Zoeken

De vrouwtjes

“Goeiemiddag mevrouw. Van Der Spek, inspecteur. Ik heb begrepen dat hier een diefstal heeft plaatsgevonden.”- “Dat klopt, inspecteur.”“Kunt u mij de precieze omstandigheden onder dewelke het voorval voorviel verhalen?”- “Het zit zo dat ik gisterenavond bezoek had van een knappe man. Een inspecteur, zowaar.”“Veelal betrouwbare types.”- “Dat is ook zo. En toch weer niet. Ziet u, deze knappe, innemende inspecteur heeft namelijk mijn hart gestolen.”“Diefstal van vitale lichaamsdelen. Hoe laf. Dat kan hem duur staan te komen.”- “Pakt u hem maar niet te streng aan.”“Ututut. Ik moet overigens zeggen dat ik deze plek herken, vermits ik hier gisterenavond meen te hebben vertoefd. Als ik mij goed herinner waren hier enkel twee individuen aanwezig, te weten uzelf en mijzelf, in de hoedanigheid van ons beiden.”- “Oh nee, inspecteur, wat zou dat kunnen betekenen?”“Dat kan enkel betekenen dat we hier met een onzichtbare macht te maken hebben. Iets dat onze respectieve persoonlijkheden oversteeg, en zich als dusdanig aan mijn nauwlettend inspecteursoog wist te onttrekken.”- “Oh nee, dat klinkt vreselijk.”“Maakt u zich maar geen zorgen, juffrouwtje. Wat er ook moge gebeuren, ik verzeker u dat u uw hart terugkrijgt.” Van Der Spek wist wat de vrouwtjes nodig hadden. Een man die niet enkel naar de woorden luisterde, maar ook naar wat erachter school. Iemand met een beschermende houding. En begrip. Bovenal begrip. Enkel spijtig dat de vrouwtjes hem nooit zagen staan.

Proza(c)
0 0

Herrie

Andy’s vrij korte armen hadden hem eigenlijk nimmer voor onoverkomelijke problemen gesteld. Het enige wat hem echter nooit goed was afgegaan, was de wasmachine ledigen. Hoe hij ook probeerde, nooit slaagde hij erin zijn armen helemaal rond de kleffe was te spannen. Onderweg naar de waslijn was er altijd wel een sok of onderbroek die hem ontsnapte, en op de grond belandde. Lakens, broeken, en hemden geraakten wel altijd op bestemming. Zo in gedachten verzonken wandelde Andy door de stad. Het is zoals het leven, dacht ie. Er valt al eens een sok. Of een onderbroek (sommige mensen zeiden slip maar daar ging je Andy niet gauw op betrappen). Maar het écht belangrijke – de grote stukken - kwam toch maar altijd mooi in orde.       Hoewel, dacht Andy, een onderbroek, dat is toch ook zeker niet onbelangrijk. Wel integendeel. Een verse onderbroek was zelfs essentieel. En toch vielen die zoveel sneller. Andy merkte van zichzelf dat hij in een neerwaartse denkspiraal was terecht gekomen. Daar kwam altijd herrie van. Hij kwam aan bij het huis van zijn geliefde, en belde aan. Ze deed open, en zoals steeds was Andy compleet verbouwereerd door haar verschijning. In een opwelling zei hij: “Vicky, ik weet niet wat het betekent, maar je bent een slip voor mij.” Hij draaide zich om en liep terug naar huis.Helemaal ontdaan sloot Vicky de deur en ging ze terug in de zetel voor zich uit staren, zoals ze al de hele dag had gedaan. Ze moest de wasmachine nog legen. Daar kwam altijd herrie van.

Proza(c)
0 0

Tango

De ochtend van zijn vertrek wijst alles op een glorieuze start: de zon schittert aan een egaal blauwe hemel, hij voelt zich fit en energiek en hij heeft geld. Als Joris Wallaert zijn rugzak de trein op sleept, laat hij buiten zijn ouders niemand van betekenis achter. Zijn eerste halte is Parijs, waar hij een vriend wil opzoeken. Samen zullen ze naar de Côte d'Azur sporen en van daaruit per boot naar Tunesië. In het Gare du Nord staat Alain hem op te wachten. Ze hebben samen net hun rechtenstudie beëindigd, allebei met grote onderscheiding. Alain heeft in Parijs familie bezocht. 'Klaar voor het avontuur?' Ze lopen de trappen af naar het metrostation. 'Helemaal', zegt Joris met een brede glimlach. ‘Ik ben heel nieuwsgierig naar wat de wereld nog meer in petto heeft dan universiteitsaula's, gortdroge wetteksten en bibliotheken.’ 'We kunnen logeren bij mijn grootouders', zegt Alain. 'De trein naar het zuiden vertrekt morgen om half negen. Tegen de middag zijn we in Nice.' Joris vertelt terwijl ze door de ondergrondse sporen hoe hij zijn moeder heeft moeten beloven elke dag iets van zich te laten horen, een belofte die zijn vader monkelend heeft weggelachen. 'Neem het er maar van, jongen', en hij had zijn zoon stevig omhelsd, een vertrouwelijkheid die Joris niet van zijn vader gewend was. Dat kwam wellicht door de champagne, als toost op zijn afstuderen. En op het vooruitzicht van zijn wereldreis, die hij voor zijn prestatie cadeau kreeg van zijn ouders. 'Mijn moeder is vooral bang dat ik met een of andere exotische ziekte zal terugkeren.' 'Alsof er geen grotere gevaren zijn', zegt Joris met veel pathos. 'Vrouwen!' 'Drank!' 'Drugs!' Ze lachen, denderen uitbundig door de metrogangen en stappen met een triomfantelijk gevoel door de Parijse straten. Joris waant zich als een vrijgekomen gedetineerde; eindelijk ruimte, de wereld aan zijn voeten, anything goes!   Die middag in Nice drinken ze pastis op een terras. Dit is het helemaal, denkt Joris, het blauw van de Middellandse Zee, de zon, het geluid van de cicaden, de flanerende meisjes. Ze praten over wat ze willen zien en doen voor ze aan het 'echte' leven beginnen. 'Laten we hier een paar dagen blijven', stelt Joris voor, 'om te acclimatiseren.' Alain vindt het goed. Ze willen deze reis samen maken, maar ze hebben niets gepland. Behalve dat ze vanuit Marseille naar Tunesië gaan. De tweede avond raken ze verzeild in een bar waar tangomuziek wordt gespeeld. Enkele koppels dansen. Joris geniet van het schouwspel, de souplesse van de dansers, hun overgave en passie, de meeslepende, melancholieke muziek. Ze worden bediend door een jonge vrouw met Spaanse trekken: felle, donkerbruine ogen, zwart haar en een donkere huid. Ze beweegt als een kat: soepel, elegant en met een nauwelijks verholen wellust die Joris fascineert. Bij het tweede glas vraagt ze of hij wil dansen. Hij wil wel, maar hij kan het niet. Tango dansen vormt geen onderdeel van een opleiding rechten. Ze wuift zijn argument weg en trekt hem van zijn stoel, toont hem enkele basisstappen. Haar lichaam voelt stevig aan en ze ruikt naar citroen en muskaat. Ze trekt en duwt aan zijn lijf tot hij het ritme voelt en de danspassen beet heeft. Ze lacht triomfantelijk als hij haar bewegingen volgt. Alain laat zich door een blond meisje meetronen. Dansen is niet zijn ding. 'We gaan een wandeling maken', fluistert Alain hem in het oor en ze verdwijnen. Joris danst de hele avond.   Ook de volgende dagen trekt Joris naar de bar en danst hij met de betoverende Rosalinda. Elke avond leert ze hem nieuwe passen en bewegingen en aan het einde van de week slaan ze tussen de andere dansers geen slecht figuur. Alain is niet echt verbaasd als Joris aankondigt dat hij nog een tijdje wil blijven. 'Zo ga je weinig van de wereld zien.’ 'Misschien heb ik nu al genoeg gezien.’ 'Dan moet ik alleen verder', zegt Alain met gespeelde teleurstelling. Joris verontschuldigt zich, maar Alain lacht zijn excuses weg. De Deense toeriste die hij in de bar heeft leren kennen, wil hem heel graag vergezellen. 'Misschien is ze leuker gezelschap dan ik.’ 'Mooier in elk geval', grapt Alain. De volgende dag nemen ze afscheid op het station. Alain en de mooie Deense stappen de trein op naar Marseille. Even overvalt Joris het nare gevoel dat hij een afspraak niet nakomt. En tegelijk weet hij dat hij zijn intuïtie moet volgen, nu alles nog kan.   Jo, noemt Rosalinda hem en hij mag haar Rosa noemen. Twee jaar geleden is ze hier met haar ouders vanuit Argentinië beland. Ze heeft geen opleiding gehad; ze kan enkel koken en dansen, zegt ze. Beter dansen dan koken, voegt ze eraan toe. Joris begrijpt zijn plotse fascinatie voor de dans en voor deze vrouw niet. Op de weinige feestjes die hij in zijn studententijd bezocht, bleef hij meestal aan de kant. Maar deze dans is anders. De tweede week koopt Joris een snelcursus Spaans. Rosa corrigeert consequent zijn uitspraak. En elke avond dansen ze, tot laat in de nacht. 'Je bent een geboren danser', zegt ze. 'We zouden er geld mee kunnen verdienen.' 'Ik heb rechten gestudeerd', zegt Joris, 'als ik terugga, is dat mijn beroep. Ik ben geen danser.' 'Misschien ben je goed in rechten', zegt Rosa met een flikkering in haar ogen, 'maar dansen is veel leuker.'     Joris slentert na een laat ontbijt vaak langs de kust. Aan zijn plan om zijn wereldreis verder te zetten, denkt hij niet. Alles wat hem boeit, gebeurt hier. De dans laat hem niet meer los. Het is alsof zijn lichaam is ontwaakt door de tangomuziek, opgewekt uit een winterslaap. Het heeft zijn ritme gevonden, zijn eigen stijl. Hij loopt en beweegt op een andere manier, net of de dans zich permanent in hem genesteld heeft. Is het de betoverende Rosa met haar Zuid-Amerikaanse temperament die de passie in hem oproept, zijn het de bewegingen in de dans of is het de melancholische muziek? 'Waarschijnlijk alles samen', zegt Rosa en ze kust hem. Veel meer is er nog niet gebeurd tussen hen en tegelijk lijkt het alsof ze elkaar al eeuwig kennen. De tango staat symbool voor de liefdesdaad en alhoewel ze allebei weten dat het zal gebeuren, lijken ze niet gehaast. Alle passie ligt in de dans, in de sensualiteit van de bewegingen, de lichamen die om elkaar heen draaien, de aanrakingen, de blikken, de geur van de zwetende lijven en het net niet laten gebeuren waar ze naar snakken. Daar genieten ze intens van: dat uitstel, dat niet toegeven, het laten groeien van het verlangen. Als hij na drie weken nog steeds geen aandrang voelt om verder te reizen, praat hij erover met Rosa. Hij vertelt haar van zijn oorspronkelijk plan en dat hij niet meer weg wil. Voor Rosa is het eenvoudig: als de tango zijn leven zin geeft, waarom zou hij dan verder zoeken? Ook het argument dat zijn ouders verwachten dat hij in de advocatuur stapt, brengt haar niet van haar stuk. 'Het is niet hun leven', zegt ze, 'maar het jouwe. En met wie moet ik dan dansen, als jij weggaat?' 'Met het geld dat ik heb, kan ik hier een jaar overleven', vertelt hij haar. 'We zullen hard trainen tot we aan danswedstrijden kunnen deelnemen, en dan maken we een show. Of we starten een dansschool.' Rosa lacht. 'Waar ga je een school beginnen? Hier aan de Côte d'Azur?' 'De Fransen houden van dansen en ze hebben een joie de vivre, dus waarom niet', zegt hij en ze merkt dat hij geen grap maakt. 'Wil je dat echt?' Haar ogen glinsteren en ze likt haar lippen nat. 'Ik zou met niemand anders kunnen dansen.' Ze staan zwijgend op. Rosa neemt zijn hand en leidt hem de trap op naar haar kamer. Daar dansen ze de laatste fase van de tango, het gedeelte dat niet bestemd is voor publiek.     Rosa heeft die avond in de bar Argentijnse vrienden uitgenodigd. Misschien willen zij investeren in de dansschool waar Joris van droomt. Hij heeft de hele namiddag op zijn kamer de danspassen geoefend. Voor hij zijn kamer verlaat, stopt hij de oortjes van zijn IPod in. In een wolk van tangomuziek stapt hij de straat op. Het is half acht, ruim op tijd. Zo kan hij met Rosa nog wat oefenen, want hij wil op de Argentijnen indruk maken. Hij kent een kortere weg naar de bar, een steeg die met een flauwe bocht naar de kade loopt. Ze wordt enkel gebruikt door fietsers en voetgangers. De steeg heeft over de hele lengte blinde muren, met hier en daar een portiek.   Roger, de 62-jarige schipper van een vissersboot, is op café geweest. Hij heeft met de andere vissers heftig gediscussieerd over de overbevissing en de vervuiling van de Middellandse Zee. Daarbij zijn harde woorden gevallen en is er veel gedronken om de gemoederen te bedaren. Als Roger uiteindelijk opstaat, wankelt hij. De andere lachen. Een paar koppen koffie thuis zullen wel helpen. Fietsen lukt ook niet zo best en daarom draait hij het steegje in, dat gaat lekker bergaf. Als hij een flinke vaart heeft, merkt hij voor zich een jongeman. Hij belt, maar de man reageert niet. Roger remt. De remkabel knapt. De wind suist in zijn oren. Hij knijpt de achterrem dicht, zonder effect. Hij roept zo hard hij kan, maar de jongeman lijkt hem niet te horen. Dan gebeurt alles zo snel dat de benevelde geest van Roger het niet kan bevatten: hij brult uit alle macht, knijpt zijn vuisten wit rond het stuur, knalt in volle snelheid tegen de jongeman aan, maakt een duik en belandt met zijn hoofd tegen een arduinen drempel.     Het is acht uur voorbij en Joris is er nog niet. De Argentijnse vrienden zijn net aangekomen. Rosa is nerveus, het is niet Joris' gewoonte om te laat te komen. Om kwart over acht belt ze zijn gsm. Hij neemt niet op en ze spreekt een boodschap in. Om half negen belt ze weer, met hetzelfde resultaat. Ze vraagt om snel terug te bellen. Ze verontschuldigt zich bij haar vrienden. Hij keek er zo naar uit, vertelt ze, om vanavond te dansen. Zou hij zich toch bedacht hebben? Zou hij toch vertrokken zijn voor zijn wereldreis? En zou hij terugkeren naar huis om te doen wat van hem verwacht wordt? Is de tangobetovering voorbij? Heeft hij genoeg van dit exotisch avontuurtje? Ze weigert het te geloven en ze belt weer, maar hij neemt niet op. Ze zegt tegen haar vrienden dat ze niet weet wat er aan de hand is, maar die willen dansen en ze trekken haar lachend mee en ze danst, maar het voelt niet goed. Ze dacht dat Jo eerlijk was, dat hij oprecht van haar en van de tango hield. Zo gaat het dus blijkbaar: een vakantieliefje voor een ruikeluiszoon die van papa geld krijgt om te zien wat er in de wereld te koop of te krijgen is. Als het begint te vervelen, laten ze je vallen. Welke andere reden kan hij hebben gehad om haar in de steek te laten? De vrienden proberen haar op te monteren. 'Waarom kom je niet mee met ons', vragen ze. 'We zoeken wel een danspartner voor jou. Kom mee, niets houdt je tegen.' Maar ze is te moe, te boos en te ontgoocheld om na te denken. Ze wil slapen, alleen zijn, weg van de muziek, weg van de tango.     Joris ontwaakt in een ziekenhuisbed. Hij probeert te bewegen. Een vlammende pijn schiet door zijn lijf. Zijn bekken is omzwachteld en zijn rechterbeen hangt aan een staalkabel. Hij probeert zich op te richten. Een verpleegster duwt hem zachtjes terug. 'Blijven liggen', zegt ze, 'u moet rusten.' 'Hoe laat is het?' 'Bijna middag, u krijgt zo meteen eten.' Middag, denkt Joris, en dan doemt uit zijn herinnering de steeg op, de klap in zijn rug en dan niets. 'Wat heb ik?' 'De dokter komt zo', zegt de verpleegster. 'Ik moet bellen. Geeft u mijn gsm. Ik moet iemand verwittigen.' Rosa zal ongerust zijn. 'Alles van waarde ligt in een kluis', antwoordt ze. 'Ik zal het u bezorgen.' Ze verdwijnt. Joris kijkt de kamer rond, de witte muren, de televisie op een draagarm tegen de muur, het raam dat uitgeeft op een park. Er is iets mis met zijn been en zijn bekken. 'U hebt geluk gehad', zegt de dokter, een vriendelijke man met een korte, grijze baard en een fijn metalen brilletje. 'U had verlamd kunnen zijn.' Joris slikt. Het angstzweet breekt hem uit. 'Uw bekken is op twee plaatsen gebroken en uw rechterheup is ontwricht. En uw rechter dijbeen en enkel zijn gekneusd. U zal opnieuw kunnen lopen, maar de revalidatie zal lang duren.’ Joris knikt gelaten. ‘Ik heb gezien dat u buitenlander bent. Als er geen complicaties optreden, kan u over enkele dagen gerepatrieerd worden.' Joris denkt aan de tango, aan zijn plan voor een dansschool, aan Rosa. 'Zal ik nog kunnen dansen?' De dokter glimlacht. 'U zal eerst opnieuw moeten leren lopen, jongeman. Dansen zit er voorlopig niet in.'   Zijn gsm doet het niet. Hij prutst de batterij eruit, checkt de simkaart, maar het toestel blijft dood. Hij vraagt een telefoon aan de verpleegster, belt zijn vader, legt de situatie uit. 'Repatriëring', zegt hij, 'van zodra het kan. Ik zal alles voorbereiden.' Hij stelt zijn moeder gerust, zegt dat alles goed komt. Over de tango zwijgt hij. Het nummer van Rosa kent hij niet, dat zit in zijn gsm. Hij moet haar verwittigen. Als de verpleegster hem komt verzorgen, merkt hij pas de omvang van zijn verwondingen: zijn rechterarm en -hand zijn geschaafd, zijn bekken ligt in een kom om te stabiliseren en zijn been zit van aan de lies tot en met de voet in het verband. Hij heeft schaafwonden aan zijn hoofd en linkerknie. Als hij zijn heupen probeert te bewegen, schiet de pijn als een kortsluiting door zijn lijf. Hij wil naar huis. Aan dansen wil hij niet denken. Hij wil wel met Rosa praten, het haar uitleggen; ze zal het begrijpen. Hij vraagt een telefoongids, hoopt de tangobar te vinden, maar hij twijfelt over de naam. Hij belt, maar niemand kent Rosa.   De televisie zendt een verslag uit van een persconferentie over de zieltogende toestand van de zee. Een mooie vrouw eist dat de overheid actie onderneemt. Een journalist van Nice Matin vult haar aan. De vrouw is bio-ingenieur. Ze klaagt de overheid aan omdat die niets onderneemt tegen de overbevissing, met enorme kwallenplagen tot gevolg. De vrouw verwijst naar de toenemende vervuiling van de zee. 'De mensen zwemmen eigenlijk in een beerput', zegt ze. De burgemeester lacht de aanklachten weg met nogal onnozele argumenten, vindt Joris.  'Voor de kwallenplaag', zegt hij, 'zijn adequate middelen beschikbaar. De stad zal netten in zee hangen die de kwallen op afstand houden, zodat de baders er geen hinder van ondervinden.' Daarmee is voor hem de kous af. Er volgen beelden van de kwallen en van de netten die aan de Spaanse kust worden gebruikt.   Joris zakt weg in een wazige slaap. Hij hoort tangomuziek en hij danst met Rosa op een immense dansvloer, omgeven door duizenden mensen die enthousiast toekijken en dan deint de vloer als het dek van een schip in een storm en mensen vallen en schuiven over het parket, Rosa en hij ook, ze tuimelen over de rand het water in dat bedekt is met kwallen die hun gigantische tentakels als lianen rond hun lichaam slingeren en naar de bodem trekken. Joris rukt aan de tentakels tot de lucht in zijn longen is opgebruikt en hij proestend de laatste lucht uitblaast, beseffend dat dit het einde is en dan schiet hij wakker, hijgend en bezweet, starend naar het donkere plafond.   Joris hoort niets van Rosa. Zou ze niet gedacht hebben aan een ongeval? De ziekenhuizen gebeld? Hij begrijpt het wel. Wat kon hij voor haar meer betekenen dat een vluchtig avontuur? Hoe heeft hij het in zijn hoofd durven halen om te denken dat hij na enkele weken een tangodanser kon zijn? Hoe zou hij zich ooit hebben kunnen meten met een Argentijnse die het dansen in de genen heeft? Wat een arrogantie! Als de dokters laten weten dat hij kan vervoerd worden, laat vader Wallaert zijn zoon met een ambulance naar de luchthaven van Nice brengen, waar een gecharterde jet wacht. Tegen de dronken fietser dient hij een aanklacht in. Een week na het ongeval is Joris thuis. Er ligt een kaartje met groeten vanuit Djerba van Alain en het Deense meisje.   Rosa blijft zich na die avond afvragen wat er met Joris is gebeurd. Tientallen berichten heeft ze ingesproken, maar hij heeft niet teruggebeld. Ze is woedend geweest, verdrietig, ze heeft gelatenheid gevoeld, ontgoocheling, hoop en de steeds weerkerende vraag waarom hij er zo vandoor is gegaan. Ze kan honderden redenen verzinnen en toch begrijpt ze het niet, ze kan niet geloven dat hun liefde zo kon vervliegen als rook in de warme avondlucht. Ze weet niet eens waar hij verbleef. Ze weet niets. Ze danst weer, na een hele tijd, en ze is meegegaan met de Argentijnse vrienden, weg uit de bar. De hoop is allang vervlogen. Maar als ze danst, denkt ze nog vaak aan hem.   Joris Wallaert herstelt van zijn verwondingen, maar houdt aan het ongeval een afwijking aan de heup over waardoor hij licht mankt. De eis tot schadevergoeding aan de fietser - die nog steeds in een diepe coma ligt - wordt verworpen: Joris droeg oortjes en heeft zich dus onaangepast in het verkeer begeven. Hij wordt benoemd aan de balie en verlooft zich met de dochter van de procureur-generaal van de rechtbank. Joris wil zich toeleggen op milieuconflicten. Dansen doet hij niet meer.  

Berenger
0 0

De Schetser aan de Seine

Omdat ik verder niemand kende op de vernissage, verwelkomde ik met plezier de iets oudere man aan het tafeltje waaraan ik had postgevat. Ook hij was een verre kennis van de exposerende artiest. We schudden elkaar de hand en hij stelde zich aan me voor als Schrijver, waarna ik mijn naam noemde en aangaf dat ik helaas een eerder inspiratieloos beroep uitoefende, namelijk dat van boekhouder. De Schrijver knikte begripvol en greep de gelegenheid aan om een verhaal af te steken over een bijzondere man die hij ooit had ontmoet in Parijs. ‘Op zonnige dagen vind je hem aan de oever van de Seine,’ vertelde hij, ‘Op het muurtje aan de kant van de Notre-Dame, pal tegenover ‘Shakespeare and Company’, een van de meest pittoreske boekenwinkels de stad rijk. Je moet goed weten wie je zoekt, want deze kunstenaar herken je niet aan de typische schildersezel zoals de meeste artiesten die bij zich hebben. Ook een met olieverf bespat schort ontbreekt, of het zo kenmerkende trio van schetsblok, klapstoel en parasol. Om deze man te vinden, moet je vooral goed kijken. Let daarbij op de blik in zijn ogen: voortdurend verglijdend van peinzend naar priemend en omgekeerd. Diegene die hem vindt, prijst zich gelukkig. Het portret dat de man schetst is origineel en geloofwaardig. Nog opvallender: er komt geen borstel of doek aan te pas. De kunst van deze man, laten we hem de Schetser noemen, bestaat er namelijk uit zijn klanten interessante levens toe te schrijven.’ ‘Merkwaardige bezigheid,’ bracht ik lachend in. ‘En vast een hele uitdaging voor zijn boekhouder.’ ‘Dat is niet de essentie,’ ging de Schrijver voort. ‘Met zijn gave zet de Schetser zich in voor het welzijn van de gemiddelde mens met een doorsnee persoonlijkheid. Het is een misvatting dat dergelijke zielen saai zouden zijn, of niet de moeite waard. Toch lijken ze zich op feestjes vaak te laten verdrukken door sprankelende personages die een zogenaamd boeiend beroep of een merkwaardige hobby uitoefenen en over een uitgebreid arsenaal aan weetjes en anekdotes beschikken waarover ze gevat kunnen vertellen. Om niet te moeten onderdoen voor deze figuren, kan de iets kleurlozere sterveling zich voor de gelegenheid een intrigerend imago laten aanmeten door de Schetser. Beeldt u zich in hoe dames, ter voorbereiding van een party, zich een nieuwe jurk, schoenen of handtas aanschaffen, vervolgens naar de kapper gaan en daarna langs de Seine passeren om zich door de kunstenaar in kwestie stijlvol te laten opmaken met een bijpassend betoog. Of hoe mannen, perfect geschoren en geparfumeerd, net dat tikkeltje meer uitstralen door middel van een prikkelend profiel, op maat geschetst.’ ‘Toch vermoed ik een addertje onder het verhaal,’ onderbrak ik de Schrijver.’Wat als twee mensen hetzelfde kader krijgen aangemeten, hetzelfde feestje frequenteren en daar dezelfde geschiedenis ophangen? Kan men, met andere woorden, deze schetsvertoningen niet makkelijk doorprikken?’ Mijn gesprekspartner slurpte een oester op alvorens te antwoorden. ‘Dat valt wel mee,’ vervolgde hij uiteindelijk. ‘Onderschat het talent van deze man niet. Daarbij, het is wetenschappelijk bewezen dat het brein zich bereidwillig in de luren laat leggen. Bovendien krijgen klanten, mits een kleine opleg, een arsenaal aan argumenten om netelige vragen eloquent te pareren. Nee hoor, zij zitten gebeiteld met hun verworven boutade. Ik verzeker je, de Schetser draagt kwaliteit hoog in het vaandel.’ ‘En verdient hij daarmee voldoende om in zichzelf in zijn levensonderhoud te voorzien?’ vroeg ik me hardop af. ‘Absoluut!’ antwoordde de Schrijver. ‘Hoewel ik moet toegeven dat het hem de laatste tijd iets minder voor de wind gaat.’ Hij zweeg even, maar had niet meer nodig dan mijn vragende blik om zijn verhaal verder te zetten. ‘Het zit namelijk zo,’ sprak hij enigszins aarzelend, ‘Een ongelukkige samenloop van omstandigheden heeft hem een beetje in een slecht daglicht geplaatst.’ Nu was het mijn beurt om begripvol te knikken. Een en ander geeft opgeteld niet altijd de verwachte uitkomst, dat had ik in mijn beroep al meer dan eens ervaren. ‘Zolang hij zich tot volwassenen richtte was er geen probleem,’ aldus de Schrijver. ‘Maar zodra hij zijn doelgroep uitbreidde naar een jonger publiek, gingen de poppen aan het dansen. Hoewel zijn motief nobel was – de Schetser herinnerde zich maar al te goed zijn eigen, eenzame jeugd – duurde het niet lang of de eerste ouder beschuldigde hem van misleiding en verlokking van minderjarigen.’ ‘Een ernstige aanklacht,’ reageerde ik geschrokken. ‘Ach, allemaal overroepen,’ schokschouderde de Schrijver. ‘Ik weet zeker dat de Schetser het allemaal niet slecht bedoelde. Hij probeerde die jongelui te helpen, ze net weerbaarder te maken. Dat hij de kinderen met imaginaire vriendjes opzadelde en op die manier de psychiatrie injoeg, zijn lasterlijke leugens!’ De nu rood aangelopen Schrijver nam een stevige slok van zijn glas. Er glinsterden een paar druppels champagne op zijn kin. En beeldde ik het me in, of zag hij er oprecht ontdaan uit? ‘Tsja, kinderen veranderen vaak iemands verhaal,’ bracht ik in. ‘Dat zal wel,’ mompelde de Schrijver. Hij staarde in de verte, leek zich uit ons gesprek terug te trekken. Toen, alsof hem iets te binnen schoot, keek hij me scherp aan. ‘Het was me zeer aangenaam u te ontmoeten,’ zei hij ietwat bruusk. ‘Maar ik moet nu gaan. Ik verwacht een belangrijk telefoontje waarvoor ik klokslag zes uur thuis moet zijn.’ Met een korte knik en een stevige handdruk nam hij afscheid. Terwijl hij naar de uitgang liep en ik hem nakeek, viel me de verdikking aan zijn rechterenkel op. Alsof hij, verborgen onder zijn sok, een zwaar en donker verhaal met zich meesleepte.  

Ruth A
0 0

Constantijn

Hij stond naakt voor iedereen te kijk, maar daar leek hij zich niet helemaal van bewust. Hij staarde maar wat in het ijle, zijn hand onder zijn kin. Niet dat hij verdwaasd was, of ontdaan, ik zou het bezadigd noemen, zeker van de overwinning. Zijn hoofd lichtjes gebogen, de blik naar boven gericht. Kom maar. Hij had iets ongenaakbaars. Zijn pose was niet oermannelijk. Met zijn knik in de rechterknie en de linkerschouder naar achter had hij zo op de cover van Vogue gekund, tenminste, als hij wat aan had gehad. Maar toch had hij ook iets van een macho. Met een enkele zwaai verloor hij zijn arm. Geen erg, dan maar zonder. Geen kreuk te zien op dat gezicht. Hop, daar gingen de knieën. Zijn romp viel nu plat naar voor, recht in de vleesjus. Het lichaam werd opnieuw blokjes rode kool en aardappel. Geert kauwde zijn standbeeld gestaag naar binnen. De David van Michelangelo beviel hem wel, hij leidde de aandacht af van de aangebrande rode kool. Sinds Marjan hem verlaten had, had hij de oude gewoonte opgenomen om een maquette te maken met zijn voedsel. Daar was zijn grootvader ooit mee begonnen, om de honger op te wekken bij die kleine eter van een kleinzoon. Ambiorix en de leeuw van Waterloo had hij zo naar binnengespeeld. Dat ze er uitgerekend met de kapper was vandoor gegaan. Ik had het moeten weten, dacht Geert. Baleage na baleage had ze opeengestapeld, tot haar haren op haar hoofd getekend leken. Met de David van Michelangelo had Geert enkel de grote handen gemeen en het golvende haar. David was kalm en gespannen tegelijk, filosofisch en opwindend, een leiderstype met hersenen en een pracht van een lichaam, het symbool van de Florentijnse staat. Geert was kalm. Bij gebrek aan andere adjectieven had zijn vrouw Marjan een afgietsel van David gekozen. Bovendien had ze met haar David ook een levenslange garantie op de producten van Jean Louis David. Maar al bij al was het een verrijking. Elke ervaring is een verrijking van onze gevoelswereld, een inspiratiebron voor de creatieve geest. Hij was naar een klein studiootje verkast, waar hij zich nu in alle rust kon toeleggen op zijn levensdoel: een boek. Schrijven. Zeven was hij, toen hij zijn vingers over de boekenruggen liet gaan in de bibliotheek, terwijl de andere kinderen door de gangen renden. Legoblokken maakten plaats voor woorden. De rest was een verhaal zoals er honderdduizenden waren. Een gebrek aan discipline en de hang om zich sociaal te verankeren hadden zijn pen doen opdrogen. Geert had met het voetballen het schrijven verdrongen. Ergens op zijn achttiende had hij Marjan ontmoet op een fuif. Marjan had iets van Françoise Hardy, zoals de kapper op de David leek. Andere meisjes zaten in het park, Marjan zocht wat afwezig een plekje, vleide zich nonchalant neer, verpoosde en verwijlde. Daarbij zuchtte ze een beetje. Steunend op haar elleboog, haar hoofd iets naar achter, keek Marjan naar de blauwe regen. Geert wou deel uitmaken van haar gemijmer, haar zijn dromen openbaren. Haar misschien vertellen dat hij ooit schrijver had willen worden. Die dromerige periode had een tiende van hun huwelijk in beslag genomen, had Geert ooit uitgerekend. Er waren er vast die het met minder moesten rooien, dacht hij. Het openen van hun bloemenwinkel telde voor twintig procent van hun gedeelde leven. Het openhouden van de bloemenwinkel voor zestig procent, samen met het opvoeden van hun dochter. Dan bleef er nog tien procent over. Geert kon niet direct bedenken waar hij die de voorbije jaren aan besteed had. TV-kijken? Op café met vrienden? Daar kon hij hooguit twee procent mee vullen. De overige acht procent knaagden elke dag meer aan hem. Het was een zeurderig gevoel. Marjan had de bloemenwinkel overgehouden. Nu er toch tachtig procent uit zijn leven verdwenen waren, kon hij zich eindelijk wijden aan de acht per honderdste die steeds luider schreeuwden. Hij had zijn oude schoolboeken Nederlands bovengehaald en bestudeerde vertelperspectief, tijd, ruimte en motief. II Een ik-verteller was hij niet. Daarvoor had hij zijn leven teveel aan hortensia en orchidee gewijd. Voorop treden in een boek was niets voor hem, zelfs als hij niet zichzelf was. Maar hij had van tussen de bladeren wel altijd toegekeken. Hij kon voorspellen of een klant een bescheiden potje slaapkamergeluk zou kiezen of een pronkerige witte lelie. Hij wist wie vol afgrijzen zou kijken naar de vleesetende zonnedauw en wie huiverig aan een fallus dacht bij de amaryllis in knop. Hij kon de cactusliefhebbers onderscheiden van de pastelkleurige snijbloemadepten. Hij had gezien hoe ze praten, welke kleren ze droegen. Hij had hun stemming leren herkennen en kon uit kleine, hen ontvallen woorden afleiden waar ze mee bezig waren. Bloemen vormen een koninklijk weg naar het onderbewuste. Hij zou een alwetend verteller worden, een die kan binnenkijken in de psyche van de personages en meer weet dan hen. Dat die zowat uitgestorven was in het begin van de twintigste eeuw, kon hem niet veel schelen. Voor uitgestorven soorten ontstond mettertijd een mateloze interesse. Hij zou een universum scheppen voor zijn leliedames en ficusmannen. Op zijn uitgestippeld pad zouden ze hun schijnbare lotgevallen beleven, voorzien van zijn alwetende voice-off. Verloren gewaande werelden zou hij uit het stof doen herrijzen, liefdes regisseren en levens leiden. Sterven wie sterven moest. Schrappen wie niet past. Maar eerst wat aandacht voor die matig belangrijke twee procent in zijn leven, die nu de vorm hadden aangenomen van een fitnessabonnement uit een reclameblaadje. Bewegen maakt de geest vrij. Geert had gekozen voor de crosstrainer met bodyjournal. Daarbij stap je en trek je twee armsteunen naar je toe terwijl je vetverbranding, beoogde hartslag en conditie nauwkeurig worden bijgehouden. Het resultaat is een elliptische beweging die nog het meest lijkt op een zwevend huppelen. Als een bende slingeruurwerken liepen ze daar terplekke. Het was een trigger voor zijn fantasieën. De dag waarop zijn boek zou worden onthaald. De dag waarop hij meer zou zijn dan een tuinier met een knipschaar en een man van middelbare leeftijd met hoorns. De radio-interviews aan de zijde van ervaren auteurs. Ze prezen hem aan, een veelbelovend talent die Geert Goverts. Hij trok wat harder aan de armsteunen en zag de progressiemeter op het scherm groener worden. Hij schommelde op het ritme van de lofbetuigingen, maakte nieuwe vrienden in de coulissen van de praatprogramma’s, ontving kaartjes met felicitaties en mocht voorlezen in het buitenland. Hij zag de glimlach van een nieuwe start, een nieuw begin waarin hij eindelijk de belangrijkste acht percent van zijn persoonlijke progressiemeter zou invullen. Het zweet parelde van Geerts gezicht, de swingsteunen draaiden vanzelf. Hij slingerde zich naar de overwinning. De glimlach werd steeds breder, vastberadener en kwam nu steeds dichterbij. ‘Loopt u niet wat hard van stapel?’ De glimlach trainde op toestel twee, tegenover Geert. Haar leeftijd begon waarschijnlijk met een drie, maar liep al gevaarlijk tegen de vier aan, vond ze zonder enige twijfel. Daarom kwam ze vast trainen, in een topje waarop Amalia geborduurd was, maar niet zo vakkundig dat het een merknaam kon zijn. Ze had het zelf gedaan, dus was het haar naam. Vrouwennamen met dubbel zoveel klinkers als medeklinkers zijn nodeloos romantisch, dacht Geert. Moeders die hun kind Amalia noemen, denken vast dat het met poppen zal spelen en de knalroze kleur in de kinderkamer leuk zal vinden. Marjan had hij best wel stoer gevonden: Twee lettergrepen, twee a’s en toch kort en krachtig. Half zoveel klinkers als medeklinkers. Mooi maar kordaat. Geert merkte dat hij wat cijfermatig begon te denken, wat wel vaker het geval was wanneer hij zich ergerde. ‘Nee, dank u’, zei hij kort terug en pedaleerde verder. Een-twee-een-twee-een-… Amalia had zelfs geen plooitje in de buik of een kleine verzakking op de dij. Ze behoorde vast tot de groep die . Ze taxeerden de mannen die er trainden en werden getaxeerd. Een zeven of een vijf? Groen licht of rood licht? Op momenten als deze vroeg Geert zich af waarom hij op een reclameblaadje was ingegaan. Schrijvers horen toch niet op fitnesstoestellen thuis. Zie je Tolstoï al gewichtheffen? Flaubert die zijn Madame Bovary op een kajak zit te bedenken? Komaan zeg. Dit was toch helemaal niks voor hem meer. ‘U ziet bijna zo rood als uw t-shirt’, zei de wandelende a. ‘Ik kan het echt wel aan. Ik voel wel wanneer ik moet stoppen’ Amalia was niet alleen fonetisch de tegenpool van Marjan. Ook haar lichaam was omgekeerd evenredig aan dat van ‘zijn vrouw geweest’. ‘Zijn vrouw geweest’ klonk net iets beter dan ‘zijn ex’, zelfs in zijn gedachten. Een ex leek op een object uit een vorig bestaan. Iets wat men had bezeten en nu aan de kant had gelegd. ‘Mijn ex’ bracht nog even de herinnering aan dat bezit naar boven. ‘OK, ik ga net naar de bar. Ik wil best wel een glas water meebrengen’. Zijn vrouw geweest was wat ze in modebladen ‘een peertje’ zouden noemen. De smalle schouders deinden uit in een bredere romp om te culmineren in het bekken. Naar die glooiing had Geert uren kunnen kijken, zelfs toen hun leven al overheerst werd door asters en orchideeën. Onder Marjans navel zat een samengestropt lijntje. Het resultaat van de keizersnede waarlangs hun dochter ter wereld was gebracht. Geert hield ervan om zijn vingers in de kuil van dat lijntje te laten glijden, de volgende helling te nemen en zijn hand op de massieve bil te leggen. De fascinatie voor het litteken vond Marjan vooral vreemd. Ze was begonnen zacht te grommelen wanneer Geerts hand in de buurt kwam van haar grootste complex en toen dit niet afdoende bleek, had ze geschreeuwd: ‘Eraf! Genoeg!’. Geert had het jammer gevonden. Hij vroeg zich af waarom vlakheid de norm geworden was. Rimpel en vetplooi werden vervolgd alsof het vervelende insecten betrof. En nu stond er een blok vlakheid voor hem. Geen inhammetje te bespeuren in de flanken. Zelfs geen wulps welvinkje, frontaal. Dat had moeder zich vast niet voorgesteld, toen ze Amalia bedacht. ‘Of u een glas water wou?’, herhaalde ze. Water, ook al zo vlak. Geert had dorst en vriendelijkheid was altijd een must voor hem geweest, ook wanneer je er de pest in had. Een zelfstandige leert zijn rothumeur verstoppen. ‘Graag’, hoorde hij zich zeggen. Hij had zijn glas al trappend geledigd terwijl Amalia hem vertelde hoe tevreden zij was over deze fitness. Compleet voorzien van meetapparatuur, schermen waarop je je dagelijkse soap kon volgen, gezellige bar, niet duur, dicht bij haar appartement. Korte pauze. Geen reactie. Haar appartement dat ze ook heel leuk vond, hoewel het in een woontoren lag en er vanbuiten hoogst ongezellig uitzag, want vanbinnen zag ze die lelijke façade toch niet, en weet je dat viel allemaal we mee, je hebt wel geen tuin, maar een fantastisch zicht over de stad daar op het dertiende en een terras waarop je kan zonnen en een dwergkonijn kan houden. De buren waren ook heel vriendelijk. Speelden nooit luide muziek. Helemaal geen oproerkraaiers zoals mensen wel vaak denken over woontorenbewoners. Haar auto was ook nog nooit beschadigd geweest. Amalia zou niet snel bloemen gekocht hebben, wist Geert, al had ze zo’n romantische naam. Ze was immers het madeliefjes-type. Niet slecht, maar wat naïef, nood aan bevestiging, ambitie is ondergeschikt aan emotie, durft geen gewaagde kapsels uit te proberen. Het soort mensen dat er kapot van is als hun horoscoop voorspelt ‘dat er donkere wolken hangen boven hun liefdesleven’ en diep ademhalen wanneer er staat ‘u bruist van energie’. ‘Leuk’, zei Geert. Hij bedankte nog eens vlug voor het water, stapte van zijn crosstrainer richting kleedkamer en hoorde een vaag ‘graag gedaan. Tot nog eens’. Geert bedacht hoe het leven aan deze mensen al trappend en peddelend voorbijgaat en dat hij ook stilzittend een doel voor ogen had: zijn eerste boek. Hij glimlachte en vergat alle cijfers die de voorbije tien minuten door zijn hoofd waren geflitst. III De raap, de wortel en de selder vormden respectievelijk het hoofd, de arm en de hand van keizer Constantijn de Grote, op het binnenplein van het Capitolijns Museum in Rome. Daar was Geert nooit geweest. Hij kende een prent van dit verbrokkelde standbeeld. Een biceps met dooraderde elleboog, daarnaast een sokkel met een tweemeter groot hoofd, dan iets wat op een knie leek en uiterst rechts een hand met opgestoken wijsvinger. Het puzzelgehalte van Constantijn had Geerts aandacht getrokken. Op internet had hij gezien dat er ook nog een voet bij hoorde. Hij stelde zich voor hoe Constantijn erbij stond, in zijn metershoge volledigheid. De voet een beetje omhoog, het vingertje in de lucht. Alles hing af van de rechterarm. Als die gestrekt was, dan stond Constantijn als een dicterend leider voor zijn volk. Was de arm gebogen, dan had hij iets van een stuntelige vragensteller. De vreemde holle ogen en gleuf in de kin, met daartussen het vreemde golvende mondje pleitten voor de stuntelige vragensteller. Maar de strakke haarlijn en de loodrechte groefjes tussen Constantijns wenkbrauwen verrieden dat het hier wel degelijk om een moordenaar ging. Niet van de christenen, die onder Constantijns bewind eindelijk de vervolgingen van zich af konden schudden. Nee, de vader van zijn vrouw was de eerste die eraan moest geloven. Wou de macht overnemen. Later volgden Constantijns zoon Crispus en vrouw Fausta. Waarom, dat wisten geschiedschrijvers niet helemaal, maar er waren wel wat roddels dat moeder Fausta en stiefzoon Crispus een relatie hadden. Dertien jaar lang stond Constantijn alleen aan het roer van het Romeinse Rijk. In het woord alleenheerser is alleen geen synoniem van eenzaam, maar van uniek, uitmuntend, excellerend. Geert’s hoofdpersonages mochten best wel iets van de uitmuntende daadkracht van Constantijn krijgen. Geert had vroeger een jaar Latijn gevolgd. Uitgangen en verbuigingen had hij al snel aan de kant gezet, vreemde talen kreeg hij niet in die kop van hem. Latijnse bloemennamen uit het hoofd kennen, deed hij af als pedant. Marian kon wel eens aan komen zetten met de Tagetes Erecta wanneer ze het over een stinkertje had, Geert vond dat goedkope marketing die enkel wat pubermeisjes deed gniffelen. Maar de wereld van de keizerrijken was hem blijven boeien. Die tragiek in dat klein besloten kringetje temidden van dat onmetelijke rijk. Het gekonkel in de coulissen, het meedogenloos aan de kant zetten van het vervelende compromis, het eigen gevoel laten botvieren. Recht door zee, dacht Geert, en hij kauwde vastberaden op Constantijns voet. IV Nu nog een manier vinden om dat keizerrijk tastbaar te maken, de grootsheid menselijk. Geert wou allesbehalve een Hollywoodiaans verhaaltje, geen Romeinse keizers met witte toga’s en laurier achter de oren. Geen gezagsdragers die met één vinger over het leven van hun slaven beslisten. De kracht moest overweldigend zijn, zonder eraf te spatten . Daarvoor zou hij naast de concrete ruimte van het Circus Maximus uit Ben Hur, of het nog beroemdere colosseum, ook de symbolische ruimte in zijn verhaal verkennen. In zijn oude schoolboeken regende het voorbeelden van de woestijn en de stad als symbolische ruimtes. Een tocht door de woestijn als metafoor voor een moeilijke periode in het leven. Bijbels en braaf, vond Geert. De eenzame held die met de anonimiteit van de stad worstelt. Plat en inspiratieloos. Duidelijk genoeg om aan de grootste gemene deler uit te leggen, dat wel. Middelbaar en middelmaats, voor iedereen die wat verder dacht dan wat er die middag op zijn broodje zou liggen. Geert wou iets nieuws, iets eigens. Hij ging op zoek naar de symboliek in zijn eigen leven. Welke waren de belangrijke symbolische ruimtes in zijn leven? Over zijn bloemenwinkel had hij al genoeg nagedacht. Hoewel hij er een belangrijk psychologisch inzicht had opgebouwd, was de ruimte er vooral een van vele opgestapelde nutteloze uren. Het groen van de planten was zijn persoonlijke grijs geworden. Niet interessant voor zijn verhaal. Geert wandelde door zijn verleden, en zag er Marjan staan, met haar hoofd in de kleerkast, op zoek naar een passend sjaaltje bij haar kleed. Lang op zoek. Met een rug die af en toe schokte. Hij was stiekem jaloers op de hemdsmouw en de broekspijp die langs haar gezicht streken, alsof het vriendelijke poppen waren. Ze leken het allemaal stilzwijgend te begrijpen, terwijl Geert alleen kon toekijken. Hij wreef met zijn teen tegen de rand van zijn pantoffel. Toen ging hij naar de keuken en maakte nog een kop koffie. Marjan vond het gepaste sjaaltje, en hij keurde het goed. Samen aten ze nog een koekje voor het slapengaan. Kleerkasten leken niet echt te passen in zijn keizerlijk verhaal. Maar misschien zou dat net zijn troef worden, dacht Geert, en hij glunderde V ‘ U wordt allround medewerker tuinbouw, met een belangrijke transportfunctie’ U verzamelt de planten uit de serre die getransporteerd moeten worden en helpt mee met het lossen van nieuwe planten. Occasioneel vervoert u de loten naar de kleinhandelaar. U maakt mee de stock op van planten. In rustige periodes helpt u mee met het inpotten, stekken en invullen van diverse planten.’ De korte, nasale klanken van de VDAB-consulent staken moeizaam het bureau over. Tegen de muur glimlachten vijftigplussers en allochtonen, dankbaar om hun nieuwe job. Het enige wat Geert fascinerend vond aan consulent was het stukje consul. ‘Consul der arbeidsvoorziening’, dacht hij, en bemerkte het Constantijnse streepje-in-het-voorhoofd bij zijn trajectbegeleider. ‘U begrijpt, meneer Goverts, Geert, was het, uw werkloosheidsperiode en twee geweigerde vacatures in acht genomen, dat wij u graag begeleiden in dit nieuwe hoofdstuk van uw professionele loopbaan. De vacature sluit uitstekend aan bij uw expertise in de horticultuur. De familiale KMO zal u met plezier opnemen in zijn hiërarchie. De KMO heeft een uitstekende reputatie wat de productie van zaden en jonge planten betreft.’ Geert dacht aan zijn eerste geweigerde vacature. ‘Verkoper tuinmeubelen en zwembaden te Turnhout’ Het associatieve vermogen van de VDAB-databank gaf zijn leven in wat bits en bytes een draai, van tuinplanten naar zwembaden. Terwijl zwembaden slechts een holte waren waar je geen bloemen kon planten. Een maand bruikbaar, daarna namen enkel een paar vogels er nog snel een duikvlucht in. Bovendien was hij eerder een afzijdige plantenverzorger geweest, dan een verkoper. Hij had de klanten hoogstens ingelicht over de lichteisen van hun potje groen. Geert dacht aan de tweede vacature en kneep zijn lippen op elkaar om het niet uit te proesten. Toch stootte er wat lucht uit zijn neus en kregen zijn ogen een vreemde glans, die de VDAB-consulent interpreteerde als herboren motivatie. ‘Rij instructeur’ ‘Uit de dilemma’s in de psychologische enquête blijkt dat u een bijzondere aandacht heeft voor wetenschap en techniek, en tegelijk een buikgevoel dat veel technici vreemd is. Een uitstekende combinatie voor een rijinstructeur. Bovendien heeft u ook een rijbewijs A, C en D.’ Geert herinnerde zich vaag de test, waarbij hij om de vijf antwoorden een kruisje had gezet in de linkerkolom en voor de rest de rechterkolom had uitgevuld. Die standvastigheid had de arbeidspsychologe niet opgemerkt. Zijn legertijd had hem een arsenaal aan rijbewijzen bezorgd. Maar zelfs gloednieuwe wagens reden schokkend en zuchtend wanneer hij zijn voeten op de pedalen zette. ‘Autoziekte’, had hij tegen de consulent gezegd met wat geveinsde spijt. ‘We zijn blij dat we uiteindelijk wat gevonden hebben in uw oude branche, en hopen dat van u ook’, zei de VDAB-consulent in zijn eentje. ‘Met wat geluk begint u over twee weken’. VI Tijd ontbreekt pas wanneer het leven niet meer ingedeeld is in afgemeten tijdsblokken. Zo kwamen gepensioneerden steevast net voor sluitingstijd het tuincentrum binnengestormd, want ‘zo weinig tijd gehad vandaag, meneer, en vanavond nog naar de babyborrel van de dochter van de buurvrouw. Ik kan toch niet met lege handen toekomen? Dank u meneer, ik dacht wel, die zal dat wel verstaan.’ Hoezeer Geert er zich vroeger aan ergerde, hij begreep hen pas toen hij werkloos was. Zijn nauwkeurig gedoseerde leven viel uit elkaar. Hij moest zijn tijdsbesteding eerst afstemmen op de openingsuren van overheidsdiensten, om zijn domicilie aan te vragen en dergelijke. Algauw waren ook de traditionele maaltijdstippen weggevallen: het diner en het souper vielen vaak samen. Hij las en dacht na over zijn roman, en de uren vergleden. Hij leek constant in een soort versnelling van de werkelijkheid te zitten, alsof iemand de fastforwardknop hield ingedrukt. En dat al twee jaar. Twee weken nog, dacht hij, en dan moet ik minstens een scenario hebben voor het boek. De elementen van zijn verhaal dansten voor zijn ogen, alwetend verteller- keizer Constantijn, van alle Romeinse keizers zijn favoriet – de ruimte: een kleerkast. Nu moest hij dringend op zoek naar motieven. Genoeg decor, het was tijd voor actie. VII ‘Gezien uw werkloosheidsperiode en uw magere perspectieven op een pensioen als gewezen zelfstandige is het onderhoudsgeld dat uw ex-partner vraagt, vrij hoog’, constateerde Geerts advocaat. ‘Wij zullen alles in het werk stellen om deze som voor u te beperken.’ Nog een die ‘wij’ gebruikte, alsof hij op zijn eentje een team was, dacht Geert. Het deed denken aan audiovisuele experimenten uit de jaren zestig, waarbij men plots omringd werd door een aantal klonen van zichzelf, en op zijn eentje in koor sprak. Geert pastte dit truukje denkbeeldig toe op de advocaat. Wat had men toch tegen dat ‘alleen-zijn’? Hoe vaak had een kelner van een restaurant Geert niet gevraagd ‘Bent u alleen?’, met een intonatie die ongelovig de hoogte in ging. Hoe graag had de vraagsteller niet het woordje ‘helemaal’ aan zijn vraag willen toevoegen. Oftewel klonk het ‘een tafel voor een persoon?’ om er zich van te vergewissen dat Geert niet de voorhoede was van een kroostrijke familie, die nog op de stoep stond. ‘Ik denk dat ik er wat op gevonden heb’, zei de advocaat. Geert was vooral blij dat zijn gesprekspartner het individualisme herontdekt had. ‘Ik heb het mezelf even toegestaan om de naam van uw vrouw te googelen. Dat bracht niks op, jammer genoeg. Maar de naam van uw dochter vond ik wel terug op een sociale netwerksite. Bij toeval is uw dochter virtueel bevriend met die van mij, en ik met mijn dochter, waardoor ik makkelijk toegang kreeg tot uw dochters foto’s. ’ ‘En jawel, hoor’, zei de advocaat, nu triomfantelijk, ‘er staan foto’s op van uw ex-vrouw en haar nieuwe partner, uit de tijd dat zij nog uw echtgenote was’. Hij draaide zijn lap-top naar Geert toe, en die zag hoe zijn dochter Justine, samen met Marjan en de kapper een Big Mac aten in een hamburgerketen. Op de bank naast Justine stond een reeks zakken van kledingketens, Geert herinnerde zich nog hoe ze daarmee thuis waren gekomen na hun dagje shoppen in de grootstad. Op de volgende foto’s zag hij de kapper met pretoogjes en een kwak mayonaise op zijn kin en een gierende Justine. ‘De verplichting elkaar trouw te blijven is nog altijd een van de basisprincipes van het huwelijk.’, zei de raadsman nu pastoraal. ‘Een fout tegen dit principe mag aangetoond worden met alle rechtsmiddelen. Ook met een door een deurwaarder gecertificeerde schermafdruk, van een sociaal netwerk, bijvoorbeeld’. Geert had heimwee naar de advocaat die hem met het ambtelijke ‘wij’ aansprak en geen privéleven had op Facebook. Geen privéleven tout-court. ‘   VIII Waarom keizer Constantijn zijn zoon Crispus en zijn vrouw Fausta had laten vermoorden wist niemand. Er deden wat roddels de ronde dat vrouw en stiefzoon een relatie zouden gehad hebben. Een feit is dat Constantijn elke vorm van overspel en seksueel misdrijf zwaar bestrafte. Gesmolten lood in de keel gieten was een van de technieken. ‘Wat lees je? ’, vroeg Geerts dochter Justine. Het was Geerts weekend. Justine had eerst een kwartier naar de cover van het boek zitten staren, voor ze haar vraag stelde. ‘De val van Rome’, zei Geert kort. Justine kauwde verder en vroeg niets meer. Geert dacht aan de foto van Justine en de kapper in de hamburgertent. Hij speurde naar spijt of wanhoop in haar gezicht. Zou ze plots uitbarsten: ‘papa, ik moet u iets vertellen’? Maar ze las onverstoord het laatste nieuwtje over Justin Biebers haarpartij. Ze zag er niet bleker uit als anders, had dezelfde eetlust. Ze bleef de apathisch coole tiener, die ze sinds het vertrek van Geert geworden was. Fausta en Crispus kregen postuum nog de straf ‘damnatio memoriae’, vervloeking van de nagedachtenis. Elke aanwijzing naar het leven van de persoon werd daarbij vernietigd, zodat het leek alsof hij of zij nooit had bestaan. Het overkwam de gehate keizers Caligula en Nero. Hun standbeelden werden vernietigd en hun namen van de openbare gebouwen verwijderd. Fausta en Crispus werden uit de archieven geschrapt en verdwenen in een administratieve vergeetput. Zo trachtte Constantijn zijn vrouw en kind uit het collectieve geheugen te bannen. Hij dwong zijn onderdanen tot vergetelheid. Opzettelijk vergeten worden was in het Romeinse keizerrijk de opperste straf. Geert vroeg zich af of Marjan en Justine dit lot ook voor hem reserveerden. Zou hij stukje bij beetje weggegomd worden uit hun geheugen?   IX Amalia nam nog een Ferero Rocher van de stapel bonbons, waarin ze stiekem de top van de Mont-blanc zag. Haar droom om ooit bovenop de hoogste Ferero rocher te staan, en de wereld te overschouwen, was dan wel een leidraad geworden in haar leven, maar om een of andere reden kwam er niks van in huis. Haar vriendinnen zagen niks in de ‘bouldering’, een klimsport op kleine rotsblokken waarmee Amalia zich wou voorbereiden op het grotere werk. ‘je klimt zonder touw’, zeiden ze angstig, ‘zonder beveiliging?’ ‘Dat kan jij je misschien wel veroorloven, zo op je eentje, maar als ik een been breek, wie zal er dan voor de kinderen zorgen, de was en de plas doen, wie zal er kóken?’ Amalia wist dat, ondanks het beklag van haar vriendinnen over hun drukke gezinsleven en luie echtgenoten, zij haar nog het meest bekloegen. Zij die op haar zevenendertigste nog alleen was en in een huurflat woonde. Het haalde hun diepste angsten naar boven, helemaal alleen de tijd te moeten doorbrengen. Wat zouden ze aanvangen zonder was en plas en luie echtgenoot. Amalia keek er niet op neer. Was het leven anders gelopen, dan had ze nu misschien documentatie gezocht over de meest efficiënte gezinswagen, om zo die krappe Alfa Romeo Spider uit haar man zijn hoofd te praten. Ze zou twijfelen tussen de ecologische luier en de commerciële pamper. Ze zou bij zichzelf de argumenten opsommen tegen peutervoeding uit bokalen, terwijl ze haar mixer in de verse groenten liet zakken. Ze zou trots zijn op haar zelfgeschreven receptenboekje. Kritisch zou ze het leukste zomerkamp uitzoeken, om haar kinderen haar eigen nare zomerervaringen in koude binnenzwembaden te besparen. Ze zou denken over een schommel in de tuin, een groot huisdier, uitstapjes naar Mini-Europa, over de voordelen van lederen meubelen in een gezinswoning, over welke nonkel het best Sinterklaas zou spelen, hoe je een kind leert schrijven, welk setje ze die avond zou aantrekken voor haar man. Over de rust die ze vroeger had, maar nooit terug zou willen. Over de verantwoordelijkheid die ze vroeger niet had, maar nu niet meer zou kunnen missen. Ze zou zich belangrijk voelen. Maar in plaats van dat alles had ze één grote droom: de Mont-Blanc beklimmen. Het dichtst dat Amalia al gekomen was bij haar droom, was een huurflat op de dertiende verdieping van een woontoren. Zo kon ze toch al haar eigen stad overschouwen. Ze klom weliswaar niet naar boven, hoewel de lift vaak stuk was en dertien trappen nemen ook als een klim aanvoelde. Maar dat was niet te vergelijken met de zoektocht langs een bergwand. Met de neus tegen het natuurgesteente, haken inslaan, de wand afturen naar een goede grip, steun zoeken met je voeten, je armen niet laten verzuren, en dan over de hoogste rand kruipen, rechtstaan en vrij zijn. Het opperste bereikt hebben. Amalia staarde naar de nieuwe bergtop van de Ferrero rochers en zuchtte. X Geert bekwaamde zich in het schrappen, in het polijsten, afronden en aanscherpen van zijn zinnen. Hij las biografieën van mensen die pas op latere leeftijd succes hadden geoogst. Hij ademde moed. Hij herlas. Streep na streep trok hij door zijn pas geschapen woorden, tot ze allemaal sneuvelden. Overdag wiedde hij planten, ‘s nachts woorden. Hij las biografieën van mensen die op hun twintigste al briljant waren. Zijn project werd een kerkhof. XI Die slungelige enthousiasteling van crosstrainer 5 maakte Amalia nieuwsgierig. De passie, de heilzame ontevredenheid over zijn situatie, die hem de kracht zou geven zichzelf te overstijgen, zou ze echt de eer kunnen hebben om contact met hem te leggen, hem misschien zelfs als een vriend te mogen beschouwen? Zijn blik dwaalde af naar haar vlakke boezem en saaie heupen. Hij nam haar glas water aan en keek recht voor zich uit. Ze ging terug roeien. Ze strekte haar benen, bood tegenwicht aan de veren van het toestel die haar steeds weer in een bolletje trokken, met haar rug over haar kniëen en haar hoofd boven haar voeten. Het toestel won, deze keer. Ze bleef zo zitten, vijf minuten, tien minuten, en de supervisor vroeg of ze soms kramp had gekregen. Ze schudde haar verwarde haar, nam haar zak en telde even later de verdiepingen in de lift. XII Geert had de rechtzaak gade geslaan als door een wazige bril. Marianne die onvermoedend met Justine kwam binnengewandeld. Marianne en de kapper bij Mac Donald’s geprojecteerd via de facebookpagina van Justine. Het ‘ben je gek, die foto’s op facebook posten, ik had gezegd dat het ons geheim was’ van Marianne en het gesnik van Justine. De blik naar haar vader, alsof het een perverse weirdo betrof, wat hij misschien ook wel geworden was. De noedels waren nooit zo smakeloos als die avond. XIII Geert kon de bleke vlakten van zijn tekstverwerker niet vullen. De lichtheid werd hem ondraaglijk. Zijn gedachten draaiden rondjes. Hij wou het zo graag. Hij dacht aan tijden toen alles mogelijk leek. Waar was hij die koppige hoop ergens verloren? En zou die ooit nog terugkeren, of zou hij vanaf nu telkens met dit onaf gevoel zijn bed in duiken? Hij wou wel geloven dat kunst een product was van een traag groeiende kunde. Hij wou wel geloven dat de zaligmakende zin niet zomaar uit je oververhitte brein vloeide, en dat hij het tegelijk veel te ver zocht. Hij zocht voldoening in taken die hem toch niet boeiden. Met een lachwekkende overgave deed hij nu de afwas, gaf hij zichzelf een pluim voor de stapel gestreken hemden. Toch kon het die vreselijk angstaanjagende holte tussen borst en buik niet vullen. Zijn wenkbrauwen groeiden bezorgd naar elkaar toe, zijn neusvleugels strekten zich uit tot ze op de toppen van hun tenen stonden en nog maar een fractie breed waren. Zijn luchtwegen zogen de zuurstof moeizaam naar binnen. De sofa en zijn eeuwige lamlendigheid lonkten. Constantijn en zijn leger doemden ’s nachts op in Geert’s dromen. Vastberaden galoppeerden ze door zijn slaap. Ze versloegen Maxentius bij Rome. De voormalig collega-keizer Maxentius werd in de pan gehakt, ondanks zijn veel groter leger. Daarna keerden ze zich tegen Licinius, die andere concurrent. Ze verjoegen hem naar Klein-Azië en veroverden zijn Europese provincies. Overal boekten ze succes. ‘Victor eris’ bleven Constantijn en de zijnen maar schreeuwen, luider en luider. De overwinnaar zal je zijn. Geert trok strijdvaardig zijn vest aan en ging naar zijn oude huis, naar Marjan en Justine. Hij zou vechten, overwinnen, heersen. Marjan was gaan werken, Justine op school. De sloten waren nog niet veranderd. Die brave slof van een Geert zou toch niet komen inbreken, zou hen niets misdoen, nee, die durfde enkel wat via zijn advocaat. In gedachten zag hij Marjan weer op hem neerkijken. Justine grijnsde. Geerts schouders doken naar beneden, hij kreeg een bochel. Maar Constantijn was er om hem aan te moedigen. ‘Naar de badkamer’, fluisterde de keizer hem in. Geert zat een tijd op de badrand. Hij koos de meest tropische stand van de thermostaat. Een half uur voor Marjan zou thuiskomen, draaide hij de kranen open van het bad. Hij nam de waterkoker en vulde die een paar keer. Het hete water dampte nu in de kleine badkamer. Geert zag de wanden niet meer. Marjan kwam thuis, zag de nevel, was gealarmeerd. Ze rende naar de badkamer, opende de deur, een wolk sloeg in haar gezicht. Temidden van die wolk zat Geert, zijn haar tegen zijn hoofd geplakt en druppend van het zweet. Ze had geen tijd om zijn naam uit te roepen. Hij sprong recht en gooide haar in het bad, deed de deur op slot en liep weg. ‘Stik, Fausta!’, riep hij toen hij al in de tuin stond. Kranten twijfelden of ze de naam ‘familiedrama’ of ‘echtelijk geweld’ zouden gebruiken voor dit bizarre spektakel. Ex-vrouw afgestraft met heet bad. Een foto van Marjan met een paar wikkels rond haar arm en een meelijwekkende blik. Een foto van Geert met een wazige rechthoek voor zijn ogen. De man had verward verklaard dat hij keizer Constantijn was en dat zijn vrouw Fausta moest stikken in het badhuis voor haar overspel. Amalia had meteen haar favoriete fitnesscollega herkend in de krant.  (een einde moet ik nog bedenken)      

Pons
54 0

De Tovenaar van Aartselaar

  (Top 10-inzending DELTA LLOYD PRIJS HET MOOISTE TESTAMENT ‏ 2013 - categorie proza)   Mijn lieve kleinzoon,  Toen ik besloot een testament op te stellen heb ik wekenlang mijn hoofd gebroken over wat ik jou, mijn enige nabestaande, kon nalaten. Rijkdom had je al in overvloed. Daar kon ik je geen plezier meer mee doen. Toch kon ik niet leven met de gedachte dat ik jou met lege handen zou achterlaten. Het was een plots manifesterende geldingsdrang en een zeldzame opstoot van ijdelheid, maar vooral een symptoom van mijn grenzeloze liefde voor jou. Uiteindelijk kwam ik er achter dat ik je enkel een plezier kon doen met herinneringen aan je vader, die je door een ongelukkige speling van het lot nooit gekend hebt.   Je vader was een tovenaar. Een toverstok had hij niet en een uitnodiging voor Zweinsteins Hogeschool voor Hekserij en Hocus-Pocus is nooit bij ons in de bus gevallen. Maar dat was ook niet nodig. Hij wist maar al te goed dat hij geen school nodig had om een tovenaar te worden.   Razend kwaad was ik toen hij op zijn achttiende verjaardag stopte met school. Amper drie maanden moest hij nog op zijn tanden bijten om af te studeren, maar dat argument viel in dovemansoren. Hij wou alles op zijn voetbalcarrière zetten en niets of niemand zou hem daarvan weerhouden. Anderhalf jaar lang was hij van de ene blessure in de andere gesukkeld, maar nu was hij eindelijk opnieuw topfit en strijdlustiger dan ooit.  Hoewel hij doorgaans erg bescheiden was, stak hij ditmaal zijn ambitie niet onder stoelen of banken. Hij verkondigde meermaals een grote carrière te zullen uitbouwen en sprak zelfs de wens uit om de Champions League te winnen en wereldkampioen te worden met België. Velen noemden hem een fantast. Hij ging echter nooit in discussie, ook niet tegen mij. Het interesseerde hem niet om verbaal gelijk te krijgen. Hij zou zijn gelijk wel op het veld halen.  Ik was er zeker van dat hij spijt zou krijgen van zijn beslissing en zei hem dat ook een keer of tien per dag. In de maanden daarop bewees hij echter mijn ongelijk. Hij debuteerde in eerste klasse en groeide in geen tijd uit tot een publiekslieveling. Met zes doelpunten in tien wedstrijden trok hij meteen de aandacht van grote clubs in binnen- en buitenland. Zijn techniek was nooit vertoond op de Belgische velden. De Tovenaar van Aartselaar was geboren. Na een korte tussenstop bij een Duitse middenmoter, tekende hij op zijn 20e een contract bij Barcelona, zijn droomclub. Hij verdiende er meer dan al zijn voormalige criticasters samen, maar liet zich nooit betrappen op enige vorm van leedvermaak. Zijn grote gelijk interesseerde hem niet langer.   Miljoenen voetbalfans droegen hem op handen. Wat enkele honderden twijfelaars ooit gedacht hadden, liet hem koud. Zijn bijnaam was niet uit de lucht komen vallen. Hij was een balkunstenaar, een tovenaar die elke verdediger tot decor degradeerde. Een speler die voetbal tot een kunstvorm verhief. Het type speler dat maar eens om de zoveel jaar geboren werd.  De Champions League finale van het jaar 2006 vormde zonder enige twijfel zijn sportieve hoogtepunt. Hij was een permanente gesel voor de tegenstander en boog met twee doelpunten de achterstand om in een zege. Vooral zijn tweede doelpunt was er één om duimen en vingers bij af te likken. Zijn grootste klasseflits had hij echter opgespaard voor na het laatste fluitsignaal. Ik besloot nog snel even mijn mails te checken voor het slapengaan en vond er één van hem in mijn mailbox. De inhoud ontroerde me diep.  “Mijn genen maakten mij sterk, mijn tegenslagen me nog sterker en jullie liefde mij onverslaanbaar. Ik won de beker met de grote oren, omdat jullie me vroeger zo vaak aan de oren trokken om me in het gareel te houden. Jullie hadden alle redenen om kwaad te zijn omdat ik stopte met school. Elke goede ouder zou het me hebben afgeraden. Objectief bekeken was het een enorm domme beslissing. Ze kwam echter uit het diepste van mijn hart. Ik had het gevoel dat ik geen andere keuze had. Ik besefte dat het een gevaarlijke gok was, maar was bereid dat risico te nemen. Met een mislukking had ik kunnen leven. Met de wetenschap dat ik het niet geprobeerd had uit angst voor een mislukking niet. Het spijt me dat ik het jullie zo moeilijk maakte. Deze beker is voor jullie. Ik hou van jullie.”  Amper twee weken later maakte een regenachtige avond en een onoplettende tegenligger abrupt een einde aan zijn semi-goddelijke bestaan. De botsing schudde alle magie uit zijn lichaam. Alle hulp kwam te laat.  Enkele dagen later vernamen we dat je moeder in verwachting was van jou. Je vader wist het al enkele dagen voor de finale. Zijn doelpunten in de finale, maakte hij met jou in het achterhoofd.   Je vader was misschien wel de grootste meneer die ooit mijn levensweg kruiste. Zonder diploma leerde hij me zaken die geen enkele academicus me had kunnen bijbrengen.  Hij luisterde wel naar wat anderen zeiden, maar nam toch zelf zijn beslissingen. Hij overwoog wel wat zijn verstand zei, maar volgde uiteindelijk altijd zijn hart. Hij durfde te vechten voor zijn dromen, hoewel dat gevecht evengoed op een nachtmerrie kon uitdraaien.   De kans krijgen om je dromen te realiseren. Dat is volgens mij de essentie van geluk. Daarom wil ik dat er met mijn spaargeld een organisatie wordt opgericht die zich inzet voor kansarme jongeren. Zodat ook zij de kans krijgen om voor hun dromen te vechten. Want diep vanbinnen zijn we allemaal een beetje een tovenaar.  

Simon
29 0

meeëters

Mee-eters.   Ik ben een puistenfreak indien dit woord bestaat. Daarmee wil ik zeggen dat ik geen mee-eter kan zien staan of een onstuitbare drang neemt bezit van mij. Hij zal en moet eruit. Het ergst is de beheersing die ik aan de dag moet leggen wanneer ik me op een rijtuig van het openbaar vervoer bevind. Het noodlot plaats me altijd naast de een of andere persoon in het bezit van een prachtexemplaar. Verleden week nog staat een man, onbewust van zijn parasiet, naast me. Hij ruikt uitdagend naar douchecreme en aftershave. Hij ziet eruit alsof hij maanden heeft liggen te weken in een vat bleekwater, maar juist op dàt plaatsje dat hij door de blinde hoek in zijn spiegel niet kan zien, staat er een overjaarse vetgemeste pukkel zo zwart als de nacht en zo vet als een slachtvarken. Ik had de keuze, me op hem werpen, met alle gevolgen van dien of afstappen.   In het verleden moesten mijn man en kinderen er natuurlijk als bloedeigen huisgenoten er zonder morren of tegenspreken aan geloven. Mijn man had tot mijn onuitsprekelijke vreugde, op zijn rug telkens de steeds weerkerende diepzittende vette palingen met een zwart puntje. Lekker, wanneer ze achteraf nog even ontstaken, dan had ik zowel als hij, twee keer prijs. De kinderen!!! Ach, wat een nostalgie overvalt me wanneer ik terug denk aan hun pubertijd die een onuitputtelijke puistenovervloed meebracht. Voor andere ouders een hel, voor mij de meest gelukzalige tijd van mijn leven.   Mijn oudste zoon had op een keer iets aan zijn oor. Een dikte juist naast de ooringang. Ik veronderstelde dat de een of andere kinderziekte verlaat ging toeslaan, dikoor, dacht ik. Maar op een keer zette ik mijn vingers er tegenaan en het werd een vuurwerk van spetterend vet en bloed, mijn God, een huivering van genot doortrilde me. Het deerde me niet om daarna het hoogpolig tapijt te reinigen.   De andere zoon had niet van die vette dikke die er als een verkleind stompje kaars uitkwamen maar venijnige die zich weigerden te laten behandelen. Ik had er een speciale truc voor. Eerst even het velletje met de nagel open krabben, rond het puistje harde druk uitoefenen en diep met beide duimen in het vel duwen, dan kwam het met een hoeraatje te voorschijn. Ook had hij vele die er met lange dunne krulletjes uitkwamen, hoe langer hoe meer exaltatie. Heerlijk!   Mijn dochter, had niets liever. Een beetje masochisme? Elke week ging ze op haar buik liggen en ik mócht dan alle oneffenheden glad strijken. Mijn God, wat zag de rug van het kind er achteraf uit, vol rode bulten. Ik ontsmette snel het lichaamsdeel met een straf middel waardoor ze het uitgilde.   Mijn man had mee-eters op de meest onmogelijke plaatsen. Tussen de neuswortel en het oog bijvoorbeeld, wat daar allemaal uitspoot. Niet te beschrijven!! Woorden zijn daar te zwak voor. Soms dacht ik dat ik zijn oogbol per ongeluk mee had. En op zijn penis. Maar dat was het zwaardere werk. Ik was verplicht het vel aan te spannen om de gewenste vetpeukel te kunnen behandelen. Om ze uit te knijpen moest de man een erectie hebben. Dat was niet zo moeilijk met al dat geprang en ander gedoe maar om me dan nog even de tijd te geven om die dingen te verwijderen alvoor we... ja.   Na jàààren nog herinner ik me levendig een tweeërlei orgasme, enig in zijn soort. Nooit meer geëvenaard. Mijn man en ik bedreven intens en hartstochtelijk de liefde, de vlammen laaiden langs alle kanten op. Ik omklemde hem steviger met armen en benen. Op het ogenblik dat we beiden klaar gingen komen, voelde ik...de bobbel. Belust op meer en zonder nadenken liet ik me gaan en op het ultieme moment neep ik het ding triomfantelijk en vakkundig met een onuitsprekelijk genot uit. Met een langgerekt “haaaa-aai” loste hij zijn zaad.   Wanneer ik iemand zie die dringend dient behandeld, kan ik me, weliswaar met moeite, in toom houden. Ik sus me door te denken aan welke ziekten zo’n vreemde wel kan lijden. Te riskant om bij hem al die mee-eters te verwijderen (en dat terwijl mijn handen jeuken). Ik maak me wijs dat ik er vies van ben en vraag me af waarom de partner hem of haar zo door het leven laat gaan. Dat is toch geen waarachtige bezorgdheid, een begaan zijn met... of liefde?   Ik leef nu op een eiland ergens aan de Golf van Siam. Mijn huidige partner is weers van pukkels. Hij laat enkel een behandeling toe wanneer hij iets goed te maken heeft en daarom doet hij zijn best niets verkeerds te doen. Ik ben totaal gefrustreerd, niet enkel omdat ik niet aan mijn trekken kom maar ook omdat er op mijn rug joekels van mee-eters woekeren. Door me in allerlei bochten te wringen kan ik sommige ‘eraan doen geloven’ maar de onbereikbare? Misschien een advertentie zetten!               Rhea van der Vloet  

Rhea van der Vloet
492 0

Eerste hoofdstuk van het boek 'Dzing'. Een Chinees jongetjes in de jaren 1950 in Antwerpen (Rosse buurt)

DZING, ongeveer 6 jaar. Laatste versie 8-02-14 /18-02-14 De regen geselt een kleine rillende gedaante. De riks lege gamellen van Chinese makelei, rammelen tegen zijn blote benen. Het regenwater druipt van zijn versleten zuidwester in zijn kraag. Zijn rug is doornat. Hij moet zich reppen anders zal er thuis wat voor hem opzitten. Hij is te lang bij zijn enig vriendje Jean-Pierre blijven hangen. Jean-Pierre’s moeder Helga is een van de prostituees uit de buurt. Helga met de blonde pruik had telefonisch kip met curry bij Dzing’s ouders besteld.          Het gillen van sirenes dringt door merg en been. Het blauwe zwaailicht van een ziekenwagen schiet als een komeet uit haar baan. De banden gieren rakelings langs Dzing heen wanneer de chauffeur de bocht te kort neemt en het gevaarte over het voetpad raast. Politiewagens rijden met vier rode knipperlichten en het akelige noodgeluid naar de plaats van onheil. Direct daarna volgt, in razende snelheid, een brandweerauto. Door de heen en weer zwaaiende, aan kabels hangende straatlichten lijkt de auto bemand met skeletten en doodshoofden. Bliksemschichten projecteren toesnellende figuren uit de nabije straten. Dzing zet het op een lopen via het korte stuk van de Paulusplaats, waar het politiebureel zich bevindt, de St.Paulusstraat op. Hij glijdt uit over natte, tramrails die in het nachtelijke duister blinken als een achtbaan van de kermis. Langs de mastodont van het Tolhuis rent hij naar de Schelde, wringt zich tussen de door de menigte opgestoken paraplu’s.          De regenschermen blinken zwart door de neer gutsende regen. Silhouetten van de samengeschoolde massa weerspiegelen zich in de vierkanten plaveien van de Scheldekaaien. Een van de gemeerde boten is hel verlicht. Matrozen in gele geoliede regenvesten wijzen naar een object in het inktzwarte water. Brandweerlui zijn in de weer met touwen en bootshaken. Een kikvorsman verschijnt aan het wateroppervlak. Begeleid door veraf klinkende misthoorns draait een kraan naar bakboord en wordt een motorrijtuig uit de rivier gehesen Op de kade spant de politie haastig een rood en wit gestreept lint. Door het diffuse licht lijkt daar de regen in stippellijnen neer te vallen. De toegelopen nieuwsgierigen worden achter de geïmproviseerde afspanning gedrongen. Dzing, intussen doordrenkt, huivert niet enkel van kou wanneer men tussen kade en schip een Harley Davidson optakelt. Zijn hart gaat te keer als een losgeslagen boei. Aan de moto is een slappe gedaante vastgeketend.

Rhea van der Vloet
10 1

Dzing

DZING, ongeveer 6 jaar. De regen geselt een kleine rillende gedaante. De riks lege gamellen van Chinese makelei, rammelen tegen zijn blote benen. Het regenwater druipt van zijn versleten zuidwester in zijn kraag. Zijn rug is doornat. Hij moet zich reppen anders zal er thuis wat voor hem opzitten. Hij is te lang bij zijn enig vriendje Jean-Pierre blijven hangen. Jean-Pierre’s moeder Helga is een van de prostituees uit de buurt. Helga met de blonde pruik had telefonisch kip met curry bij Dzing’s ouders besteld.   Het gillen van sirenes dringt door merg en been. Het blauwe zwaailicht van een ziekenwagen schiet als een komeet uit haar baan. De banden gieren rakelings langs Dzing heen wanneer de chauffeur de bocht te kort neemt en het gevaarte over het voetpad raast. Politiewagens rijden met de vier rode knipperlichten en het akelige noodgeluid naar de plaats van onheil. Direct daarna volgt, in razende snelheid, een brandweerauto. Door de heen en weer zwaaiende, aan kabels hangende straatlichten lijkt de auto bemand met skeletten en doodshoofden. Bliksemschichten projecteren toesnellende figuren uit de nabije straten. Dzing zet het op een lopen via het korte stuk van de Paulusplaats, waar het politiebureel zich bevindt, de St.Paulusstraat op. Hij glijdt uit over natte, tramrails die in het nachtelijke duister blinken als een achtbaan van de kermis. Langs de mastodont van het Tolhuis rent hij naar de Schelde, wringt zich tussen de opgestoken paraplu’s. De regenschermen blinken zwart door de neergutsende regen. Silhouetten van de samengeschoolde massa weerspiegelen zich in de vierkanten plaveien van de Scheldekaaien. Een van de gemeerde boten is hel verlicht. Matrozen in gele geoliede regenvesten wijzen naar een object in het inktzwarte water. Brandweerlui zijn in de weer met touwen en bootshaken. Een kikvorsman verschijnt aan het wateroppervlak. Begeleid door veraf klinkende misthoorns draait een kraan naar bakboord en wordt een motorrijtuig uit de rivier gehesen Op de kade spant de politie haastig een rood en wit gestreept lint. Door het diffuse licht lijkt daar de regen in stippellijnen neer te vallen. De toegelopen nieuwsgierigen worden achter de geïmproviseerde afspanning gedrongen. Dzing, intussen doordrenkt, huivert niet enkel van kou wanneer men tussen kade en schip een Harley Davidson optakelt Zijn hart gaat te keer als een losgeslagen boei. Aan de moto is een slappe gedaante vastgeketend.  

Rhea van der Vloet
4 0

Inspiratie

Op de tafel voor het raam ligt een plastic tafelkleed. Hier en daar onderbreken kleine, ronde brandgaten het streepjespatroon. Een halfvol bierflesje houdt een lege pizzadoos gezelschap, naast een uitpuilende asbak en een iPad. De jongen die met afwezige blik sigarettenrook door zijn neusgaten blaast is Simon. De man die via de luidsprekers de kamer vult met gypsy jazzmystiek is Django Reinhardt. De lat wordt hoog gelegd op het Conservatorium, maar Simon heeft zich goed voorbereid. Dagenlang oefende hij toonladders op zijn gitaar, speelde hij uitdagende riffs, plooide en wrong hij zijn vingers in ingewikkelde bochten. Hij leerde lange stukken uit het hoofd, geen noot sloeg hij over. Hij kon het. Tot de jazz leraar hem vertelde alles los te laten wat hij wist en te improviseren. Hoe dan, had Simon gevraagd, maar het antwoord - laat je inspireren - bleef voor hem te vaag. Hij wilde zich bewijzen, deze opdracht perfect uitvoeren, met zoveel mogelijk inspiratie. Simon nam zijn iPad, wat wist Wikipedia hierover? Twee elementen zijn noodzakelijk, las hij. De behoefte om muziek te maken en de ambachtelijke bekwaamheid om die behoefte te vervullen. Hij zocht verder op 'improvisatie', las over 'vertrekken vanuit akkoorden', 'bepaalde technieken' en 'beheersing van het instrument'. Misschien, als hij zich intensief concentreert op de nummers van Django, die beschouwd wordt als een van de grootste gitaristen uit de Belgische jazzgeschiedenis, dat hij het daar zal vinden. 'Nuages', 'Swing', 'Oiseaux des îles', uur na uur na uur. Simon is vastberaden elk nieuw akkoord, elke timing, elke aanslag te ontdekken en te doorgronden. Buiten verloopt het dagelijkse leven alsof er niets aan de hand is. Kinderen fietsen naar school, volwassenen doen boodschappen, gaan werken, nemen de tram die voor Simons deur stopt. Het geroezemoes van wagens en de gesprekken van de mensen aan de halte wringen zich door het dunne glas van de woonkamer, maar Simon hoort het niet. Hij wacht op inspiratie. Het is al laat wanneer de laatste noten van 'Limehouse Blues' uitsterven. Simon, het hoofd op de tafel, slaapt. Wanneer hij wakker wordt, tekent de zon cirkels op het tafelkleed. Simon rekt zich uit, zijn schouders voelen pijnlijk stijf aan, zijn nek verkrampt. Hij had een nachtmerrie, zijn vingers kleefden tegen elkaar, de jazz leraar had hem uit het lokaal verbannen: jij hebt hier niets te zoeken! Misschien is het de droom waarin hij nog half vertoeft, waardoor hij niet hoort hoe ook het leven buiten ontwaakt. Hoe de rails beginnen te zoemen als houden ze een ochtendgebed, de tram, hij komt! Een man loopt haastig voorbij, zijn voetstappen ketsen kort tegen de gevels. De kabels gonzen, een paar mussen vliegen kwetterend op, het vensterglas trilt in zijn omlijsting. Daar, het gezoem zwelt aan, versnippert tot staccato in het sissen van aanstormende assen. Presto! Presto! Dissonant snerpende remmen leggen alles stil. Dan, een ratelend openvouwen van mozaïekdeuren, voorts, een beweging van figuren die vanuit de halte in het voertuig verdwijnen. Opnieuw geratel waarna een haast gewijde rust volgt, een tel later doorkliefd door de krachtige kadans van het verkeer dat ritmisch weer op gang trekt. Ook dat heeft Simon niet gehoord. Misschien is hij al te veel gewend aan deze achtergrondgeluiden. Misschien heeft hij de informatie op het internet niet goed gelezen. Of misschien is het gewoon nog wat te vroeg voor hem.

Ruth A
0 0

verhaalfragment

Hij was er al toen ze aan kwamen gewandeld. Over zijn schouder hing een linnen tas zag Sarah. Hij groette Claire en kuste haar op de wang. ‘Proficiat, schat,’ zei hij tegen Sarah en kuste ook haar, maar op het voorhoofd. Hij streek met zijn wijsvinger even over haar neus. ‘Jij natuurlijk ook proficiat Claire,’ zei hij verontschuldigend terwijl hij Sarah losliet, ‘ik zou nog vergeten dat het ook jouw verjaardag is.’ ‘Dat heb je met tweelingen,’ zei Claire lachend. Sarah kaatste het knipoogje dat haar zus haar toezond terug zonder er werkelijk aandacht voor te hebben. Het woord schat echode in haar hoofd. Sinds ze samen waren, gebruikten Maarten en zij zelden koosnaampjes. Ze vond het iets klefs hebben. Van verliefde tieners kon je het verstaan dat ze elkaar liefje of schat noemden. Op die leeftijd denk je dat dat hoort, net als elkaars hand vasthouden wanneer je samen naar school fietst. Als het al gebeurde, was het Maarten die koosnaampjes verzon, nooit zij. Maar waarom nu? Nu Claire erbij stond? Ze probeerde haar ergernis weg te duwen. Geen gepieker vanavond, geen schuldgevoelens – tegenover niemand. De avond onbevangen op zich af laten komen, dat had ze zichzelf voorgenomen. De Italiaanse eigenaar van het restaurant stond achter de bar op een rekentoestel te tikken toen ze binnenkwamen. Met zijn bril op het voorhoofd en gestrekte armen kwam hij achter de bar vandaan. ‘Le sorrelle Temminck!’ riep hij uit en kuste Claire en Sarah omstandig op beide wangen. Zijn uitspraak had iets van een besnorde ober in een tekenfilm. Temmienk zei hij en rekte de ‘ie’ lang uit, alsof hij wel wist dat de klanten dat van een Italiaan in het buitenland verlangden. Hij speelde zijn rol met overgave. Met de handen plechtstatig voor zijn buik gekruist en een schuin hoofd boog hij voor Maarten. ‘Signor … ?’ vroeg hij. ‘Dit is Maarten,’ zei Sarah, ‘mijn vriend,’ en ze legde even haar hand op die van hem. De eigenaar trok grote ogen en knikte goedkeurend. Met gestrekte arm nodigde hij hen uit plaats te nemen aan een tafeltje voor drie. De man was een vroegere collega van hun vader. Enkele jaren terug had hij het meubelbedrijf verlaten en was hij op zijn eentje een restaurant begonnen. Er was hoogstens plaats voor tien mensen. Sarah en Claire kwamen er tweemaal per jaar. Een keer voor hun verjaardag en enkele maanden later om het einde van het academiejaar te vieren. Normaal waren hun ouders er ook bij. Nu had Sarah haar moeder kunnen overtuigen thuis te blijven. In juni, had ze gezegd, dan regel ik wel dat jullie Maarten eens zien. Terwijl ze haar jas aan de eigenaar gaf en ging zitten, was ze opgelucht dat haar ouders er niet bij waren. Ze keek ongemerkt naar haar zus. Claire was iets over haar eindwerk aan het vertellen. Sarah had haar vanmorgen de nieuwste roman van haar lievelingsauteur gegeven. Voor Claire, had ze erin geschreven, mijn lieve tweelingzus. Van haar had Sarah een vegetarisch kookboek gekregen. Ook zij had er een opdracht in geschreven. Om samen met Maarten van te genieten, stond er. Een jongen kwam binnen met een motorhelm onder de arm en verdween door een klapdeur in de keuken. In de deur was een patrijspoort uitgespaard, zoals in de kajuit van een schip. Vijf minuten later kwam de jongen opnieuw tevoorschijn en nam drie menukaarten van een tafeltje naast de bar. Nadat hij elk van hen een kaart had gegeven, rolde hij een krijtbord met de weeksuggesties dichterbij. Alles was in het Italiaans opgesteld, zodat hij wel een tijdje zoet was met hun vragen te beantwoorden. Op aandringen van Claire bestelden ze alvast een bord antipasti. ‘We zijn jarig of niet soms?’ zei ze en sprak Maarten plagerig toe. ‘Als jij braaf is, mag jij ook een hapje.’ De pruillip die hij trok, maakte hen aan het lachen. Hij kon triest kijken als een labrador. Wanneer hij dat opzettelijk deed, was het onweerstaanbaar komisch. Claire klapte in haar handen van plezier. ‘Doe dat nog eens Maarten, toe.’ Sarah zag dat hij gevleid was door haar aandacht. Hij legde ditmaal zijn hoofd op zijn arm, trok opnieuw een beteuterd gezicht en keek vanop tafel met grote ogen afwisselend naar Claire en Sarah. Intussen zuchtte hij en stiet een zacht gegrom uit. Claire kwam niet meer bij. Ook Sarah moest lachen. Toen de ober de keuken uitkwam en op hun tafeltje afstevende, kreeg het tafereel iets van een klucht. Maarten zat met zijn rug naar hem toe en bleef nietsvermoedend grommen en zielig kijken. ‘Gaat het met meneer?’ vroeg de jongen gespeeld ernstig toen hij naast het tafeltje verscheen. Claire proestte het nu uit. Maarten deed of hij schrok, ging recht zitten en depte zijn mond met een servet. ‘Excuses,’ mompelde hij. De jongen glimlachte en zette een schotel met hapjes op tafel. Daarna ging hij achter de bar iets klaarmaken. Na enkele minuten kwam hij terug met een dienblad met daarop drie glazen. ‘Aperitief van het huis’, zei hij. ‘Bravo’, riep Claire en begon in haar handen te klappen. Sarah en Maarten klapten na een korte aarzeling mee, tot de eigenaar uit de keuken kwam gelopen. Hij had een witte jas aangetrokken die met een rij blinkende knopen overlangs bijeen werd gehouden en maakte nu een lichte buiging. Na nog een kushandje richting hun tafeltje te hebben geworpen, verdween hij opnieuw. Gedurende beide momenten waarop de deur naar de keuken openzwaaide, was even het gedempte geluid van een radio te horen geweest. Dit is een kort fragment uit een langer verhaal. 

detroostvancontouren
34 0

Pssssht

  Het gesis klinkt lekker. De kunst is om niet te diep te gaan, dan loopt de band te vlug leeg en dat levert geen geluid op. Dit wel. Dit is écht lekker. Maar om een voldaan gevoel te hebben, moet er minstens een band of twintig naar de kloten. Nummer vijf is al aan de beurt: een keihard opgepompte en vrij brede achterband op een fonkelnieuwe retrobatavus. Een witte band. Die witte zijn om nat van te worden, omdat dit de kleur is die God voor rubber heeft bedoeld. Voor tortelduifjes ook. En hoop. En hoop? Op de dag na haar veertiende verjaardag kon haar vader haar lamlendigheid niet meer aanzien. Hij snokte het onnozele boekske uit haar handen. Zijn snor trilde van de ingehouden emotie en zijn rug was zo recht als de zwaartekracht die wij het leven noemen hem toeliet. Hij kondigde met volle stem aan: “Uwen band staat al twee weken plat. Als ge dedju nog genen band kunt plakken, wat gaat ge dan aanvangen in het leven? Kom, dat ik wat poten aan uw lijf kweek. Ge zult ze harder nodig hebben dan verhaalkes over dinges die toch niet bestaan”. Ze had zichzelf, haar boekskes en de manier waarop zij haar dagen placht te slijten nog verdedigd: “Maar vader, dat boek gaat over de liefde”. Zijn blik werd triomfantelijk spottend: “Hewel, wat zeg ik u juist?” Ze had geplooid als een Brompton. Hij begreep het toch niet. Bovendien was haar boek dichtgevallen en wist ze de pagina niet meer.   Tsjak! Dan slaat haar hoofd met een plotse slag naar voor, tegen de bagagedrager van de fiets en met nog een slag weer naar achter. Een eeuwigdurende nanoseconde later voelt zij haar benen slap worden. Daarna pas komt de vernietigende pijn in haar achterhoofd en nek. Vervolgens gaan haar lichten uit.   Het bandenplakproject was niet gewoon weer een bevlieging van haar vader. Ze werd gedrild in het plakken. Elke dag moest het gat beter en sneller dicht. En gaten waren er genoeg. De kasseien lagen in die dagen nog slecht en er was een rage onder de jeugd die te maken had met spijkers en de openbare weg. Zonder al te veel moeite vond haar vader dus materiaal voor haar om op te oefenen. Op sommige dagen was dat slechts één band, op zomerdagen vol fietsende jongemensen wel vijf of zes. Ze werd beter, handiger en vooral sneller. Vijf kapotte banden betekenden na enkele maanden oefening slechts een onderbreking van tien minuten tussen twee liefdesromans door.   Ze is met haar gezicht naar boven op de grond gevallen. Er zit een kartelige snee naast haar oog. Het bloed zoekt langs haar oor een bochtige weg naar beneden en druppelt gestaag in de capuchon van haar Dickies hoodie. Je kan in een streep flauw licht haar gezicht zien. De rest van haar lijf is buiten het zwakke schijnsel gevallen dat het lampje van de berging voortbrengt.   De vader ging steeds verder fietsen zoeken. Hij gaf zijn job op en kocht van de erfenis van zijn ouders een kleine open vrachtwagen waarmee hij door de hele stad en langs de dorpen aan de rand reed op zoek naar fietsen met een lekke band. Omdat marketing niet ’s mans sterkste kant was, en omdat businessplannen toen nog niet bestonden, merkte hij al snel dat hij meestal slechts schamele centiemen kon vragen voor een plakbeurt. De mensen aan de rand van de stand stonden wantrouwig tegenover een bandenplakker die zomaar zijn diensten kwam aanbieden. Wat ze vertrouwden en waarnaar ze verlangden, was een volledige en overprijsde fietsherstellingsdienst. Maar fietsen herstellen kon hij niet. Plakken was het enige dat hij zijn dochter desbetreffende had kunnen doorgeven, en zelfs dat kon ze nu sneller en beter dan zijn onkundige handen hem ooit zouden toelaten. Uiteindelijk verdiende hij aan de banden zelf net genoeg om de benzine van zijn camion en de aanschaf van zijn rustinnekes te dekken.   Haar aanvaller loopt in paniek met zijn nog zatte botten bijna onder de wielen van een voorbijscheurende HumVee. Eén van zijn sloefen met carreaumotief blijft liggen, zijn peignoir waait open en hij rent verder, van de straat terug het plein op. Zijn huis met uitzicht op het plein is nog dertig meter van hem verwijderd.   Op de dag na haar vijftiende verjaardag kon haar vader de beschuldigende ogen van zijn vrouw, die zich schaamde brood op de poef te moeten kopen, niet meer aanzien. Hij rechtte nogmaals de schouders en besloot een briljant idee dat hij die nacht had gekregen uit te voeren. Onder platanen die geduldig ouwe ventjes met alle tijd van de wereld beschutten, sleurde hij met de staande klok van zijn ouders. Die zette hij in het midden van het plein waar na school ook zijn dochter ging zitten. Hij had eindelijk beseft dat de kunst van zijn dochter meer spektakel- dan eigenlijke waarde had. Hij zou van haar kunde een show maken.   Nog twintig meter. Nog tien. Nog vijf meter, tot hij struikelt over het koord van zijn peignoir dat langs rechts uit zijn houders is gegleden. Zijn hoofd slaat tegen een van die oude platanen die de stad binnen enkele dagen zal gaan verwijderen. Wat oud is en gaten heeft in de kruin, moet weg.   “Minder dan een minuut, dames en heren. In die tijd heeft dit wonderkind een fietsband hersteld. U kan dat hier zelf volgen op deze klok. Komt dat zien! Aanschouw met uw eigen ogen. Jawel mijnheerrr, zoiets hebt gij nog nooit niet gezien.” En de mensen bewonderden en kirden voor de combinatie van kunde en aaibaarheid van het wonderbaarlijke bandenplakkertje. Gul smeten ze centiemen naar de emmer die de dochter in haar leerperiode had gebruikt om lekken te vinden. Zij gebruikte nu haar aangescherpte gehoor waarmee ze zelfs het kleinste lek feilloos kon detecteren en lokaliseren. Elke toon van ontsnappende lucht was een klein pleziertje dat de vernedering van haar vaders mini-freakshow draaglijk maakte. Soms deed ze zelfs alsof ze een gaatje niet onmiddellijk vond, zodat ze de band opnieuw kon oppompen; haar vader besefte niet dat ze in die minuut die ze niet mocht overschrijden zonder dralen gemakkelijk twee banden had kunnen plakken.   Twee jongens met capuchon die langskomen zien een zotcool knipmes dat in een witte achterband steekt. Lachend om het lot dat hen zo welgezind is, wil de kleinste het mes uit de band trekken.   Er waren jongens die weddenschappen met elkaar aangingen. Van hún band zou ze het lek nóóit vinden. Ze maakten de minuscuulste gaatjes ooit waargenomen. Ze slaagden er soms in het gaatje minder dan een speldeprik groot te maken. Er waren er zelfs die nog een week met hun fiets naar school konden rijden voor hun gesaboteerde band de gewenste platheid had bereikt om hem met een uitdagende blik aan dat meisje op het plein te gaan geven. Ze hoopten dat het meisje hun lek, als eerste ooit, niet zou vinden. Ze droomden dat zij ook in haar eens een gaatje mochten prikken. Nooit werd hun hoop waarheid. Nooit leek het meisje zelfs onder de indruk van hun nauwgezet aangebrachte lekje. En iedere keer weer wist ze het lek zonder zichtbare inspanning te lokaliseren. In ieder geval liepen de zaken eindelijk, tot opluchting van haar vader.   Zijn blik is gefixeerd op het mes, de donkere vorm voor zijn voeten ziet hij niet tot hij erover struikelt. “Wajoo. Hier ligt iemand.” Zelfs de komst van een moderne fietsverkoop/herstellingswinkel op het plein maakte de mensen niet minder gretig hun lekke banden naar het wonderkind te brengen. Het verbaasde de nieuwe fietsenmaker dat de freakshow op het pleintje concurrentie vormde voor zijn moderne winkel. Toen hij het pand kocht en de winkel opende, had hij zorgvuldig nagedacht over de locatie van zijn zaak en over het mogelijke cliënteel. Banden plakken zou zijn melkkoe worden. Banden herstellen is een klusje van niets. Iemand die een greintje verstand in zijn kop heeft, geeft geen geld uit aan iets wat hem tien minuten kost om zelf te fiksen. Toch, zo was de fietsenmaker in zijn leertijd bijgebracht, brachten brave oude meekes en onhandige schoolmeesters hun platte band binnen, dankbaar omdat de fietsenmaker hen beloofde een rijklaar voertuig te bezorgen tegen de volgende dag en tegen een schappelijke prijs. In banden plakken investeer je als fietsenmaker een minuut of vijf tijd en een frank of nul onkosten en je maakt twintig frank nagenoeg pure winst. Maar toen bleek daar dat meisje te zijn dat zijn gemakkelijke werk afpakte. Een meisje dat bij nadere inspectie sneller bleek te zijn dan hij. Een jong ding was het, zeventien ofzo, met een afwezige blik in een schoon gezicht. Een simpele duif voorzekers, maar braaf, dat kondt ge zien, en snel, dat bewees ze elke dag. Hij zag het duidelijk; zij zou zijn zaak het succes geven dat nu nog ontbrak. “Gast, belt ne ziekenwagen. Maar pakt eerst da mes.”Nu houdt niets de lucht nog op zijn plaats.   De fietsenmaker stapte zelfverzekerd af op het groepje mensen dat zich al rond het bandenmeisje had verzameld. Met een luide stem en een spottende grijns vertelde hij het aanwezige volk dat hij een fiets had meegebracht met een platte band waarvan hij het lek maar niet kon vinden, en als hij het niet vond, dan kon niemand het vinden. Onder de indruk van zijn vanzelfsprekende autoriteit lieten de wachtenden deze nieuwe speler in het bandenspel voorgaan. Routineus onderzocht het bandenmeisje de gloednieuwe platte voorband. Twintig seconden. Dertig. Veertig. Vijftig! Een minuut! Ooh. Amaai. De fietsenmaker bulderde met zijn hoofd in zijn nek terwijl het bandenmeisje hem onzeker aankeek en voor het eerst opmerkte wat een schone man haar daar voor haar neus stond uit te lachen. “Ge moet niet ongerust zijn schatteke. Ik heb die band gewoon laten leeglopen. Die fiets, dat is hier een echte Batavus: een Hollandse kwaliteitsvelo. Dat geraakt zo rap niet lek zulle. Ja dames en heren, fietsenhandel Vermeulen Sport, daar is mijne winkel, daar kunt ge er ook zo een kopen. En gij daar, chouke, ge moet u dat niet aantrekken, het was maar om te lachen, dat gij een lek niet zoudt kunnen vinden, allez kom. De smeerolie kan niet verstoppen wat voor een vaardige pollekes gij hebt.”Zo heeft de nieuwe fietsenmaker haar binnengedaan, toen hij nog fit was en die sprankel in zijn ogen haar deed kirren als een tortel. De puisterige jongens van het plein sloegen zich voor het hoofd omdat zij nooit met dit idee op de proppen waren gekomen, briljant in zijn eenvoud. En het bandenmeisje dacht in hem de Heathcliff van de fietswereld te hebben ontdekt. Maar al snel na hun trouw bleek haar beeld van de man die haar met zijn lach van haar krukje deed daveren een luchtbel die, eens doorprikt, pijn deed en stonk naar café De Prijsduif.   Sinds de fietsenmaker reuma heeft, slaat hij niet meer, ook niet als hij zat is, het doet te veel zeer. En hij heeft al jaren geen poging meer gedaan om op haar te kruipen, dat interesseert hem niet meer. Maar het vooruitzicht van zijn onregelmatige dronkenmansasem in haar gezicht doet haar elke avond woelen in bed tot ze steeds weer besluit om eropuit te trekken. Wanneer de vogel is gaan vliegen, moet zij steken. Hoe meer lekke banden, hoe beter. Zeker wanneer het de band van een mooie Batavus betreft. Hét merk. Zíjn merk. 'Ik rij liever daarop, dan op mijn wijf!' riep hij elke marktdag. Het sissen brengt rust. Alles komt goed. Elke lek stopt het gat. Daarom trekt ze de kap over de kop, de nacht in, het plein op.de fietsenmaker is geërgerd naar huis gegaan, uren vroeger dan gewoonlijk. Hij mocht van Walter zijn sigaarkes niet meer binnen in het café roken, omdat die onlangs controle had gekregen op het naleven van een dwaze wet van een dwaze minister. Hij heeft zijn zetel tegen de vitrine geschoven zodat hij vanuit de donkere winkel het goedverlichte plein kan aanschouwen. “Zit die vuile Marokkaan daar nu aan fietsen te klooien?” denkt hij wanneer hij in de schemerige fietsenberging aan het station een donkere figuur ziet, met capuchon, geknield op een schuimrubberen mat. De fietsenmaker krijgt het schijt van deugnieterige hangjongeren met een capuchon. En dan nog prutsen aan een Batavus Retromaster, het nieuwe model dat hem zo doet denken aan de tijd dat hij juist met zijn winkel was begonnen. Van kwaliteitsgerief moeten ze met hun vorte puberpoten afblijven. Peignoir aan, sloefen aan, het plein over, de pijn van zijn botten verbijten en PAK VAST, LEEGLOPER!   Ze bloedt!Pshhhht. Ademt ze nog?   Is ze dood? Is haar man dood? Er is in ieder geval een witte duif op zijn kop, naast zijn rechteroog aan het schijten. Roekoe, klootzak.

Frederik
0 0

Blind date met de toekomst

Een paar dagen voor kerst keken we elkaar voor het eerst in de ogen. Ik herkende haar niet meteen, en zij mij nog veel minder. Hoewel ik haar doen en laten al een tijdje met meer dan gemiddelde interesse volgde, was het vreemd om haar plots in levenden lijve te zien. Het voelde niet vertrouwd, zoals ik had gehoopt. Eerder onwennig. Toch zeker die eerste 30 seconden. Daarna sloot ik haar in mijn armen en in mijn hart. Voor altijd. Zonder woorden. Zonder twijfel.   Blind dates zijn dubbeltjes op hun kant. De verwachtingen liggen meestal hoger dan de hakken of het coiffuur van de date in kwestie, zodat er vaak al in de eerste minuten gezocht moet worden naar compensatiemateriaal. Een helse klus: het gemiddelde eetcafé laat naast het gekletter van besausde borden en het ‘look at me, I’m an asshole’-gekraai van businesshaantjes geen betekenisvolle interacties toe. Met een beetje geluk spreken de blik en lichaamstaal van de persoon aan de andere kant van de tafel boekdelen zodat snel duidelijk wordt welk vlees men in de kuip heeft: een lammetje, een kip of een flink stel hersenen. En ja, soms gaat het goed. Soms gaat het zelfs beter. Vriendin Kat nam onlangs het onzekere voor het zekere en liet zich verleiden tot een blinde ontmoeting met een mysterieuze jongeling. Niet zomaar naast de deur, in welk geval ze de dans met een foute partner zonder veel gedoe zou kunnen ontspringen, maar meteen over de land- en taalgrenzen heen. ‘Het gras is daar misschien niet groener maar de tongval toch een stuk sexier’, argumenteerde ze, en we konden haar geen ongelijk geven, zelfs niet in het schoon Gents. Ze vloog naar haar afspraak met een kokerrok en een klein hartje en zweefde terug met een nieuw lief en een valies vol toekomstplannen. Gevallen voor die vlotte tong en vertrokken voor een schoon avontuur.   Of de liefde tussen mij en mijn decemberdate wederzijds is, weet ik niet. Ik heb het haar nog niet gevraagd, daar is het net iets te vroeg voor. Ik wil geloven van wel, maar eigenlijk doet het er niet toe. Al vindt ze mij de stomste griet van Europa en omstreken: zij is het voor mij. De zon en de maan en het beste van allebei. Ook al draagt ze wel eens tweedehandsbroeken die haar niet flatteren. En kleedjes die te ruim tailleren. Ook al trekt ze wel eens op de verkeerde momenten haar mond open en ruikt ze niet altijd even fris. Ik vergeef het haar. Ik vergeef haar alles. Want die blik in haar ogen, dat is kunst. Hedendaagse kunst, met een streep realisme en een klodder romantiek. Een werk van generaties dat niemand onberoerd laat. Vooral mij niet. Hoe het ons verder zal vergaan? Dat verhaal moet nog geschreven worden. Er zit in elk geval toekomst in. Ze zegt het niet met zoveel woorden maar ze voelt zich op haar gemak bij mij. Dat weet ik, want ze laat winden in mijn aanwezigheid. Mijn kersverse dochter.   (Column verschenen in Psychologies magazine - maart 2012)

a little bit of soap
0 1

797204

‘Ik zit naast de telefoon en wacht tot 's avonds laat, met een kloppend hart want mijn geluk hangt aan een draad, als je ook verdriet hebt wees dan niet te fier en draai 797204.’ Ik floot ’m wel eens tussen mijn tanden, die hit van Tura, in de tijd dat je nog moest draaien om te bellen. Een telefoon had toen nog iets magisch. Thuis hadden we er geen, dus als ik mijn lief wilde horen of over mijn lief wilde zagen, moest ik zelf uit mijn kot komen. Bellen vanuit een telefooncel, mijn god, de kwelling. Eerst het huis en alle broeken – ook de stinkende verschrompelde onderin de wasmand – afzoeken naar vijffrankstukken. En dan naar ’t kot stappen, dwars door het dorp, tot vlak naast de kerk. En bidden dat meneer pastoor niet zou passeren. Want die zou het zeker weer gezien hebben, de heiligaard, dat ik niet met ons ma aan het bellen was. Mijn rode oortjes zouden mij verraden. Mijn rug zou weer boekdelen spreken. Want hoe je ook draait of keert in zo’n kot, je staat er in je blootje. Emoties liggen er voor het grijpen. Liefde, woede en wanhoop echoën er luider dan verwacht. En die rijen wachtenden achter je, die staan erbij en kijken ernaar. Schaamteloos.   Neen, dan zijn we vandaag beter af. Met die mobiele toestanden van tegenwoordig hoef je je rode wangen, bezwete rug of bleitmuil tenminste niet meer met Jan en alleman te delen. Je kan rustig een ei pellen met je schoonmoeder terwijl je op de wc zit. Het wachtdeuntje van de aannemer uitkafferen in het tuinhuis. Een telefonisch interview afnemen vanuit een berghut im Schwarzwald, in een rendiertrui. Nog zo makkelijk. Maar willen we die privacy? Neen. We willen gezien en gehoord worden. Gisteren nog, voor mij in de rij aan de kassa: ‘ZEG SCHAT, NEEM JIJ DIE NIEUWE LEREN TAS MEE VAN MICHAEL KORS, ZE LIGT OP ONZE PIANO IN DE HAL, IN DIE WITTE ZAK VAN PRADA.’ ‘Proficiat madam’ wou ik nog zeggen, maar ze zwierde zo wild met heur haar en armen vol blinkende mobiliteit dat ik het maar zo liet. Leren tas. Michael Kors. Piano. Prada. Dat wil wat zeggen. Dat ‘schat’ de voeten vanonder zijn gat mag lopen voor haar. En dat wij stille getuigen mogen, excuseer, moeten zijn van haar succes. Eenzelfde scenario in de trein, de roepplek bij uitstek: ‘JA ’T IS IK. ZEG, IK ZIT OP DIE VAN 21 UUR KWART. JA, DRUK-DRUK-DRUK. ZEG, BEVESTIG JIJ VOOR DAT WEEKEND IN DE DORDOGNE, DAN KIJK IK MORGEN OP DE EUROSTAR WEL NAAR DE PLANNEN VAN DE BADKAMER. EN ZOETJE, WACHT MET DIE PASTA TOT IK THUIS BEN, GE WEET DAT IK MIJN LINGUINE HET LIEFST ZELF DRAAI MET MIJN MACHINE UIT PIEMONTE.’ Word je dan als medereiziger verondersteld spontaan recht te staan en te applaudisseren? Reik je zo’n man de hand en feliciteer je hem met zijn uitermate geslaagde leven? Of word je verondersteld nederig het hoofd te buigen en zwijgend je degradatie naar tweede klasse te aanvaarden, ook al zit je in dezelfde wagon?   Nu ons leven niet meer aan een draad hangt, lopen we ermee te koop. Nu we bevrijd zijn uit onze cellen willen we gezien en gehoord worden. Onze rug moet geen boekdelen spreken, dat doen we zelf wel. Zo luid en duidelijk mogelijk. En wie niet horen wil, krijgt een klets extra intonatie rond zijn oren. Want we hebben iets te bewijzen. En we zijn zo fier. Dus we leven bij de gratie van de ander, op de tonen van 797204.   (Column verschenen in Psychologies magazine - januari 2013)

a little bit of soap
0 1
Tip

1 centimeter breed, 3 millimeter diep

Hij is 1 centimeter breed en 3 millimeter diep. Ik weet het want ik heb ’m bekeken in de spiegel. Langs alle kanten en verschillende keren, om zeker te zijn. Ik wist niet eens dat hij er zat, tot iemand zei: “Je bent ontspannen, je frons is weg.” Toen schoot hij natuurlijk direct weer in een plooi, want ik begreep niet waar ze het over had.   Net als ieder mens met ogen, oren en neuronen heb ik zo nu en dan mijn bedenkingen. Bij de epauletten van sport- en stijlanker Catherine Van Eylen. Bij de foto’s van gepimpt melkschuim op mijn scherm. De meeste van die meninkjes hou ik voor mezelf wegens weinig relevant voor de wereldvrede, maar ze ontsnappen wel eens via mijn voorhoofd, waar ze de leegte tussen mijn wenkbrauwen vullen met geribbelde dikdoenerij. Een teken van inhoud, aldus denkers. ‘Gecrispeerd’, menen anderen. Ik durf dat tegen te spreken. Ze mogen zeggen en dragen wat ze willen, ik loop niet de hele tijd te oordelen met de uitzondering in mijn hoofd en de regel in mijn hand. Eigenlijk ben ik best tolerant. Ik probeer altijd wel te zoeken naar een goede verklaring voor de schoudervullingen van Catherine. Vind ik er geen, dan trek ik mijn schouders op, even hoog als die van haar, en dan bedenk ik dat haar vestimentaire moed toch bewonderenswaardig is. Neen, ik erger me niet vaker of langer dan de gemiddelde kleine zelfstandige met perforatorproblemen aan het einde van een kwartaal. Om dan te zeggen dat ik er godganse dagen als een Klingon bijloop…   Ja dus. Sinds die vrouw haar vinger op mijn frons legde, gaat er geen uur voorbij of ik voel ’m. Achter de computer, voor de televisie, boven de lavabo of bij het likken aan een cornet d’amour. Het moet aangeboren zijn. De bewijzen liggen voor mij op tafel: een vergeelde polaroid uit ’74. Mijn moeder geeft me de fles en ik frons. Waarom? Weet ik veel. Veel viel er toen nog niet te fronsen, of het moest een onderliggende drol zijn die me dwarszat. Maar kaksituaties ga ik tegenwoordig zo veel mogelijk uit de weg, dus het moet iets anders zijn. Iets genetisch. Een verkeerde wrong bij de bevalling. Die Klingon-frons zat er in ’74 al in en die is er nooit meer uitgegaan.   Pas bon pour le moral. De bochten in je gezicht beïnvloeden het zuurstofgehalte in je hersenen en sleuren in een zelfde beweging je humeur mee. Wetenschappers hebben het getest en bevestigd. Open je energiefactuur met een smile – desnoods geforceerd met ‘cheese’ of ‘gin-tonic’ – en je zult het leven en je factuur beter zien zitten. Frons je wenkbrauwen en het is al bij voorbaat om zeep. Dan betaal je een hogere prijs voor zowat alles in dit leven, of zo lijkt het toch.   Van de shiny happy people-club hoef ik geen lidkaart, dank u schoon. Iemand die altijd lacht is verdacht want het leven kan stinken. Maar van die frons, daar moet ik vanaf. ’t Is een kleintje, maar ’t schiet ver door in mijn humeur, onbewust maar zeker. Ziet u mij een dezer met een voorhoofd dat twijfelt tussen glad en geribbeld, neem het dan vooral niet persoonlijk. Er is niets mis met uw epauletten, noch met uw okselgeur of melkschuimsnor. Mijn wenkbrauwen hebben gewoon een eigen wil, maar er wordt aan gewerkt. Ik ga voor glad geluk, al dan niet geforceerd met gin-tonic. (Column verschenen in Psychologies magazine - oktober 2013)

a little bit of soap
1 1
Tip

Metaforensisch

En dat ik op mijn eten moet letten. De dokter zette de vensters van zijn kabinet wijd open en verwees me door naar een diëtiste die wat mij betreft de pot op kan. Maar dat was nog niet ’t ergste. Ik moest ook tien keer op neer en neer springen. In mijn onderbroek. Na twee sprongen hing mijn tong op de grond, wat wilt ge. Die dokter bekeek mij, ’t was precies of hij zag een freakshow. Een jongen van uw leeftijd moet veel sporten, zei hij. Hij zei leeftijd, maar ik weet goed genoeg wat hij bedoelde. Dokters. Ge moet ze mij niet leren kennen. Dat begon al met mijn geboorte, enfin, nog iets vroeger zelfs. Ons ma wou per sé thuis bevallen. Maar ik geraakte er niet uit. 't Gat was te klein. Of ik te dik, dat is de versie van ons ma. De vroedvrouw panikeerde. Ons ma bleef aanvankelijk nog kalm. Onze pa zat waar hij altijd zit in crisismomenten: op zijne fiets. Luchtje scheppen. Efkes afkoelen. Maar ons ma zat onder 't zweet, het parelde in haar snor, het liep door de afvoergoot van haar borsten en het plenste in het vruchtwater op de vloer. De vroedvrouw liep door de kamer met doeken te zwaaien en scharen te schermen. Ze maakte zoveel kabaal dat de buren op de muren bonkten. Ons ma lag tamelijk ongemakkelijk op de tafel in de schoon kamer. Echt schoon was die niet meer, met al dat groen water op de grond. Toen de vroedvrouw dat vuil vocht zag, begon ze te krijsen: Persen! Persen, zeg ik u! Ons ma puffen en persen, maar ik verschoof geen millimeter. Er werd serieus gevloekt, zowel door ons ma als door de vroedvrouw. Onze pa die juist kwam aanwaaien, besloot ter plekke nog maar eens een blokske om te doen. Dat waren woorden, jong, vertelt hij nu nog op elk familiefeest, daar kreeg zelfs de meest vuilgebekte dokwerker rode kaken van. Ons ma gilde moord en brand. Wij woonden toen niet ver van ’t Scheld, daar is geen enkel schip de haven in gedurfd die avond. Dat zegt onze pa toch. Ze hebben de dokter moeten bellen. De ambulance kwam er aan te pas. De broeders hadden er werk mee, ons ma liet zich niet zo gemakkelijk op die draagbaar kantelen. En toen is ’t gebeurd. Ze waren nog niet bij de deur of: KADENG! De luster die boven de tafel hing, kletterde met kristal en al naar beneden. Knal op de plek waar juist daarvoor ons ma nog had gelegen, met mij in haar buik. En zo heb ik dus ons ma haar leven gered. Waart gij zo’n mager scharminkel geweest, zegt ons ma altijd, dan was ik blijven liggen en dan waren we er geweest. Ze heeft nog ferm van haar oren gemaakt tegen de dokter. Die vond mij toen al te dik, die wou mij toen al op dieet zetten. Pas geboren! ’t Zijn altijd de anderen die problemen hebben met mijn gewicht. Dat is gewoon een kwestie van perceptie, dat zit tussen de oren. Maar dat krijg ik ze niet aan ’t verstand gebracht. ’t Ambêtante is, mijn metabolisme heeft een neveneffect. Ik verwerk veel voedsel, dat volgt een natuurlijk pad en dat vindt zijn nest. Mijn darmflora tiert welig, als ge begrijpt wat ik bedoel. En af en toe ontsnapt er mij iets. Ongewild. Onbewust zelfs. Eerst wordt ge niks gewaar, maar ineens is het daar: een walm van rotte eieren. Er zijn er die denken dat de evenaar door hun gat loopt. Bij mij is dat het riool. Dat zeggen die van mijn klas. Geestig. Als ik het lokaal binnenwandel, beginnen ze te snuiven en te schuiven. Nee, de plaats naast hen is bezet. En die hoofden die in mijn richting wijzen en dan naar mekaar toe buigen. En dat onnozel gniffelen achter mijn rug. Lacht u toch dood, jongens. ’t Is dat ze u niet kennen zoals wij, zegt ons ma. Ge moet u bloot durven geven. Maar mijn bloot, daar hebben ze in de turnles al genoeg van gezien. Ik kan niet zeggen dat het geholpen heeft. Uw ma bedoelt dat metaforensisch, zegt onze pa. ’t Gaat om het innerlijke, legt uw ziel bloot. Dan zien ze uw goed hart. Uiteindelijk heeft ons ma mij naar die dokter gestuurd. Volgens hem heb ik flaturgentie of zoiets. Pffff. ’t Zal wel. Traag eten. Goed kauwen. Pffff. Alsof dat helpt. Maar ik heb aan dat bezoek wel een vriend overgehouden. Nee, niet die sadist van een dokter. Ik kom dus uit de praktijk. Mijn hoofd dwaas van dat springen. Ik leun tegen een etalage. Kampeerwinkel. Wat zie ik daar liggen? Aksen, bijlen, hakkers met vlijmscherpe bladen. En daartussen: een eenzaam zakmes. En ’t was precies of het riep mij. Hé gij daar, ja gij. Neem mij mee. Ik heb mij over hem ontfermd, ja. Wat moest ik anders, hé Jack. Wij verstaan mekaar. (zingt/neuriet: ‘I’m a poor lonesome cowboy’ terwijl hij met het mes speelt) Helden. Daarover moest de spreekbeurt gaan, gisteren. Ik heb er lang over nagedacht. Ineens wist ik het. Het was alsof er zo'n lamp boven mij ging branden, kent ge dat? Zo'n verlicht moment? Ik begreep dat ik een kans kreeg. Een kans om mijn ware ik te tonen. En ik heb ze gegrepen. Toen het mijn beurt was, heb ik gesproken. Over de schoon kamer en ons ma op de tafel. Over het groen water en de ambulance. Maar 't einde heb ik niet kunnen vertellen. Iemand riep 'Scheetsoep!' en toen begonnen ze te lachen en door elkaar te roepen en die van Nederlands kreeg ze niet meer stil. Ik stond daar met mijn handen tegen mijn oren. Scheetsoep. Terwijl ik ons ma heb gered! Weet ge waarin ik nu goesting heb? Om Jack mee naar school te nemen. Om die bleekscheten van mijn klas op en neer te doen springen tot hun tong tegen hun tenen plakt. En dan, zegt Jack, dan zal hij ze tonen hoe dat ge een hart blootlegt.    

Ruth A
16 4

De passie van de Parfumeur

Pas op zijn sterfbed vertrouwde de Parfumeur zijn zoon het geheim toe. Hij liet de jongen bij zich komen en vroeg hem een plastic zak mee te brengen. Verbaasd voldeed hij aan zijn vaders verzoek. Met zijn zoon naast hem gezeten, begon de oude man te vertellen. ‘Luister, jongen. De basis van mijn parfums bestaat voornamelijk uit water en toevallige kruiden. Wat ze echter zo speciaal maken en wat de mensen terecht bestempelen als een herkenbaar maar vreemd luchtje, is het erin verwerkte tinctuur van menselijke extracten.’ Hierop fronste de zoon de wenkbrauwen, zijn lippen weken reeds uiteen om een vraag te stellen, doch de Parfumeur snoerde hem de mond met een afwijzend gebaar. ‘Nee, ik ben geen Grenouille. Op zolder liggen weliswaar honderden exemplaren van ‘Het Parfum’ van Patrick Süskind: attenties van klanten die me op een originele manier wilden bedanken voor de exquise odeurs waarmee ze zich elke morgen konden besprenkelen. Parfums waardoor ze zich zodra de eerste druppel hun oorlel raakte, succesvol voelden, uniek, aantrekkelijk, betrokken, geïnspireerd, gewaardeerd. Nee, nee, moord zou me niets opgeleverd hebben. Integendeel, de meest fascinerende feromonen distilleerde ik uit de lucht van de levenden. Ach, de ademstoot van de atleet, het balsem der beweging!’ Bij deze woorden verwijdden de neusvleugels van de Parfumeur zich en het was alsof hij zich de geuren niet alleen herinnerde, maar ook effectief opnieuw kon ruiken. ‘Met de minuscule stoffen die hun longen vrijgaven, stelde ik de meest explosieve boeketten samen,’ vervolgde hij. De zoon merkte hoe de stem van zijn vader op dat moment zwakker begon te klinken, het vertellen leek hem uit te putten. ‘Vader,’ zei hij, ‘Wellicht wilt u even rusten. Zal ik later terugkomen?’ De oude man voelde zijn krachten echter snel afnemen. Bevangen door de urgentie van het moment, hij had de formules nog niet volledig geopenbaard, verzocht hij zijn zoon te zwijgen en te luisteren. De Parfumeur beschreef daarop hoe hij in zijn jonge jaren vaak ging wandelen in het park. Daar werd hij meer dan eens uit zijn gedachtegang opgeschrikt door voorbijflitsende fietsers en joggers. Het viel hem op dat nog lang nadat de renners uit het zicht verdwenen waren, hun geur zich als een trage, onzichtbare sluier leek te ontrollen. En terwijl hij door die optrekkende nevels van uitgewasemde prestaties slenterde, was het alsof hij toegang kreeg tot het persoonlijk domein van de passanten. Hij werd overmand door emoties van doortastendheid, verbeten volharding, euforie. Een plastic zak die toevallig rond een bank dwarrelde, had hij in een opwelling opgeschept en dichtgeknoopt vooraleer de wind eruit kon ontsnappen. In zijn labo thuis hevelde hij de gevangen geuren over in een systeem van buisjes, flacons, dampvaten en distillatietubes - een complex gebeuren dat hij niet helemaal in de hand had maar dat gestuwd werd door een niet aflatende scheppingsdynamiek. Het resultaat was adembenemend, aldus de Parfumeur, en hij had het proces in de loop der jaren steeds verder op punt gesteld. Zijn ogen schitterden en de gelige schijn die reeds in zijn gelaat was getrokken, lichtte oranje op. De hernieuwde energie was slechts van korte duur. Net had hij de juiste opstelling en verdeling van de elementen aan de jongen toevertrouwd, of hij blies zijn laatste adem uit. De zoon prees zich later gelukkig dat hij de zak nog net op tijd over het hoofd van zijn vader had weten te trekken. Niet lang daarna fabriceerde de erfgenaam zijn eerste meesterwerk, een gloedvol parfum waarin de klanten een onsterfelijke passie meenden te herkennen.

Ruth A
0 0