Zoeken

Junior Vice President Van Nuffel

"De printer die het kassaticket afdrukt, blokkeert het contact tussen klant en kassierster." Krijtstrepen pak, geen das, zelfgenoegzame grijns op het gezicht. Sinds twee maanden staat op het visitekaartje van Gregory Van Nuffel de titel 'Junior Vice President Retail Marketing Delhaize Benelux'. Met een laserpen omcirkelt hij het woord contact. "Ons doel is om dit contact te herstellen", zegt hij nadrukkelijk en hij kijkt de kaderleden één voor één aan. De volgende slide toont een klant en een kassierster. De klant rekent zijn boodschappen af aan haar kassa. Een neerwaartse dikke rode pijl hangt dreigend tussen de mensen op de foto in, zwevend boven een witvierkanten bakje. Deze foto had Gregory zelf genomen in het filiaal in Schilde, omdat hij wist dat de directeur daar in de buurt woont. "Door dit middenobject, de printer dus, te verplaatsen, vergroten we de ruimte voor interactie".  Dan verschuift Gregory met een druk op de afstandsbediening het witte bakje in beeld helemaal naar de andere kant van de kassa, ver weg van klant en kassierster. Hij had via Google gevonden hoe hij dit soort effecten kon toevoegen aan zijn Powerpoint-presentaties. De dikke rode pijl lost op. "Resultaat? Een tevreden klant." Zelfde man, dit keer met een glimlach. Hij heeft een rode cirkel om zijn hoofd. Gregory had de kassierster gevraagd om extra vriendelijk te zijn maar nog had het zes-zeven klanten geduurd om de gewenste foto te maken. Hij had zich tevreden moeten stellen met een zuinig lachje in plaats van het brede tanden ontblotende geluk dat hij in gedachten had. De CEO knikt tevreden. 'Heren, dit is de spirit die we in ons bedrijf nodig hebben. Innovatie, buiten de lijntjes kleuren. Knap werk, Gregory'.  De Chief Operaties Officer maakt druk aantekeningen. 'Dit lijkt me eenvoudig te implementeren zonder verregaande structurele wijzigingen. Ik stel voor dat wij een kostenanalyse maken tegen volgende vergadering'. De marketingspecialist knikt instemmend: 'Dit verhaal verkoopt zichzelf. De klant staat centraal, het gaat om de totaalbeleving van onze consument, precies wat wij voor ogen hebben'. Gregory straalt. Enkel de personeelsdirecteur zucht.

J.E.W.
0 0

Moeder belt de slotenmaker

Ze had zich de dag dat hij thuis zou weggaan helemaal anders voorgesteld. Met een meisje erbij, waarschijnlijk een blondje, zoals de meesten van zijn vriendinnetjes. Ze ziet hen samen wegrijden in zijn Golf cabriolet, zijn lachende ogen in de achteruitkijkspiegel terwijl hij zijn hand omhoog steekt in de blauwe lucht -het is altijd zomer in haar mijmeringen over hem- en hij roept: 'Dag ma' of omdat het toch een bijzonder afscheid betrof: 'Tot gauw, moeke'.   Zo gaat dat in het leven, had ze gemerkt: je hebt dromen en maakt plannen, en eigenlijk is het enige wat je met zekerheid kunt stellen dat het toch helemaal anders uitdraait op het eind. Het leven is te onvoorspelbaar om zelf op voorhand uit te tekenen. Het is hoogmoedig om te denken dat je de dingen in de hand hebt. Het zijn alleen mensen die geluk hebben, die achteraf komen zeggen dat ze het scenario hoogstpersoonlijk hebben bedacht, wat natuurlijk onzin is. ++ Ze was verrast toen ze de foto's van het slachtoffer zag: de vrouw was maar een paar jaar ouder dan zijzelf. Haar haar kleurde grijs bij de slapen, ze droeg een donkerblauwe vilten mantel met zeemansknopen, van het soort dat zij ook zou kopen als ze hem in de solden op de kop kon tikken. 'Deze vrouw had de tegenslag het pad te kruisen van deze beesten', sprak de jonge advocaat met een opvallend vaste stem. De toga die hem bij de aanvang van deze rechtszaak nog te groot had geleken, onderstreepte nu op treffende wijze de ernst van zijn pleidooi. 'In hun driest opzet haar te beroven, hebben ze haar neergestoken', sprak hij, daarbij zijn blik nu eens richtend op de rechter, dan weer op Steve en zijn vrienden. Hij keek nooit haar richting uit.   Het leek haar een vreselijke job, advocaat, omdat je je boterhammen smeert met het spaargeld van mensen die bang zijn om onterecht in de gevangenis te belanden. Je strijkt geld op dat eigenlijk bedoeld is om studies van kinderen te betalen of als appeltje voor de dorst, of je laat je betalen door criminelen, nota bene om ze te helpen om hun straf te ontlopen. Het zijn centen die een gewoon mens niet eens zou willen, maar ze begreep: iemand moet het doen. ‘Zoals de wetsdokter heeft toegelicht, maakte Théresia Geerts geen schijn van kans. De daders zijn gaan lopen als een stel laffe honden, ze hebben haar achtergelaten om dood te bloeden'. Myriam keek bij deze laatste woorden, die de jongeman met dramatische klemtoon uitsprak, alsof dat nog nodig was, zo onopvallend mogelijk naar de jongste dochter van de overleden vrouw. Het meisje zat al de hele tijd als in elkaar gedoken op de tweede rij. Ze zag er ongeveer even oud uit als Steve. Het was onmogelijk om te zien of ze huilde of boos was. Haar tante had haar arm om haar heen geslagen. ++ Ze had tijdens haar bezoekjes aan de gevangenis haar zoon nooit naar de leeftijd van het slachtoffer gevraagd. Hoe minder ze erover spraken, hoe beter. Zelf begon hij er nooit over, Steve was geen gemakkelijke prater. Vroeger had hij het met zijn vader nog wel eens over auto's of voetbal, dingen waar Myriam niet het eerste benul van had. Sinds het overlijden van Bernard, lieten ze het praten meestal maar voor wat het was. Het eten in de gevangenis viel mee, had hij haar verteld, wat ze moeilijk kon geloven, want thuis lustte hij niets. Ze aten al jaren niet meer samen, dat is te zeggen: een stuk vlees en wat aardappelen met mayonaise, dat kreeg ze hem verkocht, zij aan tafel en hij voor de televisie. Voor de rest at hij bij Stanny in de frituur of bij zijn vrienden. Ze wist niet altijd waar hij uithing. Dat hoeft een moeder ook niet te weten; zolang hij maar niet dagenlang van huis bleef zonder een teken van leven. Nochtans had ze gezegd dat ze precies wist waar hij was op de avond dat de vrouw was overleden. Hij had bij zijn vertrek geroepen dat hij naar Stanny ging, wat hij drie weken later herhaalde aan de agenten die hem verhoorden, net als vandaag aan de advocaat, de rechter en de rest van de mensen in deze zaal, waarvan Myriam zich afvroeg wat ze hier allemaal te zoeken hadden, behalve de dochter natuurlijk - dat verstond ze.   Zijn trui stonk naar frietvet, daar had ze op gelet toen ze die ‘s anderendaags waste. In elk geval had ze niet gelogen toen de speurders haar vroegen waar Steve was geweest. Maar wat ze niet vertelde, was dat ze Steve diezelfde avond had gezien toen ze met Becky, haar maltezer, een ommetje maakte via de winkelstraat. Aan de halte tegenover het gemeentehuis stond hij op de bus te wachten, vergezeld door Mike en David. Ze had hem van ver herkend. Hij droeg nooit een jas tenzij het stenen uit de grond vroor. Zoals altijd had hij de kap van zijn lievelingstrui ver over zijn hoofd getrokken en hij hield zijn schouders zo dicht mogelijk bij zijn oren tegen de kou. Hij leek wat op een grimmige kabouter, zoals hij daar bij zijn vrienden stond. Toen hij opstapte, stak Myriam haar hand omhoog maar op de achterruit van de bus plakte ondoorzichtige reclame voor Proximus, ze kon niet zien of hij terugzwaaide. ++ De gerechtszaal zag er modern uit, helemaal anders dan het statige eiken decor dat ze kende uit Amerikaanse films. Het gebouw had enorme glazen wanden,  alsof de architect de beschuldigden nog een laatste keer een panoramisch zicht op de buitenwereld wilde gunnen: uit medelijden - of net het tegenovergestelde. De muren waren monotoon wit en de banken en bureaus zagen er veeleer goedkoop uit, gemaakt uit hetzelfde glanzende grenenhout als het bed en bureau van Ikea die Steve voor zijn twaalfde verjaardag had gekregen. De rechter schortte de zitting op omdat het middag was. Waar zou Steve nu eten? Zouden ze hem terug naar de gevangenis brengen voor dit uurtje onderbreking? Ze kon het hem niet vragen: hij werd naar buiten begeleid door twee ernstigkijkende agenten die hem elk bij een elleboog vasthielden. Hij had haar vandaag nog geen enkele keer aangekeken. Waarschijnlijk zou hij toch gewoon zijn schouders ophalen, of hij het nu wist of niet, hij zou er niet zoveel om geven waar of wanneer of met wie hij precies at. Dat deed hij de laatste tijd vaak als ze hem iets vroeg, bijvoorbeeld hoe het was in de gevangenis en of er wat redelijke jongens in zijn celblok zaten - hij haalde zijn schouders op. Ze was er aan gewend geraakt. Elke namiddag tussen half drie en kwart na drie bezocht ze hem. Vermoedelijk vond hij die bezoekjes vervelend, maar het was eenzaam in huis zonder hem, en bovendien: ze was zijn moeder en ze had tijd, wat moest ze anders doen? Het terras met de gele parasols en de plastic stoelen aan de overkant van het plein voor het justitiepaleis leek haar het meest toegankelijk voor een vrouw van haar leeftijd; daar nam ze plaats. Er was maar één kelner in het bijna lege etablissement, een smalle jongen met een wit hemd en een gele voorschoot bij wie ze een citroenthee bestelde. Hij keek haar misprijzend aan terwijl ze de aluminium verpakking van haar boterhammen openplooide. 'Verder nog iets, of bent u al voorzien, mevrouw?', vroeg hij. Ze dacht dat hij kon zien dat zij niet uit vrije wil naar het glazen gebouw aan de overkant was gekomen. ++ In haar herinnering was ze maar één keer ooit echt kwaad geweest op Steve. Het was toen Bernard nog leefde en zij op een middag samen waren gaan winkelen terwijl Steve op hun hond paste. Kenji was een levendige Jack Russel die Bernard ter ere van hun achttiende huwelijksverjaardag voor haar gekocht had. De hond was wat dommig, hij vergat bijvoorbeeld bij het apporteren steeds wie de stok had gegooid en ging er vervolgens maar wat doelloos op liggen kauwen in het midden van de tuin, maar ze waren weg van het beestje. Toen ze thuiskwamen, was hen meteen de ongebruikelijke stilte in de gang opgevallen. Geen keffende Kenji die hen uitgelaten tegen de knieën sprong, geen gekrabbel aan de keukendeur, en nog voor ze haar verwondering over de opvallende afwezigheid had uitgesproken, zwaaide diezelfde deur open en stoof Steve de gang in, als een woeste wervelwind langs Bernard en haar heen. 'Zoek het maar uit', beet hij hen toe terwijl hij de voordeur met zo brute kracht achter zich dichttrok dat het leek alsof de deurlijst zou barsten, of dat de hengsels het zouden begeven.    ‘Je kijkt beter niet', zei haar man met tranen in zijn ogen. Kenji lag met zijn tong uit zijn bek op de koude vloer, onder zijn kop lag een plasje bloed. Ze had Bernard maar drie keer zien huilen: toen Steve geboren werd, toen ze Kenji vonden en toen de dokter hen kwam vertellen dat hij, zesenveertig jaar oud, geen half jaar meer te leven had. Het werden uiteindelijk acht maanden, en zelfs in die laatste dagen kon hij Steve nooit helemaal vergeven. ++ Ze begreep niet veel van rechtspraak. Niet dat het haar niet interesseerde of dat ze dom was, het leek haar alleen nogal vreemd dat de uitkomst van rechtszaken waarover ze in de krant las zo verschilde. De ene keer leek de wetenschap zover gevorderd dat het onmogelijk scheen om de verkeerde dader aan te duiden, via dna-onderzoek of met soortgelijke technieken; sommigen werden tien jaar na de feiten nog opgespoord en veroordeeld. Een andere keer volstond het dat een crimineel een pruik opzette om vrij te komen wegens twijfel. ‘En daarom, edelachtbare, kunnen we onmogelijk besluiten dat mijn cliënt de dader is, of bij uitbreiding, dat hij zelfs maar aanwezig was bij de overval op deze vrouw, toen zij op tragische wijze aan haar einde kwam’. Aan het woord was de advocaat van haar zoon, een man die ze kende uit de kranten. Ze had nooit kunnen vermoeden dat ze hem nog de hand zou schudden. 'Maakt u zich maar geen zorgen, mevrouwtje’, had hij gezegd bij hun eerste ontmoeting. ‘Het getuigenverslag is zwak. De menselijke waarneming is onbetrouwbaar en bovendien was het aardedonker op het uur van de feiten. Men heeft zich slechts gebaseerd op de verklaring van één man, iemand met een twijfelachtige achtergrond. Gelooft u mij, we hebben een sterke zaak'. Maar hij was niet het type mens dat zij gemakkelijk geloofde, misschien was ze bevooroordeeld gezien zijn beroep. ++   De advocaat kreeg gelijk.   De rechter sprak Steve vrij bij gebrek aan bewijs, met de aanbeveling dat hij zich nuttiger moest maken voor de samenleving, door te gaan werken bijvoorbeeld, zodat hij zich kon omringen met properder volk, en hij zijn dagen niet langer in ledigheid moest doorbrengen, op café of in frituren. Het leven had tenslotte meer te bieden, zelfs aan jongens zoals hij. Die laatste woorden van de rechter hoorde Myriam niet meer. Van zodra ze besefte dat Steve als een vrij man de zaal zou verlaten, misschien wel met haar mee naar huis zou gaan, viel er een last van haar schouders waarvan ze het gewicht niet ten volle had beseft. De spanning trok uit haar lichaam, ze voelde nu pas hoe verkrampt ze had zitten kijken naar de gebeurtenissen van de dag; ze wilde god bedanken en de rechter, de advocaat niet te vergeten.   Steve draaide zich om naar de zaal. Hij had vast gewacht om haar aan te kijken tot hij de verlossende woorden van de rechter hoorde, uit schaamte of een soort van misplaatste trots: 'Zie je wel dat ik er niets mee te maken heb'. ++   Wat volgt, moet het moment zijn waarop ze in films het beeld bevriezen. In realiteit lijkt het gewoon alsof alles van een ongelofelijke helderheid wordt, een loepzuiver beeld tekent zich af voor haar ogen, alle geluid verstomt tot een doffe brij. Steve kijkt niet naar haar. Zijn blik schampt van haar af en landt op iemand wat verderop in de publieksbanken. Hij glimlacht. Is het naar één van zijn vrienden? Is het iemand die ze kent? Het is het blonde meisje op de tweede rij, de dochter van de overleden vrouw. Ze valt in de armen van haar tante. Over diens schouder heen haakt haar blik zich vast aan die van Steve. Als hij amper zichtbaar zijn lippen naar haar tuit, klaart haar gelaat op. Ze glimlacht en slaat haar ogen pas neer als haar tante de omhelzing lost. Dat de menselijke waarneming onbetrouwbaar is, zoals de advocaat haar had gezegd, daarmee is Myriam het oneens. Ze staat recht, gaat naar huis en belt de slotenmaker. 

J.E.W.
0 0

Kort verhaald: een wolkje onweer in een koffiemok.

 1. ‘Alle grote schrijvers schrijven autobiografisch,’ schreef een ooit befaamd Belgisch schrijver, en hij had gelijk. Hoe verklaar je anders al die slechte korte verhalen? Je kent ze vast wel: overdramatische rommel over gestorven levenspartners; vervlogen minnaars, weltschmerz, eenzaamheid of – veruit de ergste vorm van verderf – walgelijk minimalisme over kleine autistische kindjes met een suikerpot of muffe dementerende oudjes achter roestende deurknoppen die niemand ooit... Cheap emotainment, vers geplukt van Vijftv en overgoten met een sausje pervers ramptoerisme, dat op de koop toe nog geregeld bekroond wordt omdat dat schetsje minimalisme ‘toch zo uitzonderlijk geschreven is’. Om het op zijn Oscar Wildes te zeggen: het is niet omdat je uitzonderlijk schrijft, dat je ook uitzonderlijk leeft…en vice versa. En dan rest er nog de hamvraag: kan men die rommel schroomloos literatuur noemen? Zeg nu eens eerlijk… ‘Laat hen dan eens zien hoe het wel moet,’ antwoordt ze mij, in de haast magische tv-kamer waar de hyperactieve hond slaapt naast de sofa waarop zij en ik voor het eerst de liefde bedreven (maar dat geheel terzijde). ‘Dat is wel heel ambitieus, zelfs voor mij,’ reageerde ik, ‘en trouwens: ik heb mijn handen vol met onze roman, dat weet je toch?’ ‘Dat sluit elkaar toch niet uit? Schrijf dan daarover, alle grote schrijvers schrijven toch autobiografisch? Wel, bewijs het’. Ze had die pretlichtjes in haar ogen – Paris, minuit sur Seine, mon amour – en haar beruchte glimlach als een uitdaging. ‘Ok,’ zei ik, ‘maar als ik slaag in mijn opzet, druk jij jouw glimlach tegen de mijne, en zien we wat er dan gebeurt’. Over die laatste enigmatische verwoording moest ze even nadenken, maar uiteindelijk ging ze akkoord, waardoor ik nu heel wat te bewijzen heb. De hyperactieve hond laat ik intussen rustig in het midden liggen: je wil hem best niet gestoord zien worden. Zij strekte zich languit op de sofa, haar hoofd op mijn schoot en zei, heel speels en duivels verleidelijk: ‘Zo, vertel me eens een kort verhaaltje’. Een kort verhaaltje, zegt ze. Dat is 12.000 tekens volgens de stad Deinze en dus nog maar 10.219 te gaan. Het wordt hoog tijd om – zoals Van Ostaijen – naakt te zijn en te beginnen. Goed. Ik neem plaats achter mijn Underwood en transformeer mezelf tot broodschrijver. Ik word Shakespeare, Chandler, Capote – driemaal een sisklank als aanhef en één keer een Frans condoom met Truman (een Amerikaans president?) als voorspel. Zippergate? Neen, dat kwam pas later. Desalniettemin: stof tot nadenken, maar er is geen tijd: te weinig tekens en te veel, veel te veel te vertellen. Pressure! En al het goede schrijven is autobiografisch! Ok… Lig je goed, lieverd, daar beneden met je hoofdje op mijn Levi’s 501? En u, wildvreemde lezer, klaar om van start te gaan? Ik neem me vooralsnog een whisky.    2. Op een regenachtige namiddag in september stappen twee helden O’Reilly’s binnen en als echte stamgasten – of dronkaards – nemen ze plaats aan de bar. Lio en ik – jij weet dat, liefje, maar de wildvreemde lezer niet – zijn wat men noemt beste vrienden: samen maakten we Brussel al onveilig ten tijde van 9/11, Brazilië-België en Marc Wilmots. Al jaren is O’Reilly’s onze uitvalsbasis, en dat zal wel nog een tijdje zo blijven. Mitch, de barman met de Hasselhoff Baywatchnaam en de Humphrey Bogartschouders, komt ons meteen tegemoet. Lio bestelt een Guinness en een kop koffie. Buiten ons is de pub vrijwel leeg, op een koppeltje na, dat achterin de pub in een vergeten hoekje lekker knus naast elkaar zit. De jongen warmt zijn handen aan het meisje en het meisje – op haar beurt – aan een kop warme chocolademelk. ‘Die chocomelk smaakt raar,’ zegt ze. ‘Mag ik ’s proeven?’ vraag ik. Ze heeft gelijk: flets en zo goed als chocoladeloos: de cacaomix in de machine is op en de barman heeft het nog niet in de gaten. ‘Momentje,’ zeg ik en breng de fletse mok weer naar de toog. Mitch maakt er geen probleem van. Even later staat er een verse chocolademelk mét slagroom voor haar neus. ‘Handig niet, dat uitgaan met een ex-barman?’ Ik knipoog, zij lacht. Ik ga naast haar zitten op de sofa in het (vergeten?) hoekje. ‘Hé, zat jij daarnet niet tegenover mij?!’ ‘Nee, dat was iemand anders, zo’n loser met een slechte chocomelk’. We lachen – is zoveel lachen niet ongezond? – ik sla mijn arm om haar heen en ze kijkt naar me. Haar ogen stralen en komen tergend langzaam dichter en dichter en ietwat overhaast zoen ik haar. Het was lekkere chocolademelk. ‘Veel te lekker’. ‘Man, overdrijf eens niet: ’t is zwarte koffie,’ antwoordt Lio, ‘Akkoord, het is beter zwart dan met al die rommel erin: suikertjes, melkjes, candarels en een speculaasje, kloterij die abnormale mensen allemaal in hun kop kwakken…’ ‘En daarom is dit net veel te lekker,’ antwoord ik hem, waarop ik nog een slok neem en vervolgens de hele melk-suiker-candarelzooi en zelfs het koekje in mijn koffie gooi. Terwijl ik duchtig aan het roeren ben komt Maarten de pub binnen, doordeweeks een brave jongen en zelfs in het weekend een van mijn beste vrienden. ‘Dag mannen, wat doen jullie hier?’ begon hij. ‘Momentje,’ zei Lio, ‘Kris was geloof ik net van plan een vastgeroest dogma te ontkrachten’. Beiden zwegen en keken bezield naar de mokkakleurige maalstroom waarin mijn lepel – en stukjes speculaas – wild tekeer ging. ‘Een wolkje onweer in een koffiemok, meneer?’ Maarten begreep niet meteen wat er aan de hand was maar gunde me voorlopig het voordeel van de twijfel. Ook Mitch, het Alziend Oog van O’Reilly’s, hield zich op de achtergrond. Omdat er zich geen vrijwilliger aanbood nam ik zelf een slok van het inmiddels lauwe mengsel. ‘Beter?’ vroeg Lio. ‘Nee,’ antwoordde ik, ‘maar nu weet ik tenminste weer waarom ik mijn koffie zwart drink. Dag Maarten, jongen, alles goed?’ Maarten had een meisje bij, een nieuw meisje. Het eerste meisje dat hij mijns inziens ooit mee naar de pub bracht. Bruin haar, bruine ogen, slank, geen x-benen en vrij knappe borsten (rond of peervormig, kan al dan niet afhangen van en uit de beha), kortom: al bij al netjes. Maarten stelde ons voor, ze gaf ons beiden een kus op de wang. Na de nodige formaliteiten kwam ik te weten dat haar naam Stefanie was. Ietwat timide keek ze voortdurend naar de grond, alsof oogcontact een uitdaging was. Ja, wat had Maarten allemaal niet over ons verteld? En ‘beste vrienden’ ontmoeten is op zich al een precaire situatie. ‘Kijk liever wat meer naar boven, liefje, ik geneer me voor mijn kapotte schoenen,’ zei ik. Ze lachte wat onwennig, want inderdaad: mijn Allstars waren naar compleet de vaantjes. ‘Je had hem twee weken terug moeten zien,’ zei Maarten, ‘toen zat ie hier met teensletsen’. ‘Jij kleine klootzak,’ antwoordde ik, want Maarten was niet groot en had meestal een stel kl…, nou ja, ‘dat kind is hier nog maar net en direct mijn vuile was gaan uithangen!’ Lio begon luid te lachen, Stefanie viel in. Het hek was van de dam, en het ijs gelukkig vrij snel gebroken. Stefanie vertelde dat ze Maarten had ontmoet op een trouwfeest van een familievriend. Het was liefde op het eerste gezicht. Hierna spraken ze een aantal keren af en intussen – drieënhalve week later – waren ze samen en ja hoor: gelukkig. Ik herinner me nog hoe ik dacht: ‘Soms lijkt het zo makkelijk te gaan, zo vanzelfsprekend, is dat dan echte liefde?’ Daar leek het in ieder geval op. Ze waren jong en verliefd, op een typische, niet-walgelijke wijze. Daar was ik oprecht blij om, hoewel het tegelijkertijd pijnlijk was om aan te zien. Volgens mij beseften Lio en Maarten dat: ze wisten het immers van jou en mij. Misschien ook daarom dat Maarten na één rondje zei dat ze er vandoor gingen: ‘Stefanie wil nog snel even de winkelstraat doen’. ‘Vergeet niet,’ riep Lio Maarten nog na, ‘betalen doe je in de Rue D’Aerschot!’ Ik stootte mijn elleboog onzacht tegen zijn ribben. ‘Wat?’ antwoordde Maarten. ‘Geen schandalen in ’t paskot!’ verduidelijkte ik. ‘Aight,’ lachte Maarten en stak zijn duim omhoog. ‘Waarom was dat nu weer nodig?’ vroeg ik. Lio nam een slok van zijn Guinness, ‘Weet ik veel’. Ik wist het ook niet meer, het hele gedoe had me ontstemd en wellicht daarom vroeg ik Mitch om twee Jack-on-the-rocks te maken, zodra hij even vijf minuten tijd had. Mijn blik dwaalde af naar het vergeten hoekje: het knusse koppeltje zat er niet meer. Ze waren vast, los van elkaar, naar huis gegaan…    3. Met gesloten ogen ligt ze naar me te luisteren, een tijgerin in de prairie die in staat is me te verscheuren zodra ik in ademnood raak en mijn woordenstroom dien te pauzeren – bij haar ben ik slechts een papieren tijger, moet je weten. En toch wil ik even halt houden: wat een bravoure (Neen, in feite is mijn glas gewoon leeg, de inspiratie even op of het inktlint van de Underwood versleten: kies maar). ‘En in dat verhaal zit geen heimwee of eenzaamheid?’ begint ze. Ik streel haar zachtjes, voorhoofd-wang-hals, waar het warm is: ik ben een waaghals. ‘Natuurlijk wel, maar ik miste je, en ga daar niet over liegen. Vind je het overdramatisch misschien?’ ‘Nee, nóg niet, ga nog maar even door’. (Met strelen?) ‘De fletse chocomelk, dat weet ik nog, maar ik herinner me niets van je periode als barman’. ‘Vandaar dat ik ex-barman zei: dat was grotendeels voor jouw tijd, maar je herinnert je vast nog wel de picknick in het Warandepark, vlak voor mijn avondshift?’ ‘Ja! Dat weet ik nog’. ‘Nou, dan hoef ik het je niet te vertellen’. ‘Jawel, vertel: denk aan de wildvreemde lezer!’ ‘Nou goed, voor de wildvreemde lezer dan,’ knipoogde ik. ‘Klootzak’, zei ze. ‘Ga je me nog lang onderbreken?’ En toen zweeg ze.    4. ’s Morgens was er geen zon, alleen donkere wolken met wat onweer en regenwater. ‘Fuck,’ dacht ik toen ik mijn Mercedes insprong, ‘Is dit nu een weertje om voor de eerste keer naar Brussel te rijden?’ Brussel is levensgevaarlijk met de auto: stel je het gerust voor als een Spaans tomatengevecht waarin je met een gloednieuw wit maatpak onbevlekt door moet navigeren. Of overdrijf ik? Hoe dan ook, ik werd om 17:00 verwacht in Brussels Café, en daarvoor moest ik jou zien in Brussel. Ik had geen keuze: drie dagen later vertrok jij voor drie weken naar India. Falen was dus geen optie, en ik was voorbereid: een picknickmand met daarin jouw favoriete broodje, jouw favoriete smoothie en een kleinigheidje dat zelfs voor jou een absolute verrassing was. Met al dat lekkers op de achterbank reed ik de garage uit, het noodweer in. Gelukkig had ik net nieuwe ruitenwissers. Op straat wandelde Joke voorbij, een vriendin van enkele huizen verder die me ooit, op vakantie in Rhodos, haar borsten liet zien (ze was toen zestien, ik veertien en bijgevolg erg onder de indruk). Nu zie ik haar lopen en is ze ongeveer even boeiend als de soepmixer in de tweede lade links onder het keukenaanrecht: af en toe kijk ik er eens naar, zonder meer. Het is niet dat ik meteen soep ga maken: ik heb namelijk al jouw favoriete smoothie. Ze wuift, ik wuif afwezig terug en rijd snel door. Wat kan zij me bommen, ik rijd naar jou toe! Welgeteld tien minuten voordat je in Brussel Centraal de trappen opliep klaarde de hemel uit. De zon straalde met het mooie meisje en ik liep naast haar Frank Deboosere te bedanken voor zijn accurate weersvoorspelling (laten we in het moment blijven: Frank is niet romantisch en je hebt nog slechts 2.675 tekens voor de grote finale). Fast forward. ‘Wil je even je ogen sluiten?’ vroeg ik je op een bankje aan het paviljoen. ‘Wat?’ ‘Gewoon even je ogen sluiten, en ze pas openen wanneer ik het zeg’. ‘Je gaat me toch niet kussen, hé?’ ‘Nee, helemaal niet, ik ga wachten tot je ze sluit, wegwandelen en morgen misschien eens komen kijken of je hier nog zit’. ‘Grapjas,’ zei je. Met gesloten ogen zat je naast me, een tijgerin in het Warandepark, en heel voorzichtig bracht ik het zilveren hangertje om je hals. ‘Het is prachtig,’ zei je en omhelsde me. Vuurwerk, het voelde als Nieuwjaar, maar het was juli. ‘Als ik haar nu kus, verpest ik dan alles?’ dacht ik. En denk ik nog vaak wanneer ik jou zie, met dat zilveren hangertje om je hals. Nog steeds…    5. ‘Nieuwjaar? Zeker dat je niet kerstavond bedoelt?’ vraagt ze veelbetekenend (de hele affaire met de sofa die ik geheel terzijde laat, dat gebeurde onder andere op kerstavond). ‘Nee, lieverd, onze wildvreemde lezer heeft namelijk geen zaken met kerstavond’. ‘Nee, dat is waar, maar Nieuwjaar?’. ‘Herinner je niet meer hoe ons jaar begon? Met vuurwerk, kort na middernacht, en een heleboel mensen en een hyperactieve hond die de straat op liepen. En hoe wij nadien alleen achterbleven, een andere straat in, waar we samen uitkeken op de horizon en lichtjes en elkaar omhelsden? Vuurwerk. Dat is hoe het begon. En weet jij hoe het eindigt? Nooit. We’ll always have Paris. Zoiets gaat nooit voorbij en zelfs als ineens alles anders is zullen jij en ik nooit… Sorry schat, ik maak het weer te moeilijk’. ‘Dat geeft niet,’ zegt ze terwijl ze overeind komt en dwars op mijn schoot gaat zitten, met haar armen om me heen. ‘Het was een mooi verhaal’. ‘Wil je zeggen dat…?’ Ietwat overhaast ontmoet haar glimlach de mijne… het is een fijn weerzien. Onze lippen delen geheimen waar onze tongen over zwijgen, ook al schrijven grote schrijvers autobiografisch. ‘Je hebt nog 1.102 tekens,’ fluistert ze, ‘wat ga je daarmee doen?’ Ik lach – zoveel geluk moet haast ongezond zijn – en zeg haar: ‘Dat, mijn lieve meisje, gaat de wildvreemde lezer niets aan...’

Blikschade
1 0

Midnight Express

“Ours is essentially a tragic age, so we refuse to take it tragically”. D.H. Lawrence 1. Central Park, New York, iets na middernacht. Noem het een poëtisch, gotisch of stereotiep begin, het betekent zo veel of zo weinig als u zelf toelaat, maar daar liep ik dus: te midden van drugsdealers en homoseksuelen. Aidsgoeroes... Verwrongen spiegelbeelden van de overdaagse joggers en eekhoorns. Ik was niet op zoek naar hen, miserie – als ik het zoek – vind ik het thuis wel bij D.H. Lawrence, Hugo Claus of Stephen King. De inspiratie voor vannacht was Mona: een knap rijkeluiswicht met lichtbruine haren en een blanke huid. Ongeschonden en ongerept: een prinses zonder stamboom. Enkele jaren geleden kwam ze over de vloer, op het bed en ook ergens in mijn keuken. Het hoorde iets eenmaligs te zijn… maar daar blijft het helaas nooit bij. Ze bewonderde wat ik zei en deed en verwachtte van mij hetzelfde. Ik was danig onder de indruk van haar lichaam, maar dat was niet genoeg: ze had ambitie, ze had trots, ze was een hooggeschoold, oerdom meisje dat nooit echt vrouw zou worden. Een sterfelijke Peter Pan: gay, innocent and heartless. ‘Binnen dit en vijf jaar kijk ik uit op Central Park, vanuit mijn villa aan de mooie kant van de stad,’ zei ze vastberaden, terwijl ze vanuit mijn raam het duister inkeek, ongeveer vijfenhalf jaar geleden. Aangezien mijn plannen voor vanavond zich hadden opgeschoven tot later of nooit, besloot ik de doortocht door het park te maken, naar die zogenaamde ‘mooie kant’ aan Central Park, om te zien of ik ze zou aantreffen, achter het raam van die beloofde villa. ’s Nachts zie je de engelen niet. Samen met de zon verdwijnen ze het park uit, dat nadien zelf opgaat in de duisternis. Vreemd is die donkere mantel, die als een wolf door de wereld zwerft, bang voor zowel het echte als het valse vuur. Tast het de wereld aan of af? Blijft alles netjes onder de mantel liggen tot het opnieuw gezien wordt of gebeurt er iets anders? Een konijn wordt een duif in de hoed van een goochelaar, en tegen de volgende show is die duif weer gewoon konijn. Of is er iets veranderd? We weten namelijk niet wat er onder de hoed of het dekschild gaande is. Enkel dat het park nu meer aidsgoeroe dan eekhoorn lijkt te zijn. Ik verkies het zo: menselijk in plaats van goddelijk. Donkerder met iets meer dan nacht. Het is verleidelijk om van het pad af te dwalen: om de hoek, tussen de struiken of onder de brug liggen boeiende verhalen als manna voor het grijpen. Het zou ons echter van de premisse doen afdwalen, het werkelijke doel van dit verhaal: Mona, en haar droomvilla in de sjieke buurt, mijlenver voorbij de zeven huizekes van de Voorstad. Wat ligt er daar op me te wachten? Een naakt peertje, een engel, een lege wikkel of gewoon meer van hetzelfde?    2. Eén grote mistlamp en een verlicht bordje met ‘Desire’ op. Dat is wat je ziet van de tram, lang voordat zijn details duidelijk worden. Een wit dak, rode carrosserie en een flauw-gele afwerking rond de ramen. Datzelfde flauwgeel vormde samen met zilvergrijs en stoelbekledingbordeaux het interieur van de tram. De bestuurder droeg een zwart uniform met gouden knopen, en een rood detail geborduurd op de schouders en mouwen. Op het gouden naamplaatje boven zijn rechterborst stond ‘Charles’ in sereen-zwarte hoofdletters. De tram stopt enkele passen voor mij, de deur schuift open en ik kijk recht in de ogen van het bekende gezicht. ‘Wel, wel, masta, nog steeds onder de levenden?’ zegt hij. Voorlopig wel, Carl, antwoord ik, maar wat is dat nou? Ik dacht dat je enkel Cemeteries deed? ‘Tijden en plaatsen veranderen als orders, maatje, dat was New Orleans en dit is New York, uitbreiden en multitasken, weet-je-wel!’ Goeie ouwe Carl... Ik kende hem van die oude tijden, lang voor Neverland, Avalon en het oude Zuiden. Hij was nog geen haar veranderd. Carl had de looks van Robert Johnson, de stem van Louis Armstrong en de grijns van Jack Nicholson. Uiteindelijk voelt iedereen zich op zijn gemak bij Carl. Hij is mijn favoriete chauffeur – zowel zittend op de tram als dronken op de achterbank van een groene Mercury Coupe – en voor de prijs van één zilveren dollar voert hij je naar waar je ook heen moet. Dus betaal ik de man en vertel hem mijn bestemming: ‘Café Europa’. ‘Café Europa,’ zegt hij en grinnikt, ‘in de buurt van Desire, dat lukt me wel. Ga zitten, ouwe vriend’. Ik neem plaats niet ver achter hem. Helemaal achterin de tram zit een vrouw met een jaren tachtigkapsel – lang, zwaar gekruld, geblondeerd haar – en overdreven make-up. Ze is jonger dan ik, niet onknap en doet haar best om mijn penetrerende blik te negeren. Een man op weg naar Café Europa, dat voorspelt niet veel goeds, moet ze vast denken. Café Europa was ooit een plek zoals de Cotton Club, maar dan gelegen aan de haven van Brooklyn. Onder invloed van de noden van de havenlui transformeerde de bar – na een korte tijd als speakeasy – tot een van Brooklyns beruchtste bordelen. Klanten als ik houden er een vaste loge op na, die qua luxe en uitzicht kan wedijveren met het Plaza Hotel en de Waldorf-Astoria. Een hemelbed, zijde en satijn, verse rozen(blaadjes op een blanke of gebruinde huid) en een fles Dom Perignon gekoeld in een goudkleurige ijsemmer: kant en klaar wanneer je de deur opent is hun motto. De meisjes rekenen er ook niet per uur; ze staan de hele nacht tot je beschikking. Tenminste, indien men leeft volgens de code van de gentleman en diens bankrekening. Zo eenvoudig was het, is het nog steeds, in Café Europa, waar de spiritus mundi vloeit en verdampt als Dionysische wijn uit christelijke bekers. Als het collectief breekt, blijft het individu alleen achter, en wat volgt is een queeste naar gezelschap met slechts één bestemming… Word je nooit eenzaam, Carl, ’s nachts, in het donker? Hij lacht, een hartelijke bulderlach die met hem de hele tram doet schudden, ietwat geforceerd. ‘Masta, ik ben een watman, sociaal vaardig als taxichauffeur en kelner: zolang er pendelaars leven, ben ik nooit eenzaam’. Een vluchtige wenk in de richting van de vrouw. ‘Alle vormen en maten, sommige interessanter dan andere’. De juiste vormen en maten had ze inderdaad. Carl had me daarnet niet laten uit-kijken: een blanke huid, jonger en zachter dan haar gezicht, met een gouden hanger – een slang met robijnen ogen – tussen haar nogal voor de hand liggende borsten. Onder het witte, diep uitgesneden topje zag je haar navel, een strak lederen minirokje dat nauwelijks haar heupen kon bedekken, donkere nylons met hier en daar een ladder en daaronder roze pumps – inderdaad: blond-wit-zwart-roos of andersom. Kleurrijk, zei ik, waarop Carl antwoordde: ‘en onder de gekleurde lichten is ze vast een regenboog’. Hij wist dat ze werkte in Café Europa, nog niet zo lang, maar lang genoeg voor Carl om te weten dat de klanten haar Viola noemden. Shakespeare en bordelen: verbonden tot in de eeuwigheid. Ze was in korte tijd de nieuwe sensatie geworden: haar act was die van de aan lager (haven)wal geraakte Broadwayster. Broadway is net niet Hollywood: hier kan men nog een tiet zien – actrices die te diepe buigingen maken of vervuld raken in de kleedkamers. Plots blijven dan de goede reviews weg, worden de stukken prematuur opgedoekt, de theaters gesloten en de actrices op straat gegooid. Maar niet getreurd: over een klein uurtje opent Café Europa en er is nog een positie... schrap dat: alle posities! Mary-Lou has finally made it to Broadway. De wereld gaat op in showbusiness, and there’s no business like show-business. Interessant, Carl, heel interessant. ‘You betcha,’ antwoordde hij met een knipoog. Wat kan ik zeggen? Carl zat in de juiste branche: door te vissen met mijn betekenaars sloeg hij geregeld de juiste betekenis aan de haak. Aangezien we samen al vele watertjes hadden doorzwommen, gaf ik ze hem geregeld in bruikleen. Mijn giften gaven hem de impressie van weten, een dorre schets wetenschap herleidt tot moleculen terwijl het heelal streeft naar entropie – en jij dacht wellicht naar diversiteit. Men is dus beter af – of tenminste pragmatischer – als zaaier dan visser. Waarom dan nog vissen? Om gezellig eens te kunnen ronddobberen in een vochtige poel van verderf, al dan niet om uiteindelijk kopje onder te gaan in die grote, mondiale Styx. Wie ben ik om dat verlangen te onderdrukken? Mijn goede vriend Carl zou het wel begrijpen, dus wond ik er niet te veel doekjes om. Ik denk dat ik met haar eens een praatje ga slaan. ‘Ha-ha, masta! Ik zou het zelf doen indien mijn kont de bestuurderszit niet ingedraaid was. Zo is het, Carl! We zijn allemaal vissende vissers, zei ik tegen hem en wierp mijn hengel uit naar de achterbank.    3. Ga jij ook naar het plezierkwartier, vroeg ik aan de jonge vrouw met het Kim Wildekapsel. Ze knipperde met haar ogen en schudde wat onwennig het hoofd, zoals we allemaal wel neigen te doen indien we plots uit de lucht vallen. Vooraan hoorde ik Carl lachen om mijn vrijpostigheid. ‘Het plezierkwartier?’, herhaalde ze. Ja, je weet wel, ze noemen het ‘Vieux Carré’, dat vierkanten plein net voorbij Columbia Street waar de straatartiesten jurken, de bedlegerigen nooit snurken en de bezoekers zich laten ont... kurkdroge humor, beste lezer, ik laat het verder voor wat het is. Het plein met sierlijk fluorescente namen als Tarantula Arms, Love-Lace, Vertical Whorehouse en – uiteraard, als klap op de vuurpijl – Café Europa. Een flits van herkenning schitterde op haar gezicht. ‘Café Europa,’ zei ze, ‘zeg dat dan meteen’. Ze wierp me een ondeugende blik met dubbellaag coating toe en zei: ‘Dan blijf je toch hangen tot na mijn optreden, cowboy? Misschien staat Viola het toe dat je haar een drankje betaald – of twee, hangt af van je stamina’. Flap-flap, artificieel gewimper, alsof dat het doet – ja, natuurlijk. Beste lezer, nogmaals sorry voor de korte onderbreking maar ik wil even zeggen dat het niet noodzakelijk is om me op mijn woord te nemen: ga het gerust zelf na, maar volgens mij is er iets ernstig mis met vrouwen die over zichzelf in de derde persoon spreken. Ik herinner me nog hoe ik na die uiting haar nogmaals van kop tot teen onderzocht, en niet echt een bezwaar kon verzinnen om procrastinatie en abstinentie in te ruilen voor fornicatie – de tijd van monniken, religie en annalen ligt achter ons. En zelfs Orsino hoor ik geen commentaar leveren over het al dan niet neuken van zijn manwijf, wijfman of welk soort vaartuig Shakespeare ook voor ogen had. Ik lachte en vertelde haar dat het voor mij een genoegen zou zijn om de ‘belle of the ball’ te entertainen. Aan haar pretenties te oordelen was ze een vrij populaire attractie. Dat is goed mogelijk: het was eeuwen geleden dat ik in de sporen van Carls tramlijn had getreden. Wie weet hoe het er in Café Europa tegenwoordig aan toe gaat. Maar waarom ontkende ze dat ze tot Vieux Carré behoorde? Alsof het tegenwoordig nog een schande is! Ze zijn beter dan psychiaters… Deze vlinders die naast de nacht hun nectar delen met mannen wiens vrouwen zich godinnen voelen, een Tantalusillusie die jammer genoeg waanzinnig is. Is het niet zo dat de man die zich koning voelt – zoals Huey Long ooit zei – zich hier nooit zou vertonen? Al dat huidige, domme feminisme – het is immers weinig zinvol – waar vrouwen mannen tot schandknaapjes reduceren omdat er ooit een paar klootzakken – ween-ween – eens gemeen tegen hen waren. ‘Meester, hij heeft me gepest…’ Dat komt omdat hij een klootzak is, en hij het niet alleen voor jou, maar voor iedere goeie lobbes die ooit durft werkelijk van je te houden het inmiddels verpest heeft. Er is alsnog een niet onbelangrijke nuance bij deze redenering: het is de vrouw die de klootzak zijn macht geeft, zich nadien godin waant en met dit gedrag zelfs de mediaan-metaforische goeie lobbes de optie Vieux Carré doet overwegen. Vieux Carré is het Olympos voor eenzame, onverzadigde zielen. De prinsenplaats in Tartaros. Hell ain’t a bad place to be – tenminste, vanuit dit gemakzuchtige standpunt. En zolang mannen nood hebben aan hun portie nectar of ambrozijn om denkbaar goden te zijn, there’s no business like show-business! Wat ik hiermee bedoel ligt volkomen in het midden. Tussen jou en mij, lezer en schrijver, acteur tot acteur, in een ver-ziende plaats waar het tijdsconcept deels is opgeheven. You know someone said that life’s a stage and each must play a part…Viola speelt vergane Broadwayglorie op de podia van het plezierkwartier, ik de opportunistische avonturier met geld en tijd zat. Het stond in de sterren geschreven, zij en ik, achter de coulissen in Café Europa. Carl zou ons er wel brengen… Vieux Carré… Een hemel-bed lacht ons toe als een kolderkat. We raken er wel op tijd voor je act, meid, zei ik, en trok haar vervolgens wat dichter tegen me aan. Mijn vingers gleden over haar linkerborst en streken langs haar navel. Ze keek me aan met wijd-groene ogen, haar blik bevatte een mysterieuze, vreemd bekende ondertoon die ik niet kon plaatsen – een toets in het aroma die mystiek versmolten raakt met een vergeten herinnering. Herinneren is proeven, en proeven wakkert de honger aan. Het valse vuur, vanuit de diepte duikt het op uit het wrak. Het roept ons, vertroebelt de geest als spiritus sancti zonder ooit onze lusten te beantwoorden. In perpetuum. ‘Stop’, ze weerhield mijn hand om dieper te gaan en zei: ‘Niet zo vrijpostig, meneer, laten we vannacht vooral gentleman blijven’.    4. Vannacht in deze kamer draagt ze niets dan lakens en maanlicht. Mijn lakens in mijn bed aan mijn raam dat uitkijkt op het park en de stad. De engelen houden de wacht op het balkon, maar dat ziet ze niet: vanuit de penthouse torent ze uit boven Manhattan. Van hier kan je de Bethesdafontein niet zien, hoezeer zij en de engelen er ook naar uitkijken. ‘Over het uitzicht heb je niet gelogen, maar dit is nog niet de mooie kant van Central Park,’ zei ze. Mona, een kritisch, hooggeschoold, oerdom meisje dat nooit echt... weg is. Half in een roes droom ik naast haar en laat ik haar zeggen wat ze wil. In haar omhelzing ben ik ongenaakbaar naakt, onkwetsbaar. Een beeld van god is slechts half-god en half-tastbaar – één zijde van een zilveren dollar op zoek naar de andere. ‘Wat een stad,’ zegt ze, met fonkelende ogen als bij de eerste keer, ‘het is alsof je neerkijkt op de sterren’. Second to right, and straight on till morning, vertel ik haar. Maar dat begrijpt ze niet, zoals ik niet begreep waarom ze me toen plots naar zich toetrok, met haar hand doorheen mijn haar ging en met het topje van haar neus langs de mijne gleed. Ik keek haar vragend aan. Waarom loopt ze niet weg als ik zo dicht in de buurt kom? Misschien denkt ze niet langer aan morgen en denk ik morgen niet meer aan haar. Aan de gedachte dat ze me na de ochtend verlaat, dat ze vroeg of laat haar lichaam van het mijne ontdoet, en terug in haar kleren gaat verdwijnen. In tegenstelling tot engelen en goden ben ik nog niet van marmer of steen… ‘Kom hier, jij’, fluistert ze. Was this fair paper, this most goodly book, made to write…? De nacht valt met mij, achter het raam waaruit je Central Park kan zien, en met wat verbeelding boven de hemel uitzweeft. Maar we kijken niet meer, ik heb haar en zij… leunt voorover en kust me. Ooit, heel even, heeft zij met haar lippen… en ik geloof dat ik toen de rest deed. Toen geloofde ik… niet Mona, maar ik, dat zij het was. Alleen… ik niet.

Blikschade
0 0

Een onmens kan nooit liefhebben

Waar de meeste verhalen beginnen op een plaats, precies aangegeven in tijd en ruimte en dan liefst nog met een aantal landelijke kenmerken, is het mijne niet elders te situeren dan in vaagheid. Het verhaal van elke mens begint feitelijk in vaagheid en in vaagheid zal het eindigen. Ik ben bitter, ik spreek de taal van de zwartgalligheid beter dan mijn eigen moedertaal en ik ben het positieve des levens ergens in een ver verleden kwijtgespeeld. Ik ben ook schuldig. Ik zoek genot in de pijn van anderen, ik analyseer ze tot op het bot en wat ik daar vind, is niets anders dan een hoopje ellende dat in de illusie der gelukzaligheid leeft. Een hoopje ellende waar in hun frêle hart het optimisme hoogtij viert. Ik heb een maniakale eigenschap, beste lezer. Een gedrocht van een eigenschap. Ik heb nimmer pure liefde gekend en kreeg spontane braakneigingen bij het woord an sich. Dat wil echter niet zeggen dat ik nooit geliefd ben geweest, integendeel. Ik viel nooit op vrouwen in hun totaliteit, voor het totaalpakket had ik weinig oog. Ik viel wel op één bepaalde karaktertrek. Hem goed omschrijven is nogal moeilijk. Het leunt het dichtst aan bij fragiele onschuld. Ik vond het heerlijk om controle te hebben over iemand. Emotionele wezentjes inpalmen, ze parasiteren. Maar toen kwam de peripetie, de volta van mijn miezerige leven.Er was eens -oh heerlijk die sprookjestermen- een blonde dame die me uit het niets plotseling aansprak, Fleur heette ze. Ze had inderdaad wat ik zocht in een vrouw, fragiele onschuld. Maar voor de eerste keer ook meer dan dat. Dat eerste praatje werden er twee, van twee komt drie en je weet hoe dat gaat, drie maanden later woonden we samen en beleefden we stomende nachten. Geloof me vrij, dat waren ze. Een kleine opmerking hierbij, beste lezer, de meest wijze van ons allebei, ik heb in geen enkele relatie aangedrongen. Het initiatief, zowel qua ontmoeting als qua inwonen, dat kwam van haar. Bij wie ligt de schuld nu? Ach, ik dol maar wat, bij mij uiteraard. Iedereen kent ze wel, die lange zomeravonden waarop je met een glaasje goedkope wijn naar de zonsondergang kijkt met je euhm…hoe heet dat weer…geliefde. Wel, ik beleefde ze elke avond in augustus. Ik ben een man van gewoontes, dus in het begin kon het me bitter weinig schelen. De wijn wist me cynisch genoeg altijd meer te boeien dan Fleur en die wijn veranderde in bier en whisky op mijn slechtere dagen. Toch had ze een eigenschap die al mijn andere veroveringen niet hadden, een vurig hart vol passie. Vergeleken met Fleur waren de andere vrouwen slachtschapen. Als ze weer eens kwaad op mij werd omdat alles wat ze zei in dovemans oren terechtkwam, dan kon ze woorden naar mijn hoofd slingeren waarbij ik zelfs even mijn stoïcijnse kalmte verloor.Ondanks dat had ik mezelf voorgehouden om haar in de donkerste dagen van het jaar te salueren. Ik kreeg al heimwee naar die zeemzoete eenzaamheid, tactisch beschikken noemen ze dat. Ach, geef toch toe, verbintenis is iets voor wolven in een roedel. De primaire, beestachtige, seksuele driften, kon ik na mijn periode bij Fleur nog wel enkele maanden onderdrukken. En zo het geschiedde, welkom sneeuw, welkom striemende wind en vaarwel Fleur. In gezelschap was ik helaas niet de man van de vele woorden. Troostende woorden waren me dus vrijwel vreemd en ik kon eigenlijk niets anders dan een droge “sorry” uit mijn lippen persen. Die huilbuien raakten me uiteraard een beetje, in al mijn onverschilligheid bereikten de vrouwelijke snerpende geluidsgolven altijd mijn stenen hart. Maar steen is geen spons en de weemoed absorberen, dat deed ik dus niet. Ik nam mijn spullen en ging voorgoed weg, zonder om te kijken, met de blik op oneindig. Tot mijn grote verbazing ontving ik amper twee weken later nieuws van haar. Er stak een envelop in de brievenbus. Ik herkende haar sierlijke schrift, ik had er per slot van rekening enkele maanden bij gesleten en had ruim de tijd genomen om haar te observeren. Ze had ook zo’n heerlijke tic, waarbij ze zwoel haar lippen likte.Bij het openen van de brief werd ik onwel, ik moest gaan zitten en herlas hem wel vijf keer om te kijken of dit alles wel werkelijk was. Ik ben geen groots verteller dus heb ik de brief hieronder toegevoegd. “Matthias,   Zoals je me zelf ooit wist te vertellen, begint het leven in vaagheid en zal het er ook in eindigen. Na je vertrek heb ik ervaren hoe die vaagheid voelt. Ik heb er 12 dagen in geleefd, als je dat al leven kunt noemen. Ik heb mezelf afgemat met vragen. Waarom? Lag het aan mij? Ik kwam er na verloop van tijd achter dat ik de schuld niet bij mezelf moest leggen. Een onmens zal nooit liefhebben. Een onmens zal nooit voelen wat een eerlijk mens ervaart wanneer hij zijn geliefde in de armen neemt. Wie nog nooit tranen van blijdschap heeft gezien in de ogen van een geliefd wezen, heeft nog niet ervaren welk geluk de mens op aarde kan bereiken. Uiteindelijk heb ik vandaag beslist om uit het leven te stappen, Matthias. Op het moment dat je de envelop opent, zal ik er niet meer zijn. Fleur” Ik zou nog een tijdje kunnen doorgaan, het resultaat blijft echter hetzelfde.De vijf maanden na de brief kan ik in één woord samenvatten, drankzucht.De zesde maand heeft onze cynische vriend niet meer gehaald…

Mats Nieuw
82 0

Oorlogshelden

Hij is er al enkele jaren niet meer. Gestorven aan kanker. Op zijn 65ste. Rookt u of heeft u gerookt? Dat vroeg de dokter toen we bij hem kwamen voor de uitslag van de testen. Ik heb gerookt, ja. Hij haalde zijn schouders op, zuchtte. Wat betekent dat? De dokter keek vreemd. Meneer, het spijt me, u hebt longkanker. In een vergevorderde fase. We willen u meteen behandelen. Hij begreep het niet. Ik zag het aan zijn blik die door de kamer zweefde om uiteindelijk een beetje hulpeloos bij mij te belanden. Wat moest ik zeggen? Je gaat dood? En wel heel snel? Dat was dan ons leven samen? - Het was niet slecht begonnen. Hij was lief toen ik hem leerde kennen. Speels, attentvol. Hij maakte me aan het lachen. Nam me mee op zijn krakkemikkige moto naar Duitsland. Daar brachten we de nacht door op een kamer met twee soldaten die sliepen met hun geweren onder de dekens. Ik was doodsbang, maar hij hield me in zijn armen en stelde me gerust. Steeds opnieuw. Door met hem samen te zijn, kreeg ik een ander leven. We gingen samen dansen. Hij speelde op de accordeon en de mondharmonica en zong grappige liedjes voor me. Ik voelde me vrij, voor het eerst sinds de oorlogsjaren mijn hele familie hadden verzwolgen. Eindelijk uit mijn isolement geplukt. De dagen en nachten zouden alleen maar lichter worden. Dat hij graag een pintje dronk, en meer dan één, kon me toen niet schelen. Piepjong en wereldvreemd was ik. - Het ging allemaal wel goed toen we pas getrouwd waren. Er kwam een dochter. Aanvankelijk verlichtte ze mijn eenzame momenten, maar ze dwong me om opener en spontaner te zijn dan ik wilde. En kon. Hij begon meer te drinken. Kwam nog minder thuis. Het weekloon dat hij ’s vrijdags kreeg, was zondagavond op. Ik leerde de lege melkflessen te verzamelen zodat ik met het statiegeld een brood kon kopen. De oorlog was voorbij, alleen niet voor mij. Lag het aan mij? Was het omdat ik niet begreep hoe je iets van je leven kunt maken? Ik twijfelde, niet in staat de mallemolen van gedachten stop te zetten. Niet in staat mijn gevoelens uit te puren en beslissingen te nemen. - Op een dag stond ik soep te maken met de restjes die ik bij elkaar had kunnen scharrelen en de tranen kwamen weer. Toen hij wankelend, stinkend naar de drank, thuiskwam en me zo zag staan, werd hij heel boos. Snap ’t nu toch eens, zei hij. Mannen hebben sterke vrouwen nodig. Gij, gij doet al jaren niets. Alsof ge niet wilt bestaan. Niet voor uzelf, mij of ons dochter. Ge verspilt de tijd! Ik kon niet stoppen met janken. Ik was geworden wat ik niet wilde. Ik was iemand geworden die hij niet wilde. Niet in staat om te reageren, zweeg ik. Hij gaf het op. Stapte zat op zijn brommer en vertrok. - Twee dagen daarna stond de politie voor de deur. Ze hadden hem gevonden in de gracht, zeiden ze, enkele kilometers verder. Verstopt onder een laagje sneeuw was zijn dronken lijf onzichtbaar gebleven. De alcohol had hem gered, maar niet helemaal. Drie vingers afgevroren. Twee tenen. In coma. Toen ik hem zag liggen in dat witte bed, werd ik voor het eerst in jaren kwaad. Razend. Op hem. Op iedereen. Vooral op mezelf. Ik streelde zijn ongeschonden hand en beloofde hem te vechten. Als er een kans was om deze oorlog te winnen, zou ik die kans de mogelijkheid geven echt te worden. - Het ging niet vanzelf. Integendeel, het was het moeilijkste dat ik in mijn leven al had gedaan. Elke ochtend moest ik mezelf ter orde roepen. Opstaan, aandacht geven, aandacht krijgen. Woordenflarden samenbrengen en communiceren. Vertrouwen. Kijken naar de dag van morgen, niet naar die van gisteren. Na enkele weken werd ik wakker met zijn armen om me heen. Hij snurkte een beetje, zijn hand lag op mijn borst en zijn warmte omhulde me. Heel erg bewust besefte ik dat ik me nog nooit zo gelukkig had gevoeld. Het was geen overweldigend geluk, eerder zachtaardig, stillend. Ik was dankbaar. - De weken werden maanden, de maanden jaren. We werden ouder samen. Onze dochter begon haar eigen leven en we misten haar. Toch, de tijd die daardoor vrijkwam, maakte het ons mogelijk opnieuw een nieuwe start te maken. We trokken erop uit. Met de fiets, niet meer op de moto. Ik voelde me jonger dan ooit. Tot hij kanker kreeg. En me verliet. Ongewild deze keer. - Nu ben ik oud. En alleen. Met de eenzaamheid kan ik wel om. De wetenschap dat we elkaars leven beter hebben gemaakt, dat hij voor mij koos en ik voor hem, sust me als ik ’s nachts wakker word met zijn kussen tegen mijn buik gedrukt. Wij, wij zijn oorlogshelden, zonder twijfel.

Kleine Keizerin
0 0

En ze leefden nog lang en gelukkig

Er zijn mensen die beweren dat ze nooit iets zullen doen dat tegen hun principes ingaat. Ze hebben het mis. Mensen die dat beweren hebben nog nooit voor die keuze gestaan.  Er zijn mensen waarvoor je al je principes opzijzet. Waar je onvoorwaardelijk alles voor doet.  Zij was zo iemand.  Ik leerde haar kennen in een park, het was lente, één van de eerste echte zachte dagen van dat jaar. Ik herinner me haar graag zoals toen. Gewoon een meisje, blij met de eerste lentedag. Ze droeg een bloemetjesrok -achteraf zou ik te weten komen dat het haar favoriete kledingstuk was - en liep op blote voeten tussen de bloemen. Ze was vrolijk, zoals alleen zij dat kon zijn.  We praatten. Ik herinner me niet meer waarover, dat is ook niet belangrijk. Het belangrijkste was zij.  Ik denk niet dat ze het ooit beseft heeft maar vanaf dat moment kon ik niet meer zonder haar.  Ze had me alles mogen vragen, ik had het gedaan zonder over de gevolgen of effecten na te denken, alleen om haar te helpen. Maar ze vroeg niks, dat deed ze nooit. Ze was een van die zeldzame mensen die je spontaan je hulp aanboodt. Nooit heeft ze iets moeten vragen, alles kwam vanzelf op haar af, als ijzer op een magneet.  Jammer genoeg trok ze ook mensen aan. Ik was slechts één van de vele die ze door zichzelf te zijn om zich heen had verzameld. Ze zag alleen de goede dingen in de mensen, het werd haar ondergang. En haar ondergang werd de mijne. Op korte tijd werden we goede vrienden. Niet meer. We deden dingen die vrienden samen doen en daar bleef het bij. Vaak heb ik me afgevraagd hoe alles zou gelopen zijn wanneer we meer waren geweest dan enkel vrienden.  Het is niet dat ik niet wou, of zij. We wisten het gewoon niet van elkaar. Dus gingen we maar verder, als vrienden, en elk onze weg. Zij leerde hém kennen en ze werden meer dan vrienden. Omdat hij het haar durfde zeggen.  Ik bleef alleen en zag haar veel minder. Ik heb geprobeerd hem af te schilderen als een duivel en haar als het onschuldige meisje, maar de waarheid was dat hij haar echt graag zag. Alleen jammer van die vrienden. Ze bleef bij hem, ondanks alles. Sommigen hebben haar verweten naïef te zijn, maar zelfs als ze dat niet was geweest was ze waarschijnlijk gebleven. Ze zag immer alleen de goede dingen. Of wilde alleen de goede dingen zien. Maakt dat haar schuldig? Ik oordeel er niet graag over. Uiteindelijk kwam ze in een situatie terecht waar ze nooit in terecht had mogen komen.  En ik verwijt mezelf nog steeds dat ik het niet eerder zag. Tegen de tijd dat ik haar er weghaalde was ze veranderd. Ze was niet langer naïef en vrolijk. Ze was in de war en alleen en ver voorbij het punt waarop  ik haar nog kon helpen. Dus bracht ik haar naar de dokters en hoopte dat zij konden verwezenlijken wat ik niet kon.  Ze wist wat ik deed en ze heeft me nooit iets verweten maar toch brak het mijn hart. Toen ik haar daar achterliet veranderde alles. Ik bezocht haar elke week en zag geen verbetering. De dokters beweerden het tegendeel maar ik begreep dat ze logen om mij te beschermen. Steeds vaker vertelden ze mij dat ik haar niet kon zien.  Ik trok mijn conclusies en vervolgens ten strijde.  Het had mooi geweest mocht het op een lentenacht gebeurd zijn, maar het was november en het regende.  Ik slaagde toch.  Haar adem stokt, bijna regelmatig en het houdt me uit mijn slaap. Daarom schrijf ik alles maar neer. Ik weet niet wat morgen brengt, een nieuwe dag is genoeg.  Want we hebben niet zo heel erg veel nodig, vooral elkaar en een wolkje hoop misschien.  Zodat ik later zal kunnen schrijven: ‘En ze leefden nog lang en gelukkig...’

Juffrouw Vee
0 0

Avond

Nonchalant gooit ze de zapper op de zetel en loopt terug naar de keuken. Tegen de tijd dat ze de koelkast opentrekt flitst het nieuws van de dag achter haar voorbij. Zoals altijd weigert de wereld trager te draaien, alleen maar omdat zij even niet kan volgen - zoals altijd lijkt het alsof iemand daarboven zijn middelvinger naar haar opsteekt. 'Niet dat die ook maar iets anders doet dan het licht aan- en uit doen', denkt ze cynisch terwijl ze naar haar voedselvoorraad staart.  Terwijl op de achtergrond een dramatisch stukje muziek opklinkt, ongetwijfeld ter ondersteuning van een enkele hartverscheurende beelden, neemt ze een potje witte yoghurt vast en vraagt zich radeloos af of er niks decadenters verscholen ligt in deze ijzige grot.  Met een klap slaat ze de kast weer dicht, scharrelt een lepeltje uit een schuif en staart even uit het keukenraam. Er vliegt iets voorbij, ze ziet niet goed wat, maar hoopt dat het de weg naar huis vindt.  De dag is aangekomen op dat punt dat alles tussenin is: nauwelijks nog dag, nog lang geen nacht. Haar gedachten blijven even hangen bij de bijna afgelopen dag, die net als alle andere onvermijdelijk in een nacht zal overgaan.  Met enige moeite verlegt ze haar aandacht weer naar haar niet zo decadente dessert. De yoghurt lijkt minder zoet te smaken dan anders, maar misschien is dat alleen maar in haar hoofd. In elk geval moet ze morgen naar de winkel, en hopen chocolade inslaan.  Het potje is veel te snel leeg. Teleurgesteld laat ze het in de vuilbak verdwijnen, zoekt haar lievelingsplekje in de zetel dan maar op en trekt een deken over haar benen. Zonder echt na te denken, grijpt ze een boek dat in de buurt ligt en slaat het open op een willekeurige pagina.  Ze zit een beetje te bladeren en leest hier en daar wat gemarkeerde passages. Een halve herinnering komt bovendrijven, maar voor die echt vorm heeft kunnen krijgen schrikt ze op.  Haar blik schiet opnieuw naar het raam, de schaduw die ze net niet zag was niet van iets onschuldigs fladderend. Ze knijpt haar ogen een beetje samen en komt overeind.  Haar hart klopt in haar keel terwijl ze naar het raam trippelt, ook al vertelt ze zichzelf dat het niet kan zijn wat ze denkt dat het is.  Dat het niet kan zij wie ze denkt dat het is.  Een jaar is het ondertussen, exact een jaar.  Exact een jaar geleden dat hij het wél was aan het raam.  Exact een jaar geleden dat ze hier stond, zich afvragend waar dat naartoe ging. De realiteit haalt haar in als ze de deur hoort opengaan.  Bijna onbezorgd struint hij de kamer in, zijn mondhoeken heel lichtjes gebogen, de twinkeling nog niet helemaal uit zijn ooghoeken verdwenen. Onbewust struikelt ze een stap achteruit als hij haar een kus op haar wang geeft, en ze voelt hoe iets in haar begint te koken. ‘Ik was in de buurt’, glimlacht hij. Bewust stapt ze nu terug naar voor, ze haalt uit, stompt haar vuist in zijn buik, geeft hem geen tijd om te reageren en stompt hem nog eens. Het duurt tot de vijfde of zesde slag voor hij reageert, maar in plaats van haar weg te duwen sluit hij zijn armen om haar heen zodat haar vuisten hem niet meer kunnen raken. Ze mompelt wat onverstaanbare woorden in zijn borstkas, en wordt alleen maar kwader van zijn zachte lachje in haar oor.  Tegelijkertijd is hij warm, en zij koud, en wil ze niet dat hij haar loslaat. Uiteindelijk doet hij het toch, tergend traag, tot alleen haar polsen nog losjes in zijn handen liggen. Ze rukt haar rechtse arm los en draait zich van hem weg, maar de greep op haar linkerpols verstrakt weer en haar beweging stopt ergens halverwege. Met een ernstige blik in zijn ogen kijkt hij haar aan. Ze steekt haar kin een beetje naar voren en doet alsof ze het fotolijstje aan de muur véél interessanter vindt dan wat hij haar te vertellen heeft.  ‘Ik heb je gemist’, fluistert hij zo eerlijk dat ze het amper kan geloven. Ze zwijgt, maar dat is voor hem genoeg om te weten dat zij hem ook heeft het gemist, al verbiedt haar trots haar dat zo expliciet te zeggen.  Haar blik fladdert van het kadertje naar zijn wenkbrauw, terug naar de foto, naar zijn ogen. Hij aarzelt even, glimlacht dan flauwtjes en slaat zijn ogen neer.  ‘Waar was je?’ fluistert ze met schorre stem. Zachtjes schudt hij zijn hoofd, haar vraag negerend of iets moeilijkers wegvagend, ze laat het dan maar in het midden. Haar wenkbrauwen trekken samen, ze rukt haar pols uit zijn hand en laat hem in de keuken achter. Een tel blijft hij met zijn rug naar haar toe staan, alsof hij deze reactie niet had verwacht en met zichzelf overlegt wat hij nu moet doen. Ze stampt naar de woonkamer, ploft neer op de zetel en trekt haar deken om zich heen - hij bekijkt het maar. Na enkele seconden volgt hij haar dan toch en gaat wat onbeholpen op een veel te klein hoekje van de sofa zitten. Ze trekt haar deken zo ver mogelijk van hem vandaan maar negeert zijn blik niet langer. ‘Je kan niet....’ Er is een korte aarzeling in haar stem, ze maakt een korte armbeweging die vanalles kan betekenen en kijkt weer naar het televisiescherm.  ‘Ik kan niet wat?’ vraagt hij zacht, strekt zijn arm wat uit en raakt een tipje van haar deken aan. ‘Je kan niet zomaar terugkomen en en-’ Met enige moeite onderdrukt ze de neiging naar zijn uitgestrekte hand te trappen, in plaats daarvan probeert ze in haar blik te leggen wat ze zo moeilijk kan uitspreken.  Ze is er niet helemaal zeker van of het op hem overkomt zoals ze het bedoelt heeft maar deze keer geeft hij wel een duidelijk antwoord. ‘Ik ben weggegaan omdat dat moest, teruggekomen omdat ik van je houd. Je doet ermee wat je wil, maar je mag dat wel weten.’ Een brok rauw verdriet die ze te lang heeft weggemoffeld is plots weer duidelijk aanwezig. ‘Doe niet alsof het zo verschrikkelijk eenvoudig is, dat is het niet, dat is het nooit geweest en dat is het nu zeker niet meer.’  ‘Waarom niet?’ vraagt hij zacht, ‘jij bent hier, ik ben hier, we weten allebei dat degene waarmee we over twintig jaar op enorm saaie familiebezoeken willen zitten, recht tegenover ons zit.’  ‘Zo werkt het niet’, antwoordt ze, haar stem schril en een vuur in haar ogen, ‘hoe kan ik nu met jou oud worden als ik niet eens weet wie je bent - als ik niet zeker weet dat je niet morgen weer vertrekt, omdat dat zo werkt voor jou!’ Hij schuift dichter naar haar toe en laat zijn onderarm op haar knie rusten, buigt dan nog niet iets dichterbij en fluistert net naast haar oor: ‘Omdat ik weet dat jij ook van mij houdt en omdat dat soms gewoon voldoende is.’  Ze legt de tippen van haar vingers nog net op tijd op zijn mond. ‘Nee’, fluistert ze, kijkt hem aan met een trieste waas over haar ogen en leunt met haar voorhoofd tegen het zijne, ‘dat was genoeg, ooit. Ik kan je niet zomaar mijn hart op een gouden schoteltje aanbieden en hopen dat je het deze keer niet zal laten vallen.’ ‘Je hebt gelijk, ik verdien geen tweede kans, maar misschien heb jij nog wel recht op een onvoorwaardelijke liefde.’ Verward knippert ze met haar ogen, en laat zich gedwee afleiden door de televisie. ‘Hoezo onvoorwaardelijk?’ mompelt ze dan, ‘Ik dacht altijd dat onvoorwaardelijk betekende: wat er ook gebeurde. Niet dat je wegloopt zonder ook maar uit te leggen waarom. Ik dacht dat-’ Haar stem stokt, en ze veegt ruw met de rug van haar hand over haar wang. Voorzichtig neemt hij de hand in de zijne en wrijft met zijn duim cirkeltjes in de palm. Haar buik maakt een sprongetje, hij kent haar zwakke plek nog. ‘Jij denkt teveel, dat is het probleem’, glimlacht hij zachtjes. ‘Ík ben hier het probleem niet’, reageert ze scherp en probeert haar hand terug te trekken. Hij is niet van plan haar te laten gaan, niet voor hij alles heeft geprobeerd. ‘Het probleem was dat ik hier niet was… maar nu ben ik hier.’ ‘En morgen?’ vraagt ze. ‘En volgende week? En volgend jaar? Waar ben je dan?’ Hij schudt zijn hoofd -niet echt als reactie op haar vraag- en streelt met zijn duim over haar gezicht.  ‘Als je me niet meer wil, dan begrijp ik dat… maar zeg eens eerlijk, het is een jaar geleden en… je zit hier nog steeds alleen.’  Ze valt stil, staart naar haar knieën en doet een poging nonchalant haar schouders op te halen. Ze zou nu heel kwaad moeten worden, maar hij heeft gelijk: ze heeft al die tijd op hem gewacht. Alle rede lijkt uit haar weg te vloeien als ze opnieuw in zijn ogen kijkt. ‘Kan het leven echt zo eenvoudig zijn?’ Er trilt een glimlach rond zijn mondhoeken.  ‘Waarschijnlijk niet, maar wij kunnen de uitzondering zijn.’ Vermoeid trekt ze hem wat dichterbij en hij legt snel een arm om haar schouder. Na een ogenblik van laatste twijfel gooit ze hem een stuk van haar deken toe. Hij houdt haar stevig vast, duidelijk niet van plan haar snel weer los te laten. Voorzichtig, bang dat hij weer eens het verkeerde zal zeggen, buigt hij zich nog dichter naar haar toe en beantwoordt dan toch nog haar vragen: ‘Morgen ben ik hier’, mompelt hij stil, ‘net zoals daarna.’ Zijn woorden zijn eigenlijk overbodig, ze was overtuigd toen ze besefte dat ze niet zonder hem wou leven. Misschien was dat waar ze al die tijd op had zitten wachten, iemand die haar kon overtuigen en al haar rationaliteit eenvoudig wegvagen. In elk geval is dat’ op dit moment voldoende: hij, morgen en daarna.

Juffrouw Vee
0 0

Ochtendspits

Ochtendspits   De ochtendspits is het moeilijkst. Je bent nooit verder van huis. Tegelijk bezit je dan nog het meeste veerkracht. Schoorvoetend. Jos stapt binnen. Mompelt iets onverstaanbaars. Mevrouw Vangeneugden is er al. Hij hangt zijn jas en hoed zorgvuldig aan de haak. Opent het bovenste knoopje van zijn hemd en neemt plaats. De ochtenduren zijn het moeilijkst, denkt hij. Mevrouw Vangeneugden is druk in gesprek. Tegelijk pingpongt haar blik over de twee opengeklikte vensters op haar scherm. Ze schrollt wat op en neer. Kribbelt aantekeningen op haar onderlegger. Zucht. Rolt met haar ogen. Tikt met haar nagels. Bijt op haar tong. Haakt in. Wat volgt is wellicht het verslag van de zojuist beëindigde conversatie. Op den duur slaag je erin om te doen alsof je luistert. Alsof je geïnteresseerd luistert. Je houdt je hoofd een beetje scheef. Knikt zo nu en dan. Mompelt iets onverstaanbaars. Je wacht tot iemand binnen komt. Om een blauwe bic te bestellen bijvoorbeeld. Dat gaat dan via de Provinciale Adviesraad voor Materiaalaankopen van de Binnendiensten. En neen, je kan er geen twee tegelijk bestellen. Dat is nu eenmaal zo beslist. Of wil je daarover discussiëren met de Gouverneur die dat persoonlijk zo ondertekend heeft? Nu kan je rustig afdwalen. Verdwijnen achter de twee hoopjes ‘te kopiëren’ documenten. De ochtendspits heeft zo zijn voordelen. Je kan dan rustig achter je muurtje de krant lezen. Mevrouw Vangeneugden schraapt haar keel als het diensthoofd in aantocht is. Ze heeft ogen gelijk een pad. Of was het gelijk een vlieg? Die dingen zijn zo inwisselbaar. Je bewaart het muurtje zo lang je kan. Je koestert het. Op strategische momenten neem je een blad van de stapel. Je legt het terug. Je verplaatst de muur wat naar achteren. Bekijkt het resultaat. Zo is het goed. Je neemt opnieuw een blad van de stapel. Telefoon. Je legt het blad terug op de stapel. Wacht tot het drie keer gerinkeld heeft. Immers: minder dan drie keer laten rinkelen = Je hebt niets te doen. Meer dan drie keer laten rinkelen = klantonvriendelijk. Voor je het weet zit je weer op een muffe cursus. Ze moesten maar eens mee luisteren. Meer dan vier keer laten rinkelen = Mevrouw Vangeneugden schakelt de oproep over naar haar toestel, werpt je een verwijtende blik toe en handelt het zaakje op professionele wijze af. Dat laatste vertellen ze je niet op de cursus. Dat ondervind je. De blikken verzamel je in de metalen kast. Voor als je gepensioneerd bent en confituur gaat maken. Goed. Terug naar de muur. Je wentelt je behaaglijk in het gras, aait de wolken met het grassprietje tussen je tanden, gomt de schaduw van de muur uit. De zon kust je gelaat. Je sluit je ogen. Mevrouw Vangeneugden haakt in. Je springt recht. Neemt opnieuw een blad van de stapel. De ochtenduren zijn het moeilijkst. Je zou kunnen uitrekenen hoeveel bladen je per uur van de stapel neemt. Dat zouden er bijvoorbeeld, laat ons zeggen, twintig kunnen zijn. Om de drie minuten een blad. Drie minuten per blad. Dat zijn 180 seconden. Hoe geloofwaardig is het om 180 seconden naar een blad te kijken dat enkel gekopieerd moet worden? Wat zou je je kunnen afvragen in die eeuwigheid? Je hebt immers een reputatie hoog te houden. Voor je het weet stelt men zich de vraag of je hetzelfde werk niet in een deeltijdse betrekking zou kunnen uitvoeren. Dat wil je vermijden. Jos leunt naar achter. De voorste twee poten van zijn stoel verlaten de grond. Tonen hun zolen. Mevrouw Vangeneugden kijkt streng over haar bril uit. Schudt haar hoofd. Dat doen moeders. En een moeder, dat is ze. Ze heeft haar eigen kroost. Ze heeft haar problematische pleegkinderen. Ze heeft de groentjes van de dienst, die ze stiekem van twee blauwe bics voorziet. Dat heeft ze dan op haar duimpje. Maar dat besef je pas later. Ze heeft de oude zakken. Die voorziet ze van empathie. En een pil als het echt te veel wordt. Jos laat zich verder naar achter zakken. Leunt tegen de kreunende metalen kast. Denkt aan confituurpotten. Aardbeiengelei is lekker. En bovendien een…hoe zeg je dat? Goed voor de seks. Mevrouw Vangeneugden piept nog eens over haar bril uit. Het bloed stijgt Jos naar de kaken. Als je zo lang in dezelfde ruimte vertoeft. Dag in dag uit. Lees je elkaars gedachten, toch? Niet aan seks denken. Niet aan seks. Seks. Seks. Seks. Er komt een groentje binnen. Een groen blaadje. Niet aan seks denken, Jos. Jonge borstjes kijken je aan. Je zuigt op een klontje. Suiker in je bloed. Achter de muur trek je haar T-shirtje uit. Jonge borstjes kijken je aan. Je smeert confituur over de tepeltjes. Likt. Suiker in je bloed. De kast kraakt. Men bouwt een stuk muur bij. Prikkeldraad. Zon op je gelaat. Jonge borstjes kijken je aan. Confituur in de kast. Jos? Je mompelt iets onverstaanbaars. Houdt je hoofd een beetje scheef. Knikt. Tikt. Tijd voor een blad. Je hebt vanaf nu 180 seconden om af te koelen. De ochtenduren zijn het moeilijkst. Zie je nu wel? Waar was je? Rekenmachientje, juist ja. Immers: die 180 seconden, dat is brutotijd. Er gaat gelukkig nog wat af. Onoverkomelijke dingetjes. Zoals daar zijn: Je neus snuiten. Over je kin strijken. Naar buiten turen. Twee suikerklontjes in je koffie dopen,  twijfelen of je ze zou loslaten of integendeel, ze er terug zou uithalen en er stiekem achter je muur op zou zuigen. Met je ogen dicht, heel even maar. In je koffie roeren. Uitrekenen hoeveel slokken je minimaal nodig hebt om de bodem te zien. Doen alsof je koffie drinkt uit een lege kop. Email checken. Je hebt geen nieuwe berichten. Inschatten hoeveel minuten je níet naar de klok zou kunnen kijken. Je afvragen of je een beloning verdient als je dat twee minuten uithoudt. Lachen met jezelf. Mevrouw Vangeneugden kucht een kikker uit haar keel. Eentje zonder kroon. Kussen zit er niet in. Komaan, Jos. Aan het werk. Er liggen nog stapels op je te wachten. Belangrijke stapels. Te kopiëren stapels. Dan zijn ze tweemaal zo belangrijk. Dat is dan jóuw verdienste. Vergeet dat niet. Jíj bent een belangrijke radar in deze fabriek. Meer nog, een onmisbare radar. We slopen de muur, Jos. De ochtendspits is door. 

Evy
0 0

Iets zoets

Mijn hoofdhuid begon nu wel heel irritant te kriebelen onder die malle hoed. Hoewel mijn tenen als ijsklompjes in mijn laarzen lagen voelde ik gestage stroompjes zweet achter mijn oren naar beneden kringelen. Ieder keer opnieuw bedwong ik de neiging om mijn hals, met de mouw van de dikgeweven trui die ik hier geleend had, droog te deppen. Telkens realiseerde ik me net op tijd dat ik niet alleen mijn huid beurs zou schuren aan de harde stof, maar ook dat ik in diezelfde beweging de dikke laag make-up, waarvoor ik zo geduldig stilgezeten had, door elkaar zou vegen. ‘ Moet jij niet dringend nog een appeltje eten? ‘ hoorde ik mezelf met krassende stem vragen. ‘ Een stukje kruidkoek? ‘. Een vaststaand scenario was niet voorhanden, maar een heks die kindertjes tracht te lokken met als doel ze vet te mesten voor de kookpot, zou zich daadwerkelijk van zulke zinnen kunnen bedienen. Vanuit een gebogen houding, met spichtige bewegingen en priemende ogen, ging ik soms plotsklaps over het hek van het mij toegewezen tuinhuisje hangen en kneep eens goed in kaken of bovenarmen van de passerende jongeren. Ik waakte er wel om niet die kinderen te nemen die duidelijk al door collegae amateurs de stuipen op het lijf waren gejaagd. Na de derde keer als vrijwilliger in dit Halloweenevenement was ik trefzeker genoeg om ‘Hansjes’ en ‘Grietjes’ bewust uit te kiezen. ‘ Even voelen of je al genoeg van tantes koeken hebt gegeten…’. Terwijl ik het uitsprak zag ik mijn adem door dampwolkjes begeleid. Zo meteen maar eens even pauze houden. Tenen en vingers proberen ontdooien bij het grote kampvuur dat ter hoogte van de geïmproviseerde bar was geïnstalleerd. De jenever die door de begeleiding gul werd uitgedeeld had mijn borststreek verwarmd, maar het weldadige gevoel had zich niet kunnen uitstrekken naar de perifere kantjes van mijn lichaam. ‘ Inga, ik loop even naar voren. Zal ik iets voor je meebrengen wanneer ik terugkom? ‘Mijn nauwelijks herkenbare vriendin schudde haar hoofd van links naar rechts. ‘ Neem je tijd, ik heb net nog een beker pompoensoep achterover weten te drukken, ik kan er wel even tegen.’ Met haar knipoog als vrijgeleide vertrok ik op weg, langs de andere in scène gezette activiteiten. Wel even in m’n rol zien te blijven: het strompelende gangetje wat ik een boze oude toverkol zou toedichten, viel me niet moeilijk. De bittere kou had zich in dat opzicht handig van mijn voeten en heupen meester gemaakt. Handenwringend sloeg ik een zoveelste jenever af, maar toen Marleen me een flinke mok gemberthee in handen had geduwd ging ik op zoek naar een uitnodigend plekje bij het kampvuur. Ter hoogte van de schapenstal zat een bende locals die er duidelijk erezaak van gemaakt had de uitgebreide keuze aan geestrijke dranken te testen. Misschien niet vreemd, zij konden uiteindelijk te voet naar huis. Verschillende glazen lagen op de grond en het viel me op dat, buiten de andere bezoekers, ook de schapen hun achtersteven naar dit groepje hadden gewend. Een beetje verder, bij het speeltuintje, bevond zich duidelijk de make-out-zone. Tienerjongens verdrongen zich rond de mooist geachte meisjes uit het dorp, koppeltjes hadden zich krampachtig wriemelend bij het kampvuur neergezet. Ik weet niet of ik het me verbeeldde, maar hier en daar meende ik beugels en scheefgezakte brilglazen te zien oplichten in het schijnsel van de maan. Het vorstgevoel had me ondertussen helemaal ingepalmd, en ik was echt wel dringend op zoek naar een plekje waar ik even zou kunnen bekomen. Uiterst rechts van me, had ik daarstraks al gezien, wilde ik niet zitten. De gigantische lantaarn die daar was neergezet diende als trekpleister voor motten, zo groot dat je ze voor vleermuizen kon aanzien. Geheel aansluitend bij het thema van deze avond, maar niet aan mij besteed… Een beetje meer centraal, tussen de lantaarnpaal en het speeltuintje in, meende ik nog een vrij zitplekje te ontdekken. Het zag er donker uit daar maar, voor zover ik het kon beoordelen van waar ik stond, wel vrij van motten of dronken feestvierders. Eigenlijk wel gek: sinds Halloween vanuit de Verenigde Staten was komen overwaaien werd het per jaar klaarblijkelijk uitbundiger gevierd. Grote en kleine handelaars voorzagen rond deze periode van de herfst meer en meer in een heuse massa aan heksenhoeden, bezemstelen en spinrag, en zelfs bloemenwinkels verkochten tijdelijk meer pompoenen dan chrysanten. De werkelijke intentie van het Allerzielenfeest: onze doden eren en een innerlijke beweging terug naar de Oorsprong maken, werd meer en meer in de vergeethoek gedrumd. Bij mij riep het gemengde gevoelens op. Sinds het overlijden van Ronny acht jaar geleden voelde ik rond deze tijd van het jaar een grotere behoefte om me op mezelf terug te plooien. Oh ja, ook hij en ik hadden Halloween gevierd. De meisjes waren nog klein geweest toen. In het Rivierenhof nipten wij tevreden van onze Oxo terwijl de kinderen genoten van op hun leeftijd toegespitste gruwelverhalen in het Sprookjeshuis. Zulke namiddagen verliepen traag. Of misschien is dat alleen in mijn herinnering zo. Wanneer de verhaaltjes verteld waren raapten we nog kastanjes en duwden we de twee kleinsten op de schommel tot ze weldadige buikpijn kregen. Thuis wachtte ons de Petit-Beurrekestaart die Ronny voor zulke gelegenheden maakte. De hete thee die over de rand van het kopje was gegaan bracht me terug naar het hier en nu, verplichtte me om toch maar even oplettend te zijn qua voeten neerzetten. Dit stuk van het terrein was echt wel nauwelijks verlicht. De gloed van het kampvuur strekte zich ver genoeg uit, maar de overhangende bomen kreunden zwaar en donker onder hun laatste bladeren. De vochtige geur van bos vermengde zich met iets wat ik niet meteen kon thuisbrengen, maar wat heel vertrouwd was. Meer op de tast dan op het zicht ploeterde ik richting omgevallen boomstam die ik van aan de overkant van het vuur had zien liggen. Daar moest ik echt vlakbij zijn. Ik schrok echt maar lichtelijk toen ik plots een zittend figuur onder een grote monnikskap ontwaarde. Zeker één van de acteurs uit het middeleeuwse kloosterspel dat hier vanavond ook was opgevoerd. Toen ik hem wilde vragen of hij een beetje plaats wilde maken schoof hij al naar links. Zijn stem leek van ver te komen toen hij zei: ‘ Ik vroeg me al af waar je bleef’. Het moet zijn dat hij mijn sprakeloze verbazing voelde want hij vervolgde: ‘ Ik had je zien aankomen ‘. Ik pakte mijn heksenrokken bijeen om over de stam te kunnen stappen en ging zitten. Voor de tas thee die ik nog steeds vasthield zocht ik een vlak plekje tussen het gebladerte op de grond. ‘Bedankt, ‘ stamelde ik, ‘ het was niet zo makkelijk om hier te raken ‘. Hij gniffelde. Iets weerhield me om mijn blik in zijn richting te draaien. Ik fixeerde me dan maar op het vuur, wat ook op hem een hypnotische werking moet hebben gehad, want toen een tijdje later mijn wangen begonnen gloeien viel het me op dat er verder tussen ons nog geen woord gewisseld was. Zijn bovenbeen leunde warm tegen het mijne, wat ik geen fout gevoel vond. ‘ Ben jij familie van Marleen? ‘ probeerde ik de stilte te verbreken, niet dat ik die als onaangenaam had ervaren. Hij strekte zijn lange benen voor zich uit. Grappig zicht van felblauwe sneakers onder een vaal kloosterkleed. ‘ Nee, ‘ weer die gniffel, ‘ ik heb hier wel banden, maar niet met Marleen ‘. Hij tastte met één hand naar iets wat zich ter hoogte van zijn voeten bevond en rechtte zich terug. ‘ Vind je het fout om een heiltoost uit te brengen met die tas thee van je? ‘ Mijn beurt om te giechelen. ‘ Nee ‘ zei ik, ‘ met het gehalte aan jenever dat al door mijn aderen stroomt denk ik dat dat wel gepermitteerd is… ‘. Ik voelde zijn ogen in mijn rug prikken toen ik vooroverboog richting drankje, maar toen ik mij zijn kant op wendde met een krachtig ‘Salud! ‘ versluierde zijn kap zijn gezicht alweer grotendeels, ik meende nog net een bepaald soort vochtigheid onder lang geloken wimpers op te merken. De wind speelde met een lok grijsbruin haar. We nuttigden onze drankjes in stilte. Een sfeer van sprookjes wervelde zachtjes rond ons heen. Was het de warmte, of was het die vertrouwde geur die zich meer en meer opdrong… was het echt, of heb ik me laten meevoeren op de sluiers van vuur en avondmist…? Ik weet niet hoe het die avond is verdergegaan. De volgende morgen werd ik wakker bij mijn vriendin thuis. Van de verwachtte stramheid, of het bonzende hoofd, viel niets te merken. In plaats daarvan voelde ik me merkwaardig licht, en dankbaar… De geur van verse koffie vulde het huis. Op de keukentafel beneden stonden twee dampende mokken klaar. Wat verder stonden de restanten van… een Petit-Beurrekestaart. ‘ Sandrine! ‘ riep ik uit, ‘ wat...? ‘. ‘ Alé ‘ antwoordde zij, ‘ daar kwam jij gisteren bij het sluiten van de boel nog mee af. Ik dacht dat je die thuis gemaakt had…’. Met gedachten versluierd als nevels verliet ik het dorp om naar de grote stad weer te keren. Twee weken later belde ik Marleen. Of zij enig idee had met welke monnik ik aan het vuur had gezeten. ‘ Lieve schat ‘ zei ze, ‘ ik weet niet waar je het over hebt. Ik krijg eerlijk gezegd een beetje de kriebels van je vraag… Sinds één van de meest bezielde spelers daarin gestopt is hebben wij het kloosterspel nooit meer opgevoerd. De laatste keer dat we het speelden moet zo een jaar of tien geleden zijn. Later hoorden we nog dat die man overleden is, en dat terwijl hij net met zijn nieuwe vriendin een huis gekocht had…‘. Mijn mobiele telefoontje heb ik laten vallen, ik had beide handen nodig om de consternatie die zich ter hoogte van mijn onderkaken verzamelde te omvatten. Vanuit de verte hoorde ik Marleen nog ‘ Hallo? ‘-en. Het deerde me niet, een geur van vochtige aarde passeerde en ik had plotseling een onbedwingbare trek in iets zoets.

alabonnefois
0 0
Tip

economy of love

Aan de manier waarop Kurt de voordeur behandelde bij het binnenkomen, kon Liesbeth al horen dat er iets mis was. Niet omdat hij hem extra hard dichtsloeg ofzo –dat zou hij nooit doen. Kurt was een man van nuances en Liesbeth had geleerd dat rimpelingen op het water zijn equivalent waren van een storm. Telkens hij thuiskwam, spitste ze haar oren en nam de opeenvolging, het ritme en de amplitude van de geluiden op die aangaven dat haar man de deur opende en sloot, zijn jas aan de kapstok hing en zijn schoenen verwisselde voor zijn pantoffels. Wanneer hij even later de keuken binnenkwam, wist ze al in welke stemming hij was en aan de toon waarop hij “hallo lieverd” zei, hoorde ze de bevestiging van haar vermoeden. “Hallo lieverd.” Er was inderdaad iets heel erg mis. “Dag schat, hoe was je dag?” Hij keek haar aan met een strakke blik en legde een opgevouwen krant op de keukentafel. “De cartoon op pagina twaalf,” zei hij, “daar moet je eens naar kijken.” Liesbeth veegde haar handen schoon aan een vaatdoek, nam de krant en vouwde hem open. Oh-oh... De spotprent was onmiskenbaar een afbeelding van haar man: zijn scherpe kin, hoge haardos, de aanzet van bakkebaarden. Die zware maar welgevormde wenkbrauwen. Een mooie karikatuur eigenlijk, alles welbeschouwd. Ware het niet dat hij er poedelnaakt op stond. Op een kroontje en een scepter na dan. Liesbeth keek op en zag dat haar man moeite had zijn kalmte te bewaren nu hij de tekening weer onder ogen kreeg. “Het is maar een parodie, lieverd,” zei ze sussend, “de nieuwe kleren van de keizer, iedereen kent dat verhaal. De mensen zullen wel begrijpen dat...” “O, met parodiëren heb ik geen problemen,” onderbrak Kurt zijn vrouw terwijl hij de krant uit haar handen nam. “Maar wie mij zomaar naakt te kijk zet, die kan een telefoontje verwachten.” Hij bladerde tot hij het colofon van de krant gevonden had en toetste een nummer in op zijn mobieltje. “Je ziet bijna niets, schat,” probeerde Liesbeth nog. “Je... je onderdelen zijn maar heel subtiel weergegeven.” Maar hij was de keuken al uitgelopen. “Goeiedag, ik zou uw hoofdredacteur willen spreken,” hoorde ze hem vanuit de woonkamer zeggen. Beleefd, bedaard en even zeker van zichzelf als een leeuw die op het punt staat een gewonde antilope te bespringen.   Jacqueline keek verwonderd op toen de bel ging. Ze verwachtte niemand; iedereen wist dat ze op dit uur van de avond meestal zat te werken en niet gestoord wilde worden. Met een zucht legde ze haar penseel neer en nam de trap naar beneden. De kat kwam haar op hoge pootjes tegemoet gelopen en streek langs haar benen. “Wie zou dat kunnen zijn, Poekie?” zei ze tegen de rosse kater. “Heb jij soms pizza besteld?” Bij de voordeur gekomen ging ze op haar tenen staan om door het spionnetje te kunnen kijken, en schrok zich een ongeluk toen ze zag wie er aan de andere kant stond. “Fuck!” fluisterde ze met ingehouden ontzetting. “Fuck, fuck, fuck, wat komt die hier doen!” Er werd weer aangebeld –kort, maar met aandrang- en Jacqueline besefte dat er niets anders opzat dan haar bezoeker onder ogen te komen. Ze trok snel haar schort uit, streek haar jurk glad en duwde haar bruine krullen naar achteren. Daarna opende ze voorzichtig de voordeur. “Goedenavond, juffrouw,” zei Kurt, “ik ben op zoek naar de tekenaar die voor De Standaard tekent onder de naam Jacky.” Jacqueline kuchte even. “Goedenavond, eh, mijnheer de minister. Die tekenaar, dat ben ik.” Ze stak haar hand uit. “Jacqueline Deprez. Aangenaam.” De minister leek heel even verwonderd, misschien zelfs een fractie van een seconde uit zijn lood geslagen. Maar aan zijn stevige handdruk kon Jacqueline voelen dat hij zich ogenblikkelijk herpakte. “Kurt De Volder. Maar dat wist u natuurlijk al. Mag ik even binnenkomen?” Hij stapte over de drempel, waarbij hij zich moest bukken om onder de deurstijl door te kunnen. De tekenares keek beschaamd naar hem op. Het was voor het eerst dat ze hem in werkelijkheid zag. Wat een aantrekkelijke man. Bedwelmd door de charme die hij uitstraalde, zag ze in een flits een nieuwe tekening voor zich: een elegante, grijze wolf in een zwart pak, die diep voorovergebogen een Efteling-huisje binnenstapt. “Ik ben hier omwille van de cartoon die vanmorgen in de krant stond. Maar ook dat is vermoedelijk geen nieuws voor u.” De jonge vrouw schudde verslagen het hoofd. “Het spijt me als ik u beledigd heb,” begon ze bedeesd. “Ziet u, ik...” De minister hief zijn hand op om haar het zwijgen op te leggen. “Waar is uw atelier?” Jacqueline wees in de richting van de trap. Samen klommen ze de smalle trap op, zich een weg banend tussen de stapels papier en kartonnen dozen die langs weerszijden de al zo beperkte oppervlakte van de treden innamen. Bovengekomen ging Jacqueline haar gast voor naar de kamer die ze als atelier gebruikte. In het midden stond de schildersezel met daarop de aquarel waar ze aan bezig geweest was toen de bel had gerinkeld. Ze duwde de ezel opzij om wat meer plaats te maken, maar de minister legde een hand op haar schouder om haar tegen te houden. “Nee, laat die maar staan. En neemt u maar een nieuw blad papier.” Met een brandende linkerschouder en een wild kloppend hart keek ze toe hoe de minister zich daarna tegenover haar posteerde en zijn broeksriem begon los te gespen. En haar in alle rust en kalmte van de wereld zei: “U hebt namelijk iets recht te zetten.”   Toen Liesbeth die avond haar man hoorde thuiskomen, liet ze het magazine dat ze aan het lezen was op haar schoot rusten en spitste ze haar oren, aandachtig speurend naar de signalen van het conflict dat ongetwijfeld had plaatsgevonden tussen hem en die vrijpostige tekenaar. Maar tot haar grote verwondering wees alles wat ze hoorde erop dat haar man weer zijn gelijkmoedige zelf was. Meer dan dat, hij leek zelfs vrolijk. Hij liep de woonkamer in en gaf haar een kus op haar voorhoofd. “Hallo lieverd.” Onder zijn arm droeg hij een kartonnen buis. “Dag schat, hoe was het?” “Alles in orde. Ik heb het geregeld.” Hij wandelde zijn werkkamer in en toen hij er weer uit liep, was de buis verdwenen. “Ik ga even een douche nemen,” zei hij. Een halve minuut later hoorde Liesbeth hem vanuit de badkamer fluiten. Kurt, fluiten? Ze zette grote ogen op. Kordaat liep ze naar zijn werkkamer, waar de kartonnen koker uitdagend diagonaal over de voor het overige zo ordelijke werktafel lag te wachten. Er zat een papier in, opgerold zoals je met een poster zou doen. Ze schudde de buis krachtig op en neer tot de inhoud eruit gleed. Voorzichtig rolde ze het zware papier open. Het was een tekening. Dezelfde cartoon waar haar man vanmiddag zo overstuur van was geweest, Kurt De Volder in zijn blootje, als de keizer uit het sprookje, met zijn zogezegde nieuwe kleren, compleet met scepter en kroontje, zij het ditmaal in groot formaat. Maar er was nog een verschil. Een groot verschil. Liesbeth´s mond zakte open. Waar op de cartoon in de krant haar man met een micro-penis bedeeld was geweest, bleek hij op deze tekening voorzien van een groot, zwaar lid. Zoals dat trouwens ook in werkelijkheid was. Vol consternatie keek Liesbeth naar het afgebeelde geslacht van haar echtgenoot. De proporties klopten. De vorm van de eikel klopte. Zelfs de moedervlek was naar waarheid weergegeven. Ze rolde de tekening langzaam weer op en schoof hem voorzichtig in de koker. Boven haar hoofd hoorde ze het water van de douche stromen. Godzijdank was het fluiten opgehouden.

Kathleen Verbiest
107 3

Mijn ogen bliksemden haat, en hij loodste me veilig verder.

Ooit in een ver verleden naar aanloop van die eerste november, Allerheiligen. De boosheid bliksemde uit mijn grote zwarte ogen. Niemand kon eromheen. De aarde wist dat ze wijken moest en liet gewillig mij “een voetspoor van vernieling” maken. Mijn voetstappen vol afgunst en koleire maakten een diepe indruk op de grond. elke stap dichter bij huis werd mijn woede afdruk dieper in het zompige herfstlandschap. Ik kwam stampvoetend thuis, ik zou het hem laten voelen, nooit meer met hem praten. Hij had me vernedert, hij was het niet waard mijn vader te zijn. Mijn haat zou hem vernietigen. Ze hadden gelijk mijn klasgenoten. Ik wou hem niet aankijken. Mijn negerende blik, mijn wegdraaiende houding, hij zou lijden. Ik zou geen medelijden hebben voor die papa van mij. Aan tafel verstoorde mijn woordenvloed van haat de rust, hem vertellend waarom ik hem nooit meer zou aanspreken en aankijken. (Na dit gezegd te hebben althans.)   Welke vader was hij wel, mijn ganse dag verknoeit. Ik had er nochtans zo’n zin in, en was goed voorbereid, mijn huistaak netjes gemaakt, alles gevraagd wat ik weten moest. Onze uitstap naar het gemeentelijk kerkhof, een voettocht naar de geliefden die we daar hadden moeten achterlaten. We kregen de kans om ze te doen heropleven, erover te verhalen wat we wisten, misten… Alle klasgenootjes zouden zien dat ik, ik die steeds zo sterk schreeuwde: Dat ik het niet erg vond.  Dat een moeder toch maar diegene is die je op de schoot neemt en ik had tantes die dit deden. Dat een moeder de persoon is die voor je kookt en mijn grootmoeder deed dit. Geen moeder hebben is een gemis, dat wou ik niet toegeven. Temeer omdat mijn moeder haar leven gaf om mij de dood te ontnemen. De weeën van mijn geboorte waren de voorweeën van haar sterven. Toegeven aan dit gemis was toegeven aan de moord die mijn geweten verzwaarde. Bij dit bezoek aan het kerkhof, zou ik in stilte een “sorry voor alles” en “vergeef het me aub” uitschreeuwen. Verbroken contacten herstellen, de navelstreng tussen ons van bloed voorzien. En zo mijn vonnis herschrijven, van schuldig over gans de lijn naar (onopzettelijke) doodslag zonder voorbedachte rade.   Daarom dat ik voor eenmaal mijn huistaak zo serieus nam. De avond voordien had ik mij geïnformeerd. Elk antwoord kende ik vanbuiten. Er kon niets misgaan. Mama ligt rechts van de ingang 4de a 5de zerk in de rij in een grijze gewone grafsteen uit arduin begraven. En die namiddag we kwamen aan het kerkhof, 3 grote ingangspoorten op een rij ze hadden me bijna uit mijn lood geslagen. Maar pienter als ik was wist ik rechts van de meest linkse poort dan sla ik niets over. Elk klasgenootje ging met doordachte pas naar één bepaalde plaats. Ik zocht twijfelend elke lange gang af. Tegen de tijd dat we aan elkaar het graf van onze persoon mochten tonen had ik nog steeds nergens “echtgenote van Cael Roger” gelezen. Ik die het graf van de baarmoeder, waarin ik spelend spartelend drijvend gevoed en geliefd ontpopte tot de wereldveroveraar die mijn moeder baren wou, in al zijn schoonheid zou laten zien aan mijn medeleerlingen. Als mislukkeling moest ik afdruipen. Harder roepend dat het me niets deed om mijn snikkend geneurie te overstemmen. Bovendien sneden de opmerkingen vlijmscherp in mijn vlees. Opmerkingen als: Welke vader, hij heeft je moeder niet graag gezien! Hij die niet meer naar het kerkhof gaat. Geen chrysanten plaatst, nooit gaat bidden voor haar! Zoveel liefdeloosheid voelen het was nooit bij mij opgekomen. Mijn vader was een monster, maar bovenal hij had het me niet mogelijk gemaakt om de rust (in) en vrede te vinden.   De stilte na mijn woordenstorm die aan tafel viel was ijzig koud, de blik van mijn vader ongezien vreemd voor mij. Met verlammende angst liet ik me optillen door die krachtige grote ruwe handen. Om zacht op het dubbelbed van zijn kamer te landen. Zijn ogen hadden een vreemde mengeling van gevoelens die ik nog oplijsten moest gedurende mijn leven. Hij opende de krakende deur van het tabernakel en haalde het heilige prinsessenkleed uit waarmee mijn moeder naast hem gefotografeerd aan onze muur prijkt. Ik mocht de stof eens aaien en met ongekende diepte in zijn stem vertelde hij: dat mijn moeder een communiekleedje ervan wou maken moest ik een meisje zijn. Hij vertelde dat hij hun kamer na haar dood had behangen met het papier dat ze omschreven had in het ziekenhuis en mooi vond. Plots veranderde het behang dat ik vroeger zo lelijk vond naar een mooie aaneenschakeling der patronen vol leven. En hij zei “iets” wat mijn hele leven zou bepalen. Iets wat een totaal ander daglicht wierp op het monster en het schoon liet worden. Hij zei: “ik moet niet aan haar graf staan, of het opblinken, ik heb goed voor haar gezorgd toen ze leefde.” Mijn boosheid werd verpulverd door deze zin. En ik zag de mist in de ogen van MIJN vuurtorenpapa toen hij zijn trouwfoto bekeek. Mijn vuurtoren papa die ondanks zijn mist altijd een lichtschijnsel afvuurde om veilig te kunnen aanmeren. Vol trots heb ik mijn klas nadien met deze wijsheid geconfronteerd. En de vertelronde eindigde met enorm respect voor de man die zijn vrouw liefhad ook al bezocht hij nooit haar graf. En ik, ik heb nog nooit genoeg mijn spijt kunnen uitdrukken over de vernielzucht waarmee ik hem die avond benaderde. Maar weet sindsdien dat ik niet zo vlug oordelen mag. Respect vuurtorenpapa van mij. Nu de mist soms je ogen komt bewolken als je over ma vertelt groeit het respect. En komt die avond, die blik, die angst van je handen weer tot leven om me te helpen te vergeten wat vergeten mag en nooit te vergeten “de gevoelsmengeling die ik nog niet ontraffelt heb”. Papa bedankt voor die inkijk in jouw kluis van momenten en gedachten. Het Mama-woord die zo taboe ons leven overheerste wordt steeds bespreekbaarder tussen ons. Ooit mag jij haar kussen in mijn naam.  

don Caëlia
25 0

Gelukkig Nieuwjaar Madelon!

Buiten wiegen berijmde spinnendraden in de wind. Zoals ze daar hangen, lijken ze op witte serpentines in een gebleekt decor. Alleen de hemel draagt alle lichtste tinten uit de kleurkaarten bij de schilders. De zachtste versies geel, oranje, blauw, groen hangen, door de avondzon aangemoedigd, als een pastelregenboog aan de horizon. De eerste zaterdag van het jaar maken de buren er een traditie van om tegen de middag in de scoutslokalen te klinken op het nieuwe jaar. Bij een voorraad broodjes blijft een hele groep plakken tot de avond. Vanuit het keukenraam ontdekt Madelon enkele feestvierende buren die schuifelend hun weg naar huis zoeken. Ze vindt er niks aan dat buren mekaar willen Nieuwjaarszoenen onder invloed van een overdosis alcohol en hapjes uit zakjes. Madelon kiest veel liever voor een frisse neus bij een wandeling . Ze propt haar handen in een dubbel stel wanten, schuift haar voeten in wollen laarzen, trekt een jas boven haar trui en werkt haar tenue af met een haarband, een muts en een meterslange sjaal. Ze is helemaal klaar voor een ontmoeting met de winterkou, zonder risico. Met haar voeten proeft ze de gladheid van het sneeuwijs. Alles om haar heen ziet er statig uit alsof een tovenaar de wereld even een pauze toeroept en minutieus de kleuren van de natuur heeft verstopt. Het is veel te koud om lang buiten te staan. Madelons wangen voelen pijnlijk ijzig en de druppel aan haar neus bevriest, maar toch kan ze haar blik niet van het sneeuwdecor losrukken. Met betraande ogen stapt ze de sneeuw in die onder haar voeten knispert. Ze ademt de vrieskou. Aan lange lissen langs de gracht groeien ijskristallen, unieker en natuurlijker dan het duurste juweel. Welk woord zouden de Eskimo’s hiervoor hebben? Het sneeuwtapijt verraadt hoeveel hazen en konijnen in de buurt wonen en op een of andere manier aan eten moeten zien te komen. Iets fels in de sneeuw trekt Madelons aandacht. Vlekken rood steken hard af tegen hun witte  achtergrond. Ze lopen als een lijn naar het einde van de straat. Rode kleine stippen, intens van kleur in het midden en vager aan de rand. De vlekken volgen mekaar regelmatig op als een spoor. Ernaast zitten afdrukken van grote, brede voeten. Een man liep hier. Wie weet heeft hij zich verwond? Dan moet ze minstens gaan kijken en helpen. Misschien loopt iemand met een bloedneus rond. Dat gebeurt wel vaker bij deze kou. Of misschien is er iets veel ernstiger aan de hand. Madelon hoorde wel eens een verhaal van iemand die zo dom was om zonder handschoenen met sneeuwballen te gaan gooien. Zijn vingers waren na een tijd zo bevroren dat een ijsbal die slecht terecht kwam een topje van zijn vinger wegsloeg. Kan een vinger in dat geval gaan bloeden? Vast niet. Wie weet, en dat zou vreselijk zijn, kwam er iemand met de fiets naar huis en is hij onderweg heel lelijk gevallen, liet hij zijn fiets achter om te voet en behoorlijk gekwetst verder te gaan. De arme ziel ligt misschien ergens uitgeput dood te vriezen. Het spoor van vlekken wordt steeds kleiner terwijl de voetafdrukken gewoon verder lopen. Madelon kijkt op. Bij de hoek van de straat staan twee buren te praten. Het mannenspoor loopt hun richting uit. Al van ver steekt buurman Bert zijn hand naar haar op. ‘Gelukkig Nieuwjaar Madelon, ook aan het genieten van een wandeling? Ga jij niet naar het buurtfeest? Het is ferm gezellig ginder en die glühwein is heerlijk. Ik nam nog om een bekertje mee  naar huis, maar die dingen waarin ze het spul doen, zijn niet meer wat ze geweest zijn. Een klein kraakje en de boel loopt leeg natuurlijk.’

Annemie Dufromont
0 0

Dieprood

De zon waait door de tuin. Zo’n heerlijke vrije middag ergens in september. De tuin lijkt verward. Twijfelt tussen bloei en schreeuw om winterhard. Volledig in dat wat deze week was, schakel ik voorzichtig om. Genieten of aan de slag? De gulden middenweg bevindt zich buiten. Daar waar ambitie en actie naadloos samengaan. Waar focus nooit een probleem lijkt, resultaat altijd bevredigend is  en oplossend vermogen geen talent. De vereiste tijd echter ontbreekt, hardlopen en doordraven lijkt gewenst. Toch doe ik niets en denk een beetje voor me uit. De gelakte nagels volgen de gedachten in mijn hoofd. Mijn lijf laadt op met ieder woord en vindt de ruimte die er eerst niet was, maar nu zichtbaar wordt. Doorzetten blijkt een farce als mijn proces wordt verstoord. De langzame bewegingen veranderen gestaag in haast en terwijl ik eigenlijk nog iets moest kondigen de logees  zich al aan. Het logeevrije huis  vult zich met herinneringen. Muziek dwars door alle commentaren over het volume heen. De nagels doen, hetzij gehavend, wederom  hun werk.  Met het uitzicht op een pretentieloze avond geniet ik vast vooruit. Een zee aan ruimte, een eeuwigheid aan rust. De zon zakt buiten voorzichtig in de tuin en brengt het leven langzaam weer naar binnen.  Het licht van kaarsen, de bloemen op tafel en de schakering van wijn die steeds meer neigt naar rood. Heerlijk knus en warm zacht. Het voelt goed, het samen, de wereld even buiten, behapbaar en met  belofte. De hete zon verwarmd, maar ik klim door en geniet vanuit mijn nieuwe perspectief. De zwemles achter mij, mijn lief op wacht. Dwalen door het bos of iets met zwerven komt in me op. De realiteit is anders, maar eigenlijk niet minder leuk. Met een plof land ik in het zachte zand. Op pad! De reflectie van de zon doet onnatuurlijk aan. Overtuigd in ambitie dat mijn nieuwe wildernis meer baat heeft bij onderhoud dan een creatieve invalshoek, dan toch de tuin. Alleen, gedachten vrij, en rust. Het resultaat is verbluffend, maar de weg er naar toe is wat telt. De nagels niet meer te redden,  rond ik af. Het huis omarmt en ik land zonder moeite in de warmte van mijn gezin. Met de gedachten voorzichtig gericht op morgen, onderuitgezakt in de vrijblijvendheid van het weekend die nu nog onverwoestbaar lijkt, drink ik mijn echt allerlaatste glas wijn, dieprood. Reeds geplaatst op thesword.nl

Mariola Dirkzwager
0 0

Schone Lei

Het bericht brengt me terug in de tijd. De vermelding van het liefelijke stationnetje op mijn geboorte grond levert een korte impressie op van herinneringen die daar ergens zwerven op het perron. Het vertrekpunt voor mijn reizen richting kroeg, kamers en de schuchtere momenten in de directe omgeving van het destijds pittoreske fietsenhok. Zonder te verzanden in details gaan mijn gedachten moeiteloos terug naar toen en vullen de ruimte met een melancholie die zo kenmerkend is voor de herinneringen uit mijn jeugd. De eerste openbare beelden tonen het toen rustieke plattelandsstation, de gestutte overhellende muren wachtend op het noodstation op komst.  De beelden van een eeuw daarna tonen het station zoals ik het ken.  Mijn symbool voor vrijheid en zelfstandigheid en net zo hard voor geborgenheid, wanneer de wereld groter bleek dan gedacht en de ouderlijke keukentafel  uitkomst bood. Met de naïviteit van de jeugd en de wijsheid van de wereld op zak heb ik daar gestaan met de geur van vrijheid om me heen. Weg van de basis die de ander had gelegd, op weg naar het fundament voor m’n eigen bestaan. Kiezend voor kwetsbaarheid door te vertrekken in een richting waar de ander misschien niet zou volgen met het gevoel dat de wereld van mij was. Tabula Rasa……een schone lei.  Pas veel later met het besef dat die schone lei onvermijdelijk krijtsporen droeg van het verhaal ervoor. Het fundament van ervaring wat ervoor zorgde dat ik kon blijven staan. Voorzichtig kantelend dat wat wel merkbaar maar niet direct zichtbaar was, om het te vangen in het licht, richting m’n eigen perspectief. Ieder vertrek een stap vooruit in het proces naar de basis voor mijn eigen jeugd. Een strak gelakte keukentafel vast voorzichtig  bij de hand. Heel af en toe kom ik daar nog, bij datzelfde station. Het hedendaagse beeld past niet meer bij het dorp zoals ik het ken, maar het gevoel blijft. En terwijl ik daar sta, de oudere jeugd in een veranderde tijd, ruik ik, tegen beter weten in, nog steeds een vleugje vrijheid.   Reeds geplaatst op thesword.nl

Mariola Dirkzwager
0 0

Familie- en bildungsroman De Bevruchting - Proloog.

De buitensporige disfunctionaliteit van het gezin Parker had lachwekkend kunnen zijn - en dat was het ook tot op zekere hoogte - ware het niet dat ouders en nageslacht in toenemende mate milde tot groteske sporen vertoonden van wat men met een eufemisme 'onaangepast gedrag' pleegt te noemen. Een krak in de kop, een hoek af zo je wil. Mooi verpakt, dat wel maar toch her en der steeds meer barstjes vertonend. Niet dat iemand ook maar iets vermoedde, natuurlijk niet. Laat staan dat ook maar één buitenstaander het zou geloven. Immers, toen de heer Parker op 70 jarige leeftijd besloot zijn succesvolle bedrijf op te doeken wegens geen erfelijke opvolging, kwetterde een verkoopster op de regionale bladzijden van een plaatselijke krant hoe jammer dit toch was en wat een goede baas de heer Parker altijd was geweest. De restaurantuitbater van de oester- en kreeftenbar waar de pater familias al dan niet dagelijks dan toch drie maal per week ging dineren, wist te melden dat de heer Parker bij elk bezoek aan zijn zaak uitermate vrijgevig en vriendelijk was geweest en het 4de provenciale voetbalteam was nog steeds verrukt met de centen die de goede man in hun ploeg investeerde en vertelde hoe geestig hij toch kon zijn tijdens het hijsen van ettelijke pinten in de kantine na weer een verloren match. Ja, ja ... Maar achter de glitterende façade van dure wagens, grote villa's en andere oogverblindende welstand, gaapte de leegte, erger nog, de leegte was tot de nok toe gevuld met menselijk wrakhout. Ze zwegen. Allemaal. Niet zozeer omdat de uiterlijke schijn ten koste van alles moest worden opgehouden - dat ook, zeker en vast - maar vooral omdat spreken nog erger was dan zwijgen. Ach, die angst voor represailles, de macht die aan de vader werd toegedicht, terecht of onterecht, om nog maar te zwijgen over al het geld, immobiliën en aandelen die na zijn dood verdeeld moesten worden. Daar zouden de erfgenamen nog voor vechten, zeker weten. Of toch niet? En was er wel zoveel geld als de heer Parker altijd liet uitschijnen? Geen mens die het wist. En toen viel hij dood, zomaar. Te midden van zijn zelfgecreëerde keizerrijk, tussen geld, aandelen en vastgoed, maar zonder een levende ziel die nog om hem gaf. De eerste die hem mistte was de oester- en kreeftenbar baas. Toen na een week of twee zijn omzet dermate begon te dalen, dacht hij : tiens, lang geleden dat we de heer Parker hier nog hebben gezien. En zo ging de bal aan het rollen. Via, via bereikte het nieuws de jongste zoon en werd in een uithoek van het 300m2 grote luxe appartement van de heer parker, zijn stinkende, in staat van ontbinding zijnde lijk aangetroffen.

Wita Meersch
0 0

Mensen zonder verhaal: deel 1

Oh god, zeg dat het niet waar is. Zeg alsjeblieft dat het niet waar is. Tegen beter weten in, staarde ik nog eens priemend naar de treffende figuur in de verte. Die okerkleurige trenchcoat, steevast halfopen rond haar middel zwierend, dat warrige zwarte haar onbeholpen in een minuscuul staartje gemoffeld, dat duo fleurige oorbellen, aan weerszijden van het hoofd olijk dansend op de cadans van haar tred. Geen twijfel mogelijk, zij was het. Een lichte paniek maakte zich meester. Hoe was het mogelijk. Dat ik haar net nu tegen het lijf moest lopen. Een ongeluk komt natuurlijk nooit alleen. Minuten, uren, wat zeg ik, dagen had ik erover gepiekerd, over deze ontmoeting. Over de conversatie die we, aangestuurd door onbeholpen toeval, zouden starten, en over waar die – Joost mocht het weten – eindigen zou. In die halsstarrig terugkerende overpeinzingen was zowat elk mogelijk scenario de revue gepasseerd. Gaande van een lichtvoetig niemendalletje, waarin weinig meer dan de strikt noodzakelijke vriendelijkheden werden uitgedeeld, tot iets fijner besnaarde gesprekken waarin geen zin verkeerd gelegd werd, tot een ronduit catastrofale clash waarin alle onbesproken gruwel eindelijk de vrije loop zou worden gelaten.In mijmeren was ik goed, in fantaseren trouwens ook. In onze urenlange gesprekken van weleer was rond alles wat er echt toe deed dan ook zo zorgvuldig heen gedraaid, dat ik de mogelijkheid om al deze nooit uitgesproken affaires ooit nog met woorden te bezweren zwaar in twijfel begon te trekken. In mijn ooghoeken, zag ik de contouren van haar ritmisch bewegende lichaam schichtig dichterbij komen. Onwillekeurig flitsten mijn gedachten terug naar de talloze keren dat ik op haar zat te wachten. Naar hoe ik, precies aan de toegewijde regelmaat waarmee zij de ene voet voor de andere plaatste, kon voorspellen dat zij het was die met haar virtuoze haar passen de verder verlaten gang vulde. Bij elke stap die ze zette, leek de druk in mijn borstkas - net als vroeger - een beetje toe te nemen. Even overwoog ik het om het – als een halvegare – tussen de winkelende zaterdagnamiddagmassa op een lopen te zetten. Of om in een halfslachtige duikvlucht achter de eerste de beste volgestouwde rayon te verdwijnen. Helaas weigerde mijn elastieken onderstel voorlopig dienst. Het enige waartoe het zich op dit moment eventueel kon lenen, was tot een puike imitatie van een schrikkerige epileptische aanval – hé, dat was misschien nog een idee – en dat terwijl L. nu met de snelheid van een opgejaagde bloedhond leek te naderen. Neen, kom op, niet flauw doen, gewoon zijn. Of zen, of iets dergelijks. Ik overleefde het wel, het was immers niet de eerste keer dat ik dit gesprek voeren zou. Als een getrainde rot in het vak doen-alsof-je-neus-bloedt keek ik gebiologeerd naar een stel pakken suiker in de rek links van mij. “Hee, Riska!” Oh hemel, daar gingen we. Hooghartig draaide ik het hoofd om. “Oh, hee Maira, ik zag je niet.” Lachend keek ze mij aan. Die blik. Ja lachen met haar ogen kon ze altijd al. Aan de manier waarop zich bij het ontbloten van de tanden in beider ooghoeken een lichte optrekkende rimpeling openbaarde, kon je de oprechtheid van haar glimlach aflezen. Dit exemplaar leek me overigens vrij rechtschapen te zijn. “Hoe gaat het met je?” Ze stelde de vraag niet zoals ieder ander hem stellen zou: achteloos, meer uit gewoonte dan uit oprechte interesse in de gemoedstoestand van de toevallig tegen het lijf gelopen gesprekspartner. Neen, niet zij. Zij leek het te menen. Vriendelijk gesticulerend, de glimlach secuur in de plooi houdend, pinden haar ogen zich steeds dwingender vast op mijn eigenste spraakorgaan, dat – jammer genoeg – voorlopig geen enkele aanstalten maakte om een enigszins gepaste reply in de strijd te werpen. Als dit geveinsde interesse was, dan was ze goed. Beroepsmisvorming wellicht, schoot me door het hoofd. Bijna was ik er met open ogen ingelopen. Nog net op tijd wist ik de valkuil der openhartigheid te ontwijken en er een korte "Best hoor." uit te gooien. De bijbehorende "Met jou?" slikte ik maar even in. Ik vond het een al te vrijmoedige inbreuk op haar privacy, iets waar ik absoluut geen zaken mee had. Ook beroepsmisvorming, dacht ik monkelend. In de stilte die daarop volgde, bleef ze me volhardend vrolijk aankijken. Walgelijk. Zoveel levensvreugde zou verboden moeten worden. En al dat kijken, je zou er zowaar gestoord van worden. Net als vroeger - wanneer ze mij al nippend vanachter haar koffie schaamteloos zat aan te staren - voelde ik haar ogen prikken. Ik voelde ze zoeken naar de mijne. Ik denk niet dat ik ooit iemand zo diep had zien kijken. Alsof ze met haar ogen letterlijk in je ziel wilde graven, zo schrijnend aandachtig staarde ze je aan. Alsof je diepst menselijke geheimen daar op de bodem zomaar lagen te wachten op haar vraag, klaar om opgehaald te worden. Abrupt wendde ik mijn ogen af. Dit trucje moest ze heus niet meer uithalen, dat voorrecht had ze verspeeld. Op de zwart-wit geruite supermarktvloer – waar ik mijn ogen bij gebrek aan beter dan maar op fixeerde – ontwaarde ik een schuifelend paar auberginekleurige botjes. Aha, dus toch. Een eerste teken van genaakbaarheid. Ik voelde mijn pols verslappen. Uit het niets borrelde plots ook de sterke aandrang op om haar mee op de koffie te vragen. Stedelijke koffiehuisjes leenden zich zo heerlijk uitstekend voor onzinnig langdradige gesprekken over niets en over alles tegelijk. Een plek waar we nostalgisch langs onze neus weg dingen konden oprakelen als 'weet je nog, toen ik van je hield' en daar dan – tussen twee koekjes door – eens hartelijk om konden lachen – of huilen – het bleef al gelijk. Gewoon, even praten, zoals alleen oude bekenden dat kunnen. Gewoon, alles, heel even alles, heel gewoon. "Nu goed, ik moet eens gaan." De zin rolde uit mijn mond, als een mokerslag uit de vuist van een zwaargewicht eersteklas. Zo kwam hij ook aan. Een kort pleidooi over drukte, veel werk en treinen die gehaald moesten worden – je kent dat wel – ratelde er achteraan. De blik in haar ogen veranderde van toon: minder etherisch, scherper, serieuzer ook. Ik wist dat ze me doorhad, maar dat kon me weinig schelen. "Zeker, ik zie je wel weer." bracht ze terug, opnieuw haar hartelijkste glimlach bovenhalend. Ik wist dat ze loog. Zes korte woorden, meer was er niet nodig geweest om van alles op slag terug niets te maken. Terwijl ik al een eerste stap in de richting van het netjes uitgestalde assortiment confituren zette, keek ik haar nog eens strak in de ogen, haakte deze vervolgens los en vulde de vrijgekomen ruimte in met een blik op oneindig. Weg, hier vandaan, was al wat ik bedenken kon. Enkele tellen hield ik het vol, maar kon het uiteindelijk toch niet laten. Nog één keer keek ik achterom. Al wat ik daar zag was het auberginegetinte laarsjesduo, dat onbestemd, maar met de vertrouwde regelmaat van pas, hopelijk voor de laatste keer mijn leven uitwandelde.

Hanna Lucia
0 0