Prachtdier
1.
Moeizaam beklom Harald de heuvel, zijn heuvel. Hoe vaak had hij het parcours niet afgelegd met zijn vrouw? Eerst een pintje gaan drinken in De Sluwe Steenezel, voorbij de kleine velden, dwars door de duinen die steeds hoger leken te worden. Hij strompelde en voelde de toppen van het hoge gras onder zijn handen doorritselen. Zand kroop in open sandalen. De zee lag nu uitgestrekt achter hem, hij luisterde naar de zwakke golfslag in het donker. Boven op de heuvel schitterde eerbiedig de maan. Er lag een zekere spanning in het gezicht van de gepensioneerde boswachter. Hij voelde de stilte van de avond, de wind die fluisterde, ritselde, vermurwde. Een uil riep vanuit een lage boom. Gehinderd door het zand stapte hij verder.
Plots hoorde hij een gedempte knal. Hij keek om zich keek, indachtig waar het geluid vandaan was gekomen en snoof de geur op van de avondlucht. De duinen kwamen uit in een weggetje dat eindigde op een donkere plek. De plaats was vertrouwd, hier had hij vroeger vaak gespeeld, waar het pad smaller werd en er door de natuur gevormde putten lagen. Op de open plek zag Harald een geparkeerde auto staan, het portier was geopend en de koplichten brandden zodat het licht zich naar voren verspreidde, alsof daar enige actie waar te nemen viel. In het voertuig kon leven zitten. Zou mijn hond op de achterbank liggen, vroeg hij zich af. Even kreeg hij rillingen, de kille avondwind blies door zijn jas, de ondergrond was redelijk vochtig voor een lenteachtig jaargetijde.
Als een schichtig dier schatte hij de situatie in. Indien hier een onguur type rondliep dan zou deze wellicht voorzien zijn van een wapen. Stel je voor, dacht hij, je zit hier in het donker met een zaklamp en je wordt begluurd door moordenaarsogen, gefixeerd op een hakbijl. Gehurkt wachtte Harald af, een hardnekkige zandkorrel deed enkele voortanden knarsen.
Na een volle minuut trok hij het met kloppend hart het portier helemaal open, gluurde naar binnen, het was leeg, de achterzetel ook. Hij gleed achter het stuur en plaatste zijn handen op het wiel. Aan de spiegel bungelde een leeuwenkop. Wellicht een soort van troostprijs geschoten met losse kogels. Op de voorste bank, naast de passagiersstoel lag een beer. Zijn gedachten gingen terug naar een lang verleden. Had hij niet ooit een gelijkaardige knuffelbeer gehad met identiek diezelfde zwarte ogen? Deze versie was alleszins toegetakeld, de oren hingen los aan het hoofd en een van de ogen bungelde aan een fijn zwart touwtje.
De inspectie had weinig prijsgeven, er lag niets in de koffer en verdere aanwijzingen waren er niet. Harald besloot om zijn nieuwsgierigheid te laten varen en wandelde in Zuidelijke richting de duinen terug in. Plots hield hij halt, zag een flits en hoorde stemmen. Onbewust hield hij zijn adem in, je wist maar nooit. Voor zich ontwaarde hij twee schimmen. De gedaantes keken naar de grond. Snel verstopte Harald zich achter de duinen en gooide zich als een sluipschutter op de grond en kroop dichterbij. Een vrouw droeg een lange regenjas, een man een donkere parka met een kap.
‘Wat denk je, is het diep genoeg?’ Hun stemmen klonken helder.
‘Nee, graaf nog wat, het is niet diep genoeg.’ De man schepte de aarde weg, de vrouw gaf instructies. Zand gleed met een zachte plof naast de put neer.
‘Geef die spade eens hier,’ zei de vrouw met een schorre stem, ‘je moet dit goed doen.’ Ze scheen wat gras weg te schrapen dat in de weg zat. ‘Hier, neem maar terug, ik ga een tak zoeken. Vanuit de schuilplaats zag Harald niet hoe diep de put was. Hoe lang waren ze al bezig? Hij kon niet langer blijven, Lutzie was weggelopen en hij diende zijn hond zo snel mogelijk te vinden want hij wilde naar huis. Hij memoriseerde de nummerplaat van het voertuig. Het zou van pas komen, als hij uitzocht van wie de rode auto was, dan zou er een stroper minder zijn, dan kreeg een crimineel een celstraf.
‘Lutzie! Lutzie hier!’ De boswachter riep zijn hond vanuit de open plek. Hij zuchtte, het was niet de eerste keer dat hij de hond van de leiband had gedaan en het dier zich als een rat uit de voeten had gemaakt. Harald kende het domein heel goed, zijn oude werkterrein lag verderop, landinwaarts. Hij besloot zijn hond te zoeken. Even kwam er een glimlach om zijn mond, de put in de duinen deed hem denken aan een schat van gouden muntstukken, het onderwerp van een heel oude terugkerende droom. Toen hij terug beneden was, dacht hij na over wat hij net gezien had. Zou dit incident morgen in de krant staan, waar het ook over ging? Neen, dacht Harald, wellicht niet want er waren geen getuigen.
‘Arm dier.’ De vrouw keek haar vriend hulpeloos aan. Beiden hadden gezien hoe de hond in elkaar stuikte na het geweerschot, op slag dood. Ze leken ontzet, zij omwille van de hond, hij omdat zijn vriendin zo bedroefd was.
‘Het is jouw schuld, jij wilde hier perse komen jagen, jij hebt ‘m in de rug geraakt.’
‘Als het een konijn was geweest, dan was je blij geweest,’ verdedigde hij zich. Hij keek naar haar, knipte zijn zaklamp aan en zag hoe ze haar tranen wegveegde met de mouw van haar jas, de dode hond in haar armen.
‘Leg ‘m er maar in, ik denk dat we klaar zijn.’
Ze had nog even over het kopje geaaid en de lange oren aangeraakt, alvorens het zand over het zachte lichaam te strooien. In ieder geval paste het dier in de put, de witte pootjes verdwenen onder de zwarte vacht.
‘Het spijt me Inge, ik heb het niet zo bedoeld, ik wilde hier met jou gewoon wat komen jagen, een romantische strandwandeling maken, zeggen hoeveel ik van je hou.’ Ze weende nog luider nu en gaf aan dat ze naar huis wilde.
De man met de parka knikte, ‘Ik dacht dat ik een haas had gezien maar daar was ik dus mis.’ Hij trok zijn schouders op en trok haar aan de arm mee.
‘We vergeten dit voorval, zijn zo thuis, grijp even het geweer, dan leg ik de spade terug in de koffer.’
Harald zocht verder, baande zich een weg over het natte strand. In elke hoek en laan zocht en floot hij. Geen loslopende hond te vinden, niet in de duinen en niet in het dorp. Hij moest opgeven en wandelde naar huis terug, bedroefd en vooral zwaar ontgoocheld omdat hij Lutzie niet had kunnen vinden. Die nacht bleef de mand van de hond leeg, de drinkbak hoefde hij voorlopig niet bij te vullen. Zijn hond was vol levenslust, trouw, prachtig met een vacht als een deken. Wanneer had hij zijn prachtdier voor het laatst geaaid? Gisteren? Tijdens de wandeling?
Hij had een schilderij gewild van zichzelf in groene boswachterkledij, hoed en al, met een vertrouwde hectare op de achtergrond en Lutzie zittend naast hem. Voor dit beeld was hij bereid veel geld te betalen. Hilda had het afgeraden. Nu had hij geen echtgenote meer, was zijn huisdier spoorloos. Harald voelde een vermoeidheid in zijn onderbenen en besloot wat te rusten op de sofa. De woonkamer was de plaats waar Lutzie veel tijd had doorgebracht, wakend, blaffend, Harald vol liefde aankijkend. Straks als het licht is, dan vind ik hem, besloot Harald voor hij zijn kleren uittrok en zich op de zetel uitstrekte. Morgen zal Lutzie wel opdagen, hij zal wel weer achter de wijfjes zitten.
2.
Op het terras zaten zes groepsleden van de vogelclub te wachten op een biertje. De zon scheen en een parasol bood schaduw aan het gezelschap. Af en toe als een wolk gepasseerd was, verwarmde de zon alles in de onmiddellijke nabijheid. Harald hield van zulke dagen, niet te warm en niet te koud maar met minstens een flauw zonnetje. Dat alles liever dan regen, een natte hond rook onfris en modderlaarzen moesten dan afgespoeld worden met water.
Een van de heren stond op om de bestelling door te geven aan de enige barman in café De Sluwe Steenezel. Het was nog maar een tweede bijeenkomst maar de groep vogelliefhebbers leek te groeien. Harald die de cursus een week eerder had gestart zat in de zon, zijn gebruinde huid leek bestand te zijn tegen elk soort van weer. In de ene hand had hij een muntstuk, in de andere een sigaret.
‘Deze heb ik in de duinen gevonden,’ zei Harald langs zijn neus weg en hij wreef nog eens over het ding alsof het magische krachten had.
‘Ik moet zeggen dat het een uniek exemplaar betreft, het is zeker nog van voor mijn tijd.’ Roger, een beer van een man met bruingele tanden die er de vorige keer ook bij was, keek geïnteresseerd naar de contouren. Hij legde zijn hand over het zilverkleurige muntstuk met de bijzondere gravering en voelde de vorm. Hij floot tussen zijn tanden door.
‘Dat is een mooie, waar heb je die gevonden?’
‘Op de open plek in de duinen, ik was een wandeling aan het maken. Gisteren ben ik terug gegaan maar dan heb ik niets gevonden.’
‘Had je de metaaldetector niet bij dan?,’ vroeg een man die een pet op had en Armand heette. De opmerking wees op simpelheid vermengd met een zekere onschuld.
‘Inderdaad.’ Harald wilde niet toegeven dat hij laat op de avond nog door de duinen trok omwille van een slaapprobleem, zijn hond achterna. Het kustreglement kende hij. Soms nam hij zelf een risico, het muntstuk dat hij zopas had blootgelegd met zijn metaaldetector en alle andere die hij op het strand had gevonden diende hij af te staan aan een opzichter. De verzameling krabben en kreeftskeletten, waar hij niets mee deed, mocht hij waarschijnlijk bijhouden.
Hij trakteerde ieder lid van de club op een biertje. Terloops zei hij: ‘vandaag zijn er zes aanwezigen, vorige week waren het er maar vijf.’
‘Weet je wie dat is?’ Harald wees naar de man in een donkere parka, ‘hoort hij ook bij de groep?’ De man die helemaal apart aan een tafeltje zat, scheen een nieuweling te zijn. Hij keek rond en zette een glas bier aan de lippen. Niemand scheen hem te kennen. Plots wist Harald wat hij al een tijdje vermoedde, dit was de man die de nacht ervoor op de heuvel had gestaan en de put had gedolven.
‘Hebben jullie zin in een nachtelijke wandeling misschien?’ De groep reageerde alvast enthousiast, de samenkomst van gelijkgestemden was een uitstekend idee geweest, ze lachten en dronken, schoven hun stoelen dichter bij elkaar en keken verwonderd naar de verschillende uitgestalde schatten op de plastieken terrastafel, hun hoofden verhit door de eerste felle lentezon. De discussie ging verder over gevonden voorwerpen en vogels.
‘Voor diegenen die willen meekomen, ik zie jullie dan graag terug vanavond om tien uur. We starten de wandeling hier aan café De Sluwe Steenezel.
‘Met deze metaaldetector kan je exotische muntstukken vinden, geld of zelfs sieraden. Deze mag je op het strand uittesten als je wil. En misschien horen we ook wel vogels hé.’
‘Bedankt gids, uw uitleg over vogels was best interessant,’ zei de man met de donkere parka. ‘De naam is Omar. Mijn vriendin Inge heeft me ingeschreven in de club. Ik zou graag een buizerd zien.’
Harald keek even weg, staarde naar de grond, alsof hij naar een antwoord zocht. ‘Dan ben je op het goede adres Omar.’
De vogelclub stelde niet veel voor. Met de start van de lente waren er twee leden bijgekomen. Ze kwamen telkens samen op een zaterdagnamiddag. Voor Harald was het een unieke aangelegenheid om zijn passie voor vogels te delen met geïnteresseerden. Vroeger was hij als boswachter in dienst geweest in een bosrijk gedeelte van De Haan. Nu was hij aan het rentenieren en woonde hij aan de kust in een kleine eenvoudige villa. Het toezicht houden over grote domeinen lag hem het meest, vaak voelde hij zich als een koning van een uitgestrekt landgoed. Met de start van zijn pensioen was er nog weinig dat hij leuk vond. Ja vogels, munten, een Sudoku in de ochtend, koffie en later op de dag een fles wijn. Op de middag mocht Lutzie mee voor een strandwandeling. Soms deed hij die wandeling in de late avond over, hij hield van de stilte die de nacht met zich meebracht en het geruis van de golven. Zijn interesse in het bekijken van vogels door een verrekijker bleek een recentere hobby. Het combineerde goed met het vinden van metalen voorwerpen vond hij; als hij een rustpauze nam in de late namiddag op het strand en zich neerzette op een rots, dan nam de verrekijker het werk over.
De groep was vertrokken. Allen vogelliefhebbers. Een stevige nachtwandeling stond hen te wachten. In de velden zouden ze speuren naar vogelnesten, dan zouden ze het strand oplopen om ook daar broedplaatsen op te zoeken.
De mannen hadden zich met zaklampen in de hand op het strand verzameld rond Harald, die enthousiast zijn uitleg begon.
‘Ik ben gepensioneerd maar was vroeger boswachter van beroep. Als gepassioneerd strandjutter en wandelaar wilde ik niets liever dan aan zee wonen. Daarstraks heb ik het ook al gezegd, het doet me deugd dat jullie interesse hebben in vogels. In dit gebied is het fantastisch, er zijn buizerds, zeemeeuwen, noem maar op. We gaan zeker een paar mooie zien. Hebben jullie er aan gedacht om een verrekijker en een pillicht mee te brengen?’ De vraag was overbodig, hij werd bijna verblind door het felle zaklicht. De nieuwe had geen verrekijker, hij verontschuldigde zich beleefd.
‘We splitsen ons, verkondigde Harald na een wandeling van een half uurtje, jullie drieën blijven op het strand, ikzelf Armand en Omar trekken de duinen in. Kwestie van de vogels niet op te schrikken. Ze beklommen de duinen, het was redelijk stijl. Harald leidde, de andere twee volgden.
‘Hier boven ken ik een broedplaats waar je buizerdeieren kan vinden. Hou je camera maar klaar Armand!’ Armand keek enthousiast naar de lucht, haalde de camera met flits uit het tasje en hield het ding paraat. Tot voorbij de open plek wandelden ze, dan een stukje de duinen in.
‘Begin maar te graven Omar, hier is het.’
Omar keek bedenkelijk naar de gids. Hij moest het zich herinneren, het onbehagen van de vorige avond, de ongelukkige situatie, het voortdurend wenen van zijn vriendin, dan het zoeken als een gek naar een plaats om het dier te begraven.’
De geschokte stem van Inge: ‘we moeten snel een put graven, er ligt een spade in de koffer, haal die even.’ Hij had de spade aan haar gegeven en ze had de hond aangeraakt om te zien of die nog leefde, er hing bloed aan haar handen.
‘Wat is er? Kan je niet graven, durf je niet?’ Harald had Omar herkend aan de donkere parka en had zich voorgenomen om de man te confronteren met de feiten. Hij groef zelf wat aarde weg.
‘Kijk, en als je nog wat dieper gaat, dan zal je hier eieren vinden.’
Omar stond recht en deinsde achteruit, en staarde perplex naar de grond. Een grote tak had bovenaan gelegen als een soort van herkenningssymbool. Hij besefte dat er iets niet in de haak was en begon te zweten. Als een bezetene groeven Harald en Armand het zand weg. Maak hier een foto van Armand. De camera flitste meermaals. Dan zag de boswachter de zwarte hond in de put liggen.
Harald schudde zijn hoofd, ‘jij gangster’.
Omar zette het op een lopen, liep zo hard hij kon over het oneffen pad. De boswachter ging er achter aan. In het donker was het moeilijk om de jongere Omar bij te houden. Hij versnelde zijn pas en ademde door zijn neusgaten als een briesende os. ‘Omar!’
De diepe put had hij niet gezien. Auuw! De boswachter moest op adem komen en de opkomende pijn in zijn been en enkel verbijten. Hij was in de put gesukkeld. Hij knipte zijn zaklamp aan om de juiste locatie te kennen, maar na enkele seconden ging het licht uit.
‘Verdomd nog aan toe’, riep Harald uit. De batterij was uitgevallen.
Armand de fotograaf had de vogelgids en de nieuwe zien weglopen. Uiteindelijk stond hij op, hij had de hond geaaid, zijn analoge camera nog steeds in de hand. De zwart-wit foto’s konden wel eens heel goed gelukt zijn. De staart was als een vossestaart, de vacht was zwart. Het lichaam voelde koud aan. Hij wist niet wat er zich de vorige avond had afgespeeld en keek een laatste keer bedenkelijk in de put. Hij besloot om terug naar het strand te gaan om zich bij de rest van de groep te voegen, misschien hadden ze intussen al een fortuin vergaard.
Op het strand verzamelden de mannen zich.
‘Hebben jullie vogelnesten gezien, iets gevonden?’ Roger maakte zijn zakken leeg, een paar kopertjes en een metalen knop. Hij had de hele avond bier gedronken, was met de anderen meegegaan naar het strand en had daar een hele poos op een stenen pier gezeten.
‘Ik heb de vogelgids amper gezien!’ Hij was door zijn biervoorraad heen en wilde actie en aandacht van de anderen.
‘Het was te donker,’ zei Armand vastberaden, ‘en daarbij, we hebben de vogels weggejaagd.’
‘Welke vogels?,’ herhaalde de breedgeschouderde Roger, ‘ben jij simpel of zo? Wel, in ieder geval heeft de gids ons goed beetgenomen, waar is hij trouwens?
‘Wie? Harald, antwoordde Armand, ‘die stond daarstraks nog in de duinen, had een discussie met de nieuwe.’
‘Kom, we gaan terug naar het clubhuis. Ik heb zin in een biertje.’ De bende volgde.
Ze trokken naar De Sluwe Steenezel. Het café dat vooral als clubhuis dienst deed, stond eenzaam en verlaten een driehonderd tal meter verwijderd van de voet van de duinen. Met hoog tij moest de eigenaar altijd opletten en voorzorgsmaatregelen nemen, hij wilde zijn zaak niet zien wegdrijven.
‘De vogelclub, mijn botten,’ zei Roger kwaad. Hij gluurde naar binnen door het raam, alles was donker. De anderen zetten ook hun handen op de ramen maar konden maar weinig onderscheiden. ‘Hier is hij niet.’
‘Het lidgeld hebben we betaald, maar die Harald is een schurk. Geef die gelddetector eens hier. Schijn eens met een pillamp Armand.’ Roger knalde de metaaldetector tegen het raam, het geluid verstomde iedereen.
‘Wat doe je’, schreeuwde Armand, man je bent dronken.’
Opnieuw tilde hij met al zijn kracht het voorwerp op tot over zijn schouder, liet het dan met een slag vallen. Het dunne glas van het zijraam viel aan diggelen. Scherven kletterden op de grond. De mannen keken geschokt naar het gebeuren. Dit was het eerste moment van actie dat ze die avond ervaren hadden en het smaakte naar meer.
‘Hoera, schreeuwde Roger luid, de bar is terug open!’
Hij trok de grootste stukken glas wat weg, wurmde zich door het gat en stond binnen. Daarna knipte hij het licht aan en deed de deur open voor de anderen.
‘Omdat jullie een speciale behandeling nodig hebben,’ declameerde hij, de bruingele tanden aanrakend. De ruimte rook naar gedroogd zeewier. Op het midden van een van de tafels stond een grote zeeschelp met verse bloemen. Roger legde het sierstuk aan zijn oren, maakte een danspasje en deed alsof hij een telefoon in zijn hand hield.
‘Hallo?’ De bloemen leken uit zijn oren te komen. Een luid gebrul kwam uit de richting van de bar, waar de mannen zich hadden verzameld, een fles Whiskey hadden opengemaakt en deze in grote glazen uitschonken. ‘Ik hoor enkel vogels,’ zei Roger, die de schelp aan zijn oor hield.
Tegen de muur hing een groot net met vormen van zeeleven in verstrikt. Met een vol glas Whiskey in de hand strompelde de reus als een dronkaard de kamer rond en bekeek aandachtig de ornamenten, prenten van zeevogels en de ingelijste teksten op de muur. Een groot bord blokletterde: het is verboden om op het strand te voldoen aan natuurlijke behoeften - volgens het kustreglement moeten honden te allen tijde aan de leiband gehouden worden - strandjutten is verboden. Hij las de tekst voor op een weinig samenhangende manier.
‘Ni…mand mag de behoefte doen … zonder leiband. Jutten is ... Geen kat die luisterde.
3.
Hoe lang Harald in de put had gezeten met enkel het maanlicht als gezelschap wist hij niet. Zijn enkel deed pijn en zijn been was lichtjes geblesseerd. Het had hem veel moeite gekost om op eigen kracht uit het gat te komen, en thuis te geraken.
Het plan om de hond te verplaatsen was zoals Harald het achteraf gezegd zou hebben: ‘omdat het moest’. Wie weet lag het graf misschien nog open. Roofvogels konden elk ogenblik toeslaan. Harald, wachtte tot het nacht was, als wijze van ritueel, trok rubberlaarzen aan en stopte een witte plastieken zak in zijn jaszak. Over de verwondingen aan zijn benen had hij pleisters geplakt. De dure metaaldetector, die hij had opgepikt in het clubhuis, sleurde hij mee tot op de open plek. In de club had hij de avond ervoor de dronken bende aangetroffen en naar huis gestuurd. Mijn prachtdier. Aan iets anders kon hij nu niet denken.
De heuvels leken lager, de zee woester en vol groene energie. Bovenop de heuvel kon hij zijn tranen niet meer bedwingen. Het natuurgebied was indrukwekkend maar s’nachts werd het griezelig. Nochtans hadden hij en zijn hond er fijne momenten beleefd. Drie jaar lang had hij de verzorgende taak op zich genomen van aaien, wandelen, het geduld opbrengen bij elke besproeide boom. Zijn vrouw Hilda was er niet meer en de schok die hij nu voelde kwam harder aan dan zou hij nog lief en leed met haar gedeeld hebben.
Na een minimum van tijd vond hij de plaats. Harald kon een hoopje zand waarnemen, de stok die het kruis voorstelde lag er nog. Armand, onze fotograaf zal hier voor gezorgd hebben, die man verdiend een inlijsting van goud, dacht Harald, die het graf grondig bestudeerde. Met de metaaldetector verkende hij het terrein. Geen piep te horen. Met vlakke hand schepte hij de eerste laag zand weg, een verharde vochtigere laag lag bloot. Hij groef verder tot hij iets zachts voelde. Oren? Een rechter of linkerpoot? Het bleek de nek te zijn, een delicate plaats waar de halsband met metalen penning had gezeten met de naam op gegraveerd; deze was echter weg. De zak trok hij uit zijn jaszak en hij scheurde ze open om de hond in te wikkelen. Lutzie leek lichter nu. Hij keek naar de grond en zag de lange oren, de poten met nagels die soms tegen hem opsprongen, die lange staart die kwispelde bij momenten van blijdschap.
Met de hond voorzichtig gewikkeld in plastiek en de detector over zijn schouder repte Harald zich over de duinen en via het strand terug naar huis. De blik op de zak maakte hem droevig. Eens terug in de villa wist hij wat hem te doen stond. Zijn hond een degelijke begrafenis geven en er zich zoveel mogelijk doorslaan. Een prachtdier verliezen was niet niks, anders dan een bos sleutels kwijtspelen of een hersenbloeding doorstaan. Het gemis was groter, er kwam niets in de plaats, enkel een vorm van leegte, alsof een deel uit je leven was weggeknipt.
In de achtertuin pronkte het graf. Een mooie steen met de letters ‘Lutzie’ op, geschilderd in zwarte inkt. Over de steen, omcirkeld met schelpen hing een tak van een kerselaar, die bewoog door de wind. Vanuit het raam bekeek Harald het resultaat. Naast hem lag een collectie van muntstukken die hij over de jaren had verzameld, sommigen illegaal gevonden aan de kust. Minuscule, grote, hoekige maar de meesten waren koperachtig klein. De hondenmand stond voor de schouw. Hij koos een zilvergekleurd muntstuk uit en mikte het in de mand. ‘Omar, zo heet jouw moordenaar.’ Hij gooide er nog een, het landde tegen de zijkant op het kussen. ‘Ik zou hem iets kunnen aandoen.’
Het lijden van de gepensioneerde boswachter was een stil en introvert lijden. Op slechte dagen deed hij de waterbak vol, ging bij het graf zitten, telde de schelpen en neuriede een liedje. De bloesem van de kerselaar in de achtertuin verdween geleidelijk aan en met het wegvliegen van de roze bloemblaadjes sloot zich een hoofdstuk af. Eens het verdriet en de tranen wegebden, kwam woede. Een orkaan van dansende gedachten, sommige heel negatief, overspoelde het hoofd van Harald. En dan viel het gordijn terug dicht. Als hij in de late avond in de tuin van de erkende moordenaar had gestaan, voelde hij zich klaar om een dutje te doen en alles weer voor een paar uurtjes achter zich te zetten. Soms leek het een vorm van mediteren, even hulpeloos en weerloos een tuin betreden in een droom en vanachter een boom minutenlang staan gluren om een licht te zien in de duisternis, het hoofd van Omar om zijn geweer op te richten. Een zoete vorm van wraak. Hij moest geduld hebben en geduld had hij.
De volgende dag was hij nog steeds rusteloos, stak eerst een sigaret op en belde dan hij naar zijn moeder om het droevige nieuws te melden. In het bos had hij in zijn carrière ook wel wat meegemaakt.
‘Die jager bijvoorbeeld, moeder, die hij een jaar geleden had betrapt met een grote rugzak met het karkas van een ree in! Die poten, luister nu eens, waren van dat lichaam gesneden en de buikholte leeggemaakt. Ik heb er persoonlijk op toe gezien dat de man werd beboet voor stropen en sluikstorten. Ja moeder, maar een hond doden? De duinen ingaan om er een hond om te brengen, daar kan ik niet bij. Zo een man moet gek zijn. Omar, ja … zo zou hij heten, wie hij is? Juist en wat zou deze lafaard willen van het leven, van een ander, een troosteloos type als ik? Hij heeft een vriendin, dat heb ik zelfs niet. Hilda heeft mij verlaten. Ze noemde mijne hond altijd ‘het manneke’. Laat het mannetje maar tussen ons in liggen zei ze vaak. Dat heeft niets met die hond te maken ma. Mijn vrouw wilde altijd bovenop liggen als we vreeën en dat was … zwaar. Ik heb haar gezegd, Hilda, ik wil ook wel eens de leider zijn in de slaapkamer, ik heb dat nodig.’ Dan volgde een klik. Het contact was verbroken.
Uit noodzaak trok hij naar de markt voor boodschappen en bij thuiskomst vulde hij een sudoku in. Het gevoel van eenzaamheid bekroop hem. Zijn compagnon Lutzie kon door geen één ander dier vervangen worden, niet door een vis of konijn, een cavia of een babyegel. Nu het onrecht was geschied zou hij fakkeldrager worden, als boegbeeld door het leven gaan, actief in het inperken van malicieuze praktijken. Een boswachter als voorvechter van de rechtvaardigheid, bijgestaan door engelen. Het herbeleven van het moment op de heuvel, het geweerschot, de rode geoxideerde lucht van het kwaad proevende. Al dit moest hij bannen uit zijn gedachten. Was dit zijn realiteit geworden?
Na een lange eenzame middag besloot hij het adres van de imbeciele jager op te zoeken. Dat was gemakkelijk gevonden, aangezien zijn vriendin het had ingevuld op het inschrijvingsformulier van de cursus. Hij woonde in het dorp in de Fazantenlaan 18. In de late namiddag nam hij er een kijkje, aardige maar kleine huizen in een recent gerenoveerde straat, allen bewerkt met een zelfde blokschaaf over het dak, speeltuin op het einde, een krantenwinkel tussenin. Nummer 18 stond er verlaten bij. De rolluiken op de bovenste verdieping waren neergelaten, het huisnummer trok schuin als een deltavlieger. De boswachter keek om zich heen, de buurt zag er niet uit als een oord van criminaliteit, het huis had niets ongewoons, hoe teleurstellend. Op de bel stond: bij Omar & Inge. Hij was niet de anonymus die hij dacht dat hij zou zijn, een type man met windjak en capuchon, onvindbaar op de wereld, bezig een nieuw complot te beramen met hoop op een bloeduitstorting en de dood tot gevolg.
De nacht zuiverde de lucht en bracht nieuwe energie. Harald die de slaap niet kon vatten stond op, liep tot bij het raam waar hij wezenloos uit ging staren. Hoe kon de man met de parka weten wat een prachtdier Lutzie was. Omar, een amateurjager wist niets.
Zijn broek en trui hingen over een stoel en hij trok deze terug aan en zocht een wapen uit. De emotionele impact van de gebeurtenis kon hij nu niet meer van zich afschudden. Wraak en gerechtigheid liepen samen als druppels zweet zijn rug af. Hij liep het blokje om en eindigde bij de woning met de voortuin. De brievenbus intrigeerde hem, het verplaatsen van kabouters en het verder scheeftrekken van het huisnummer. Vanachter een boom viseerde hij ramen en gordijnen op zoek naar de verschijning van Omar. Een afrekeningplan smeulde in zijn hoofd. Als hij nu buitenkomt, dacht hij dan, dan heb ik hem waar ik hem het meest wil raken. Wat hij mijn hond heeft aangedaan, krijgt hij van mij cadeau, een schot in de rug. Na een half uur keerde hij dan naar huis terug, de wrokgevoelens opnieuw aangewakkerd.
Die nacht sliep Harald terug in de slaapkamer. Rond middernacht was hij de living in gelopen en had hij gezegd: Hey Hilda, waar ligt mijn wapen?’ Deze woorden had hij gesproken tot het kussen, dat in de woonkamer op de zetel lag. Het was maar een droom geweest, over zijn wapen dat zoek was en uiteindelijk in de toiletzak van Hilda stak. In de ochtend keek hij in de badkamer. Een toiletzak lag op een laag kastje. Hij ritste het behoedzaam open. De inhoud bestond uit een scheermesje, een nagelschaar, talcum poeder en een fles amandelolie. De olie gebruikte hij meestal om de oren van Lutzie proper te maken.
De laatste dag van de week stond hij er weer, met trillende lippen, waakzaam om zich heen kijkend. De bosjes waar hij zich achter kon verschuilen waren aan de lage kant. Zijn spieren waren minder soepel nu, gezien zijn leeftijd en enige tijd gehurkt zitten kon vermoeiend zijn. De enige boom in de voortuin was niet dik genoeg. Een berk met een schurftachtige schors.
Harald had zich al een paar dagen niet geschoren, zijn lippen waren droog en hij prevelde een paar woorden: ‘De dagen er rond stonden ver van mijn herinneringen, maar de dagen zelf stonden in mijn gedachten gegrift als in steen.’
Zijn ogen lagen diep in grijzige oogkassen; een gebrek aan slaap en talrijke piekermomenten waren de oorzaak. De tuin was slecht onderhouden vond hij, bloemen had Omar niet, hoog gras en wat versieringen, beeldjes en een kiezelpad dat leidde naar de donkergroene voordeur. Een zuchtje wind deed hem opkijken, daarna fixeerde hij zijn vermoeide ogen terug op de gordijnen. Hij krabte in zijn nek, hij had zich al een paar dagen niet gewassen en zijn huid was ruw en jeukte.
De lente was officieel en voelbaar, zelfs de avonden werden warmer. Inge zat in de woonkamer, op haar schoot een breiwerkje en de afstandsbediening. Een half natte Omar wandelde de kamer binnen met enkel een handoek om zijn middel. Ze keek zijn richting uit, en zei, ‘denk je dat het goed weer gaat worden?’
Hij trok het gordijn verder open en keek naar de lucht. Net op dat moment wandelde Harald de tuin in, na een korte aarzeling hield de boswachter halt voor een grote rododendronstruik, zijn hand ruste op zijn wapen. Het gordijn op de benedenverdieping bewoog en het hoofd van Omar was tevoorschijn gekomen. Een kogel werd afgevuurd.
‘Deksels, weer een inbreker.’
Harald zeeg neer, de kogel van het jachtgeweer van Omar had hem getroffen in het hoofd. Inge gilde, de stem van de televisiepresentator gaf aan dat de herhaling van het avondnieuws ging beginnen. Omar vuurde nogmaals met het jachtgeweer dat hij steeds bij het raam achter de zetel verborg. De kogel ketste af tegen een boom. Onder de boom lag Harald. Dood. Vanuit het raam was een schril gefluit hoorbaar, het geluid van een buizerd dat Omar voortreffelijk nabootste.