Zoeken

Human

   Prologue There’s no stopping it. The humans are dying and they want what is left of us. They experimented on us and they became superior. I don’t want to know what it’ll do to me. They murdered my family and now I’m all alone. But they still want me, because I am the last human on earth.    1.    Running Mijn benen hebben me al ver gebracht, maar nog niet ver genoeg. Nog nooit hebben er zo veel honden achter me aan gelopen. Nog nooit ben ik weggerend voor hen. Thuis heb ik ook een hond, groot en gevaarlijk, maar voor mij is hij de beste vriend die ooit heb gehad. Ik weet hoe je honden als deze in toom moet houden, ik kan deze honden in toom houden, maar ik doe het niet. Nog nooit heb ik moeten rennen, en toch voelt dit aan als een déjà vu. Ik weet dat het niet de honden zijn die me uiteindelijk zullen verscheuren. Ik weet dat het niet de honden zijn geweest die mijn moeder en broer hebben vermoord. En ze zullen mij ook niet vermoorden. Nee, dat zullen degenen doen die de honden controleren. Ze controleren hen met geweld, wat nooit erg effectief is geweest. Je kunt niet iemand dwingen om je aardig te vinden. Ook geen honden, geen dieren, geen mensen. Als mijn vader niet weg was gegaan, zouden we nu nog allemaal leven. Maar ik wil hem hier de schuld niet van geven, hij kan het niet weten. Hij kan de toekomst niet voorspellen zoals sommigen dat wel kunnen. Hij kan ook niet teleporteren van zodra hij het nieuws hoort om ons te redden uit de handen van deze mensenjagers. Nee, hij kan alleen maar de leeftijd van bomen bepalen door ze aan te raken. Hij heeft de gave om dingen van planten te weten te komen door gewoonweg contact met hen te maken. Het lijkt zeer vreemd, maar mensen hebben geen gaven. In deze wereld heeft iedereen wel iets en is iedereen immuun voor ziektes en andere dingen die je zwak maken. Niemand wordt nog ziek of dik, iedereen heelt snel en iedereen heeft een perfecte conditie en ze kunnen allemaal snel rennen. Ongeveer even snel als deze honden die me inmiddels bijna ingehaald hebben. Omdat ze zo sterk zijn, de ‘betere mens’, noemen ze zichzelf de superiors, en er zit nu een groep achter me aan. Ik spring over een boomstronk, maar mijn witte jurk blijft achter een tak haken en ik val waardoor ik mijn knie schaaf. Een superior zou nooit zijn knie schaven. Ik weet dat als ik nu opsta, iemand me vast zal pakken en ze me meesleuren. Of als ik niet meewerk, me vermoorden. Het geblaf van de honden heeft me al ingehaald en ik voel hun adem in mijn nek. Ze staan hijgend en bijna beschermend over me heen gebogen, wachtend tot ze hun beloning krijgen. Ineens begint er een te janken, wat een heel koor van jankende honden veroorzaakt. Gevloek en mannenvoeten bereiken mijn oren als iemand me rechttrekt bij mijn bovenarmen. “Als je zo ongecontroleerd blijft schieten, raak je je waardevolle mens nog!” roept iemand achter me. Ik kijk op om te zien wat er gaande is en zie hoe van de kant waar ik naar toe aan het lopen was, een hele groep superiors komen. Ze zijn met meer dan de superiors achter me, maar die hebben honden. “Laar haar los, je kunt haar niet vermoorden!” roept iemand van de andere kant. En naast me roept iemand terug: “Mensen zijn beesten! Waarom schiet je haar niet dood zoals je die honden dood?” Inmiddels hebben de twee groepen elkaar bereikt en staan ze tegenover elkaar, totaal niet onder de indruk van de ander. “Laat haar gaan, we hebben iemand met de gave Dood.” Ik zie hoe een klein meisje naast de man om hem heen kijkt en iemand achter me begint te lachen. De lach weergalmd, hoewel het een groot bos is. “Dat kind kan nog helemaal niets!” “Wil je erachter komen, misschien?” er worden nog woorden gewisseld, maar ze maken de man die me vasthoud alleen maar meer en meer opgefokt. Ineens duwt hij me achter zich en stapt op de man tegenover hem af. “Wat dacht je te doen? Zonder mij zijn die honden vrij…” Het meisje klampt zich vast aan de man die waarschijnlijk haar vader is, terwijl hij reageert: “We kunnen die honden wel af.” Maar ik hoor de twijfeling in zijn stem. Ik zie hoe de alpha onrustig tussen zijn honden doorloopt en ze achter zich houdt. Ik sta nu onder hun bewaking, klaar om te rennen zodra de honden vrijkomen. Ik schat mijn kansen in en ook hoeveel er achter mij aan komen. Waarschijnlijk een stuk of drie, maar die kan ik wel omzeilen. Dieren hebben me nooit bang gemaakt. Dan heft het meisje haar hand en ineens besef ik dat de honden haar ook zullen verscheuren, terwijl ze mijn leven aan het redden is. Ik loop naar voor en op dat moment valt de man met een schreeuw op zijn knieën, zijn hand naar zijn hart grijpend. Op dat moment slaan de honden door en grommend en bijtend rennen ze in de richting van de vader en dochter. Bang schermt hij haar af, maar dat zal niet veel opbrengen. Ik zak door mijn benen en begin zachte dingen te zeggen, gericht op de honden. Abrupt stoppen ze en verward kijken ze in mijn richting. Honden die al jaren worden afgericht door marteling, zijn altijd hopeloos op zoek naar iemand die hen wil strelen of lieve woordjes tegen hen zegt. Superiors doen dat niet, ze doen het nooit. Zelfs niet bij elkaar. Ze lopen nieuwsgierig naar mijn uitgestoken handen en zodra de eerste mij bereikt, streel ik zijn snuit. Alle honden lopen nu naar mij toe en kijken me verwachtingsvol aan. Terwijl ik de hond op zijn hoofd krap, komt de vader in actie. Hij stormt op de kleine groep superiors af en tackelt de een na de andere. Ze worden vastgebonden met iets wat ik nog nooit heb gezien, maar het lijkt uit de handpalm van een jongeman te komen. Als ze even later uit het dun beplante bos worden geleidt door de andere mannen, komen de vader en het meisje naar me toe. Ik had de honden gezegd dat ze vrij moesten zijn, dus die waren er al vandoor. Bang kijk ik naar hen op, ik ben altijd al bang geweest van superiors. Behalve mijn vader, maar die begreep nooit wat ik voelde. Alleen mijn moeder begreep dat. De man hurkt naast me neer en bekijkt me. Hij zoekt waarschijnlijk naar verwondingen en vindt dan de schaafwonden op mijn knieën. “Kom met ons mee, je zult veilig zijn. We zullen je nooit pijn doen, dat beloof ik.” Hij staat op en ik volg zijn voorbeeld, maar zet een stap naar achteren. “Je kunt nergens meer heen,” zegt hij en het meisje knikt naar me. Hij heeft gelijk en als hij echt meent wat hij zegt, is het misschien nog niet eens zo erg. Ik probeer mezelf over te halen om niet bang te zijn, maar het lukt niet. Mijn hart klopt in mijn keel terwijl ik hem aarzelend volg. De man loopt sneller dan ik, dus ik moet me haasten om hem bij te houden. gelukkig kan zijn dochter al evenmin volgen en komt ze naast me lopen. “Hai, ik ban Amelie,” zegt ze. Haar stem is hoog en zangerig, wat me wat meer op mijn gemak stelt. Ik kijk haar even aan en sla dan mijn armen om mijn middel. Nog zoiets; superiors voelen de temperatuurverschillen amper en kunnen in een bikini in de sneeuw rondlopen, bij wijze van spreken. Ik zie dat Amelie mij expres niet aanraakt. Ik heb al gehoord over iemand met de gave Dood: zij kan iemands ziel uit het lichaam drijven en alles wat ze aanraakt, sterft. Een erg krachtige gave. De man leidt me naar een soort van vliegend schip wat niets weg heeft van de mensenjagers die tot gisteren nog achter ons aan zaten. Deze superiors hebben alle luxe, zo te zien. Het schip is weerspiegelend aan de buitenkant waardoor ik mezelf kan zien, gehavend in mijn witte jurk. Het bloed loopt in een dun straaltje van mijn knie naar mijn voet als ik in het voertuig stap. Daar wordt me een plek gewezen en ik zak neer in de zachte zetel. Het lijkt wel een kamer, zo is het schip ingericht. Een ovalen doorschijnende tafel staat in het midden en daar omheen allemaal comfortabele zetels met armleuningen. Er zijn geen gordels en we stijgen al op voor iedereen goed en wel zit. Niet dat het een probleem is, je voelt bijna niet dat je vliegt. Ik kan de het grote raam de bomen onder ons zien verdwijnen. Aan de buitenkant kan je niet eens zien dat er ramen in zitten, maar vanaf hier lijkt het net of er niet eens een ruit in het raam zit. De man komt meteen naast me zitten en zijn dochter daarnaast. Er zijn nog meer mensen bij ons ingestapt, maar ik durf ze niet aan te kijken. Als iedereen zit, valt de stilte. Langzaam adem in de warme lucht in, blij dat ik niet meer in de harde wind zit. Ik kan zien dat Amelie niet ademt. Sommige superiors hoeven dat blijkbaar niet. Volgens mij klopt haar hart niet eens. Ook haar vader heeft blijkbaar niet zo’n nood aan lucht, want zijn borst gaat maar heel af en toe omhoog en terug naar beneden. Ze zitten zo stil dat ik er bijna bang van wordt. Amelie kijkt nietsziend naar buiten en haar vader lijkt eerder een standbeeld. Zelfs hun ogen bewegen niet. Ineens ademt hij diep in en kijkt op naar de deur die waarschijnlijk naar de cockpit leidt. Een kleine magere vrouw stapt binnen met een beker in haar hand, een geur van koffie verspreidend. Ik adem de bekende geur in. Als de vrouw gaat zitten, merk ik pas op hoe strak haar kleren zijn. Je kunt haar dunne ribben er zelfs een beetje doorheen zien. Ze is erg klein en mager, maar misschien hoort dat bij haar gave, wie weet wat ze allemaal kan. Dan glimlacht ze naar mij. “Dus dat is de mens? Ik had iets… anders verwacht,” mompelt ze. Iemand naast me grinnikt. “Beestachtiger?” vraagt hij. Ik heb hem nog niet eens gezien. Door zijn sterke harige hand op de armleuning naast me, durfde ik niet naar hem opkijken. Dan glimlacht hij. “Je mag het gerust hardop zeggen, hoor. Anders zeg ik het wel.” Ze keek niet geamuseerd naar hem op. Volgens mij moet hij een gedachtelezer zijn, hoe kan hij het anders weten? Nu kijk ik wel naar hem op. Een seconde, maar ik kan zien dat hij oud is en al een baard heeft. Zijn gezicht is aardig, maar dat betekend nog niet dat hij dat ook is. Dan zegt hij: “Ik vind dat we er helemaal naast zitten met dat beestgedoe.” Iedereen kijkt hem aan. “Ze lijkt me meer een bang konijntje, niets beestachtigs aan. Zelfs haar gedachten zijn rustig, hoewel een beetje bang.” Wat een understatement. Een beetje? Dan lacht de man. “Je hebt gelijk, dat was een understatement.”    2.   Superior School Het voertuig brengt ons naar een gigantisch domein waar een enorme school staat. Het gebouw is nog groter dan het presidentiële huis, wat al behoorlijk indrukwekkend is. Het heeft een oude stijl maar is super chic ingericht. Binnen is het een paradijs van houtsnijwerk en overal zijn glimmende vloeren en prachtig versierde muren. Het is gewoonweg adembenemend. Net als de omgeving, die strekt zich uit over een groot terrein met aan de voorkant enkel gras en vijvers met hier en daar een boom. Maar achter het gebouw strekt zich een groot bos uit waar geen einde aan lijkt te komen, hoewel er zich in de verte bergen bevinden. Ademloos staar ik naar de ingang die met twee openzwaaiende deuren je meteen in een grote inkomhal brengen. De ramen zijn voornamelijk glas-in-lood en de verschillende kleuren maken een mooi contrast met de glimmende marmeren vloer. Dit gebouw zou zo uit de twintigste eeuw kunnen komen, behalve dan voor de grote schermen aan de muren die informatie tonen over verschillende evenementen die nog gaan komen hier op school. Ik word meteen naar binnen geleid, maar er is verder niemand. We lopen tussen de twee brede houten trappen door naar een al even brede gang die verlicht wordt door enkele felle lampen. De gedachtelezer die voorheen naast me zat, heeft ons gelukkig verlaten. In zijn plaats is de magere kleine vrouw met ons mee aan het lopen naar een donkere dubbele deur aan het einde van de gang. Ze klopt aan en de deuren zwaaien automatisch open. Achter een donker houten bureau zit een lange vrouw met strak rood haar dat ze naar achteren heeft gekamd en op de een of andere manier zo blijft liggen. Ze glimlacht naar me zodra ik binnen kom, maar ik durf haar amper aan te kijken; haar oren zijn spits naar voren gedraaid als een kat en schrikken me een beetje af. “Welkom!” zegt ze duidelijk verheugd. Ze kijkt ons vriendelijk en verwachtingsvol aan, tot de man naast me, die blijkbaar Archen heet, zegt: “We hebben haar gevonden in het bos in de handen van Leon, maar we hebben haar voor ons kunnen winnen.” Snel doet hij een kort verslag over de gebeurtenissen, niet zonder mijn actie met de wolven te vergeten. Erg vrolijk is haar reactie als ze zich weer tot me wendt: “Dus je bent erg goed met dieren, ik had eerder verwacht dat je bang van ze zou zijn.” De kleine vrouw doet een stap naar voren. “We kunnen haar onmogelijk inschrijven in het normale lesprogramma, dat zal ze niet aankunnen, vrees ik.” Ik merk al snel dat de lange roodharige dame de directrice moet zijn van dit hele instituut en dat hier enkel de meest belangrijke en rijke superiorenjongeren huizen en les krijgen. Ze knikt instemmend. “Agatha, kun je me zeggen of ze iets nodig heeft? Dan kunnen wij dit intussen bespreken.” De kleine vrouw die dus Agatha heet, komt naar me toe en kijkt me diep in mijn ogen. Ik durf niet weg te kijken, hoe graag ik ook wil. “Enkel een bad en wat eten, lijkt me. En ook andere kleren, deze zien er niet uit.” Voor dat laatste heeft ze haar gave niet moeten gebruiken, dat kan ik zo ook wel zeggen. De directrice knikt nog een keer en stapt dan gracieus naar me toe. “Wat is je naam, meisje? Ik zou het gemakkelijk vinden om je te kunnen aanspreken met je naam.” Ineens staat Amelie daar. “Ze is erg stil, volgens mij gaat ze niets zeggen.” Ik denk niet dat het onaardig bedoeld is, maar zo klinkt het wel. Ik kijk hen aan terwijl Archen zijn dochter bij de arm pakt en tegen haar zegt in gedempte stem: “Kom Amelie, jij moet je hier niet mee bemoeien.” Teleurgesteld volgt ze haar vader naar buiten. Van zodra ze Agatha passeert, zie ik hun gelijkenissen; lang blond haar, een kleine neus en kleine ogen. Dus zij zijn haar ouders. Toch vind ik het vreemd dat ze überhaupt ouders heeft, maar dan hoor ik haar ‘mama’ zeggen tegen iemand compleet anders in de gang. Verward kijk ik ze na, maar dan vraagt de vrouw voor me mijn naam weer. Ik kijk haar aarzelend aan en zeg dan: “Rozen.” Ze glimlacht. “Rozen,” herhaalt ze. Ze stapt naar achteren en zet zich terug op haar stoel. “Rozen, ik heb gehoord van je moeder en je broer, hoe ze hebben moeten sterven. Ze schudt langzaam haar hoofd alsof ze echt met me meeleeft, maar dat doet ze toch niet. “Vanaf nu kun je hier wonen, hier zul je veilig zijn voor de rest van je korte leven.” Natuurlijk moet ze het er extra inwrijven. Ja, ik weet dat ik waarschijnlijk korter leef dan de meesten hier. Ik ontwijk gekwetst haar gezicht en voel dan Agatha’s hand op mijn arm. “Kom, ik fris je even op.” Ze begeleidt me de trappen op naar een grote badkamer aan het einde van een van de gangen. Daar laat ze een groot bad vollopen, wat niet meer dan een tiental seconden duurt, en begint dan allerlei zeepjes en andere dingen bij elkaar te zoeken. Ze komt terug met een paar grote handdoeken en een arm vol lekker ruikende dingen. Achter een scherm kleed ik me uit om vervolgens in het dampende bad te stappen. Ik laat het hete water mijn verkleumde botten verwarmen, maar kan me maar niet ontspannen. En hoe graag ik ook zou willen blijven liggen, zakt het waterpeil al na tien minuten weer en krijg ik een handdoek toegestoken. Langzaam droog ik me af terwijl ik de kamer wat beter bekijk. Hij is groot, groter dan welke badkamer ook die ik ooit heb gezien. Er staan ook zeer vreemde spullen in waarvan ik de naam niet ken. Als ik naar de jurk reik die Agatha voor me klaar heeft gelegd, zie ik dat ook deze jurk wit is. Hij is zijdezacht en valt in lange plooien perfect om mijn magere lichaam heen. Verbaasd draai ik me om en zie mezelf in een manshoge spiegel. Mijn haar is nat en door de war, maar mij ogen zijn helder blauw. Precies zoals ze zouden moeten zijn. Soms kunnen mijn ogen wel eens van kleur veranderen, dat ligt aan de lichtinval en hoe ik me voel vooral. Ik zie er zelfs mooi uit. Een beetje beschaamd kijk ik weg als ik ineens Agatha’s hand om mijn haar voel. “Kom, ik doe je haar,” zegt ze en begeleidt me naar een kapstoel in een hoek van de kamer. Ik laat me zakken op de verbazend zachte kruk en terwijl zij onmogelijk snel mijn haar kamt, bekijk ik haar gezicht. Toen ik haar voor het eerst zag, leek ze me eerder een strijdlustige vrouw. Maar nu ik zo naar haar kijk, doet ze me denken aan een moeder. Ik moet weer denken aan de gelijkenissen tussen haar en Amelie, maar ik weet dat dat ook gewoon toeval kan zijn. Als mijn haar knoopvrij is, kijkt ze me aan door de spiegel, bedenkend wat ze met het dikke blonde haar in haar handen moet doen. Dan glimlacht ze bij een ingeving en begint mijn haar volledig in te vlechten. Het resultaat is dan ook schitterend en weer staar ik verbazend naar mijn eigen spiegelbeeld. Thuis hebben we niet eens een spiegel en daar moet ik gewoon mijn haar op een staart doen. Ik krijg het nooit zo mooi gekamd, zelfs mijn moeder niet. “Helemaal klaar,” zegt Agatha tevreden. Ze geeft me witte sandalen aan met een klein zilver steentje bovenop het bandje. Ze passen me perfect, maar daar zal ik niet meer verbaasd over zijn. Ze zorgen er hier wel voor dat alles perfect past. Dan loopt ze zonder iets te zeggen de kamer uit, verwachtend dat ik haar volg. Snel loop ik achter haar aan, maar ze is veel sneller dan ik, dus moet ik bijna rennen. Ik volg haar naar beneden, maar het lijkt alsof we deze keer een heel andere weg hebben genomen om naar beneden te gaan. We komen hoe dan ook uit in het kantoor van de directrice. Op het naamplaatje op de deur zie ik ‘Mevr. Linea Larden’ staan. Wat een vreemde naam. Binnen valt het drukke gesprek ineens stil. Ik zie hoe de oude man met de grijze baard zich in een stoel laat zakken en even staat mijn hart stil. Het is de gedachtelezer weer. “Ja, je hebt gelijk.” Ik kijk op als hij ineens de stilte verbreekt en lacht dan in de richting van een jongeman in de hoek van de kamer. Blijkbaar is Archen ook weer terug gekomen, alleen kan ik geen beeld van zijn gave krijgen. Als enige in de kamer ziet hij er nog enigszins normaal uit. Amelie is nergens meer te bekennen en Agatha staat nog steeds naast me. Dan staat Linea op uit haar hoge stoel en schrik ik van haar lengte die me nog niet eerder is opgevallen. Ze is bijna twee koppen groter dan mij en moet zich voorover buigen om mij in mijn ogen te kijken. “Ik ga je een rondleiding geven rond het hele instituut, dan kun je al wat wennen en hoef je niet weer te verdwalen. Intussen zal ik je uitleggen waarom we jou hier zo graag willen hebben. Maar eerst; je kamer. Je zult hier een tijdje blijven, dus zul je daar slapen.” Ze is intussen al voorbij me gelopen en draait zich om naar Agatha. “Jij zorgt voor een goed uurrooster, ik ben terug over enkele uurtjes.” Agatha lijkt het bevel heel normaal te vinden, maar voor mij komt het over alsof ze een hond commandeert. Met een beklemmend gevoel loop ik achter haar aan, mij alweer haastend. Ik zal me hier echt aan moeten aanpassen, wil ik er wat bij horen. We lopen naar een trap aan het einde van een compleet andere gang die ik nog niet eens had zien liggen tussen al die andere gangen en deuren. Ook deze gang is breed en leidt naar een grote wenteltrap. Om de trap heen zijn overal ramen waardoor je naar buiten kan kijken. We bevinden ons aan de achterkant van het gebouw en het uitzicht op het plein beneden is prachtig. Voor het eerst zie ik andere superiors en ze zijn met een stuk of honderd op z’n minst. Hun leeftijden gaan van ongeveer vier jaar tot twintig en ze lijken zich goed te vermaken. Ik merk dat ik zit te treuzelen en dat Linea al lang boven is, dus haast ik me de trappen op en kom buiten adem boven aan. Ze moet lachen en loopt dan iets rustiger verder. We lopen helemaal naar de westkant van het gigantische gebouw terwijl ze me uitlegt dat dit gebouw hier al vijf eeuwen staat. Meer zelfs. Dus ik heb wel gelijk; twintigste eeuw. Ik kijk vol bewondering naar het versierende houtsnijwerk van de eeuwenoude lijsten rond de al even oude schilderijen en vraag me af hoeveel dit wel niet gekost moet hebben. Na een tijdje wandelen, komen we aan in een gang met om de vijf meter een identieke deur. Helemaal de laatste deur van de gang zwaait ze open en ik stap binnen in een van de chicste en meest rijkelijk versierde slaapkamer die ik ooit heb gezien. “Dit zal vanaf nu jou kamer zijn.”    3.   Superior students Ik zie hoe vol ze is van zichzelf als ik verwondert de kamer rondkijk. Ze glimlacht tevreden en geeft me maar kort de tijd om de ruimte wat beter te bekijken. “Mooi, hè? En dit,” ze opent een klapdeur, “is je eigen badkamer.” De badkamer is net iets kleiner dan degene waar ik net nog in was, maar net zo rijkelijk versierd en met een groot matglazen raam in het midden van de muur links van de deur. Als ik een rondje heb gemaakt door de badkamer en terug in het slaapgedeelte kom, besef ik pas hoe hoog we zitten. Volgens mij is dit de vijfde verdieping en is hierboven enkel nog het dak. Dan merk ik de twee grote glazen deuren links van de gangdeur op. Ik heb blijkbaar ook een heel balkon voor mezelf. Als Linea de deuren open doet, houd ik mijn adem in. De windvlaag die over mijn wangen strijkt, is ijskoud. Ik zet snel een stap opzij, uit de wind, maar Linea lijkt het niet te merken. Met mijn armen om mijn middel geslagen stap ik wat dichter naar de deur toe, want anders kan ik niet verstaan wat Linea zegt. Zij bevindt zich inmiddels al op het balkon en spreid haar armen in de wind. Haar haar lijkt amper te bewegen, hoewel de wind redelijk hard is. Dan pas merkt ze dat ik haar niet gevolgd ben naar het grote balkon en draait ze zich om. “Oh, je hebt het koud,” mompelt ze en kijkt zoekend de kamer rond. Dan loopt ze naar mijn inloopkast en trekt die open, om te constateren dat die zo goed als leeg is. “Hier moet nog iets aan gedaan worden,” besluit ze en trekt er een crèmekleurige lange jas uit. Het stuk is zwaar en zacht aan de buitenkant, gemaakt van een zeer dikke stof die mijn schouders helemaal naar beneden trekken zodra ik hem aan heb. De jas komt bijna tot aan mijn enkels en Linea ziet ook wel dat dat hij iets te groot is. “Kom,” beveelt ze dan en mijn hart maakt een sprongetje. Ik haast me weer achter haar aan, de kamer uit en hoop dat ik kan onthouden waar ik woon vanaf nu. Ik kijk nog snel achter me om het nummer van de vanzelf sluitende deur te onthouden. 153. De laatste deur op de gang aan de rechterkant van het gebouw, gezien vanaf de voorkant en op de vijfde verdieping. Ook de andere helft van het symmetrische gebouw bevinden zich kamers in aflopende cijfervolgorde. Dus ik heb wel degelijk de laatste kamer, maar nu vraag ik me af of ze ook allemaal bezet zijn. Ik adem de oude geur van het behang in en kijk naar Linea die al bij een trap is aangekomen. Omdat de president heeft besloten dat liften nutteloos zijn, tenzij voor hen die geen trap kunnen lopen, zijn er nu bijna geen liften meer te vinden. Op een grote klok aan de muur zie ik dat het halfvier is als er ineens een leuk klinkende bel gaat. Het klink als een zingende vogel die erg vrolijk is op dat moment. Ik zie door de vele ramen dat de kinderen naar buiten stromen en sommigen springen zelfs uit het raam. Superiors tonen zich graag. De schooldag is voorbij. Ineens staat de altijd zo snelle Linea stil. Ze draait zich om, net voordat ze de trappen af wil gaan en ziet een jongeman met een vreemd uitziend elektronisch ding afkomen. “Mevr. Larden, het uurrooster,” zegt de jongeman beleefd en geeft het aan haar. Ze pakt het snel uit zijn handen en kijkt er enkele seconden naar. Dan glimlacht ze en zegt: “Ze heeft weer eens uitstekend werk geleverd.” En dan tegen mij: “je kunt morgen al meteen mee met de rest naar school. Dan heb je twee dagen vrij want het is weekend, en dan weer vijf dagen school… je kent het systeem wel.” Ik knik wat nerveus naar haar. Ik weet hoe scholen werken. Dan zegt ze naar buiten starend: “Ga maar naar de anderen. Als ik je nodig heb, zal ik je wel roepen. En iedereen weet al wie je bent.” Lachend loopt ze naar beneden op een tempo dat ik onmogelijk kan volgen. Ik aarzel even en loop dan op een traag tempo naar beneden. De trappen zijn lang, maar als ik ze gewoon volg, kom ik toch op de begane grond terecht. Ik zie nog wat superiors naar buiten lopen en haast me achter hen aan. De deur sluit net voor me en met veel moeite probeer ik hem terug open te trekken, maar de deur is te zwaar en gaat amper open. Ineens vliegt hij open en staat er een grijnzende jongen achter. “Hé, jij bent de mens, niet?” hij houdt de deur verder voor me open en nerveus loop ik snel naar buiten. “Ik ben Vensius, maar je mag me Ven noemen,” zegt hij met een vrolijke en luide stem. Als ik niets zeg, loopt hij met een verveelde blik terug weg naar een groepje die me aan zitten staren. En het is niet alleen dat groepje, maar ook de rest van de superiors voor zover ik kan zien, kijken naar me. Ik weet zeker dat ze nog nooit een mens hebben gezien, maar ik staar niet terug. Ik heb al veel superiors gezien en ik ben al heel mijn leven bang van ze. Dus me opsluiten tussen superiors, is geen goed idee. “Je moet haar niet zo pesten.” Ik schrik op van de stem naast me en kijk op terwijl ik een stap opzij doe. Maar aan de andere kant staat ook iemand en bijna bots ik tegen hem op. Het groepje is om me heen komen staan en bekijken me alsof ik een net ontdekt wild dier ben. Ze kijken tot mijn verbazing allemaal verbaasd, maar het meisje dat net gesproken heeft, zegt: “Rozen, je kunt wel met ons mee gaan. Anders ben je ook maar alleen en loop je misschien nog verloren.” Ik hoor wat gegrinnik achter me, maar let er niet op. Ze raakt me voorzichtig aan en pakt dan zachtjes mijn bovenarm om me vervolgens mee te trekken naar een picknicktafeltje ergens onder een van de vele bomen. Nu we niet op de vijfde verdieping zijn, is de wind een stuk rustiger en ook minder koud. Ik ga tussen de twee meisjes in zitten als ze me mijn plek aanwijzen. “Dus Rozen, ik zal je even de groep voorstellen: Dat is Cock met zijn altijd rode truien. Hij heeft iets met kleuren, maar hij werkt er nog aan om precies uit te vinden wat. Dan heb je rechts van mij Sandie, hij kan elk verschil in smaken proeven en precies zeggen wat er in het eten zit. Maar ook zonder te proeven, denk ik. En links van jou is Lilly, zij heeft iets met evenwicht. Vandaar ook die ronde kleine voeten van haar. Ze kan haar evenwicht op alles behouden. En dat daar is Jona, hij onthoudt alles. Ze dachten eerst dat hij een klein waterhoofd had, maar eigenlijk is dat gewoon gevuld met extra hersenen. Bijzondere jongen, dat is hij zeker, maar niet bepaald down to earth. We vergeten hem vaak.” Ze lacht even en gaat dan snel verder: “En ik ben Julia, ik kan heel mooi zingen, maar er is niemand om me te begeleiden. En ik kan totaal geen maat houden waardoor het vals klinkt.” Ze kijkt beteuterd naar haar handen. “We hebben wel muziekinstrumenten, maar niemand kan ze echt goed bespelen. Er bestaan geen gaven voor.” Ik kan me nog herinneren dat mijn moeder op de oude piano in de woonkamer speelde. Het ding werd aan ons gegeven omdat het geen waarde meer had en niemand er op kon spelen. Als ze al wisten wat het was. Ineens zeg ik: “Ik kan piano spelen.” Ik ben verbaasd van mezelf, maar ook wel een beetje trots. “Echt? Dat is geweldig!” Julia springt op en loopt meteen in de richting van het gebouw. “Oh nee, niet weer,” mompelt Jona en staat ook op. Iedereen heeft de deur al bereikt als ik de trappen nog moet opklimmen. Sandie houdt de deur voor me open en als laatste lopen wij naar binnen. Julia staat al naast een gigantische vleugel in de inkomhal die er waarschijnlijk al eeuwen staat en nooit is gebruikt. Misschien moet ik hem wel opnieuw stemmen, maar stiekem hoop ik van niet. Dan duwt ze een stapeltje oude papieren in mijn hand waar allerlei noten op staan. “Ik ken de tekst, maar ik heb geen idee hoe je het moet zingen,” zegt ze. Ik ga op de pianokruk zitten en leg mijn handen op de grote toetsen. Vroeger had mijn moeder me geleerd hoe je moest spelen en ik was er altijd erg goed in. Het is gelukkig niet lang geleden en voorzichtig sla ik de toetsen aan zoals op het papier geschreven staat. De noten zijn makkelijk te lezen, hoewel het is geschreven in een lelijk handschrift. Als ik een paar seconden heb gespeeld, herken ik het melodietje en speel verder zonder naar de partituren te kijken. Dan begin ik zachtjes te zingen en als Julia doorheeft hoe het gaat, zingt ze mee en overstemt ze me helemaal. Ze heeft inderdaad een prachtige stem en ik kan mijn ogen niet van haar afhouden. Ze heeft duidelijk talent en maakt er een hele show van. Ze draait rond en wandelt langs de toestromende kijkers. Ze kijken allemaal erg geamuseerd toe tot het lange lied is afgelopen en ik er een einde aan maak. Dan klinkt er een verrukt applaus. Ik ben dus nog ergens goed voor. Ineens staat Amelie naast me. Ze raakt me niet aan, maar ik voel haar aanwezigheid en schiet recht van de kruk. Ze lijkt verbaasd door mijn reactie, maar zegt op rustige toon: “Ga je mijn konijn nog africhten?” Ik ben een beetje van mijn loodje geslagen, maar knik dan. Ze maakt me echt bang. Dan brengt iemand achter haar het kooitje met het pluizige beestje naar voor. Meteen heb ik medelijden met hem. En moet ik dat echt hier doen in de inkomhal? Het beestje is doodsbang en het verbaasd me dat het nog niet gestorven is van de stress. Gelukkig komt Linea op dat moment naar voor en duwt het meisje met haar konijn in de richting van de trappen terwijl ze zegt: “Dat beest moet hier niet rond kruipen. Doe dat maar een andere keer.” Er klinkt weer gelach als Amelie afdruipt, maar ze is weer snel vergeten. “Dat was prachtig,” zegt een kalende man naast me ineens. Ik heb hem nog niet eens zien staan doordat ik heel de tijd naar Julia heb zitten staren. Hij heeft een vreemd hoofd, klein en rond met een kale plek bovenaan. Ook heeft hij een grijs sikje en al bij al ziet hij er grappig uit. Maar niemand lacht hem uit en ik ben te nerveus om ook maar te reageren, dus zegt hij: “Ik ben de muziekleraar hier en ik zou je hulp wel kunnen gebruiken.” Blozend kijk ik naar mijn handen en knik dan. De man glimlacht. “Ik heb gehoord dat je hier les komt volgen. Morgen, het derde uur heb je muziek. Ik ben benieuwd naar wat je nog allemaal kan. Je zit bij Julia in de klas, dus zij zal je de weg wel tonen.” Ik knik weer na zijn uitleg. Ze zijn wel erg snel met het voor elkaar krijgen van dingen als deze. Julia staat grijnzend voor me. “Nu kan ik eindelijk zingen!” Ik kan de opluchting in haar stem horen en glimlach. Ik denk dat ik zowaar vrienden heb gemaakt. Het duurt dan ook niet lang of de superiors komen nieuwsgierig om me heen staan. Een beetje ongemakkelijk sta ik in het midden van een grote kring om me heen. Ze leiden me naar buiten, want drukte moet altijd buiten, en vuren dan ontelbare vragen op me af. Ik sta met mijn rug tegen een boomstam gedrukt en durf niets meer te zeggen. “Hoe oud denk je dat je zult worden?” “Hoe is het om ziek te zijn?” “Wat voel je nu?” Maar als ze merken dat ik zo goed als niets zeg, beginnen ze hun antwoorden te gokken. Uiteindelijk slinkt de groep tot ik de superiors weer herken. Het is Julia die als eerste weer iets zegt als de stilte is gevallen. “Ze kunnen soms nogal druk zijn en ik zie dat je daar niet zo goed op reageert. Kom, laten we naar een rustiger stuk bos gaan en daar wat bijpraten. Het is toch eerlijk dat jij iets van jezelf verteld nu wij iets van onszelf hebben verteld?” De anderen stemmen meteen in en ik knik maar weer. De superiors lopen snel, maar wachten wel op me als ze merken dat ik wat achter lig. “Je zegt wel niet veel, hè?” Zegt Jona naast me. Hij komt aardig over, dus waar ben ik dan nog bang voor? Archen heeft wel gelijk over de school: ze zullen me hier geen pijn doen. We lopen niet lang en komen zo aan bij een groepje stenen. Iedereen neemt meteen plaats en aarzelend ga ik zitten. Mijn steen staat in de zon waardoor ik als enige verlicht ben. Lilly lijkt het grappig te vinden. “Ik stel voor dat iedereen een demonstratie geeft van zijn of haar gave en dan ben jij aan de beurt.” Nog voor we instemmen, springt Lilly al recht. “Ik eerst!” Ze huppelt naar een hoge boom en springt behendig op een tak. Daar gaat ze op haar tenen staan tot enkel nog haar grote teen de tak lijkt te raken. Ze haalt vreemde trucjes uit, maar blijft staan waar ze staat. Dan springt ze weer op de grond en zonder te wankelen komt ze weer recht. We geven haar een klein applausje en nu staat Cock recht. “Wat ik weet over mijn gave, is dat ik dingen van kleur kan veranderen en daardoor iets over het voorwerp te weten kom. Alleen heb ik nog geen idee hoe het precies in zijn werk gaat, dus ik zal maar wat doen.” Hij haalt eens diep adem en opent dan zijn handpalm waarin een rode knikker ligt. Hij concentreert zich terwijl ik de knikker duidelijk van kleur zie veranderen. Langzaam krijgt het een rozige kleur tot hij helemaal wit wordt. “Wit,” mompelt hij. Dan aarzelt hij en zegt: “Volgens mij betekend dit dat e knikker bedoelt is om mee te spelen.” Bedoelt om mee te spelen? Ineens weet ik waarvoor de kleur wit staat. “Plezier. Wit staat voor plezier,” zeg ik zachtjes. Cock kijkt verbaasd op. “Hoe weet je dat? Ik bedoel, hoe kun je daar nu zeker van zijn?” Ik schud mijn hoofd. “Ik ben er ook niet zeker van.” Het komt er maar fluisterend uit, maar het lijkt me ergens wel logisch. Dan grijnst hij. “Je bedoelt het gevoel? Daarom dat ik er niets van snap. Ik weet niet wat gevoelens inhouden.” Ik zie hoe opgelucht hij is en glimlach. Hij glundert helemaal en pakt nog iets vast, maar Sandie slaat het uit zijn handen en zegt: “Nu is het mijn beurt, Cock. Eerlijk is eerlijk.” Dan pakt Lilly haar sjaal en blinddoekt hem. “Kom maar op, ik proef alles!” roept hij enthousiast. Terwijl Lilly in haar tas rommelt, kijkt Julia over haar schouder mee. “Hier, deze.” Ik zie dat ze lipgloss vast heeft met aardbeiensmaak. Dat kan niet goed zijn, maar het zijn superiors. Het kan waarschijnlijk geen kwaad. Terwijl Sandie zijn tong uitsteekt, dipt Lilly haar lipgloss op zijn tong. Meteen trekt hij een vies gezicht. “Ieuw, lipgloss met aardbeiensmaak! Zijn jullie gek?” Maar Lilly kijkt naar het papiertje op de zijkant en spoort hem aan om de inhoud op te noemen. Hij haalt eens diep adem en begint dan van alles op te noemen waar ik nog nooit van gehoord heb. Als hij klaar is, krijgt ook hij een applausje. “Goed gedaan, hoor!” Iedereen grijnst en rustig lopen we terug naar het grote gebouw waar iedereen woont. Het valt me ineens opdat Jona er niet bij is.    4.   Guarded Het avondeten is niet zo slecht als ik had gedacht. Veel superiors eten niet of vreemde dingen, maar er zijn er genoeg die nog normaal eten. Zoals Jona; hij is niet met ons mee gekomen, omdat hij honger had. Als enige zit hij al in de grote eetzaal als wij binnen stappen. De ruimte is langwerpig en heeft mooie schuine hoeken waar telkens ouderwetse kandelaars aan hangen. De lampen die het eigenlijke licht verspreiden, zijn hier veel te fel voor. We zijn de eersten die voor het avondeten komen, dus we hebben ruim de keuze uit eten en zitplaats. Niet dat het iets uitmaakt. Hoewel superiors niet erg sociaal zijn, gaan we toch bij Jona zitten. Uit gewoonte, lijkt me. Ook heeft niemand hier vrienden, men gaan bij elkaar zitten omwille van interesses. Het verbaasd me dan ook niets als het gesprek stilvalt. Enkel Lilly en Jona zeggen zacht iets tegen elkaar. Het is vreemd om te zien hoe ze hier met elkaar omgaan; niemand voelt schaamte als ze te dicht bij elkaar komen, niemand zal er ook ooit spijt van krijgen. Ik kijk naar het bord voor me waar dampende aardappeltjes op liggen en sla die er nog redelijk normaal uitziet. Eigenlijk is dat het enige normale dat ik tussen de rest heb gevonden. Ik eet maar heel langzaam terwijl de rest al na vijf minuten hun bord leeg hebben en naar me staren. Ik heb nog maar de helft van mijn sla op en merk op hoe iedereen me bekijkt. Snel werk ik de rest naar binnen, hoewel ik totaal geenhonger heb van de zenuwen, en het duurt dan ook niet lang of we gaan naar boven. De trappen zijn vermoeiend, maar ik geraak toch boven zonder hulp. Wel als laatste uiteraard. Terwijl iedereen zich naar rechts begeeft, loop ik als enige naar links en haast me naar mijn kamer. Hoewel het nog maar negen uur ’s avonds is, ben ik volledig uitgeput en ik kijk verdwaasd de kamer rond. Mijn hoofd voelt aan alsof het vier kilo is aangekomen de laatste paar uur en ik kan de waas er maar niet uit krijgen. Het voelt alsof ik in een droom leef. Met een zucht stap ik de lichte badkamer binnen en was me snel met koud water. Niets is beter dan koud water, hoewel ik nu liever in mijn harde bed thuis zou willen liggen. Zelfs nog liever dan het zachte bed in de kamer hiernaast. Ik trek de jurk uit en doe de kleerkast open die, zoals ik al verwacht had, helemaal gevuld is met kleren in mijn maat. Ze moeten gedacht hebben dat ik van wit houd, want alles is wit gemengd met lichte pastelkleuren. Het ziet er mooi uit, maar totaal niet vertrouwd. Achter een smal deurtje van de kast zit een lege ruimte waar je enkele hangertjes in kunt hangen. Mijn vader heeft me uitgelegd hoe deze dingen werken; je hangt je kleren erin en na enkele minuten zijn ze volledig gewassen. Dus ik hang mijn jurk erin en kruip dan in het veel te grote bed. Ik zou dit bed zelfs nog kunnen delen met twee andere personen. Ik zink weg in de zachte en luchtige kussens terwijl ik het zijdezachte laken over me heen trek. Ik merk dat iemand een klein raampje open heeft gezet en de koude lucht bezorgt me kippenvel op mijn blote bovenarm. Ik ril, maar ben niet van plan het raam dicht te doen. Met het laken tot over mijn oren opgetrokken val ik in slaap terwijl buiten de superiors die niet slapen, allerlei spelletjes doen in de vallende nacht. Ik word gewekt door een bel op de gang en meteen hoor ik gestommel. Ik haast me uit het grote bed en voel de zon op mijn huid. Gisteren heb ik de gordijnen niet dicht gedaan, dus nu is het helemaal licht in mijn kamer. De jurk uit het wasgedeelte ruikt heerlijk fris, maar toch doe ik een andere aan. Deze heeft blauwgroene laagjes en een blauwe rand vanboven en ook onderaan. Hij komt tot net boven mijn knieën en snel zoek ik tussen de vele schoenen iets bijpassends. Dat is niet moeilijk; alles is wit of bruin met dezelfde pastelkleurtjes als de jurken. Ik kies sandalen uit en zoek een jas die erover past. Het lijkt me niet dat het ineens warm gaat worden vandaag, dus trek ik hem aan. Dan loop ik naar de spiegel en bekijk mezelf. Ik sta ervan versteld hoe mooi ik eruit zie in deze jurken, maar ook deze keer kijk ik beschaamd weg. Ik heb nooit graag naar mezelf gekeken en ik weet ook niet waarom. Gewoonte denk ik, of misschien omdat ik zo veel op mijn moeder lijk en het me aan haar doet denken. Ik zie de grote verscheidenheid aan make-up op de kaptafel liggen, maar negeer het. Ik ben nooit een fan geweest van make-up. Dan haal ik diep adem en doe de deur open, niet verder dan een kier. Superiors lopen in en uit de kamers, sommigen gaan naar anderen hun kamers om die personen te helpen met hun haar of om kleren uit te lenen. Als ze mij zien, lachen ze en lopen dan gewoon door. Ik ben blij dat ze niet meer zo staren, maar toch voelt het vreemd. Ik loop langzaam door de gang naar de trappen die al overbevolkt blijken te zijn door de vele superiors die graag een vroeg ontbijt hebben. Ik volg ze naar beneden. Terwijl de zonnestralen mijn koele huid verwarmen, zoek ik een plaatsje in de grote eetzaal. Ik moet niet lang wachten of er komen al enkele anderen om me heen zitten. Een meisje dat ik nog niet ken en zich voorstelt als Lydia gaat recht tegenover me zitten. Haar haar is kortgeknipt en staat in wilde plukken recht overeind terwijl haar gezicht zacht en aardig staat. Ze eet een appel alsof het haar leven bevat. Het geluid van de voeten van de zwijgzame leerlingen is nauwelijks hoorbaar op de stenen vloer en het licht van de kaarslichten maakt vreemde grijze schaduwen op alles. Ik heb net besloten om niets te eten als

Jacintha Ongenaert
0 0

Forever

   Prologue You know me or you don’t, but I suggest you stay the hell out of my life. I was born and raised like a slave, a prototype of something. And I don’t even know what I am. What I do know is that I don’t need anything or anyone, and that there is no way you can kill me. None found for over a thousand years ether. So stay away from me ‘cause I simply don’t want to know you. You don’t know me and you don’t know anything of my world. So let’s keep it that way.    1.    My world, my life “Je kunt ook gewoon met me meegaan.” Zijn stem had een leuk accent, maar ik vertrouwde hem niet. “Ik heb jou verteld wat ze van me hebben gemaakt, nu is het jou beurt. Dat is wel zo eerlijk,” zei Brock. De twee stonden voor me, de ene lang en breed, de andere klein en krom en waarschijnlijk dronken. Hij had wel een punt, het was wel zo eerlijk als ik mijn verleden zou vertellen, maar ik ging mijn leven niet gewoon aan de neus van een stelletje vreemdelingen hangen. Ik kende de naam van de kleine: Brock, maar dat had ik ook gewoon ergens gehoord. De lange had een leuk accent en hij leek me zo’n type die je moest imponeren voor ze iets voor je doen. Ik had geen zin om hem alles haarfijn uit te leggen. Trouwens, hij had me al zien vechten, kon hij het daarvan niet afleiden? Waarschijnlijk niet, het was een stuk ingewikkelder dan dat. Ten eerste: hij had geen idee wie ik was. Ten tweede: hij dacht dat hij iets over mensen als ons wist, maar dat deed hij dus niet. Daar was ik wel zeker van. En dan nog iets: hij vond dat hij erg veel geleden had en wilde het hen nu betaald zetten met de gaven die ze hem gegeven hadden. Dat was geen stijl. Nee serieus, dat had ik al duizend keer gezien bij mensen als hij. Of misschien was ‘mensen’ niet helemaal het goede woord. Ze hadden me vastgeketend met zware kettingen aan de muur. De ringen rond mijn polsen en enkels sneden in mijn vel en ik was er zeker van dat ze diepe afdrukken maakten in mijn vel. Ik hoorde hen lachen in een kamer naast me, blijkbaar was er iets te vieren. Langzaam werd het stil tot ik uiteindelijk de voetstappen kon horen die naar mijn cel leidden. De deur ging krakend open en de hele groep kwam binnen. Ik had ze nog nooit allemaal samen gezien, dus dit moest een soort van eer zijn, misschien hadden ze eindelijk ontdekt waar ze al zo lang naar aan het zoeken waren, wie weet. De dokter die mij maar al te bekend voorkwam, stapte recht op me af met iets in zijn handen. Ik keek er argwanend naar. Dit was nu al zo vaak gebeurt, maar nooit had dit het effect op me gehad dat ze wilden. Misschien zochten ze een geneesmiddel, of misschien wel een ziekte. Ik had na al die jaren nog steeds geen idee, maar wat ik wel wist, was dat ik hun favoriete proefpersoon was. Dat was ook niet moeilijk aangezien ik nooit tegenstribbelde. Dat had ik afgeleerd met de jaren dat ik hier al zat, en dat was lang. Ik was nu acht jaar en waarschijnlijk was ik hier geboren. Ik had nooit een andere plaats als deze gekend. De dokter hield het voor mijn neus en ik wist al meteen dat het geen drankje was als al die vorige keren. Het prikte in mijn ogen dus ik knipperde. Toen nam de dokter een mes en greep mijn arm. “Nee, nee, nee.” Iemand achter hem kwam hoofdschuddend naar voren en legde een hand op zijn schouder. Het was zijn vrouw die zeker twintig jaar jonger leek dan de grijze man voor me. “De nek, dat lijkt me het effectiefst.” Hij keek haar dankbaar aan, maar met een gezicht van steen draaide hij zich weer om en verplaatste het mes naar mijn nek. Langzaam maakte hij er een diepe snee in, en toen nog een. Een kruis in mijn hals. Terwijl ik hevig bloedde, goot hij het spul over de wond. Hij wilde het spul in mijn bloed. Snel legde hij er een doek op om het bloed te stelpen. De kleur van hetgeen er nu nog uit liep, was niet meer rood. Het was eerder zwart. Ik voelde mijn aders verdikken en wachtte op de pijn. Normaal gezien voelde ik bij dit soort dingen prikken in mijn armen en benen, en een hevige pijn. Maar deze keer was het anders. Deze keer was het rechtstreeks in mijn bloed gegoten. Hij moest wel erg zeker van zichzelf zijn dat hij meteen de proef op de som wilde stellen. Maar toen begon ik het effect steeds beter te voelen: mijn hals kreeg het langzaam koud, alsof ik aan het bevriezen was, en verspreidde het steeds verder. Ik kon me niet meer bewegen, mijn spieren waren verlamd. Mijn ogen vielen dicht en ik voelde hoe de kou over mijn gezicht trok. Ik merkte dat ik ineens niets meer hoorde. Ik kon bijna niet meer ademen en mijn mond werd droog. Ik probeerde hem te openen om naar lucht te happen, om te schreeuwen misschien, maar er gebeurde niets. Toen kreeg ik mijn gehoor terug. De kettingen rammelden tegen de muur en ik besefte dat het mijn armen waren die trilden. Ik kon terug bewegen! De stemmen om me heen klonken verward, alsof ze deze keer echt iets anders hadden verwacht. De andere keren hadden ze niet geweten wat te verwachten, maar nu bleek mijn reactie toch niet de juiste te zijn. Er was iets mis. Er moest iets mis zijn. Iets was fout gegaan, en nu zouden ze erachter komen. “Hé!” Iemand duwde tegen mijn borst, maar ik reageerde niet. Ik wilde niet weten wat ik zou zien als ik mijn ogen open deed. “Dat meisje heeft echt geen idee wat er aan het gebeuren is, laat haar toch even.” Haar stem klonk bekend in mijn oren, maar toch anders. Duidelijker, zuiverder. Ik probeerde me te herinneren of ik haar ooit had horen zingen, maar kwam al snel tot de conclusie dat er niets aan haar stem verandert was. Ik hoorde het gewoon anders. Ik opende mijn ogen en merkte dat ik alles ook anders zag. Het beeld voor me leek even op pauze te staan terwijl ik het analyseerde. De oude dokter voor me leek zelfs ouder dan anders, zijn rimpels waren duidelijker dan ooit. Ik kon zelfs zijn oogkleur zien, ondanks de donkere schaduw die altijd over zijn ogen leek te hangen. Zijn vrouw kon ik nu beter inschatten qua leeftijd: eind veertig. Ze was dus niet zo jong als ik dacht dat ze was. Ik kon zelfs de schilfertjes in haar haar zien zitten, ookal stond ze ruim drie meter bij me vandaan in de schaduw. Toen ik knipperde, keek de dokter al recht in mijn ogen. Ik hoefde niet na te denken over wat hij me nu ging vragen, het was altijd hetzelfde. “Wat voel je?” Ik besloot om niet te antwoorden, ik vertrouwde mijn stem niet. Als mijn ogen en oren zo raar deden, hoe zou mijn stem dan klinken? Ik wilde niet eens weten hoe ik er nu uitzag, maar aan het gesprek dat gaande was in de groep mensen kon ik uitmaken dat het anders was. “Haar witte huid lijkt me niet gezond…” “Zag je haar bloed? Het was zwart…” “Haar aders zijn zo duidelijk zichtbaar, is dat normaal?” Wat denk je, mijn huid is wit en mijn bloed is zwart, leek me duidelijk. Maar ik toonde geen enkele emotie. In plaats daarvan focuste ik me op de omgeving die een vreemde indruk op me maakte. Ik kon duidelijk de vochtigheid in de ruimte voelen, de stenen waren koel, maar niet koeler dan mijn vingers. “Is ze dood? Ik bedoel, ondood?” “Geloof je nu echt in zulke verhalen? Natuurlijk is ze niet ondood, heb je haar zien sterven misschien?” Ik voelde de warme vingers van de dokter tegen mijn hals, de andere kant dan waar hij me gesneden had, en concludeerde van niet. “Haar hart klopt nog, maar ik weet niet voor hoe lang nog.” “Wat eet ze, denk je?” “Laten we bloed proberen…” Toen begreep ik het; ze wilden een vampier van me maken. Maar ik voelde me niet anders dan normaal, moest ik toegeven. Of eigenlijk wel een beetje: ik voelde bijna niets meer, behalve dan de kleinste trilling in de lucht en de warme adem van de mensen om me heen. Ik had geen honger, maar dat was ook niets verschillend met normaal. Terwijl ik zo mijn lichaam langsging om te voelen of er verder iets verandert was, sneed iemand in haar arm. Ik kon duidelijk de geur van het bloed ruiken, maar ik reageerde er expres niet op. Ik wilde hen dit plezier niet gunnen. Intussen hing ik erbij alsof ik aan het sterven was, en misschien was dat ook wel zo. Ik had – op mijn trillende handen na – nog niet bewogen en staarde schuin naar beneden. Naar de grond die zich ver onder mijn voeten bevond. Ikzelf stond op een hoge steen waar ik vanaf zou vallen zonder al deze kettingen. Ik merkte wel dat ze geen pijn meer deden aan mijn polsen en enkels, en ook dat ze niet meer in mijn huid sneden. “Wat moest er eigenlijk gebeuren?” vroeg een meisje op de achtergrond. Ik spitste mijn oren om het gesprek beter te volgen. “Ze moest heel sterk worden en zich uit haar gevangenschap bevrijden, maar ik had al wel verwacht dat het een mindere werking zou hebben op een mens. Je moet weten dat mensen ongeveer vijftig keer zo groot zijn als een muis…” Geen vampier dus, ook geen ziekte en ook geen geneesmiddel. Nee, hij wilde een supermens creëren. Maar om eerlijk te zijn moest ik zeggen dat hij best wel gefaald had, alweer. Ik voelde me alsof ik niet minder om de wereld kon geven en ik hier gewoon naar buiten zou lopen straks, een bloedbad achter me latend. “Kom, we geven het wat tijd.” Een andere man kwam naar me toe met een stevige lange ketting en bond me dubbel vast aan de muur. Een extra ketting, een extra ring om mijn polsen en enkels, een extra pin in de muur. Overal was aan gedacht. Toen lieten ze me alleen. Ik kon hun voetstappen langer horen weergalmen in de rotsige gang dan normaal. Misschien gewoon omdat ze met meer waren, misschien omdat mijn oren beter leken te zijn dan normaal. Net als mijn ogen, mijn gevoel in mij huid, mijn neus en misschien ook mijn smaak. Toen was het echt compleet stil. Ik spande de spieren in mijn armen op, hief mijn hoofd en trok. De twee pinnen aan de rechterkant schoten uit de muur. De pinnen aan de linkerkant volgden. Ik schopte mijn hiel tegen de steen waar ik op stond zo hard, dat er een stuk steen afbrokkelde. Maar ook hard genoeg om de ringen rond mijn enkels te doen breken. Toen ik sprong, kwam ik geruisloos en makkelijk neer op mijn benen. Zonder ook maar op de oneffen grond te letten, liep ik naar de deur. De spijlen die de kleine opening barricadeerden, leken veel te dun om iemand binnen te houden. Met een klik maakte ik de deur open. Hij zat misschien wel op slot, maar blijkbaar was het slot niet gemaakt op mijn kracht. Toen besloot ik te doen wat elk monster met zijn createur zou doen. Ik verliet de plaats, een bloedbad achter me latend.    2.   They don’t know Ik had hen verlaten zonder een woord uitleg. Als ze me wilden, kwamen ze me wel zoeken. En als ze me nodig hadden, konden ze me misschien nog vinden ook. Het lag eraan hoeveel moeite ze erin wilden steken. Ik had Brock iets horen zeggen over een nieuweling en dat die niets wisten, zeker niet als ze weggelopen waren. Ik wist precies waar ze het over hadden; ze dachten dat ik een nieuweling was, net getransformeerd, en dat ik was ontsnapt. Dat ik niets wist van deze wereld. Eigenlijk wisten ze er zelf niets vanaf. Ze hadden geen idee waarover ze spraken. De praktijken waar ze mij en die andere mensen voor hadden gebruikt, hadden wel degelijk een doel. Maar om te voorkomen dat alles verloren ging, hadden ze laboratoria in alle uithoeken van de wereld. Van het moment dat ze wisten hoe je iemand sterker, slimmer of sneller moest maken, begonnen ze met experimenteren. Daarvoor gebruikten ze kinderen van de straat, ze stalen ze en borgen ze ergens ver weg van alle beschaving. De meesten stierven, maar de eerste die overleefde, had het geluk om te ontsnappen. Dat was zo’n zevenhonderd jaar geleden. Ik wilde er niet eens aan denken. Het was niet pijnlijk, want ik voelde toch al niet veel, maar het was gewoon niet nú. Ik keek niet graag naar het verleden. Mijn huis had een prachtig uitzicht op de bergen en het grote grasveld ervoor. En het was allemaal van mij, alles wat ik zag was in mijn bezit. Ik was erg rijk, maar het was niet mijn geld. Ik verdiende het met werken, of dat was tenminste wat het voor mij was. Iets beters had ik toch niet te doen. Ik noemde het ‘jagen’. Dan zocht ik naar moorden of diefstallen of andere gruwelijke praktijken in de krant en zocht ik de dader. Als die echt schuldig was, vermoorde ik hem. Daarna stal ik al zijn geld en ging ik ervan door. Mensen hadden een bijnaam voor me: Katsa. Naar de legende van de gave van Katsa. Zij was vroeger erg gevreesd in dit land. Ze had een gave en tweehonderd jaar geleden trok ze rond en ’s nachts vermoorde ze zogezegd iedereen die ze tegen kwam. Als je het beter bekeek, kon je een patroon vinden tussen de slachtoffers: ze waren rijk en hadden allemaal een verschrikkelijke misdaad begaan. Maar niemand kende mijn echte naam, niemand wist hoe ik eruit zag en niemand wist waar ik woonde. Mijn hoofd stond bovenaan de lijst met meest gezochte personen bij de politie. Ze dachten me wel te kunnen vinden. Amateurs. Katsa had wel enkele kenmerken: ze droeg twee identieke zwaarden, tweelingzwaarden die precies in elkaar pasten. Ook droeg ze een zwarte outfit; strakke broek met een brede riem, hoge laarzen en een leren jasje. Haar zwarte haar samengebonden in een hoge paardenstaart. En standaard handschoenen. Maar ik was enkel zo ’s nachts, als ik ging jagen. Overdag liep ik rond in mooie jurken en met mijn haar los. Ik kwam vaak in de stad en mensen vonden me aardig. Ik hielp altijd armen door ze veel geld te geven, ik had toch genoeg. Maar ik had geen familie of vrienden. Enkel kennissen. Eerlijk gezegd wilde ik die ook niet. En het aardige deel van mij was gewoon acteerwerk. Ik gaf niet echt om die armen, maar mensen gaven er wel om. Het deed er ook niet toe. Ik betrapte mezelf erop dat ik al een tijdje niets zat te doen. Mijn hand rustte op een artikel in de krant die op de prachtige salontafel lag. Ik pakte hem weer op en bekeek de foto: een lichaam dat opengereten was en waar het hart van miste. Echt iets voor mij. Ik vouwde de krant weer op en gooide hem dan in de permanent brandende openhaard. Ik keek naar buiten door een van de grote ramen in de salon en zag hoe het begon te schemeren. Tijd voor een beetje actie. Mijn paard was zeer snel, een echt raspaard. Zo kwam ik dus ook snel in de stad aan. Ik moest de trage koetsen ontwijken op de kasseien weg. Even later kwam ik aan bij het huis. Het was zeer groot en rees dus ook hoog boven me uit. Het oude stenen gebouw rook muf, zelfs vanaf de buitenkant kon je ruiken dat er binnen gerookt werd, en niet zo’n beetje ook. Een raam stond open en er kringelde een rookpluimpje uit naar boven. Ik hoorde stemmen van minstens tien man, dus ik moest voorzichtig zijn. Of ze allemaal vermoorden. Niet dat het een verschil maakte, of toch niet voor mij. Ik had mijn paard aan een boom in de buurt vastgebonden en liep naar de achterdeur. Ik was nooit discreet persoon geweest en dat zou ik ook nooit worden ook, dus brak ik de achterdeur open en liep gewoon naar binnen. Daar werd ik meteen gevonden door de oude hond van de eigenaar, maar blijkbaar was hij al zo oud dat hij niet eens meer de moeite deed om geluid te maken. Ik krapte hem eens op zijn kop en liep dan vlug door. Gokkend op een van de trappen in de hal rende ik naar boven. Daar kwam ik tot de conclusie dat het echt niets uit had gemaakt welke trap ik koos, ze kwamen uiteindelijk toch allemaal op hetzelfde uit: een brede gang bedekt met een dik tapijt. Het was er akelig donker, maar dat maakte geen verschil voor mij. Ik leefde in het donker. Lukraak koos ik een deur en deed hem open. Op voorhand wist ik al dat hier niemand ging zijn, dus doorzocht ik de plek. Er was niet echt iets te vinden, het leek een doodnormale kamer met een bed aan de ene kant en een kastje met wastafel aan de andere kant. In de spiegel zag ik mezelf, maar ik keek er niet naar. Ik hield niet zo van spiegels, dus nam ik hem van de muur en smeet hem hard op de grond. Zo, nu wisten ze op z’n minst dat er iemand in hun huis is. Dat feit negerend liep ik de gang weer op, maar die was nog steeds leeg. Misschien was het huis zo groot dat ze het niet hadden gehoord. Mogelijk natuurlijk, maar ook onwaarschijnlijk. Op mijn hoede liep ik verder tot nog een trap en rende naar boven. Daar zag ik hoe iemand door de gang sloffend mijn kant op kwam. Blijkbaar was er nog iemand wakker genoeg om even een kijkje te komen nemen. Ik bleef om de hoek staan, met mijn rug tegen de muur en wachtte af. Ik hoorde de voetstappen steeds duidelijker tot ik zelfs de zware ademhaling kon horen. Op het moment dat ik zijn voet zag, greep ik zijn keel en trok hem om de hoek. Verlamd van schrik staarde de man met zijn grote ogen in de mijne. Ik duwde hem tegen de muur en sloot zijn luchtpijp bijna volledig af. Terwijl de man in mijn gezicht zwaar uit ademde, bestudeerde ik zijn gezicht. Dit was duidelijk niet de man die ik moest hebben, hij zou nooit iemand kunnen vermoord hebben. Toch was er iets in zijn gezicht waardoor ik hem nu volledig zijn luchtweg afsloot en hem rustig liet stikken. Ik voelde zijn warme handen om mijn polsen, maar lette er niet op. Het deed me denken aan de dokter die ook ineens warme handen had, hoewel ik vond dat hij voorheen altijd koude handen had gehad. Het was gewoon mijn huid die alles nu veel beter voelde, zelfs door mijn handschoenen heen. Ik liet hem van de trap naar beneden rollen en besefte dat hij misschien wel het meeste geluk had gehad, normaal ging het er veel bloederiger aan toe. Rustig loop ik verder de gang in waar de man vandaan was gekomen. Als ik even later het gebabbel van de andere negen mannen hoor, versnel ik mijn pas. Ik had een beslissing gemaakt: ze gingen er allemaal aan. Als ze allemaal zo keken als die oude man, liet ik niemand leven vandaag. Voor normale mensen klonk dit misschien gruwelijk, maar ik voelde zoiets niet. Voor mij was het goed als de persoon dood was en het geld in mijn zak. Ik bereikte de kamer en gooide de deur open. Het duurde even voor de mannen doorhadden dat het niet hun vriend was die in de deuropening stond, maar een jongedame van rond de negentien jaar. Ik liet mijn vingers kraken en keek over de hoofden heen naar een man die me aanstaarde alsof ik een geest was. Kende ik hem? Ik kende niet zo veel mensen die niet dood waren. Toen sloot ik de deur achter me en deed hem op slot. Snel liep ik naar de raar kijkende man en staarde naar hem. Toen glimlachte ik. Zijn hart ging als een razende tekeer. Zo hard dat ik me afvroeg of de anderen het ook konden horen, maar die hadden waarschijnlijk allemaal rook in hun oren. Ik greep hem bij zijn slapen en brak zijn nek. Gewoon een korte knik in de goeie richting en zijn nekwervels verschoven zo dat er geen overleven meer mogelijk was. De man viel als een zandzak op de grond. “Goed, wie volgt?” Ik grijnsde naar de trillende mannen voor me. Het maakte me niet uit wie die moordenaar was, ze gingen allemaal dood vannacht. Ik trok mijn zwaarden en hakte op hen in met sierlijke bewegingen. Het duurde niet lang of er lagen zeven meer hoofden op de grond en een uitgerukt hart. Tevreden keek ik naar wat ik had aangericht; een bloedbad. Het voelde bijna als een opluchting, maar dat nog net niet. Ik draaide me om en opende de deur naar de gang. Op zoek naar de kluis met het geld kwam ik de oude hond weer tegen. “Als je je lome leven lief hebt, zou ik maar weg sjokken als ik jou was,” zei ik tegen hem. Ik vermoorde bijna nooit dieren, tenzij ze in mijn weg stonden. Ik kon me nog vaag herinneren dat ik ooit een dierenvriend was geweest. Maar de hond leek niet te luisteren, of gewoon niet te willen. Hij liet zich dan ook als bewijs op mijn voeten vallen en bleef daar liggen. Ik schopte hem weg, maar zag hoe hij gewoon omrolde en lui op zijn zij bleef liggen. “Ook goed,” mompelde ik en zocht verder. Toen ik mijn buit in een zak had gepropt, liep ik naar beneden. Tot mijn grote verbazing was de benedenverdieping niet leeg zoals ik had verwacht. Twee bekende gezichten keken hoe ik van de trap naar beneden kwam. Ze stonden beide met hun armen over elkaar en keken niet zo blij. Niet erg, ik was niet hierheen gekomen om hen blij te maken. “Dit kan zo niet doorgaan,” zei de langste van de twee die de deur versperde. Aan het kruisvormige litteken op zijn halfbedekte schouder kon ik zien dat hij net als mij verandert was, net als zijn vriend Brock. “Ik heb niet om jou toestemming gevraagd, en dat hoef ik ook helemaal niet.” Hij keek me aan alsof hij bijna geïmponeerd was. Bijna.    3.   They want me “Hier kun je niet mee doorgaan.” De man keek me aan alsof ik een ernstige misdaad had gepleegd. Misschien was dat ook wel zo, maar voor mij was dit de normaalste zaak van de wereld. “Ga met ons mee, we kunnen je iets beters te doen geven. We kunnen je leren hoe je er mee moet omgaan.” Brock knikte instemmend, maar ik was het niet echt met hen eens. Lachend zei ik: “Waarom willen jullie me zo graag? Je hoeft me niet naar het einde van de wereld te volgen.” Hij grijnsde. “Ik heb nog nooit iemand zo koelbloedig moorden zien plegen als jij en je lijkt er nog plezier in te hebben ook.” Daar zat hij mis. Mijn definitie van plezier was duidelijk heel anders dan die van hem en ik had geen plezier. In niets niet. Ik keek hem emotieloos aan. “Dus? Ik ben hopelijk niet de enige die iemand kan vermoorden. Huur een huurmoordenaar als je er een nodig hebt. Ik ben van niemand en ik werk ook voor niemand,” zei ik op rustige toon. “We kunnen je hepen…” Maar Ik had hen al de rug toegekeerd, niet van plan om mijn tijd aan hen te verspillen. Wat hadden die toch? “Je kunt niet ongestraft mensen blijven vermoorden!” schreeuwde hij me na, maar ik negeerde hem. Ik bond de zak aan mijn paard en steeg op. Hij keek me na terwijl ik weg galoppeerde. Had hij niets beters te doen dan achter mij aan te zitten? Thuis pakte ik de spullen uit. Ik had weer veel geld gevonden en deze keer ook een kistje met juwelen in. Een prachtige blauwe edelsteen pronkte aan een zilveren ketting. Hij was best zwaar, maar ik zag mezelf al helemaal voor me met een lange lichtkleurige jurk en deze ketting om mijn nek. Ik glimlachte. Snel rende ik naar boven om hem te zoeken tussen al mijn andere jurken. Hij kwam bijna tot aan de grond. Bovenaan had het een strak lijfje met lichtblauwe pareltjes, onderaan was hij los met verschillende doorschijnende lagen. Ik trok hem aan, samen met een paar handschoentjes en poederde mijn gezicht. Twee standaard dingen die ik nooit vergat als ik naar de stad ging. Mijn huid was te wit zonder wake-up en mijn handen te koud zonder handschoenen. Om tien uur zou het rijtuig voor mijn deur staan. Slapen deed ik ook al in een lange tijd niet meer, dus was ik al bijna klaar voor vertrek. Ik dronk een liter water, zodat ik niet uit zou drogen. Dat zou wel genoeg zijn voor vandaag. Om halfelf kwam ik aan in de stad en maakte daar een lange wandeling met een parasol boven mijn hoofd voor wat schaduw. Ik had nooit zo gehouden van de zon en zeker vandaag niet. Het was warm en overal liepen arme kinderen in weinig kleren rond. Ze speelden altijd buiten, maar waren extra vrolijk als de zon scheen. De laan waar ik me op dat moment bevond was lang en de bomen aan de rand zorgden voor een aangename schaduw. Met een zachte wind in mijn gezicht stapte ik op de witte sandalen richting het centrum van de stad. Ik had de menner namelijk gevraagd me af te zetten in een buitenwijk. Ik hield van wandelen en zo vulde ik ook mijn tijd. Liever nog ging ik rennen, maar een dame hoorde niet te rennen. Het centrum was druk en je moest opletten waar je liep, of de paarden liepen over je voeten. Gelukkig niet over de mijne, ik liep in de schaduw van een mooi winkeltje waar ze allerlei poppen verkochten. Ze keken allemaal vrolijk naar buiten. Een meisje met vlechtjes in haar haar kwam huppelend met haar nieuwe pop naar buiten, haar ouders moesten zich achter haar aan haasten om haar ervan te weerhouden zo de straat op te lopen. Maar de ouders waren te traag. Een aanstormende wagen kwam snel op haar af. Maar net voor ze de straat op rende, pakte ik zachtjes haar arm en ik zei: “Hé, niet zo gehaast, kijk eens wat daar aankomt.” Ik wees naar de paarden die op dat moment voorbij renden. Iemand had haast. Ze keek geschrokken naar de grote paarden en zette een stap achteruit. “Bedankt hoor,” zei de moeder toen ze me bereikte. “Graag gedaan.” Ik glimlachte naar haar. Ze liepen rustig weer verder terwijl ik hen nakeek. De man liep sjofel achter hen, met een donkere kap diep over zijn gezicht getrokken. Toch herkende ik hem en glimlachte. Toen liep ik ook verder. De winkelstraat was lang en druk en overal zaten mensen gezellig te babbelen terwijl ze aan ijsjes likten of hun honden in toom probeerden te houden. Een oude man kwam uit een warenhuis gestrompeld, maar had wat moeite met de trappen naar beneden. Ik pakte zijn bovenarm en hielp hem zodat hij niet voel. De man glunderde helemaal toen hij beneden aankwam. Ook hij bedankte me. Zo was ik nu eenmaal, mensen helpen hoorde bij de persoon die ik overdag was. Ik hoorde de krantenjongen het artikel van de dag roepen: “Tienvoudige moord in veenhuis!” “Meneer Vandogen is gruwelijk onthoofd tijdens een avondje kaarten bij vrienden!” Dus ze waren aan het kaarten? Daar had het eerlijk gezegd niet op geleken toen ik daar binnen viel. Ze leken eerder stoned en dronken. Ik hoorde iemand de naam Katsa zeggen. Ze was een beroemd persoon hier. Eigenlijk bestond haar legende al meer dan duizend jaar. Toen was ze een begaafd meisje die iedereen martelde die iets verkeerd had gedaan. En soms als ze echt niet mee werkten, vermoorde ze hen. Ze werkte voor haar neef, de koning en iedereen was bang van haar. Ik glimlachte bij de gedachte dat ze mij met haar vergeleken. Het was eigenlijk wel zo, alleen vermoorde ik de mensen meestal allemaal. Niet veel later kwam ik aan bij een zijstraatje die ik insloeg. Hier was ik al vaker geweest, maar deze keer rook ik iets anders bekends. De geur leidde me naar een kleine rustige bar op het einde van de doodlopende steeg. Het rook er muf en het afval was hier tegen de muur opgestapeld. Een meisje als ik zou hier niet moeten komen, maar ik kon niet wegblijven. Ik betrad het kleine lokaal waar enkele deftige heren een pijp aan het roken waren. In totaal waren er maar drie mensen in de bar, inclusief de barman die tenger, klein en mager was. Ze keken allemaal verbaasd op toen ik binnen kwam, maar een van hen leek me te herkennen. Het was de barman. Hij had me er al eens uitgeschopt, maar dat was ’s nachts geweest. Hij leek nogal verbaasd te zijn om me hier in deze kleren overdag te zien. Een van de heren stond op en stak zijn hand naar me uit. Ik deed hetzelfde en hij kuste beleefd mijn hand. Maar toen hij opkeek, bleef zijn blik hangen bij mijn ketting. “Jij,” mompelde hij met een grom. “Wat een heer,” zei ik met een glimlach en trok mijn hand terug. Op zijn hoede zette hij een paar stappen opzij. “Roguer, ontmoet vrouwe Katsa.” Hij sprak de naam uit alsof hij vies was en spuugde op de grond. Toen Roguer zich omdraaide, zag ik het kruis in zijn hals. Nog een. Hij keek me met dichtgeknepen ogen aan en ik probeerde uit te maken of dat bij zijn gave hoorde. Hij zette een paar stappen in mijn richting en balde zijn vuisten. “Hé, niet vechten hier! Zeker jullie niet…” Roguer gooide een glas in zijn richting zonder opzij te kijken. Hij mistte, maar zat er niet ver naast. Geschrokken dook de man weg achter zijn bar, hopend dat hij daar veilig zou zijn. “wat een eer om jou te mogen ontmoeten.” Zijn stem was rauw van het roken. Mijn glimlach was overgegaan in een bestuderende blik en ik keek hem recht in zijn ogen. Toen haalde hij ineens uit met zijn vuist. Ik ontweek hem soepel en sprong sierlijk naar achteren. Meerdere keren haalde hij uit naar mij, maar kon me nooit raken. Het leek hem matig te irriteren, dus trok hij een mes en kliefde het door de lucht. Hij kon met het mes een stuk van mijn rok afsnijden, maar hij kon me niet raken. Toen de tweede man een zwaard trok en zich op me stortte, greep ik een mes die Roguer had laten vallen en stak het in zijn keel. Na een soepele sprong trapte ik hem in zijn gezicht en viel hij naar achteren. Toen ik over hem heen gebogen stond en hij zijn gezicht afschermde met zijn arm, zei hij: “Je zult er spijt van krijgen! Hij zal achter je aan komen!” Ik negeerde zijn gebrabbel en stak het mes in zijn been. “Waarom wil iedereen me hebben?” vroeg ik hem. Maar hij kon niet antwoorden door de pijn en schreeuwde het uit. Toen hij ietwat kalmer was, begon hij ineens te lachen. Ik hoorde de zware maar uiterst bekende voetstappen achter me. De deur sloeg achter hem dicht. Zonder me om te draaien, wist ik dat hij er weer stond. Altijd mij volgen. Maar hij was te laat; de man was al dood. “Nu ben je te ver gegaan!” Zijn stem was luid en hard, maar ik was niet bang van hem. Ik was van niemand bang. Toen ik me omdraaide, zag ik dat hij echt heel kwaad was. “Ik heb geen keus dan je te vermoorden.” Hij had in een flits een mes vast en nog geen seconde later stond hij voor me. Ik sloeg zijn arm van me af toen hij me aanviel met een lust die ik nog nooit eerder in iemands ogen had gezien. Misschien was Roguer wel zijn vriend geweest. Maar hoe moest ik dat nu weten? Hij hakte op me in en voor het eerst in mijn lange leven had ik het moeilijk om zijn aanvallen te ontwijken. Hij was zo snel dat ik hem niet eens kon raken. Toen sprong ik omhoog en greep een balk boven mijn hoofd. Ik landde weer op mijn voeten achter hem, maar hij was me voor. Zijn sterke armen smeten me tegen de muur. Hij hijgde en veegde zijn voorhoofd af. Ineens stond Brock daar. “Thomas, je kunt haar niet zomaar vermoorden.” Hij was nog steeds woedend, maar leek toch wat meer tot rust te zijn gekomen. Hij staarde me aan, beschuldigend en gekweld. Voor het eerst voelde ik me in het nauw gedreven. De man was snel en had uitzonderlijk goede reflexen. Misschien was hij wel net zo sterk als ik, maar zijn huid was niet wit. En ik kon net zo min geloven dat hij zich poederde, dus ik nam aan dat hij een natuurtalent was. “Ze heeft hem vermoord,” zei hij, meerdere keren achter elkaar. “Kom op, laten we gaan,” probeerde Brock. “Waarheen? Ik kan haar niet nog meer mensen laten vermoorden! Hij was mijn vriend!” Ik zag de woede weer in hem oplaaien toen hij het levenloze lichaam van zijn vriend in de hoek zag liggen. “Hoe kon je?” Ik zette een paar stappen naar voor, maar hij trok zijn mes weer. “Ga.” Ik keek hem schuin aan. “Ga!” riep hij. Toen draaide ik me om. Ineens schreeuwde hij. Zijn mes raakte mijn linkerschouder en de pijn trok door mijn hele bovenarm. Zonder me om te draaien of ook maar een teken van pijn te vertonen, trok ik het mes uit mijn bloedende schouder en smeet het op de grond. Het kwam trillend tussen twee planken van de vloer terecht. Toen liep ik verder met rechte schouders en sloeg de deur achter me dicht.    4.   The death of me Ik haastte me door het donkere steegje naar de achterkant van de winkels van de winkelstraat. Hier was de buurt smerig en hing er zelfs een beetje mist. Ik voelde geen pijn, maar het bloed irriteerde me. Ik voelde aan de wond en kreeg daardoor het zwarte bloed aan mijn vingers. Ik haalde eens diep adem en spande toen al mijn spieren in mijn schouder en arm. Met gesloten ogen voelde ik hoe de huid onder mijn bebloede hand terug dichtgroeide. Met een zucht liet ik de lucht terug ontsnappen en ontspande me. Nu leek het gewoon alsof die wond er al een week zat. Ik zette het op een rennen, maar hoorde hoe hij even later achter me aan kwam. Zijn voetstappen waren sneller dan ik had verwacht, maar ik was toch net iets sneller. Ik rende met opgetrokken rok door de kleine straatjes. Ik kende mijn weg hier erg goed en wist zo aan hem te ontsnappen. Maar ik wist dat ik nog niet van hem af was, hij zou me zo weer terug kunnen vinden. Ik liep over een laag dak tot ik weer terug in de laan met de bomen aankwam. Daar stond mijn rijtuig nog te wachten. De menner zat de krant te lezen, dus hij zag me niet toen ik erin sprong. “Haast je wat, wil je?” zei ik met een glimlach terwijl ik mijn hoofd naar buiten stak. Hij keek verbaasd toen hij mijn haar zo door de war zag, maar knikte en vertrok. We waren tien minuten eerder bij mijn kasteel dan normaal. Daar haastte ik me naar boven, snel andere kleren aandoen en dan weer naar beneden. Ik had besloten om de man te confronteren zodra hij me gevonden had. Op mijn weg naar buiten viel mijn scherpe oog op een ander klein artikel in de krant van gisteren. Ik had hem niet helemaal uitgelezen, dus het was me nog niet eerder opgevallen. Maar nu hij zo ondersteboven lag, sprong het meteen in het oog. Blijkbaar was meneer Topkins dood, maar die had ik vandaag nog naar buiten zien lopen, achter zijn dochtertje met de vlechtjes. Ik herinnerde me dat hij vreemd had gekeken, alsof hij niet herkend wilde worden. Maar Topkins had niets verkeerd gedaan, dus ik zou hem ook niet vermoorden. En het was nog steeds dag, dus zou ik hem eens een bezoek brengen. In mijn zwarte outfit liep ik de zon in. En hoewel het nog geen avond was, nam ik mijn paard uit de stal en reed naar het adres van Topkins. Ik wist dat hij inmiddels al thuis moest zijn, want het was na de middag en de zon stond op zijn hoogste punt. Hij woonde op een groot landgoed omgeven door landerijen en kleine boerderijtjes die allemaal van hem waren. Maar hij was een goede heer en betaalde zijn werknemers en pachters goed. Ik begreep gewoon niet waarom hij als dood vermeld werd terwijl zijn vrouw en dochter het niet eens leken te merken. Al gouw bereikte ik zijn landgoed en ik reed zijn hek binnen. Het landhuis was erg groot en mooi, maar niet echt mijn stijl. Het was te chic en te modern naar mijn zin, maar erg origineel ingericht. Ik was er al eens geweest, maar toen was het voor zaken. Nu moest ik hem gewoon even spreken. De butler liet gelukkig niet lang op zich wachten en in een mum van tijd zat ik tegenover de man in kwestie. Zijn kantoor was groot, net als het bureau waar hij met zijn ellebogen op steunde. “Wat brengt jou hier, miss Lucy?” vroeg hij beleefd, maar ook een beetje wantrouwig door mijn uiterlijk. Ik had mijn kasteel van hem gekocht onder die naam, dus noemde hij me ook zo. Ik toonde hem de krant en hij liet zich achteruit in zijn stoel zakken. “Juist, ja,” mompelde hij. “Ik begrijp het gewoon niet goed, maar ik zag u in de stad en ik dacht…” Hij onderbrak me en sprak zachtjes: “Zeg dit alsjeblieft tegen niemand, ook niet tegen mijn vrouw. Ik ben in gevaar, en dit leek me een oplossing.” Ik knikte. “Waarom loopt u dan in de stad? Uw vrouw zeker?” Nu knikte hij en keek naar de klok. “Ze zijn nog steeds in de stad, ze hadden al terug moeten zijn.” Ik rechte mijn rug en voelde mijn benen tintelen. “Wie zit er achter u aan, dan?” vroeg ik voorzichtig. Hij draaide zijn gezicht weer naar mij terwijl hij bijna droevig uit zijn ogen keek. Dan trekt hij de kraag van zijn hemd naar beneden en zie daar een kruisvormig litteken staan. “U bent een van ons?” vroeg ik. “Nee, ik ben ontsnapt net voor ze me konden injecteren. Maar dat was tien jaar geleden, waarom zouden ze nu achter me aan komen?” Dan trok ik de hals van mijn jas ook naar beneden en kon hij mijn litteken ook zien. “Oh,” mompelde hij. “Ze zitten ook achter mij aan, maar maak je geen zorgen. Ik zal achter uw vrouw en kinderen gaan. Ik zal het uitzoeken.” Hij knikte dankbaar en ik zag dat hij op het einde van zijn Latijn was, dus besloot ik om hem alleen te laten. Maar net toen ik zijn kantoor wilde verlaten, zei hij: “Jij bent Katsa, niet?” Verrast draaide ik me om. “Geen zorgen, ik zeg net zo veel als jij. En ik weet waarom je het doet. Ik weet wat die mensen deden, maar pas toch maar op.” Ik knikte dankbaar naar hem en liep toen naar beneden. Eenmaal op weg, reed ik zo snel dat mijn haar als een vlag achter me aan wapperde. Snel bond ik het weer in een staart, want die had ik eruit gehaald voor Topkins. Ik reed de stad binnen terwijl iedereen verbaasd naar me keek. Ineens riep iemand: “Katsa!” Toen begon de ophef natuurlijk, maar ik negeerde hen en reed de brug over naar het grote metalen gebouw in een van de buitenwijken. Hier kwam ik wel eens als ik niets te doen had. ’s Nachts werden hier vechtwedstrijden gehouden en af en toe vond ik het wel eens interessant om die bij te wonen. Hier ging ik zitten, vlak voor de ingang en recht in het zicht. Als hij me wilde vinden, dan was het nu de tijd. Hij kon me niet uitstaan, dat was wel duidelijk. Hij kwam op me af met een kwade blik op zijn gezicht, maar blijkbaar mocht hij me om de een of andere reden niet vermoorden. Voor hij kon spreken, vroeg ik: “Waar zijn ze?” Hij leek verrast door deze vraag en keek naar Brock die hem als een hondje volgde. “Ik heb geen idee waar je het over hebt.” Typisch. “De vrouw en dochter van Topkins?” zei ik met opgetrokken wenkbrauwen. Een flits van herkenning trok over zijn gezicht, maar hij gaf geen antwoord. “Kom op, die man wil met rust gelaten worden, net als ik. Geef hem gewoon zijn vrouwen terug! Wat is dat nou weer voor manier van doen, zeg!” Ik was inmiddels opgestaan en stond nu recht voor hem. “Daar heb ik niks mee te maken. Waarom ik hier ben, is om jou te halen. Er is iemand die je wil zien.” “Ah zo.” Ik knikte. “Dus jou baas wil mij zien. En wie mag dat wel niet zijn?” Ik vroeg me af of ik hem kende. “Ik heb geen baas, ik werk voor niemand.” Brock naast hem gniffelde, maar liet verder niks blijken. Ik kon zo zien dat hij niet helemaal de waarheid sprak, maar daar twijfelde ik nog over. “Is dat waar iedereen is? Alle getransformeerden? Met hoeveel zijn jullie?” Ik kon het niet opbrengen om niet nieuwsgierig te zijn. Ik had nog nooit een gemeenschap van getransformeerden meegemaakt. “Kom het zelf zien,” zei hij nors. “En trouwens, ik mag je wel vermoorden.” Ik keek hem scheef aan. Las hij nu ook al mijn gedachten? In dat geval: fuck you Thomas! Ik grinnikte bij de gedachte in mijn hoofd, maar schudde dan mijn hoofd. “Probeer maar.” Dat hoefde ik hem geen twee keer te zeggen. Terwijl Brock hem nog tegen probeerde te houden, vloog de man op me af. Deze keer was ik iets beter voorbereid en had ik geen los haar en geen jurk die in mijn weg zaten. Met snelle bewegingen vochten we. Ik kon mijn mes over zijn rug halen, terwijl hij mijn pols brak. Met een venijnige grom trok ik mijn arm weg. Niet dat het pijn deed, het was gewoon niet het beste moment. Op dat moment wenste ik echt op onbreekbare botten zoals een man die ik ooit al eens tegen was gekomen. Zijn botten waren zo sterk als diamant. Terwijl ik even afgeleid was en mijn pols terug op zijn plaats zette, haalde hij me onderuit en sloeg me in mijn gezicht. Inmiddels was mijn pols weer zo goed als geheeld en duwde ik hem hard van me af. Uit een wonde op mijn voorhoofd stroomde zwart bloed. “Wat ben jij?” vroeg hij walgend toen hij recht stond. Ik grijnsde. Dat ging ik niet zeggen, want dat wist ik eerlijk gezegd zelf niet. Maar een ding wist ik wel: “Ik ben een monster!” Met mijn tanden ontbloot gooide ik een mes in zijn richting, maar ik wist al dat hij die ging vangen. Hij smeet hem zelfs terug. Met moeite kon ik hem ontwijken en het mes vloog tegen de muur. Ik rolde om en kwam weer op mijn voeten terecht. Maar net toen ik op wilde staan, trok hij me omhoog aan mijn kraag en duwde me tegen de muur, een mes tegen mijn keel houdend.  Ik vroeg me af hoe hij aan al die messen kwam. “Ik ga je een keuze geven: of je gaat met ons mee, of je kop gaat eraf.” Ik wist nu al wat ik wilde, dus zei ik: “Ik zal nooit voor iemand werken, laat staan ergens bij horen. Ik ben liever vrij. Vermoord me maar.” Hij grijnsde. “Jij bent de eerste die vrijwillig dood wil gaan.” Ik sloot mijn ogen en wachtte. “Erg moedig van je.” Toen stak hij het mes door mijn keel en liet me op de grond vallen, bebloed en levenloos.    5.   More like me Ik was helemaal niet bezorgd toen ik mijn lichaam zo zag liggen, onthoofd in een rijtuig gesmeten. Wel was het even wennen om weer dood te zijn. Niet dat dit de eerste keer was. Dit was al de zevenennegentigste keer dat ik dood was gegaan, en al die keren ben ik terug tot leven gekomen. Je moest weten; mijn lichaam was altijd al dood geweest en mijn geest was zo sterk dat ik het keer op keer kon verlaten en er terug in kon springen. Ik kon zelfs mijn lichaam helen vanuit deze positie, ook zonder hoofd. Ze brachten me naar een oud uitziend huis ergens net buiten de stad, aan de andere kant van waar ik vandaan kwam. “Hij gaat hier niet blij mee zijn,” zei Brock op een zangerige toon en glimlachte. Maar Thomas was nog steeds niet in een iets betere bui en gaf hem een stamp in zijn zij. Aangekomen droeg hij mijn lichaam naar binnen terwijl Brock mijn hoofd zo ver van zijn lichaam hield als mogelijk. Het zag er best grappig uit en als mijn lichaam niet onthoofd was, had ik best graag zo in Thomas’ armen willen liggen. “Hé Neo!” riep hij zodra ze binnen kwamen. Toen een klein gastje van ongeveer tien jaar naar beneden kwam, staken nog meer nieuwsgierige mensen hun hoofden om de hoek. Ze zagen mijn lichaam en keken verbaasd, maar niemand zei iets. “Hoe denk je haar te ondervragen zonder hoofd, Thomas?” De kleine jongen vloog ineens uit tegen hem, terwijl hij ongeveer twee keer zo groot was. En geen van beiden leken geïmponeerd. “Ik had je nog zo gezegd, ik wil haar levend. En wat breng je me? Haar hoofd en dan de rest! Hoe dom…” Hij schudde zijn hoofd. “Niemand, relax. Je weet wie dode mensen kan ondervragen,” probeerde iemand die net uit een kamer kwam lopen. Toen begreep ik het ineens: Thomas werkte voor Niemand, Neo. Niemand was een persoon. Als ik kon, had ik nu in een deuk gelegen, gegarandeerd. Ineens klonk er een kwade stem vanachter een van de deuren. “Haal dat lichaam hier weg! Dat zwarte spul verpest heel mijn tapijt. En wie denk je dat het allemaal weer mag opkuisen? Dat doe je maar mooi zelf, hoor! Allez, naar de kelder met dat ding en laat ik het hier nooit meer zien!” Een jong meisje van ongeveer twaalf jaar kwam met een bezem de gang in en veegde iedereen eruit. Lachend liepen ze naar beneden en dropten daar hun buit. Ze lieten me ook weer snel achter. Thomas kreeg de opdracht om iemand te bellen die blijkbaar met de doden kon spreken en Brock moest het tapijt schoonmaken. Ik keek geamuseerd toe, maar besefte toen ineens dat die persoon – wie het ook mocht zijn – misschien wel eens te weten zou komen dat ik niet echt helemaal dood was. Ik besloot om dat maar even af te wachten. Toen ze even later met vier man in een mooi ingerichte salon zaten, bleek dat de vrouw die dus met de doden kon praten, al zeker zeventig jaar oud was. Ze legde haar handen op die van Thomas om zich te verbinden met mij en sloot haar ogen. Er gebeurde niets. Toen opende ze haar ogen en keek ze me recht in de ogen. Ze kon me dus zien. “Ik zie haar…” Ineens werd ze heel bang en liet ze Thomas’ handen los. “Ze is zo, zo…” Ze kon niet uit haar woorden komen. “Wat, wat is ze?” ze schudde haar hoofd. “Dood. Ze is dood.” Met een vermoeide zucht ging Neo achteruit in de stoel zitten. “Dat weten we al, vertel ons iets dat we nog niet weten,” zei hij. Ze fluisterde iets in een andere taal en stond toen op. “Nee, ik doe het niet meer. Als ik haar zie, zie ik haar keel doorgesneden en haar dode gezicht en, en…” Ze schudde haar hoofd weer, deed haar handen voor haar ogen en rende huilend weg. “Jouw schuld,” zei Neo meteen. “Wat?” Thomas voelde zich duidelijk beledigd. “Laat ook maar. Als jij je wat beter ingehouden had, leefde ze nu nog. Maar ze heeft haar duidelijk gezien, misschien is ze hier. Misschien wil ze wel praten. Je weet wel, dat ene spel dat iedereen speelt op Halloween…” Ja, hier ging ik dus niet aan meedoen. Ik ging terug naar mijn lichaam en concentreerde me diep. Ik zag hoe ik de kamer verlichtte en langzaam kwam mijn hoofd vast op mijn lichaam te zitten. Toen ik mijn ogen open deed en weer normaal hoorde en zag, merkte ik ook dat ik volledig geheeld was. Perfect, ik werkte dus nog. Snel liep ik geruisloos de kelder uit, op zoek naar de vrouw en dochter van Topkins. Het was moeilijk om hen te vinden; ze zaten in een kamer op de derde verdieping, dus moest ik heel voorzichtig zijn zodat ze me niet hoorden. Ze keken bang op toen ik de deur open deed. “Sst, ik kom jullie hieruit halen,” zei ik zachtjes. “Ben jij ook een van hen?” vroeg de vrouw bang. “Ja, nee. Ik bedoel, niet iedereen staat aan dezelfde kant. Ik ben hier om jullie thuis te brengen.” Ze knikte. Ineens hoorde ik snel naderende voetstappen en moest ik een keuze maken. “Jullie moeten hier blijven, maar ik beloof dat ik terug kom. Ze zullen jullie niets aandoen.” Toen opende ik het raam en zette me zo hard mogelijk af op de rand van de vensterbank. Ik hoorde hoe het raam gehaast gesloten werd. Zachtjes landde ik op het dikke gazon en liep rond het huis, nog niet van plan te vertrekken. Ze waren al gestopt met het proberen met mij te praten en zaten nu ruzie te maken over wat ze nu gingen doen. Eigenlijk leken ze nog redelijk, maar ze waren gewoon zo dom en jong. Toen kwam iemand in de kamer. “Niemand, die twee moeten best wat eten hebben. Wat zal ik ze geven?” vroeg een jonge gast die ik al eerder had gezien. “Maakt niet uit, vraag het hen zelf maar.” Blijkbaar wilde Niemand hen zo snel mogelijk terug uit de kamer en wilde hij verder ruziën met Thomas. Iedereen leek hen verder te negeren en de rest volgde de jongeman naar de keuken; ze waren hongerig geworden. Ik wist wel waarom ze Topkins probeerden te lokken met zijn vrouw en dochter; hij wist van de getransformeerden en dat was eigenlijk een geheim. Maar nu ik hem had gezegd dat ik hen ging halen, zou hij natuurlijk niet komen. Toen besefte ik ineens iets anders; wat als hij wel getransformeerd was en het gewoon geheim hield? Op zich was daar niets mis mee, maar dan moest je niet liegen tegen andere getransformeerden. Ik had zoiets al eens meegemaakt, dus het was best mogelijk. Ik besloot het uit te zoeken en liep naar een achterdeur in het huis. Eenmaal binnen verstopte ik me in de schaduwen en vermeed opzettelijk de keuken en de derde verdieping. Op de tweede verdieping vond ik iets wat op een archief leef; de grijze muren van de inloopkast en de archiefkasten bevestigden dat. Ik probeerde snel en efficiënt te zoeken, maar degene die dit had geordend, was een slechte secretaris. Ik gromde binnensmonds en groef me een weg door de papieren. Ah, eindelijk. George Topkins. Ik bekeek het papier en zag dat er maar heel weinig over hem genoteerd was. Maar er was maar een ding dat ik moest weten: Beëindigd. Hij was dus wel geïnjecteerd, maar hij zei van niet. Verder was hij inderdaad ontsnapt en voor de rest hadden ze geen aantekeningen meer. De leugenaar! Maar ik wist genoeg, ik moest nu enkel nog zijn gave te weten komen en daar kon ik de gegijzelde vrouwen wel voor gebruiken.  Maar voor ik dat deed, besloot ik nog wat op te zoeken over Thomas en alle anderen die ik had ontmoet in de laatste paar dagen. Thomas Evert: Geboren op: 17 november 1826                          Toegekomen op: 26 januari 1845                          Getransformeerd op: 01 februari 1845 (Beëindigd)                             Notities: Hij is een zeer arrogante jongeman die zeer moeilijk in toom te houden is. Zijn gave is moeilijk te bepalen omdat hij zo verscheiden is. Hij heeft een uitzonderlijke kracht en reactievermogen. Hij kan ook zeer snel denken en erg origineel uit de hoek komen met de vreemdste ideeën. Een zeer interessante jongeman, maar ik vrees dat hij soms niet te stoppen is. Toen hij Henry vermoorde zoals verwacht, moesten we hem elektrocuteren om hem onder controle te houden. Verder maakt opsluiting hem blijkbaar gek en rent hij het liefst rond. Neo, Niemand:  Geboren op: 25 juni 1836                            Toegekomen op: 15 oktober 1845                            Getransformeerd op: 27 oktober 1845 (Beëindigd)                               Notities: Een interessante jongen. Hij leert snel bij en lijkt mentaal ouder te worden met de dag, terwijl hij toch niet groeit. Hij is geniaal en uit een IQ-test blijkt hij een IQ te hebben van meer dan 180! Hij heeft in de laatste twee dagen drie talen leren spreken en volgens mij kan hij de gedachten van mensen lezen door hen aan te raken. Hij heeft als enige zijn createur niet vermoord tot onze grote verbazing en is ook heel stil. We zien veel verandering bij hem sinds hij transformeerde. Brock Johanson:    Geboren op: 23 september 1815                                Toegekomen op: 21 oktober 1845                                Getransformeerd op: 26 oktober 1845 (Beëindigd)                                  Notities: Deze man is erg vreemd in zijn manier van doen: hij lijkt maar niet aan de omgeving te wennen en volgens mij ziet hij dingen. Ik hoor hem soms ook spreken alsof hij het tegen dieren heeft, maar dan zie ik helemaal niets. Hij spreekt gewoon tegen de muur. Ik ben bang dat hij gek aan het worden is en hij niet transformeert. Is dat eigenlijk wel mogelijk? Verder waren er nog een meisje dat zich tijdelijk kon veranderen in een kat, een jongen die kon leviteren en een andere jongen die van kleur kon veranderen. Vreemde gaven hadden die, zeg. Maar ze waren altijd wel ergens handig voor. Maar ze leken allemaal niets vergeleken met de mijne. Ik zorgde ervoor dat het blad van George Topkins in mijn zak zat en ik verliet de kamer.    6.   Them or you Na een lange rit terug naar Topkins’ landhuis, was mijn paard al best moe. Ik liet hem wat uitrusten en liep het gebouw binnen. De man zat in de salon op z’n eentje een boek te lezen. De butler liep over en weer om zijn glas Cherry aan te vullen. “Meneer Topkins, kan ik u even spreken?” De man verschoot bijna van kleur toen hij mij zag. “Ik heb namelijk uw vrouw en dochter gevonden, maar ook iets zeer interessants over u.” Ik liet het blad zien en wees het stukje aan waar Beëindigd stond. “Je begrijpt het niet, ik…” Ik onderbrak hem. “Ik denk dat ik het heel goed begrijp, meneer Topkins. U wilt niet in hun handen vallen en dus doe je maar gewoon alsof jij er niet net zo hard bij hoort. Wat kunt u doen, meneer Topkins? En ik vraag het geen twee keer.” Ik wist niet of hij bang was van me, maar daar leek het wel op. “Kijk, ik kan het uitleggen, maar ik kan je niet zeggen wat ik kan. Ik kan het gewoon niet.” Hij schudde zijn hoofd en keek treurig in zijn alweer lege glas. “Ik kan uw vrouw zo terug brengen als u wilt, maar dan moet u het wel zeggen,” zei ik op rustige toon. “Nee, nee. Ik kan het niet.” Ik verwachtte dat hij ieder moment in huilen uit kon barsten. “Alstublieft, waarom wilt u het niet gewoon geloven? Ik kan het niet uitleggen!” Met een zucht wende ik mijn blik van hem af en keek naar het grote schilderij boven de bank. Het was een prachtig landschap van bomen en een beekje ertussen door. “Kun je het me tonen?” vroeg ik rustig en keek hem terug aan. Topkins keek naar de butler in de hoek van de kamer. “Ik…” Hij wilde weer zijn hoofd schudden, maar toen knikte de man. “Goed dan.” Hij stond op van zijn zetel en legde zijn boek aan de kant. Toen concentreerde hij zich met gesloten ogen en ineens werd zijn lichaam troebel. Alsof het een waterplas was waar een druppel in viel. Zijn hele lichaam leek te golven en veranderde van kleur. Ineens keek ik naar mezelf, of een perfecte replica daarvan. Ik kijk opgetogen en verrast naar mezelf terwijl hij snel weer terug verandert. “Wauw, dat is nogal een knap staaltje gedaanteverwisseling,” mompelde ik. Ik had al meerdere mensen als hem ontmoet, maar niemand kon zo makkelijk veranderen als hij. “Het is maar gezichtsbedrog,” antwoorde hij en hij keek verlegen naar de grond. Alsof ik hem net naakt gezien had. Misschien was dat ook wel zo. “Nee, niet helemaal,” zei ik bedenkelijk. Maar toen vestigde ik de aandacht op de butler. “En jij bent…?” vroeg ik. Hij leek verbaasd dat ik hem zo aansprak. “Mijn naam is Donald Ronders,” antwoorde hij. Ik glimlachte. “Dat bedoelde ik niet en dat weet je zelf ook wel.” Dan knikt hij weer en pakt de fles Cherry die hij nog in zijn handen had. “Oh, nee. Niet de fles Cherry,” mompelde Topkins in een zachte kreun, maar de vloeistof in de fles begon al langzaam te koken. Ik keek lachend naar hem. “Volgens mij zijn alle getransformeerden zich aan het verzamelen, denk je niet?” De butler knikte instemmend, maar Topkins keek me vragend aan. “Hoeveel zijn er in de stad, momenteel?” Ik telde iedereen die ik gezien had in een seconde en zei: “Elf, en ik denk dat er nog meer komen.” “Dan is er drie van ons en acht van hen,” rekende hij. “Nee, zeven. Een oude vrouw kan dode mensen zien, maar wil er niets mee te maken hebben. Ze zijn met zeven.” Dat was misschien niet veel beter, maar het was al een begin. “Kijk meneer Topkins, ik ben noch voor noch tegen u, maar dan moet u wel een beetje meewerken. Je kent mijn bijnaam: Katsa.” “Oh, dat ben jij,” mompelde de butler en hij leek ineens ongemakkelijk te staan. “Geen zorgen, ik zal je geen pijn doen. We staan aan dezelfde kant, denk ik. Is het niet?” Hij knikte heftig, een beetje bang. Ik keek de butler aan, maar die durfde me niet eens in de ogen te kijken. “Laten we eens met die mensen gaan praten,” stelde ik voor. “Wacht, praten? Ga je daar gewoon binnen lopen en met hen praten?” Ik knikte ter bevestiging. Ik kon me niet bedenken wat daar zo verkeerd aan was. “En wat nu als ze ons aanvallen?” Oh, dat. “Dan zeggen we dat we in vrede komen. Trouwens, ze denken dat ik dood ben, dus geen zorgen. Ik zal het wel afhandelen.” De mannen leken alles behalve op hun gemak te zijn toen we even later in Topkins’ rijtuig koers zetten naar het oude huis waar ik nog maar net vandaan kwam. De rit was uitermate stil en oncomfortabel, maar ik was zeer geamuseerd om hen zo te zien zitten. Ze hadden allebei geweigerd naast elkaar te zitten, dus moest ik tussen hen in zitten. Maar dat zorgde er dan weer voordat ze zich niet meer durfden te bewegen en bleven ze dus in hun benarde positie zitten. De menner haalde alles uit de paarden en zo kwamen we ook vroeg aan, maar ik vroeg de menner om vroegtijdig halt te houden zodat ze ons niet aan zouden horen komen. Ik hield van verassingen. We liepen het laatste eind en om de stilte te verbreken, zei ik: “Laat mij het woord maar voeren als we eenmaal binnen zijn. Oh, ik kan niet wachten tot ik hun gezichten zie!” Verrukt stapte ik stevig door en kwam zo als eerste aan bij de deur. De andere twee leken expres trager te lopen om het maar zo lang mogelijk uit te stellen. Toen we alle drie weer compleet waren, opende ik gewoon de deur zonder eerst aan te bellen en liep naar binnen. Ik zette meteen koers naar de salon waar ik hen voor het laatst had gezien. Blijkbaar was hun gebekvecht nog niet over en waren ze elkaar aan het beschuldigen om de reden dat Topkins niet reageerde op hun actie. “Geen nood, dat is mijn schuld denk ik,” zei ik terwijl ik rustig tegen de deurpost aan leunde. Geschrokken draaiden Thomas en Niemand zich om. “Hoe - maar hoe is dat mogelijk? Je hoofd…” Ik grinnikte bij Niemands reactie. “Ja, bedankt voor dat trouwens,” zei ik in Thomas’ richting. De man stond erbij alsof hij een spook had gezien, en misschien was dat ook wel zo. “Kijk, zoals je ziet heb ik Topkins bij me en ik heb ook een voorstel.” Ik trok aan Topkins’ mouw om hem in het zicht van de anderen te stellen. Hij kwam wat wankel naar voren, maar bleef daar met opgetrokken schouders staan. De twee wisten niet wat nu te doen, dus zei ik: “Zijn vrouw en dochter hebben hier niets mee te maken, dus die kun je al vrij laten.” Neo knikte en gebaarde naar een jongen in de hoek. Ik had hem al zien zitten, maar blijkbaar was Topkins verrast toen de jongen in de kleur van het behang achter zich, opstond en zich tussen ons door wurmde. “Wat wil je nog meer?” vroeg hij met een hoge stem. “Ik wil weten wat jullie organisatie ongeveer inhoudt en waarom jullie mensen als mij en Topkins zo graag willen hebben.” Mijn stem klonk toonloos als altijd, maar ik zag iets in Neo’s ogen waardoor ik wist dat hij bang van me was. “We zoeken nieuwelingen en proberen ze te helpen. Je weet wel, hun gaven leren kennen en dat soort dingen.” Ik knik. “En wat heeft dat met ons te maken?” Hij keek me scheef aan. Ik wist het wel, maar hij moest het gewoon even hardop zeggen voor me. “Jij bent een nieuweling en Topkins weet gewoon te veel. We willen jullie gewoon helpen, hoor!” viel hij uit. “Dus mijn hoofd eraf hakken is helpen?” “Nee, nee. Als ik had geweten dat Thomas je zou vermoorden, had ik hem wel gestopt, maar…” Ik schudde mijn hoofd. “Maar ik ben terug tot leven gekomen, dus nu lijkt het er niet meer zo toe te doen.” Hij keek me verbaasd aan. “Kijk niet zo. En ja, het doet er ook niet toe. Maar wat er wel toe doet, is dat jullie nog maar kinderen zijn – hoe geniaal ook – en wij niet. Wij zijn geen nieuwelingen en wij hebben jullie hulp helemaal niet nodig.” Dan hoorde ik Thomas grinniken en keek geïrriteerd naar hem. “Hoe oud ben je? Negentien, twintig? Dat noem ik nieuweling, hoor!” Hij was nogal zeker van zichzelf, dus zei ik: “Nee, ik ben 713 jaar oud. De eerste getransformeerde, ter informatie. En ik ben immuun voor de meeste gaven en ik zal altijd terug tot leven komen als je me vermoord. Nee echt, ik ben zelfs een keer ontploft…” Neo proestte het uit en Thomas keek me verslagen aan, maar ik negeerde hen. “Waar dacht je dat de legende van Katsa vandaan kwam? It’s all me!” Toen liet ik de twee mannen achter me de kamer in en vroeg: “En u dan, meneer Topkins? Hoe denkt u erover?” Hij leek nogal verward te zijn, want ook hij was verbaasd over mijn antwoord. “Ja, je hebt gelijk,” zei hij dus maar. “We zijn geen nieuwelingen en we kunnen best onze mond houden.” Neo knikte instemmend. “Natuurlijk.” Even leek het allemaal opgelost te zijn, maar ik wist dat dit nog maar het begin was van alles. Ik keek de mannen aan en besefte dat ik hen wel eens ergens voor nodig zou kunnen hebben.    7.   You will know Iedereen wilde weten wat ze met me hadden gedaan dat ik zo ongelooflijk sterk was, maar vooral wat me onsterfelijk maakte. Ik was niet van plan om het hen te vertellen, net als ik het al zevenhonderd jaar aan niemand had verteld. Ze keken me allemaal aan en ik wist dat ze me zowat aanzagen als hun leider in plaats van Neo. Ik had al wel vaker een groep geleid, maar nog nooit een groep die me bijna evenaarde. Vooral Thomas verbaasde me. Er waren veel mensen die me hadden vermoord, maar nog niemand was er zo goed vanaf gekomen als hij. Terwijl zij praatten over Donald, bekeek ik hem wat beter. Hij droeg een zwarte jas die tot over zijn knieën kwam en daaronder een los grijs T-shirt. Zijn broek was gescheurd op verschillende plekken en zijn schoenen waren te hoog waardoor ze bedekt werden door de rafels van zijn broek. Toen hij merkte dat ik naar hem keek, keek ik snel weg. Hij was fascinerend op een vreemde manier, maar ik kon er mijn vinger niet op leggen. “Dus, wat doen we nu?” onderbrak Neo het gesprek waardoor het volledig stil viel. Iedereen keek naar mij, alsof ik alles wist. Deze groep was samengesteld om nieuwelingen op te vangen, maar dat leek mij net iets te saai. “Ik ben eigenlijk terug naar Engeland gekomen om de dagboeken te zoeken,” zei ik nadenkend. Ze hadden blijkbaar geen idee waar ik het over had, want ze staarden naar me alsof ze nog steeds even veel wisten als daarnet. Eigenlijk was dat ook zo; er waren maar weinig mensen die ervan wisten. Met een onnodige zucht ging ik wat rechter zitten in de met groen bekleedde stoel en keek iedereen afzonderlijk aan. Ik kon het niet helpen om even bij Thomas te stoppen. “Na mijn transformatie heb ik iedereen vermoord in het huis en de boel afgebrand. Al het werk van de dokter is vernietigd, behalve zijn dagboeken die hij in zijn eigen huis bewaarde. Hierin heeft hij deels uitgelegd hoe hij tot zijn resultaten is gekomen, maar niet volledig. Honderd jaar geleden ben ik terug gekomen en heb ik de dagboeken gevonden, maar ze zijn van me gestolen. Nu proberen ze weer opnieuw om nieuwen te maken zoals mij, maar het heeft een andere invloed op iedereen.” Ik keek bedenkelijk naar de grond. Waarom moesten ze alles weten? Iets zei me dat het wel eens nuttig kon zijn, maar dat de informatie die ik prijs gaf gevaarlijk kon zijn. Toen keek ik weer op. “Ik heb wel een idee waar die mensen zijn die de dagboeken hebben, maar ik ben op het moment het spoor bijster,” ging ik verder. Ik zag aan Neo’s gezicht dat hij meer wist, dus keek ik hem aan. Hij merkte dat ik het door had, dus zei hij: “Ik denk dat we gewoon naar nieuwen moeten zoeken en hen vragen waar ze vandaan komen. Misschien kunnen we zo de createurs vinden en die hebben waarschijnlijk de dagboeken.” Hij was er niet helemaal zeker van, maar ik vond het een goed idee. “En waar en hoe vinden jullie die nieuwelingen?” vroeg ik nieuwsgierig. Ik had al lang door dat deze getransformeerden ongelooflijk interessant waren. Neo lachte door de vele aandacht die iedereen aan hem schonk. Met blozende wangen zei hij: “Ik heb een sensor die van kleur verandert bij getransformeerden. Want weet je, hun bloed heeft een andere samenstelling en het ijzer in hun bloed is een stuk meer dan normaal…” Hij werd onderbroken door een verveeld kijkende Thomas die zei: “Dat hoeven we allemaal niet te weten. We hebben een sensor, laten we daar maar mee beginnen.” Ik keek hem geïrriteerd aan en zei tegen Neo: “Leg het me maar een andere keer uit. Waar heb je zo’n ding?” Hij gaf er een aan mij. Het was pilvormig met bovenaan een klein lampje. Aan de zijkant zat een knopje dat ik indrukte. Een oranje lampje lichtte op. “Rond mensen is het lampje geel, maar het wordt donkerder bij getransformeerden.” Ik knik. “En wie gaat ons helpen? Ik bedoel, er kunnen geen getransformeerden met dit ding werken, dan is het lampje altijd oranje.” Hij glimlachte. “Jori heeft een broer en een zus die niet getransformeerd zijn. Zij kunnen ons helpen. Trouwens, dit is ook hun huis.” Ik bekeek het lampje nog eens, alsof het ongelooflijk interessant was, en zei: “Laten we er dan maar werk van maken.” Ik moest toegeven: deze personen waren niet zo saai als ik had verwacht. Mijn hele leven hield ik me schuil voor de mensen, maar uiteindelijk kon het me toch allemaal niets meer schelen. Ik was teruggekeerd omdat ik me verveelde. Dat was de enige reden. Ik zag hoe Jori zijn broer en zus naar binnen riep en even later ook hun hoofden verschijnen. Ze leken een beetje nerveus in mijn buurt, dus glimlachte ik vriendelijk. “Hi, ik ben Lissa en dit is mijn broer Pip,” begon het meisje. Ik knikte in hun richting en zei met de sensor in mijn hand: “Dus je broer gaat met ons mee?” Het was niet bedoeld als een vraag, maar toch gaf ze antwoord: “Eigenlijk heb ik liever dat Pip hier blijft. Zie je, hij is drie jaar jonger dan mij en hij schrikt nogal snel.” Ze beet op haar tanden en keek me aan. Verbaasd stemde ik toe. “Best.” Ze strekte haar hand uit. Eerst keek ik wat verdwaasd naar haar uitgestoken hand, maar dan legde ik er toch de sensor in. Ik was het niet gewend dat een vrouw dapperder was dan een man. “Laten we maar gaan dan,” zei ik, recht in Lissa’s ogen kijkend. Ik vertrouwde haar blik niet. Ze keek alsof ze me wel rouw lustte nadat ik haar broer eerst had gevraagd. Waarschijnlijk voelde ze zich gekwetst en erg onderschat. Dat kreeg je met verwende mensen, vooral bij meisjes. Niet beledigend bedoeld. Ik vond dat iedereen in de hal ongelooflijk treuzelde. Een jas aandoen, duurde al bijna twee minuten. Pip moest zijn zus zelfs helpen om de riempjes op haar schouder te bevestigen. Ik gromde ongeduldig binnensmonds en liep alvast naar buiten. Expres liet ik de deur openstaan, waardoor Het geklaag van Lissa zelfs voor de menner buiten te horen was. Ze kon dus ook niet tegen tocht, fijn was dat. Een rijtuig stond tenminste al aan de deur te wachten. Topkins mompel

Jacintha Ongenaert
0 0

Complicaties

Ik duwde hem de kleedkamer binnen en deed de deur achter ons op slot. Het rook er naar zweet en oude sokken. Ik draaide me om en liep op hem af. “Waar ben je in godsnaam mee bezig?” siste ik. Hij keek schuldig naar beneden en wriemelde wat ongemakkelijk met zijn handen. Ik had zin om hem een mep te geven, maar kon het niet over mijn hart verkrijgen. Het zou zijn als een zielige puppy slaan. Ik duwde Nikkie op een stoel en begon door de ruimte te ijsberen, handen op mijn rug. “Niet dat ik iets tegen jullie heb, maar zoiets doe je gewoon niet op school.” Zwijgend volgden zijn olijfgroene ogen mijn bewegingen. Toen ik geen antwoord kreeg, vervolgde ik mijn preek. “Nikkie, je weet wat voor mensen op deze school zitten. Ben je maar een beetje anders dan zij, dan ga je eraan. Letterlijk.” Nog steeds geen reactie. Gefrustreerd bleef ik voor hem staan. “Hé, luister je wel?” Hij knikte, een kalme uitdrukking op het gezicht. Ik zuchtte. Ik kon gewoon niet kwaad op hem blijven. “Oké. Nikkie.” Ik dwong hem naar me op te kijken. “Het is misschien geen misdaad om zo te zijn, maar je moet gewoon niet met die kleren naar school komen. Het is net alsof je een uithangbord draagt met ‘Sla me in elkaar!’” Nikkie keek ongemakkelijk weg, alsof er een fel licht uit mijn ogen straalde waar hij niet in kon kijken. De verse blauwe plekken rond zijn ogen waren het bewijs van de gebeurtenissen die hadden plaatsgevonden. Ik gaf het op. Hij moest het zelf maar weten. Uitgeput ging ik naast hem zitten, en wreef met mijn handen over mijn slapen. “Deze keer heb ik je nog kunnen redden, maar je moet begrijpen dat je dit niet nog eens kan doen.” Hij knikte. Zijn ogen waren groot, en bedekt met een waas van tranen. “…Oké. Ik ben gekalmeerd. Er is nog één ding dat ik moet weten. Waarom deed je het?” Ik keek hem zijdelings aan. Door mijn vraag kwam er een rode blos op zijn gezicht. Hij keek resoluut de andere kant op, zijn lippen verzegeld. “Hé, is het een geheim of zo? Ik dacht dat we vrienden waren!” Ik probeerde hem naar me toe te draaien, maar hij stribbelde heftig tegen. De aandrang om hem een klap te geven kwam terug. “Ik kan je niet helpen als je me niet vertelt wat je denkt!” riep ik uit. Hij verstijfde. Ik had zijn armen in mijn handen geklemd. Langzaam keek hij naar me op, het gezicht knalrood. Er lag hoop in die ogen. Hij had altijd al bijzonder meisjesachtige ogen gehad, groot en omringd door lange wimpers. Meestal plaagde ik hem ermee, maar vandaag werkte het alarmerend. De stilte bleef duren. Nikkie staarde me aan. En plots vielen alle puzzelstukjes op hun plaats. “Nee. Dit meen je niet.” Nikkie sloeg verlegen zijn ogen neer. Dit kon niet waar zijn. Ik liet hem los en sloeg kreunend mijn handen voor mijn gezicht. “Komaan Nikkie. Je weet dat ik niet zo ben! Hoe haal je het zelfs in je hoofd?” “Ik weet het,” fluisterde hij gegeneerd. Het was het eerste wat hij sinds die ochtend had gezegd. Ik gluurde naar hem door mijn vingers. Hij leunde verslagen op zijn knieën, een ongelukkige uitdrukking op het gezicht. Ik zuchtte. “Het spijt me echt, maar ik zie je niet op die manier. Ik denk dat je me het beste uit je hoofd kunt zetten. Goed?” Een cynische glimlach speelde om zijn mond. “Alsof dat zo gemakkelijk is.” Ik wist echt niet wat ik met hem moest aanvangen. “…Laten we gewoon teruggaan,” stelde ik voor. Ik wilde dit voorval liefst zo snel mogelijk vergeten. “Oké. Nog één ding.” “Wat…?” Ik keek opzij, en plots was zijn gezicht vlak bij het mijne. Voor ik wist wat er gebeurde, hadden zijn lippen langs de mijne gestreken. “Sorry. Dit moest ik even doen,” zei hij met een stralende glimlach. Ik knipperde dom met mijn ogen. Nikkie kwam overeind. “Dan ga ik maar eens. Ik zal je er niet meer mee lastig vallen.” Hij liep naar de deur. Ik schraapte mijn keel op het moment dat hij de deur van het slot wilde doen. “Nikkie?” Mijn stem klonk me vreemd in de oren. Nikkie keek over zijn schouder. “Zou je…misschien…wil je dat nog eens doen?” Ik had geen idee waarom ik dit zei. Ik kon gewoon niet helder denken. We staarden elkaar een paar seconden zwijgend aan. Toen begon hij te stralen. Hij liet de deur los en bereikte me met een paar stappen. Ik had hem altijd al erg meisjesachtig gevonden, maar nu zag ik hem alleen als een man. Ik wist niet wat me bezielde, maar ik had er ook geen spijt van. Nooit gedacht dat mijn eerste kus van een jongen zou zijn.

Lisa C
0 0
Tip

Overstuur

Gent, 45. Konden die ruitenwissers maar grote kuis houden in mijn kop. Even sproeien en alle stront weg, gewis. Er zouden hier en daar wel wat sporen achterblijven maar daar zou ik kunnen doorkijken. Nu zie ik niet hoe ik verder moet. Gent, 41. Radio 1 en volume zes gaan ’s avonds laat goed samen. Ze sturen me door de donkerte, netjes tussen de lijntjes maar met een blik op oneindig veel mogelijkheden. De angst zit er nog in maar de dwang bolt eruit. Hij zal me nooit meer liggen hebben. Hij, met zijn harteloze stem en zijn directief gedoe. Hij, die aan niemand zijn ware gelaat durft te tonen. Hij kan vertrekken, ik kom er wel op eigen kracht. Gent, 34. Gent, 33. Een witte Twix in een tankstation. Meer heeft een mens niet nodig om zich compleet en alleen te voelen. Twee repen, dat zijn twee minuten stilte die wegsmelten met zicht op de volgende oprit. Dit gaat lukken, ik proef het tussen mijn tanden. De sleutel glijdt te soepel in het slot, de motor start te strak – ik ben niet stuurloos, wat hij ook beweert. Gent 28, 27. ‘Ip min knieën!’ Wannes Cappelle slingert zijn ziel door de boxen. Mijn mond zingt mee maar ik meen het niet. Mij krijgen ze niet meer klein. Jarenlang heeft hij mijn doen en laten beheerst. Ik volgde hem blindelings, vol vertrouwen, zonder reden. De vanzelfsprekendheid in zijn stem schakelde keer op keer mijn doen en denken uit. Monddood was ik. Maar die tijd is voorbij. Voortaan voer ik het hoge woord en kies ik de keerpunten. Van dat ene leven ben je maar beter de chauffeur dan de passagier. Gent, 23. Die voor mij haalt alles uit haar neus wat erin zit. Ik haal links in en weersta de drang om opzij te kijken. Ik wil vooruit, met deze geit en met mijn leven. Niet blijven plakken aan neuskeutels die toch van geen wijken willen weten. Omwegen, binnenbanen, stroken vol kinderkopkes: alles wil ik pakken, zolang hij zich er maar niet mee bemoeit. Gent, 19. Gent, 18. Wie niet weg is, is gezien door flikken en flitspalen. De herinneringen aan onze reizen samen razen voorbij, maar met 122 kilometer per uur en mijn handen aan het stuur kunnen ze me niets maken. Nog even en alles is van de baan. Gent 15, 14, 13. Zou hij mij missen? Ik ben zomaar vertrokken, heb hem botweg laten liggen. Waarschijnlijk heeft hij nooit echt beseft dat ik bestond. Wellicht heeft hij er nooit bij stilgestaan dat ik een mens ben met een mening. Hij en ik, dat was een straatje zonder einde. Zijn monotone monologen hingen altijd in de lucht. Hij verstoorde elk gesprek zonder zichzelf of zijn timing ook maar een moment in vraag te stellen. Zwijgzaam volgen, verder ben ik nooit geraakt. Maar nu ben ik weg, op weg naar mezelf. Gent, 9. We zijn er bijna. Ik ben nog niet helemaal bekomen, maar hoe meer torens ik zie, hoe minder ik twijfel. Het is voorbij. Wég, strop! Wég, wijzer! Ik zoek het zelf wel uit! En als ze me vragen ‘woar goade noartoe’, zeg ik gewoon dat ik een toerke doe. Wie weet waar mijn buik en mijn botten mij morgen brengen. Joost mag het weten, hij moet het me niet vertellen. Ik zoek tot ik vind wat ik mét hem nooit had gevonden. Gent, 5. Gent, 4. Ik chauffeer door de straten, op mijn gemak, met het centrum van voren, de wind vanachter en overdreven veel goesting in mijne frak. Hoe ik ook draai of keer, ik kom altijd weer bij mezelf uit. Alle wegen leiden me precies naar daar waar ik moet zijn. Wat heb ik eigenlijk ooit in hem gezien? Hij was mijn rem. Nu is het tijd om gas te geven. 3, 2, 1, Gent. Ik ben thuis – zónder gps. Hij kan me gestolen worden.

a little bit of soap
38 3

Dagboek van hellen brown

Uit het dagboek van ’vandaag’ van Hellen Brown.  25 oktober 2007 Alléén, met hoog opgestapelde bagagekar loop ik te Brussel, Zaventem door de aankomsthall, voorbij familieleden en vrienden van… anderen. Geen mens die mij afhaalt. Langs de zijspiegel van de taxi weerkaatst een zonneflikkering.  26 oktober 2007 Koken in een pand dat onbewoonbaar is verklaard. Geen verluchting. Kans op elektrocutie. Staande op de rand heb ik de luivel boven het bad weer al eens open gedraaid, de voordeur open, twee truien aan en een muts op mijn krullen. Zo kan ik koken en….. het is nog lekker. Door het vette mat glas van de luifel een zonnestraal. Het licht diffuus, zo ook ik.  27 oktober 2007 Weinig licht en geen lucht in dit gelijkvloers. Ik heb veel licht en lucht nodig.  28 oktober 2007 Het houten handvat van het gekregen vleesmes is gespleten. Ik snij in mijn vingers.  29 oktober 2007 Alle winterkleding dat men me geeft is bruin. Ik haat deze kleur.  30 oktober 2007 Het is alsof ik ‘onthecht’ ben van alle vroegere vrienden in Antwerpen. Over familie maar te zwijgen  2 november 2007 De bel van de eigenares moet ik tegen de voorgevel plakken. Ofwel blijft ze de hele dag rinkelen ofwel helemaal niet. De huisbazin is een ‘iron lady’, enkel op de huur en daarna op de waarborg uit. Ze is wel smaakvol en modern gekleed.  3 november 2007 Ik struikel over verlengdraden in dit benedenappartement. Doch spreidt de schemerlamp een gezellig licht. 6 november 2007 Ik neem de meest foute beslissingen. Ik pieker over alles en nog wat. Ik heb de indruk dat ik buitengesloten ben.  7 november 2007 Ik ben in de steekgelaten en heb velen die me getracht hebben te helpen, tegen de haren in gestreken.  8 november 2007 Men wil de toestand waarin ik in terecht ben gekomen niet inschatten. Onbegrip, wrevel, onmacht. Geen interesse. Het eigen leven is belangrijk. In de ochtend doet een waterzonnetje zijn best.  9 november 2007 Verscheurd schreeuwend heb ik zeker een half uur klagend en wenend door de kamers geijsbeerd. De eerste keer dat ik zo wanhopig huil.  13 november 2007 Wanneer de straatlantarens door de doffe ruit van de voordeur schijnen trekt het licht in grote vierkanten waar zich, in een donkere tint een parallellogram aftekent.  15 november 2007 Weer sleur ik me huilende en op mijn moeder roepend door het hele benedenappartement. Niemand hoort mij.  16 november 2007 Begrip is enorm waardevol. Een ‘hug’ een godsgeschenk.  17 november 2007 Het belangrijkste waar ik naar hunker is tederheid, liefde…….  20 november 2007 In de tussenkamer staat een ouderwetse TV, een afdankertje van Karine. Hij is niet aangesloten. Telkens wanneer ik voorbij loop zie ik in grijze tinten, iemand enorm triestig weerspiegeld.  24 november 2007 Na het opstaan kauw ik op een stuk brood om haastig de homeopathische antidepressievepil in te nemen. Ik zet een CD op van Bach en laat me gaan.  26 november 2007 Altijd maar wachten tot dit of dat gebeurd of gaat komen. Men beweert dat we in het NU moeten leven en… er van genieten? IK? Ik trek me intussen op aan een kop koffie, de zon, herfsttinten van bladeren, een glimlach van een kind.  27 november 2007 Ik begrijp dat sommige geestelijken zichzelf kastijden. Wanneer ik wakker word en het weer niet zie zitten, bijt ik in het malse vlees van mijn bovenarm. Wanneer ik te hard heb gebeten, lik ik de plaats en denk:’ze likt haar wonden’.  28 november 2007 Waar wacht ik op? Tot ‘my lost love’ komt praten? Over ons? Ik zeg het tegen niemand, ik die loslippig ben.  29 november 2007 Wacht ik tot er een wonder geschiedt? Is de stralenbundel die door de witte cumuluswolken stort, een voorbode?  30 november 2007 De strijd is deze morgen voor de zoveelste keer weer emotievol gestreden en we zijn nog in leven.  1 december 2007 Mijn leven zal eindigen bij 75. Alles ligt klaar, de zak van plastic, de pillen. Ik vind eindelijk de moed om het te doen, dan bemerk ik gaatjes in het zwarte cellofaan.  3 december 2007 Men heeft mij altijd een tiental jaar jonger geschat omdat ik jeugdig van geest ben en er schijn bij te horen.  4 december 2007 Men zegt dat ze willen tekenen om er uit te zien zoals ik wanneer ik zij mijn leeftijd hebben bereikt. Ik moet dan grimlachen of de schouders ophalen.  7 december 2007 Men zegt ook dat ouder worden, wijzer worden is! OK wat wijsheid betreft. Maar ze doorgeven, forget it.  12 december 2007 Toevallig ontmoet ik een man. Oef, een met humor. Een Nederlander, hij zal me leren zingen. Zingen? Hij komt me de volgende dag ophalen. Niet in een Mercedes maar op de bagagedrager van zijn fiets rijdt hij me naar zijn studio. Ik dwing me tramsporen en voorbij suizend verkeer te negeren. Ik zing dapper maar hij wil meer. Seks natuurlijk.  13 december 2007 Ik ben teleurgesteld, boos, kwaad woest, choleriek, ontdaan en nog van die emoties.  16 december 2007 Heel de geschiedenis door heeft men elkaar naar het leven gestaan. Elkaar leed bezorgt. Spreek me niet van liefde. Dat is vervangen door seks in al haar proporties en decadenties (heb ik de indruk).  18 december 2007 Ik leef in een verschrikkelijke egocentrische wereld of moet ik gemeen-schap zeggen  23 december 2007 Ik behoor tot ‘het leger’ der bedrogene.  25 december 2007 Ik heb een put gedolven, er dennentakken over gelegd. Met een kaars ben ik erin gekropen en gewacht tot Kerstmis voorbij is.  27 december 2007 Verjaardag van mijn jongste dochter Ditte. Voor mij, elke morgen een gevecht: Leven of zelfmoord.  30 december 2007 Ik woon nu bij mijn oudste zoon te Melsele. Het is een enorm groot huis. Het lijkt wel een klooster. Door de glas in lood gevatte ramen weerkaatsen kleuren rood, blauw, geel, groen en goud, zwart omrand. De kleuren raken de antieke meubels al glanzend. De hall, zowel beneden en boven zijn showrooms voor antiek. In een ouderwets bed slaap ik tussen deze meubels. Ik ruik de geur van boenwas en vernis. Er liggen zijden bloemen op de sprei. Ze zijn van zilver wanneer de maan schijnt.  31 december 2007. Nieuwjaar Ik ben met de fiets naar Antwerpen gereden. Ik kan bij een vriendin crachen. Ik hoor feestvierende. Toeters en serpentines. Wil er niet bijhoren. Mijn moed is zo moe geworden. Ik wil mijn hoofd laten rusten. De vriendin houdt haar belofte niet. Ze is niet thuis. Het is feest in ‘Strawberry Fields, live Music café. Mijn gewezen partner speelt er gitaar. Daar zal ze zijn. Ik moet hoognodig. Mijn broek wordt vochtig. Met dichtgeknepen dijen rij ik naar Strawberry Fields. HIJ zingt een lied, destijds voor mij gecomponeerd: ‘I want a simpel live for you and me’. Even hapert hij wanneer hij me ziet. Vriendin lacht honend. Ik geef haar een klap. Dan sta ik moederziel alleen in de nacht.  1 januari 2008 Ik wrijf over mijn ogen, mijn gezicht . Strijk ruw door de haren en schrei. Wat een wee gevoel. Buiten ligt schitterend wit de sneeuw met een ijsrandje.  3 januari 2008 Jo, een vriend dacht ik, belt af omdat Herman, een andere vriend, zogezegd ziek is. Hij zou met Herman een kast van Ikea in elkaar zetten. 6 januari 2008 Ik kan ECHT niet meer.  7 januari 2008 Ik koop een zware slaappil en een zak van plastic die ik op gaatjes heb nagekeken. Met deze attributen zal ik het leven verlaten. NIEMAND meer tot last zijn, ook mezelf niet. Misschien de laatste foutieve beslissing. Vanwaar komt dat gefonkel? Via scandiaflex schijnen maanstralen en verdelen de kamer in startbanen van licht.  8 januari 2008 Eindelijk een vriendin. Ze overtuigt me dat het leven wél zin heeft. Ik moet enkel doorheen een levensfase die depressie heet. Ik mag me niet afzonderen.  15 januari 2008 Ik zoek mensen op in cafés. Ik ontmoet een advocaat. Hij drinkt te veel en redeneert onsamenhangend. Hij is wat men noemt een verlopen individu.  17 januari 2008 Zes uur, het is zwart, donker en koud. Zowel ’s avonds als ’s morgens. Welke gelegenheden heb ik aan me laten voorbij gaan en weer.  19 januari 2008 Ik sluit me op omdat ik niet meer naar buiten DURF. Het alleen door de natte, koude donkere straten baggeren? In een café een koffie of thee gaan drinken? Alleen aan een tafeltje? Kijken naar de mensen die wel samen zijn. Verliefd of niet verliefd? 22 januari 2008 Dood? Weg zijn, bijgevoegd in de geesteswereld? Dan moeten ze eerst wel je geest cleanen!  23 januari 2008 Hoe komt het dat ik vergeet. Mijn hoofd zit vol met spinsels, watten, stofnetten. Ik weet niet WAT ik aan WIE schrijf. Waar ik ben geëindigd met mijn recent dagboek. Welke mails verzond ik? Psycholoog en de weinig vrienden beweren dat ik niet dementeer, geen Altzheimer heb want daarvoor had ik angst.  24 januari 2008 Kouwelijk zit ik in de metro. Heb een wintervest gekregen. Ik kan het vanonder dichttrekken met een touwtje waar aan het eind een ijzertje hangt. Lijn zes komt eraan. Ik wil opstaan maar blijf haken in de gaatjes van de gele metalen stoel. Een Koerdistanees verlost me. Hij vraagt me te helpen met zijn huiswerk Nederlands. We worden vrienden…. tot hij geld wil.  25 januari 2008 Heel de dag tot middernacht computerspelletjes gespeeld. Ik heb zelfs niet gemerkt dat de verwarming op nul is gesprongen. Bibberend voor het computerscherm speel ik hardnekkig verder. Word ik gek? Of is het een vlucht. Klappertandend heb ik om 12 uur ‘s nachts een heet bad genomen. Vergeten te eten. Een slaappil! Volle maan.  26 januari 2008 Er moet iets geklikt zijn in mijn kop. Ik kan de problemen die zich blijven opstapelen niet zonder hulp oplossen. Zelfs al is de hemel strakblauw.  27 januari 2008 Wat is plezier? Voor mij een glimlach en blij zijn met het grijze donzige pluimpje van een vogel dat voor mijn voeten dwarrelt.  28 januari 2008 Ik ben al blij met geruis op de radio. Smartlappen en reclame kan ik niet meer hebben. Zelfs niet het nieuws. Ook mijn klassieke muziek heeft niet meer het kalmerend effect. Buiten op het pleintje staat een sneeuwman. Een oranje wortel voor zijn neus.  29 januari 2008 De nieuwe vriendin stelt me een vriend van haar voor. Hij is een countryman. Hij danst rijdansen. Hakke-teen, hakke-teen. We hebben een goede conversatie. Hij nodigt me uit. Te Aalst is er een groot feest. Cultuur denk ik. Ik dof me op. Kleurrijk, zelfs rode schoentjes met hoge hakken. Op het feest zijn allen gekleed in jeans, leren vesten met franjes, laarzen aan de voeten en cowboyhoeden op het hoofd. Ik ben de gekleurde eend in de bijt.  30 januari 2008 Ik geef het zoeken naar een volwaardige partner op.  3 februari 2008 Ik zie hoe mijn lichaam zich rimpelt. Ik zie ouderdomsvlekken, wratjes, rode plekken. Ik zie kringen onder de ogen. Binnenkort, gebogen lopen, een lach vol valse tanden. Met een andere vergrijsde dame walsen op de tonen van de blauwe Donau. Een kaartspelletje, scrabble en vertellen over de fratsen van kleinkinderen. Ik zou niets te verhalen hebben omdat kinderen en kleinkinderen zich niets van mij aantrekken. Ik ben een taboe-bomma.. 4 februari 2008   Verjaardag van mijn zoon Jappe. Dat wordt gevierd. 6 februari 2008 Wanneer ik grijze oude verschrompelde mensjes zie, met of zonder stok of rollator, krom getrokken door de tijd, dan vraag ik me af waarom ze blijven leven, waarom ze kunnen lachen. Is het omdat ze triomferen omdat ze ‘nog in leven’ zijn. 8 februari 2008 Ditte, het mensenkind, boek van Alexander Nexö. Wat mij in dit boek zo verwonderd is het feit dat haar mooie vrouwelijkheid zo vlug vervlogen is. Mijn God, zo kortstondig. Te snel wordt ze lelijk, oud, geschrompeld…en depressief. Ik heb het langer uitgehouden. Naar de derde leeftijd worden verwezen is enorm pijnlijk. 10 februari 2008 Ik zit in een wachtzaal in de kliniek. MRI-scan. Door de gang freewheelt traag een rolstoel. Verstomd sla ik de heldere blik van de gelukzalige neger gade. Zijn onderste ledematen ontbreken. Door het raam een zonnestraal. Doet het chroom van het vehikel blinken. 12 februari 2008 Ieder huis heeft zijn kruisje. Ik denk: Laat mijn huisje uw kruisje niet zijn! 13 februari 2008 Ik heb het weer moeilijk. Niemand telefoneert, laat iets van zich horen. Ik tracht me kloek te houden en weer verdwijnt wat hoog opgestapeld papierwerk. 15 februari 2008 Ik neem het leven terug op, denk ik. Buiten is het koud ondanks het armzalig zonnetje. Probeer door diep te ademen het vreselijke lege eenzame gevoel, dat als tentakels van een octopus op me te loert, op afstand te houden. 16 februari 2008 Ik schil aardappels, kook een bloemkool. Die krijg ik nooit alleen op. Daar slagen ze me weer in hun wurggreep, die tentakels. Radeloos bel ik mijn oudste. Ze troost, geeft raad. Mijn aardappelen branden aan. Vroeger waren het die van mijn dochter. 18 februari 2008 Ik wil, heb het broodnodig: liefde, tederheid, waardering, cultuur, lachen, vooral lachen. Ook trouw en bezorgdheid. Ik wens het met heel mijn hart, ziel mijn wezen. Toch groeit er een brokje geluk diep in mij verborgen, van goud. 20 februari 2008 Hier lig ik nu in dat smalle eenpersoonsbed. Ik noem het mijn Buchenwaldbedje. De koplampen van voorbijrijdende auto’s strijken schaduwen en licht op mijn onder de lakens afgetekend lichaam. 21 februari 2008 Wakker worden Soms mis ik warme armen om me heen Soms reikt mijn hand de muur, alsof ik dààr tederheid kon halen Soms smeek, bid, roep, gil en schrei ik Soms glimlach ik om het tjilpen, fluiten en krassen van vroege vogels Soms grimlach ik wanneer ik eindelijk terug ingedut, wakker word door het gerinkel van de wekker van de bovenbuur Soms wéét ik dat alles goed zal komen Soms denk ik dat alles alledaags en negatief blijft Soms denk ik dat er nog ettelijke zwaarden van Damocles boven mijn hoofd hangen Soms ben ik dapper Soms te mistroostig om op te staan Soms neem ik mijn hoofd in de armen. Het lijkt groot, niet evenredig met mijn lichaam Soms is alles anders dan voorheen Toch is er het warme bed 22 februari 2008 Ik ben naïef en goedgelovig, te goed van vertrouwen. Ik beloof snel en wil zeker uit principe beloften houden. Alles doe ik hals over kop. Denk niet na, ben niet ad-rem. Bedoelingen doorzie ik, weliswaar te laat. Hopeloos om me in het sociale leven te gooien. Te eenzelvig. Als ik het dan toch doe, vertel en praat ik teveel. Net alsof ik een tekort moet inhalen. 24 februari 2008 Ik moet dringend een andere woning zoeken. Deze is ook door een commissie onbewoonbaar verklaard. 25 februari 2008 Ik ben verplicht te verhuizen. Alleen, zonder hulp. Naar de stad? Ik die zo van de natuur houd. 26 februari 2008 Antwerpen? Ik erger me aan viesheid en vettigheid. Elk blik, elk papiertje dat nonchalant is weggeworpen. De kettingen en sloten aan fietsen. De met spuitbussen bekladde muren. En al het Amerikaans gedoe.  27 februari 2008 Capoeaira? Dat is de dans van Braziliaanse straatkinderen om te ontkomen aan doodseskaders. Nu heet dat ‘indoor’. 28 februari 2008 Het schijnt dat ik niets meer kan. Eten smaakt niet. Het leven is geen uitdaging. 29 februari 2008 Had ik toch die reikende hand moeten grijpen en de zwarte zak uit plastic over mijn hoofd moeten trekken? Dan had ik niet zo afgezien en had de tijd me niet ouder gekregen. Had ik de marteling van alleen en eenzaam zijn niet moeten meemaken. Hadden hardheid en onverschilligheid van mijn kinderen me niet kunnen kwetsen. Was ik waarschijnlijk naar mijn ster terug gekeerd.  1 maart 2008 Wil ik wel verdwijnen? Heb ik de moed? Sterven of opnieuw de wereld intrekken. Kan ik dat alleen? Weet dat men steeds zichzelf meeneemt.  31 december 2008 Nieuwjaar. Tot mijn verbazing ben ik uitgenodigd bij Fernand Auwera en zijn vrouw Jeanine. Er zijn meer gasten. De gerechten zijn wonderbaarlijk lekker en de wijn van goede kwaliteit. Ik ben dankbaar. Na middernacht val ik met mijn hoofd in het bord eten Rhea van der Vloet 17-11-2011

Rhea van der Vloet
0 0

De gelegenheid.

Hier zat ze dan, op een terrasje in Rome, helemaal alleen met als enige gezelschap een boek gekregen van haar beste vriendin en een plattegrond van de stad, terwijl ze eigenlijk voor een tweede maal haar vakantie in Thailand had moeten doorbrengen met haar geliefde, verbetering, nu ex – geliefde. De smeerlap had haar na 2 jaar laten zitten en was er vandoor gegaan met een serveerster uit zijn kroeg, een sloerie met lange benen, nep borsten en overdreven schmink. Waarschijnlijk flaneerden ze nu hand in hand langs het strand, of neukten zich te pletter in één of ander hotelletje.  Wat zag hij toch in dat mens en hoe had ze zich zo kunnen vergissen in die vuile bedrieger? Ze kon nog net een vloek binnensmonds houden. Het was opletten, het Vaticaan was dichtbij. Ze bestelde een tweede cappuccino en schrok voor de zoveelste keer op door veelvuldig moto geronk. Meerdere Harley-Davidsons staken het, anders zo rustige, plein over. Ze wenkte de knappe ober en vroeg in het Engels wat dat toch allemaal te betekenen had. In goed verstaanbaar Engels, wat had ze dan anders verwacht van zo'n toeristische plek, legde hij uit dat deze 16de juni in het teken stond van de 110de verjaardag van Harley-Davidson en dat er een motor zegening doorging op het Sint-Pietersplein in Vaticaanstad, naast nog andere festiviteiten. Ze bedankte met een hartelijk 'Grazie' en keek toe hoe de blinkende motors, op weg naar wat spetters gewijd water, uit het zicht verdwenen. Haar gedachten namen weer de bovenhand. Het werd tijd dat ze zich bezig hield met de doelen die ze voorop had gesteld bij deze citytrip: het loslaten van de stress die ze had opgelopen na de hele heisa van zijn bedrog en het tijd nemen om alles eens op een rijtje te zetten. Ze bekeek de plattegrond van Rome en zocht naar het Palazzo Sacchetti. Daar zou ze in een fresco de Kairos zien, het jongste goddelijke kind van de oppergod Zeus en de personificatie van de gelegenheid, het juiste moment om iets voor elkaar te krijgen. Ze had zich voorgenomen om op die plek even tot bezinning te komen, omdat het wel passend was voor haar leven op dit moment en zoals ze al had gelezen:  'De gelegenheid is een kritiek moment: scherp onderscheidend en doorslag gevend voor het vervolg.' Wat ging ze aanvangen met haar leven? Welke weg moest ze inslaan? De ober bracht haar cappuccino en schonk haar een knipoog. Ze glimlachte terug, roerde in haar kopje en zag dat er op het witte servet een gsm-nummer stond geschreven met daaronder wat korte Engelse zinnen: een gids nodig?  – na 17uur – voel je vrij... Met een glimlach stopte ze het servet in haar handtas en bestudeerde voor de zoveelste maal de route die ze ging afleggen. (noot van de auteur: de tekst was ontstaan voor een schrijfuitdaging van het VERZIN  tijdschrift en heb ik nu wat herwerkt. )

@nnick
0 0

Uitverkoop

David kreeg kippenvel wanneer hij het raam van zijn slaapkamer opende en de koude wind zijn verwarmde kamer betrad. Het was herfst en de straat was gevuld met gele en bruine bladeren. De boom die in hun voortuin stond en die in de lente rode appels kreeg, stond er nu dreigend en bijna kaal bij onder het schijnsel van de lantaarnpaal. David keek even geniepig naar de deur van de slaapkamer, voordat hij een verfrommeld pakje Marlboro tevoorschijn haalde en er een krom sigaretje uitviste. Met zijn hand beschermend voor de vlam tegen de wind, stak hij hem snel aan en inhaleerde diep. Hij was pas twaalf en zat in het eerste middelbaar. Zijn moeder zou gek worden moest ze weten dat hij rookte. Niet dat dat hem zoveel deerde. Sinds de dood van zijn vader, een klein half jaar geleden, was hun relatie nog gespannener geworden. Zijn vader was gestorven door een “ongeluk”. Hoe het juist was gebeurd wist niemand, maar voor één of andere reden had hij fel aan zijn stuur getrokken, waardoor hij tegen een boom was beland. Hij was op slag dood geweest. Na de dood van zijn vader had hij zelfs even gedacht dat zijn moeder er voor iets tussen zat. Om hen uit elkaar te drijven. Het was iets na negen uur dertig in de avond. Voor zijn moeder lag hij nu in bed. Maar slapen deed hij vaak pas rond middernacht. Gelukkig was er geen raampje in zijn deur, zodat zijn moeder vanuit haar eigen slaapkamer niet kon opmaken of zijn licht brandde of niet. Als hij rookte deed hij voor alle zekerheid toch maar het licht uit. David staarde naar het huis aan de overkant. Zo lang hij zich kon herinneren stond het huis leeg. Het was inmiddels een bouwval geworden. Het roestige hekje stond open dat toegang gaf tot een woelige voortuin met hoog gras en brandnetels. De voordeur die ooit wit was geweest, was nu groenachtig bruin en de sporen van de witte verf hingen als strepen bloed over het hout. Vroeger toen hij klein was speelden ze er waarheid of durven. Dan moest iemand er naar binnen gaan en er vijf minuten in verblijven. Hij had gedurfd, al was hij de volle vijf minuten doodsbang geweest. Hij herinnerde zich nog goed dat het naar vermolmd hout had geroken. Zo moesten lijken ruiken als ze al een tijdje onder de grond lagen, had hij gedacht. Telkens als het hout in het huis kraakte, had hij verwacht één of ander doemfiguur te zien, maar gelukkig was dat uitgebleven. David moest grijnzen bij de gedachte aan zijn kinderlijke angst. Nu deed het huis hem niets meer. Gewoon een krot dat hun anders zo keurige straat ontsierde. Hij hoorde stappen en wilde al meteen de sigaret doven, toen hij merkte dat er een man over straat liep. Hij had een zwarte aktetas bij zich, en droeg een lange zwarte mantel en een al even zwarte hoed. Zijn nieuwsgierigheid hield David tegen om snel het raam te sluiten. Hij was altijd bang dat een bekende hem zou betrappen en het aan zijn moeder zou vertellen dat hij rookte. Maar aan de andere kant wist hij ook dat veel meer dan het oplichtende puntje van de sigaret er niet te zien kon zijn. De man liep het hekje door van het huis aan de overkant. Hij liep snel en resoluut. Alsof het huis van hem was. David hoorde het kraken van de treden naar het portiek tot in zijn slaapkamer. Maar toen zag hij iets vreemds. Het deed hem schudden met zijn hoofd. Want wat hij had gezien kon helemaal niet; de man was, zonder de deur te openen, er dwars door naar binnen gegaan. David wilde hier het fijne van weten. Het kon niet anders dan dat hij het verkeerd had gezien. De duisternis deed wel vaker rare dingen met je gezichtsvermogen. Enge dingen. Maar waarom zou iemand dat bouwvallig krot betreden? Wat zou iemand daar te zoeken hebben? David doofde snel de sigaret aan de buitenkant van de muur, en gooide het peukje met een harde zwaai het koude herfstweer in. Snel klom hij op het houten dakje van hun portiek. Hij liet zich er aan hangen totdat hij de balustrade onder zijn voeten voelde. Vervolgens sprong hij naar de grond. Het gras voelde koud aan onder zijn blote voeten. Zachtjes deed hij het hekje van hun eigen voortuin open, zodat het niet zou piepen. Snel liep hij naar de overkant. Naarmate hij de deur naderde, werd zijn pas steeds onzekerder. Wat als hij juist had gezien? Wat als geesten, boze geesten, bestonden? Wat als de man hem betrapte? Onwillekeurig moest hij denken aan de horrorfilms dat hij had gezien en waarin de nieuwsgierige personages altijd de eerste de pijp uitgingen. Maar dit is de werkelijkheid en niet één of andere slappe horrorfilm, hield hij zichzelf voor. Zachtjes liep hij de treden naar de voordeur op, elke trede kraakte heel zacht onder zijn voeten. De deur stond op een kier, merkte hij. Hij haalde opgelucht adem. Misschien had hij toch verkeerd gezien, en had de man wel degelijk de deur opengedaan. De deur gaf moeizaam mee wanneer hij ertegen duwde. Hij deed hem maar amper open genoeg, zodat hij erdoor naar binnen kon glippen. Hij was bang dat ook de deur geluid zou maken, en de man zou alarmeren. Hij hoorde stemmen uit een aanpalende kamer. Licht scheen door een kier, alsof het huis nog elektriciteit had, maar dat kon niet. Zachtjes tippelde hij naar de deur en staarde door de kier naar binnen. De man in de zwarte mantel had gigantische lange nagels, zag hij. Ze waren geslepen in punten zoals van het monster uit Bram Stoker's Dracula dat hij ooit op televisie had gezien toen zijn moeder niet thuis was. De man die het licht maakte, herkende hij meteen. Zijn korte stoppelbaard, zijn fijne lippen, zijn iets te dikke neus. Hij droeg nog steeds de kleren waarin hij was verongelukt. David hield zijn handen voor zijn mond om een beverige zucht te onderdrukken. “Ik kan je twee dagen geven... Maar de hamvraag blijft wat je ervoor over hebt”, zei de man in de zwarte mantel. “Alles! Alles heb ik ervoor over”, zei zijn vader. Onder het zachte schijnsel van de zaklamp zag David hoe de man in de zwarte mantel grijnsde. Meteen verscheen er weer kippenvel op de huid van David, en deze keer niet van de koele herfstwind. “U weet dat ik zielen nodig heb om mijn quotum te halen.” “Zeg maar wie je wilt... Zolang het maar niet mijn zoon is... “ “Uw vrouw... Ze heeft kanker. Nog amper enkele maanden, misschien een jaar te leven. Ze weet het niet...” “Alsjeblieft, je kunt mijn zoon toch niet zonder ouders achterlaten...” “Over een jaar heeft hij geen ouders meer! Dus wat maakt het uit?” David schrok. Zijn moeder... Kanker... De woorden sijpelden maar langzaam tot hem door. En zijn vader die bereid was alles te geven voor twee dagen. Twee dagen van wat? Er viel een kort hiaat waarbij de mannen elkaar aankeken. “Het is te nemen of te laten!”, zei de man in de zwarte mantel. “Alsjeblieft, niet zijn moeder! Ik heb veel slechte dingen gedaan in mijn leven, maar niet zijn moeder!” “De keuze is aan jou! Wil je die twee dagen of niet?” “Natuurlijk wil ik die twee dagen... En wat zal er gebeuren met haar?” “Hetzelfde als met jou... Ik zal haar niet laten branden in de hel!” De man in de zwarte mantel lachte zo angstwekkend dat David al wilde weglopen. “Je weet dat je haar gewelddadig aan haar einde moet helpen?” Zijn vader knikte. “Goed...” zei de man met de lange nagels. Hij hurkte zich neer, waarna hij zijn aktetas opende en er een geel uitziend papier uithaalde. “Geef me je pols.” Zijn vader strekte zijn arm uit. Met de zwarte, lange nagel van zijn duim gleed de man over de pols. Eerst leek er niets te gebeuren, maar dan verscheen er een donkere streep bloed. Zijn vader wilde zijn hand wegtrekken, maar de man hield hem stevig vast tot er bloed uit de wonde op het papier sijpelde. Opnieuw grijnsde hij die vreselijke grijns. “Ik heb nog nooit iemand gedood...” verzuchtte zijn vader. “Het is gemakkelijker dan je denkt... Ik heb er velen ingefluisterd, en de meesten werden er verslaafd aan!” David bracht zijn hand voor zijn mond om een snik te onderdrukken. Zachtjes liep hij weg van de deur, maar hij kon niet verhinderen dat de houten vloer onder zijn voeten kraakte. “Er is hier iemand!” hoorde hij de man met zijn krakerige stem bevestigen. Zich niets meer aantrekkend van het geluid dat hij maakte, rende David zo snel als hij kon het huis uit naar de overkant. In een paar seconden was hij op de houten balustrade geklommen, en terug zijn slaapkamer in geklauterd. Snel deed hij het raam dicht en staarde naar de overkant. De man in de zwarte mantel stond voor de deur. Hij staarde naar hem, dat voelde hij. Snel dook hij zijn bed in. Net op tijd, want op dat moment ging de deur van zijn slaapkamer open en zag hij zijn moeder staan. “Ik hoorde je gillen... Heb je een nachtmerrie gehad?” vroeg ze bezorgd. Hij wist niet dat hij had gegild, maar hij wist wel wat hij had gezien en gehoord. Zijn vader zou zijn moeder vermoorden. Binnen de twee dagen...

Malakh Ahavah
0 0

Ben ik wel een man?

“Ben ik wel een man?” Vraagt Giel zichzelf af terwijl hij zittend op het toilet zijn penis bekijkt. Het verschrompelde ding tussen zijn benen heeft meer weg van een rotte peer, of een baarmoeder die naar buiten gekeerd is na een zware bevalling. Terwijl hij voorzichtig de laatste druppels urine eruit knijpt met zijn linker hand, drukt hij met zijn rechter hand het gaatje bovenaan stevig dicht. Moeder natuur heeft hem namelijk met twee van die plasgaatjes opgezadeld. Alles behalve comfortabel wanneer je op de trein naar het toilet moet. Met beide voeten knelt Giel zich vast, toch weet een schok hem aardig te verrassen. De trein is kort en bruut tot stilstand gekomen. “Zouden we al in Brussel zijn?” In Brussel-Zuid moet hij eraf. Van daaruit vertrekt de Thalys richting Parijs. Waarom moest hij ook net nu zo dringend naar het toilet? Op de Thalys zou hij veel meer tijd hebben om zijn penis te sonderen. Na elke plasbeurt herhaalt Giel dit wansmakelijk ritueel. Met een staafje dringt hij eerst bovenaan zijn urineleider binnen om de laatste resten er eigenhandig uit te zuigen. Vervolgens herhaalt hij deze handeling via het gaatje vooraan. Het ballonnetje vult zich al aardig met vlokken. Plots volgt er nog een schok, alsof de trein zich ontkoppelt. Een scheurende pijn trekt via zijn piemel tot in Giels maag. Vooraan zit het buisje er nog in maar er werd duidelijk schade aangericht. Het opgevangen vocht kleurt volledig rood. Terwijl de ballon zich opblaast krijgt Giel een opstoot van koud zweet. Zijn lichaamsharen staan rechtop terwijl de kralen zweet via zijn rug naar beneden glijden. “Nu niet het bewustzijn verliezen” denkt Giel vlak voordat alles zwart kleurt. Plof! een zware klap. Langzaamaan komt er weer licht naar binnen, zuurstof, geluid. De deur is open. Een dame reikt hem de hand. “Hier meneer, een maandverband”.

Lezzl
5 1

Facebook voor Napoleon

Geachte heer Bonaparte, Sta me toe zo vrij te zijn, u Napoleon te noemen. Excuses voor mijn taalgebruik mocht het niet binnen de protocollen vallen. Ik ben een eenvoudige dame die het graag een beetje simpel houdt. Hoe anders kan ik u, de grote Napoleon, een futuristisch fenomeen als Facebook uitleggen? Eigenlijk kan ik Facebook het best omschrijven als een virtuele Blitzkrieg. In tegenstelling tot u trekken wij er vandaag de dag niet lijfelijk op uit om onze vijand een kopje kleiner te maken. In onze tijdsgeest hebben wij daar helaas noch de tijd, noch de ballen voor. Eigenlijk zijn we er fysiek ook helemaal niet meer toe in staat. 24u op 24u zijn we digitaal verbonden. Dit wil zeggen dat we altijd en overal bereikbaar zijn en dus ook ‘kunnen bereiken (of treffen)’. Velen van ons zitten gewoon de hele dag op een stoel achter een scherm in een bureau. Anderen steken een apparaatje op zak waarmee ze vanuit hun binnenzak kunnen communiceren. Vanuit deze strategische posities zijn we in staat om de hele wereld onderhuids te domineren. In de plaats van wapens, paarden en kanonnen gebruiken wij woorden, foto’s en videofragmenten om anderen een slecht gevoel te geven over zichzelf. We noemen onze doelwitten eerst vrienden om ze nadien stilletjes als vijand onderuit te halen. De stijl van onze berichtgeving is vergelijkbaar met uw manier van oorlog voeren: snel en agressief. Berichten verspreiden zich als een lopend vuurtje. Doormiddel van één simpele vingerklik kunnen wij wereldwijd ‘treffen’. Hoewel de pijn van onze psychische wapens soms minder snel tot mensen door dringt, is de schade vaak minstens even diepgaand. Het effect van onze acties kan jaren later nog steeds voelbaar en zelfs zichtbaar zijn. Hoewel Facebook als een droom klinkt voor iedereen die iets wil bereiken in zijn leven, kan Facebook ook net het omgekeerde effect bereiken. Alles hangt ervan af hoe flexibel de geest van de gebruiker is, hoeveel inzicht hij heeft en op welke manier hij in het leven staat. De wereld vandaag is complexer geworden. Sommigen onder ons denken teveel, en anderen denken veel te weinig. Zo zijn er mensen die zonder enige schroom al hun doen en laten op Facebook delen. Zo weet ik bijvoorbeeld wanneer mijn buurmeisje een bad neemt. Er zijn koppels die via deze virtuele verbinding discussiëren en naar een echtscheiding toeleven. Werkgevers analyseren ons profiel en controleren al onze activiteiten. Woorden en beelden blijven vereeuwigd en kunnen levenslang tegen ons gebruikt worden. We zijn in staat om andere gedaantes aan te nemen om zo te infiltreren in het leven van onbekenden. Het is een voortdurend spel van actie en reactie. Wij noemen het ‘interactie’. Het is dus niet gepermitteerd om naïef en ondoordacht te werk te gaan. Terwijl we strijden met de wereld zijn we in staat om ook onszelf in één simpele beweging in te halen en te verslaan. Een zieke of zwakke geest kan via Facebook veel verzieken. Beste Napoleon, ik zou nog eindeloos kunnen doorgaan over de min- en pluspunten van Facebook. Toch ben ik ervan overtuigd dat een kordaat man als u er liever meteen in zou vliegen mocht hij de middelen hebben. Maar onderschat zeker onze motieven niet. Stratego of schaak kan soms veel eenvoudiger zijn dan een spelletje virtueel en psychisch oorlog voeren. Onthoud vooral goed: “Een verwittigd man is er twee waard maar op Facebook heeft u duizenden vrienden.” Mocht u verdere vragen hebben, aarzel dan zeker niet om mij te ‘frienden’. Met de beste intenties, Lesley Courtois

Lezzl
0 0

Lust vs Liefde

Lust heeft me in zijn greep. Gisteren avond zat hij naast me in de zetel, telkens schoof hij dichter en dichter tot hij mijn zoete parfum in zijn herinnering kon opslaan. Ook zijn geur maakte me zwak, een mengeling van Calvin Klein en zijn heerlijke mannengeur. Ik wist niet wat er met me gebeurde want ik had me voorgenomen me niet te laten verleiden door zijn subtiele vraag voor aandacht, en waarschijnlijk een nog groter verlangen naar seks, met mij. Ik weet niet waarom we steeds vervallen in hetzelfde patroon, een patroon dat mijn hart en ziel reeds aan diggelen sloeg, een patroon dat niet vatbaar is voor verandering, laat staan voor verbetering. Ik wou dat ik in zijn hoofd kon kijken zodat ik wist waar zijn verlangens vandaan kwamen en waarom is het dat hij steeds opnieuw bij mij beland? Ik heb zoveel vragen en bijna geen geduld om de antwoorden af te wachten. Het leven is te kort om het met al die oneindige uren wachten te leiden. Ik wil actie en eerlijkheid, ik wil dat hij zijn lust voor mij erkent, dat is belangrijk voor zichzelf, maar ook voor mij want ik tast steeds in het donker, op zoek naar een aanwijzing die me op weg helpt de situatie te baas te kunnen..Als hij in de buurt is zuigt hij alle gezond verstand uit mijn hoofd en vult mijn lichaam met verlangen naar zijn kussen, zijn aanraking, zijn geur, zijn tong die me zachtjes in vervoering brengt, zijn onbeheerste warme gekreun dat hij met zachte kreetjes in mijn oren fluistert. Ik denk dat ik hem liefheb, maar ik ben niet zeker. Mijn hoofd is een warboel van te veel verschillende gevoelens en wensen waardoor ik niet meer weet wat echt is en wat niet. Verbeeld ik mij het gevoel dat hij me wil? Zie ik enkel wat ik wens te zien? Toen hij zijn hoofd in mijn schoot legde kreeg ik de indruk dat hij oprecht opzoek was naar genegendheid en veiligheid en ik denk niet dat hij weet dat ik hem dat kan en wil geven. Mijn gehele lijf wil hem mij aanbieden als een schild dat hem kan  beschermen tegen de pijnen die de buitenwereld steeds in onze richting stuurt. Hij weet niet dat het mijn hart is dat nog steeds trouw is aan zijn wil. Zijn wil is wet en ik kan niets anders doen dan me volledig overgeven aan de spanning en zelfs de boosheid die tussen hem en mij in staat, die ons als het ware onoverkomelijk zal blijven verbinden, hoe oud we ook zijn, waar we ook zijn en zelfs met wie we ook zijn. Hij vertelde me dat hij het de laatste tijd moeilijk had gehad; drugs en drank en feestjes... Hij zei dat hij het niet meer aan kon, het leven.. Als hij zou weten dat ik echt van hem hou, als hij dat echt tot in het diepste van zijn hart zou beseffen zou hij niet meer bij me weg kunnen blijven want wat hij ook zegt of doet.. Hij eindigt steeds in mijn omhelzing... De woede die regelmatig met ons de draak steekt kan niet vermijden dat wel alsnog een vurig verlangen naar elkaar koesteren. Opnieuw kan ik niet begrijpen wat het is dat steeds tussen ons in staat en ervoor zorgt dat we elkaar voor een bepaalde periode grondig gaan haten, langer dan drie maanden heeft dat nog niet geduurd en zo spelen we al bijna drie jaar met elkaars gevoelens, zowel op een positieve als op een negatieve manier. Vele pogingen heb ik reeds ondernomen om uit deze kwelling te ontsnappen, maar zijn (gespeelde?) onbereikbaarheid zorgt ervoor dat ik steeds opnieuw naar zijn aanwezigheid verlang. De voortdurende verwarring in mijn hoofd zorgt voor problemen, ik kan niet anders dan steeds bedenken wat ons naar elkaar toe drijft en nog meer wil ik te weten komen wat er voor zorgt dat we elkaar op de meest pijnlijke manier blijven verwoesten. Ik ben bang dat dit spel nooit zal stoppen, of misschien wel, als een van ons blijvend verwoest is en er geen enkele mogelijkheid nog bestaat deze verwoesting ongedaan te maken, pas dan zal de strijd gestreden zijn. Waarschijnlijk is het ook onoverkomelijk dat ik diegene zal zijn die onherstelbaar gepijnigd word. 30 januari 2014

Cienn
46 0

JAN DE JONGHE BELT ZIJN ARTS

JAN DE JONGHE: Hallo. ASSISTENTE: Met wie spreek ik? DE JONGHE: Met Jan De Jonghe. ASSISTENTE: Jan De Jonghe de loodgieter? DE JONGHE: Wablieft? ASSISTENTE: Wilt u een afspraak maken? DE JONGHE: Ik wil dokter Verdoodt spreken. Het is dringend. ASSISTENTE: Ik verbind u door. (Jan De Jonghe wordt in de wacht gezet en luistert naar I Love the Dead van Alice Cooper.) DOKTER BERT VERDOODT: Dokter Verdoodt. DE JONGHE: Hallo. VERDOODT: Wat de werken in de badkamer betreft, even uitstellen zou ik zeggen. DE JONGHE: Ik ben niet Jan De Jonghe de loodgieter. VERDOODT: Vreemd. Mijn assistente zei dat Jan De Jonghe de loodgieter me wou spreken. Wie bent u? DE JONGHE: Jan De Jonghe de patiënt. VERDOODT: Ah. Hallo Jan. DE JONGHE: Hallo. Ik bel je omdat ik je moet spreken. VERDOODT: Heeft mijn assistente geen afspraak genoteerd? DE JONGHE: Nee. Het is dringend. VERDOODT: Hoe bedoel je? DE JONGHE: Ik wil je, nou ja, nu spreken. VERDOODT: Oh. Ok. Wat is het probleem? DE JONGHE: Ik geloof dat ik wil sterven. VERDOODT: En dit geloof je sterk? DE JONGHE: Nogal ja. VERDOODT: Juist. En je hebt hierover nagedacht? Pro's en contra’s overwogen? DE JONGHE: Ja. Vanochtend. Ik zat op het strand in Oostende... VERDOODT: Oostende. Leuk. Mooi weer? DE JONGHE: Ja, mooi weer. Goed. Ik zat op het strand. Een vrouw smeerde haar benen in met zonnecrème. VERDOODT: Ik luister. DE JONGHE: Op haar benen zaten vlekken en... VERDOODT: Vlekken? DE JONGHE: Littekenweefsel of eczeem, dat kon ik niet goed zien... Ze was lelijk en dik. Ik zag dat ze erg triest was. Ik wou haar zeggen dat het nooit beter zou worden, dat ze er een eind aan moest maken. VERDOODT: Ok. En dat heb je haar gezegd? DE JONGHE: Nee, dat niet. Hoe moet ik dit zeggen? Ik dacht dat we erg oppervlakkig zijn. VERDOODT: Jij en ik? DE JONGHE: Nee. Wij. De mensen. VERDOODT: Juist. De mensen. In het algemeen. En die oppervlakkigheid stoort je? DE JONGHE: Ja, natuurlijk. Enfin, soms. VERDOODT: En wat stoort je nog meer? DE JONGHE: Huh? VERDOODT: Een korte opsomming zou helpen. DE JONGHE: Vergeet wat me stoort. Het probleem is: ik zie overal dood en verval, lijden en pijn. Ik zie dode mensen in de straat. VERDOODT: Zoals die jongen in The Sixth Sense? DE JONGHE: ... VERDOODT: Hallo? Jan? DE JONGHE: Ja, zoals die jongen in The Sixth Sense. VERDOODT: Moet je dan geen medium contacteren? DE JONGHE: Huh? VERDOODT: Een medium. Een persoon met paranormale gaven. DE JONGHE: Juist. Nee. Vergeet wat ik heb gezegd. VERDOODT: Over die vrouw op het strand? DE JONGHE: Nee, over die dode mensen. VERDOODT: Dus je ziet geen dode mensen? DE JONGHE: Niet letterlijk, nee. VERDOODT: Ah. Ok. Wat is dan het probleem? DE JONGHE: Ik wil sterven. VERDOODT: Heb je dat niet al gezegd? DE JONGHE: Inderdaad. Ik vroeg me af, geef je euthanasie? VERDOODT: Euthanasie? Ja, natuurlijk. DE JONGHE: En gaat dat snel? VERDOODT: Paar seconden. DE JONGHE: Ik bedoel de procedure. De afhandeling en goedkeuring van de aanvraag. VERDOODT: Oh. Juist. Nee. Dat duurt langer dan een paar seconden. Administratie. En er zijn ook voorwaarden. Ondraaglijk lijden en zo. Vind je dat je ondraaglijk lijdt? DE JONGHE: Ja. VERDOODT: Ben je ongeneeslijk ziek? DE JONGHE: Huh? VERDOODT: Een slepende ziekte? DE JONGHE: Moet jij zoiets niet weten als huisarts? VERDOODT: Het kon een recente slepende ziekte zijn. DE JONGHE: ... VERDOODT: Hallo? Jan? DE JONGHE: Nee, geen slepende ziekte. Ik ben niet ongeneeslijk ziek. VERDOODT: Juist. Niet ongeneeslijk ziek, wel ondraaglijk lijden. DE JONGHE: Juist. VERDOODT: Goed. Ik kijk na wat ik voor je kan doen. DE JONGHE: Dank je. VERDOODT: Verder nog iets? Hoest? Maagpijn? DE JONGHE: Nee, geen andere klachten. VERDOODT: Goed. Mijn assistente zal je contacteren. Prettige dag nog. DE JONGHE: Ja. Jij ook.  

JAN DE JONGHE
0 2

onderlicht.

ze zit
 ze zit daar
 ze zit daar in
 ze zit daar in dan 
 ze zit daar in dan wel
 ik doe het
 dan wel 
in haar plaats
 zit ze daar in niet gedaan 
zit ze daar in niet 
zit ze daar in 
zit ze daar 
zit ze ze brak
 ze brak ergens
 ze brak ergens in
 ze brak ergens in wil 
ze brak ergens in wil wel  
kan ik niet
 wil wel 
in haar plaats
 brak ze ergens in niet kunnen 
brak ze ergens in niet
 brak ze ergens in
 brak ze ergens
 brak ze wil wel zijn 
ik 
in zitten
 in breken
 in haar 
in dan 
in dan wel 
in wil wel
 in haar dan wel wil wel
 niet
 gedaan
 ergens 
kunnen
 wil ik haar wel zijn 2. onderlicht pervers nieuwsgierig mag je denken,
 naar dat gezit van haar, 
ten dele waar, maar dat breken in, 
dat breken in een beloftevol oord
 niets pervers aan, een gaan-en-staan-belofte,
een plaats van tast, verboden in te breken
, betreden op eigen einde van bestaan, wilsverlies,
 maar op gemene grond, voeten geplant, elkaars gevonden
 zijn, begrepen wat haar dan wel, wil wel beweegt, 
daar gaan-en-staan misschien eigen waantoch kon, want moet niet alles gedaan voor vaarwel gezegd, 
telkens weer wel gevonden onverdroten telkens nieuw stro dorsen, 
telkens nieuwe oorden, dingen, woorden van hoop 
plots brutaal bedrieglijk te vinden
 wil dat haar zijn zeggen? zie het beeld beschimmeld tapijt, mieren, motten, glasscherven, schemerig licht, hoeken bezeikt, waar de kakkerlak verschijnt, braaksel her en der onder wat te vinden viel verstopt, hoop is de drug der wanhopigen, rekt hun bestaan in pijnen uit, een schroefbank kreunend houten pijn, 
dof en scherp tegelijk versplinterd scherp in vel gestoken, dof beslagen kop, etterend venijn, vervloek de hoop, en nog, niet haar dan wel wil wel begrepen, haar breken in in een plaats van eigen makelij, verondersteld haar breken uit uit een plaats van eigen makelij, wachten op dan wel wil wel, naast haar plaats staan, wachten, wachten. 3. onderlicht 3. is in productie, u kan de richting al raden. preliminiare bevindingen: meticuleus beschenen voeten de gang nagegaan, van zoek naar hoe het kwam, naar vindt van hoe het op te lossen. oplossen is wat het deed in een miasma van hem en haar, wierpen grenzen schaduwen vereend, op't plafond hun nucleair zijn gebrand, niet te scheiden wie is wie, blijft versteend aangerand door't leven aan hunzelf kleven. onderlicht 3. is in productie, hangt van variabelen af, niet in't laboratorium te creëren, bunzenbrander nooit heet genoeg om hoop te verzengen, duikt telkens weer en telkens weer op, reconstitutie. stalen genomen ter preventie, wachten op imminente explosie, dan door deconstructie reconstructie, rapport opgemaakt, voor 't administratief geweten zo geheten zo geschreven dan en toen en verdere feiten voor't nageslacht, conclusie in de vorm van projectie: variabelen te vermijden, resolutie desastreus. onderlicht 3: is in productie, recommendering: wachten. ... onderlicht 3. je woont in een huis, niets te groot voor kleine mensen, perfect om zo te zeggen, voor ons. weinig onderhoud, binnen, buiten weinig aan. je ziet ze welles vaker in rijtjes staan, ergens aan de rand van de stad. Zes, zeven huizen, een veld ernaast dat de buiten belooft, waar kinderen spelen van de buurt, voetbal, vliegers aan lange lijnen dansen door de wind. Zes, zeven huizen, een kiezelbaantje voor fietsers loopt errond, vanachter bekeken, tuintjes, klein hier en daar een kersenboom, door kraaien bezeten. Zes, zeven huizen dan naar't centrum toe, recent gebouwde villa's, praktijk inbegrepen, dokters hoofd en schouders, knie en teen. een voormalig schooldirecteur en zijn met boeken geleur, een straat dus mensen voetpad autobaan lantaarnpaal, goed leven zo gezegd zo gedaan. om het even. gedaan te hebben.In zo'n straat woon je, klaar om plaats te ruimen wanneer de stad aan uitbreiding toe is, onteigening in't verschiet, maar de trein die net iets te dicht, net niet ver genoeg, om het uur davert, die neemt ze dan wel mee.
je komt haar overal in huis tegen, ziet haar zelden bewegen. ze zit tussen zijn in. en ik mis haar. overal. je ziet de bloemenjurk, zomers zoals elke vrouw, verwelken. de kleur vervagen, andere kleuren, bruin vooral verzamelen, egaliseren tot vlekkenjurk, geen wassen weet raad, geen geur weet van verdwijnen, overal bekleeft haar. ze zit daar. maar. dan eens op de rand van het bed, waarvan je vreest dat ze't nooit zal verlaten, tot je op de trap haar weet voor zich uitstaren, of in de gang, smal, haar ogen barstend in't plafond, ze zit daar. maar. vraag je haar, welke vraag dan ook, standaardantwoord, doe ik dan wel. betekende eerst, vlak voor het gebeuren moet, nu, in nietszeggen gehulde ontwijking, zo zie je haar, zelden anders, loop je haar mis.
 "wanneer het mis lopen begon? eerder. eerder weet ik, niet wanneer precies. kunnen we een pauze nemen?"
 "Tuurlijk, geen probleem, koffie? water?" 
"graag" onderlicht 3. koffie. "Tuurlijk, geen probleem, koffie? water?" 
"graag" hij laat me zitten stoel stekend in mijn rug, aan zweterige tafel onder TL-licht en geperforeerd plafond, in vierkant zonder raam, ventilator uit. in de hoek, deur op straf gezet. nu, wat er achter ligt, stoel metalen model, tafel door handen hoeveel? bepoteld door angst, eerder onzekerheid door TL uitgelicht. van't geperforeerd plafond dwarrelt stof terug de tijd in, landt op bodem, zes, kubus compleet, wetend handen wachten om te draaien, keren, sturen tot kleur op vlakken aansluit, algoritmisch leven ten eind. voor ventilator besproken, deur op straf gezet geopend, komt hij binnen, suikertube, melkcontainer, plastic lepel, koffie in hand. onderlicht 3. water. "Tuurlijk, geen probleem, koffie? water?"
"graag" hij laat je zitten. in gedachten verzonken, stoel dieper in. nek naar achter, zoek een rij om alles op te zetten, adem diep, begin, bij het begin. flitsen beelden als de gaten van't geperforeerd plafond aan je ogen voorbij.soms verbonden gaten lijken wat te zeggen, willen in ieder geval, een geheel tonen, tot dan een ander gat de aandacht trekt een nieuwe rij verbindt met, probeer het bij te houden, tel de gaten, volg de lijnen, slik het stof in't geheel in, droge mond, ogen glijden zeeën golven in, ergens de stop, wachtend om uitgetrokken te worden.lijkt gevonden, zo vaak, en telkens weer, opnieuw en opnieuw, tong's tipje gestreeld, daar ja, daar het begin, maar nee, telkens nee, dan daar de ijzeren ketting, zo bekend, zo vaak gevolgd in terug, naar de stop, trok eraan, zo vaak gedaan, trek eraan, opnieuw, harder, opnieuw en opnieuw en opnieuw... TL-licht verblindt je, tast je in't witte duister, blijf je keten en stop, de zee vol golven stormen. rukt je overeind, blik afgericht om te ontwijken, stort de tafel over, handpalmzweet, kleeft, confronteert, je ogen dicht, berust je even, de deur open gehoord, komt hij binnen. water in hand. onderlicht 3. graag. "Tuurlijk, geen probleem, koffie? water?" 
"graag"
 "ok, wat precies?" 
"eigenlijk, doe maar een biertje, als't kan"
 "heb nog wel een fles whiskey staan..."
 "ook goed" de deur valt dicht en hij blijft achter in vaal vlak licht, hij heeft het hier niet op begrepen. op dit kot van gedwongen zakelijkheid, kijkt hij neer. deze van manipulatie zwanger, door voorgangers bezeten, door vragen bestookte ruimte. hij heeft het onaangenaam warm, en dat ze't weten bewijst de ventilator, wat deze echokamer nodig heeft, is geluid. monotoon gesuis om de leugens, zo geschapen om onmacht te verbergen, te onderstrepen. hem bloot te leggen als de in de hoek op straf gezette deur, onder hun controle, het openen, het sluiten. de wereld daarbuiten, waar zij woont, zal er niet door veranderen. zij zit dan wel. nu hij ook. een ras van twee, bepoteld, onder de loupe gelegd, gepookt tot reactie uitgelokt verklaring zou bieden. 
ze zullen zeggen dat hij hier zit, uit vrije wil, maar wil heeft niets met de ontdekten te maken.  wil de stam de blanke indringer, wil curare de pijl, en wil de pijl de mens, hij zegt van niet. wat de mens wil is zijn oerwoud intact houden, zegt hij.
de deur opent "zei je iets?" 
"nee, neenee."
 een fles en twee glazen, klinken. 
"op't derde wiel"
 "das een te veel" 
"ook goed" onderlicht 3. water 1. water in hand. 
Is't helderheid wat je wil, mijn lief kind, brutale eerlijkheid dan misschien, of gewoon de volgende leugen die je zielig voortbestaan intact laat? zeg het dan, je weet, ik heb naar alles oren, als 't uit jouw mondje wil komen. Je gekwijl en gesnotter, je onbegrepen verdriet, dat voor eeuwig enkel het jouwe mag zijn, god verhoede dat er nog iemand zich als jij voelt, zet je keel open, scherp je tanden aan venijnen woorden, vijl je vingernagels in mansvel, drijf die hielen 't snel zand in, zet je schrap, mijn lief kind, de wind die vangt je van voren, als je je bunker op een duin zet, blijft bestorming niet uit... zijn lijf davert, heeft het duidelijk niet op woede begrepen, zijn gezicht verwrongen staart terug vanuit de kleerkastspiegel, zijn benen zwalpen, zijn armen stijf langs hem af hangend, dit oefenen had hij beter niet voor de spiegel gedaan. de zweem van fictie bekleeft hem in de details. de neergebogen bocht van zijn oogleden, medelijden, wanhoop op zijn bovenlip gezeten, bezorgdheid in't fronsen van zijn kin, na elk gesproken woord, elk diep gehaat verkleinwoord, liefde in mijn lief kind verdringt elke vorm van geprobeerd sarcasme... ze ziet zo door hem heen en hij weet het. hij staart nog even zijn teleurstelling aan, zakt dan op bed neer. hoofd valt voorover tussen benen in. hij is moe. van jaren moe te zijn, van eerst niet gezien, gemist, dan gezien, niet begrepen, dan denken begrepen, proberen, proberen, proberen moe.
 "zo is't in't kort gegaan, zie je", je neemt een slok water,"ik heb echt mijn best gedaan".
 "er is niemand hier die daar aan twijfelt, maar je weet wat ik wil, wat ik van je nodig heb, wat ik van je wil horen". onderlicht 3. inderdaad. "inderdaad" de dingen die hij voor haar deed, waren van allerlei aard. gingen van tafel dekken, sloffen wegzetten, en kruimels vegen tot lichten aan en uit knippen, stof vegen en zuigen, en afleiding verzorgen waren dingen die hij deed. tot werken niet meer ging. en mensen betrokken raakten. hulp gevraagd werd, waar zij geen nood aan zei te hebben. en mensen verdwenen. een na een hele groep, en dan een na een. hij kan ze niet benoemen, weet van hen raad gekregen, raad gebruikt, weinig effect bereikt. goede bedoelingen stuk voor stuk geen doel gevonden in haar dan wel wil wel. tot inderdaad. inderdaad, hier kan geen hulp baten, daagde het einde op. en nu zit hij hier, probeert zich te dwingen open te zijn, toe te geven dat hij te kort schoot, zijn hoofd van schaamte vol vond geen verbergen in die jaren, en nu, nu hij hier, uit vrije wil, iets van haar probeert te herstellen, in ere, of in miniem beeld van ooit opgevangen bevlogenheid van een verrukkelijk mens, vrouw, een liefde, zelfs dat krijgt hij amper over zijn lippen.  "je bent hier toch om me een structuur te bieden waarin ik haar herstel, haar recompositie, haar reconstructie, haar robotfoto kan gieten?""is dat wat je denkt?" hij voelt zich hier niet goed. alsof hij haar verdeelde, in mootjes verkocht aan wie wou helpen haar terug samen te stellen. hij voelt zich hier ongemakkelijk. "ik voel me ongemakkelijk""daar moet je doorheen, echt en als de keuze bestond, zou ik zeggen kies voor de korte pijn, maar in dit geval...""...bestaat die niet""daarom denk ik dat je zo treuzelt, maar maak je over mij geen zorgen, ik heb tijd, dit kan toch enkel wat worden als we elkaar vertrouwen""mag ik je dan wat vragen?""ga je gang""waarom denk jij deed ze het?" hij voelt zich nu ook ongemakkelijk, ziet hij, in speculatief denken betreden we even hetzelfde terrein. onderlicht 3. koffie 1. koffie in hand. "dankjewel"
"geen probleem" 
"ik weet nog", suiker schuift kop in, lepel roert, "dat ze koffie maakte met haar grootmoeder's molen" ik lig in bed, onder veel te veel lakens, ze hield van veel te veel lakens, ik zweet. zij heeft het warm. ik registreer dat ze uit het bed glipt, dat in de keuken een kast opent en sluit, dat een molen maalt, een raspend geluid, ik duw de lakens van me af. ze morrelt wat aan, water in een ketel op het fornuis fluit, roept me de ochtend in, wakker nu, maar liggen, nog even, wil ik. dan in de deur verschijnt ze, naakt, koffiepot in de hand, een reuzemok in de andere. ze lacht. ik lach. dan struikelt over een slof, onder't laken verborgen van't bed af geduwd, valt ze voorover, gloeiend heet dom ongelukje. ik ontwijk op drupjes na, vraag me nu af of ze zichzelf ooit vergaf, of dit het was waar het ooit begon. ze weende urenlang, ondanks mijn geclown, geprobeer, licht te maken in de situatie. ze stopte uiteindelijk bleef ze in tranen.  "hij is lekker", blies stoom van koffie af. onderlicht 3. ook goed. ook goed. hij gelooft hier niet in. dit tong los gemaakt gedronken relaas. hij gelooft niet in de oren die zeggen te willen horen, roert meewarig zijn whiskeyglas de lucht in, kijkt er naar, het hangt niet van zijn geloof af. 
"wat jij wil mag ook naar voren komen, dat jij ook van tel bent."
 "jaja, mijn leven is ook van belang, maar enkel door het hare."
 "kan je zo wel denken? echt?""nahja, 't is eerder dat ik't niet over mezelf wil hebben, ik blijk wel uit, in relatie met haar, daar gaat het toch om? ik ben maar tot narrator te herleiden."
 "ook goed, dan haar, wat was er met haar?"hij neemt een slok, brand ideeën, dooft ze uit. ze zag er zo uit dat ze wel bij hem paste, en hij bij haar, kortom zij bij elkaar. van door de weekse haren uitzonderlijk in normaliteit, van ogen die net zo min zien als ze veel kijken, van een mond voorzichtig uitgesproken lippen die woorden tegenhouden, maar gevoelens schonken als een vrouw dat kan, tot omgekeerd waar werd. tot gevoelens weerhouden, woorden geschonken, tot ook die woorden verstilden. 
hij hield van haar, wil hij wel zeggen, soms als verrassing, soms uit gewoonte.het lijkt zo troebel nu. de feiten sluiten niet aan op zijn herinnering, alles is ontwricht.  "een voorbeeld, misschien?"
 hij vult zijn glas bij, misschien. 
onderlicht 3. water 2. "....wat ik van je wil horen"."laten we't over de nacht in kwestie hebben, dan" Je weet hier geen wolven huilen, ondanks maan's gehang, ondanks maan's gelicht, op struiken gericht, als ze te verwachten zijn, met hun luizige pelsen, van kwijl druipende tanden, dan daar, in en tussen 't verlichte, groene gebladerte. je geest zoekt op handen's tast vertrouwend, bang te vinden wat daar beknauwd en bebeten voor't grijpen ligt. tak na tak verschuif je, dring je dieper door, in. splijt je je ogen nachts zinnespel door. je wacht met zien tot na de schok. ratten zoenen hier wel, en kevers, ongedierte, in heel de wereld wel, zoemen. tjirpen. razen. bij 't vinden van haar, lijk, kan je niet van herkenning spreken, al't gewetene, gekende, toevertrouwde, toegedichte schoonheid.  woorden heb je.
 bleek.
 blauw.
 kippevel.
 boven de enkel. 
minnespel. der magen.
 vol.
 maan's buik, rat's zoen, kever's zoem, tsjirp, raas.
 huil je.
 en nog meer. "hoe kwam ze daar?"
 "hoe kwam ze daar te liggen? ze zat al zo lang, in dan wel wil wel." je weet het niet. 
"had ze iets gezegd" 
"waaruit wat precies af te leiden viel?" onderbreek je.
 "dat ze" 
"ik weet het wel" zeg je. onderlicht 3. misschien. misschien. hij wil dat hij haar verhaal vertelt, maar hoe onvolledig haar beeld ook is, zijn rol erin, is nog onduidelijker. een voorbeeld van haar. "ze schilderde wel eens" 
"oh ja, wat zoal?" 
"de kamers van't huis, het plafond van de keuken, de vloer van de badkamer" het was een dag, zo een waar hij ziek van werd, de dag erna. stak hij in bed, was zij in de weer, dat moet ergens een tijd geweest zijn, die er ziek van werd, een tijdje later.
hij kwam de trap af en liep de leefkamer door, honger wilde hem de keuken in. hij greep wat brood uit de lade, wat bessenconfituur, blauwe, een smeermes. hij merkte het eerst niet op. at wat. een halve boterham voor de volledigheid van't beeld. voelde iets drukken op, over. het licht was niet meer hetzelfde als ervoor. een zwaarte, een schaduwige smurrie die naar aangekoekt frietvet rook, maar verf bleek te zijn, kaatste anders de keuken in. hij keek op, een bruingele brij, alsof jaren koken in een keuken op't plafond nooit gewassen was uitgesmeerd, alsof haar borstel, in de gootsteen, op de tijd vooruitliep. of omdat ze vond dat een keuken zo hoorde. nu eenmaal.er volgden nog dagen, en dagen erna, van kamers geverfd volgens bestemming door haar bepaald, tot alles in het huis een voorbijlopen van de feiten was verworden. tot alles was, waar zij kon zitten in dan wel wil wel, niet gedaan. "ze sprak niet over waarom" 
"deed ze zelden, tot nooit. dat ze deed, maakt dit een fijne herinnering"
 "inderdaad" onderlicht 3. koffie 2. ... stoom van koffie af. ik was thuis in een huis van waanzin en wanhoop. mijn hoofd knel tussen die twee tralies, een kind met het hoofd tussen de spijlers van de trap. Paniek werd een eerste reflex, zo natuurlijk als ademen, onverstoord, aanvaardbaar, uiteindelijk onopgemerkt. uiteindelijk de enige glimp van leven nog, sudderend onder het oppervlak. Als de warmwaterketel floot, dan vrees dat hij zou verbranden, werd er gekookt in potten en pannen, dan vrees dat ze zouden verbranden, vielen de lichten uit, de zekeringkast betast, vrees dat ze zou verbranden, blies de wind het slaapkamerraam open, vrees dat het zou verbranden, liep het bad vol, vrees dat het zou verbranden... blipjes op mijn radar uiteindelijk niet meer, startschoten voor mijn verdediging ingesteld op haar verdediging, te onderscheppen regelmaat van paniek's leven, afgestompt tot routine over tijd. gleed mijn hoofd met gemak vantussen die tralies, met evenveel gemak, stak het er terug tussen. "dat is toch hoe ze't noemen? repetitie van't zelfde gedrag zonder verandering in uitkomst" onderlicht 3. de verhuis. de 6 vlakken van de kubus, voor hen kleur in eendracht, het algoritme ontrafeld. zijn 3 ondervragers hebben geen vragen meer de zaak afgedaan. water, koffie, en dies meer, een voetnoot nog, een herinnering die een herinnering opvolgde.  hier is geen tijd maar een onderweg, een start in wegkwijnen, verhuizen door vrienden zo bewogen, al eeuwen niet meer gesproken, hij zoekt het land op, het simpele leven, van dag in dag in afwachten tot het einde bereikt, bezwijkt aan termen  als ondergedoken in verdrongen herinneringen, vervanging zoeken voor een was een is invullen. een andere ik, verser dan de hij die jij toen was, toen zij nog was. het rijden door dit land is als drijven te beschrijven, alles zo zuiver en geen kiezel die op de weg durft liggen, de zon kijkt er zich scheel op, op zoek naar plekjes, kleine maar om vuile schaduwen te werpen, de stad ligt achter hem, maar de weëe geur kleeft hem nog aan't lijf. lichtzuur, muntig, met de nasmaak van drop, maar daar is alles pristien sprankelend en helder verdiend, daar waar hij zal zijn, als hij het toelaat. daar waar hij in een zuiver kleed gestoken, het van binnen uit kan bevuilen, met het verderven van zijn karkas, het is wachten nu, precies nog dringender, indringender dan ooit voordien. dit rijden zijn laatste beweging, zijn laatste in gang treding tot hij arriveert, waar hij nooit van terugkeert. zo zijn voornemen, door wagen bewaard, nergens anders gehoord, geen levende ziel die hem zo begrijpt. de knalpijp puft gestaag, bomen staan er bij, moeten kijken, laatste getuigen van zijn verhuis. onderlicht 3. het huis. het is een huis van achter oren krabben, puisten plukken en neushaar trekken, een huis van tijdverdoen en slijten die broek, en de drank kopen van de boer die hem aan de deur verkocht, microbrouwer, maar met dat woord onbekend, melkman maar dan met bier.  een huis van staren naar de muur zonder te vragen wat is hangbaar daar, weten dat is geen optie, daar kan je niet buiten, je weet altijd iets. een huis van ontbrekende smuk, vaas, behalve dan die ene, stuk. een huis van wil u geen gordijnen-vraag door de buurvrouw gesteld toen binnenkijken begon, toen mensen kwamen even het nieuwe van't gezicht herkennen alsdusdanig nieuw, tot het ervanaf is. een weekje ongemak, drank geleverd, helder, elke donderdag, gordijnen eenmalig verkregen met dank geschonken en aanvaard, gewenning nu aan huis dat hem bewaakt. in't land van de stilte is de beste zwijger koning, roddels ontstaan, is dat'em niet, en ik denk het wel, ze hebben zijn kop vast in de krant zien staan, toen dat geval met die vrouw, die stierf in een dag tijd, waren het voor hem meer, dan hield het voor hen daar buiten weinig in, behalve dan een collecte gehouden, platitudes ingezameld, in een korf, kaart, fruit en bloemen mix, aan de deur gelaten. van niet weten wat zeggen, gesproken, van niet durven. tijd verstrijkt, bierman die ook eten levert tegen een prijsje, de enige regelmaat, het is lang geleden, die stilte te horen, het zitten te dragen als een soldatentaak hij herinnert zich zijn naam, als vanuit een putje in de ardennen opgedolven, een dennenaald plots gevallen, granaat ontploft. dit huis verdient zijn naam, zoals het onderzoek, zijn 3 ondervragers een pseudoniem aanbevolen, mocht hij naderhand terug de anonimiteit willen opzoeken.  Tsjeu van Orp die woont en wacht in het huis dat hem bewaakt. Tsjeu van Orp staat op uit de zetel die ooit van iemand was, wandelt naar de open haard, pookt het vuur, houdt de pook erin, laat het ijzer heet worden en schrijft er zijn naam mee op de eikenhouten balk waar niets dan stof op ligt. Tsjeu laat iets achter. onderlicht 3. het huis 2. Tsjeu doet niet veel. in de weken die komen, blijven de muren kaal, blijft de vaas in stukken en blijft zijn gebrandmerkte naam hem aanstaren. het huis heeft ruimte om leeg te zijn, de zolder, de bovenverdieping blijven onbezocht, beneden blijven vertrekken wachten op voeten, adem en insecten. enkel de keuken, de badkamer en de zitkamer vertonen sporen van leven's geduld.  soms giert de wind door kale ruimtes maar het is niet precies een wind van weerse makelij. soms is het koud, maar ook daar heeft het weer weinig mee te maken. vocht kruipt langs de muren omhoog, omdat schimmel een kans moet krijgen. sterven in traagheid biedt kansen en Tsjeu's gelatenheid tiert welig op.  'vergis je niet', lijkt het huis in overduidelijkheid te vervallen, 'hier wordt traag gestorven'. daar kan het huis niets aan veranderen, daar wil Tsjeu niets aan veranderen, als hij voor het raam staat en naar de gordijnen staart. gordijnen met een bloemenmotief als een jurk die hij ooit kende. Tsjeu deed niet veel die eerste weken in't huis. stak wel eens zijn hand uit, naar de bloemen op het linkergordijn omdat daar het zonlicht net op viel, dat heeft met weer te maken. hij streelde de bloemen, een onwennige vreemdeling die vergat hoe dat voelde. en dat het niet precies zo voelde. maar dat deed Tsjeu. elke dag. soms bewoog het gordijn lichtjes, verwachtte hij er benen achter, van die ranke slanke met enkels in schoenen gestoken, als het licht juist viel. dan werd hij kwaad, maar niet precies, kwaad als een kale muur, een vaas in stukken, een gebrandmerkte naam lokt zijn ogen, gebiedt hem 'vergeet me en de rest zal volgen'.  onderlicht 3. de keuken. het was vanuit de keuken dat hij haar voor't eerst zag, maar denk er niet romantisch over na. hij was zijn sokken en ondergoed in de lades aan't sorteren, 't leek hem een uitgelezen stek, zeker om de bovenverdieping te vermijden. zijn vier hemden, twee broeken en enige maatpak lagen opgevouwen in die diepere lade, die voor potten en pannen was voorbestemd, maar hier haar doel missen moest. de keuken leek hem op maat gemaakt want waar de strijkplank ooit verborgen stak, als een uitvouwbaar bed in een te klein appartement, kon hij nu zijn jassen hangen en zijn schoenen zetten. maar goed zo stond hij daar, en waar de zitkamer gordijnen had, viel in de keuken buiten binnen als licht te verdragen, en daarbij het gerinkel van een fietsbel. in zijn handdoek rond z'n midden gedraaid, hij dus staand, druppend na de douche, bloot torso omgekeerd, zijn blik verrast verdraaid, daar zag hij haar, op pakweg 100 meter, op haar fiets gezeten. het was een blik van geregistreerd, nog geen waarde toegekend aan dat haar, dat lichaam, dat mens dat daar zo reed. een simpel erkennen van haar bestaan, zou in de keuken wel volstaan. regelmaat slaat sneller toe dan tijd's besef, en zijn douchen viel voortaan, ongewild altijd samen met haar voorbijrijden aan zijn raam. ongemerkt was er plots ruimte voor groei ontstaan, en die eerste keer wist Tsjeu niets van dat alles, was zij daar buiten rinkelend nauwelijks noemenswaardig, toch kriebelde er iets wat Tsjeu in retrospect troost zou noemen, troost in't weten dat als zijn tijd gekomen was, zij daar vrolijk verder fietsen zou. onderlicht 3. de badkamer. dat ging zo goed, een dikke maand, met meer dan 31 dagen dus, dagen van melkman maar dan bier gebracht, dagen van af en toe taartje bezorgd door mevrouw Gordijn zoals ze kwam te heten, dagen van douchen en haar, aan't raam voorbijgefietst, gerinkeld gezien. dagen van goed en niet te veel nagedacht, gewoon voorbijgegaan, geacclimatiseerd. wie zegt dat verdringen niet werkt, en op dat moment was het Tsjeu natuurlijk niet langer gegund dat te geloven, er moest iets tegen gaan steken, hij wist het, en de winter zou hem niet tegenspreken.  de badkamer kroop in kou verborgen weg, als een land dat dreef naar polen, zuid of noord, nog niet besloten, als't maar ijzig van wind was. de tegels in hun witte reinheid, reflecteerden Tsjeu's zinkend gemoed, het scheren stak hem tegen, de kwast  haar haren verstijfden en het mes lag lichtjes bloed te wenen. in al zijn ontblootheid om van proper zeker te zijn, durfde hij nauwelijks iets te raken, zijn tenen leken meters uit te rekken en op het kleinste raakvlak te balanceren, toch kroop de kou hem in de botten. de wasbak trilde uit sympathie mee met zijn klapperende tanden die probeerden, smeekten, haal ergens warmte vandaan, het plastic douchegordijn kleefde als een platvis aan zijn lijf als hij in de douche stapte, water liep in sputterende druppels over hem heen, niet langer dan 10 minuten voor hagelstenen door de waterleiding ratelden, hun weg vonden en Tsjeu bekogelden. dan snel snel de handdoek en elke porie drogen, snel, zijn kleren aan.  't waren zijn haren die hem bleven herinneren aan de kou, als ze onregelmatig druppels dropten in zijn nek achter zijn kraag, zo zat hij voor de open haard waar hout het vuur bijeen sprokkelde om als as achter te laten, om de haverklap opgeschrokken, verdomde druppels. en toen blafte zijn mond, snuifde zijn neus en beet de ziekte hem in't vel. 't zou nu niet lang meer duren, dacht Tsjeu nog wel hooguit ... maar hij durfde er geen aantal dagen op plakken, ziek en serieus werd hij wel, geplaagd door koorts en geesten 1, 2, 3, en de 4de was zij die wachtte, Marlies of zoals Tsjeu haar noemde Marley. onderlicht 3. de zitkamer. het is niet dat Tsjeu het besefte. niet dat hij besefte dat bij elk gekraak van de vloer, elk gekreun van de dakspant, elke zucht van't gordijn. dat hij daarbij haar gezicht zag, Marley zoals ze was, nog voor ze in dan wel, wil wel verkeerde, nog voor ze 't spoor vond om zich aan over te geven. dat ze smeekte, beseft Tsjeu niet. dat ze hem vroeg, niet zo verder te gaan, besefte Tsjeu niet.  Tsjeu besefte niet eens dat bierman niet meer langskwam, afzien, lijden 't is niks voor mannen, en Tsjeu besefte niet dat mevr. Gordijn eten bracht en dekens en medicijnen,  nog minder besefte Tsjeu dat de vrouw die hem het klamme washandje op het voorhoofd hield, de rinkelende vrouw op de fiets was. voor al wat Tjseu wist, wist hij iets anders, de zetel een foltertuig dat zijn lichaam kneedde in de meest vermaledijde vormen, de lamp die hem met vurig lava bestookte, de zitkamer die zat als zij, Marley, zat, op zijn borstkas, en zijn ademen bedreigde. hij hijgde zweette bloedde alle tranen die hij kon bedenken, zwoer dat hij ze als een parelduikster uit de diepste meren opvissen zou om ze dan te verkopen aan een bokkenkoning die hoefijzers aan de deur verkocht.  Het ging niet goed, nu, zo, met de winter in volle zwier, en de rinkelende vrouw die zich verder geen raad wist, kon zijn smeekbeden om vader en land niet beantwoordden, maar ze bleef zitten tussen zijn ijlen en hapjes soep in, het enige wat hem op de been hield, een 27-tal erwten om de zoveel uur. maar de zitkamer vertoonde geen teken van opstaan. bleef in dan wel wil wachten, dringend dwingend wat Tsjeu had willen ontwijken.  Het was een zondag uiteindelijk toen de koorts hem opnam, zijn ziel tilde tot tegen zijn lijf en erdooruit in zwevend erboven gezond, keek Tsjeu op zichzelf neer. hier klopte niets meer, geen geesten, geen gisteren, geen nu, geen morgen. hier heerste een stem die hem beval, en zei waarop het stond.  'je bent ziek, maar het komt goed als je een paar dingen voor mij doet'. onderlicht 3. koorts. In koorts' gevangenschap verschijnen cipiers als celgenoten en de druppels die in je ogen zweten spreken van wat ijlen vermag. een in fracties verpakte waarschuwing pakt gipsen beelden uit, de zaag wacht in je hand, maar eerst, Tsjeu luister je, eerst moet je een paar dingen doen. eerst, Tsjeu moet je stoppen, even niet vechten, je hand uitsteken en je laten meenemen. Marley wacht op wat haar toekomt. Koffie.  dan Tsjeu moet je stilstaan, op je tanden bijten, je vuist ballen en laten ontspannen.Marley kan zijn wat ze is. Water. en tenslotte Tsjeu moet je veranderen. in graag, inderdaad, ook goed, misschien. dan komt het goed.  het komt goed, daar is ze rinkelend zeker van, dame van de fiets.  onderlicht 3. koffie 3. paraat ijlen. weet je nog, zegt hij. 
Tsjeu doet niet eens de moeite om natuurlijk te zeggen. als je jong bent, zijn dingen als een paraplu bij de hand hebben onbelangrijk, laat de regen maar vallen. toen Tsjeu jong was, had hij niet eens een portefeuille bij. gewoon wat geld in zijn broekzak, was alles wat hij nodig had. als je dat vergelijkt met die dag in maart, leek hij oud. hij had sleutels bij zich, van het huis, de wagen, de brievenbus. hij had een zakdoek bij, iets wat hem vroeger nooit overkwam, niezen, gebeurde nu te pas en te onpas, en een keer had het hem verrast, dus sindsdien, altijd een zakdoek op zak.
natuurlijk had hij zijn telefoon ook bij, hoewel het een oud onhandig ding was, maar er was hem verzekerd dat hij binnenkort niet zonder zou kunnen. ze hadden even gelijk gehad, en toen niet meer.
hij droeg een bruinlederen schoudertas, wat daar allemaal instak, van jong kon je echt niet meer spreken, nee Tsjeu leek echt oud zo, bepakt en bezakt. als je oud bent, zijn dingen als een paraplu bij hebben belangrijk, je haren mogen niet krullen. toen Tsjeu oud was, had hij altijd een portefeuille bij. gewoon zijn identiteitskaart erin, zijn geld erin, en kredietkaarten en tankkaarten en kortingsbonnen, maar nooit alles wat hij nodig had. als je dat vergelijkt met die dag in maart, leek hij jong. hij had sleutels bij zich, maar niet van de garage, niet van het kantoor, niet van het kluisje in de bank, en niet van moeder's huis in geval van nood. hij had geen zes zakdoeken bij, niet eentje om zijn schoenen af te vegen, niet eentje om zijn voorhoofd af te wissen, niet eentje om voor zijn mond te houden bij ziekte, zijn ziekte of een ander z'n ziekte, en niet twee in reserve. 
natuurlijk had hij zijn telefoon ook bij, maar geen tweede telefoon, hoewel het een splinternieuw snufje was, maar er was hem verzekerd dat hij er even mee door kon. ze hadden even gelijk gehad, en toen niet meer.
hij droeg een bruinlederen schoudertas, wat daar allemaal niet instak, van oud kon je echt niet meer spreken, nee Tsjeu leek echt jong zo, onbepakt en onbezakt. zij hing als een maartse bui in de lucht. ik had mijn paraplu bij. 'ik weet nog meer''zeg het maar' haar hak brak, ze klonk om, maar haar enkel was sterk, het was toch nog te vroeg om haar aan te raken, dat wist Tsjeu, zoals ze daar door de straten liepen.  met z'n linkerhand hield hij de riem van zijn bruinlederen schoudertas stevig vast, zijn rechterhand zwaaide lichtjes tussen hen in. hij had haar bij het breken bijna bij de arm gegrepen, maar ze leek iemand te zijn die zichzelf kon corrigeren, of zo iemand leek ze te willen zijn. ze lachte wat onhandig met een halve lip bebeten. oeps was de gedachte, ze bleek tijd te hebben, na die eerste onbelangrijke woorden te hebben gesproken. ze gingen iets drinken, omdat dat zo hoorde. ze deden negen weken wat hoorde. drinken, eten, lachen, kijken. die eerste dag van wandel, struikel en afspraak gemaakt, dacht hij alles aan haar, om haar, van haar te kunnen beschrijven, dat hij haar kon vangen in schoonheid als oeps. maar oeps bleek een wederkerend fenomeen. het was die eerste keer toen zijn vingers langs de hare streken, toen het tijd was om dat te laten gebeuren, dat hij begreep dat ze niet te vangen viel, maar oeps wat was ze mooi. elke afspraak weer meer, elke week weer meer, werd ze per ongeluk mooier en mooier. hij hield van haar. zij van hem. het werd hen per ongeluk duidelijk. van die keer in de negende week, bleven woorden hangen als beloftes vol overmoed gemaakt. dat ze hem nooit zou verlaten. dat hij haar oeps altijd zou beminnen. ze zaten in een restaurant, het tafereel niet voor niets een tafereel, hand in hand verstrengeld, ogen die door kaarsvuur en boven rode wijn elkaar zoeken, onder de tafel voeten die sluipen, dichterbij, en hoe diep dat gevoel vanuit een bodemloze tijd terugkaatst, alsof liefde altijd zo'n prille tafel zet, om ooit terug plaats aan te nemen. we spraken van dromen die we voor elkaar wensten uit te komen, van kinderen en een huis en hoe werk er zo niet toe deed, dat alles wel kwam zoals wij, in oeps, per ongeluk duidelijk. maar ook dat ze eerst wilde gaan, niet wilde zien hoe hij zou wegkwijnen als oud en ziek verkrampend mannetje, dat ze dat niet zou kunnen verdragen, dat hij verder moest leven twee keer zo lang als hij dat kon, dat zou haar gelukkig maken. hij dacht in oeps flapte ze er wat uit, zag niets zo duidelijk dan dat hij het haar beloofde. al wist hij niet waarom. 'dat ik me dat nog herinner, vreemd''misschien omdat je't moet weten, maar vertel verder, jullie gingen samenwonen?' onderlicht 3. koffie 3. paraat ijlen 2. 'samenwonen, samenwonen was als een persoonlijk voor ons ontworpen drug delen'. je kent ze wel die beelden, van lepel, naald, watje, onroerend goedje en opgeklopte ader, een zucht, val achterover en meer van dat gesuggereer. 't is dat je die dingen nooit zo realistisch kan vertellen zonder dat ze romantisch geïnterpreteerd worden. 't is dat je't maar weet, moest het niet 't geval zijn. Tsjeu vertelt het tegen niemand in't bijzonder, maar luistert precies voor de eerste keer naar zijn eigen woorden. 't duurde niet lang, je vertelde genoeg geluk, en't is niet dat het er oeps niet meer was, maar oeps plots was het er niet meer, geleidelijk aan, kruipend, sluipend. het begon met de deur. een close-up van handen in zakken zoekend naar sleutels, ze even in je handen wegen, de verkeerde wegtikken tegen elkaar tot de juiste gevonden, dan een ademteug. daar het sleutelgat, pulserend pompend wachtend. daar de sleutel in de gleuf. de klik van omgedraaid, de zucht dan binnenvallen en meer van dat gesuggereer. 't is dat je die dingen nooit zo. tot sleutel vergeten, aankloppen, bellen, wachten, wachten, tot ze dan een uur of zo later nadat je bij de buren de telefoon mocht lenen, de deur komt opendoen in dan wel wil wel pose. 't is dat je't merkt, maar niet zo dat je denkt er is iets nodig, 't lijkt nog steeds dat ze in staat wil zijn zichzelf te corrigeren, weigert elke helpende hand. 't is haar vinden meer en meer in kleren van weken gedragen, 't is haar vinden in dagen voor de tv in de zetel gelegen, tis die baarmoederhouding die plaatsvindt 'tis dat ze corrigeren zo oeps voorbij is gestoken. 't is dat het overcorrigeren is begonnen. dat vergeten deur te openen, werd een uitgebreid driegangenmenu, correctie, en je verspilt niet graag eten. dat kleren weken dragen, werd een leeggehaalde rekening voor een nieuwe bloemenjurk de laatste die ze ooit zou dragen, correctie, en je wilde enkel zeggen hoe goed ze eruit zag. dat liggen in de zetel, werd het zitten alomtegenwoordig in het huis, werd het plafond, de muren verven, zei ik dat al niet?
 die baarmoederhouding onder veel te veel dekens, werd een uitgestrekte naaktheid op elke vloer die haar houden wilde. correcties. overcorrecties. tot ze de fout die ze was, de oeps die ze was, herstelde. en Tsjeu er niets meer tegen in kon brengen. 't was dan Tsjeu die nooit meer zijn sleutels vergat, die kookte, die kleren kocht die ze niet dragen wilde. Tsjeu was het die haar overal vond, en verplaatste naar een andere plek waarvan hij dacht dat ze beter paste, beter dan de trap, een stoel in de keuken, beter dan in de gang, de zetel in de zitkamer, beter dan tegen de boiler in de badkamer, het bed op de slaapkamer, totdat de trap de stoel, de zetel, het bed geen beter meer te bieden hadden en Tsjeu niet meer wist waar haar naar toe te dragen. 't was toen dat ze besloot zichzelf naar buiten te dragen. overcorrectie. 'het is niet dat ik er niet anders over kan praten, 't is dat ik er met jou niet meer over wil praten. 't is dat hoe meer ik er over praat, hoe koeler ik klink' 
'misschien is't tijd om't achter je te laten' 
'dat kan ik niet maken'
 'waarom niet' 
'ik ben haar tenminste één overcorrectie schuldig'  onderlicht 3. koorts 2. de dame van de fiets brengt water naar zijn lippen, druppels tegelijk, Tsjeu kermt in 41graden tegelijk, zijn lijf zwaar, en moe gestreden, weet dat het ooit sterker was, de weg terug stevent op een keuze af die bewust wil lijken, maar het niet langer kan zijn. een zijden draad beslist er anders over. het huis zo leeg, stilaan druk, een dokter die zich geen raad weet, mevr. Gordijn die zich in de keuken bezig houdt en de melk, nee, bierman die met de mannen overlegt, denkt dat het niet meer goed komt. moest Tsjeu zijn ogen opendoen, geen bekenden zou hij zien, vreemden tot daar aan toe, maar hier voor hem, waarom zou Tsjeu nooit begrijpen. de dame rinkelt, het wordt laat, we zullen kijken hoe het deze nacht gaat, tijd dat jullie hem nu wat rust gunnen. een fout misschien denkt fiets-dame, terwijl de mensen het huis verlaten, nu staat ze er alleen voor, voor de nacht die voor Tsjeu ongetwijfeld de zwaarste wordt. ze weet niet goed wat te doen, maar dat ze het moet doen, is haar duidelijk. en terwijl ze in't huis rondwandelt en de leegte ziet, vraagt ze zich af wat deze ziel zo bespookt, welk verdriet hier ook huist, het kan voor haar geen reden zijn om hem alleen te laten achterwege in de koorts van't verleden die hem parten speelt. zo jammer klinkt het in haar oren dat ze't verhaal enkel in gebroken woorden kan horen. woorden die voorbijsnellen als een trein, beelden scheppen die in elektrisch taaltje zwellen tot stroomstoten, die niet te vangen vallen in volt of ampère omdat het aantal Ω met het stijgen van de temperatuur een isolator vormt, haar man was ook zo'n klus, die niet te aarden viel.  ze zal niet wijken, zelfs al mocht hij bezwijken, het idee hier te zijn, waar ze er voor haar man niet kon zijn, het lijkt een schuld ingelost. en zo zit ze daar terwijl de nacht valt over zijn gloeiend lichaam, Tsjeu krijgt weer water over zich heen. onderlicht 3. water 3. ijlend begrip. 'je verhuisde'.'dat deed ik, na, je weet wel, op zoek naar een overcorrectie'. je brak in, denkt Tsjeu, in haar wil wel, dan wel. om te begrijpen.het was een dreunen in een leeg huis. van koud water bewust. het was een vallen in herhaling dat uit herhaling klimmen, dwong herhaling op de knieeën, preekt, smeekt. het is onophoudelijk, alomtegenwoordig in elk pigment van kleur, in elk gaatje van't geperforeerd plafond, het is een lezen altijd vastgelijmd aan de woorden die meer wil zeggen dan er staat, al staat er hetzelfde net iets anders gezegd het is een dwangmatigheid die geen andere afloop kennen kan. maar dit keer niet door Marley ondergaan. dit keer door Tsjeu beleeft. ik vond mezelf overal in't huis, verloren als een stel sleutels dat niet meer weet wat ze moeten openen. mijn wil wel, dan wel, beperkte zich tot haar in gordijnen zien. ik vraag me af wat zij zag, toen ze op de trap zat, in de zetel, en wat er ontbrak. en ik besef dat we daarin verschillen. wat mij ontbrak, en ontbreekt, is zij. hoe hard ik ook zou beuken op de muren, hoe hard mijn naam ook schreeuwt in de balk boven de open haard, wat haar ontbrak zou ik nooit weten. en denken dat ik het was, of iets aan mij, dat haar ontbrak, dat is de schuld die praat. de spijt. en in dat huis lig ik nu in de koorts van waanzin. verzonnen door dame met fiets, Mevr. gordijn en melk, nee bierman, die nood hadden om zich over mij te ontfermen.  ik zie mezelf liggen in die zetel daar. een iemand die Marley wilde evenaren, op gelijke voet met haar wilde staan, gemene grond met haar wilde delen. en als ik het de psycholoog vertel, in koffie, of jou, de agent, in water, of zelfs de biograaf in woorden, zijn het hyperwoorden, die lopen aan een stuk door. zijn het beelden die als vlakken van verschillende kleuren eenzijdigheid zoeken. het draaien herhalen. feit blijft dat ik haar niet kan zijn of worden, dat besef ik nu. Marley is voor mij een mens te ver.  en dame met fiets, zit niet in deze kamer, speelbal van mijn waanzin, teken van hoop, en Mevr. gordijn, bracht me het verleden, en melk, nee bierman bracht me stilstand in dan wel wil, verzonnen vrienden alle drie in een waanwereld, buiten deze kamer, buiten deze kamer met geperforeerd plafond, waar psycholoog, en jij, agent, en biograaf elkaar afwisselen, om mij te helpen, mij het verschil tussen Marley en mezelf te tonen. en ik die dacht het in Marley te vinden, het in mezelf te vinden. 'het was niet jouw schuld, er wordt geen klacht ingediend, dat begrijp je?''nu, nu wel' onderlicht 3. graag. inderdaad. ook goed. misschien. dank je'
 'nee, jij bedankt' 
'graag gedaan' 'hoe denk je zal't boek eruit zien?'
 'anders, kalmer, minder en meer...'
 'herhaling?' 'de deur staat in ieder geval niet meer op straf.'
 'inderdaad.' 'zien we elkaar nog?'
 'in't boek?'
 'ook goed'
 'waarschijnlijk niet' 'vaarwel dan, en veel geluk'
'misschien.' Einde (dit was onderlicht 3, IT genoot en, zo werd hij grootgebracht, dankt u)

IT
0 0

Stilte

Het was muisstil in de kamer. En dat liet me nadenken. Nadenken over mijn leven. Over de keuzes die ik had gemaakt en of ik ze wel had moeten maken. Als je met de dood wordt bedreigd denk je over zulke dingen na. Je vraagt je af of je leven wel de moeite waard was. Misschien had het meer betekenis gekregen als je dingen anders had gedaan. Maar als je dan uiteindelijk niet sterft, verandert er niets. Je zet je leven voort op dezelfde manier waarop je het voorheen ook had geleefd. Waarom zou je je leven door één nare ervaring op zijn kop moeten zetten? Als je voorheen gelukkig was met je leefwijze zou je dat na die nare ervaring ook wel zijn. Maar zover was ik nog niet. Ik werd op dit moment nog steeds met de dood bedreigd. De dood school hier in de loop van een pistool dat recht op mij was gericht. Ik sloot mijn ogen zodat ik het zwarte metaal niet meer hoefde te zien. Ik wou niet in angst sterven. Het beklemmende gevoel dat de angst had veroorzaaktvloeide langzaam uit me weg terwijl ik me liet overspoelen door gedachten over vroeger. Een chaos van herinneringen waarmee mijn hersenen me bestookten. Elk vechtend voor de voorgrond. Er zat een patroon in mijn gedachten. Allemaal hadden ze iets met elkaar te maken. Ze vloeiden in mekaar over. Probeerden één geheel te vormen. Hij kwam het meeste voor. En dat liet me weer nadenken. Als een doodsbedreiging ervoor zorgde dat je diepste verlangens kwamen bovendrijven, iets wat vaak werd beweerd, zou ik hem dan nog een kans moeten geven in het geval datik hier levend uitkwam? Ik wou het wel, maar was het wel gezond? Onze relatie was, om het mild uit te drukken, ingewikkeld. Hij zou nog steeds hetzelfde zijn. Maar toch werd ik tot hem aangetrokken, ook al wist ik goed genoegdat dat gevaarlijk was. Ik wou er niet over nadenken. Maar de stilte die in de ruimte hing was te sterk. Ik had enkel mijn gedachten om niet volledig gek te worden. Ik wou kunnen praten met degene naast me, de stilte doorbreken, zodat ik de vragen die in mijn hoofd ontsprongen zou kunnen ontwijken. Maar dat ging niet. De angst bleef. Het zweefde aan de oppervlakte van mijn bewustzijn, sluimerend, wachtend. Ik kon het niet volledig uitschakelen. Als ik dat wel zou kunnen, zou ik wel praten. Maar ik was bang voor het pistool, bang voor de man die het voorwerp vasthield, voor de vinger die rond de trekker zat gevouwen. Praten zou de woede opwekken van de man. Het zou zijn vinger besturen. Het zou er misschien voor zorgen dat er een vlammende kogel recht op mij af zou komen, de dood in zich. Dat risico kon ik niet nemen. Ik probeerde de gedachten aan hem zo goed mogelijk uit te schakelen en dacht weer na over het leven. Mijn leven. Ik was jong, twintig jaar, moest nog zoveel ontdekken. Had ik wel genoeg ontdekt voor mijn leeftijd om vredig te sterven? Had ik tot nu toe alles uit mijn leven gehaald dat ik eruit had kunnen halen? Het antwoord was nee. Diep vanbinnen wist ik dat het antwoord nee was. Maar ik kon het niet, wilde het niet, aanvaarden. De stilte drukte zwaar op me neer. Het maakte dat ik gek werd van mijn eigen gedachten. Ik opende mijn ogen weer. De duisternis die me dieper in mijn eigen gedachten had geduwd verdween. Licht stroomde mijn ogen binnen en ik knipperde even om eraan te wennen. Toen ik weer scherp zag, zag ik dat het pistool nog steeds op mij was gericht. De angst kwam meteen in volle kracht terug. Hoe lang zaten we hier al? Het kon vijf minuten zijn maar evengoed een uur. Ik was het besef van tijd verloren. Ze hadden mijn uurwerk en gsm afgenomen. Mijn gedachten gleden naar mijn ouders. Zouden ze me al als vermist hebben opgegeven? Waarschijnlijk niet. Ze waren nog aan het werken, ervan overtuigd dat hun dochter op school zat. Zij zouden niets vermoeden. Maar mijn vrienden? Zouden ze ongerust zijn of niet? Misschien dachten ze dat ik ziek was. Ik dacht zelf ook nooit het ergste als iemand er niet was. Geen nieuws goed nieuws, toch? Dat was altijd al mijn motto geweest als er iemand niet was en die persoon ook niet antwoordde op mijn berichten. Ik keek voor de zoveelste keer de ruimte rond. Liet mijn ogen over elk voorwerp glijden, zoekend naar een uitweg waarvan ik al wist dat het er niet was. Ik kromp lichtjes ineen toen er plots een hoge piep de gekmakende stilte doorbrak. Ik zag aan de manier waarop de gijzelnemer met het pistool in zijn handen stokstijf bleef staan dat hij het niet gehoord had. Zijn ogen richtten zich nieuwsgierig op mij. Zich afvragend waarom ik net zo had gereageerd. Ik bleef zijn blik vasthouden, bang dat als ik zijn blik zou loslaten zijn vinger een onverwachte beweging zou maken,  tot hij zich van me afwendde en naar de andere gijzelaars keek. Mijn hart pompte snel in mijn borstkas. De ogen van de man op mijn netvlies gebrand. Ik sloot mijn ogen weer, liet de stilte me kalmeren, die stilte die me eerst bijna tot waanzin had gedreven. De duisternis zorgde ervoor dat mijn oren alerter waren, ze namen alle kleine geluidjes in zich op waar je normaal niet op zou letten als het wat rumoeriger was geweest. Een tikkend geluid van een klok die aan de muur tegenover me hing, zo’n zeven meter verderop. De voetstappen van de gijzelnemers die zich bijna geruisloos verplaatsten. Voorbijrijdende auto’s. Een klein kindje waarvan de moeder hem angstvallig probeerde te sussen. Ik probeerde al die geluiden een voor een uit te schakelen en dook weer in de stilte van mijn gedachten. Ik dacht weer aan hem en de brief die hij me een paar dagen geleden had gegeven. Hij zat nog steeds in mijn jaszak. Ik wou hem opnieuw lezen. De woorden een voor een analyseren om te zien of het niet een grote leugen was om me weer voor zich te winnen. Maar als ik mijn hand naar mijn jaszak zou bewegen zou de gijzelnemer dat verdacht vinden. En ik wou niet riskeren dat de vinger die nog steeds rond de trekker zat gevouwen zou doorduwen. Het kleine kindje begon weer nerveus te worden. Ik zag hoe een van de andere gijzelnemers geïrriteerd zijn kant op keek. “Laat haar zwijgen,” snauwde hij. “Alsjeblieft,”antwoordde een mannenstem waarin de angst duidelijk doorschemerde. “Laat hem gaan, hij is nog maar vier jaar.” “Ik laat niemand gaan.” “Ik zal je vergoeden, laat hem alsjeblieft buiten.” “Ik zei dat ik niemand liet gaan!” Ik zag hoe de gijzelaar met trillende vingers naar zijn jaszak greep. Waarschijnlijk op zoek naar geld of iets anders dat hij kon geven in ruil voor de vrijlating van het jongentje. Iets dat de gijzelnemers over het hoofd hadden gezien nadat ze hem hadden gefouilleerd. Maar dat hij beter niet gedaan. De met angst gevulde stilte werd doorbroken door een luide knal. Ik zag hoe mensen zich met een vertrokken gezicht van de scène afwendden. De met pijn gevulde schreeuw van de man drong mijn oren binnen en maakte dat ik nu nog minder de brief durfde te grijpen. Ik kneep mijn vingers tot een vuist en probeerde de angst die hevig door mijn lichaam stroomde te verminderen. Na de schreeuw leek de stilte nog duidelijker aanwezig dan voorheen. Mijn adem ging gejaagder. Ik was me nog bewuster van de vinger die rond de trekker zat gevouwen van het pistool dat nog steeds op mij was gericht. Het leek alsof de man die het pistool vasthad niet eens had waargenomen wat er zonet was gebeurd. Hij stond er nog steeds op dezelfde manier. Bewegingloos. Ik begon weer eens na te denken over mijn leven. Maar nu niet over het nut ervan. Wat zou er gebeuren als die vinger de trekker zou overhalen? Zou de kogel me meteen doden? En zoja, wat zou er dan gebeuren met mijn familie en vrienden? Ik probeerde de vragen weg te duwen maar ze sprongen automatisch in me op. Wat als ik in mijn voet werd geraakt en ze zouden moeten amputeren? Zou ik mijn leven dan nog kunnen leven op de manier die ik in mijn gedachten had? Ik zou blij moeten zijn dat ik nog zou leven maar toch dacht ik erover na. Zou hij om me treuren als ik er niet meer was? Ik wou dat ik mijn mp3-speler nog had zodat ik met muziek mijn hoofd zou kunnen leegmaken. Uiteindelijk klonken er politiesirenes buiten. De gijzelnemers waren meteen weer alert. De man voor me kreeg een vastberaden blik in zijn ogen. Zijn tweede hand vouwde zich rond het pistool zodat hij er een stevigere grip op had. De deuren werden opengegooid, gewapende politieagenten stroomden naar binnen. Er klonk weer een schot. Een schreeuw van een gegijzelde. Alles gebeurde als in een waas om me heen. Ik wist niet meer wat echt was of wat werd gecreëerd door mijn gedachten. Er werd teruggeschoten. Ik kneep mijn ogen stijf dicht en dekte mijn oren af. Ik boog me voorover. Mijn hoofd tussen mijn knieën. Stelde me voor dat ik ergens anders was. Nog meer schoten. Een vlammende pijn in mijn schouder. Meer geschreeuw. Mijn geschreeuw. Ik probeerde de stilte die me net nog had gefrustreerd terug te vinden. Maar hij was weg. De geluiden konden niet worden tegengehouden door mijn handen die over mijn oren lagen. Plotseling voelde ik een hand op mijn schouder die me zachtjes heen en weer schudde. “Het is voorbij, je bent veilig, rustig maar.” De stem maakte me kalm. Ik haalde mijn handen van mijn oren, wat meteen een hevige pijnscheut veroorzaakte in de schouder waar geen hand op lag. Ik opende mijn ogen, richtte ze op de pijnlijke schouder. Bloed stroomde er naar beneden. Ik wendde mijn blik af en keek naar het gezicht voor me. Het was een agent die me met een bemoedigende lach aankeek. Hij hielp me recht en begeleidde me naar buiten. Mijn ogen gleden over de omgeving. Zochten naar iets dat ik kende. Toen haakten mijn ogen zich vast in zijn ogen. Hij manoeuvreerde zich naar voor en ik liet me door hem omhelzen. “Het is voorbij,” zei hij zacht. “Ik ga voor je zorgen.” En ik geloofde hem.

Quies
0 0

onderlicht 3. water 3. ijlend begrip.

'je verhuisde'. 'dat deed ik, na, je weet wel, op zoek naar een overcorrectie'. je brak in, denkt Tsjeu, in haar wil wel, dan wel. om te begrijpen. het was een dreunen in een leeg huis. van koud water bewust. het was een vallen in herhaling dat uit herhaling klimmen, dwong herhaling op de knieeën, preekt, smeekt. het is onophoudelijk, alomtegenwoordig in elk pigment van kleur, in elk gaatje van't geperforeerd plafond, het is een lezen altijd vastgelijmd aan de woorden die meer wil zeggen dan er staat, al staat er hetzelfde net iets anders gezegd het is een dwangmatigheid die geen andere afloop kennen kan. maar dit keer niet door Marley ondergaan. dit keer door Tsjeu beleeft. ik vond mezelf overal in't huis, verloren als een stel sleutels dat niet meer weet wat ze moeten openen. mijn wil wel, dan wel, beperkte zich tot haar in gordijnen zien. ik vraag me af wat zij zag, toen ze op de trap zat, in de zetel, en wat er ontbrak. en ik besef dat we daarin verschillen. wat mij ontbrak, en ontbreekt, is zij. hoe hard ik ook zou beuken op de muren, hoe hard mijn naam ook schreeuwt in de balk boven de open haard, wat haar ontbrak zou ik nooit weten. en denken dat ik het was, of iets aan mij, dat haar ontbrak, dat is de schuld die praat. de spijt. en in dat huis lig ik nu in de koorts van waanzin. verzonnen door dame met fiets, Mevr. gordijn en melk, nee bierman, die nood hadden om zich over mij te ontfermen.  ik zie mezelf liggen in die zetel daar. een iemand die Marley wilde evenaren, op gelijke voet met haar wilde staan, gemene grond met haar wilde delen. en als ik het de psycholoog vertel, in koffie, of jou, de agent, in water, of zelfs de biograaf in woorden, zijn het hyperwoorden, die lopen aan een stuk door. zijn het beelden die als vlakken van verschillende kleuren eenzijdigheid zoeken. het draaien herhalen. feit blijft dat ik haar niet kan zijn of worden, dat besef ik nu. Marley is voor mij een mens te ver.  en dame met fiets, zit niet in deze kamer, speelbal van mijn waanzin, teken van hoop, en Mevr. gordijn, bracht me het verleden, en melk, nee bierman bracht me stilstand in dan wel wil, verzonnen vrienden alle drie in een waanwereld, buiten deze kamer, buiten deze kamer met geperforeerd plafond, waar psycholoog, en jij, agent, en biograaf elkaar afwisselen, om mij te helpen, mij het verschil tussen Marley en mezelf te tonen. en ik die dacht het in Marley te vinden, het in mezelf te vinden. 'het was niet jouw schuld, er wordt geen klacht ingediend, dat begrijp je?' 'nu, nu wel'

IT
0 0

onderlicht 3. koorts 2.

de dame van de fiets brengt water naar zijn lippen, druppels tegelijk, Tsjeu kermt in 41graden tegelijk, zijn lijf zwaar, en moe gestreden, weet dat het ooit sterker was, de weg terug stevent op een keuze af die bewust wil lijken, maar het niet langer kan zijn. een zijden draad beslist er anders over. het huis zo leeg, stilaan druk, een dokter die zich geen raad weet, mevr. Gordijn die zich in de keuken bezig houdt en de melk, nee, bierman die met de mannen overlegt, denkt dat het niet meer goed komt. moest Tsjeu zijn ogen opendoen, geen bekenden zou hij zien, vreemden tot daar aan toe, maar hier voor hem, waarom zou Tsjeu nooit begrijpen. de dame rinkelt, het wordt laat, we zullen kijken hoe het deze nacht gaat, tijd dat jullie hem nu wat rust gunnen. een fout misschien denkt fiets-dame, terwijl de mensen het huis verlaten, nu staat ze er alleen voor, voor de nacht die voor Tsjeu ongetwijfeld de zwaarste wordt. ze weet niet goed wat te doen, maar dat ze het moet doen, is haar duidelijk. en terwijl ze in't huis rondwandelt en de leegte ziet, vraagt ze zich af wat deze ziel zo bespookt, welk verdriet hier ook huist, het kan voor haar geen reden zijn om hem alleen te laten achterwege in de koorts van't verleden die hem parten speelt. zo jammer klinkt het in haar oren dat ze't verhaal enkel in gebroken woorden kan horen. woorden die voorbijsnellen als een trein, beelden scheppen die in elektrisch taaltje zwellen tot stroomstoten, die niet te vangen vallen in volt of ampère omdat het aantal Ω met het stijgen van de temperatuur een isolator vormt, haar man was ook zo'n klus, die niet te aarden viel.  ze zal niet wijken, zelfs al mocht hij bezwijken, het idee hier te zijn, waar ze er voor haar man niet kon zijn, het lijkt een schuld ingelost. en zo zit ze daar terwijl de nacht valt over zijn gloeiend lichaam, Tsjeu krijgt weer water over zich heen.

IT
0 0

onderlicht 3. Koffie 3. Paraat ijlen 2.

'samenwonen, samenwonen was als een persoonlijk voor ons ontworpen drug delen'. je kent ze wel die beelden, van lepel, naald, watje, onroerend goedje en opgeklopte ader, een zucht, val achterover en meer van dat gesuggereer. 't is dat je die dingen nooit zo realistisch kan vertellen zonder dat ze romantisch geïnterpreteerd worden. 't is dat je't maar weet, moest het niet 't geval zijn. Tsjeu vertelt het tegen niemand in't bijzonder, maar luistert precies voor de eerste keer naar zijn eigen woorden. 't duurde niet lang, je vertelde genoeg geluk, en't is niet dat het er oeps niet meer was, maar oeps plots was het er niet meer, geleidelijk aan, kruipend, sluipend. het begon met de deur. een close-up van handen in zakken zoekend naar sleutels, ze even in je handen wegen, de verkeerde wegtikken tegen elkaar tot de juiste gevonden, dan een ademteug. daar het sleutelgat, pulserend pompend wachtend. daar de sleutel in de gleuf. de klik van omgedraaid, de zucht dan binnenvallen en meer van dat gesuggereer. 't is dat je die dingen nooit zo. tot sleutel vergeten, aankloppen, bellen, wachten, wachten, tot ze dan een uur of zo later nadat je bij de buren de telefoon mocht lenen, de deur komt opendoen in dan wel wil wel pose. 't is dat je't merkt, maar niet zo dat je denkt er is iets nodig, 't lijkt nog steeds dat ze in staat wil zijn zichzelf te corrigeren, weigert elke helpende hand. 't is haar vinden meer en meer in kleren van weken gedragen, 't is haar vinden in dagen voor de tv in de zetel gelegen, tis die baarmoederhouding die plaatsvindt 'tis dat ze corrigeren zo oeps voorbij is gestoken. 't is dat het overcorrigeren is begonnen. dat vergeten deur te openen, werd een uitgebreid driegangenmenu, correctie, en je verspilt niet graag eten. dat kleren weken dragen werd een leeggehaalde rekening voor een nieuwe bloemenjurk de laatste die ze ooit zou dragen, correctie, en je wilde enkel zeggen hoe goed ze eruit zag. dat liggen in de zetel, werd het zitten alomtegenwoordig in het huis, werd het plafond, de muren verven, zei ik dat al niet?die baarmoederhouding onder veel te veel dekens, werd een uitgestrekte naaktheid op elke vloer die haar houden wilde. correcties. overcorrecties. tot ze de fout die ze was, de oeps die ze was, herstelde. en Tsjeu er niets meer tegen in kon brengen. 't was dan Tsjeu die nooit meer zijn sleutels vergat, die kookte, die kleren kocht die ze niet dragen wilde. Tsjeu was het die haar overal vond, en verplaatste naar een andere plek waarvan hij dacht dat ze beter paste, beter dan de trap, een stoel in de keuken, beter dan in de gang, de zetel in de zitkamer, beter dan tegen de boiler in de badkamer, het bed op de slaapkamer, totdat de trap de stoel, de zetel, het bed geen beter meer te bieden hadden en Tsjeu niet meer wist waar haar naar toe te dragen. 't was toen dat ze besloot zichzelf naar buiten te dragen. overcorrectie. 'het is niet dat ik er niet anders over kan praten, 't is dat ik er met jou niet meer over wil praten. 't is dat hoe meer ik er over praat, hoe koeler ik klink''misschien is't tijd om't achter je te laten''dat kan ik niet maken''waarom niet''ik ben haar tenminste één overcorrectie schuldig'

IT
0 0

onderlicht 3. Koffie 3. Paraat ijlen 1.

weet je nog, zegt hij. Tsjeu doet niet eens de moeite om natuurlijk te zeggen. als je jong bent, zijn dingen als een paraplu bij de hand hebben onbelangrijk, laat de regen maar vallen. toen Tsjeu jong was, had hij niet eens een portefeuille bij. gewoon wat geld in zijn broekzak, was alles wat hij nodig had. als je dat vergelijkt met die dag in maart, leek hij oud. hij had sleutels bij zich, van het huis, de wagen, de brievenbus. hij had een zakdoek bij, iets wat hem vroeger nooit overkwam, niezen, gebeurde nu te pas en te onpas, en een keer had het hem verrast, dus sindsdien, altijd een zakdoek op zak.natuurlijk had hij zijn telefoon ook bij, hoewel het een oud onhandig ding was, maar er was hem verzekerd dat hij binnenkort niet zonder zou kunnen. ze hadden even gelijk gehad, en toen niet meer.hij droeg een bruinlederen schoudertas, wat daar allemaal instak, van jong kon je echt niet meer spreken, nee Tsjeu leek echt oud zo, bepakt en bezakt. als je oud bent, zijn dingen als een paraplu bij hebben belangrijk, je haren mogen niet krullen. toen Tsjeu oud was, had hij altijd een portefeuille bij. gewoon zijn identiteitskaart erin, zijn geld erin, en kredietkaarten en tankkaarten en kortingsbonnen, maar nooit alles wat hij nodig had. als je dat vergelijkt met die dag in maart, leek hij jong. hij had sleutels bij zich, maar niet van de garage, niet van het kantoor, niet van het kluisje in de bank, en niet van moeder's huis in geval van nood. hij had geen zes zakdoeken bij, niet eentje om zijn schoenen af te vegen, niet eentje om zijn voorhoofd af te wissen, niet eentje om voor zijn mond te houden bij ziekte, zijn ziekte of een ander z'n ziekte, en niet twee in reserve. natuurlijk had hij zijn telefoon ook bij, maar geen tweede telefoon, hoewel het een splinternieuw snufje was, maar er was hem verzekerd dat hij er even mee door kon. ze hadden even gelijk gehad, en toen niet meer.hij droeg een bruinlederen schoudertas, wat daar allemaal niet instak, van oud kon je echt niet meer spreken, nee Tsjeu leek echt jong zo, onbepakt en onbezakt. zij hing als een maartse bui in de lucht. ik had mijn paraplu bij. 'ik weet nog meer' 'zeg het maar' haar hak brak, ze klonk om, maar haar enkel was sterk, het was toch nog te vroeg om haar aan te raken, dat wist Tsjeu, zoals ze daar door de straten liepen.  met z'n linkerhand hield hij de riem van zijn bruinlederen schoudertas stevig vast, zijn rechterhand zwaaide lichtjes tussen hen in. hij had haar bij het breken bijna bij de arm gegrepen, maar ze leek iemand te zijn die zichzelf kon corrigeren, of zo iemand leek ze te willen zijn. ze lachte wat onhandig met een halve lip bebeten.  oeps was de gedachte, ze bleek tijd te hebben, na die eerste onbelangrijke woorden te hebben gesproken. ze gingen iets drinken, omdat dat zo hoorde. ze deden negen weken wat hoorde. drinken, eten, lachen, kijken. die eerste dag van wandel, struikel en afspraak gemaakt, dacht hij alles aan haar, om haar, van haar te kunnen beschrijven, dat hij haar kon vangen in schoonheid als oeps. maar oeps bleek een wederkerend fenomeen. het was die eerste keer toen zijn vingers langs de hare streken, toen het tijd was om dat te laten gebeuren, dat hij begreep dat ze niet te vangen viel, maar oeps wat was ze mooi. elke afspraak weer meer, elke week weer meer, werd ze per ongeluk mooier en mooier. hij hield van haar. zij van hem. het werd hen per ongeluk duidelijk.  van die keer in de negende week, bleven woorden hangen als beloftes vol overmoed gemaakt. dat ze hem nooit zou verlaten. dat hij haar oeps altijd zou beminnen. ze zaten in een restaurant, het tafereel niet voor niets een tafereel, hand in hand verstrengeld, ogen die door kaarsvuur en boven rode wijn elkaar zoeken, onder de tafel voeten die sluipen, dichterbij, en hoe diep dat gevoel vanuit een bodemloze tijd terugkaatst, alsof liefde altijd zo'n prille tafel zet, om ooit terug plaats aan te nemen. we spraken van dromen die we voor elkaar wensten uit te komen, van kinderen en een huis en hoe werk er zo niet toe deed, dat alles wel kwam zoals wij, in oeps, per ongeluk duidelijk. maar ook dat ze eerst wilde gaan, niet wilde zien hoe hij zou wegkwijnen als oud en ziek verkrampend mannetje, dat ze dat niet zou kunnen verdragen, dat hij verder moest leven twee keer zo lang als hij dat kon, dat zou haar gelukkig maken. hij dacht in oeps flapte ze er wat uit, zag niets zo duidelijk dan dat hij het haar beloofde. al wist hij niet waarom. 'dat ik me dat nog herinner, vreemd' 'misschien omdat je't moet weten, maar vertel verder, jullie gingen samenwonen?'  

IT
0 0