Zoeken

onderlicht 3. de zitkamer

het is niet dat Tsjeu het besefte. niet dat hij besefte dat bij elk gekraak van de vloer, elk gekreun van de dakspant, elke zucht van't gordijn. dat hij daarbij haar gezicht zag, Marley zoals ze was, nog voor ze in dan wel, wil wel verkeerde, nog voor ze 't spoor vond om zich aan over te geven. dat ze smeekte, beseft Tsjeu niet. dat ze hem vroeg, niet zo verder te gaan, besefte Tsjeu niet.  Tsjeu besefte niet eens dat bierman niet meer langskwam, afzien, lijden 't is niks voor mannen, en Tsjeu besefte niet dat mevr. Gordijn eten bracht en dekens en medicijnen,  nog minder besefte Tsjeu dat de vrouw die hem het klamme washandje op het voorhoofd hield, de rinkelende vrouw op de fiets was. voor al wat Tjseu wist, wist hij iets anders, de zetel een foltertuig dat zijn lichaam kneedde in de meest vermaledijde vormen, de lamp die hem met vurig lava bestookte, de zitkamer die zat als zij, Marley, zat, op zijn borstkas, en zijn ademen bedreigde. hij hijgde zweette bloedde alle tranen die hij kon bedenken, zwoer dat hij ze als een parelduikster uit de diepste meren opvissen zou om ze dan te verkopen aan een bokkenkoning die hoefijzers aan de deur verkocht.  Het ging niet goed, nu, zo, met de winter in volle zwier, en de rinkelende vrouw die zich verder geen raad wist, kon zijn smeekbeden om vader en land niet beantwoordden, maar ze bleef zitten tussen zijn ijlen en hapjes soep in, het enige wat hem op de been hield, een 27-tal erwten om de zoveel uur. maar de zitkamer vertoonde geen teken van opstaan. bleef in dan wel wil wachten, dringend dwingend wat Tsjeu had willen ontwijken.  Het was een zondag uiteindelijk toen de koorts hem opnam, zijn ziel tilde tot tegen zijn lijf en erdooruit in zwevend erboven gezond, keek Tsjeu op zichzelf neer. hier klopte niets meer, geen geesten, geen gisteren, geen nu, geen morgen. hier heerste een stem die hem beval, en zei waarop het stond.  'je bent ziek, maar het komt goed als je een paar dingen voor mij doet'.

IT
0 0

onderlicht 3. de badkamer.

dat ging zo goed, een dikke maand, met meer dan 31 dagen dus, dagen van melkman maar dan bier gebracht, dagen van af en toe taartje bezorgd door mevrouw Gordijn zoals ze kwam te heten, dagen van douchen en haar, aan't raam voorbijgefietst, gerinkeld gezien. dagen van goed en niet te veel nagedacht, gewoon voorbijgegaan, geacclimatiseerd. wie zegt dat verdringen niet werkt, en op dat moment was het Tsjeu natuurlijk niet langer gegund dat te geloven, er moest iets tegen gaan steken, hij wist het, en de winter zou hem niet tegenspreken.  de badkamer kroop in kou verborgen weg, als een land dat dreef naar polen, zuid of noord, nog niet besloten, als't maar ijzig van wind was. de tegels in hun witte reinheid, reflecteerden Tsjeu's zinkend gemoed, het scheren stak hem tegen, de kwast  haar haren verstijfden en het mes lag lichtjes bloed te wenen. in al zijn ontblootheid om van proper zeker te zijn, durfde hij nauwelijks iets te raken, zijn tenen leken meters uit te rekken en op het kleinste raakvlak te balanceren, toch kroop de kou hem in de botten. de wasbak trilde uit sympathie mee met zijn klapperende tanden die probeerden, smeekten, haal ergens warmte vandaan, het plastic douchegordijn kleefde als een platvis aan zijn lijf als hij in de douche stapte, water liep in sputterende druppels over hem heen, niet langer dan 10 minuten voor hagelstenen door de waterleiding ratelden, hun weg vonden en Tsjeu bekogelden. dan snel snel de handdoek en elke porie drogen, snel, zijn kleren aan.  't waren zijn haren die hem bleven herinneren aan de kou, als ze onregelmatig druppels dropten in zijn nek achter zijn kraag, zo zat hij voor de open haard waar hout het vuur bijeen sprokkelde om als as achter te laten, om de haverklap opgeschrokken, verdomde druppels. en toen blafte zijn mond, snuifde zijn neus en beet de ziekte hem in't vel. 't zou nu niet lang meer duren, dacht Tsjeu nog wel hooguit ... maar hij durfde er geen aantal dagen op plakken, ziek en serieus werd hij wel, geplaagd door koorts en geesten 1, 2, 3, en de 4de was zij die wachtte, Marlies of zoals Tsjeu haar noemde Marley.

IT
0 0

Escapade (werktitel)

Proloog   De enige kunst die me ligt, stijgt op vanuit onrust en neigt naar sereniteit. — Andre Gide   Mijn naam is Luna. Ik woon op de tweede verdieping. Ik woon boven u. Ja hoor, ik denk dat u me al gezien heeft. In de vlucht. U met de deur nog in de hand. Ik met de lange haren flapperend uit de douche. Opgewekt en fris. En evenzeer weer weg in een oogwenk. Want zo ben ik wel: ik heb nooit tijd. Geloof me: nooit! Als eenieder moet ook ik het doen met die 24 uurtjes per dag, waarvan een 1/3 plichtsgetrouw in bed. Een ganzenverenwarm bed, maar toch. Het cijferscenario is onwrikbaar. Ik bots en bots en kan er maar niet bij hoe diezelfde ieder een het klaarspeelt. Hoe zij doen wat ze doen en laten wat ze laten. Hoe ze knopen ontwarren waar ze ontwarren en doorhakken waar ze doorhakken. Mijn exacte IQ van 123 snapt het ook niet. En mijn zoetzeme EQ zwijgt liever in al haar talen. Kwestie van niet te moeten stilstaan bij de tijd die dat zelf nooit doet. 5840 wakkere uren per jaar lang. En geen schrikkelseconde meer.   Onbewust zet ik in op inhaalmanoeuvres tijdens het traject van A naar B en van B naar C. Hangt het van mijn lijf af, dan ga ik snel, vaak zwevend op de energie van B en nadien C. Zo loop je trappen het snelst af met het bovenlichaam onbeweeglijk, de inspanning beperkend tot een automatische voetopvolging die het trapgewelf streelt. Bij het oplopen steun je met de volle handpalm op de trapleuning om zo telkens één trap te kunnen overslaan. Zich haasten op publieke plekken vergt andere fijngevoeligheden. Beleefdheid mag altijd voor: haast is nooit een passe-partout. De oprechte glimlach kan dat wel wezen, soms zeer expliciet toe te dienen aan nieuwsgierige voorbijgangers. Tenminste, als je wil dat het getokkel van fijne hakjes jouw medemens niet onnodig aanzet om de handtassendief te spotten. Nergens voor nodig. Op met die colgate smile.   Ik geef toe: ik ga soms oefenen aan het kanaal. Ik camoufleer me in volledige sporttenue, in zo’n tweedelig en gesponsord pakje van Jako, en trotseer de straat. Net echt. Oefenen biedt ruimte voor experiment. Daar maak ik ten volle gebruik van: vertragen en versnellen, snelwandelen en sprinten, behoedzaam uitwijken, duwen op de armen, luidop zingen, enz. Soms ga ik zelfs voor dat willekeurige vreugdepasje. Menig omstaander heeft al moeten vaststellen dat mijn zogenaamde verticaliteit niet in verhouding staat tegenover mijn horizontaliteit. Voor de niet-ingewijden zie ik eruit als een zwangere vrouw die zorgvuldig haar prenatale ademhalingsoefeningetjes doet, terwijl ze lekker op en neer huppelt. Een duim omhoog voor deze juffrouw. En die krijg ik ook vaak. Beeld zonder klank… maar mét muzikale filter. Die dicteert. De rest maakt me niet uit. Ik hou mijn elegantie in vorm, daar langs het kanaal. Maar vooral voor mijn versnelde tussentrajecten.   Een tijdlang durfde ik de weg van A naar B niet af te leggen alvorens bestemming C vastlag. Dat leverde een ernstig logistiek probleem op. B moest nog maar in het zicht verschijnen of de paniek sloeg al om me heen. Een zuiver geval van horror finem, het minder gekende, doch oudere broertje van horror vacui. Automatisch ging ik vertragen, zo subtiel dat ik het zelf amper opmerkte. Ik moest en zou het zogenaamde noodlot – die loerende eindbestemming – uitstellen. Manipulatieve kneepjes uit ‘creatief wezen binnen de wondere wereld van de artificiële vertraging’ werden vakkundig bovengehaald. Ik schreef me vol overtuiging in voor een nieuwe cursus (bedenk het zo gek nog niet), vond allerlei superdringende huiselijke taakjes uit, liet die laatste pagina’s van dat spannende boek ongelezen, sloeg uitbundig aan het socialiseren, kocht verrassende bus-, trein- en vliegtickets en liet ‘het einde’ verwateren.   Die tijd is gelukkig voorbij. Dergelijke psychologische creativiteit is ook eindig… al speel ik het spel als een kind en ondermijn ik vervolgens de nieuwe realiteit als een meester. Enfin. Dat was toen. Fini is gedaan. Nu lopen we, de Koninklijke me, myself and I. Met ons drietjes is het altijd feest. Lopen, lopen, lopen. We kunnen er niet snel genoeg wezen. We moesten er al zijn! Met dit eigentijdse adagium op zak loopt alles ook lekker. Er is per slot van rekening genoeg voor iedereen. Iedereen druk! Heerlijk toch. Elke bestemming is provisoir. En terplekke rekken we de tijd tot opperverfijnde kwali-tijd om dan opnieuw, gulzig als geen ander, af te stevenen op het volgende avontuur. Ja, met z’n allen hebben we het felle licht gezien. Halleluja!   En ik? Ik loop recht op die lamp af. De lamp verliest. Klets de grond op. Maar ik ook. Half been in het gips. Meer bepaald fluogroen gips dat licht geeft in het donker. Zodat ik niet van het pad afdwaal. Of beter: zodat ik het pad vind! De goden hebben inderdaad mijn klaagzang aanhoord: ‘Geef die juffrouw toch een beetje respijt.’ Ze duwen vastberaden de pauzeknop in. Een beetje bedenktijd. Tijd voor strategie en aanpak. Tijd voor inzicht… en zicht in de tijd. Tijd voor een gepermitteerde en grondige psychologische selfie. Zodat ik met beide voeten op de grond terechtkom. Weliswaar na de volbrachte gipstijd.     Onze gedragslijn wordt niet door onze ervaring bepaald, maar door onze verwachtingen. — George Bernard Shaw   I.    De ketel staat op het vuur. Pruttelend tegen de sterren op. Snelkook, dat spreekt voor zich. Alsof ‘traagkook’ ooit een marketingoptie was? Hoewel… als in een hip en organisch verantwoord alternatief misschien. Vandaag smaakt immers alles, als het maar lekker wordt ingepakt. Komaan, niet treuzelen: het eten dient opgediend. De magen grommen. De dorstigen dienen gestild en de hongeren gelaafd. Snelsnel. Neen Luna, je hebt geen tijd om dit artificieel te overpeinzen. Het heeft ook geen zin. Dit is basis. Soep, mens! Al goed: juliennesoep is verwennerij voor fijnproevers. Luciferdunne repen groentjes gaan in eigen sop lekker uit de bol (of net niet). Elk reepje behoudt daarbij liefst eigen geur en kleur, maar samen rocken ze de pan uit (of net niet). It’s all in the mix. Dat is de kunst. Liefst stomend heet opgediend.   De goden hebben mooi leuteren. Hemel en aarde vol, zo existentieel zijn ze wel. Me hier zo eventjes ‘immobiliseren’ om het rustig aan te doen en van dergelijke curiositeiten meer. Fantastisch. Waar halen ze het toch? Of groeit rust in de hemel wel aan de bomen? Zo tussen de appel- en de perenboom. ‘Mmm… wat is het rustfruit dit jaar toch weer heerlijk hé?’ smikkelt Atlas. Het sap van het vers geplukt exemplaar druipt zijn kin af. ‘Ja,’ knikt Demeter, ‘haar smaak is onovertrefbaar. Ook die ronding, die pit, … goddelijk!’ Of, voor de ondergrondse goden in het hemelrijk klinkt het eerder als: ‘Zeg Artemis, breng je me daar een bakje rustfruit mee vanuit de BE express (Bazar Eternel)?’’Apollo-man, waar vind ik die dan?’ ‘Bij het hemels fruit, hé miss. Achter de rayon met tijd in alle maten en gewichten.’   Mijn ketel kan het niet aan. Hij weet evenmin of hij nu op ontploffen staat of volledig weg wil smelten. Uit besluiteloosheid slaat hij langzaam blauw en vierkant uit… en dreigt hij faliekant en protserig te bezwijken onder zoveel druk. Mijn soep schreeuwt vuur en vlam. Alsof alle fijngereepte groensels in koor mopperen: ‘Opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats, wij hebben ongelofelijke haast.’ Duwen en trekken, boksen en stampen: alle fysieke registers worden opengetrokken. Geen reepje blijft gespaard. Geen reepje spaart een ander. Reep om reep, tand om tand. Tot het soepcanon haar climax bereikt en moet rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan. Roeren en roeren, zo maar door en door en door… en zonder oppepmiddel. Overkoken die handel.   Mijn gedachten razen door. Onder, boven, naast en op elkaar. Tot ze elkaar een voor een verpletteren, door en door verpletteren als in een eindeloze verpletpartij. Weliswaar wonderbaarlijk in evenwicht gehouden door een eindeloze ontspringpartij van nieuwtjes. Plet, spring, spring, plet. Allemaal geheel bewust. Onbewust spelen er stunts van een geheel ander kaliber. De dagelijkse fysieke passiviteit spat er vanaf en doodt elk spoor van dat blok aan mijn been. Dromen lijken communicerende vaten vol gemiste prikkelingen uit de wakkere uren. Ik heb ze wel door: ze compenseren. Quintuple. Hele constructies worden opgezet, volledig buiten mijn controle om. Intens en reëel, maar vooral ongelooflijk fysiek. Mijn lijf smeekt erom… om te zien, horen, ruiken, smaken, tasten. En te voelen dat het leeft! En het krijgt wat het wil. Of toch de illusie. Body, mind and soul: het scenario verweeft ze alle drie. Hoe zou het ook anders.

Elke de Echte
0 0

onderlicht 3. de keuken.

het was vanuit de keuken dat hij haar voor't eerst zag, maar denk er niet romantisch over na. hij was zijn sokken en ondergoed in de lades aan't sorteren, 't leek hem een uitgelezen stek, zeker om de bovenverdieping te vermijden. zijn vier hemden, twee broeken en enige maatpak lagen opgevouwen in die diepere lade, die voor potten en pannen was voorbestemd, maar hier haar doel missen moest. de keuken leek hem op maat gemaakt want waar de strijkplank ooit verborgen stak, als een uitvouwbaar bed in een te klein appartement, kon hij nu zijn jassen hangen en zijn schoenen zetten. maar goed zo stond hij daar, en waar de zitkamer gordijnen had, viel in de keuken buiten binnen als licht te verdragen, en daarbij het gerinkel van een fietsbel. in zijn handdoek rond z'n midden gedraaid, hij dus staand, druppend na de douche, bloot torso omgekeerd, zijn blik verrast verdraaid, daar zag hij haar, op pakweg 100 meter, op haar fiets gezeten. het was een blik van geregistreerd, nog geen waarde toegekend aan dat haar, dat lichaam, dat mens dat daar zo reed. een simpel erkennen van haar bestaan, zou in de keuken wel volstaan. regelmaat slaat sneller toe dan tijd's besef, en zijn douchen viel voortaan, ongewild altijd samen met haar voorbijrijden aan zijn raam. ongemerkt was er plots ruimte voor groei ontstaan, en die eerste keer wist Tsjeu niets van dat alles, was zij daar buiten rinkelend nauwelijks noemenswaardig, toch kriebelde er iets wat Tsjeu in retrospect troost zou noemen, troost in't weten dat als zijn tijd gekomen was, zij daar vrolijk verder fietsen zou.

IT
0 0

Al of niet

Professor Van Worm staat niet recht als Meester Klaas de grote vergaderzaal binnenstapt en hem de hand reikt. Van Worm schudt de hand wel, en kijkt dan snel weer naar zijn papieren. Klaas twijfelt even of hij de stoel naast die van Van Worm zal nemen. De vergadertafel is zes meter lang. De tafel is nog nooit zo lang geweest, vindt Han, die toekijkt van op zijn plaats aan de overkant. Hij voelt een zekere spanning en hoopt dat Klaas snel een plaats kiest. ‘Ga alsjeblieft naast de professor zitten’, smeekt hij hem in de gedachten, want als zij naast elkaar zitten, zo hoopt hij, dan zal de vergadering vlot verlopen, en snel afgelopen zijn, en kan hij vluchten uit de vergaderzaal. Meester Klaas legt even een hand op de leuning van de stoel naast de professor, maar bedenkt zich, loopt rond de tafel en legt zijn hand op de leuning van de stoel naast Han. ‘Of zit de uitgeefster hier?’, vraagt hij. ‘Laura is ziek’, antwoordt Han toonloos. De heren knikken, en het wordt stil. De vergaderzaal was nog nooit zo groot, vindt Han. ‘Dus u staat er vandaag alleen voor’, lacht Van Worm. Han werpt hem een glimlach toe, en denkt, ‘Wrijf het er nog eens in.’ De baard van de professor ligt er weer erg slordig bij, stelt Han vast. Zijn pak heeft weer enkele maanden meer stof opgezogen dan vorige keer. En hij zit daar ook zo alleen aan die kant van de lange tafel. Het is wachten op Meester Haenens en Han hoopt dat de heren alvast met elkaar een praatje slaan. Zelf weet hij niets te verzinnen. Normaal slaat de uitgeefster aan het begin van de vergadering een praatje, over koetjes en kalfjes uit het juridische milieu, zoals uitgeefsters dat zo goed kunnen, en wacht Han tot ze aan de vergadering beginnen en hij zijn taak kan doen, noteren en proberen te begrijpen wat er gezegd wordt. ‘Het toilet was…?’ Meester Klaas staat weer recht en gooit een vragende duim over zijn schouder. ‘Gang in, deur rechts, eerste deur links’ en voor Han klaar is, heeft Klaas de vergaderzaal al verlaten. Van Worm staart naar de schaal met broodjes. Je hebt volgens en leiders, bedenkt Han, sommigen hebben al een broodje van de schaal gegrist nog voor ze neerzitten, en anderen moet je de weg tonen. Han kan enkel volgen. Als uitgever-assistent neem je nooit als eerste een broodje. Maar als niemand leidt, kan hij ook niet volgen. Hij wijst naar de schaal. ‘Tast toe’, zegt hij. Van Worm lost zijn blik van de schaal en kijkt verward naar Han. ‘Pardon?’, en zijn blik zakt onmiddellijk terug naar de schaal, en zachtjes schudt hij met zijn hoofd. Van Worm heeft al gegeten, deelt hij mee, straks misschien. In stilte wachten ze tot ze de wc horen spoelen en drie deuren later Klaas weer op zijn stoel zit, van waar hij meteen een broodje van de schaal grist en het voor de helft in zijn mond stopt. Han kijkt naar zijn horloge. Meester Haenens is vijfentwintig minuten te laat, niet ongebruikelijk voor hem, maar wel vervelend. ‘Zullen we alvast…?’, probeert Han. Van Worm duikt onder de tafel. Han en een kauwende Klaas luisteren naar het gerommel aan de overkant. De professor duikt weer op, zijn haren nog meer in de war, en ploft een enorme agenda op de tafel. Talloze losse papieren puilen uit de agenda. Van Worm opent de agenda en de papieren vallen er uit. Klaas is klaar met kauwen, kuist zijn handen, haalt met een vloeiende beweging eenn toestel uit de binnenzak van zijn vest, legt het op de vergadertafel en drukt op een knopje. Het toestel zingt een kort liedje. Van Worm gunt het toestel geen blik waardig en maakt stapeltjes van de ontsnapte papieren. Han wil beginnen. Haenens kan ontploffen. Zoals gebruikelijk begint elke vergadering met een samenvatting van de vorige vergadering. Zes maanden gingen voorbij. Het boek is nog steeds niet klaar. Han heeft de heren uitgenodigd om te vragen hoe het vlot, of er snel een boek zal komen, omdat ze al maanden niet meer reageerden op zijn e-mails. Han haalt onopvallend diep adem, schraapt opvallend zijn keel en verheft zijn stem, ‘Dus…’ Hij kijkt even voor zich en naast zich. Van Worm staart naar broodjes, Klaas betast zijn toestel. ‘Na onze vorige bijeenkomst noteerden wij dat u voortgang maakte met het boek, dat een herziening is van uw eerdere publicatie omtrent het brede ondernemingsrecht, maar dat dit keer, in tegenstelling tot zijn lijvige voorganger, een hanteerbaarder volume zal kennen, half zo dik, des te praktischer gericht maar daarom niet minder allesomvattend.’ Han kijkt op van zijn papieren. De heren luisteren en knikken instemmend. Het zijn jullie woorden, denkt Han. ‘Wij noteerden ook dat u overweegt, met het oog op een maximaal bereik van de doelgroep, om het boek deze keer in het Engels te zullen schrijven en u reeds ver bent gevorderd met de taakverdeling onder u drieën.’ Han kijkt opnieuw op van zijn papieren, de heren knikken. Er staat niets meer op zijn papier. ‘Dus…’ zegt hij nog eens, en wacht op reactie, en alle drie schrikken ze op bij de donderende gong van de deurbel. Meester Haenens schudt handen, kiest de stoel naast zijn collega Klaas en pikt drie zorgvuldig gekozen broodjes van de schaal. Klaas vraagt of Haenens de samenvatting van de vorige vergadering wil horen, Haenens knikt en kauwt. Han herhaalt woord voor woord wat hij enkele minuten eerder vertelde. De drie heren knikken. ‘Dus… de stand van zaken?’ ‘Juist!’ roept Van Worm en hij slaat met een hand op zijn inmiddels weer gesloten agenda. Met drie op een rij staren ze naar de professor aan de overkant, en wachten ze op meer. Aan de overkant staart professor Van Worm vol verwachting terug naar hen. Meester Haenens pikt nog twee broodjes van de schaal, legt eentje op zijn bord en steekt het andere broodje in zijn mond, en Meester Klaas verlost Han uit zijn leiden. ‘Aan onze kant vordert het werk, gestaag zou ik zelfs durven zeggen.’ Han noteert ‘K.: werk vordert, gestaag. Inleverdatum??’ ‘Evenwel dienen wij verschillende struikelblokken te overwinnen, die gepaard gaan met de keuze om het werk in het Engels te schrijven, is het niet, Marc?’ Haenens knikt en kauwt, steekt een vinger in de lucht, want hij lijkt iets kwijt te willen, realiseert zich dat hij met een volle mond zal praten en laat de vinger weer zakken en laat Klaas ongestoord en zoals het hoort voort praten. ‘Vooral dan op het vlak van de terminologie en de correcte vertaling ervan dienen zich meer vragen aan dan antwoorden, voorlopig, en vooraleer wij echt uit de startblokken kunnen schieten en pagina’s vullen, overwegen wij een beraad te plannen om dit grondig te bespreken, zodat wij geen onnodig werk verrichten. En als wij dan eens kijken naar onze agenda’s en vaststellen dat deze tot ver na de lente goed gevuld zijn, zien wij geen andere mogelijkheid dan het werk voorlopig even te laten rusten, om het te laten bezinken, zo u wil, om het in de loop van de zomer met frisse moed weer bij de horens te vatten!’ Haenens kauwt en knikt instemmend. Van Worm staart afwezig naar een punt naast de schaal met broodjes. Han noteert ‘terminologie, zomer, inleverdatum??’ en kijkt naar de overkant, ‘Professor Van Worm, hoe vlot het aan uw kant?’ De professor denkt na, streelt zijn baard tegen de haartjes in, het geluid geeft Han de kriebels en de chaos in het gezicht van Van Worm is niet meer te overzien. Klaas en Haenens grijpen tegelijk naar hetzelfde broodje. Haenens, de jongste vennoot, trekt zijn hand terug en wacht tot Klaas het broodje genomen en in zijn mond gestoken heeft. ‘Ik… of wij, of beter gezegd de afdeling, ontkennen het probleem van de terminologie geenszins, en het verrast ons, in die zin, dat wij er persoonlijk, of ik toch niet, nog geen eerdere kennis van namen, gezien… De taken zijn verdeeld onder de medewerkers, die, elk voor hun toegewezen bijdrage, hoe zal ik het zeggen, de vertaling is een werk van lange adem, die met de nodige voorzichtigheid omslachtig dient bestudeerd te worden, alvorens, maar om misstappen en dubbel werk te vermijden, leek het ons, of mij in eerste instantie, want ik wil mij niet voorbarig uitspreken over mijn medewerkers, heb ik nog niet, hoe zal ik het formuleren, zoals u wel weten zal, is Engels mij niet genegen, of bekend genoeg om met voldoende vertrouwen het schrijven ervan, of toch het denkproces dat er aan vooraf gaat, wat u wel zult begrijpen, daar het geen van onze moedertaal is, en uiteraard het prangende probleem van de terminologie in rekening brengende, heb ik na rijp beraad besloten in eerste instantie mijn teksten in het Nederlands te schrijven, en dusdanig veroorloof ik mezelf…’ ‘Zullen schrijven?’ vraagt Klaas verbaasd. Han wacht gespannen op de reactie van de professor. ‘Wel ja, om precies te zijn, of preciezer, zo u wil, is er uiteraard al menig voorbereidend opzoekwerk aan vooraf gegaan en liggen de grote lijnen zo goed als vast en is het eigenlijke schrijven slechts een kwestie van… zonder mij op een datum vast te willen pinnen… mag ik toch…’ Han trekt twee streepjes onder ‘inleverdatum??’' ‘De zomer zal ons de nodige ademruimte bieden, na mijn vakantie uiteraard, met frisse moed en een helder en breed perspectief, om het echte schrijfwerk, in het Nederlands in beginsel, om dan, met de kwestie van de terminologie in het achterhoofd, echt, vooruit… Maar zoals u zegt, extra overleg valt ten zeerste aan te bevelen, de hoofden bij elkaar en op één lijn, want dit wordt zonder meer een prachtige publicatie, waar de sector op wacht, en wij mogen onze mensen niet teleurstellen, vindt u niet?’ Voorzichtig, onzeker en in stilte knikken de advocaten. ‘Dus…’ probeert Han een laatste keer en hij trekt een streep door ‘Inleverdatum??’

J. De Vries
0 0

De tijd stond stil

Ze staarde uit het raam. De tijd stond stil. Althans, zo leek het toch. Niets bewoog. Zelfs de blaadjes aan de bomen niet. Het was windstil. Haar ogen keken uit over het park, bekleed met groen, doorkruist door bruine paden. Mensen, als mieren verplaatsten ze zich over dat bruin. Sommigen snel. Anderen traag. Sommigen waren alleen. Anderen niet. De tijd stond stil. Maar de mieren bewogen, kropen verder over dat bruin tussen dat groen. Ooit was zij ook een mier geweest. Naïef. Onwetend. Haar handen lagen op de vensterbank. Bleek, met blauwe aders die door het doorzichtige vliesje dat haar huid moest voorstellen heen staken. Ze voelde haar hart kloppen in haar borstkas. Als om haar te vertellen dat ze nog altijd leefde, dat alles nog mogelijk was, dat ze weer een mier zou kunnen worden. Ze knipperde met haar ogen. Een fractie van een seconde was alles zwart. Zou ze in eeuwige duisternis terecht komen als de tijd echt stil zou staan? Gedachten, beelden, herinneringen zweefden door haar hoofd. Ze probeerden tot haar onderbewustzijn door te dringen. Maar ze liet het niet toe. Ze sloot haar ogen. De zachte, beschermende handen van de oneindige duisternis omhelsden haar. Zorgden voor rust en stilte in haar hoofd. Het zou zo gemakkelijk zijn om de tijd eeuwig stil te zetten. Ze hoefde enkel haar vingers naar het handvat van het raam te sturen. De kilte laten binnenkomen. Om daarna haar voeten te sturen naar waar nu haar handen lagen. Eén sprong en de tijd zou nooit meer voortgaan. Maar ze kon het niet, nog niet. Haar lichaam protesteerde. Haar hart probeerde haar te vertellen dat nog niet alles verloren was. Haar hersenen toonden beelden van een vreugdevolle toekomst. Haar handen toonden dat er nog steeds bloed door haar aderen stroomde. Ze vocht terug. Balde haar handen tot vuisten. Toonde haar hersenen dat een mooie toekomst niet voor haar was weggelegd. Vertelde haar hart dat alles al lang geleden verloren was. De tijd stond stil. De wijzers van de grote, houten klok die aan de muur hing, rechts van haar, bewogen al  een tijdje niet meer. Ze had bewust de tijd stil gezet, om aan het idee te kunnen wennen. In het begin had de stilte haar gek gemaakt. Ze was zo gewend geraakt aan het geluid dat de tikkende klok voortbracht, dat het bijna leek alsof ze en stukje van zichzelf had  verloren toen het geluid plotseling wegviel. Maar ze had de drang om het geluid terug te halen weten onderdrukken. Voor de mieren beneden bleef de tijd genadeloos verder tikken. Zij kenden het woord ‘haast’ nog. Voor hen betekende tijd nog steeds geld. Hun wijzers bewogen nog steeds. De tijd was gestopt toen ze alles had verloren. De klok stond stil sinds het besef eindelijk tot haar was doorgedrongen. Ja, de tijd stond al een tijdje stil, maar zij was nog altijd een deel van de levenden, ze was nog altijd een mier, ook al beschouwde ze zichzelf niet meer als een van hen die beneden over de bruine paden voortkropen. Ze had nog niet de moed kunnen verzamelen om haar verlies achterna te gaan. Haar lichaam had telkens weer de strijd gewonnen. Maar nu voelde ze dat ze er klaar voor was. Dat ze klaar was om zich te herenigen met haar verlies. Om zich voor eeuwig te laten omarmen door de duisternis. Om de tijd definitief stil te zetten. Ze liet de duisternis even los om nog een keer naar de kleuren te kijken. Om ze een voor een in te pakken zodat ze zou kunnen meenemen naar de duisternis. Zodat ze zou kunnen loslaten als ze bang werd. Het lichtblauw van de heldere lucht. Het wit van de donzige wolken. Het groen en bruin van het park. Het rood van het neonlicht aan de overkant. Het geeloranje van de ondergaande zon. Al die kleuren nam ze in zich op. Toen stuurde ze haar vingers naar het handvat van het raam. Het staal voelde koud aan in haar handpalm. Een koel briesje liet haar haren lichtjes wapperen. Ze plaatste haar voeten op de vensterbank. Ze sloot haar ogen weer. De duisternis verwelkomde haar als een oude vriend. De kleuren die ze had opgeslagen wervelden om haar heen. Ze sprong.

Quies
0 0

Fragment

Op een nacht kreeg Bianca het sublieme idee om de liefde op het balkon te bedrijven. Spiernaakt openden ze de deur naar buiten, waar een fris briesje de drukkende warmte maar amper had kunnen wegjagen. De fles cava ging mee, en voor de zekerheid namen ze nog één extra naar buiten. Ben legde zich op zijn rug en Bianca kwam dwars op hem zitten, zodat enkel haar hoofd en schouders boven de omheining uitstaken. De harde, korrelige stenen vloer schaafde zijn benen, zijn achterste, zijn schouders, zijn rug, maar lichtjes, heel lichtjes maar. En terwijl ze doorgingen, eindeloos, verzamelden zich voor het eerst in twaalf dagen dreigende wolken boven hen, alsof ze uit het niets kwamen, zonder waarschuwing, als onderdeel van een snood plan om de zomer voor eeuwig en altijd te verdrijven, uit dit land te bannen. De eerste druppels voelden ze niet eens, maar daarna kwam de regen eruit in bakken, emmers, waterreservoirs, meren, oceanen. Maar Bianca en Ben lieten zich niet afschrikken. Ze zouden deze storm trotseren en uiteindelijk ook verslaan. Ben kuste haar borsten en trok haar zachtjes dichterbij, met de meest passionele kus als gevolg, terwijl een plotselinge bliksemschicht het balkon en de rest van het decor van het hartstochtelijke strijdtoneel in lichterlaaie zette. “Dit moment wil ik vasthouden”, fluisterde ze in zijn oor. “Dit is zo intiem. Dit is werkelijk fantastisch”, hijgde ze, naar adem happend, terwijl regen haar naakte rug martelde, als ware het hagel, en haar kletsnatte haar zich in dikke slierten aan Bens gezicht vastzoog. Zou de metafoor van Alien hier gebruiken, misplaatst zijn? De wind heerste over de bovenwereld en haar grillige daken en werd een gevaar voor alles wat loshing. Enkele bladeren waren al te midden van het liefdesnest gevallen maar nu ook vielen verdwaalde takken op het balkon. Een hangende tak aan de kastanjeboom van de buren sloeg de omheining met volle kracht, als wou hij haar lijfelijk straffen voor het ontnemen van het zicht op zoveel moois, steeds sneller, een helse afranseling, meedogenloos, ongenadig, vol temperament en onbegrijpelijke woede, flora als een furie, weer een slag, en weer een slag, een drumsolo van de natuurelementen, een salvo vol venijn, als een swingende sater, een zwiepende tak in de hulpeloze holle omheining, steeds sneller, heviger, intenser, tot de bladeren afzagen van hun vermoeiende dans, en de tak weer naar de kant van de tuin helde, krom en zielig, druipend van het nat, vermoeid van het voortdurende gevecht met de hemelsluizen. Weer binnen doken ze drijfnat onder de lakens, hun afgematte adem synchroon, als ware het één respirerend wezen.

Gert Vanlerberghe
0 0

onderlicht 3. het huis 2.

Tsjeu doet niet veel. in de weken die komen, blijven de muren kaal, blijft de vaas in stukken en blijft zijn gebrandmerkte naam hem aanstaren. het huis heeft ruimte om leeg te zijn, de zolder, de bovenverdieping blijven onbezocht, beneden blijven vertrekken wachten op voeten, adem en insecten. enkel de keuken, de badkamer en de zitkamer vertonen sporen van leven's geduld.  soms giert de wind door kale ruimtes maar het is niet precies een wind van weerse makelij. soms is het koud, maar ook daar heeft het weer weinig mee te maken. vocht kruipt langs de muren omhoog, omdat schimmel een kans moet krijgen. sterven in traagheid biedt kansen en Tsjeu's gelatenheid tiert welig op.  'vergis je niet', lijkt het huis in overduidelijkheid te vervallen, 'hier wordt traag gestorven'. daar kan het huis niets aan veranderen, daar wil Tsjeu niets aan veranderen, als hij voor het raam staat en naar de gordijnen staart. gordijnen met een bloemenmotief als een jurk die hij ooit kende. Tsjeu deed niet veel die eerste weken in't huis. stak wel eens zijn hand uit, naar de bloemen op het linkergordijn omdat daar het zonlicht net op viel, dat heeft met weer te maken. hij streelde de bloemen, een onwennige vreemdeling die vergat hoe dat voelde. en dat het niet precies zo voelde. maar dat deed Tsjeu. elke dag. soms bewoog het gordijn lichtjes, verwachtte hij er benen achter, van die ranke slanke met enkels in schoenen gestoken, als het licht juist viel. dan werd hij kwaad, maar niet precies, kwaad als een kale muur, een vaas in stukken, een gebrandmerkte naam lokt zijn ogen, gebiedt hem 'vergeet me en de rest zal volgen'. 

IT
0 0

onderlicht 3. het huis.

het is een huis van achter oren krabben, puisten plukken en neushaar trekken, een huis van tijdverdoen en slijten die broek, en de drank kopen van de boer die hem aan de deur verkocht, microbrouwer, maar met dat woord onbekend, melkman maar dan met bier.  een huis van staren naar de muur zonder te vragen wat is hangbaar daar, weten dat is geen optie, daar kan je niet buiten, je weet altijd iets. een huis van ontbrekende smuk, vaas, behalve dan die ene, stuk. een huis van wil u geen gordijnen-vraag door de buurvrouw gesteld toen binnenkijken begon, toen mensen kwamen even het nieuwe van't gezicht herkennen alsdusdanig nieuw, tot het ervanaf is. een weekje ongemak, drank geleverd, helder, elke donderdag, gordijnen eenmalig verkregen met dank geschonken en aanvaard, gewenning nu aan huis dat hem bewaakt. in't land van de stilte is de beste zwijger koning, roddels ontstaan, is dat'em niet, en ik denk het wel, ze hebben zijn kop vast in de krant zien staan, toen dat geval met die vrouw, die stierf in een dag tijd, waren het voor hem meer, dan hield het voor hen daar buiten weinig in, behalve dan een collecte gehouden, platitudes ingezameld, in een korf, kaart, fruit en bloemen mix, aan de deur gelaten. van niet weten wat zeggen, gesproken, van niet durven. tijd verstrijkt, bierman die ook eten levert tegen een prijsje, de enige regelmaat, het is lang geleden, die stilte te horen, het zitten te dragen als een soldatentaak hij herinnert zich zijn naam, als vanuit een putje in de ardennen opgedolven, een dennenaald plots gevallen, granaat ontploft. dit huis verdient zijn naam, zoals het onderzoek, zijn 3 ondervragers een pseudoniem aanbevolen, mocht hij naderhand terug de anonimiteit willen opzoeken.  Tsjeu van Orp die woont en wacht in het huis dat hem bewaakt. Tsjeu van Orp staat op uit de zetel die ooit van iemand was, wandelt naar de open haard, pookt het vuur, houdt de pook erin, laat het ijzer heet worden en schrijft er zijn naam mee op de eikenhouten balk waar niets dan stof op ligt. Tsjeu laat iets achter.

IT
0 0

onderlicht 3. de verhuis.

de 6 vlakken van de kubus, voor hen kleur in eendracht, het algoritme ontrafeld. zijn 3 ondervragers hebben geen vragen meer de zaak afgedaan. water, koffie, en dies meer, een voetnoot nog, een herinnering die een herinnering opvolgde.  hier is geen tijd maar een onderweg, een start in wegkwijnen, verhuizen door vrienden zo bewogen, al eeuwen niet meer gesproken, hij zoekt het land op, het simpele leven, van dag in dag in afwachten tot het einde bereikt, bezwijkt aan termen  als ondergedoken in verdrongen herinneringen, vervanging zoeken voor een was een is invullen. een andere ik, verser dan de hij die jij toen was, toen zij nog was. het rijden door dit land is als drijven te beschrijven, alles zo zuiver en geen kiezel die op de weg durft liggen, de zon kijkt er zich scheel op, op zoek naar plekjes, kleine maar om vuile schaduwen te werpen, de stad ligt achter hem, maar de weëe geur kleeft hem nog aan't lijf. lichtzuur, muntig, met de nasmaak van drop, maar daar is alles pristien sprankelend en helder verdiend, daar waar hij zal zijn, als hij het toelaat. daar waar hij in een zuiver kleed gestoken, het van binnen uit kan bevuilen, met het verderven van zijn karkas, het is wachten nu, precies nog dringender, indringender dan ooit voordien. dit rijden zijn laatste beweging, zijn laatste in gang treding tot hij arriveert, waar hij nooit van terugkeert. zo zijn voornemen, door wagen bewaard, nergens anders gehoord, geen levende ziel die hem zo begrijpt. de knalpijp puft gestaag, bomen staan er bij, moeten kijken, laatste getuigen van zijn verhuis.

IT
0 0

Toeval bestaat niet...

Toeval bestaat niet… Zou het toeval zijn? Kan het toeval zijn? Of heeft een hoger wezen een plan waarin ik pas? Of is het een lager wezen dat plannen smeedt en mij opvoert als marionet voor zijn eigen vermaak? Wie weet? Wat weet wie? Weet jij wat? Weet iemand iets over het toeval en over hogere of lagere wezens? Ik moest mijn gedachten verzetten en wandelde naar de kringloopwinkel, hier vlakbij. Het was best tof. Het is eigenlijk altijd tof. Die vrijblijvendheid, die sfeer van "pas eens iets geks". En spullen vinden voor een volgende collage. Ach, het is één en al pruts, ik weet het wel. Maar boeken, die zijn ernst. Daar kan ik niet aan weerstaan, dus ga ik uitgebreid "neuzen". Ik ben er lang gebleven. Toen vond ik het welletjes geweest. Met mijn boeken en spullen koos ik onbewust dat moment uit om naar de kassa te gaan.   De tijd. Het moment. De ruimte. Op een moment, bepaald in tijd en ruimte besloot ik aan te schuiven. Precies op dat moment loopt een dikke man me tegen het lijf en zegt opgetogen: "Hè, dag Marijke." Eenmaal raden, ’t is X-stof. Uit het lood geslagen, onvoorbereid en meteen volgens de ingebakken regels van beleefdheid groet ik hem, vreselijk vind ik dat. Op de wandeling terug naar huis heb ik hartgrondig gevloekt. Omdat die engerd van een X-stof – dat slijmstof - alweer mijn pad kruist. Ook gevloekt op de dwaas die ik zelf ben met mijn onnozele beleefdheid. En gevloekt op het rottige toeval of het ellendige plan van onzichtbare wezens die iets "tof" met mij voor hadden.

dcmarijke
0 0

De lift

De lobby van het hotel was overvloedig bekleed met scharlaken fluweel. Een blauwdruk van vergane glorie. We kregen korte aanwijzingen om de lift te nemen naar de 107de verdieping. Daar hadden we een kamer binnen ons karige budget. De miljoenenstad vrat in geen tijd je geld op als je in een deftig hotel wou verblijven. We hadden de grootte van het gebouw niet kunnen inschatten. De foto’s op computer toonden een wat onpersoonlijke wolkenkrabber. Een bescheiden kamer met witmetalen bedden. We waren allebei opgegroeid in een huis met weinig verdiepingen. Het leek alsof we zo ver daarboven geen aarding meer zouden hebben met de grond, alsof we in het ijle zouden leven. We besloten dat de kamers aan deze prijs hoger gelegen waren, waardoor de klanten meer tijd verloren aan de lange trajecten in de lift. Dit nadeel bracht ons een korting op en we vatten weer moed. Onze geanimeerde overwegingen waren onzichtbaar voor het personeel. Zonder levenslust werkten ze voort.  De lift was enorm en eveneens in donkerrood fluweel. Ovaal. Een danszaal eerder dan een lift. Andere hotelgasten zaten her en der verspreid, apathisch. Ze leken overgeleverd aan de tocht. De boy vroeg ons kordaat wat onze verdieping was. Hij drukte op een knop ergens bovenaan. Er was geen liftmuzak, enkel stilte. Een ontzield koppel zat op een ovale bank in het midden voor zich uit te staren.  De anderen, een twintigtal, waarvan iets meer vrouwen als mannen, stonden tegen de beklede wanden en keken elk een andere richting uit. Het was zulk een artificiële opstelling, bestudeerd bijna. Was het geregisseerd, zaten we in een opname? Ik zag aan mijn vriendin dat ze zich dezelfde bedenkingen maakte. Ze snoof een fijne scheut lucht binnen alsof ze haar hersenen wou voeden om dit mysterie te begrijpen. De boy klikte nog enkele andere verdiepingen aan en de lift trad in werking. Vreemd genoeg maakte hij concentrische bewegingen terwijl hij steeg. Bij elke verdieping draaide hij om zijn as. De draaibeweging gaf ons het gevoel dat we opgetild werden, dat de zwaartekracht ons had opgegeven.  Bij de eerste verdiepingen waren we te verbaasd om iets te voelen, maar al snel trad een misselijkheid op die niet te stuiten was. Mijn vriendin ging langs de kant zitten, stelde zich hard op, beslist om niet toe te geven aan haar duizeligheid, maar ze moest al gauw een plastic tasje volkotsen. Ook mijn maag draaide zich om. De andere liftreizigers bleven apathisch gefocust op een punt. Konden ze de draaierigheid hiermee om de tuin leiden? Onze reactie op de trip sloeg hen niet uit hun lood. Niemand snelde ons ter hulp. Ze leken op die paspoppen die melancholisch met hun half geschilderde ogen in het ijle staren, steunend op hun stijve ledematen, maar deze personen waren wel degelijk van vlees en bloed. Ze zagen eruit alsof ze met een zware waarheid moesten omgaan, waarvan iedereen op de hoogte was, behalve wij. We waren naïef. We gaven toe aan onze lichamelijke reflexen, terwijl er schijnbaar iets veel erger aan de hand was. Hoe veraf was het moment waarop we enthousiast het toeristengidsje hadden doorbladerd. De lift stopte even tussen verdieping 53 en 54. We wachtten eerst af wat de volgende verrassing kon zijn, een denderende crash. We wendden ons af van die waanidee en overlegden of we deze trip meermaals per dag konden ondernemen. Hadden we die martelgang over voor een goedkope hotelkamer? Mijn vriendin, die er het ergst aan toe was, vermande zich. Het was veel geld en we zouden iets anders moeten zoeken. We zagen de werkdagen aan ons voorbijgaan die de trip had gekost en besloten dat we het wel gewoon zouden worden. De tweede helft van het traject was zo mogelijk nog erger, alsof de lift onze hoogmoed wou bestraffen. Er kwamen vibraties bij, kleine schokjes. Mijn vriendin vroeg aan een dame naast haar, waarvan de vale strakke rok dezelfde oubolligheid als de lobby uitstraalde, of dit normaal was. Alsof mijn vriendin haar hoogst onaangenaam nieuws had gemeld, wendde de dame haar blik snel af. Uiteindelijk gingen de liftdeuren open. Er waren geen vensters op deze verdieping. Als we geen opwaartse beweging hadden gevoeld, hadden we gedacht dat we naar het midden van de aarde gereisd waren. We zagen een zwarte kerel in uniform: een blauwe broek met een rode lijn en een rode blazer met gouden knopen. We vroegen hem waar onze kamer zich bevond. In zijn bijna kleurloos blauwe ogen zagen we dat ook hij het niet wist.

Pons
0 0

Bad Date

‘Mijn linkerborst is groter dan de rechter.’ Marianne heft het glas en neemt een gulzige slok. Ze voelt haar wangen gloeien, een gezonde blos, hoopt ze. ‘Nu jij.’ ‘Mijn echte naam is Fredericus,’ zegt Fred terwijl hij haar strak in de ogen kijkt. Marianne giechelt. ‘Dat verklaart veel.' Zou hij haar ondeugend vinden? Intrigerend? ‘Wat bedoel je daarmee?’ vraagt Fred terwijl hij haar glas nog eens bijvult. Marianne glimlacht zo mysterieus mogelijk. Ja, wat bedoelt ze nu, daarnet wist ze het nog. Het was gevat en interessant, maar wat was het? Ze laat de wijn in haar glas walsen. Prachtig, die kleur, zo intens rood. ‘Wel?’ Die vage glimlach op zijn gezicht, wat vindt ze die sexy. Marianne legt nonchalant een vinger tegen haar lippen. Wilde dat het zijn lippen waren. Of beter nog, zijn vinger tegen haar mond, afglijdend naar haar kin, haar hals, haar … ‘Filosofie,’ zegt ze met een hoofdknik naar het tijdschrift dat hij meebracht en dat nu naast hem op tafel ligt. Als eerste kennismaking een beetje een afknapper. Wat kon die sobere roodbruine omslag anders verraden dan saaiheid? En dan die foto, zo’n middeleeuws schilderij, daarboven in grote witte letters: ‘Filosofie’. Echt een tijdschrift voor een oubollige Fredericus, denkt ze. Deze Fred lijkt haar nochtans meer iemand voor een sportmagazine, of voor zo’n typisch ruig, mannelijk, macho, … ‘Toch beter dan het cliché van de rode roos, niet?’ zegt Fred. ‘En hiermee heb je tenminste iets te lezen als je date niet komt opdagen.’ ‘Dat is zo.’ Ze legt een hand onder haar kin. De elleboog waarop ze steunt schuift over het tafelblad, tot tegen de rand. ‘Of,’ gaat Fred verder, ‘wanneer je date tegenvalt.’ ‘Hey,’ Marianne gaat weer recht zitten en kijkt hem gespeeld boos aan. Hij plaagt haar, plagen is een goed teken. Het is plagen, toch? Fred lacht. Pretlichtjes in zijn ogen, of is het de weerspiegeling van de kaars die tussen hen staat? Kaarslicht is gunstig, heeft ze ergens gelezen. Het verzacht je gelaat, maakt kraaienpootjes minder zichtbaar. ‘Heb je soms iets tegen mijn ‘Feeling’’ Haar lievelingsmagazine. Straalt vrouwelijkheid uit, vindt ze. Bewust leven, assertief en zacht tegelijk. Toch had ze nog even getwijfeld om ‘Goed Gevoel’ mee te nemen, maar de goedkeuring die dat zou uitstralen had ze iets te voorbarig gevonden. ‘Het verschil in keuze kan alvast aanleiding geven tot een interessant gesprek.’ Opnieuw lacht Fred zijn sexy halflachje. ‘Of in ons geval: de overeenkomst.’ ‘Aha,’ zegt Marianne met een vinger in de lucht. Ze knikt hem veelbetekenend toe. Ze heeft geen flauw idee wat hij bedoelt.

Ruth A
0 0

Als liefde wringt (excerpt)

      Verschillende keren had hij in het loop van het jaar gebeld. En hij haatte bellen. Hij vond het onnatuurlijk een stem te horen en geen lichaam te zien. Niet te kunnen doorgronden wat het lichaam vertelde, en de stem niet onthulde. Telkens beefden zijn handen van nervositeit. Hij voelde zich een televerkoper, hij vond dat gevoel vreselijk, want het ging nota bene over zijn eigen investering, zijn grote droom. Alles had hij gegokt op dat ene moment om zijn naam te zien prijken op de cover van een drukwerk. Rijk hoefde hij niet te worden, wie werd er dan ook rijk van gedichten, ook niet beroemd. Hij wilde zich gewoon schrijver kunnen noemen. Nadat hij in Leuven het contract had getekend, had hij Albert nog eenmaal gezien. In zijn eigen flat te Torhout. De dikke zwarte BMW die Albert Buitendorp voor de deur had geparkeerd, had hem vertrouwen geschonken. De vijftigduizend frank die Arnold zou betalen als tegemoetkoming voor de drukkosten, lag in een keurig stapeltje op de salontafel naast enkele verdwaalde bladzijden tekst die nooit zouden worden afgewerkt. Lang was Albert niet gebleven. Lang genoeg om het geld in zijn portefeuille te steken. Lang genoeg om hem de hand te schudden en hem te verzekeren dat hij zich geen zorgen hoefde te maken. Binnen de maand mocht hij de drukproeven verwachten, zo vertelde Albert hem. Op de achtergrond speelde “Het Testament” van Boudewijn De Groot. Op de zwarte salontafel smeulde een wierookstokje naar zijn einde toe. Hij herinnerde zich nog hoe hij naar de plaats had gestaard, nadat Albert Buitendorp alweer vertrokken was, waar amper minuten geleden een rijkdom had gelegen. Jaren later zou Pieter Aspe tijdens een lezing in een bibliotheek zeggen dat als je er alles voor over hebt, het niet anders kon dan lukken. Hij had zuur gegrinnikt. De vijftigduizend frank was niet enkel een representatie van alles geven; het was letterlijk alles wat hij had; al twee jaar was hij werkloos, en dan had je het niet voor het oprapen. Gelukkig had hij de huur al betaald, maar wat hij de volgende week zou kunnen eten, was een groot raadsel, want nu was alles echt op. De drukproeven hadden twee maanden nodig om hem te bereiken. Neen, hij had in die maand vertraging niet gebeld, al was hij wel ongerust geweest. Twee dagen lang had hij niets anders gedaan dan geredigeerd en verbeterd, hij wilde absoluut dat die drukproeven binnen de week zijn flat verlieten. Dat was in april geweest. Pas in augustus pleegde Arnold zijn eerste telefoontje. Vier maanden later en drie maanden voor de Antwerpse boekenbeurs. “Ja ja, het zal zeker klaar zijn voor de boekenbeurs. Maak je maar geen zorgen, we zijn er druk mee bezig... Moet je trouwens geen toegangstickets voor de boekenbeurs?” In oktober: “Ja, ik vrees dat het niet meer zal lukken voor de beurs. We zijn daar nu al druk mee bezig, weet u, en onze folder is ook al gedrukt! Moet ik tickets opsturen voor de boekenbeurs?” “Ja, maar wanneer zal mijn bundel dan af zijn.” “Meteen na de boekenbeurs beginnen we er terug aan! Maak je maar geen zorgen!” Maar zorgen begon Arnold zich wel te maken. En hij had terug naar het zwarte stukje vierkant op zijn salontafel gestaard, waar zijn rijkdom had gelegen. Drie maanden later had hij nog eens gebeld. “Dit nummer is niet langer in gebruik”, had het bandje hem in vier talen gemeld. Toen wist Arnold hoe laat het was. En opnieuw staarde het zwarte stukje vierkant van de salontafel hem spottend aan.   Zijn kat was bij hem sinds hij amper vijf maanden oud was. Hij had de flat zich danig eigen gemaakt. Het was zijn jungle, en de twee balletjes met bellen waren zijn muizen waarop hij elke dag jaagde. Opvoeden had hij het katertje niet gekund; de poten van zijn stoelen, de leuningen van zijn zetels, overal had de zwarte poes zijn handtekening op gezet. Arnold had goede voornemens gehad; hij zou niet op de tafels mogen en al zeker niet de resten uit de borden mogen oplikken. Arnold had zelfs een sproeiertje gekocht, want hij had gelezen dat je katten dingen kunt afleren door hen te besproeien met water. Zes jaar was P’tje inmiddels. En nooit had hij meer gezien dat het kleine flatje dat ze samen deelden. In het prille begin was het moeilijk geweest zijn vertrouwen te winnen. Hij had gejankt terwijl hij alle hoeken had besnuffeld, om zich vervolgens onder de grootste zetel weg te steken. Op een dag was dat echter veranderd. Arnold lag languit naar een film op TV te kijken, wanneer het poesje de zetel op schuifelde en zich op zijn arm neer vleide. Arnold had niet meer durven bewegen, uit angst het kleine katertje weer weg te jagen. Naarmate hij ouder werd, werden ze beide echte vrienden. Het zwarte katertje volgde hem overal, zelfs naar het toilet. Als hij de deur durfde dicht te doen, bleef hij net zolang tegen de deur krabben en miauwen tot Arnold de deur open deed. Ze waren zelfs minnaars; als Arnold in de winter 's avonds onder een deken kroop bij het kijken naar de televisie, kwam hij steevast Arnolds been bespringen en in zijn tenen bijten. In het begin had Arnold gedacht dat hij kwam spelen, tot het kleine, roze piemeltje had gezien. Om twee redenen had Arnold verzaakt hem te laten castreren; enerzijds was hij doodsbang geweest dat P'tje het hem zou kwalijk nemen. Anderzijds was de kat met geen stokken buiten te krijgen. Arnold had het geprobeerd. Hij had hem op de arm genomen en hem tegen zich aangedrukt, maar naarmate hij naar de trap liep, begon P'tje te protesteren en zo fel te krabben om weg te komen, dat Arnold hem wel moest loslaten. Maar op een dag speelde P'tje niet meer. Een week daarvoor was het begonnen. Hij had zacht gemiauwd alsof hij ergens pijn had, maar zijn baasje er niet mee lastig wilde vallen. Hij was gestopt met eten, en drinken deed hij moeizaam. Eerst had hij zich steeds languit op het tapijtje bij de verwarming gelegd. Arnold had zich in het begin geen zorgen gemaakt. Ook hij had wel eens dagen gehad dat hij zich mottig voelde, en de hele dag in de zetel voor de TV doorbracht. Maar bij P'tje ging het niet zomaar over, en wanneer het katertje zich terug onder de zetel begon te verschansen en zich niet meer toonde, enkel zichzelf liet horen door zacht gemiauw en gekreun, begon Arnold zich wel zorgen te maken, grote zorgen. En wanneer hij op een dag thuiskwam en overal resten braaksel vond, terwijl de zwarte kat languit op zijn zij voor zijn kattenbak lag, was Arnold de wanhoop nabij. De tranen kwamen, hij kon het niet helpen. Hij ijsbeerde door de huiskamer, en wist dat hij een dierenarts moest raadplegen. Teder nam hij P'tje op, die met niet meer dan wat gekreun protesteerde. “Oh schatje toch!” Hij probeerde hem zelfs te dwingen te eten; hij drukte zijn snoetje in zijn bakje met droge korrels. “Je moeten eten, schatje! Zodat je weer beter wordt!” Hij probeerde het met melk waarin hij enkele brokjes brood weekte. Maar P'tje wilde niet meer. Kon niet meer. Het slikken ging hem moeilijk, en waar Arnold hem had neergezet, legde hij zich languit op de balatum. Arnold zag vol afschuw aan hoe zijn kleine lijfje moeizaam op en neer ging. Zijn tong die Arnold bij het thuiskomen altijd op de neus had gelikt, hing half uit zijn mond en zijn ogen leken glazig in de verte te kijken. “We moeten naar de dierenarts, schatje!” zei hij resoluut, en nam het tere, nog amper levende wezentje terug in zijn armen, dicht tegen zijn borst. Onder zacht bemoedigend gefluister en terwijl Arnold voortdurend het kopje van het beestje met zijn lippen streelde, begon hij aan de vervaarlijke tocht naar buiten. P'tjes ogen werden groot van angst, maar hij leek niet meer de kracht te bezitten zijn angst te beantwoorden en terug naar huis te vluchten. Het was koud buiten, en Arnold drukte het schimmetje nog dichter tegen zich aan, om hem te beschermen tegen de koude wind. Bij Arnold kwamen terug de tranen. “Rustig maar... Rustig maar...” prevelde hij constant weer, niet alleen om de kat moed in te zingen, maar ook zichzelf. Arnold wist dat het te laat was wanneer zijn beestje in zijn armen begon te kronkelen van de pijn, als een vis die op het droge naar lucht gapte. Zijn ogen tolden in zijn kassen. Het geluid dat hij maakte leek meer dat van een hond dan van een kat. Ze waren ongeveer halverwege naar de dierenarts wanneer het lichaampje in zijn armen verslapte, en uiteindelijk helemaal niet meer bewoog. “Het is oké, schatje”, snikte hij zacht, nog steeds zijn lippen tegen het zwarte kopje aangedrukt. “Slaapwel, schatje... Je voelt nu geen pijn meer.” Arnold draaide zich om en wandelde verdwaasd terug naar huis.  

Malakh Ahavah
48 0

onderlicht 3. water 1.

water in hand. Is't helderheid wat je wil, mijn lief kind, brutale eerlijkheid dan misschien, of gewoon de volgende leugen die je zielig voortbestaan intact laat? zeg het dan, je weet, ik heb naar alles oren, als 't uit jouw mondje wil komen. Je gekwijl en gesnotter, je onbegrepen verdriet, dat voor eeuwig enkel het jouwe mag zijn, god verhoede dat er nog iemand zich als jij voelt, zet je keel open, scherp je tanden aan venijnen woorden, vijl je vingernagels in mansvel, drijf die hielen 't snel zand in, zet je schrap, mijn lief kind, de wind die vangt je van voren, als je je bunker op een duin zet, blijft bestorming niet uit... zijn lijf davert, heeft het duidelijk niet op woede begrepen, zijn gezicht verwrongen staart terug vanuit de kleerkastspiegel, zijn benen zwalpen, zijn armen stijf langs hem af hangend, dit oefenen had hij beter niet voor de spiegel gedaan. de zweem van fictie bekleeft hem in de details. de neergebogen bocht van zijn oogleden, medelijden, wanhoop op zijn bovenlip gezeten, bezorgdheid in't fronsen van zijn kin, na elk gesproken woord, elk diep gehaat verkleinwoord, liefde in mijn lief kind verdringt elke vorm van geprobeerd sarcasme...  ze ziet zo door hem heen en hij weet het. hij staart nog even zijn teleurstelling aan, zakt dan op bed neer. hoofd valt voorover tussen benen in. hij is moe. van jaren moe te zijn, van eerst niet gezien, gemist, dan gezien, niet begrepen, dan denken begrepen, proberen, proberen, proberen moe. "zo is't in't kort gegaan, zie je", je neemt een slok water,"ik heb echt mijn best gedaan"."er is niemand hier die daar aan twijfelt, maar je weet wat ik wil, wat ik van je nodig heb, wat ik van je wil horen".

IT
0 0