatste zijn handen op het wiel. Aan de spiegel bungelde een leeuwenkop. Wellicht een soort van troostprijs geschoten met losse kogels. Op de voorste bank, naast de passagiersstoel lag een beer. Zijn gedachten gingen terug naar een lang verleden. Had hij niet ooit een gelijkaardige knuffelbeer gehad met identiek diezelfde zwarte ogen? Deze versie was alleszins toegetakeld, de oren hingen los aan het hoofd en een van de ogen bungelde aan een fijn zwart touwtje. De inspectie had weinig prijsgeven, er lag niets in de koffer en verdere aanwijzingen waren er niet. Harald besloot om zijn nieuwsgierigheid te laten varen en wandelde in Zuidelijke richting de duinen terug in. Plots hield hij halt, zag een flits en hoorde stemmen. Onbewust hield hij zijn adem in, je wist maar nooit. Voor zich ontwaarde hij twee schimmen. De gedaantes keken naar de grond. Snel verstopte Harald zich achter de duinen en gooide zich als een sluipschutter op de grond en kroop dichterbij. Een vrouw droeg een lange regenjas, een man een donkere parka met een kap.   ‘Wat denk je, is het diep genoeg?’ Hun stemmen klonken helder. ‘Nee, graaf nog wat, het is niet diep genoeg.’ De man schepte de aarde weg, de vrouw gaf instructies. Zand gleed met een zachte plof naast de put neer. ‘Geef die spade eens hier,’ zei de vrouw met een schorre stem, ‘je moet dit goed doen.’ Ze scheen wat gras weg te schrapen dat in de weg zat. ‘Hier, neem maar terug, ik ga een tak zoeken. Vanuit de schuilplaats zag Harald niet hoe diep de put was. Hoe lang waren ze al bezig? Hij kon niet langer blijven, Lutzie was weggelopen en hij diende zijn hond zo snel mogelijk te vinden want hij wilde naar huis. Hij memoriseerde de nummerplaat van het voertuig. Het zou van pas komen, als hij uitzocht van wie de rode auto was, dan zou er een stroper minder zijn, dan kreeg een crimineel een celstraf.   ‘Lutzie! Lutzie hier!’ De boswachter riep zijn hond vanuit de open plek. Hij zuchtte, het was niet de eerste keer dat hij de hond van de leiband had gedaan en het dier zich als een rat uit de voeten had gemaakt. Harald kende het domein heel goed, zijn oude werkterrein lag verderop, landinwaarts. Hij besloot zijn hond te zoeken. Even kwam er een glimlach om zijn mond, de put in de duinen deed hem denken aan een schat van gouden muntstukken, het onderwerp van een heel oude terugkerende droom. Toen hij terug beneden was, dacht hij na over wat hij net gezien had. Zou dit incident morgen in de krant staan, waar het ook over ging? Neen, dacht Harald, wellicht niet want er waren geen getuigen.   ‘Arm dier.’ De vrouw keek haar vriend hulpeloos aan. Beiden hadden gezien hoe de hond in elkaar stuikte na het geweerschot, op slag dood. Ze leken ontzet, zij omwille van de hond, hij omdat zijn vriendin zo bedroefd was. ‘Het is jouw schuld, jij wilde hier perse komen jagen, jij hebt ‘m in de rug geraakt.’ ‘Als het een konijn was geweest, dan was je blij geweest,’ verdedigde hij zich. Hij keek naar haar, knipte zijn zaklamp aan en zag hoe ze haar tranen wegveegde met de mouw van haar jas, de dode hond in haar armen. ‘Leg ‘m er maar in, ik denk dat we klaar zijn.’ Ze had nog even over het kopje geaaid en de lange oren aangeraakt, alvorens het zand over het zachte lichaam te strooien. In ieder geval paste het dier in de put, de witte pootjes verdwenen onder de zwarte vacht. ‘Het spijt me Inge, ik heb het niet zo bedoeld, ik wilde hier met jou gewoon wat komen jagen, een romantische strandwandeling maken, zeggen hoeveel ik van je hou.’ Ze weende nog luider nu en gaf aan dat ze naar huis wilde. De man met de parka knikte, ‘Ik dacht dat ik een haas had gezien maar daar was ik dus mis.’ Hij trok zijn schouders op en trok haar aan de arm mee. ‘We vergeten dit voorval, zijn zo thuis, grijp even het geweer, dan leg ik de spade terug in de koffer.’   Harald zocht verder, baande zich een weg over het natte strand. In elke hoek en laan zocht en floot hij. Geen loslopende hond te vinden, niet in de duinen en niet in het dorp. Hij moest opgeven en wandelde naar huis terug, bedroefd en vooral zwaar ontgoocheld omdat hij Lutzie niet had kunnen vinden. Die nacht bleef de mand van de hond leeg, de drinkbak hoefde hij voorlopig niet bij te vullen. Zijn hond was vol levenslust, trouw, prachtig met een vacht als een deken. Wanneer had hij zijn prachtdier voor het laatst geaaid? Gisteren? Tijdens de wandeling?   Hij had een schilderij gewild van zichzelf in groene boswachterkledij, hoed en al, met een vertrouwde hectare op de achtergrond en Lutzie zittend naast hem. Voor dit beeld was hij bereid veel geld te betalen. Hilda had het afgeraden. Nu had hij geen echtgenote meer, was zijn huisdier spoorloos. Harald voelde een vermoeidheid in zijn onderbenen en besloot wat te rusten op de sofa. De woonkamer was de plaats waar Lutzie veel tijd had doorgebracht, wakend, blaffend, Harald vol liefde aankijkend. Straks als het licht is, dan vind ik hem, besloot Harald voor hij zijn kleren uittrok en zich op de zetel uitstrekte. Morgen zal Lutzie wel opdagen, hij zal wel weer achter de wijfjes zitten.         2.   Op het terras zaten zes groepsleden van de vogelclub te wachten op een biertje. De zon scheen en een parasol bood schaduw aan het gezelschap. Af en toe als een wolk gepasseerd was, verwarmde de zon alles in de onmiddellijke nabijheid. Harald hield van zulke dagen, niet te warm en niet te koud maar met minstens een flauw zonnetje. Dat alles liever dan regen, een natte hond rook onfris en modderlaarzen moesten dan afgespoeld worden met water.   Een van de heren stond op om de bestelling door te geven aan de enige barman in café De Sluwe Steenezel. Het was nog maar een tweede bijeenkomst maar de groep vogelliefhebbers leek te groeien. Harald die de cursus een week eerder had gestart zat in de zon, zijn gebruinde huid leek bestand te zijn tegen elk soort van weer. In de ene hand had hij een muntstuk, in de andere een sigaret. ‘Deze heb ik in de duinen gevonden,’ zei Harald langs zijn neus weg en hij wreef nog eens over het ding alsof het magische krachten had. ‘Ik moet zeggen dat het een uniek exemplaar betreft, het is zeker nog van voor mijn tijd.’ Roger, een beer van een man met bruingele tanden die er de vorige keer ook bij was, keek geïnteresseerd naar de contouren. Hij legde zijn hand over het zilverkleurige muntstuk met de bijzondere gravering en voelde de vorm. Hij floot tussen zijn tanden door. ‘Dat is een mooie, waar heb je die gevonden?’ ‘Op de open plek in de duinen, ik was een wandeling aan het maken. Gisteren ben ik terug gegaan maar dan heb ik niets gevonden.’ ‘Had je de metaaldetector niet bij dan?,’ vroeg een man die een pet op had en Armand heette. De opmerking wees op simpelheid vermengd met een zekere onschuld.   ‘Inderdaad.’ Harald wilde niet toegeven dat hij laat op de avond nog door de duinen trok omwille van een slaapprobleem, zijn hond achterna. Het kustreglement kende hij. Soms nam hij zelf een risico, het muntstuk dat hij zopas had blootgelegd met zijn metaaldetector en alle andere die hij op het strand had gevonden diende hij af te staan aan een opzichter. De verzameling krabben en kreeftskeletten, waar hij niets mee deed, mocht hij waarschijnlijk bijhouden.   Hij trakteerde ieder lid van de club op een biertje. Terloops zei hij: ‘vandaag zijn er zes aanwezigen, vorige week waren het er maar vijf.’ ‘Weet je wie dat is?’ Harald wees naar de man in een donkere parka, ‘hoort hij ook bij de groep?’ De man die helemaal apart aan een tafeltje zat, scheen een nieuweling te zijn. Hij keek rond en zette een glas bier aan de lippen. Niemand scheen hem te kennen. Plots wist Harald wat hij al een tijdje vermoedde, dit was de man die de nacht ervoor op de heuvel had gestaan en de put had gedolven.    ‘Hebben jullie zin in een nachtelijke wandeling misschien?’ De groep reageerde alvast enthousiast, de samenkomst van gelijkgestemden was een uitstekend idee geweest, ze lachten en dronken, schoven hun stoelen dichter bij elkaar en keken verwonderd naar de verschillende uitgestalde schatten op de plastieken terrastafel, hun hoofden verhit door de eerste felle lentezon. De discussie ging verder over gevonden voorwerpen en vogels.   ‘Voor diegenen die willen meekomen, ik zie jullie dan graag terug vanavond om tien uur. We starten de wandeling hier aan café De Sluwe Steenezel. ‘Met deze metaaldetector kan je exotische muntstukken vinden, geld of zelfs sieraden. Deze mag je op het strand uittesten als je wil. En misschien horen we ook wel vogels hé.’   ‘Bedankt gids, uw uitleg over vogels was best interessant,’ zei de man met de donkere parka. ‘De naam is Omar. Mijn vriendin Inge heeft me ingeschreven in de club. Ik zou graag een buizerd zien.’ Harald keek even weg, staarde naar de grond, alsof hij naar een antwoord zocht. ‘Dan ben je op het goede adres Omar.’   De vogelclub stelde niet veel voor. Met de start van de lente waren er twee leden bijgekomen. Ze kwamen telkens samen op een zaterdagnamiddag. Voor Harald was het een unieke aangelegenheid om zijn passie voor vogels te delen met geïnteresseerden. Vroeger was hij als boswachter in dienst geweest in een bosrijk gedeelte van De Haan. Nu was hij aan het rentenieren en woonde hij aan de kust in een kleine eenvoudige villa. Het toezicht houden over grote domeinen lag hem het meest, vaak voelde hij zich als een koning van een uitgestrekt landgoed. Met de start van zijn pensioen was er nog weinig dat hij leuk vond. Ja vogels, munten, een Sudoku in de ochtend, koffie en later op de dag een fles wijn. Op de middag mocht Lutzie mee voor een strandwandeling. Soms deed hij die wandeling in de late avond over, hij hield van de stilte die de nacht met zich meebracht en het geruis van de golven. Zijn interesse in het bekijken van vogels door een verrekijker bleek een recentere hobby. Het combineerde goed met het vinden van metalen voorwerpen vond hij; als hij een rustpauze nam in de late namiddag op het strand en zich neerzette op een rots, dan nam de verrekijker het werk over.   De groep was vertrokken. Allen vogelliefhebbers. Een stevige nachtwandeling stond hen te wachten. In de velden zouden ze speuren naar vogelnesten, dan zouden ze het strand oplopen om ook daar broedplaatsen op te zoeken. De mannen hadden zich met zaklampen in de hand op het strand verzameld rond Harald, die enthousiast zijn uitleg begon.   ‘Ik ben gepensioneerd maar was vroeger boswachter van beroep. Als gepassioneerd strandjutter en wandelaar wilde ik niets liever dan aan zee wonen. Daarstraks heb ik het ook al gezegd, het doet me deugd dat jullie interesse hebben in vogels. In dit gebied is het fantastisch, er zijn buizerds, zeemeeuwen, noem maar op. We gaan zeker een paar mooie zien. Hebben jullie er aan gedacht om een verrekijker en een pillicht mee te brengen?’ De vraag was overbodig, hij werd bijna verblind door het felle zaklicht. De nieuwe had geen verrekijker, hij verontschuldigde zich beleefd.  ‘We splitsen ons, verkondigde Harald na een wandeling van een half uurtje, jullie drieën blijven op het strand, ikzelf Armand en Omar trekken de duinen in. Kwestie van de vogels niet op te schrikken. Ze beklommen de duinen, het was redelijk stijl. Harald leidde, de andere twee volgden. ‘Hier boven ken ik een broedplaats waar je buizerdeieren kan vinden. Hou je camera maar klaar Armand!’ Armand keek enthousiast naar de lucht, haalde de camera met flits uit het tasje en hield het ding paraat. Tot voorbij de open plek wandelden ze, dan een stukje de duinen in.   ‘Begin maar te graven Omar, hier is het.’ Omar keek bedenkelijk naar de gids. Hij moest het zich herinneren, het onbehagen van de vorige avond, de ongelukkige situatie, het voortdurend wenen van zijn vriendin, dan het zoeken als een gek naar een plaats om het dier te begraven.’ De geschokte stem van Inge: ‘we moeten snel een put graven, er ligt een spade in de koffer, haal die even.’ Hij had de spade aan haar gegeven en ze had de hond aangeraakt om te zien of die nog leefde, er hing bloed aan haar handen.   ‘Wat is er? Kan je niet graven, durf je niet?’ Harald had Omar herkend aan de donkere parka en had zich voorgenomen om de man te confronteren met de feiten. Hij groef zelf wat aarde weg. ‘Kijk, en als je nog wat dieper gaat, dan zal je hier eieren vinden.’ Omar stond recht en deinsde achteruit, en staarde perplex naar de grond. Een grote tak had bovenaan gelegen als een soort van herkenningssymbool. Hij besefte dat er iets niet in de haak was en begon te zweten. Als een bezetene groeven Harald en Armand het zand weg. Maak hier een foto van Armand. De camera flitste meermaals. Dan zag de boswachter de zwarte hond in de put liggen.   Harald schudde zijn hoofd, ‘jij gangster’. Omar zette het op een lopen, liep zo hard hij kon over het oneffen pad. De boswachter ging er achter aan. In het donker was het moeilijk om de jongere Omar bij te houden. Hij versnelde zijn pas en ademde door zijn neusgaten als een briesende os. ‘Omar!’ De diepe put had hij niet gezien. Auuw! De boswachter moest op adem komen en de opkomende pijn in zijn been en enkel verbijten. Hij was in de put gesukkeld. Hij knipte zijn zaklamp aan om de juiste locatie te kennen, maar na enkele seconden ging het licht uit. ‘Verdomd nog aan toe’, riep Harald uit. De batterij was uitgevallen.     Armand de fotograaf had de vogelgids en de nieuwe zien weglopen. Uiteindelijk stond hij op, hij had de hond geaaid, zijn analoge camera nog steeds in de hand. De zwart-wit foto’s konden wel eens heel goed gelukt zijn. De staart was als een vossestaart, de vacht was zwart. Het lichaam voelde koud aan. Hij wist niet wat er zich de vorige avond had afgespeeld en keek een laatste keer bedenkelijk in de put. Hij besloot om terug naar het strand te gaan om zich bij de rest van de groep te voegen, misschien hadden ze intussen al een fortuin vergaard.    Op het strand verzamelden de mannen zich. ‘Hebben jullie vogelnesten gezien, iets gevonden?’ Roger maakte zijn zakken leeg, een paar kopertjes en een metalen knop. Hij had de hele avond bier gedronken, was met de anderen meegegaan naar het strand en had daar een hele poos op een stenen pier gezeten. ‘Ik heb de vogelgids amper gezien!’ Hij was door zijn biervoorraad heen en wilde actie en aandacht van de anderen. ‘Het was te donker,’ zei Armand vastberaden, ‘en daarbij, we hebben de vogels weggejaagd.’  ‘Welke vogels?,’ herhaalde de breedgeschouderde Roger, ‘ben jij simpel of zo? Wel, in ieder geval heeft de gids ons goed beetgenomen, waar is hij trouwens? ‘Wie? Harald, antwoordde Armand, ‘die stond daarstraks nog in de duinen, had een discussie met de nieuwe.’ ‘Kom, we gaan terug naar het clubhuis. Ik heb zin in een biertje.’ De bende volgde. Ze trokken naar De Sluwe Steenezel. Het café dat vooral als clubhuis dienst deed, stond eenzaam en verlaten een driehonderd tal meter verwijderd van de voet van de duinen. Met hoog tij moest de eigenaar altijd opletten en voorzorgsmaatregelen nemen, hij wilde zijn zaak niet zien wegdrijven. ‘De vogelclub, mijn botten,’ zei Roger kwaad. Hij gluurde naar binnen door het raam, alles was donker. De anderen zetten ook hun handen op de ramen maar konden maar weinig onderscheiden. ‘Hier is hij niet.’ ‘Het lidgeld hebben we betaald, maar die Harald is een schurk. Geef die gelddetector eens hier. Schijn eens met een pillamp Armand.’ Roger knalde de metaaldetector tegen het raam, het geluid verstomde iedereen. ‘Wat doe je’, schreeuwde Armand, man je bent dronken.’ Opnieuw tilde hij met al zijn kracht het voorwerp op tot over zijn schouder, liet het dan met een slag vallen. Het dunne glas van het zijraam viel aan diggelen. Scherven kletterden op de grond. De mannen keken geschokt naar het gebeuren. Dit was het eerste moment van actie dat ze die avond ervaren hadden en het smaakte naar meer.    ‘Hoera, schreeuwde Roger luid, de bar is terug open!’   Hij trok de grootste stukken glas wat weg, wurmde zich door het gat en stond binnen. Daarna knipte hij het licht aan en deed de deur open voor de anderen. ‘Omdat jullie een speciale behandeling nodig hebben,’ declameerde hij, de bruingele tanden aanrakend. De ruimte rook naar gedroogd zeewier. Op het midden van een van de tafels stond een grote zeeschelp met verse bloemen. Roger legde het sierstuk aan zijn oren, maakte een danspasje en deed alsof hij een telefoon in zijn hand hield. ‘Hallo?’ De bloemen leken uit zijn oren te komen. Een luid gebrul kwam uit de richting van de bar, waar de mannen zich hadden verzameld, een fles Whiskey hadden opengemaakt en deze in grote glazen uitschonken. ‘Ik hoor enkel vogels,’ zei Roger, die de schelp aan zijn oor hield. Tegen de muur hing een groot net met vormen van zeeleven in verstrikt. Met een vol glas Whiskey in de hand strompelde de reus als een dronkaard de kamer rond en bekeek aandachtig de ornamenten, prenten van zeevogels en de ingelijste teksten op de muur.  Een groot bord blokletterde: het is verboden om op het strand te voldoen aan natuurlijke behoeften - volgens het kustreglement moeten honden te allen tijde aan de leiband gehouden worden - strandjutten is verboden. Hij las de tekst voor op een weinig samenhangende manier.   ‘Ni…mand mag de behoefte doen … zonder leiband. Jutten is ... Geen kat die luisterde.      3.   Hoe lang Harald in de put had gezeten met enkel het maanlicht als gezelschap wist hij niet. Zijn enkel deed pijn en zijn been was lichtjes geblesseerd. Het had hem veel moeite gekost om op eigen kracht uit het gat te komen, en thuis te geraken.   Het plan om de hond te verplaatsen was zoals Harald het achteraf gezegd zou hebben: ‘omdat het moest’. Wie weet lag het graf misschien nog open. Roofvogels konden elk ogenblik toeslaan. Harald, wachtte tot het nacht was, als wijze van ritueel, trok rubberlaarzen aan en stopte een witte plastieken zak in zijn jaszak. Over de verwondingen aan zijn benen had hij pleisters geplakt. De dure metaaldetector, die hij had opgepikt in het clubhuis, sleurde hij mee tot op de open plek. In de club had hij de avond ervoor de dronken bende aangetroffen en naar huis gestuurd. Mijn prachtdier. Aan iets anders kon hij nu niet denken. De heuvels leken lager, de zee woester en vol groene energie. Bovenop de heuvel kon hij zijn tranen niet meer bedwingen. Het natuurgebied was indrukwekkend maar s’nachts werd het griezelig. Nochtans hadden hij en zijn hond er fijne momenten beleefd. Drie jaar lang had hij de verzorgende taak op zich genomen van aaien, wandelen, het geduld opbrengen bij elke besproeide boom. Zijn vrouw Hilda was er niet meer en de schok die hij nu voelde kwam harder aan dan zou hij nog lief en leed met haar gedeeld hebben.   Na een minimum van tijd vond hij de plaats. Harald kon een hoopje zand waarnemen, de stok die het kruis voorstelde lag er nog. Armand, onze fotograaf zal hier voor gezorgd hebben, die man verdiend een inlijsting van goud, dacht Harald, die het graf grondig bestudeerde. Met de metaaldetector verkende hij het terrein. Geen piep te horen. Met vlakke hand schepte hij de eerste laag zand weg, een verharde vochtigere laag lag bloot. Hij groef verder tot hij iets zachts voelde. Oren? Een rechter of linkerpoot? Het bleek de nek te zijn, een delicate plaats waar de halsband met metalen penning had gezeten met de naam op gegraveerd; deze was echter weg. De zak trok hij uit zijn jaszak en hij scheurde ze open om de hond in te wikkelen. Lutzie leek lichter nu. Hij keek naar de grond en zag de lange oren, de poten met nagels die soms tegen hem opsprongen, die lange staart die kwispelde bij momenten van blijdschap.   Met de hond voorzichtig gewikkeld in plastiek en de detector over zijn schouder repte Harald zich over de duinen en via het strand terug naar huis. De blik op de zak maakte hem droevig. Eens terug in de villa wist hij wat hem te doen stond. Zijn hond een degelijke begrafenis geven en er zich zoveel mogelijk doorslaan. Een prachtdier verliezen was niet niks, anders dan een bos sleutels kwijtspelen of een hersenbloeding doorstaan. Het gemis was groter, er kwam niets in de plaats, enkel een vorm van leegte, alsof een deel uit je leven was weggeknipt.   In de achtertuin pronkte het graf. Een mooie steen met de letters ‘Lutzie’ op, geschilderd in zwarte inkt. Over de steen, omcirkeld met schelpen hing een tak van een kerselaar, die bewoog door de wind. Vanuit het raam bekeek Harald het resultaat. Naast hem lag een collectie van muntstukken die hij over de jaren had verzameld, sommigen illegaal gevonden aan de kust. Minuscule, grote, hoekige maar de meesten waren koperachtig klein. De hondenmand stond voor de schouw. Hij koos een zilvergekleurd muntstuk uit en mikte het in de mand. ‘Omar, zo heet jouw moordenaar.’ Hij gooide er nog een, het landde tegen de zijkant op het kussen. ‘Ik zou hem iets kunnen aandoen.’   Het lijden van de gepensioneerde boswachter was een stil en introvert lijden. Op slechte dagen deed hij de waterbak vol, ging bij het graf zitten, telde de schelpen en neuriede een liedje. De bloesem van de kerselaar in de achtertuin verdween geleidelijk aan en met het wegvliegen van de roze bloemblaadjes sloot zich een hoofdstuk af. Eens het verdriet en de tranen wegebden, kwam woede. Een orkaan van dansende gedachten, sommige heel negatief, overspoelde het hoofd van Harald. En dan viel het gordijn terug dicht. Als hij in de late avond in de tuin van de erkende moordenaar had gestaan, voelde hij zich klaar om een dutje te doen en alles weer voor een paar uurtjes achter zich te zetten. Soms leek het een vorm van mediteren, even hulpeloos en weerloos een tuin betreden in een droom en vanachter een boom minutenlang staan gluren om een licht te zien in de duisternis, het hoofd van Omar om zijn geweer op te richten. Een zoete vorm van wraak. Hij moest geduld hebben en geduld had hij.   De volgende dag was hij nog steeds rusteloos, stak eerst een sigaret op en belde dan hij naar zijn moeder om het droevige nieuws te melden. In het bos had hij in zijn carrière ook wel wat meegemaakt.   ‘Die jager bijvoorbeeld, moeder, die hij een jaar geleden had betrapt met een grote rugzak met het karkas van een ree in! Die poten, luister nu eens, waren van dat lichaam gesneden en de buikholte leeggemaakt. Ik heb er persoonlijk op toe gezien dat de man werd beboet voor stropen en sluikstorten. Ja moeder, maar een hond doden? De duinen ingaan om er een hond om te brengen, daar kan ik niet bij. Zo een man moet gek zijn. Omar, ja … zo zou hij heten, wie hij is? Juist en wat zou deze lafaard willen van het leven, van een ander, een troosteloos type als ik? Hij heeft een vriendin, dat heb ik zelfs niet. Hilda heeft mij verlaten. Ze noemde mijne hond altijd ‘het manneke’. Laat het mannetje maar tussen ons in liggen zei ze vaak. Dat heeft niets met die hond te maken ma. Mijn vrouw wilde altijd bovenop liggen als we vreeën en dat was … zwaar. Ik heb haar gezegd, Hilda, ik wil ook wel eens de leider zijn in de slaapkamer, ik heb dat nodig.’ Dan volgde een klik. Het contact was verbroken.   Uit noodzaak trok hij naar de markt voor boodschappen en bij thuiskomst vulde hij een sudoku in. Het gevoel van eenzaamheid bekroop hem. Zijn compagnon Lutzie kon door geen één ander dier vervangen worden, niet door een vis of konijn, een cavia of een babyegel. Nu het onrecht was geschied zou hij fakkeldrager worden, als boegbeeld door het leven gaan, actief in het inperken van malicieuze praktijken. Een boswachter als voorvechter van de rechtvaardigheid, bijgestaan door engelen. Het herbeleven van het moment op de heuvel, het geweerschot, de rode geoxideerde lucht van het kwaad proevende. Al dit moest hij bannen uit zijn gedachten. Was dit zijn realiteit geworden?   Na een lange eenzame middag besloot hij het adres van de imbeciele jager op te zoeken. Dat was gemakkelijk gevonden, aangezien zijn vriendin het had ingevuld op het inschrijvingsformulier van de cursus. Hij woonde in het dorp in de Fazantenlaan 18. In de late namiddag nam hij er een kijkje, aardige maar kleine huizen in een recent gerenoveerde straat, allen bewerkt met een zelfde blokschaaf over het dak, speeltuin op het einde, een krantenwinkel tussenin. Nummer 18 stond er verlaten bij. De rolluiken op de bovenste verdieping waren neergelaten, het huisnummer trok schuin als een deltavlieger. De boswachter keek om zich heen, de buurt zag er niet uit als een oord van criminaliteit, het huis had niets ongewoons, hoe teleurstellend. Op de bel stond: bij Omar & Inge. Hij was niet de anonymus die hij dacht dat hij zou zijn, een type man met windjak en capuchon, onvindbaar op de wereld, bezig een nieuw complot te beramen met hoop op een bloeduitstorting en de dood tot gevolg.   De nacht zuiverde de lucht en bracht nieuwe energie. Harald die de slaap niet kon vatten stond op, liep tot bij het raam waar hij wezenloos uit ging staren. Hoe kon de man met de parka weten wat een prachtdier Lutzie was. Omar, een amateurjager wist niets. Zijn broek en trui hingen over een stoel en hij trok deze terug aan en zocht een wapen uit. De emotionele impact van de gebeurtenis kon hij nu niet meer van zich afschudden. Wraak en gerechtigheid liepen samen als druppels zweet zijn rug af. Hij liep het blokje om en eindigde bij de woning met de voortuin. De brievenbus intrigeerde hem, het verplaatsen van kabouters en het verder scheeftrekken van het huisnummer. Vanachter een boom viseerde hij ramen en gordijnen op zoek naar de verschijning van Omar. Een afrekeningplan smeulde in zijn hoofd. Als hij nu buitenkomt, dacht hij dan, dan heb ik hem waar ik hem het meest wil raken. Wat hij mijn hond heeft aangedaan, krijgt hij van mij cadeau, een schot in de rug. Na een half uur keerde hij dan naar huis terug, de wrokgevoelens opnieuw aangewakkerd. Die nacht sliep Harald terug in de slaapkamer. Rond middernacht was hij de living in gelopen en had hij gezegd: Hey Hilda, waar ligt mijn wapen?’ Deze woorden had hij gesproken tot het kussen, dat in de woonkamer op de zetel lag. Het was maar een droom geweest, over zijn wapen dat zoek was en uiteindelijk in de toiletzak van Hilda stak. In de ochtend keek hij in de badkamer. Een toiletzak lag op een laag kastje. Hij ritste het behoedzaam open. De inhoud bestond uit een scheermesje, een nagelschaar, talcum poeder en een fles amandelolie. De olie gebruikte hij meestal om de oren van Lutzie proper te maken.   De laatste dag van de week stond hij er weer, met trillende lippen, waakzaam om zich heen kijkend. De bosjes waar hij zich achter kon verschuilen waren aan de lage kant. Zijn spieren waren minder soepel nu, gezien zijn leeftijd en enige tijd gehurkt zitten kon vermoeiend zijn. De enige boom in de voortuin was niet dik genoeg. Een berk met een schurftachtige schors. Harald had zich al een paar dagen niet geschoren, zijn lippen waren droog en hij prevelde een paar woorden: ‘De dagen er rond stonden ver van mijn herinneringen, maar de dagen zelf stonden in mijn gedachten gegrift als in steen.’ Zijn ogen lagen diep in grijzige oogkassen; een gebrek aan slaap en talrijke piekermomenten waren de oorzaak. De tuin was slecht onderhouden vond hij, bloemen had Omar niet, hoog gras en wat versieringen, beeldjes en een kiezelpad dat leidde naar de donkergroene voordeur. Een zuchtje wind deed hem opkijken, daarna fixeerde hij zijn vermoeide ogen terug op de gordijnen. Hij krabte in zijn nek, hij had zich al een paar dagen niet gewassen en zijn huid was ruw en jeukte.     De lente was officieel en voelbaar, zelfs de avonden werden warmer. Inge zat in de woonkamer, op haar schoot een breiwerkje en de afstandsbediening. Een half natte Omar wandelde de kamer binnen met enkel een handoek om zijn middel. Ze keek zijn richting uit, en zei, ‘denk je dat het goed weer gaat worden?’ Hij trok het gordijn verder open en keek naar de lucht. Net op dat moment wandelde Harald de tuin in, na een korte aarzeling hield de boswachter halt voor een grote rododendronstruik, zijn hand ruste op zijn wapen. Het gordijn op de benedenverdieping bewoog en het hoofd van Omar was tevoorschijn gekomen. Een kogel werd afgevuurd.   ‘Deksels, weer een inbreker.’   Harald zeeg neer, de kogel van het jachtgeweer van Omar had hem getroffen in het hoofd. Inge gilde, de stem van de televisiepresentator gaf aan dat de herhaling van het avondnieuws ging beginnen. Omar vuurde nogmaals met het jachtgeweer dat hij steeds bij het raam achter de zetel verborg. De kogel ketste af tegen een boom. Onder de boom lag Harald. Dood. Vanuit het raam was een schril gefluit hoorbaar, het geluid van een buizerd dat Omar voortreffelijk nabootste.      

Polly Heyrman
19 0

Niets zo zoet als zonde

Ergens in het Oosten, daar waar ’s werelds vier meest gracieuze rivieren in de grond ontsprongen en zich rondom het land van goud kronkelden, bevond zich het aards paradijs. De afgebakende speeltuin van God, waarin Hij zijn mooiste scheppingen verzamelde en ze uit trots en zelfvoldaanheid omringde met alles wat zoet en zacht was.Zijn ware pronkstuk was ongetwijfeld het wezen dat hij Adam had genoemd. Het liep op twee gespierde poten en droeg daarmee een lijf rond dat uit dooraderd marmer leek gehouwen, zoveel massieve kracht leek er vanaf te vonken. Met zijn armen, handen en kneukels kon hij eender wat versleuren, verscheuren en verslaan. Hoewel dat natuurlijk niet hoefde in dit land van peis, vree en overvloed, toch vervulden Adams spierbundels zelfs zijn meester van een zeker ontzag. Onder zijn krullende gouden lokken, waar God maar wat graag de zon door liet wiegen, bevonden zich de diepst blauwe ogen, de fijnst gebeitelde neus en de subtielste lippen ooit door de Schepper geknutseld. Tussen zijn benen tenslotte had God nog een vlezige tentakel gehangen. Waarvoor wist hij nog niet precies, maar zonder leek er wat te ontbreken.Toen hij zijn Adam voor het eerst in het Hof zag ronddwalen, en de verwondering voor alles wat hem omringde zag in zijn gelaat, overviel God een gevoel van ontroering. Hij was nagenoeg perfect. Hoe kon het ook anders, dacht Hij; een zelfportret met zoveel toewijding gemaakt kon niet anders dan beroeren. Maar hoe meer hij naar zijn evenbeeld keek, hoe meer hij dacht Adam wat verschuldigd te zijn. Iets waardoor hij zich minder eenzaam zou voelen, misschien?Wanneer Adam die avond eindelijk de slaap had kunnen vatten nadat het duister over de paradijselijke tuin was gevallen, ging God aan het werk in zijn hemels atelier. Hij bouwde tot de ochtend aan een nieuw model. Voluptueuzer, minder krachtig en niet erg snel, maar complexer qua bezieling, opdat het Adam tot het einde der tijden zou kunnen intrigeren. Hij heette haar Eva, liet haar samen met de ochtendnevel tot de aarde zakken en beval haar Adam te wekken. Eva deed wat haar meester haar had gezegd en wekte Adam met een kus op zijn slaap. Hij opende zijn ogen en na enkele tellen het nieuwe wezen dat zoveel op hem leek te hebben geobserveerd, verscheen om zijn mond een speelse glimlach. Onmiddellijk nam Adam haar bij de pols en leidde haar rond in het door de ochtendzon roodverlichte paradijs waar zij samen de eeuwigheid zouden gaan doorbrengen. God zag dit alles, en bij het gadeslaan van de lach om Adams mond, sloeg zijn ontroering abrupt om in afgunst. Adam leek geen oog meer voor Hem te hebben. Was hij dan vergeten wie hem uit niets anders dan stof had gecreëerd en hem het leven had ingefluisterd? Hoe langer hij naar de twee keek, die nu al elkaars hand vasthielden, hoe wanhopiger Hij werd. Er moest iets gebeuren en daarom wendde God zich tot een slang, en kneedde zijn ingehouden woede in haar glibberig lijf. Wanneer later die dag Adam voldaan lag te slapen op het mos, kwam de slang tot bij de naïeve Eva gekronkeld en zei haar dat ze een appel van de boom der kennis moest proberen, want zoiets zoets had ze vast nog nooit geproefd. Eva plukte de vrucht, en nam een stevige beet. Een straaltje goudkleurig sap liep langs haar mondhoek tot in haar hals. Eerst leek het hemels, doch wanneer ze haar rijkelijke hap had doorgeslikt, overviel haar een gevoel dat haar tot dan toe vreemd was geweest. Ze greep naar de welvingen op haar bovenlichaam en haar andere hand hield ze voor haar schoot. Schaamte. Nog voor ze goed en wel besefte wat er gebeurd was, kreunden de wolken boven haar. Een aanhoudende schaterlach trilde door de lucht. Paniekerig richtte ze haar blik ten hemel en zag in een oogwenk het lachende, doch met tranen bezaaide gezicht van God. Door het gouden sap der kennis dat nu haar hele lijf was binnengesijpeld, vertelde haar geest in heldere bewoordingen waarom God haar had willen straffen. Ze doorzag zijn jaloezie.Eva twijfelde niet. Ze raapte de appel van de grond en rende ermee naar de plaats waar Adam lag te dutten. Ze perste de vrucht boven zijn mond uit en het sap en vruchtvlees gleden zo zijn keel binnen. God had het allemaal haarscherp zien gebeuren, maar was te verlamd van verbazing om tijdig te kunnen ingrijpen. Adam werd wakker. Ook hij leek zich onmiddellijk te gaan schamen wanneer hij zich opnieuw gewaar werd van het ding dat tussen zijn benen bengelde en bedekte het met beide handpalmen. God schreeuwde van woede en frustratie. Het mooiste wat hij ooit had gemaakt was bevuild geweest met kennis. Hoe kon een inferieur wezen hem zo vernederen? Hij weende onophoudelijk. Drie dagen lang. En al die tijd stonden Adam en Eva zwijgend tegen elkaar geschurkt in de gietende regen. Uiteindelijk beval hij al zijn engelen hun wapens te trekken en de twee uit zijn paradijs te verdrijven. Als opgejaagd wild werden de eerste mensen tot de rand van Eden gedreven en vlak vooraleer de poort achter hun rug werd toegeslaan krijste God hen met hese stem nog na dat zij voortaan niet meer het eeuwige leven zouden kennen en dat zij altijd enorme pijnen zou moeten doorstaan bij de geboorte van hun nakomelingen. En na de zondeval? Wel, de mens sloeg zich door de millennia heen en God bleef immer een verbitterd man.

Jins Von Stroheim
0 1

De wereld door de ogen van een missomaan

Vanwege Bert Panda, Ik ben zelf missomaan geweest, Iemand die een biezondere bewondering heeft voor missen , een verslaving voor missen, fotomodellen en missverkiezigen; Missen en fotomodellen zijn beroemde mensen boven de gewone mensen, superieur, enz;  Tevens was (is) deze periode het zeker ook een fantastische beleving niet alleen van meisjes maar ook van decors, choreografieën, en dictie-voordrachten, alles tesamen een zeer sfeervolle beleving. Deze beleving deed me echt de ogen openen, steeds verslavingwekkend , een missverkiezing kan, kon, nooit lang genoeg duren voor een missomaan;  Juist zoals een zéér groot vuur nooit lang genoeg kan branden voor een pyromaan.    De wereld door de ogen van een missomaan, moet inderdaad als boek nog verder geschreven worden; Toch heb ik reeds een echt script neergeschreven en ook afgegeven aan uitgeverijen, die natuurlijk een volledig script willen. Het omvat een boek waarin ik mijn minderwaardigheid voor vooral wiskunde-intelligentie-deficiëntie en andere minderwaardigheden catapulteer in de adoratie voor missen. Mogelijk heeft dit iets te maken met mijn minderwaardigheidscomplex in het falen voor wiskunde integralen terwijl vader hoogleraar wiskunde is;  Maar door sterke persoonlijke problemen, is het boek-schrijven gestaakt; nog. Het boek bevat zeker mijn adoratie voor die meerderwaardige meisjes die zoals ik ze beleef onschendbaar zijn, altijd perfect zijn en niet ziek kunnen worden, over een miss waar ook niets slecht over te vertellen valt door mij,  GODDELIJK. Mijn sexuele gevoelens stijgen naarmate de beroemdheid van een miss, de beroemdheid van een fotomodel of een wereldberoemde vrouw. Dit wordt zeker uitvoerig beschreven. Ook de bewondering voor missmakers vb Ignace Crombé waarvan ik eigenlijk schrik heb van adoratie, bewondering.  Ik heb het echte script hier niet bij me ;  Maar deze tekst kan nog bewerkt of toegevoegd worden met allerlei scriptie-gegevens.  Verdere contactgegevens  Bert Panda-Procter   Postbus 1.006  B 3000 Leuven-Philipssite  België    Tel België  0471/69.99.24  Tel Nederland buitenland exterior countries    0032/471/69.99.24  e-mail   bertpanda@hotmail.com      

bertpanda
350 0

Le bonheur

Een schichtige oorworm sprint weg onder een afgestorven blad en zoekt dekking voor de voeten van horden wandelaars. Krakende takken, kinderkreten in de verte, de zoete geur van vergankelijkheid. Door de kalende kruinen straalt beneveld licht. Rubberlaarzen, maat 43 soppen aarzelend door een vette modderplas. Een eenzame kraai krast om gezelschap. Er hangt herfst in de lucht.   Aan de rand van het bos staat een petieterig pannenkoekenhuisje met een terras in een gouden gloed, Le Bonheur , waar bergen pannenkoeken en ijs en kannen koffie en thee worden aangehold. Opgetutte dames en heren in rijlaarzen en donsjasjes, met of zonder kroost, wachten ongedurig op een plaatsje in de laatste zon. O wee hij die zijn vork durft neer te leggen of zijn lege koffiekop durft terug te zetten: het is het startschot van een race naar de vrijkomende tafeltjes. Een wachtend stel ruziet over wat het beste plekje is. Een luxeprobleem dat echter snel opgelost wordt door de veroveringsdrang van een bejaarde dame in tweed mantelpak. Wanneer ze zonder scrupules haar welvarende derrière laat zakken in het krappe rotanzeteltje, moet het koppel genoegen nemen met het tafeltje naast een jolig gezin. De man bijt zijn vrouw toe dat het haar schuld is. Zij zwijgt nederig. Hij zwijgt. Ze kijken beide naar alles behalve elkaar. Tot de koffie deluxe wordt geserveerd: twee reuzekoppen met dampende koffie en verwenborden met koekjes, cake, smeuïge chocomousse en een vingerhoed advocaat. Hij kijkt haar vragend aan. Zij weet dat hij liever dit koekje lust en zij liever dat. Met vergevende ogen worden de koekjes geruild. Zo gaat dat met getrouwde stellen. Naast hen een plaatselijke hoos van omgegooide glazen, besmeurde truitjes, zeteltrampoline en onvolgroeid gekrijs. Moeder en vader trachtten tevergeefs hun kroost in bedwang te krijgen. Zwichtend zwaaien ze met de dessertkaart. Als ze niet stil te krijgen zijn met een dozijn vermaningen, dan toch met een volle mond. Wat verder zitten twee vriendinnen, met de zeteltjes gedraaid richting zon, hoofd in de nek, wat bij te bruinen na een reeds overduidelijk teveel aan zonnebank. Hun gemanicuurde handen hangen lui doch elegant over de armleuningen. De Irisch coffees reeds meermaals geledigd en weer bijgevuld. Ze beamen elkaars beklag over hun mannen die op kantoor wonen.   Het is, geheel in ere van het scheppingsverhaal, een vredig zondagnamiddagtafereel dat plots verstoord wordt door geroep en gevloek binnen aan de toog. Het hele terras draait het hoofd, zelfs de bruinende vrouwen die nu met scheefgetrokken mond naar binnen turen. Een vrouw en een jongetje, eerder in vodden dan kleren, ongewassen haar dat weerbarstig rechtop staat, vuile handen en gezicht die met water noch zeep proper te krijgen zijn, benen de tearoom uit. Ze worden achterna gezeten door de bazin die met zwierende armen en rood aangelopen gezicht hen verplicht onmiddellijk de zaak te verlaten. Weliswaar in minder fraaie woorden. Ondertussen verspreidt het nieuws zich over het terras als een onaangename zweetgeur in een kleine ruimte: het jong heeft binnen tegen de toog geplast!   Het gezapig gekakel verandert in een dof gemor terwijl de pannenkoeken en de ijsjes en de koffie en de thee blijven komen. Wat een schande! Dat is toch ongehoord! Geen manieren! Het kind wordt door zijn moeder bij de arm voortgesleurd, weg van het terras. Hij kijkt nog even achterom. Zijn grote, trieste ogen en hongerige mondje staren verlangend naar al het lekkers dat onophoudelijk wordt aangevoerd vanuit de keuken maar waarvan hij alleen maar kan dromen op een lege maag. Hij trekt met zijn vrije hand zijn veel te grote broek op die al tot halverwege zijn billen is gezakt en sloft op zijn gescheurde schoenen zijn moeder achterna.   Eén man op het terras staat verontwaardigd op en gooit gepast geld op tafel: “Als je hier al niet meer tegen de toog mag plassen, ben ik ook weg”.

Lilianne Michel
0 0

De Passie van het verzamelen.

Ik kan tegenwoordig mezelf niet genoeg uiten van mijn duizenden tot honderdduizenden, hoe rijk ik eigenlijk wel ben, met al dat verzamelwerk van media-materiaal. :) xd :$En alhoewel het einde nog lang niet in zicht blijkt te zijn daarvan, koester ik of anders gezegd heb ik altijd een boontje voor al wat nostalgie is, wat zich vooral situeert in de jaren '80 en '90. Ik ben er zelfs vrij zeker van dat moest ik in een ander generatie geboren zijn, dat dit zeker ook het geval zou geweest zijn!Want ik ben iemand die zich niet laat beïnvloeden door keuzes van programma's en muziekstijlen van zenders, terwijl de rest van de jeugd van tegenwoordig precies niet anders doet tegenwoordig! Terwijl als je geen meeloper bent met de nieuwste trends, je buiten het uitgesloten gevoel, je ook wel steeds een euforisch gevoel met je krijgt van vrijheid. Alsof je bij een aparte groep hoort die weet wat dit tenminste echt is allemaal! prod Dus wanneer men zich verzet tegen de mainstream, en dus uit eigen keuze totaal niet graag naar Lady Gaga luistert, en er dus ook totaal niet naar luistert, realiseert men zich de gemanipuleerde kracht die de media uit oefent op andere mensen! Maar stel je voor dat alles wat underground is ( waarvan ik dus wel erg veel graag van hoor ), met veel inspanning eens mainstream zou worden? In wat en waar zou die ultieme euforie van vrijheid zich dan uiten?? Maar volgens andere kenners maakt net dit, het gekoesterde werk kapot. Omdat commercialisering van producten, blijkbaar steeds leid tot het uitbuiten van het product... Kijk maar naar bv. New Beat! Hierop zeg ik zelf "Maar waarom?!"Waarom hoeft het zo te zijn (gebeurd)? Terwijl ik zelf toch ook een deel van die commerciëele dingen ( ten zeerste ) waardeer!!! Ja het is ook niet zo dat alles wat commerciëel word, rotzooi is of zal zijn hé, en dat weet iedere mediakenner in hart en nieren toch ook wel ergens, als hij/zij diep in zichzelf kijkt! Even terugkeren naar waar 'ten zeerste' tussen haakjes staat.... Dit is omwille van het ene vergeleken met het andere, uiteraard afhankelijk van de echte kwaliteit, meer of minder gewardeerd wordt dan het andere door de kenners. Pure Nostalgie!!

RaverMike
0 0

Koningskind (deel 1)

De slanke, bleke vingers van de magistraat tikten zenuwachtig op de houten balustrade. De oude man staarde voor zich uit, zijn blik ging over het grijzige landschap, maar zijn gedachten waren elders. Hij was zeer ontevreden over een reeks recente gebeurtenissen.  Snelle passen weerklonken in de rustieke gang, een man uitgerust in harnas spoedde zich naar de magistraat toe. De magistraat keurde de man geen blik waardig.“Een zoon”, hijgde hij. “De koning heeft een zoon!”Pas nu keek de magistraat op. De koning heeft een zoon, natuurlijk. De informatie die een week geleden nog zo belangrijk geweest zou zijn, drong langzaam tot hem door.“De koning…”, mompelde hij voor zich uit, waarna hij zuchtte. Het enige pluspunt in zijn ogen in het hele gebeuren was dat die oude dwaas van een koning er het leven had bij gelaten.“Het wordt tijd dat we het kind van de rebellenleider teruggeven aan de rebellen.” De man, die inmiddels weer op adem was gekomen, keek verbaasd op.“U wilt haar teruggeven?” Het was enkel door zijn verbazing dat de man de vraag luidop had uitgesproken, enkel hoge lieden waagden het de magistraat directe vragen te stellen.De magistraat draaide zich weer naar het landschap toe en glimlachte voor zich uit. Als hij de dingen wat goed plande, hoefde het nog niet eens zo slecht af te lopen, misschien kon hij er wel wat voordeel uit halen.“Nee, niet haar. De rebellen mogen de jongen hebben. Morgen delen we het land mee dat de koning een dochter heeft gekregen.”“Maar…de koningin…Ze weet al dat ze een zoon heeft gebaard! We kunnen haar niet…”“De koning heeft gefaald, de koningin is nutteloos voor ons. Ga!”, beval de magistraat.Ietwat aarzelend verliet de man de gang. De magistraat neuriede  een liedje voor zich uit. Het was lang geleden dat hij zo hoopvol was geweest. Hoopvol voor het land welteverstaan, de magistraat was niet overdreven ambitieus en wellicht te oud om het land zelf te besturen. Toen hij jonger was, had hij met het idee gespeeld, maar nu de ouderdom langzaam bezit van zijn lichaam begon te nemen, had hij andere plannen.   Het meisje aan de macht brengen was perfect. In één klap had hij zich ontdaan van de hele koninklijke familie. Een familie die naar zijn mening bestond uit arrogante dwazen. De gedachte dat het de koning zelf was geweest die het meisje binnen de muren van het paleis had gehaald, bracht een nieuwe glimlach op zijn lippen. De koning had geweten dat de vrouw van de rebellenleider aan het bevallen was en had van dat zwakke moment gebruik gemaakt om aan te vallen. Zijn plan was niet geweest de rebellen in hun eigen kamp te verslaan, maar de vrouw en het kind gevangen te nemen.  De vrouw overleed tijdens de bevalling, maar het leger van de koning had wel de dochter kunnen bemachtigen. Hoewel de koning alle touwtjes in handen had gehad, was zijn hoogmoed hem fataal geworden. Hij eiste een glorieuze overwinning, hij zou de rebellen verslaan op zo’n manier dat er nog duizenden jaren over zijn moed gesproken werd. Hij wou geschiedenis schrijven. In plaats daarvan was hij gesneuveld in zijn eigen paleis. En nog voordat één druppel bloed van de koning de stenen tegels had bedropen, had de wacht de rebellenleider gedood. Hoe meer de magistraat erover nadacht, hoe beter het plan klonk. In deze periode van verwarring zou niemand de dood van de koningin als verdacht beschouwen. Niemand zou de verwisseling van de kinderen opmerken.

Fuaran
0 0

Spelevaren

(Fragment uit een nog niet gepubliceerde roman ”Thermiekvliegers”. Om het te situeren: Xandra is een zeventienjarig meisje dat er veertien lijkt, het vriendinnetje van Loïc. Lamp is een wat wereldvreemde veertigjarige werfleider, die zijn middagpauze neemt aan de rand van een vijver, gelegen tussen drie woonblokken.)   Het loopt tegen de middag en Lamp zit in F. aan de oever van de vijver en eet een broodje. Het is behoorlijk warm en er is niemand in de buurt. De bewoners van de woonblokken schuilen voor de zon of zitten aan hun middagmaal. Zijn T-shirt heeft hij uitgetrokken om zijn bovenlijf een kleurtje te geven. Hij kijkt dromend naar het spel van de zon op het water, de minuscule golfjes, een loom briesje, dat nauwelijks verkoeling geeft. Hij leunt achterover en wil nog een kwartiertje genieten voor hij weer aan de slag moet. Hij is lichtjes ingedommeld en hoort een zacht geschuifel. Hij knippert met zijn ogen, is een beetje verblind door de zon. Dan pas ziet hij op een halve meter afstand twee lichtgrijze gympen met rode nestels en daarboven twee lange blote benen. Xandra is stilletjes dichterbij gekomen en kijkt lachend op hem neer. Ze is gehuld in een jeansblauw microrokje en een oranje topje zonder rug, een slabbetje, dat bij iedere beweging over haar tepeltjes schuurt, zodat die vrolijk hard staan te wezen. ‘Hoy’, zegt ze en ze lacht, ’wil je mij niet naar de overkant roeien.’ Ze knikt naar een gammele roeiboot, die wat verderop ligt. Lamp zit erg verveeld met haar vrijpostigheid. Zij verstoort zijn rust en hij wil haar het liefst zo snel mogelijk weg: ‘Die boot is niet van mij.’ Het klinkt heel kortaf en bepaald niet vriendelijk. Het vaartuig ziet er oud en totaal verwaarloosd uit. De witte en blauwe verf is afgebladderd, de roeispanen zijn met houten stroken gerepareerd en ogen bijzonder zwaar. Er is niets idyllisch aan. ‘Hij is ook niet van mij. Maar je mag hem gerust eventjes gebruiken, hoor’. Zo vlug laat ze zich niet afschepen. Ze heeft haar blonde haar opgestoken en er staat een veel te grote zonnebril boven op haar hoofd. Daardoor en vooral door het perspectief van die lange benen ziet zij er nu iets ouder uit, laat ons zeggen: bijna zestien. Ze kijkt hem met grote onschuldige ogen recht in het gezicht. ‘Ik heb geen tijd. Ik moet zo terug aan het werk. Je kunt toch gewoon rond de vijver wandelen. Dat is och arme vijf minuutjes lopen’. De toon en de klank van zijn stem zijn veel milder dan de inhoud van zijn boodschap. Dat merkt hij zelf ook. ‘Wat ben jij saai, zeg. Loïc doet dat altijd voor mij, maar hij is naar de stad. En het is nu net mooi weer.’ Ze bijt op een pruillip. Dan krijgt de nieuwe Lamp het overwicht. De man, die niet meer passief wil wachten, maar actie onderneemt. Ach, waarom niet denkt hij. Hij heeft nog wel recht op een kwartiertje middagpauze. Ze wandelen tot aan de boot en hij helpt haar galant instappen. Hij maakt het rafelige touw los en gaat tegenover haar zitten. Hij haalt zijn hand open aan een roestige spijker op de rand van de boot. Bloed, hij bindt er een zakdoek om. Haar blik vertelt dat ze hem een kluns vindt. Hij klungelt eerst met de roeispanen om het bootje in de goede richting te sturen, krijgt een kleur als een tiener, draait een keer in het rond op het water, terwijl zij gidderend lacht. Ten slotte heeft hij het bootje onder controle en roeit met lome slagen tot het midden van de vijver. ‘Wacht hier eventjes’, zegt ze. ‘Het is hier zalig.’ Hij gehoorzaamt onmiddellijk, laat de roeispanen stil in het water liggen. Het bootje dobbert op eigen kracht en tolt heel traag om zijn as. ‘Hoe romantisch’, fluistert zij. Ze rekt zich uit in de zon als een krols katje en in een wip is het topje uit. Ze ziet natuurlijk ook dat hij gegeneerd is maar zijn blik niet afwendt. Ze laat het moment even inwerken. Twee knopen later ligt ook het rokje open. Geen spoor van een slipje. Haar poesje is mooi in model geknipt en geschoren en heeft een donkerblond Hitlersnorretje. Ze schuift nog wat onderuit, zet haar gympen vast tegen de zijkant van de boot. ‘Ik lig het liefst helemaal in mijn blootje in de zon,’ lacht ze, ‘anders krijg je van die lelijke bleke strepen.’ Ze heeft de grote zonnebril op haar neus gezet. Hij kan haar ogen niet zien. Maar hij vermoedt spotlichtjes. Hij zit onbeweeglijk, blijft een lange minuut kijken. Zijn verstand wil niet mee, maar hij ziet voldoende naakte vrouwelijkheid om een lichte opstuwing in zijn kruis te voelen. Hij kan niet zien of zij het merkt. Ze blijft glimlachen en glijdt naar voor om languit achterover te gaan liggen. Het enige waar hij aan denkt is: pas op meisje voor de splinters in je blote kont. Het bootje is nu half gedraaid en ze ligt helemaal in het stralend zonnelicht, dat haar lichtbruine huid aait. Een hele tijd verroert hij niet. Dan, in een flits is hij zich bewust van de groteske situatie. Hij, in het midden van de vijver in dit aftandse roeibootje, met voor zich in al haar glorie een poedelnaakte lolita. Alle bewoners van de woonblokken rond de vijver hebben, als ze dat willen, een ongehinderd zicht op het tafereel. Eén geluk: de hefsteiger met zijn medewerkers staat aan de achterkant van het woonblok. Het duurt schijnbaar nog een eeuwigheid voor hij de riemen vastgrijpt en zenuwachtig weer naar de aanlegsteiger roeit. Zij negeert hem volledig. Vlak voor ze aan de oever zijn knoopt ze haar rokje toe. Met het topje in haar hand en voor haar borstjes springt ze schaterend aan wal en wandelt ze loom naar een bank en vlijt zich neer. Ze werpt hem nog een kushandje toe. Hij blijft nog even in de boot zitten, wachtend tot zijn aandacht en zijn zwellichamen weer verslappen.  

Kapitein
14 0

we are based on deception kaat arnaert en rosalie vw 11-11-2011

bienvenue, wilkommen welkom welcome   I start first in english because you know they won the war, and as you see this exposition is about world war I   (nu komt dus een stukje Prince mijne all time favoriete) my name is katinka arnardo. i am an art critic Rosalie asked me to be here. and talk to you, and reflect with you about here work. so, Dearly beloved I think We are gathered here today to get through this thing called life   Electric word life It means forever and that's a mighty long time But I'm here to tell you There's something else The afterworld lady’s and gentleman, there is A world of never ending happiness You can always see the sun, day or night   So when call up your doctor in Brussels Instead of asking him how much of your time is left Ask him how much of your mind, baby.   Cause in this life Things are much harder than in the afterworld In this life You're on your own and I am not gonna talk anymore in english   ik ben Katinka Arnardo, kunstkritikus van het weekblad kut kult kunst in english kiss cult art   u ziet aan mijn haar dat ik mijn werk zeer serieus neem. ik pas mij namelijk aan aan het werk van de kunstenaar en ik heb hier geluk want ik mocht hier mijn lievelings kleur gebruiken. ( Kaat met elektriekblauwe pruik) toen ik twee weken geleden een lezing hield over Luc Tuymans dan had ik een bijvoorbeeld grijze pruik. Ik vond het belangrijk om helemaal mee in zijn werk te vervagen. ik vind het belangrijk dat je merkt dat ik de kunstenaar helemaal snap het gaat hier zeer duidelijk om het gebruik van kleur: voor mij is kleur primordiaal in kunst. kleur is “sesam open u”, kleur is vibratie, kleur glinstert. kleuren geven me informatie over mijzelf en anderen. ik wordt daar echt lyrisch over: wanneer ik me in een blauwe kamer bevind, mijn lievelingskleur, en een soort lichamelijke gewaarwording voel, weet ik dat er voor mij in die kleur informatie verborgen ligt. Het is alsof blauw met mij in contact probeert te komen, mijne plexus solaris trekt dan samen en iedereen ziet aan mij dat ik in contact ben met de ruimte, met de schilderijen, ik zweef en voel wat de kunstenaar heeft bedoeld. ik doorleef dat, ziet ge ik wordt dan kunst, één met enfin, een installatie of ne gekapte steen, het doet er niet toe, maar hier dus op deze tentoonstelling, kan ik me vereenzelvigen met dat kanaal, want ja het is een lied, een taal, een geheugen van iets van een verleden in kleur gezet, ik wordt daar zo gelukkig van maar bon radeloze Rosalie heeft een hele expositie bij elkaar geverfd een hele zaal met rood en groen en recht en rond en gevoelig gekweld bezeten. En daar wij van het leven van Rosalie weten dat het een kosmische strijd om de kleur en de vorm en de toets en de verfhuid de blabla de bloblo de blauwblauw is, dat ieder stilleven een snauw van wanhoop, ieder portret een sterfhuis van smart is, een kreet en een aanklacht, zijn wij voordat er museale aandacht komt, voor de kunstenaar zijn vragen, en voor de pers hier lucht van krijgt komen kijken, of zij nu nog leeft en haar beide oren heeft, en ja hoor Rosalie wilt zoals elke kunstenaar het betaamt als klassiek opgenomen worden in de heldengeschiedenis van kunst en cultuur maar rozalie Waarom, waarom die wapenstilstand. Het is nochthans nooit wapenstilstand in je hoofd. eh rozalie Daarop beste gepriviligeerde uitgenodigden heb ik Katinka Arnardo hoofdredacteur en kunstcriticus van het befaamde blad Kut Kult Kunst een antwoord.   de wereld is een verhaaltje, en wie dat het beste kan vertellen mag de verteller zijn.. en voor alle duidelijkheid.. dat ben ik.. de wereld is een vliegmachine en een vliegmachine dat heeft een piloot... de wereld is een hond en een hond heeft vlooien, de wereld is een cadeau, en cadeaus dat koestert ge hoe lelijk dat het ook is. wereld is pikant schijt... niet naast kijken en zonder grip, de wereld  is een wemelend zoemend bijke en een bij prikt u àls ge uw plek niet kent mensen die altijd weglopen van bijen... zit gewoon stil.. laat em gerust.. de wereld is druipende honing.. en honing plakt en maakt u dik als het niet juist gebruikt de wereld is een herfsteblaadje en als ik dat zie vliegen dan wordt ik gelukkig de wereld is dartel, gul en vrijgevig. de wereld is goud en golden is silence but my heart can't stop beating this loud loud rythm of glitter and love glitter and love, love and love, pounding in my body, pumping in my brain gold gold gold, it is driving us insane en gij meneer, gij ziet er  een beetje geel uit dat is een kleur waar ge niet op of onder kunt, zijt gij nu gelijk stuifmeel of zand? of is het u lever of uw gal. dat is ok,meneer,  sommige mensen vinden geel schoon.. vraag bijvoorbeeld aan een schildpad wat schoonheid is en hij zal zeggen dat dat zijn wijfje is.. haar twee uitpuilende ogen die bijna uit haar kop springen vraag het aan een boer en hij zal misschien twijfelen tussen de kont van zijn koe of die van zijn vrouw.. vraag het aan mij en ik zeg zeg blauw, blauw zo flauw dat ge het bijna groen zou noemen,  het blauw van een koekoek dat den nacht streelt het is een blauw dat afscheid neemt omdat het lichter wordt het is blauw dat gelijk rood is.. daar graaft ik in innig wilt zijn, dat riekt naar welkomen, het  doet mij doet zoeken naar de tetten die ik nooit heb gehad, snap ge? het rood van een man die met zijne schuurpapieren baard lichaam belijdt... of ik die in mijne rode soutien op ‘t zijne rijd. puntje puntje ijt ijt ijt.. mijn vader zou zeggen: rood dat plak aan mijn kakpapier als ik te veel en te te vol, te graag en met spijt … rood gelijk een ruwe kaak van’t gefrot van de winter die bijt, niet het rood van boerebollekeszakdoeken rood, van schaamte, terechte schaamte voor’t paniek van’t vreemde... bang van de dood met het bloed.. en ge wordt blauw,  en blauw dat is het onmetelijk kille gevoel dat ge er bij krijgt... als ‘t er een soldaat op u rijdt zonder spijt... buktje wuvetje kgo je nar us duwn! hahahaa dat wil’t zeggen buigt uw vrouwken, kga u naar huis duwen .. jamma... ik bent efkes kwijt... ‘t ging over de lucht... ‘tging over de lucht.. tging over de wereld.   de wereld hypnotiseert  zoals kolen gloeien, en ze houdt u warm aan de stoof. Rosalie en ik zitten graag aan het vuur, maar niet aan de haard.   wij zijn soldaten en ge heb het nog niet in de gaten de uren gaan lang duren uw deurklinkers gaan verzuren buren zullen u haten muren tegen u praten principes, en kaders en wapens en iets op ijven zullen altijd onmacht blijven het is tijd. tijd voor rare dingen, tijd om het niet te willen vatten om te stoppen want wat als de electriciteit uitvalt. hooba hooba hooba shakkaa .. hooba hooba ok,  stel u voor we zitten in een kunstgallerij en het is zeer warm en de zaalwachter snurkt zachtjes. En ik werp een blik langs de muren en ik zie handen en ogen en hier en daar verdwijnt een gezicht onder een vlek licht. Als ik mij naar een portret van Rosalie keer dan houdt iets me terug. Van het doek werpt een soldaat een heldere blik naar mij, hij staat rechtop, heeft het hoofd licht achterover geheld, in zijner handen, tegen zijn kopergroene pantalon houdt hij zijn fallische telescoop gericht en ik kan mij niet aan een zekere bewondering onttrekken niets dat aanleiding geeft tot kritiek. Grote voeten, smalle handen, brede worstelaarsschouders, een glimmende Hercule Poirotsnor en een helm en een zweem van fantasie. Een bescheiden elegantie Hij biedt jullie op hoffelijke wijze de gladheid van zijn rimpelloze geweer en gelaat, de schaduw van zijn glimlach zweeft zelf over zijn lippen. Maar zijn zwarte ogen glimlachen niet. Hij ziet er vijftig jaar oud uit maar dat is door al die miserie, hij is nog zo jong en fris vijventwintig of dertig. Hij is schoon, ik zie er van af naar tekortkomingen in hem te zoeken maar hij laat mij niet los. Ik lees in zijn ogen een rustig en onverbiddelijk oordeel en ik begrijp alles wat ons scheid. Het raakt hem niet hoe ik over hem denk, Zijn oordeel gaat als een zwaard door mij heen. En het trekt mijn recht tot bestaan in twijfel. En het is waar, ik heb er mij altijd rekenschap van gegeven dat ik niet het recht bezit om te bestaan. Ik ben bij toeval verscheen, ik besta als een steen, als een plant, een microbe, mijn leven zet zich lukraak voort in alle opzichten, het geeft me soms vage tekens en andere keren voel ik niks anders dan een gemurmel zonder gevolg. Maar voor die soldaat thans dood, is het anders geweest. De slagen van zijn hart en de gedempte geluiden van zijn organen waren voor hem kleine zuivere en plotseling optredende rechten, gedurende de oorlog had hij zonder in gebreke te blijven gebruik gemaakt van zijn rechten om te leven, om te blijven bestaan. Wat een prachtige zwarte ogen, er gaat niet de minste twijfel door. Hij had steeds zijn plicht gedaan, zijn gehele plicht als zoon, als echtgenoot, als vader, als hoofd van zijn bedrijf. Hij had ook zonder zwakheid zijn rechten opgeeist: als kind het recht om goed opgevoed te worden in een eensgezinde familie, het recht op de erfenis van de vlekkeloze naam, als echtgenoot het recht om goed verzorgd te worden, het recht om omringd te worden door tedere genegenheid, als vader het recht om vereerd te worden en als officier het recht om zonder gemopper gehoorzaam te  worden. Want recht is nooit anders dan de andere kant van een plicht. plicht, plicht,  plicht is vullend en met een hele lange nasmaak. hmm.. misschien gelijk gal, ‘tlaatste stukse, tlaatste... en ‘ t begin van ‘als ge niks meer te kotsen hebt’ en groen jaaaaa die fosforbommen jong........ zeer bevreemdend allemaal.. ik heb vanalles gelezen en ge zocht naar vanalles om het te begrijpen. maar vanalles dat zwijnestront en zwijnestront dat stinkt. en geuren das voor een andere keer. rosalie houd van bevreemding.. de bevreemding zit in haar kleuren... het roos en het is oranje en het  is groen en het is oneetbaar, gelijk electriek, ‘t is lawaai en het blijft tuten gelijk een bom ietske verder van uw bed, het is een even universeel geluid als een geluid van een dampkap. het flitst door ons kop maar het zit niet in ons lijf... of niet meer... groen is wat de mensen van dromen maar meestal missen. groen is natuur, en natuur is waar goed en kwaad geen naam meer hebben en  waar de mens verdwijnt. voor natuur is een mens zijn kop daar te klein voor.. een mens probeert giftig maar ons gif dat zit alleen maar in’t kopke en we blazen dat uit gelijk koue lucht en de aardbol die die vangt het op en de wilde woeste blaast het weg en de marie louise gaat op en neer. De Marie-Louise danst op en neer Ze gaat dwars door de woeste orkaan En de huilende wind gaat weer wild tekeer Maar de Marie-Louise zal nooit vergaan Lalala.... Maar de Marie-Louise zal nooit vergaan   als je in het midden van een verhaal zit is het eigenlijk helemaal geen verhaal. maar alleen maar een verwarring, een donker gebrul, een blindheid,een puinhoop van gebroken glas en houten splinters. een huis in een wervel wind of een gezonken marie louise door een ijsberg waar iedereen op dat schip roept en schreeuwt.. stop het stop het. het is alleen achteraf dat het zoiets als een verhaal wordt. wanneer ge het vertelt tegen u zelf of tegen iemand anders   ik heb een bruin vermoeden dat we allemaal het leven proberen te pakken door elkaar te pakken, we are all soldiers serving time op een planeet een bruin vermoeden, dames en heren, dat is een  kleur die lijkt op grijs. het is een kleur die triestig is. het zegt me dat er  dan misschien niks zal worden van de menselijkheid en van de liefdadigheid en van de bescheidenheid en van de matigheid, en van de wijsheid en in het zwartst als een half pond lood van op zestighonderd passen afstand wordt afgevuurd, en ik heb van horen zeggen dat als er een half pond lood het lichaam uiteenrijt en sterft in een onbeschrijfelijk lijden.. en als ogen worden uitgebrand en  als het ‘t laatste geluid de oergeluiden zijn van vrouwen en kinderen die onder het puin liggen... dan zijn de kleuren zijn weg! en dat allemaal om  de gril van een paar mensen   en dat is’t.   de vuile handen en het schoon geweten staakt makkers staakt het vuren helpt kinderen helpt buren voedt moeders voedt de monden heelt vrienden heelt de wonden sloopt mensen sloopt de muren staakt makkers staakt het vuren   we zitten in elkaars plek? nemen een ander zijn stek? en wat blijft er over? van een mens gemaakt op een plek die ontploft?   tis kapott kop op een schammel krukske een kleine parasiet.. een klein brokstukske met een stukske brok in de keel in het gat in het bloedvat in het hart in het haar onder denagels tussen de tanden in het snot uit z’n strot want der was weer een aan't sterven der is gemot op een muil stuk tand der is geschoten een put tis geen toneel tis slecht toneel tis een slecht stuk stuk in uw kloten tzie geel die blauwe plek 't etterd   kleur kleur kleur   Rothko schilderde eerst kleur en stillekes vervaagden zijn kleuren tot grijs, tot zwart, tot hij zelfmoord pleegde op 67jarige leeftijd. Zijn kleuren waren weg en dan ging hij. Niks is zo definitief als de dood, dat is niet erg. dat is onze enige zekerheid.   het is goud waard en goud is stilte en stilte dat geeft toegang en toegang laat u binnen   en binnen laat u buiten en buiten kunt ge uw neus snuiten goed lieve mensen dear beloved   Rosalie wilt leven en iconen en kleuren terug, ze ontdekte haar imaginair kleurenpalet en ze wapende zich met fantasie, met fictie, met een penseel, met een dansje, met muziek, dat kan ook de midlifecrisis zijn maar omdat ik haar werk begrijp en hier liever sta met een blauwe pruik in plaats van een grijze, moedig ik jullie aan: dans met ons mee! en als ge twijfelt dat ge niet durft dansen bijvoorbeeld: twijfel is goed, twijfel kan angst zijn maar angst ook hoop. En hoop dat is nen berg waar ge over moet klimmen en achter u laten.. en van klimmen krijgt ge dorst, zullen we ene drinken en klinken op het leven? en het succes. eigenlijk is hetgeen hier verteld wordt op de vernissage even interessant als de portretten. Dat is pas kus kult en kunst, dus laat u gaan, ik schrijf wel een zeer beklijvend stuk aan één stuk, stuk, kut, kus kult kunst, kukulekuuu! Time to wake up and smell the vodka Santé op wapenstilstand Skoll Nasdrovie campai cheers EINDE X

lucia Rozenkin
17 0