Zoeken

onderlicht 3.

je woont in een huis, niets te groot voor kleine mensen, perfect om zo te zeggen, voor ons. weinig onderhoud, binnen, buiten weinig aan. je ziet ze welles vaker in rijtjes staan, ergens aan de rand van de stad. Zes, zeven huizen, een veld ernaast dat de buiten belooft, waar kinderen spelen van de buurt, voetbal, vliegers aan lange lijnen dansen door de wind. Zes, zeven huizen, een kiezelbaantje voor fietsers loopt errond, vanachter bekeken, tuintjes, klein hier en daar een kersenboom, door kraaien bezeten. Zes, zeven huizen dan naar't centrum toe, recent gebouwde villa's, praktijk inbegrepen, dokters hoofd en schouders, knie en teen. een voormalig schooldirecteur en zijn met boeken geleur, een straat dus mensen voetpad autobaan lantaarnpaal, goed leven zo gezegd zo gedaan. om het even. gedaan te hebben. In zo'n straat woon je, klaar om plaats te ruimen wanneer de stad aan uitbreiding toe is, onteigening in't verschiet, maar de trein die net iets te dicht, net niet ver genoeg, om het uur davert, die neemt ze dan wel mee. je komt haar overal in huis tegen, ziet haar zelden bewegen. ze zit tussen zijn in. en ik mis haar. overal. je ziet de bloemenjurk, zomers zoals elke vrouw, verwelken. de kleur vervagen, andere kleuren, bruin vooral verzamelen, egaliseren tot vlekkenjurk, geen wassen weet raad, geen geur weet van verdwijnen, overal bekleeft haar. ze zit daar. maar. dan eens op de rand van het bed, waarvan je vreest dat ze't nooit zal verlaten, tot je op de trap haar weet voor zich uitstaren, of in de gang, smal, haar ogen barstend in't plafond, ze zit daar. maar. vraag je haar, welke vraag dan ook, standaardantwoord, doe ik dan wel. betekende eerst, vlak voor het gebeuren moet, nu, in nietszeggen gehulde ontwijking, zo zie je haar, zelden anders, loop je haar mis."wanneer het mis lopen begon? eerder. eerder weet ik, niet wanneer precies. kunnen we een pauze nemen?""Tuurlijk, geen probleem, koffie? water?""graag"

IT
0 0

Onze Oorlog

Mensen kijken. Staren na. Doen zelfs geen moeite om te fluisteren. Om hun misprijzen en afkeer te verhullen voor het doelwit van die woorden, scherp als een gloednieuw keukenmes.In de supermarkt boze blikken. Gespot en binnensmonds gescheld op de trein. Bij de dokter durf ik de wachtzaal niet binnen. Ik wacht op de gang tot het laatst. De arts wenkt me, schrijft me gauw iets voor. Om het even wat. Liever had hij me doorverwezen naar een vakbroeder die op zijn beurt net hetzelfde zou doen. Zwijnen als ik verdienen niet beter. We hebben de oorlog gewonnen. De vijand is verslagen, zoals het hoort. Onze tegenstander was des duivels. Anders zouden we niet hebben gewonnen. God was met óns, niet met hen, zoveel is duidelijk. Al wie niet aan die zege heeft bijgedragen, al wie zich vanuit een misplaatst kosmopolitische visie heeft onthouden, is een verworpeling van de Nieuwe Wereldorde. Er is geen plaats voor hen of haar in het feestgewoel, in de vreugd van de overwinning tegen het grote Kwaad. De Andere. Dat ik de kogel niet heb gekregen, mag een wonder heten. Misschien huist er toch nog iets van beschaving in ons ondanks die nationalistische drang naar vernieling. Vaderland voor alles. Niet willen sterven is geen optie. Het individu is dood. Leve het kanonnenvlees. Ooit zei een officier me dat ik een laf stuk stront was. De volgende dag was hij dood. Twee kogels in de rug. En ik leefde nog. Nu hangt er een medaille aan zijn stenen graf, maar voor de oorlog stal hij van de armen. Hij sloeg zijn vrouw. Zijn dochtertje kampt nu met tegenstrijdige gevoelens. Wint een vooroorlogs trauma van een prepuberale seksuele ervaring in familiale kringen het van een door de gemeenschap opgelegde trots voor de held die haar vader was? Kan de gemeenschap al wat voor de oorlog kwam, wissen? Gewoon door uit te blinken in een strijd die ons door onze leiders werd opgedrongen? Is het zo eenvoudig? Ikzelf werkte in een fabriek. Ik was een goede echtgenoot en een goede vader. Ik deserteerde tijdens de oorlog. Mijn leven is geen sikkepit meer waard. Maar het is er nog. Ik heb mijn vrouw en mijn zoontje nog. Dat is alles wat telt. Ik heb de dood vaak in de ogen gekeken. Maar aan de andere kant, over de waterplas, las ik ook de angst in het wit van de ogen van mijn lotgenoten. Die toevallig een andere taal spraken. Diezelfde angst als die van ons. Alleen heeft het bij hen een andere naam. Want toevallig werd hen een andere taal aangeleerd bij de geboorte. En dat is wat ons scheidt. Dat is wat ons zo fundamenteel anders maakt. Althans zo werd ons dat geleerd. De dood was er al te vaak. Maar niet alleen door toedoen van onze officiële vijand. Er was een ander kwaad dat zich voortdurend in onze kampen schuilhield. De hiërarchische vloek die een blinde gehoorzaamheid predikt. Wat maakt menselijkheid, empathie, respect of het gebrek eraan nog uit - zolang de rang hoger is, dien je te luisteren. De grootste schurken vertelden me dat ik moest schieten. En dat deed ik. Op die zielsverwanten van me. Alleen heeft dat in hun taal een andere naam. Want zo gaat dat. Ik had beter mijn geweer negentig graden gedraaid. Het zou het schieten alleen hebben vergemakkelijkt. Het kwaad kwam van bovenaf, niet van over de waterplas. Overal de dood, zo ook bij zij die mij voor waren. Die de knoop doorhakten te midden van dit slachthuis en niet aan de grond werden genageld door twijfels, door angst voor de wrokkige officiers, die liever zijn eigen soldaten de kogel geven dan ze een vlucht te gunnen naar daar waar de dood niet heerste. Ook zij leken het onderscheid niet te maken. Waarom zouden wij dat wel hebben gedaan? Maar zij die mij voor waren, werden gevangen genomen. Niet door onze vermoedelijke vijand, maar door onze bevelhebbers. Ze eindigden als boomknuffelaars, in een omgekeerde omhelzing met de stam. Met touwen rond ledematen die hen hielden daar waar de dood tierde. De kogel kwam niet van over de waterplas, maar uit de loop van hun leiders. Het was de mooiste blijk van de natuurlijke drang van gezaghebbers om hun onderdanen naar een andere wereld te helpen. De haat in de ogen van onze officier was onvervalst. De dood zat in het slijk. De dood was onze zuurstof. De dood lag verscholen in het hart. Redenen te over om ervan te gaan lopen. Een paar morsdode gelijkdenkenden hielden me niet tegen. In het holst van de nacht verliet ik mijn post. Ik keerde nooit terug. Achteraf bedenk ik me wel eens dat het allemaal heel anders had kunnen aflopen. Ik zou mijn vrouw en zoon nooit hebben terug gezien, had een meer dan gemiddeld snuggere officier mijn pad gekruist. Dat gezegd zijnde... ik had allerminst geaarzeld mijn wapen te richten op de man aan de knoppen, de heer en meester over deze ganse moordlustige mierenhoop, de regisseur van deze surrealistische puinhoop, mocht deze mij de doortocht hebben willen verhinderen. Niemand komt tussen mij en mijn toekomst. Zelfs de oorlog niet. Maar ik kwam geen officier tegen. Enkel een soldaat. Verward en compleet het noorden kwijt. Gereed om in de val te lopen. Klaar voor de wijd openstaande muil van de Natie, die haar kinderen voor haar laat vechten, en de kaken sluit voor wie de benen neemt. Alleen hadden we nu twee legers tegen ons. Het zijne en het mijne. De officiële vijand en de eigenlijke. De lust tot doden zat niet in zijn blik gebeiteld. Niet in de zijne. Niet in de mijne. Enkel een soort van natuurlijke overlevingsdrang. Een biologische klok die alarm slaat wanneer het tijd wordt om de plaat te poetsen. In plaats van elkaar af te maken, begrepen wij elk in onze eigen taal maar al te goed dat, als we de handen in elkaar sloegen, onze slaagkansen verdubbelden. Misschien zelfs verdrievoudigden. Nu maakt al die patriottische prietpraat geen bal meer uit. Zijn Natie heeft verloren en veel van zijn broeders rusten onder metersdik zand en slijk. Samen met mijn broeders. Maar hij leeft nog. En ik leef nog. Hij komt soms op bezoek. Wordt ook scheef bekeken. En ik door zijn bezoek nog meer. Maar het kan ons niet deren. Allebei hebben we voor de goede zaak gestreden. De strijdbijl begroeven we lang voor de oorlog eindigde. En telkens wanneer hij ons vergezelt naar het park, en we mijn zoontje in de speeltuin zien ravotten, kijken we elkaar recht in de ogen, en in die blikken, in onze blikken, is meer te lezen dan in de dikste boeken: een diepe dankbaarheid voor het complete gebrek aan vaderlandsliefde en de hoge dosis naastenliefde die we allebei vertoonden – en die nog steeds in ons huist – toen we elkaars pad kruisten, op de vlucht voor Vadertje Staat. En ’s avonds, wanneer ik mijn zoon onder stop, vertel ik hem over nooit meer oorlog. En de trots die glanst in zijn ogen, neem ik mee tot in mijn diepste dromen.

Gert Vanlerberghe
0 0

COMPLIMENTJES

Ze zaten met elf aan tafel, onder wie vier gerenommeerde misdaadauteurs. Trouwens, de overigen hadden ook heel wat spannends op papier gepresteerd. Behalve één iemand, Joris. Hij had zichzelf uitgenodigd als kersvers lid van de auteursvereniging, maar toen hij zag wie daar allemaal aan tafel zat, voelde hij zich klein, zeer klein. Wie was hij? Iemand die eventjes zijn criminal mind op papier had ontvouwd en hoopte dat hier en daar een lezer het einde zou halen van zijn eerste boek, dat hij in eigen beheer had uitgegeven. Joris zei weinig en wou zich absoluut niet profileren in dat exquise gezelschap. Diegene die links naast hem zat, –laten we hem voor de eenvoud Dirk noemen– had weer een nieuw boek geschreven dat net was uitgegeven. Het werk had reeds zeer lovenswaardige kritieken gekregen waardoor die man stilaan zijn plaats zou weten te veroveren naast de vier eerder aangehaalde sterauteurs. De diverse schotels werden vlot na elkaar opgediend. Op een flesje wijn werd niet gekeken. Dirk wist regelmatig de glazen en vooral de zijne te vullen, terwijl Joris voortdurend zijn glas met de hand moest afdekken omdat hij nog een eindje moest rijden. De tafelgesprekken schenen bij dergelijke samenkomsten altijd hetzelfde stramien te hebben: klachten over de uitgevers, die alleen maar oog hadden voor kookboeken, breiboeken en schrijfsels van auteurs, liefst BV's, die weinig te maken hadden met literatuur; klachten over de boekhandels, die te veel de buitenlandse misdaadromans etaleerden ten opzichte van werk van eigen bodem, enz. Zonder aanleiding vroeg Dirk opeens: ‘Wie ben jij?’ Joris trok zijn hoofd in tussen de schouders alsof er in zijn onmiddellijke omgeving een bom ontplofte.Voorzichtig zei hij: ‘Ik ben Joris Vercammen.’ ‘Uw boeken?’ ‘Ik heb net mijn eerste boek uit: Het ijzeren zwaard.’ ‘O ja? Is dat boek van jou?’ Joris wist niet goed wat deze vraag verder zou inhouden en antwoordde bijna onhoorbaar: ‘Jawel.’ ‘Maar dat boek is prachtig’, zei Dirk luid waardoor de tafelgesprekken ineens ophielden. Joris’ hoofd nam langzaam weer de normale hoogte tussen zijn schouders aan. ‘Is dat zo?’, bracht Joris voorzichtig uit. ‘Ja, man, jij hebt talent zeg!’ Joris wou nog vragen ‘Meen je dat?’, maar vond dat hij nu in zichzelf moest geloven en antwoordde zo neutraal mogelijk: ‘Ja.’ ‘Verdomd een goed verhaal en een fantastische ontknoping’, wist Dirk nog toe te voegen. Terwijl alle gezichten van zijn tafelgenoten met de glimlach naar hem keken, beaamde Joris dit weer met een korte: ‘Ja.’ ‘Doe zo voort, man’, zei Dirk nog en draaide zijn hoofd weer naar het gezelschap. De tafelgesprekken gingen weer door. Joris was in gedachten verzonken en hoorde nog nauwelijks wat er werd gezegd. De complimentjes van Dirk deden hem uitermate deugd. De avond kon niet meer stuk. Hij was toch blijkbaar een goede schrijver. Hijzelf en zijn werk waren nu aanvaard door de grote heren. Morgen zou hij aan zijn tweede boek beginnen. Het was tijd. Iedereen stond op. Ze gaven elkaar de hand met een ‘tot ziens’ of ‘tot de volgende keer.’ Joris liep naar de vestiaire en deed zijn regenjas aan. Net voor hij aan de deur kwam hoorde hij achter de jassen iemand zeggen: ‘Dirk was vanavond weer goed aangeschoten.’ En iemand anders zei: ‘Ja, en dan speelt hij altijd dat vervelend spelletje met het tegenovergestelde te zeggen van wat hij werkelijk meent.’ Joris’ hoofd zakte weer tussen zijn schouders. Hij zette zijn kraag van zijn regenjas recht en verdween in de natte nacht.

Bert Bergs
0 0

Over de functionaliteit van toiletten, in het bijzonder toiletbrillen.

Pennie ontwikkelde in haar prille jeugd een solide haat-liefdeverhouding met toiletbrillen. Vanaf het moment waarop de alwetende moeder besloot dat Pennie in staat diende te zijn haar gevoeg achter te laten in een keramische luier, voerde ze dagelijks een innerlijke strijd die zelden werd gewonnen door de rede. Meestal vond ze te weinig tijd om een gefundeerde winnaar aan te duiden: nog voor ze een eindoordeel kon uitbrengen baande haar brouwsel zich een weg van haar bovenbenen tot haar tenen. Dat ze veel sores kon voorkomen door eenvoudigweg op de toilet plaats te nemen bij het voelen van de drang: dat drong niet tot haar door. Ze moest die immanente krachtmeting voeren.             Pennie’s haat jegens toiletbrillen bestaat voor het grootste deel uit hun kilte, aangevuld met luiheid. Toiletbrillen zijn ijzige voorwerpen, in het bijzonder de toiletbril in haar moeders huis: een plek die geregeerd wordt door dictator Koude. Koude kan er onbelemmerd zijn slag slaan dankzij het streven van Pennie’s moeder naar de ecologische voetafdruk van Klein Duimpje.             Pennie’s liefde ten aanzien van toiletbrillen groeide mettertijd naar aanleiding van het groot aantal aha-erlebnismomenten die zich aan haar blootstelden terwijl zij haar tengere billen tegen de toiletbril duwde.Ze had een bil-à-bil toen ze besloot niet meer te eten, en ook toen ze besloot zichzelf dan toch niet op te geven, en toen ze besloot dat negenendertig kilo aan botten, bloed en huid nog te veel was, maar ook toen ze wist dat ze met haar vierendertig voor een dilemma stond: eten of sterven.          Het was ook daar dat ze het verband legde tussen vrouwen en aantrekkingskracht.           Het was daar dat ze besloot de gevoelens voor haar muze, mevrouw Eygenraam, niet langer te negeren. Het was daar dat ze een plan opstelde om meneer Eygenraam te ontdoen van zijn vrouw haar hart en het naast het hare te planten. Het was daar dat ze zich realiseerde dat mensen uiteindelijk wel zouden vergeten wat er allemaal was gebeurd: als ze zagen dat de liefde tussen de vijftienjarige Pennie en haar vijftigjarige lerares wiskunde oprecht was, zouden ze het moeiteloos accepteren. Ook als Pennie meneer Eygenraam daarvoor zou moeten vermoorden.

Linkervoet
0 0

onderlicht

1. onderlicht ze zitze zit daarze zit daar inze zit daar in dan ze zit daar in dan welik doe hetdan welin haar plaatszit ze daar in niet gedaanzit ze daar in nietzit ze daar inzit ze daarzit ze ze brakze brak ergensze brak ergens inze brak ergens in wilze brak ergens in wil wel kan ik nietwil welin haar plaatsbrak ze ergens in niet kunnenbrak ze ergens in nietbrak ze ergens inbrak ze ergensbrak ze wil wel zijnikin zittenin brekenin haar in danin dan welin wil welin haar dan wel wil welnietgedaanergenskunnenwil ik haar wel zijn ………………………………………………………………………………………………………....................................... 2. onderlicht pervers nieuwsgierig mag je denken,naar dat gezit van haar, ten dele waar, maar dat breken in,dat breken in, een beloftevol oordniets pervers aan, een gaan-en-staan-belofteeen plaats van tast, verboden in te brekenbetreden op eigen einde van bestaan, wilsverlies,maar op gemene grond, voeten geplant, elkaars gevondenzijn, begrepen wat haar dan wel, wil wel beweegtdaar gaan-en-staan misschien eigen waan toch gekundwant moet niet alles gedaan voor vaarwel gezegdtelkens weer wel gevonden onverdroten telkens nieuw stro dorsentelkens nieuwe oorden, dingen, woorden van hoopplots brutaal bedrieglijk te vindenwil dat haar zijn zeggen? zie het beeld beschimmeld tapijt, mieren, motten, glasscherven, schemerig licht, hoeken bezeikt, waar de kakkerlak verschijnt, braaksel her en der onder wat te vinden viel verstopt, hoop is de drug der wanhopigen, rekt hun bestaan in pijnen uit, een schroefbank kreunend houten pijndof en scherp tegelijk versplinterd scherp in vel gestoken, dof beslagen kop, etterend venijn, vervloek de hoop, en nog, niet haar dan wel wil wel begrepen, haar breken in in een plaats van eigen makelij, verondersteld haar breken uit uit een plaats van eigen makelij, wachten op dan wel wil wel, naast haar plaats staan, wachten, wachten. ................................................................................................................................................................................................... 3. onderlicht 3. is in productie, u kan de richting al raden. preliminiare bevindingen: meticuleus beschenen voeten de gang nagegaan, van zoek naar hoe het kwam, naar vindt van hoe het op te lossen, oplossen is wat het deed in een miasma van hem en haar, wierpen grenzen schaduwen vereend, op't plafond hun nucleair zijn gebrand, niet te scheiden wie is wie, blijft versteend aangerand door't leven aan hunzelf kleven. onderlicht 3. is in productie, hangt van variabelen af, niet in't laboratorium te creëren, bunzenbrander nooit heet genoeg om hoop te verzengen, duikt telkens weer en telkens weer op, reconstitutie, stalen genomen ter preventie, wachten op imminente explosie, dan door deconstructie reconstructie, rapport opgemaakt, voor 't administratief geweten zo geheten zo geschreven dan en toen en verdere feiten voor't nageslacht, conclusie in de vorm van projectie: variabelen te vermijden, resolutie desastreus. onderlicht 3: is in productie, recommendering: wachten.

IT
0 0

Kinderen

Vandaag is zo’n dag. Het is zo’n dag die, niet eens zonovergoten, smeekt om een zonnebril. Die heeft Maarten niet bij zich. Hij zit op een bank bij een speeltuin en wrijft in zijn ogen. Het is nog vroeg. Zijn fiets en rugzak liggen op de grond. Met zijn rechterhand beschut hij zijn ogen tegen het licht. Hij tuurt naar een herkenningspunt in de vloeibare verte, als in een woestijn.   Daar zit een meisje op een schommel. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes om naar haar te kunnen kijken. Het is een tenger meisje. Toch heeft ze zichtbaar sterke ellebogen en knieën. Zou ze al tien zijn? Ze zet een streng gezicht op terwijl ze schommelt, wacht telkens het juiste moment af om uit alle macht aan de touwen te trekken, krijgt de schommel zo hoog dat hij haar gewichtloze ogenblikken gunt. Maarten kan van haar gezicht niet aflezen of ze er plezier aan beleeft.     Zou ze met dezelfde tomeloze ijver haar huiswerk maken? Hoe dan ook zou ze het niet enkel voor de goede punten doen. Later zal ze prachtige samenvattingen maken van haar leerstof. Ze zal mooi zijn en geen onzin dulden van haar vriendje. Ze zal lak hebben aan twijfelaars. Maarten wiegt met het schommelende meisje mee.     Het meisje houdt het spelen voor bekeken. Ze rent door het zand en verdwijnt van het toneel. Maarten staart de schommel, zijn deelgenoot in hangerigheid, na. Hij raapt zijn rugzak op, neemt zijn fiets, en rijdt naar huis. Onderweg probeert hij in de rechte stukken zo lang mogelijk met de ogen dicht te rijden.   Later op de dag zit Maarten in het midden van de driepersoonsbank van een recent aangekocht Ikeasalon. Hij heeft een zonnebril op en rookt sigaretten. De stompjes dooft hij uit in de asbak op de salontafel. Met nadruk, alsof hij ze één na één een lesje leert. Hij neemt zijn tijd. Hij heeft zijn hemd met palmboomprint aangetrokken. Zijn zwembroek en badlaken hangen te drogen op zolder. De microgolfmaaltijd voor twee, gesigneerd door een beroemde kok, ligt in de koelkast. De kattenbak is schoon.     In de verte klinkt een sirene. Het geluid verplaatst zich erg langzaam. Wat moet het daarbuiten weer druk zijn, denkt hij. Hij droomt weg, starend naar twee kussens die op de sofa tegenover hem staan uitgestald, opgedoft en door een vrouwenhand geschikt als was het een stel, misschien zoals zij vroeger deed met pop en teddybeer.     Maarten schrikt op. Gerinkel van haar sleutelbos bij de voordeur. Hij blaast en wappert wat naar de rook – die gedwee opzij gaat, beleefd bijna, zich verontschuldigend, en vervolgens gewoon blijft hangen –, pakt de asbak en gaat op kousenvoeten naar de keuken. Anja komt thuis van het werk.   Zij is weer als de wind. Haar schoenen klakken en schuren in de hal. Ze is gehaast. De deur naar de woonkamer zwaait open. Haar lange wollen jas, nog net te zwaar voor het seizoen, blijft nog even aan. Eerst moet het raam open. Maartens zonnebril belandt met een boogje op de sofa, naast het stelletje kussens. Zij vraagt niet hoe zijn dag was. Hij kijkt haar glimlachend aan. Zijn dunne lippen spannen als elastiekjes.     ‘Niet grappig, Maarten’, zegt ze. ‘Denk om je zaad.’ Maarten verstart. Hij was het weer vergeten. Wat ze dadelijk gaat zeggen, klinkt hem als een voortijdige echo in de oren.     Ze zegt: ‘Je bent het weer vergeten. Ik zie je boven? En haast je, over een half uur heb ik yogalates.’ Ze loopt hem rakelings voorbij. Hij is als rook.   De trap op. Hij zal proberen er het beste van te maken. In de slaapkamer kijkt hij toe terwijl Anja zich uitkleedt. Werktuiglijk, alsof ze tegelijk probleemloos nog zou kunnen telefoneren, vergaderen, netwerken. Het maakt haar mooier dan wanneer ze haar ondergoed al te zelfbewust slechts met de vingertoppen zou beroeren. Niet meer, maar ook niet minder dan wat het is, staat het Maarten vrij haar te aanschouwen. Wie is deze vrouw? Hij vraagt het zich af terwijl zij alvast post vat op het bed. Een beetje plagerig houdt hij zijn kleren aan.     ‘Moefi’, zegt ze – Moefi, zo noemt zij hem soms, wanneer ze hem achter de veren moet zitten. Hij antwoordt dan steevast met een monotoon ‘Ja An’, of iets dergelijks, omdat zij daar niet tegen kan –, ‘Het moet nu, ik voel het aan mijn borsten. En de oefeningen straks kunnen alleen maar helpen.’     ‘Wat denk je, An? Dat ik een wandelende erectie ben?’ zegt hij. ‘Het moet altijd nu. Eerst hier even oefenen, ja?’     Anja zucht. Maarten laat zich uitkleden alsof hij, smerig van het stoeien in de speeltuin, een klein joch is dat in bad moet. Dat doet het hem. Anja zit op handen en knieën op het bed, zegt: ‘Dag jongeman’, en draait zich om, nu met het aangezicht naar de muur. Geen tijd te verliezen. Een beetje teleurgesteld, niet helemaal, weet Maarten wat hem te doen staat.   Hij kijkt naar een figuur op het behang dat Anja onlangs in een vlaag van koopwoede had meegebracht. Een vlinder in kinderlijke kleuren. De gebroken witte muren van eerder vond hij prima. Hij moet zijn gedachten erbij houden, of net niet. Om zichzelf aan te moedigen, pakt hij haar beet bij de billen. Zijn ogen volgen de welving die haar rug mooi in twee verdeelt, tot bij de aftekening van de knoken die de hals aankondigen. Het is de ritssluiting van Anja, zo stelt hij het zich voor. Bovenaan, net onder de haarlijn, trekt hij in gedachten de rits zachtjes open. Wat zich beetje bij beetje, roze en vochtig, onthult, durft hij niet aan te raken. Er naar kijken doet hem groeien in haar.   Aan haar kant van het bed nu, ligt Anja met de benen omhoog, de rug door de armen gestut. Haar ellebogen graven kuiltjes in de matras. Ze staart naar het plafond. Het is een eigenaardig stilleven dat Maarten stilaan vertrouwd aandoet. Alle beetjes helpen. Hij kijkt ernaar en denkt: zij schijnt te weten wat zij van de zwaartekracht vermag. Zijn penis ziet er ondertussen weer uit alsof je hem daarover niets hoeft te vertellen. Hoe vaak hebben ze hier zo gelegen, verfomfaaid en dompig, zoals het beddengoed?     Hij weet niet wat hij moet zeggen, maar hij verdraagt de stilte niet.     ‘Schat?’ vraagt hij.     Anja graait naar een hoofdkussen en verbergt zich. De spanning in haar lichaam bereikt Maarten via de matras. Ze is niet mis te verstaan. Hij weet dat hij nu beter zijn mond houdt.     ‘Misschien moest je de les deze keer maar eens overslaan?’ zegt hij. Na een paar tellen, alsof zijn woorden eerst even schenen te verdwalen in de vulling van het kussen, begint Anja’s bovenlichaam zachtjes te schokken.     ‘Huil je?’ Wat een domme vraag. ‘Is het zo’n dag?’ Waarom bewegen zijn lippen nog? ‘Ik weet het’, zegt hij tenslotte.     Anja werpt het hoofdkussen van zich af en kijkt hem, voor het eerst vandaag, rechtstreeks aan: ‘Wat? Zeg dat nog eens?’     ‘Wat?’     ‘Wat je nu juist zei.’     ‘Of het zo’n dag is?’     ‘Nee, ik bedoel: daarna.’     ‘ik weet het?’     Maarten ziet hoe Anja’s ogen tiktakken, alsof ze zijn blik peilt, in de hoop eraan te kunnen aflezen of ze nu moet schateren of janken. 

Jan
23 0

Trutjes met kutjes

Ik kwam vandaag de schrijver tegen met zijn hond. De schrijver heeft geen lief meer. Daarover heeft hij een boek geschreven. De schrijver behoort tot de schaamteloze mensen. Het is tegenwoordig in de mode om schaamteloos te zijn. De schaamteloze mens windt nergens doekjes om. Hij voelt zich niet aangetrokken tot een vrouw maar wordt geil. Hij heeft niet lief maar neukt. Hij spreekt over foef, tetten, ballen. Hij voelt zich niet triest maar pissed of fucked up. De schaamteloze mens is niet noodzakelijk een klootzak. Hij weet gewoon dat mensen klootzakken zijn en dat het ongelooflijk klootzakkig is om je anders voor te doen dan je bent, daarom lult hij uit goed fatsoen over de kont van madonna, het poesje van de buurvrouw, de droge pruimen van Theresa, het aftrekken van het koertje en het verstopte putje waardoor het gebroken water hem tot de lippen staat terwijl hij de ballen snapt van loodgieterij en daarom uit wandelen gaat met de pietluttigheid van zijn hondje dat aan het achterwerk van elk loops teefje ruikt wat zoveel beter is dan het beschaafde gewauwel van trutjes die als puntje tot bij paaltje komt toch simpele kutjes zijn.   “Ik” daarentegen ben een ander verhaal. Ik ben het meest beschaamde meisje van de klas. Je blik, keurt en kleurt mijn vlees. Ik spiegel me in jouw kijken en sla de spiegel stuk, verwond me met een scherf, terwijl ik steels het beeld van je ogen zoek om er mijn begeerte in te lezen waarvan ik wegvlucht in de hoop dat mijn rug je vertelt hoe graag ik wil dat je me achterna komt.   Ik geloof dat ik het trutje met het kutje ben dat zedig haar blik afwendt en over de schone kunsten praat!

Anca
96 1

Eeuwig jong

'Tegen niemand zeggen, maar jij bent uitverkoren. Ik breng je grootste wens in vervulling.' Het bericht dat Milo op zijn SmartPhone zag verschijnen zei hem niets. Hij vermoedde een flauwe grap en wou het dadelijk wissen, maar er was iets dat hem tegenhield. In een opwelling besloot hij erop in te gaan en koos ervoor 'om eeuwig jong te blijven'. Het was tenslotte bijna zijn veertigste verjaardag en daar zag hij wel wat tegenop.Hij dacht er verder niet meer aan, tot hij twee weken later een pakketje thuisgeleverd kreeg. Er zaten een grote pot crème en een doosje met geelgroene pilletjes in. Milo dacht aan een practical joke, maar toen zag hij de bijgevoegde boodschap: 'Om eeuwig jong te blijven: smeer tweemaal daags je gezicht en hals in met de crème en neem één pilletje voor het slapengaan. Er wordt je tijdig een nieuwe voorraad geleverd en dit gedurende drie maanden. Vanaf dan zal je leeftijd eeuwig blijven stilstaan. Vertel dit vooral aan niemand, anders wordt het proces omgekeerd.'Toen herinnerde hij zich het vreemde bericht en zijn antwoord erop. Wie zat hierachter? Eén van zijn kameraden die hem een poets wou bakken? Hij opende de pot en rook eraan. De bijna doorschijnende crème was reukloos. Hij nam er met zijn vingertop een heel klein beetje af en smeerde het op zijn hand. Het voelde zacht en fris aan. De pilletjes waren langwerpig en hadden een groene en een gele kant. Op het doosje stond helemaal niets.Hij had een vreemd gevoel, alsof iemand hem bespiedde en stiekem op zijn reactie wachtte. Even dacht hij eraan alles in de vuilnisbak te kieperen, maar hij kon het niet. Nog niet, dacht hij, ik moet er rustig over nadenken. Wie de anders zo nuchtere Milo kende, zou het nauwelijks geloofd hebben dat hij het überhaupt nog moest overwegen, maar iets belette hem overhaast te handelen. Zorgvuldig wreef hij de crème op zijn gezicht en hals. Hij smeerde een dikke laag in de hoop dat het dan sneller zou werken. Ook slikte hij twee pilletjes in plaats van eentje. Ze zagen er zo onschuldig uit. Na een tevreden blik in de spiegel ging hij slapen.Die nacht gebeurde het. Zijn gezicht trok aan alle kanten. Het leek of er iets zat te wringen om eruit te barsten. Zijn slapen klopten waanzinnig hard en hij had het gevoel dat zijn ogen uit hun kassen zouden springen. Milo slaakte een gil. Tenminste, dat dacht hij, want er kwam geen geluid over zijn lippen. Tastend naar zijn hoofd sprong hij het bed uit en rende naar de badkamer. Zijn hart bonkte als een razende. Geschrokken keek hij in de spiegel... De volgende ochtend gooide hij het hele boeltje de vuilbak in. Het was geleden van toen hij zes was, dat hij nog zo'n vreselijke nachtmerrie had gehad.

bieke bertram
15 0

zwart op wit

Ik weet het, het is mij medegedeeld. En ik zag het al lang aankomen. Maar dit is het moment dat ik het besef. Haar naam in zwart op dik wit papier. Het wringt. Het hoort niet. Het misstaat. Maar het staat er. Zwart op wit. De namen van haar kids staan eronder. Elk op een apart lijntje. Op zichzelf staande personen nu. Niet meer: zij en kinderen. Zij, die altijd zo kleurrijk was, zo eigenzinnig. Gewoon zwart op wit. Met een grijs randje. De kaart dwaalt rond. Op de keukentafel. Met een magneet op de frigo. Met enige schroom op de stapel te sorteren papieren. Wat doe je met zo'n brief? Weggooien is te koud. En ze kan zich zelf niet meer vrij bewegen. Want wat van haar overblijft staat op deze kaart: haar rouwende familie. Om van haar vele vrienden maar te zwijgen. Uiteindelijk leg ik haar met eerbied en een zoen in het vak met de kaarten die ik nog zelden zal bekijken maar die ik ook niet kan weggooien. Zo belandt ze tussen een gezellige groep vooral fris geboren baby's. Daar zit je goed, lach ik met een krop in de keel. Haar een beetje geforceerde lach op het doodsprentje (ik vermoed dat ze op dat moment al vreesde waar die foto voor zou gaan dienen) hang ik mee op het fotobord, tussen al die levenden, en een paar anderen die ook al aan haar kant zitten. Zo, dat is gebeurd. Nu kan de herinnering beginnen. Aan die warme vrouw met een koppige 'my way'-stijl. Die kon lachen en wenen, en vooral voor dat laatste meer dan voldoende reden had. Als er echt een god bestaat, dan had hij een pik op haar, zoveel is zeker. Maar na elk haar maar weer eens overkomen onheil stond ze terug op en ging weer verder. Een straffe madam.

ria massy
0 0

Alice

Alice vouwt haar magere, bleke handen rondom een kop koffie. Koestert de warmte. Kijkt me niet aan. Dat doet ze nooit. In het beste geval kijkt ze door me heen. Meestal staart ze gewoon voor zich uit. Alsof ze inwendig letters bijeen zoekt, aan elkaar rijgt tot woorden. Soms denk ik dat er letters uit haar mond ontsnappen. Dan zie je ze bijvoorbeeld omhoog kringelen uit een heet kopje koffie of uit haar sigaret. De twee dames aan een buurtafeltje gniffelen. Dat ze een paar vijzen mist. Ze niet meer alle vijf op een rij heeft. Dat ze het virus ook te pakken heeft, wellicht. Ik kijk hen strak aan. Ouwe bessen. Het gegniffel stopt abrupt. Alice zucht een flauwe glimlach om haar lippen. Duwt met haar schouders wat lucht omhoog. Nipt van haar koffie. De stilte. Rijst en valt. Tussen ons. Ik kan het hebben. We kijken gewoon wat naar buiten. Zuchten flauwe glimlachen om onze lippen. Duwen lucht omhoog. Tot tegen onze oorlellen. Daar tintelen verhalen die ze zomaar zou kunnen vertellen. Ooit dacht ik dat ik de schepper van mijn leven was. Zou ze dan bijvoorbeeld kunnen zeggen. Dat ik met een vingerknip zomaar dood kon zijn. En terug levend. In het beste geval. Dat ik zomaar flauw zou kunnen vallen. Als ik blikken op mezelf priemde. Blikken waarvan ik blozen ging en waarvan mijn hart wild tekeer ging. In mijn keel en dan doorheen mijn bloed, mijn lijf, mijn ingewanden. Gelijk een bassdrum in de disco. Gelijk gefluister onder water. In je hoofd. Kaboem kaboem kaboem. De keet zou elk moment uit zijn voegen kunnen barsten. Dus je danst, je rent, je springt nog wat hoger. En je zweet. Je kijkt je zelf aan in de spiegel. Voelt voorzichtig met je vingertoppen aan de mens die voor je staat. Of ‘ie echt is. En als ‘ie echt is of ‘ie dan barsten zou? Als je met je hoofd er tegenaan zou dreunen. Met briesende neusvleugels. Op een bloeddoorlopen lap tegen de muur. Kaboem. Kaboem. Kaboem. En dan kijk ik haar beduusd aan. Wat moet je anders? De gniffeldames priemen hun ogen op haar gelaat. Er is geen woord te vinden in de ruimte die zichzelf tegen ons aan plakt. Dus alleman zwijgt. Alice sopt haar oorlellen in zware lucht. Zo erg is dat allemaal niet, zou ze kunnen zeggen. Dat het nu diep verborgen zit in haar hoofd. Onder filterdunne laagjes bewustzijn. Dat het daar nu ligt te slapen. Te wachten op de dood. Dat die niet blijkt te komen in een vingerknip. En dat ze ook niet zomaar terug levend zal zijn. Zoveel staat vast. De schemerzone. Wie had ooit gedacht dat het vagevuur de ergste verschrikking zou zijn? Dat de hel de hemel schijnt. Dat de deur dan eindelijk valt in het slot. Dat de schepper dan schim kan zijn. Vrij. Vluchtig. Onbevreesd voor de zwaartekracht als ‘ie wankelt op de zevende verdieping, in een open raam. Waar armen langs binnen en langs buiten aan je trekken, duwen. Waar stemmen onder water wauwelen dat je niet vliegen kan. Dat je te pletter slaan zal. Dat je als de appel. Er dwarrelt een pluimpje langs het raam. Het eerste pluimpje van het jaar. Wit en pluizig. Zacht en vederlicht. Zweven op luchtstromen. Dobberen door de ruimte. In je hoofd. En daarbuiten. Onder een fleecedekentje. Op het zomerterras.  

Evy
0 0