Zoeken

Licht

1 de boom De zon schijnt door het raam op mijn bed. Ik kijk van in de deur naar dat licht. Ik ben al een paar uur op, maar ik krijg het niet uit mijn hoofd. Het doet raar met de boom weg. Het licht zit niet meer vast in zijn kruin. Het is vrij nu. Ik zie plots veel meer: een lens op de grond, een pluk stof in de hoek, veel haar, een bord met droog brood, een tas thee die leeg is. Het lijkt wel of ik hier al lang niet meer woon, of een geest ben van licht met het huis als een week na mijn dood. Ik zet de tas in het bord en het bord op een stoel. Dan veeg ik al het vuil in een hoek. Ik maak een doek nat en wrijf elk ding glad tot het blinkt. Ik zet elk scheef boek weer recht. Dan kijk ik rond. Het lijkt nog steeds of ik hier al lang niet meer woon, en een geest ben van licht met het huis als een week na mijn dood, maar dan net voor men het huis weer te koop stelt. 2 de fiets Ik spoel mij schoon, droog me af, en kleed me aan. Dan eet ik brood met jam. Ik bel ook Troel op. Troel woont om de hoek. We gaan vaak met de fiets naar de brug. Hij mag me wel, Troel. Hij praat niet veel, maar ik weet dat ik zijn vriend ben. “Gaan we weer naar de brug?” vraag ik. Ik hoor veel wind in de lijn. Hij is vast al op weg. “Is goed. Ik ben er zo.” “Goed,” zeg ik, “ik zie je daar wel.” “Tot straks dan.” “Tot straks.” Ik ga naar het hok en neem mijn fiets die aan het raam staat. Het is geen weer meer voor een jas, maar ook nog geen weer voor een hemd of voor een trui. Ik heb niet graag te warm als ik fiets; ik rij me toch steeds in het zweet. En het zou hard gaan nu er geen boom meer recht stond in de stad. De wind heeft vrij spel nu. Net als het licht. Mijn wiel van voor draait rond en rond, spaak na spaak, in een rol van goud. 3 de brug Troel gooit een steen in de beek en ik leg mijn fiets naast die van hem op het gras. De brug in de lucht was hoog als een huis. Er kon vast wel een boot door. “Hoi Troel,” zeg ik. Hij werpt nog een steen. “Dag Paul,” zegt hij, maar hij kijkt niet om, “hoe gaat het?” “Goed hoor. Jij?” Troel werpt nog een steen, die drie vier keer op en neer springt en dan zinkt met een plop. “Ik moest al op school zijn,” zegt hij. “Hoe komt het dat je niet op school bent?” vraag ik. Hij zet zich naast me op het gras. “Het is vast de tuin. Ik slaap slecht nu die leeg is. Er is zo veel licht op mijn bed.” Dus ook bij Troel. Wat was er toch aan de hand in de stad? Plots staat Troel op en kijkt naar iets ver weg. Hij wijst. “Kijk, Paul!” Ik kijk en dan zie ik dat het een boot is, een boot met een vracht van hout. De boot komt op ons af. 4 de boot Troel is heel snel op de brug. Als ik naast hem sta, is de boot al niet zo ver weg meer. Met mijn hand als een klep scherm ik de zon af. Aan het roer meen ik een man met een baard van grijs glas te zien. Hij heeft een heel klein hoofd en een bril. “Waar gaat al dat hout heen?” vraag ik. Troel kijkt streng. “Ik weet het niet. Maar er klopt iets niet.” De boot is nu al aan de brug. Aan het eind van het dek hangt een groot blauw zeil dat spant als een pauk. “Zie je dat zeil ook?” vraag ik. Troel knikt. “Wat denk je?” Mijn hart klopt traag met de slag van een golf mee. De boeg boort door. “Ik weet het niet,” zeg ik, maar Troel weet dat we het gaan doen. Hij klimt de rand van de brug op en hapt naar lucht als voor een duik. “Wacht, Troel!” roep ik, maar mijn stem smoort weg in de ruis van het schuim. Hij is al weg. Tot slot spring ik ook. Ik spoel neer in lucht. 5 de man Ik val hard neer met een bons. Het zeil is niet zo zacht als ik eerst dacht. Als ik me recht zie ik hoe Troel op zijn knie wrijft. Hij bijt ook op zijn lip. “Doet het pijn?” vraag ik. “Valt wel mee,” kreunt hij, “maar we zijn toch op de boot nu. Kom.” Rond ons ruist de wind en golft het schuim. Hoog in de lucht drijft een meeuw met ons mee. Troel is snel. Hij kruipt op het hout dat strak spant door een lint van staal. Ik sluip zo stil als maar kan in zijn spoor mee. Al gauw zien we de hut van glas waar de man met de baard met de rug naar ons toe staat. Hij kan ons niet zien. Dan schuif ik plots uit op het hout, nat van het schuim dat uit de beek spat. Ik schiet uit naar de rand van de boot en roep iets. Troel grijpt mijn hand. Dan draait de man zich om. Zijn mond is een barst in glas. Zijn bril is zwart als mijn angst. 6 de val Langs de hut heen snijdt de zon Troel en mij dwars in twee. Wij staan schaak in goud en zwart. De man komt uit zijn hut met een tred die de boot heen en weer schudt. “Ik denk niet dat dit schip drie man droeg toen het van de kaai weg voer,” zegt hij kil. Troel slikt. “Al dat hout hier,” zegt hij, “waar ga je met al dat hout heen?” “Dat hout is mijn zaak. Of toch op zijn minst de zaak van mijn baas.” “Met welk doel?” vraag ik. De man lacht. “Dom kind. Wat gaat jou dat aan? Ga van mijn schip af. Ik heb haast. Ik ben al laat.” Troel trekt zijn borst op. “Doe maar,” pocht hij, “kom maar op. Jaag ons maar van je dek.” Nu wordt de man boos. Hij komt op ons af en trekt aan mijn trui. “Kom, jong, van mijn boot, en snel. Raus!” Troel schopt met de top van zijn voet op zijn been en de man stuikt neer in een schreew. Dan duwt Troel hem naar de rand van de boot. Hij valt in het schuim en plonst en klauwt en trilt als een lamp in een bad. En de boot, die vaart door, met wij twee op het dek, en de man in het zog van zijn kiel. 7 het roer Troel juicht en joelt. Hij loopt naar de hut en gaat aan het roer staan. Ik hoor de beek heel luid nu, iets dat klotst in het dek als een wijn in een ton. Mijn hart bonkt. “Was dat wel goed wat je deed met die man?” vraag ik. Troel houdt het roer vast met één hand. Ik sta nu naast hem in de hut. “Die man deugt niet,” zegt hij, “hij was door en door slecht. Dat zag je zo.” Dat weet ik ook wel. Maar toch. Ik kijk door de ruit voor ons, en stel daar mijn geest op af. Licht speelt links en rechts met het riet langs de beek. Traag kom ik tot rust. Ik zie een eend die haar staart nat maakt. Haar bek blinkt. Rond haar oog plakt een bruin blad, daar waar ze krabt met haar poot. Ik tel ook een mus of twee drie, hoog in een dans. Dat dit maar lang zo blijft, denk ik. Ik voel me goed, met mijn buik van pluis en Troel aan het roer. Ik vraag me niet eens af waar we heen gaan.

Pimpelpaarse Peperpot
0 0

Kerstverhaal

Tien voor elf is het. Nog iets meer dan een uur en dan gaan de vijf klokkentorens in de buurt om ter luidst de middernachtsmis aankondigen. Om de stilte die nu in huis hangt te doorbreken, slurp ik van mijn kop thee. Sinaasappel met honing en een speculaasje erbij. Zoete dingen, dat apprecieer ik in de winter het meest. Smaakt goed na de wortelpuree van daarnet. Dat was een restje van gisteren. Ik heb er ook een tosti kaas bij gemaakt. Zo zou hij dat noemen, denk ik, Henk, een ‘tosti kaas’, terwijl ik het zelf een ‘vegetarische croque monsieur’ noem. De laatste keer dat hij hier was, hebben we samen wortelpuree gegeten. Ik vraag me af of ik het daarom vandaag ook gemaakt heb. Een onbewuste associatie. Mijn maag rispt op. Die sinaasappelthee komt niet uit een zakje. Heb ik ook van hem geleerd. Hebben we in het begin veel ruzie om gemaakt. Hij weigerde geprepareerde theebuiltjes te kopen. Het moesten altijd losse kruiden zijn. Goedkoper en verser, volgens hem. Na vijf jaar neem je dat dan over, zo’n gewoontes. Ik vraag me af wat hij vanavond doet. Of hij toch weer naar zijn vader en moeder is gegaan. Of hij daar in dat rode gecraqueleerde salon ovenhapjes zit te eten die zijn moeder de dag zelf nog in de supermarkt is gaan halen. Als er al ovenhapjes zijn. Zou ze dit keer zelf gekookt hebben? Of zouden ze weer naar het frietkot gaan, zoals drie jaar geleden, de enige keer dat hij mij zover heeft gekregen ook de reis naar Rotterdam te maken. Mee het huis binnen, een doodnormaal rijtjeshuis. Ik had een grot verwacht na alle beschrijvingen die hij me had gegeven. Ze had gestofzuigd, zijn moeder, en het enige vuil dat ik vond was een pizzakorst achter de zetel. En wat ondefinieerbare bruine korrels in een scheur in het rode leer. Ik heb toen later op de avond gedaan alsof ik een brok vispastei van het bladerdeeg had laten vallen, de kruimeldief gezocht en de zetel schoon gemaakt. Toen waren ze er alleszins wel, ovenhapjes. De rook hing tot in de woonkamer. Vorig jaar hebben we kerst met z’n tweeën hier thuis gevierd. Ik had zijn ouders uitgenodigd, maar hij zei me dat ze het geld niet hadden om naar Brussel te komen. Ik weet niet of dat waar was. Hij had gekookt. Steak met pepersaus, zijn specialiteit. Hij is nog chef-kok geweest. Ik kan nog steeds niet zo’n lekker vlees bakken als hij. Ik had voor kaarsjes gezorgd, en cadeautjes. Die had ik onder de kamerplant gelegd, voor een kerstboom had ik het geld niet. Hij had nog voorgesteld er eentje voor me te halen van op het Sint-Kathelijneplein. Hij weet hoe nostalgisch ik word van die dennenlucht. Mijn ouders vroeger kochten altijd de grootste boom. Zo hoog waren die dat ik er nooit een piek op kon zetten. Met mijn moeder hing ik de boom vol ballen en slingers. We bakten ook figuurtjes van zoutdeeg en die hingen we er ook in. Ik heb het recept nooit op internet opgezocht. Ik zou niet kunnen verdragen dat internet iets weet dat enkel mijn moeder wist.   Twintig na elf. Ik slurp nog eens van mijn thee. Ik heb geen muziek op gezet. In kersttrielala heb ik geen zin, koormuziek zou me te veel aan mijn vader doen denken, de poppige rockige radiostroom hoor ik al genoeg op andere avonden. De kerktorens zijn nog stil. Onze Spaanse bovenburen houden een luidruchtig feest. Heel de familie is overgekomen uit Barcelona. De hele dag al is het een binnen- en buitengeloop van kinderen, amper zichtbaar onder hun wollen mutsen, pubers die liever hun vingertoppen eraf laten vriezen dan volledige handschoenen te dragen, hun ouders die met de meest bizarre vormen van cadeaus komen aanzeulen. Ik had voor mijzelf ook een cadeautje gekocht deze avond. Ik heb het door de kassabediende laten inpakken. Ik doe het straks om twaalf uur open. Het zit nog in mijn tas. Die kamerplant van vorig jaar heeft hij meegenomen. Ik heb nog niet de tijd gehad een nieuwe te kopen. Zo’n zes weken nu leef ik in een half huis. Het verbaast me dat ik zo goed op de hoogte ben van het tijdsverloop. Ik zou niet kunnen zeggen hoeveel weken het geleden is dat ik Anja nog heb gezien, of Liesbeth. Of hoeveel weken het geleden is dat ik nog eens naar het park ben gegaan, of naar een dansvoorstelling. Ik weet ook niet hoeveel keer het kopieerapparaat op school stuk is geweest het afgelopen jaar. Maar ik weet wel hoeveel keer ik gevreeën heb het afgelopen jaar. Mo had me aangesproken terwijl ik op een bankje naar voetballende kinderen zat te kijken. Hij was eerst druk in de weer met zijn i-pod en dan begon hij, heel vriendelijk. Of ik hier vaak zat? Of ik in Brussel woonde? De blik in zijn ogen was rustig, alsof hij met het hele leven in het reine was. Brede schouders had hij, wat mij het gevoel gaf dat hij vanuit zijn hart sprak. Ik was het die zijn nummer vroeg op het einde van het gesprek. En of hij overmorgen zin had wat te gaan drinken? Het was krokusvakantie. Henk zat voor een congres in weet ik veel waar. Henk wilde niet dat ik stopte met de pil. Mo wou zeven kinderen, vertrouwde hij me toe in Bar Beton. En dat hoefde geen jaren meer te duren. Hij had een Arabisch salon in zijn kleine woonkamer. Of toch één bank bekleed met blauw fluweel en gouddraad. Ik vraag me nog steeds af hoe hij dat logge, rechthoekige meubel boven op de derde verdieping heeft gekregen. Het was even ruim en comfortabel als een tweepersoonsbed.     Twintig voor twaalf. Mijn thee is op. Ik twijfel of ik nog nieuwe moet zetten, of maar gelijk in de rode wijn vlieg. Of jenever? Er hadden wel enkele vrienden gevraagd of ik kerst niet bij hen kwam vieren. Ik geloof dat ook enkele collega’s samen gingen hokken vanavond. Ik besluit voor de jenever te gaan. De fles is al half. Ik kan me niet herinneren wanneer ik de vorige helft heb opgedronken. ‘Into the wild’ van Eddie Vedder. Die film hebben Henk en ik samen gezien. Allebei de ogen uit onze kassen gehuild en nog nooit zo’n goede seks gehad. Ik had Mo die film ook aangeraden. We hebben samen gezien. Hij vond er niks aan. Toen heb ik mijn keuze gemaakt. Of was dat daarvoor al, toen hij over ‘negers’ begon, toen hij zei dat zwarte mensen stonken en geen cultuur hadden. Het was alleszins nog voor Henk terug was van weet ik veel waar, dat ik Mo heb verteld dat ik niet de moeder van zijn zeven kinderen zou worden. Ik ben Henk gaan ophalen op de luchthaven. Ik maar wuiven tussen al die wachtende mensen. Hij was verbaasd. Het eerste wat ik opmerkte was zijn geur. Ik had Henk nog nooit eerder geroken. Het was een mengeling van zweet, rook en scheerschuim. Het wond me niet op, wat heel anders was dan voor hij vertrok en zijn lijf maar in geurafstand van mij moest zijn om me geil te maken. Hij kuste mij. Ik proefde chocolade. ‘Wat brengt jou hier?’ Was dat achterdocht in zijn stem? ‘Ik dacht, laat ik hem verrassen. Vind je het leuk? Hoe was het?’ Ik weet niet eens of ik toen wél wist waar hij geweest was. Bahrein, Bangladesh, Signapore, New York, Kaapstad, ik hield het niet meer bij. Als hij me eens meegenomen had… Maar daar had de firma geen geld voor, volgens hem. Ik kan nog steeds niet geloven dat hij in geen hotelbar of hotelkamer, op geen enkel reisje, nergens, een meisje… Dat is wel wat hij beweerde, toen ik het opbiechtte van Mo, dat hij nooit.   De klokken luiden. Is het toch middernacht geworden. Kan ik mijn pakje openen. Ik open mijn rugzak, neem het vierkantige cadeautje met gouden papier en een witte strik eruit. Ik laat mijn rugzak vallen en de rest van de inhoud rolt over het parket. Een predictor. Was ik al vergeten dat ik dat gekocht had. Zes weken geleden is Henk al zijn spullen komen ophalen met een kleine huurvrachtwagen. Ik was er jaloers op hoe hij zonder enig probleem door onze kleine straat manoeuvreerde. De vorige keer dat ik dat probeerde met iets dat groter was dan onze twingo, heb ik de spiegels eraf gereden. Hoe Henk al zijn meubels in zijn eentje in die vrachtwagen kon laden. Dat heeft me altijd gefascineerd aan hem: dat zo’n intelligente man zo’n sterk en soepel lijf kan hebben. Ik ben al zes weken niet meer ongesteld geweest. Ik urineer eerst, en doe dan het pakje open. Een nieuwe cd van Eddie Vedder. Ik zet hem meteen op. Ik kijk naar de predictor. Een roze lijn. Om zeker te zijn kijk ik nog eens in de gebruiksaanwijzing. Het betekent wel degelijk dat ik zwanger ben. Ik heb spijt dat ik geen twee predictors heb gekocht. Dit kan onmogelijk waar zijn. Van Henk mocht ik, zelfs na Mo, niet stoppen met de pil. Ik heb dat pas gedaan toen alles al zo goed als voorbij was. Toen we in Parijs elke dag ieder een ander museum bezochten, elke avond allebei alleen naar een ander concert gingen, toen we aan de balie van het hotel zelfs vroegen of er geen kamers voor twee waren zonder een dubbel bed dat uit één stuk bestond, heb ik besloten ermee op te houden, met die hormonen. Dat was in juli. Die vakantie was al lang van te voren geboekt en we vonden het allebei jammer van het geld om het te laten schieten. Ik wilde nog voorstellen om het tripje cadeau te doen aan zijn ouders, dan kwamen die ook hun huis nog eens uit, maar dat leek me gezien de omstandigheden ongepast. De enkele keren dat we die maanden daarna nog vreeën met elkaar, waren zo vluchtig dat hij niet eens merkte dat mijn borsten kleiner geworden waren.   De kerkklokken gaan niet meer luiden vannacht. Eddie Vedder zingt. De roze streep licht te schreeuwen op de salontafel. Ik neem nog een glas jenever. Ik denk aan al die mensen die nu in de middernachtsmis zitten. Zouden dat er veel zijn, hier in het centrum van Brussel? Zouden er nog jonge mensen bij zijn? En kinderen? Vroeger met mijn ouders was dat één van de hoogtepunten van het jaar voor mij. Midden in de nacht, door de kou, als het gesneeuwd had mocht ik op de slee, naar de kerk. En daar dan alle kinderen van mijn klas zien. Met rode wangen en druppende neuzen. De oudere kinderen die het kersttoneel speelden. Zelf heb ik een keertje engel mogen zijn. Mijn moeder had vleugels gemaakt van karton en die vol watten gekleefd. Ik mocht een witte nachtjapon van haar dragen. Die was veel te groot natuurlijk, maar mijn vader grinnikte dat dat wel bij een engel paste. Ik vraag me af of hier in Brussel ook kinderen zich verkleed hebben in Maria en Jozef en de herders en de schapen. En of er een moeder zou zijn die haar baby’tje, op het hoogtepunt van het verhaal, in de kribbe wil leggen. Ik had gehoopt dat Henk zou bellen vanavond. Het ziet ernaar uit dat ik diegene zal zijn die initiatief zal moeten nemen. ‘I love you more than you know’ zingt Eddie. Henk huurt een appartementje in Schaarbeek. Ik ben ermee heen gereden, toen met die vrachtwagen. Hij woont er op de vierde, en hij mag dan wel sterk zijn, dat leek me toch te veel werk voor een man alleen. In de vrachtwagen zette hij Studio Brussel op. Samen luisterden we altijd naar Radio Nostalgie. We zijn nog meer dan twee uur bezig geweest met al die meubels. Ik moest me inhouden om ze niet meteen op hun plaats te zetten en zijn appartement gezellig in te richten. Toen we de laatste ladenkast samen de trappen op hadden gesleurd, dat was nog niet zo eenvoudig, want we moesten ze bij elke draai in de trap over de trapleuningen heen heffen, konden we ons niet meer beheersen. Misschien was het ook het zweet, de feromonen in die traphal. Dat van die geur had zich toen al enkele maanden weer hersteld. Toen we terugkwamen van de luchthaven hebben we die nacht nog een lichamelijke verzoening gehad. Mijn lichaam is Mo sinds die nacht weer vergeten. Wat de afstand en de urenlange gesprekken en ruzies alleen maar moeilijker maakten.   Ik heb nog zes ingevroren appelstrüdels in de diepvriezer liggen. Die krijg ik mijn eentje nooit opgegeten. Zou hij nu ook alleen op zijn appartement zitten? Kijkend naar die ladenkast? Zou hij het gezellig ingericht hebben? Zou hij nieuwe vloerkleden gekocht hebben? En die kamerplant, zou hij er wel goed voor zorgen? Zou hij de onderburen vragen om hem water te geven als hij op congres was? Het is een kwartier fietsen van waar ik woon naar hem. Het sneeuwt niet. De kerstmarkt in Brussel heeft een nepsneeuw kanon moeten boven halen. Het vriest zelfs niet, geloof ik. De Spaanse buren zijn aan de kerstliederen begonnen. Een verschrikkelijke Spaanse kakafonie dringt mijn plafond door. Ik moet mijn best doen om er de melodie van ‘Stille nacht, heilige nacht’ in te herkennen. Als dat zo door gaat, slaap ik de komende drie uren nog niet. Ik houd de predictor nog eens onder de leeslamp. Het roze fluoriceert in mijn ogen. Ik haal de appelstrüdels uit de diepvriezer en stop ze in mijn rugzak. Ik zoek mijn draagbare fietslampjes en installeer ze op mijn stuur en bagagedrager. Jas, sjaal, misschien moet ik toch een andere jurk aan? Die rode met die diepe uitgesneden rug die hij zo sexy vindt? Met mijn zwarte naaldhakjes waar hij zo opgewonden van wordt? En welke panties? Nog twintig minuten duurt het voor ik tevreden ben. De Spanjaarden zingen hun versie van ‘Er is een kindeke geboren op aard’ terwijl ik extra make-up opdoe. En parfum. Zodat ik na de fietstocht niet te hard naar zweet ruik. Mijn gsm gaat.   ‘Henk?’ ‘Vrolijk kerstmis.’ ‘Jij ook. Hoe gaat het met je? Ben je thuis?’ ‘Ja.’ ‘Is het goed als ik even langs fiets?’        

Leen De Graeve
0 0

Demonenmeester (1e hoofdstuk)

Alle voorbereidingen waren getroffen. Cassandra had de beschermingscirkel met krijt op de woonkamervloer getekend en twaalf zwarte kaarsen verspreid rond deze cirkel op ongeveer gelijke afstanden van elkaar gezet. Zelf zat ze op haar knieën op een kleine meter van de cirkel met een dertiende zwarte kaars vlak naast haar. Een gezegend offermes lag rechts van haar op de grond binnen haar bereik. Ze hield de tekst met de bezwering in haar handen. Eerder voor de zekerheid dan dat ze hem niet kende. Soms probeerden demonen hun oproepers zo van hun stuk te brengen dat ze de bezwering vergaten waardoor de demon los kon breken uit de beschermingscirkel en zijn oproeper doden. Daarna zou hij vrij spel hebben op aarde. Lage Demonen waren hier niet sterk genoeg voor, maar Cassandra nam liever het zekere voor het onzekere. Ze sloot haar ogen en concentreerde zich. Langzaam en duidelijk articulerend, uitte ze de bezwering: “Heer der Duisternis, kom tot mij. Aanhoor mijn bevel, proef mijn bloed.” Na deze woorden sneed ze met het offermes in de palm van haar hand. Meteen welde er bloed op. “Dit is mijn offer aan u. Kom en neem het in ontvangst.” Ze kneep haar hand samen. De snee pikte verschrikkelijk, maar ze negeerde de pijn. Haar concentratie moest volledig op de bezwering gericht zijn.  Drie druppeltjes bloed vielen bovenop de kaars naast haar. Die drie druppels stonden symbool voor de verbintenis tussen een oproeper en de demon: aanwezigheid, gehoorzaamheid en waarheid. De kaars siste en de vlammen kregen een rode gloed. De nu eveneens rode rook van de andere kaarsen zweefde naar het midden van de cirkel waar hij dichter op elkaar pakte tot een grillige, ronde vorm. Langzaamaan kreeg de dichte rook vastere vorm. Twee ronde bogen bovenaan de rookwolk werden horens. Aan de onderkant verschenen twee bokkenpoten.  Zienderogen veranderde de rook in vlees en huid en haar. Toen de rook helemaal opgegaan was, zat er een klein donkerrood wezentje in het midden van de cirkel. Het had een brede mond waarvan de onderkaak verder naar voren stak dan de bovenkaak. Dit kwam waarschijnlijk door de 2 slagtanden die uit de onderkaak groeiden en bovenop de bovenlip rustten. Het wezentje was naakt en geslachtsloos. Twee kleine horentjes sierden zijn kale kruin. Een miniatuur-faun. Snel maakte Cassandra de bezwering af. “Door mijn bloed ben je gebonden. Enkel met mijn bloed kan je weer gaan.” Ze verhitte het mes in de kaars naast haar en plaatste het hete lemmet op de open wonde. Die sloot zich sissend. Cassandra beet op haar tanden. Het dichtmaken van de wonde was zo mogelijk nog pijnlijker dan het bloedoffer zelf. Dit deel van de bezwering was nodig zodat de cirkel volledig afgesloten werd. Van zodra de demon weer uit de cirkel verdween, zou ook het litteken verdwijnen. Vroeger werd het sluiten van de wonde al eens overgeslagen uit angst beschuldigd te worden van hekserij, maar hierdoor konden demonen gemakkelijk ontsnappen uit de cirkel. De kleinste oneffenheid was voldoende. Vele demonenoproepers waren nodeloos gestorven door deze onoplettendheid, wist Cassandra. Dat had ze gelezen in “De Geschiedenis der Bezweerders”. Dat boek had ze jaren geleden gekocht op een rommelmarkt. De verkoper wist niet wat voor schat hij haar in handen gaf voor amper 2 euro. Ze had al vaak haar leven te danken gehad aan dat boek. De kleine demon tilde zijn hoofd opzij en keek haar aandachtig aan. “Wat wil je, mensss?” De diepe stem weergalmde door haar kleine woonkamer. Hij lispelde een beetje, vermoedelijk door die zware slagtanden. De zware kelderstem paste totaal niet bij het kleine wezentje. Dit was zeker niet zijn ware vorm. Demonen toonden die maar zelden aan mensen, had Cassandra in “De Geschiedenis der Bezweerders” gelezen. “Vertel me je naam,” beval ze. Gebonden door de spreuk, kon het wezen niet anders dan antwoorden: “Nybbasss.” Cassandra greep snel een van de boeken naast haar op de grond - de enige, maar ook wel meest volledige, demonenencyclopedie die ze bezat - en zocht naar de naam “Nybbas”. Nybbas bleek een inferieure demon. Hij stond bekend als een charlatan eerste klas. Niet zelden kreeg hij het voor mekaar de Hoge Demonen met zijn leugens tegen elkaar op te zetten. En op een of andere manier kwam hij altijd als overwinnaar uit die strijd. Perfect. “Ik heb informatie nodig.” De demon grijnsde. “Voor de juisste prijss, heb ik alle informatie die je je maar kan inbeelden.” Hij maakte een kleine buiging. “Tot uw diensst.” “Ik wil een Hoge Demon kunnen oproepen.” Nybbas’ ogen werden groot van verbazing. “Dat kan je niet. Nu toch nog niet, ssterveling.” “Waarom niet?” “Denk je echt dat je een Hoge Demon kan tegenhouden met een krijtcirkeltje?” hij spuwde erop en de fluim ging sissend in rook op. De demon fronste zijn wenkbrauwen. Cassandra keek naar beneden. Ze vermoedde al langer dat haar cirkel ontoereikend was. Nybbas had dat nu bevestigd. Ze zuchtte en dacht na. Ondertussen trippelde de demon op zijn korte beentjes heen en weer langs de rand van de cirkel. Hier en daar stak hij zijn vinger uit om de kracht te testen, maar hij werd telkens door een onzichtbare muur tegengehouden. Uiteindelijk kruiste hij zijn armen achter zijn rug en keek haar afwachtend aan. “Denk je trouwensss dat zsszze dat druppeltje bloed gaan aanvaarden alsss bindmiddel?” onderbrak hij haar gedachten. “Begrijp me niet verkeerd. Je bloed isss heel lekker, maar dat gaat een Hogere Demon nooit genoeg vinden!” Ze knikte. Dat had ze inderdaad al gelezen. De prijs om een Hogere Demon op te roepen was hoog, voor de meesten zelfs onbetaalbaar. Maar meer stond er niet in haar boeken. Zelfs geen hint naar wat die onbetaalbare prijs dan zou zijn. Voor Cassandra was echter geen prijs te hoog! Ze moest en zou een Hogere Demon oproepen. “Dat weet ik. Daarom dat ik de kennis wil zodat ik op de juiste manier een Hogere Demon kan oproepen.” Nybbas schudde zijn hoofd: “Die informatie heb ik niet.” “Wat?” Nybbas haalde zijn schouders op en ging in kleermakerszit voor haar zitten. De kleine faun-demon bleek verrassend lenig dat hij zijn bokkenpoten over elkaar kon kruisen. “Ik weet dat deze ccsssirkel niet voldoet, maar ik weet niet wat wel volsstaat.” Cassandra kneep haar ogen tot spleetjes. Ze geloofde hem niet. Nochtans was Nybbas gebonden tot waarheid. Dat betekende echter niet altijd dat demonen altijd de waarheid spraken. Ze waren meesters in politieke spelletjes en konden heel vaardig de waarheid omzeilen en toch net niet liegen. Dus moest ze haar vraag anders stellen. “Kan het met een cirkel?” Nybbas knikte. “Ja,” luidde zijn korte antwoord. Hij leunde nu achteloos op zijn ellebogen, maar zijn priemende geitenogen uitten duidelijk zijn ongenoegen dat ze hem doorzien had. “Met krijt?” Opnieuw knikte de kleine demon. “Ja.” “Moeten er speciale tekens toegevoegd worden?” Met onverwachte snelheid stond de demon recht voor haar. Enkel de dunne cirkel en enkele centimeters lucht scheidden hem van haar. Onwillekeurig deinsde ze achteruit. Nybbas grijnsde, maar zijn plezier was van korte duur. Met een diepe zucht antwoordde hij opnieuw. “Ja.” “Welke tekens?” Cassandra’s stem trilde. Zo dicht was ze er nog nooit bij geweest. “Die ken ik niet.” Nybbas’ grijns liep van oor tot oor. “Wie weet het wel?” “Dat weet ik niet. Het isss nogal gevoelige kennisss.” Inwendig vloekte Cassandra. Zo dichtbij! En toch net weer niet. “En de bezwering? Hoe luidt die?” Nybbas schopte tegen de cirkel. Kleine bliksemschichten schoten uit de cirkel en verschroeiden zijn hoef. Toch gaf de demon geen kik. Cassandra’s hart, daarentegen, bonsde bijna uit haar keel. “Ook dat ga je aan iemand anderssss moeten vragen. Laat me er nu uit. Ik heb genoeg van je vragenssspelletje.” Cassandra dacht na. Had ze echt alle mogelijke vragen gesteld? Ze keek op de klok. Het was bijna middernacht. “Laat me gaan!” schreeuwde Nybbas en hij schopte opnieuw tegen de cirkel op net dezelfde plaats als net. Met afgrijzen zag ze hoe zijn hoef deze keer gewoon door de cirkel ging en hem niet meer verschroeide. De wenkbrauwen van de demon gingen omhoog. Daarna trok hij zijn poot terug en zwierde die naar achter duidelijk met de intentie nog een derde keer te schoppen, met alle kracht die hij als klein wezentje bezat. Cassandra was hem echter voor. Snel sprak ze de ontbindende bezwering uit, een combinatie van enkele oude Hebreeuwse woorden waar ze in het begin dagen op gestudeerd had om de uitspraak juist te hebben. “Ga heen, demon. Keer terug naar je eigen dimensie. Ga heen en sluit de poorten van de hel. Het bloed is ontbonden”. Daarna likte ze aan de brandwonde. Het speeksel ontdeed het bloed van zijn bindende krachten. Terwijl Nybbas terug in rook veranderde, zag ze nog hoe de demon laatdunkend voor haar boog. Zijn stem weergalmde vlak voor hij helemaal verdween: “ik zal de groeten doen aan je mammie en pappie!” Daarna keerden de kaarsen weer terug naar hun normale, geeloranje kleur. De bezwering was voorbij. Leeg en met tranen in de ogen staarde Cassandra naar de plaats waar net de demon nog had gestaan. Zijn stem echode door haar hoofd. De groeten aan je mammie en pappie. Met een plotse woede smeet ze het boek door de kamer. Ze was nog geen stap dichterbij.

Endeve
0 0

Treurwilg

Nacht valt over de kermis. Neonlichten dompelen het terrein onder in een broeierige sfeer. Dit is geen plaats meer voor ouders en hun kinderen. De nachtbrakers hebben nu de macht; het kwetterende gelach heeft plaatsgemaakt voor dronkenmansliederen. De carrousel draait nog dapper door, maar ook zij speelt een ander deuntje. Dat kan de bezoekers slechts weinig schelen. Ze slenteren verder en negeren de waarzegger die alleen maar onheil predikt. Iedereen is op weg naar het spookhuis. Hier kan men zijn moed tonen, voor de kick of voor een huiverende omhelzing van dames in nood. De durfallen betalen het ticket, rechten hun schouders en leggen dapper het afgelijnde traject af. Niemand waagt het om voet te zetten voorbij de barrières, daar ligt de verboden zone. Sommigen klimmen op de hekken, nieuwsgierig naar wat daar achter te zien is. Niets dan duisternis, het doet hen huiveren. Ze lachen nerveus en vinden altijd wel een uitvlucht om niet van het traject af te wijken. Voorbij die hekken, verbolgen door de duisternis, schuilt Livia, onttrokken aan nieuwsgierige blikken. Al deze stoere jongens passeren haar zonder het te beseffen, ze moet er haast van lachen. Niemand van hen is geneigd om een stap in haar wereld te zetten. Wat een stelletje helden… De uren waaien voorbij en alcohol schenkt nieuwe moed. Mensen maken zich sterk en dagen elkaar uit om over de hekken te kruipen, om de verboden zone te betreden. Één van hen, een jongen gesterkt door de drank, bijt de spits af. Aarzelend waadt hij door de duisternis, steeds dichterbij, totdat Livia hem haast kan aanraken. “Wat kom jij hier doen?!” ze vervormt haar stem, diep en zwaar. De jongen schrikt op en ziet er uit alsof hij het in zijn broek heeft gedaan. Wanneer hij Livia opmerkt, recht hij zijn houding. “Je hebt me laten schrikken, teef!” Ze haalt haar schouders op. “Dat is dan ook de bedoeling in een spookhuis. En nu opkrassen voordat ik jouw mammie roep.” De jongen komt wat dichterbij. “Wacht eens even, ben jij…” “Wegwezen!” De jongen houdt zich sterk maar Livia duwt hem zonder moeite terug tot voorbij de afsluiting. De jongen krabbelt recht en kiest het hazenpad. En Livia? Zij verdwijnt ze terug in de duisternis. “Wat een mislukkeling.” Die stem kwam van achter haar. Livia draait zich om en kijkt recht in twee brutale ogen, nog een jongen… Ze doet enkele passen naar voren om hem beter te zien. “En jij bent dat niet?” De jongen maakt een buiging. “Ik ben slechts een wezen van de nacht, en jij mijn… treurwilg.” HAH! Nog eentje. Livia kan haar lach niet onderdrukken. “Luister, ventje, je zult beter moeten doen dan die goedkope praat.” “Wat dacht je hiervan?” Hij neemt Livia beet en trekt haar naar zich toe. Hun lippen raken terwijl hun tongen dansen als adders. Zijn handen graaien gretig naar meer. Livia wendt het hoofd en duwt de jongen van zich af. “Is de nachtraaf soms bang van het licht? Kom mee, ik weet wel een betere plaats.” Ze grijpt hem bij de pols en sleurt hem mee, voorbij de kartonnen grafzerken, plastic monsters, schedels en knekels. In de verte knippert er een zwak groen licht. Wanneer ze dichterbij komen, wordt het woord dienstingang zichtbaar. “Daar?” vraagt de jongen. “Mijn spel, mijn regels. Kom op man, open die deur.” “… Hij is gesloten.” “Oh krijg toch de,” de rest van haar vloek gaat verloren in het kraken van de deur. Ze voelt amper de splinters die zich aan haar voet hechten. “Kom mee!” TL-buizen verlichten één enkele grafzerk. “Hier?” vraagt hij. “Ja hier! Ben je soms ba...” Maar de jongen duwt haar ruw tegen de muur en grijpt haar langs achteren. “Wat, ben jij soms een mietje?” grinnikt ze, “wees een man en kijk me in de ogen.” De jongen slingert haar op de grafzerk en drukt zijn gewicht op haar. Jaah… dat is het… Kleren scheuren en Livia graaft haar nagels in zijn rug, dieper en dieper. De jongen schreeuwt het uit maar zij laat niet los. De voorstelling is nog maar pas begonnen. Livia voelt haar huid tintelen; net onder het oppervlak kronkelt er wat. Zij worden rusteloos, zij willen naar buiten. Livia geniet van het moment en neemt ieder detail van de jongen in zich op. Zijn gelaatsuitdrukking verraad één enkele emotie: doodsangst. Dat gevoel brengt haar terug naar de eerste keer dat zij met ‘hen’ in contact kwam. Ook al herrinert ze de details niet meer, de angts en de walging zijn haar altijd bij gebleven. Nu... is zij één van hen. Het geschreeuw reikt tot buiten het spookhuis. Passanten gniffelen en schudden het hoofd: “Weer eentje die niet kan wachten tot hij buiten is.” Livia lacht hartig mee; zij weet dat dit exemplaar het huis nooit zal verlaten.

Maarten
0 0

Het spel

De klok tikt. Ze tikt. Ze tikt maar door. Morgen. Morgen zullen we wel zien.   Voor mij ligt het restant van wat niet zo lang geleden een berg cocaïne was. En ik. Ik ben ‘s werelds grootste bergbeklimmer. Meesteralpinist.   Kon ik maar slapen. Maar in mij brandt nu het vuur van duizend zonnen. Eeuwig. Gewelddadig.   Er is een vrouw. Mijn vrouw. Van mij. Gewonnen in een pokerspel. Nee, mijn talent voor manipulatie nemen ze me nooit meer af. Niet dat. De menselijke geest is mijn speeltuin. Ha! Round and round we go!   Naast de bestofte spiegel ligt een revolver. Een kanon. Magnum .44. Ik hou van mooie dingen. Bombastische dingen. Ik draag mijn beste zwarte pak. Italiaans maatwerk. Achter de revolver staat mijn heupfles. Zilver, met mijn initialen zwierig gegraveerd in het ranke lichaam. De Bourbon die er in zat, die zien we nooit meer terug.   Wall Street. Fuck! Ik doe nog een lijn en neem de revolver in mijn hand. Het is een aangenaam gevoel. De manier waarop het beest perfect gebalanceerd in mijn klauw past. Door het gewicht voel ik me oppermachtig. Het ivoren handvat glijdt als fluweel door de palm van mijn hand. Ik laat de cilinder draaien en mik. Ik mik op de muur tegenover me. Wat een kale muur. Ooit was hij wit. Nu kijkt hij me spottend aan met z’n bruine vochtplekken.   De vrouw. Achter de muur moet ze ergens zijn. Of misschien is ze boven. Ach wat! Het maakt ook allemaal niet uit!   Ik balanceer op de achterste poten van de gammele stoel, maar houd mijn blik strak gericht op die verdomde muur. Dirty Harry. Klaar om de trekker over te halen. Ik veins een schot en de ingebeelde terugslag brengt mijn hand naar omhoog. Even lijkt het alsof ik mijn evenwicht zal verliezen, maar nee. De stoel staat weer met al z’n voeten op de grond. Cool.   Rechts van me staat het zware eikenhouten bureau. Ik heb het tegen de deur geschoven. Niemand komt erin. Niet vannacht. Buiten woedt een storm. De helft van New York is naar me op zoek.Boven hoor ik gestommel en het gerinkel van glazen. Ik schreeuw tegen de vrouw dat ze stil moet zijn. Verdomde hoer.   Je moet het heft stevig in handen houden. Ook als de wereld om je heen in elkaar stort. Er is slechts één weg, één richting en dat is vooruit.   Op het schap achter me staat een ouderwetse radio. Naast gekraak hoor ik occasioneel ook muziek. Tom Waits herkauwt een zeemzoete ballad met de finesse van een versleten betonmolen. Ik sta recht en trek mijn vest uit. Voorzichtig hang ik het over de stoel. Ik stroop mijn mouwen op. Eerst links. Dan rechts. Uit de borstzak van het vest vis ik mijn ebbenhouten kam. Ik tem mijn gitzwarte haren met drie precieze halen.   Ik wandel rond de tafel. Eenmaal. Tweemaal. mijn lederen schoenen kraken. De houten vloer kraakt. Alles kraakt.   Die verdomde vrouw. Ik had ze nooit mogen accepteren. Ze ziet er goed. Dát wel. Maar wat moet ik nu in godsnaam met een vrouw?   God. Vanaf het kruisbeeld boven de radio staart die deemoedige lul me afkeurend aan. Ik laat hem kordaat mijn middenvinger zien en vraag ‘m wat-ie er van vindt. Geen respons.   Ik trek de bovenste lade van het bureau open en vind wat ik zoek. Wat ik nodig heb. Een pakje Lucky Strike, gouden aansteker erbovenop. De klik van de aansteker. De vlam waar voorheen niets was. Het knisperend geluid wanneer vuur en sigaret elkaar ontmoeten. Een perfect moment. Gretig vul ik eerst mijn longen en daarna de kamer met baldadige blauwe rook.   Meer gestommel. Ze probeert vast het huis uit te komen. Dom kind. Ik probeer al jaren te ontsnappen. Deze plek, kent geen uitweg.   Ik steun met beide ellebogen op het tafelblad. Handen in het haar. Het is warm. Het is heet. Zweet verzamelt zich in opstandige parels op mijn voorhoofd. Één van de onverlaten rolt langs mijn neus naar beneden. Hij valt recht op de sigaret die uit mijn linker mondhoek bengelt. Vlak boven mijn hoofd hangt een oude gloeilamp die een warm geel licht verspreidt. Ze zoemt. Zoemen. Zoemen zonder eind.

Dimitri
0 0

In een schemering

In de schemering zochten we nog een laatste keer. Onze zaklampen leken de strijd op te geven. Ze flikkerden op hun laatste krachten, terwijl onze ogen leken te vechten met de opkomende duisternis. Een plots geritsel brak onze stilte. Achter ons hopte een vrolijk konijntje op en neer. Jammergenoeg had het konijn zijn minder aangename vriend mee genomen.   Een everzwijn kronkelde uit de bossen.  Het duurde even voor ik doorhad wat er aan het gebeuren was. Phoebe en Margot stonden op twee meter afstand van mij, de paniek was in hun ogen te lezen. Jan gaapte het schouwspel aan van achter een boom en Gweny was zo snel als een poes de dichtstbijzijnde boom ingeklommen. “Rennen!” mijn stem droeg ver door de bossen, een vage echo zorgde ervoor dat ik het niet eens meer moest herhalen. Door mijn schreeuw had het beest zijn aandacht op mij gevestigd. Dat gaf Phoebe en Margot de tijd om te vluchten. Ik voelde de ogen van het logge monster op mij gericht. Zijn donkere kijkers reflecteerden het licht van de heldere maan. Phoebe en Margot hadden zich weten te bewegen en renden de dichtere bossen in. Het beest draaide zijn kop naar de bewegende gestaltes. Zo snel als mijn lichaam het nog toeliet nam ik een stok van de grond en gooide dat naar het mormel toe. De twee jonge meisjes zag ik ondertussen in mijn ooghoeken de boom in klimmen. Nog een beetje meer tijd. Ik gooide nog een steen naar het everzwijn om er zeker van te zijn dat ik zijn doelwit was en ging er zo snel mogelijk vandoor.   De duizende boeken over helden spookten door mijn hoofd. Ergens had ik gehoopt dat mijn eigen heldendaad niet gepaard zou gaan met een everzwijn. Ik had me vastgehouden aan een valse hoop dat ik het monster voor zou kunnen blijven. Al snel bleek mijn marathontraining niet voldoende te zijn, als de afstand tussen ons kleiner en kleiner werd. Paniek en adrenaline zetten mijn lichaam op automatische piloot terwijl mijn gedachten afdwaalden naar de anderen die nu veilig in de bomen zaten. Iedereen zegt altijd dat je op het einde van je leven alles terugziet, wel ik zag het niet en ik was er zeker van dat ik op het einde van mijn leven zat.   Het everzijn haalde me in en greep me met zijn hoorn in mijn kuit. Ik rolde over zijn nek, voelde hoe diezelfde hoorn mijn been openreet. Over zijn rug rolde ik er vanachteren terug af. Het monster remde af en keerde, klaar voor een nieuwe aanval. Uit de boom boven mij vlogen enkele zelfgemaakte pijlen naar het everzwijn, maar ze kaatsten allemaal af op zijn dikke pantser. Hoe hadden we het in ons hoofd gehaald om zelf pijlen te maken, denkende dat ze weldegelijk zouden werken. Veel tijd had ik niet om daarover na te denken als Florian voor me op de grond sprong om beter te kunnen mikken. Nog meer mensen op heldentocht. De donkere ogen van het beest fonkelden alsof hij blij was met de nieuwe uitdaging.   Zijn gehavende broek hing aan flarden om zijn middel. Waar hadden ze gezeten. Het duurde even voor het tot me doordrong, maar ze waren terug. Florian was hier. Ik scande de bossen naast en achter mij, maar Michaël was nergens te zien. Florian vuurde nog enkele pijlen in de richting van het everzwijn die opnieuw in volle vaart op ons afkwam. Zijn handen trilden rond zijn boog. Ik zag zijn gezicht vertrekken in een poging zich te focussen en de angst uit zijn lichaam te verbannen. Een laatste schot verliet zijn gespannen boog. Daarna ging alles snel, veel te snel.   Florian werd tegen een boom gesmasht, de twee hoorns van het grote beest zaten door zijn buik. In de schermering reflecteerde het donkerrode bloed in het maanlicht. Mijn maag keerde.   Het laatste pijl was recht door het oog van het everzwijn gegaan. Het monster leek buiten strijd, alleen juist iets te laat. Ik had even tijd nodig om alles te vatten. Florian hing nog steeds tegen de boom aan. Zijn ogen opengesperd, en op zijn lippen stond een schreeuw te lezen. Ik voelde zijn schreeuw, maar hoorde hem niet, ik hoorde niets meer. Mijn lichaam leek functie per functie uit te schakelen. Van achter mij kwamen de anderen ons te hulp nu het gevaar geweken was.   Ik probeerde op te staan, naar Florian toe te gaan, maar ik kreeg mijn benen niet onder me. Mijn handen waren nat. De natte ijzegeur kwelde mijn neus terwijl inktzwarte druppels van mijn hand gleden. De adrenaline sloop langzaam mijn lichaam uit en maakte plaats voor een stekende pijn in mijn kuit. Ik zakte verder tegen de grond. Zwarte vlekken maakten het mij moeilijker om te zien. Vlak voor alles zwart werd zag ik een schim. Michaël...

Idazlea
3 0

Alles komt goed

Het slot opende niet meer zoals vroeger. Maar dat deden ook zijn ogen niet, 's morgens bij het ontwaken. Het waren de leeftijd en vast ook wel de zenuwen. Geen doel of afspraak was in gedachten zo bepalend geweest voor zijn verdere leven als dit. Met Jef heeft hij het er vaak over gehad, die vond het maar niets. Geen goed idee, dacht hij. Een doel mag nooit te veraf liggen, dan vergeet je in het nu te leven. "Kijk naar mij" zei hij, zittend in zijn namaak-Chesterfield die de volledige breedte van het raam overspande van zijn riante herenwoning aan de Amerikalei. "Het is dan wel mijn derde vrouw, maar ik geniet van elk moment. Verdriet en verlies, mijn beste gabber, zijn zure vruchten die je moet slikken en zo vlug mogelijk doorspoelen met een flinke borrel. Je mag zoiets vooral niet telkens herkauwen." Terwijl hij ineengedoken zat weg te glijden in zijn eigen onkunde stond Jef zelfgenoegzaam voor het raam in tegenlicht het leven te vieren. Ook zijn moeder vond het waanzin en egoïstisch. Dit kan je niet maken tegenover de mensen waarmee je verder moet, schreef ze hem ooit. Met haar moest hij al lang niet meer verder. Op haar begrafenis had hij het er nog over met zijn tante, van wie hij vermoedde dat het geluid van haar loszittend vals gebit, dat allang te ruim zat rond het verschrompelde tandvlees slurpender klonk dan dat van haar in koffie gedrenkte boterkoek. Zegevierend medelijden en spot was alles wat een zielige figuur als hij van zijn familie te verwachten had. Er lag een hoop papier voor de deur toen hij die eindelijk openen kon. Post die hij nooit had ingekeken. Net zoals hij dit huis niet meer had ingekeken de voorbije twintig jaar. Zijn notaris vond hem ronduit gek, spilziek en decadent. Voor één onnozele afspraak een huis twintig jaar leeg laten staan, verkommeren en verkrotten. Geen frank zou het nog waard zijn. De deur liep vast op een krant van daags na zijn vertrek. "Sid verdacht van moord op Nancy" titelde die. In het Chelsea Hotel, hij was er nog geweest, op zijn zoektocht naar een nieuw bestaan, of wat er de schijn moest van hebben. Verankerd in zo een loodzware belofte kon er van een nieuw bestaan natuurlijk nooit sprake zijn. Of het nu Amerika, China, de Noordpool of Antarctica was, na exact twintig jaar moest hij terug zijn. Hij maakte zichzelf wel telkens wijs die afspraak voor zich uit te kunnen schuiven en ondertussen gewoon van het leven te kunnen genieten. Maar schuldgevoel was het belangrijkste bestanddeel van dat leven geworden en met het vorderen van de tijd leken die twintig jaar meer een boetedoening voorafgaand aan de verlossing.     Moeder,   Voor het eerst sinds vele jaren zit ik deze morgen, een gewone morgen van een gewone weekdag, niet op de trein richting arbeid. Neen, ik kijk vanuit mijn hotelkamer op de Dam. In de verte zie ik Atlas staan, met die bol op zijn rug. Hij kijkt me aan met een troostende blik, die zeggen wil dat ook hij een heel gewicht te dragen heeft. Het lijkt mij eerder onwaarschijnlijk dat hij het ooit in zijn hoofd zou halen om ook maar voor één keer naar beneden te komen, de bol voor wat hij waard is op het plein achter te laten en bijvoorbeeld bij Marks & Spencer om de hoek een broodje gezond zou halen. Ook al zou het misschien geen van de winkelbedienden opvallen dat net hij komt binnen lopen om even te pauzeren. Ook al kijkt niemand zich een pijn in de nek om te controleren of hij er nog wel staat, met die bol op zijn rug, of hij zijn taak naar behoren blijft vervullen. Net zoals hij moet ik nu ook maar eens mijn eigen leed torsen en er niemand anders mee belasten. Dit meld ik je zonder enige trots. Morgen neem ik vermoedelijk het vliegtuig richting New-York. Westwaarts zoals dat een eeuw geleden al het geval was. Economische redenen liggen nu wel niet ten grondslag. Hooguit een baisse in mijn persoonlijke emotionele economie dan. Een ware depressie is het. Onvoorziene wendingen van de voorbije weken hebben mij tot deze vlucht gedwongen. Wat is er dan zoal fout gelopen? zul je je nu wel afvragen. Ook al ben ik je uitleg verschuldigd, ook al weet ik dat je elk detail, elk punt en elke komma zult willen weten, analyseren en nadien willen gebruiken om de noodzakelijkheid van mijn huidig gedrag te weerleggen, om me te overtuigen van de relatieve onbelangrijkheid van bepaalde gebeurtenissen. Toch kan niet alles worden uitgesproken, ook al niet omdat ik een beslissing heb genomen waarin ik niet wil worden tegengewerkt, ook door jou niet. Probeer gewoon te aanvaarden dat dit, hoe slecht ook, het beste is. Ik wil een tijdlang niemand tot last zijn. Wat vrij onmogelijk is, want natuurlijk zal ik sommigen tot last zijn door ze met vele vragen achter te laten, schuldgevoelens misschien ook. Maar als ik blijf zullen jij en Jef enzo me willen helpen mijn problemen op te lossen, en dan zal ik jullie nog veel meer tot last zijn. Ik beloof je op de hoogte te houden van mijn vlucht naar en door het wilde Westen en voor mezelf te zullen zorgen. Doe die ouwe knar van mijn vader de groeten en zeg hem dat alles betrekkelijk goed gaat. Langer dan twintig jaar blijf ik zeker niet weg.   Je Rudolf.   Nu twintig jaar later, stond hij er terug. Zijn moeder had hij nooit meer gezien. Behalve dan op haar begrafenis, maar dat zal haar wel zijn ontgaan. De aanblik van het huis was zeker niet bemoedigend. Hopelijk heeft het leven minder vat gehad op zijn vrouw. Als ze nu maar komt. Moedeloos door de gedachte aan wat hij boven zou aantreffen liep hij voorzichtig de trap op, die zich kreunend afvroeg wie er na al die jaren nog eens op bezoek kwam. Op de overloop leek het binnenvallend zonlicht door de dikte van het stof het aantal verstreken jaren te willen aangeven. Als jaarringen van een boom maar dan in millimeters hoogte uitgedrukt. De slaapkamer lag er nog net zo bij als toen ze waren vertrokken. Iets meer aangetast door de tijd, maar verder onaangeroerd. In de hoek lag nog een schoen als uitgeschopt in een bui van razernij. De beddenlakens waar ze het laatst in hadden geslapen lagen opgebold aan het voeteinde. Hij zou haar veel te vertellen hebben. Als hij maar de moed kon samenrapen. Twintig jaar niets, en dan plots een stortvloed aan woorden die de leegte die tussen hen zou gapen moest verbergen. Misschien zouden ze geen woord kunnen uitbrengen. Misschien zou hij haar niet meer kennen, herkennen wel, maar ze kon nu net zo goed een vreemde zijn, niets meer gemeen met wie zij toen was. Waarschijnlijk had het geen zin, alles reconstrueren vanaf zijn vlucht naar New-York. Een groot succes is die vlucht nooit geworden. Het eerste jaar in New-York was zijn meest luxueuze verblijfplaats kamer 245 van de YMCA, 5 West 63th Street. Een kamer van anderhalve meter breed met een bed, een TV en een bijbel. De badkamer was gemeenschappelijk en bevond zich twintig meter verder op de gang. Het meest was er te beleven beneden bij de cola-automaat en op het dak bij de schommel. Hij was zeker niet de enige die in de YMCA zijn vaste stek gevonden had. De kamer naast hem werd bewoond door Arnold, die er zijn volledige huisraad had binnengebracht, tot een fiets toe. Als Arnold de stad introk droeg die altijd een lederen draagtas met zich, met daarop de tekst: "I was a soldier in Vietnam, and I am Goddamn proud of it". Zijn verblijf in New-York zou hem minder goed doen dan gehoopt. Dat het nog erger kon ondervond hij later, in een hotel in de buurt van Times Square. Een majestueus gebouw, met een hal en trapzaal ter grootte van een voetbalveld, dat ooit de spiegeling moet zijn geweest van de uitstraling die een wereldstad als New-York heeft. Een eindeloze variëteit aan mensen, zeker niet de meest gefortuneerde, krioelden als mieren door elkaar. De lift had het reeds lang geleden laten afweten. De gespierde trap had zich al die jaren kranig weten houden en lachte alle bezoekers met een niet aflatende trots en sterkte toe. Zonder verpinken bleef die de te vele mensen dragen, nog steeds overtuigd van de grandeur van het gebouw waar hij deel vanuit maakte. Daartussen wrong hij zich een weg naar boven. Een grote kamer hadden ze hem gegeven. Voor minstens zes personen, met niemand te delen. De lakens dateerden vermoedelijk van de tijd dat de lift nog niet gedeprimeerd door de hoogbouw van het World Trade Center een vlucht naar de wolken ambieerde. En de Hudson rivier, die leek zich via zijn bad met dat World Trade Center te willen meten. Het stinkende sopje dat daarin stond zou hem de volgende dagen verbieden zich degelijk te wassen. Aan de kost komen in 'The Big Apple' bleek ook al veraf te staan van de op een zilveren blad aangedragen 'American Dream'. Weken waren gevuld met Up- en Downtown wandelen op zoek naar werk. Als latino rij je met een taxi en als Chinees run je een Delishop, maar een godvergeten Belg blijft een godvergeten Belg. Naar Jef schreef hij daarover regelmatig gezuiverde berichten, over de bedrijvigheid van de stad die in niets te vergelijken viel met Antwerpen. Over de uitdagingen die hem te beurt vielen, de moeilijkheden en de mogelijkheden. Ontdaan van elke negatieve noot gaven zijn brieven de indruk dat het elk moment zou gaan gebeuren, dat zijn leven nu wel eindelijk een nieuwe wending zou krijgen en hij het verleden achter zich zou laten. Hij voelde zich niet alleen van haar, maar van het leven zelf verwijderd. Overgeleverd aan de goede wil van anderen was hij daar in New York. Nog meer dan een bedelaar, want die wist zich een weg te banen door de chaos. Die had zijn situatie in eigen handen en van zijn armoede een bedrijvigheid gemaakt. Iets waar iedere dag moest worden aan gewerkt. Hard gewerkt. Op diverse manieren, van het ledigen van vuilnisbakken tot het verzamelen van lege blikjes. Het was Big Business. Sommigen konden er zelfs hun creativiteit in kwijt. Zoals de 'Canman'. Op Colombus Avenue zat hij iedere dag, niet toevallig. Trouw wachtte de Canman de zakenlui op die de metro verlieten op de terugweg uit het Financial District. Met een glimlach die even wijd gaapte als de sneden die hij in de blikjes maakte, om ze te bewerken. De gekste dingen wist hij ervan te maken, zelfs een madonna met kind, die dan het geloof in Coca-Cola predikte. Vaak had de canman hem recht in de ogen gekeken met een dwingende blik. "Doe iets met je leven", moet hij hebben gedacht. "If you can make it here, you can make it anywhere".   Vanuit de slaapkamer keek hij nu door het raam, de achterbouwen die deze buurt zo lelijk maken overschouwend. Als een vlechtwerk lagen de daken van al die koterijen met elkaar verstrengeld. Het was niet anders dan toen. Met enige kwade wil kon je zo achteraan bij de buren binnenkijken. Al zou hij nu niet meer weten bij wie dat was. Velen waren wellicht verhuisd, naar een nieuw adres of naar hierboven. Uren kon hij vroeger zo naar buiten kijken, gadeslaan wat er zo allemaal gaande was in de buurt. Na enige tijd voelde hij dan haar ogen in zijn rug branden, ze vond het onbetamelijk, zijn gegluur. Veel was er vandaag niet te bekijken. Hij zette zich zachtjes neer op het bed, nam haar schoen en bleef er een tijd verstrooid naar kijken, als naar een medium dat beloofde een vorig leven opnieuw voor de geest te halen. Met die halfhoge hakken kon ze gracieus de kamer doorschrijden, alsof ze een patent had op elegantie. Bewust was het allemaal, en dat moest ook zo. Iedereen en alles bijtijds duidelijk maken dat zij de definitie was van schoonheid. En dat anderen maar beter begerig konden toekijken. Haar lichaam door haar midden van s naar z slaand. Er moest afstand worden gehouden. Alles behoorde haar toe, nooit andersom, nooit eerder dan de dag dat ze te horen kreeg in verwachting te zijn. De gewilde dictator die haar leven zou gaan beheersen was eindelijk op komst. Het gevoel niet telkens te worden gediend maar nu ook te moeten dienen was haar dierbaar. Het gevoel voor iemand noodzakelijk te zijn zou haar gewillig maken. En hij die haar dat op komst zijnde kreng had geschonken, had het haar ook weer afgenomen. Het was een nul-operatie geworden, zoals zijn hele leven trouwens. Vergelijkbaar met het monopoliespel dat hij vroeger op winteravonden met zijn broer lag te spelen voor de haard. Nu eens was hij bezitter van de Nieuwstraat in Brussel en dan weer zat hij in de gevangenis, maar op geregelde tijdstippen moest er terug naar start worden gegaan. De badkamer die net als de slaapkamer aan de achterzijde lag, was een ruïne. Vuile korsten afgebladderde verf lagen op de grond waar zij ooit met haar ranke benen tegen het wasbekken gedrukt had gestaan. Haar tanden poetsend met een haast van iemand die ook die dag weer de wereld zou veroveren, terwijl de zon goedkeurend neerviel op haar vaalwitte rug. Kijkend in de spiegel, om toe te zien of het verval nog niet was ingetreden. Of om zich verstomd af te vragen wat zij daar deed. Of het leven dan echt niet van plan was haar de voorkeursbehandeling te geven waar zij recht op had? Daar waar ze had staan pronken met haar buik. Draaiend op haar tenen, haar handen als steun. Frontaal en in profiel, kijkend hoeveel millimeter er die nacht was bijgekomen. Ze duwde hem dan vol trots en ongeduld vanuit haar heupen wat vooruit. Met zijn hand gleed hij langs het bekken dat nu ruw en gekerfd aanvoelde, op de spiegel lag een laag stof, die hem deed afzien van de gedachte te wachten tot zij plots uit het niets terug achter hem zou staan. Hij ging zelf even op zijn tenen staan, zijn buik zou nooit diezelfde gespannen verwachting uitstralen. Zijn buik zou nooit nog van iets verlost worden, hij was de drager van een leven en zou dat zijn tot het einde. Geen bol gespannen blinkend ding dat halsreikend uitkijkt naar een volgende fase, maar een opeenstapeling van lagen die de achterliggende periodes hadden geregistreerd.   Niets, niets had het hem gegeven en voor niets had hij geleefd. Al had hij dat veel eerder kunnen vermoeden, toch had hij zichzelf van het tegendeel proberen te overtuigen. Er moest wel een doel geweest zijn, maar telkens het dichterbij kwam ging het van hem lopen. Het was toen zo en het leek ook nu zo te zijn. Een traan gleed via de plooien in zijn wangen naar zijn bovenlip en gaf een zure smaak. Het huis kraakte evenveel als hij, en ze hadden beiden jarenlang leeggestaan. Wachtend op een nieuwe bewoner. Met het verbod om die binnen te laten, als die zich al zou aandienen.   Beste Rudolf,   Hier in Antwerpen schijnt de zon en dat doet ze voor iedereen. Het is me dan ook een raadsel wat jij daar miezerig loopt te wezen. Waarom jij je per se weer schuldig wilt voelen voor al het onheil dat zich in een mensenleven voordoet. Alsof je er plezier aan beleeft een leven van mislukkingen te leiden. Je vrouw was zwanger, en plots was ze dat niet meer. Big deal. Wat er precies is gebeurd weet ik niet en het gaat me ook niet aan, het interesseert me zelfs niet. Het mag nog vreselijk zijn wat er zich heeft voorgedaan, maar wat in godsnaam denk je te bereiken met aan de andere kant van de oceaan de zielepoot uit te hangen. Alsof je daarmee de situatie kunt redden, omdraaien of veranderen. Je ex heeft een nieuwe vriend, nieuw werk, een nieuw huis en dus een nieuw leven. Vermoedelijk denkt ze nog vaak aan jou en waarschijnlijk zal ze nooit vergeten wat er is gebeurd, maar dat ze nog enige wrok zou voelen tegenover jou, geloof ik niet. En wat ik zeker niet geloof is dat ze zich als een gehypnotiseerde idioot zou fixeren op die gemaakte afspraak om elkaar over twintig jaar terug te zien. Stom sentiment is dat, mijn beste vriend. Romantiek, maar geheel niet van deze wereld. Het enige wat je daarmee bereikt is aandacht, maar die gaat snel verslappen, het gaat zelfs vervelen. Het zou je veel meer sieren de gedane zaken achter je te laten en ondanks het leed dat het jouwe is geweest toch de moed te hebben om opnieuw iets van je leven te maken. Je hebt reeds een doodgeboren kind en een moeder bij de pieren, als je wilt thuiskomen op een kerkhof blijf dan nog een tijdje ginder, maar indien je de mensen die je nauw aan het hart liggen nog wil terugzien kan je dat maar beter niet doen. Behalve je zelfmedelijden neemt niemand je iets kwalijk. Vleiend zal dit briefje wel niet zijn, maar het is een welgemeende hart onder de riem en ik hoop je dan ook snel te mogen terugzien, en met een iets optimistischere blik dan waar je nu met je woorden en daden blijk van geeft.   Je beste vriend Jef.   Het was het laatste wat hij ooit van Jef had gehoord, nu ongeveer vijf jaar geleden. Zelf had hij ook nooit teruggeschreven, want er viel niet op af te dingen. Hij had volledig gelijk, zelf als hij schreef dat hij zich per se schuldig wilde voelen en daarom een leven van mislukkingen wilde leiden. Sterker dan zijn verlangen naar een onbekommerd leven was het.   Ontladen van verdere verwachtingen liep hij zo geruisloos mogelijk de trap terug af. Misschien was het nog goed zo, het huis voor een allerlaatste keer achterlaten en een punt zetten achter wat was geweest. Misschien moest hij maar voortmaken voor zijn vrouw toch nog zou komen binnenvallen. Hij schopte nog wat post van voor de deur en opende een enveloppe die nog in de bus zat. “Met droefenis melden wij u…” Ze was hem weer eens voor geweest.    

Jan
0 0

Fruit

Dit is de wereld. Zij is saai. Tommy staart voor zich uit. Hij zit op het kleine balkon van zijn kleine appartement op de derde verdieping van een klein gebouw in een kleine stad. Zijn voeten voeten kruislings over elkaar, rustend op de balustrade, zijn stoel gevaarlijk balancerend op de achterste poten. Naast hem staat een bakje kersen op een stoeltje met drie poten. Één van de  poten is korter dan de andere, waardoor ook het bakje onder een suboptimale hoek de zwaartekracht bevecht. Één voor één steekt Tommy de kersen in zijn mond. Hij werkt ze traag naar binnen. Een berekend en gekoesterd procédé. Het gevoel van de gladde, stevige buitenkant wanneer hij één van de vruchtjes tussen zijn lippen door naar binnen zuigt. Een voorbode van de explosie van smaak die komen zal. Hij huivert van pure anticipatie, tot hij eindelijk, tentatief het oppervlak doorboort. Wanneer de eerste druppels van het hemelse sap zijn tong en gehemelte strelen kan hij zijn gulzigheid niet langer bedwingen. Gretig ontdoet hij het kleine harde pitje van het omvattende vruchtvlees. Hierbij gebruikt hij voornamelijk zijn geoefende tong, doch hij schrikt er niet voor terug om van tijd tot tijd, hetzij heel voorzichtig, ook zijn bijters in de strijd te gooien. Wanneer hij nog slechts de naakte steen in zijn mond houdt, kan het echte werk beginnen. Met een zekere, beheerste precisie mikt hij de pitten de afgrond in. Meesterlijke spuwtechniek. Terwijl hij dit doet, verroert hij verder niet. Hij luistert aandachtig en vooral geduldig tot hij één van de vele voorbijgangers hoort schrikken of vloeken. Meestal hoort hij niets. Dit is de wereld. Zij is saai.

Dimitri
0 0
Tip

Vlinder

Rups wil geen vlinder worden. Dat heeft hij zo beslist. Hij zit best knus in zijn huisje. En hij houdt van zijn groene hoofd. Zo groen als zijn lievelingseten: groene blaadjes. Rups houdt van zijn trage beentjes. Haast en spoed is zelden goed, want dan doe je ongelukken.   Rups wil  geen vlinder worden. Dat heeft hij zo beslist. Hij houdt niet van al die kleuren. En hij griezelt van die grote vleugels. Vlinder worden is niet goed. Dan ben je te groot om klein te zijn. Rups blijft in zijn huisje. Dan verandert er niks, hoopt hij. Hij drinkt een glaasje bladerthee.   De volgende dag wordt Rups wakker in een veel te klein bed. De stoel de deur de kast lijken zo klein. Zijn huisje wordt kleiner en kleiner. Of wordt Rups groter en groter?   Rups draait angstig heen en weer. Zijn tafeltje valt om. De muren scheuren open. Bladerthee druppelt naar beneden.   Rups kijkt treurig naar de vleugels op zijn rug. Ze vlekken duizend kleuren, Maar Rups wordt daar niet vrolijk van. Hij had nog zo beslist geen vlinder te worden!   Rups rent heel hard weg, ook al doet hij dat liever niet. Zijn voetjes kriebelen het gras. Rups kijkt achterom. Maar zijn vleugels blijven hem volgen. “Stomme prachtige vleugels”, moppert Rups een beetje buiten adem. Een zuchtje wind blaast Rups vooruit. Zijn voetjes raken het gras niet meer. Rups vliegt! Hij durft niet te kijken.   “Wat een mooie vleugels” kwaakt Eend.   Ook met zijn ogen dicht heeft Rups dat gehoord. Hij klappert trots met zijn vleugels. Hij voelt zich mooi en sterk. “Ik kan de wereld aan”, brult Rups, en doet zijn ogen open.   Rups vliegt wel vier bomen hoog. “Veel te veel te hoog” bibbert Rups. Hij kent de regels ook nog niet.   Wat als hij valt? Wat als hij niet meer naar beneden kan? Wat als de wind nog eens zucht? Wat als hij dan nog hoger gaat vliegen? “De zon zal mij verbranden!”   Rups is zo bang dat hij niet meer met zijn vleugels durft klapperen. Hij tuimelt naar beneden en valt met een plofje in het gras.   Hij strijkt de kreukjes uit zijn vleugels.   Rups wil zijn vleugels wel houden. Hij zal er niet meer van wegrennen. Maar vliegen gaat hij niet meer doen. Dat heeft hij zo beslist.    

Linnéa
37 2

Veerle

Ze gaat het hem gewoon zo zeggen. Zonder gedoe. Hij mag zijn spullen komen halen wanneer zij er niet is en kan de sleutel onder de mat achterlaten. Weer een mislukking om toe te voegen aan haar lijst. Het zal haar laatste gefaalde relatie zijn, nu is het genoeg geweest. De gootsteen maakt een gorgelend geluid wanneer ze de stop uittrekt. Haar tranen spoelen mee weg. Een groepje taterende tieners rijdt druk gesticulerend voorbij langs het kanaalpad. De oortjes van hun ipod bungelen uit hun jassen. Emma kan elk ogenblik thuiskomen.Hij wist dat ze altijd zou kiezen voor haar dochter, dat is toch wat elke moeder zou doen? Maar dat wil niet zeggen dat het makkelijk is om er een punt achter te zetten. Waarom moet zij dat godverdomme elke keer doen? De flessen onder de gootsteen rinkelen wanneer ze er met de neus van haar gympen tegen stoot. Waar is de zak die ze bewaart voor leeggoed?Ergens is ze opgelucht dat het straks allemaal voorbij zal zijn. Geen dronken scheldpartijen meer waarvoor ze zich hoeft te schamen bij de buren. Geen hemeltergende ruzies meer. Haar vriendinnen zullen opgelucht zijn. Hun blikken telkens zijn naam viel, zijn haar niet ontgaan.  De keukendeur zwaait open, Emma gooit haar rugzak in de hoek. Ze gaat er bovenop zitten en begint aan haar veters te trekken.'Emma?' Haar dochter is in een gevecht met haar schoenen verwikkeld. 'Emma, luister eens'. 'Dag mama', antwoordt het meisje, nog steeds zonder op te kijken. Ze grijpt de neus van haar rechterschoen met beide handen beet en gebruikt haar andere voet om de hiel los te wrikken. Er komen grommende geluiden aan te pas. Zo maakt ze haar nieuwe Nikes kapot, Veerle moet op haar tanden bijten om er niets van te zeggen.'Emma, ik ben vanavond enkele uurtjes weg'.Op dat moment schiet de schoen uit en met een bonk rolt haar dochter tegen de kastdeur, de schoen triomfantelijk boven het hoofd geheven. 'Ha-ha!'Meteen ondergaat de andere voet hetzelfde ritueel. Veerle raapt schoen nummer één op en zet hem onder in het rek. 'Ik heb spaghettisaus voor je klaargezet om op te warmen, zeven minuutjes op stand 3 en dan...''Ping, en alles goed roeren, dat kan ik ondertussen wel'. Emma kijkt haar moeder voor het eerst aan, knijpt haar ogen tot spleetjes en plooit haar gezicht in een grijnzende grimas. Haar prompte zelfredzaamheid steekt Veerle onverwacht. Heeft ze Emma te vaak alleen gelaten?'Ik ga even langs Marc maar ik ben zeker terug voor middernacht. Zorg maar dat je slaapt voor ik terug ben'.Ze streelt Emma over haar kruin. 'Da's goed hoor, dan vraag ik of Matthias even komt spelen op de Playstation'. Emma springt recht en steekt haar hand uit. 'Mag ik je gsm lenen?''Maar wel eerst je huiswerk maken'.Veerle geeft haar gsm aan haar dochter en kijkt in de spiegel. Het gezicht dat terugkijkt, ziet er afgemat uit.   'Je bent er bijna', fluistert ze tegen zichzelf. Vanaf morgen gaat ze Emma helpen met haar staartdelingen.

J.E.W.
0 0

Junior Vice President Van Nuffel

"De printer die het kassaticket afdrukt, blokkeert het contact tussen klant en kassierster." Krijtstrepen pak, geen das, zelfgenoegzame grijns op het gezicht. Sinds twee maanden staat op het visitekaartje van Gregory Van Nuffel de titel 'Junior Vice President Retail Marketing Delhaize Benelux'. Met een laserpen omcirkelt hij het woord contact. "Ons doel is om dit contact te herstellen", zegt hij nadrukkelijk en hij kijkt de kaderleden één voor één aan. De volgende slide toont een klant en een kassierster. De klant rekent zijn boodschappen af aan haar kassa. Een neerwaartse dikke rode pijl hangt dreigend tussen de mensen op de foto in, zwevend boven een witvierkanten bakje. Deze foto had Gregory zelf genomen in het filiaal in Schilde, omdat hij wist dat de directeur daar in de buurt woont. "Door dit middenobject, de printer dus, te verplaatsen, vergroten we de ruimte voor interactie".  Dan verschuift Gregory met een druk op de afstandsbediening het witte bakje in beeld helemaal naar de andere kant van de kassa, ver weg van klant en kassierster. Hij had via Google gevonden hoe hij dit soort effecten kon toevoegen aan zijn Powerpoint-presentaties. De dikke rode pijl lost op. "Resultaat? Een tevreden klant." Zelfde man, dit keer met een glimlach. Hij heeft een rode cirkel om zijn hoofd. Gregory had de kassierster gevraagd om extra vriendelijk te zijn maar nog had het zes-zeven klanten geduurd om de gewenste foto te maken. Hij had zich tevreden moeten stellen met een zuinig lachje in plaats van het brede tanden ontblotende geluk dat hij in gedachten had. De CEO knikt tevreden. 'Heren, dit is de spirit die we in ons bedrijf nodig hebben. Innovatie, buiten de lijntjes kleuren. Knap werk, Gregory'.  De Chief Operaties Officer maakt druk aantekeningen. 'Dit lijkt me eenvoudig te implementeren zonder verregaande structurele wijzigingen. Ik stel voor dat wij een kostenanalyse maken tegen volgende vergadering'. De marketingspecialist knikt instemmend: 'Dit verhaal verkoopt zichzelf. De klant staat centraal, het gaat om de totaalbeleving van onze consument, precies wat wij voor ogen hebben'. Gregory straalt. Enkel de personeelsdirecteur zucht.

J.E.W.
0 0

Moeder belt de slotenmaker

Ze had zich de dag dat hij thuis zou weggaan helemaal anders voorgesteld. Met een meisje erbij, waarschijnlijk een blondje, zoals de meesten van zijn vriendinnetjes. Ze ziet hen samen wegrijden in zijn Golf cabriolet, zijn lachende ogen in de achteruitkijkspiegel terwijl hij zijn hand omhoog steekt in de blauwe lucht -het is altijd zomer in haar mijmeringen over hem- en hij roept: 'Dag ma' of omdat het toch een bijzonder afscheid betrof: 'Tot gauw, moeke'.   Zo gaat dat in het leven, had ze gemerkt: je hebt dromen en maakt plannen, en eigenlijk is het enige wat je met zekerheid kunt stellen dat het toch helemaal anders uitdraait op het eind. Het leven is te onvoorspelbaar om zelf op voorhand uit te tekenen. Het is hoogmoedig om te denken dat je de dingen in de hand hebt. Het zijn alleen mensen die geluk hebben, die achteraf komen zeggen dat ze het scenario hoogstpersoonlijk hebben bedacht, wat natuurlijk onzin is. ++ Ze was verrast toen ze de foto's van het slachtoffer zag: de vrouw was maar een paar jaar ouder dan zijzelf. Haar haar kleurde grijs bij de slapen, ze droeg een donkerblauwe vilten mantel met zeemansknopen, van het soort dat zij ook zou kopen als ze hem in de solden op de kop kon tikken. 'Deze vrouw had de tegenslag het pad te kruisen van deze beesten', sprak de jonge advocaat met een opvallend vaste stem. De toga die hem bij de aanvang van deze rechtszaak nog te groot had geleken, onderstreepte nu op treffende wijze de ernst van zijn pleidooi. 'In hun driest opzet haar te beroven, hebben ze haar neergestoken', sprak hij, daarbij zijn blik nu eens richtend op de rechter, dan weer op Steve en zijn vrienden. Hij keek nooit haar richting uit.   Het leek haar een vreselijke job, advocaat, omdat je je boterhammen smeert met het spaargeld van mensen die bang zijn om onterecht in de gevangenis te belanden. Je strijkt geld op dat eigenlijk bedoeld is om studies van kinderen te betalen of als appeltje voor de dorst, of je laat je betalen door criminelen, nota bene om ze te helpen om hun straf te ontlopen. Het zijn centen die een gewoon mens niet eens zou willen, maar ze begreep: iemand moet het doen. ‘Zoals de wetsdokter heeft toegelicht, maakte Théresia Geerts geen schijn van kans. De daders zijn gaan lopen als een stel laffe honden, ze hebben haar achtergelaten om dood te bloeden'. Myriam keek bij deze laatste woorden, die de jongeman met dramatische klemtoon uitsprak, alsof dat nog nodig was, zo onopvallend mogelijk naar de jongste dochter van de overleden vrouw. Het meisje zat al de hele tijd als in elkaar gedoken op de tweede rij. Ze zag er ongeveer even oud uit als Steve. Het was onmogelijk om te zien of ze huilde of boos was. Haar tante had haar arm om haar heen geslagen. ++ Ze had tijdens haar bezoekjes aan de gevangenis haar zoon nooit naar de leeftijd van het slachtoffer gevraagd. Hoe minder ze erover spraken, hoe beter. Zelf begon hij er nooit over, Steve was geen gemakkelijke prater. Vroeger had hij het met zijn vader nog wel eens over auto's of voetbal, dingen waar Myriam niet het eerste benul van had. Sinds het overlijden van Bernard, lieten ze het praten meestal maar voor wat het was. Het eten in de gevangenis viel mee, had hij haar verteld, wat ze moeilijk kon geloven, want thuis lustte hij niets. Ze aten al jaren niet meer samen, dat is te zeggen: een stuk vlees en wat aardappelen met mayonaise, dat kreeg ze hem verkocht, zij aan tafel en hij voor de televisie. Voor de rest at hij bij Stanny in de frituur of bij zijn vrienden. Ze wist niet altijd waar hij uithing. Dat hoeft een moeder ook niet te weten; zolang hij maar niet dagenlang van huis bleef zonder een teken van leven. Nochtans had ze gezegd dat ze precies wist waar hij was op de avond dat de vrouw was overleden. Hij had bij zijn vertrek geroepen dat hij naar Stanny ging, wat hij drie weken later herhaalde aan de agenten die hem verhoorden, net als vandaag aan de advocaat, de rechter en de rest van de mensen in deze zaal, waarvan Myriam zich afvroeg wat ze hier allemaal te zoeken hadden, behalve de dochter natuurlijk - dat verstond ze.   Zijn trui stonk naar frietvet, daar had ze op gelet toen ze die ‘s anderendaags waste. In elk geval had ze niet gelogen toen de speurders haar vroegen waar Steve was geweest. Maar wat ze niet vertelde, was dat ze Steve diezelfde avond had gezien toen ze met Becky, haar maltezer, een ommetje maakte via de winkelstraat. Aan de halte tegenover het gemeentehuis stond hij op de bus te wachten, vergezeld door Mike en David. Ze had hem van ver herkend. Hij droeg nooit een jas tenzij het stenen uit de grond vroor. Zoals altijd had hij de kap van zijn lievelingstrui ver over zijn hoofd getrokken en hij hield zijn schouders zo dicht mogelijk bij zijn oren tegen de kou. Hij leek wat op een grimmige kabouter, zoals hij daar bij zijn vrienden stond. Toen hij opstapte, stak Myriam haar hand omhoog maar op de achterruit van de bus plakte ondoorzichtige reclame voor Proximus, ze kon niet zien of hij terugzwaaide. ++ De gerechtszaal zag er modern uit, helemaal anders dan het statige eiken decor dat ze kende uit Amerikaanse films. Het gebouw had enorme glazen wanden,  alsof de architect de beschuldigden nog een laatste keer een panoramisch zicht op de buitenwereld wilde gunnen: uit medelijden - of net het tegenovergestelde. De muren waren monotoon wit en de banken en bureaus zagen er veeleer goedkoop uit, gemaakt uit hetzelfde glanzende grenenhout als het bed en bureau van Ikea die Steve voor zijn twaalfde verjaardag had gekregen. De rechter schortte de zitting op omdat het middag was. Waar zou Steve nu eten? Zouden ze hem terug naar de gevangenis brengen voor dit uurtje onderbreking? Ze kon het hem niet vragen: hij werd naar buiten begeleid door twee ernstigkijkende agenten die hem elk bij een elleboog vasthielden. Hij had haar vandaag nog geen enkele keer aangekeken. Waarschijnlijk zou hij toch gewoon zijn schouders ophalen, of hij het nu wist of niet, hij zou er niet zoveel om geven waar of wanneer of met wie hij precies at. Dat deed hij de laatste tijd vaak als ze hem iets vroeg, bijvoorbeeld hoe het was in de gevangenis en of er wat redelijke jongens in zijn celblok zaten - hij haalde zijn schouders op. Ze was er aan gewend geraakt. Elke namiddag tussen half drie en kwart na drie bezocht ze hem. Vermoedelijk vond hij die bezoekjes vervelend, maar het was eenzaam in huis zonder hem, en bovendien: ze was zijn moeder en ze had tijd, wat moest ze anders doen? Het terras met de gele parasols en de plastic stoelen aan de overkant van het plein voor het justitiepaleis leek haar het meest toegankelijk voor een vrouw van haar leeftijd; daar nam ze plaats. Er was maar één kelner in het bijna lege etablissement, een smalle jongen met een wit hemd en een gele voorschoot bij wie ze een citroenthee bestelde. Hij keek haar misprijzend aan terwijl ze de aluminium verpakking van haar boterhammen openplooide. 'Verder nog iets, of bent u al voorzien, mevrouw?', vroeg hij. Ze dacht dat hij kon zien dat zij niet uit vrije wil naar het glazen gebouw aan de overkant was gekomen. ++ In haar herinnering was ze maar één keer ooit echt kwaad geweest op Steve. Het was toen Bernard nog leefde en zij op een middag samen waren gaan winkelen terwijl Steve op hun hond paste. Kenji was een levendige Jack Russel die Bernard ter ere van hun achttiende huwelijksverjaardag voor haar gekocht had. De hond was wat dommig, hij vergat bijvoorbeeld bij het apporteren steeds wie de stok had gegooid en ging er vervolgens maar wat doelloos op liggen kauwen in het midden van de tuin, maar ze waren weg van het beestje. Toen ze thuiskwamen, was hen meteen de ongebruikelijke stilte in de gang opgevallen. Geen keffende Kenji die hen uitgelaten tegen de knieën sprong, geen gekrabbel aan de keukendeur, en nog voor ze haar verwondering over de opvallende afwezigheid had uitgesproken, zwaaide diezelfde deur open en stoof Steve de gang in, als een woeste wervelwind langs Bernard en haar heen. 'Zoek het maar uit', beet hij hen toe terwijl hij de voordeur met zo brute kracht achter zich dichttrok dat het leek alsof de deurlijst zou barsten, of dat de hengsels het zouden begeven.    ‘Je kijkt beter niet', zei haar man met tranen in zijn ogen. Kenji lag met zijn tong uit zijn bek op de koude vloer, onder zijn kop lag een plasje bloed. Ze had Bernard maar drie keer zien huilen: toen Steve geboren werd, toen ze Kenji vonden en toen de dokter hen kwam vertellen dat hij, zesenveertig jaar oud, geen half jaar meer te leven had. Het werden uiteindelijk acht maanden, en zelfs in die laatste dagen kon hij Steve nooit helemaal vergeven. ++ Ze begreep niet veel van rechtspraak. Niet dat het haar niet interesseerde of dat ze dom was, het leek haar alleen nogal vreemd dat de uitkomst van rechtszaken waarover ze in de krant las zo verschilde. De ene keer leek de wetenschap zover gevorderd dat het onmogelijk scheen om de verkeerde dader aan te duiden, via dna-onderzoek of met soortgelijke technieken; sommigen werden tien jaar na de feiten nog opgespoord en veroordeeld. Een andere keer volstond het dat een crimineel een pruik opzette om vrij te komen wegens twijfel. ‘En daarom, edelachtbare, kunnen we onmogelijk besluiten dat mijn cliënt de dader is, of bij uitbreiding, dat hij zelfs maar aanwezig was bij de overval op deze vrouw, toen zij op tragische wijze aan haar einde kwam’. Aan het woord was de advocaat van haar zoon, een man die ze kende uit de kranten. Ze had nooit kunnen vermoeden dat ze hem nog de hand zou schudden. 'Maakt u zich maar geen zorgen, mevrouwtje’, had hij gezegd bij hun eerste ontmoeting. ‘Het getuigenverslag is zwak. De menselijke waarneming is onbetrouwbaar en bovendien was het aardedonker op het uur van de feiten. Men heeft zich slechts gebaseerd op de verklaring van één man, iemand met een twijfelachtige achtergrond. Gelooft u mij, we hebben een sterke zaak'. Maar hij was niet het type mens dat zij gemakkelijk geloofde, misschien was ze bevooroordeeld gezien zijn beroep. ++   De advocaat kreeg gelijk.   De rechter sprak Steve vrij bij gebrek aan bewijs, met de aanbeveling dat hij zich nuttiger moest maken voor de samenleving, door te gaan werken bijvoorbeeld, zodat hij zich kon omringen met properder volk, en hij zijn dagen niet langer in ledigheid moest doorbrengen, op café of in frituren. Het leven had tenslotte meer te bieden, zelfs aan jongens zoals hij. Die laatste woorden van de rechter hoorde Myriam niet meer. Van zodra ze besefte dat Steve als een vrij man de zaal zou verlaten, misschien wel met haar mee naar huis zou gaan, viel er een last van haar schouders waarvan ze het gewicht niet ten volle had beseft. De spanning trok uit haar lichaam, ze voelde nu pas hoe verkrampt ze had zitten kijken naar de gebeurtenissen van de dag; ze wilde god bedanken en de rechter, de advocaat niet te vergeten.   Steve draaide zich om naar de zaal. Hij had vast gewacht om haar aan te kijken tot hij de verlossende woorden van de rechter hoorde, uit schaamte of een soort van misplaatste trots: 'Zie je wel dat ik er niets mee te maken heb'. ++   Wat volgt, moet het moment zijn waarop ze in films het beeld bevriezen. In realiteit lijkt het gewoon alsof alles van een ongelofelijke helderheid wordt, een loepzuiver beeld tekent zich af voor haar ogen, alle geluid verstomt tot een doffe brij. Steve kijkt niet naar haar. Zijn blik schampt van haar af en landt op iemand wat verderop in de publieksbanken. Hij glimlacht. Is het naar één van zijn vrienden? Is het iemand die ze kent? Het is het blonde meisje op de tweede rij, de dochter van de overleden vrouw. Ze valt in de armen van haar tante. Over diens schouder heen haakt haar blik zich vast aan die van Steve. Als hij amper zichtbaar zijn lippen naar haar tuit, klaart haar gelaat op. Ze glimlacht en slaat haar ogen pas neer als haar tante de omhelzing lost. Dat de menselijke waarneming onbetrouwbaar is, zoals de advocaat haar had gezegd, daarmee is Myriam het oneens. Ze staat recht, gaat naar huis en belt de slotenmaker. 

J.E.W.
0 0

Kort verhaald: een wolkje onweer in een koffiemok.

 1. ‘Alle grote schrijvers schrijven autobiografisch,’ schreef een ooit befaamd Belgisch schrijver, en hij had gelijk. Hoe verklaar je anders al die slechte korte verhalen? Je kent ze vast wel: overdramatische rommel over gestorven levenspartners; vervlogen minnaars, weltschmerz, eenzaamheid of – veruit de ergste vorm van verderf – walgelijk minimalisme over kleine autistische kindjes met een suikerpot of muffe dementerende oudjes achter roestende deurknoppen die niemand ooit... Cheap emotainment, vers geplukt van Vijftv en overgoten met een sausje pervers ramptoerisme, dat op de koop toe nog geregeld bekroond wordt omdat dat schetsje minimalisme ‘toch zo uitzonderlijk geschreven is’. Om het op zijn Oscar Wildes te zeggen: het is niet omdat je uitzonderlijk schrijft, dat je ook uitzonderlijk leeft…en vice versa. En dan rest er nog de hamvraag: kan men die rommel schroomloos literatuur noemen? Zeg nu eens eerlijk… ‘Laat hen dan eens zien hoe het wel moet,’ antwoordt ze mij, in de haast magische tv-kamer waar de hyperactieve hond slaapt naast de sofa waarop zij en ik voor het eerst de liefde bedreven (maar dat geheel terzijde). ‘Dat is wel heel ambitieus, zelfs voor mij,’ reageerde ik, ‘en trouwens: ik heb mijn handen vol met onze roman, dat weet je toch?’ ‘Dat sluit elkaar toch niet uit? Schrijf dan daarover, alle grote schrijvers schrijven toch autobiografisch? Wel, bewijs het’. Ze had die pretlichtjes in haar ogen – Paris, minuit sur Seine, mon amour – en haar beruchte glimlach als een uitdaging. ‘Ok,’ zei ik, ‘maar als ik slaag in mijn opzet, druk jij jouw glimlach tegen de mijne, en zien we wat er dan gebeurt’. Over die laatste enigmatische verwoording moest ze even nadenken, maar uiteindelijk ging ze akkoord, waardoor ik nu heel wat te bewijzen heb. De hyperactieve hond laat ik intussen rustig in het midden liggen: je wil hem best niet gestoord zien worden. Zij strekte zich languit op de sofa, haar hoofd op mijn schoot en zei, heel speels en duivels verleidelijk: ‘Zo, vertel me eens een kort verhaaltje’. Een kort verhaaltje, zegt ze. Dat is 12.000 tekens volgens de stad Deinze en dus nog maar 10.219 te gaan. Het wordt hoog tijd om – zoals Van Ostaijen – naakt te zijn en te beginnen. Goed. Ik neem plaats achter mijn Underwood en transformeer mezelf tot broodschrijver. Ik word Shakespeare, Chandler, Capote – driemaal een sisklank als aanhef en één keer een Frans condoom met Truman (een Amerikaans president?) als voorspel. Zippergate? Neen, dat kwam pas later. Desalniettemin: stof tot nadenken, maar er is geen tijd: te weinig tekens en te veel, veel te veel te vertellen. Pressure! En al het goede schrijven is autobiografisch! Ok… Lig je goed, lieverd, daar beneden met je hoofdje op mijn Levi’s 501? En u, wildvreemde lezer, klaar om van start te gaan? Ik neem me vooralsnog een whisky.    2. Op een regenachtige namiddag in september stappen twee helden O’Reilly’s binnen en als echte stamgasten – of dronkaards – nemen ze plaats aan de bar. Lio en ik – jij weet dat, liefje, maar de wildvreemde lezer niet – zijn wat men noemt beste vrienden: samen maakten we Brussel al onveilig ten tijde van 9/11, Brazilië-België en Marc Wilmots. Al jaren is O’Reilly’s onze uitvalsbasis, en dat zal wel nog een tijdje zo blijven. Mitch, de barman met de Hasselhoff Baywatchnaam en de Humphrey Bogartschouders, komt ons meteen tegemoet. Lio bestelt een Guinness en een kop koffie. Buiten ons is de pub vrijwel leeg, op een koppeltje na, dat achterin de pub in een vergeten hoekje lekker knus naast elkaar zit. De jongen warmt zijn handen aan het meisje en het meisje – op haar beurt – aan een kop warme chocolademelk. ‘Die chocomelk smaakt raar,’ zegt ze. ‘Mag ik ’s proeven?’ vraag ik. Ze heeft gelijk: flets en zo goed als chocoladeloos: de cacaomix in de machine is op en de barman heeft het nog niet in de gaten. ‘Momentje,’ zeg ik en breng de fletse mok weer naar de toog. Mitch maakt er geen probleem van. Even later staat er een verse chocolademelk mét slagroom voor haar neus. ‘Handig niet, dat uitgaan met een ex-barman?’ Ik knipoog, zij lacht. Ik ga naast haar zitten op de sofa in het (vergeten?) hoekje. ‘Hé, zat jij daarnet niet tegenover mij?!’ ‘Nee, dat was iemand anders, zo’n loser met een slechte chocomelk’. We lachen – is zoveel lachen niet ongezond? – ik sla mijn arm om haar heen en ze kijkt naar me. Haar ogen stralen en komen tergend langzaam dichter en dichter en ietwat overhaast zoen ik haar. Het was lekkere chocolademelk. ‘Veel te lekker’. ‘Man, overdrijf eens niet: ’t is zwarte koffie,’ antwoordt Lio, ‘Akkoord, het is beter zwart dan met al die rommel erin: suikertjes, melkjes, candarels en een speculaasje, kloterij die abnormale mensen allemaal in hun kop kwakken…’ ‘En daarom is dit net veel te lekker,’ antwoord ik hem, waarop ik nog een slok neem en vervolgens de hele melk-suiker-candarelzooi en zelfs het koekje in mijn koffie gooi. Terwijl ik duchtig aan het roeren ben komt Maarten de pub binnen, doordeweeks een brave jongen en zelfs in het weekend een van mijn beste vrienden. ‘Dag mannen, wat doen jullie hier?’ begon hij. ‘Momentje,’ zei Lio, ‘Kris was geloof ik net van plan een vastgeroest dogma te ontkrachten’. Beiden zwegen en keken bezield naar de mokkakleurige maalstroom waarin mijn lepel – en stukjes speculaas – wild tekeer ging. ‘Een wolkje onweer in een koffiemok, meneer?’ Maarten begreep niet meteen wat er aan de hand was maar gunde me voorlopig het voordeel van de twijfel. Ook Mitch, het Alziend Oog van O’Reilly’s, hield zich op de achtergrond. Omdat er zich geen vrijwilliger aanbood nam ik zelf een slok van het inmiddels lauwe mengsel. ‘Beter?’ vroeg Lio. ‘Nee,’ antwoordde ik, ‘maar nu weet ik tenminste weer waarom ik mijn koffie zwart drink. Dag Maarten, jongen, alles goed?’ Maarten had een meisje bij, een nieuw meisje. Het eerste meisje dat hij mijns inziens ooit mee naar de pub bracht. Bruin haar, bruine ogen, slank, geen x-benen en vrij knappe borsten (rond of peervormig, kan al dan niet afhangen van en uit de beha), kortom: al bij al netjes. Maarten stelde ons voor, ze gaf ons beiden een kus op de wang. Na de nodige formaliteiten kwam ik te weten dat haar naam Stefanie was. Ietwat timide keek ze voortdurend naar de grond, alsof oogcontact een uitdaging was. Ja, wat had Maarten allemaal niet over ons verteld? En ‘beste vrienden’ ontmoeten is op zich al een precaire situatie. ‘Kijk liever wat meer naar boven, liefje, ik geneer me voor mijn kapotte schoenen,’ zei ik. Ze lachte wat onwennig, want inderdaad: mijn Allstars waren naar compleet de vaantjes. ‘Je had hem twee weken terug moeten zien,’ zei Maarten, ‘toen zat ie hier met teensletsen’. ‘Jij kleine klootzak,’ antwoordde ik, want Maarten was niet groot en had meestal een stel kl…, nou ja, ‘dat kind is hier nog maar net en direct mijn vuile was gaan uithangen!’ Lio begon luid te lachen, Stefanie viel in. Het hek was van de dam, en het ijs gelukkig vrij snel gebroken. Stefanie vertelde dat ze Maarten had ontmoet op een trouwfeest van een familievriend. Het was liefde op het eerste gezicht. Hierna spraken ze een aantal keren af en intussen – drieënhalve week later – waren ze samen en ja hoor: gelukkig. Ik herinner me nog hoe ik dacht: ‘Soms lijkt het zo makkelijk te gaan, zo vanzelfsprekend, is dat dan echte liefde?’ Daar leek het in ieder geval op. Ze waren jong en verliefd, op een typische, niet-walgelijke wijze. Daar was ik oprecht blij om, hoewel het tegelijkertijd pijnlijk was om aan te zien. Volgens mij beseften Lio en Maarten dat: ze wisten het immers van jou en mij. Misschien ook daarom dat Maarten na één rondje zei dat ze er vandoor gingen: ‘Stefanie wil nog snel even de winkelstraat doen’. ‘Vergeet niet,’ riep Lio Maarten nog na, ‘betalen doe je in de Rue D’Aerschot!’ Ik stootte mijn elleboog onzacht tegen zijn ribben. ‘Wat?’ antwoordde Maarten. ‘Geen schandalen in ’t paskot!’ verduidelijkte ik. ‘Aight,’ lachte Maarten en stak zijn duim omhoog. ‘Waarom was dat nu weer nodig?’ vroeg ik. Lio nam een slok van zijn Guinness, ‘Weet ik veel’. Ik wist het ook niet meer, het hele gedoe had me ontstemd en wellicht daarom vroeg ik Mitch om twee Jack-on-the-rocks te maken, zodra hij even vijf minuten tijd had. Mijn blik dwaalde af naar het vergeten hoekje: het knusse koppeltje zat er niet meer. Ze waren vast, los van elkaar, naar huis gegaan…    3. Met gesloten ogen ligt ze naar me te luisteren, een tijgerin in de prairie die in staat is me te verscheuren zodra ik in ademnood raak en mijn woordenstroom dien te pauzeren – bij haar ben ik slechts een papieren tijger, moet je weten. En toch wil ik even halt houden: wat een bravoure (Neen, in feite is mijn glas gewoon leeg, de inspiratie even op of het inktlint van de Underwood versleten: kies maar). ‘En in dat verhaal zit geen heimwee of eenzaamheid?’ begint ze. Ik streel haar zachtjes, voorhoofd-wang-hals, waar het warm is: ik ben een waaghals. ‘Natuurlijk wel, maar ik miste je, en ga daar niet over liegen. Vind je het overdramatisch misschien?’ ‘Nee, nóg niet, ga nog maar even door’. (Met strelen?) ‘De fletse chocomelk, dat weet ik nog, maar ik herinner me niets van je periode als barman’. ‘Vandaar dat ik ex-barman zei: dat was grotendeels voor jouw tijd, maar je herinnert je vast nog wel de picknick in het Warandepark, vlak voor mijn avondshift?’ ‘Ja! Dat weet ik nog’. ‘Nou, dan hoef ik het je niet te vertellen’. ‘Jawel, vertel: denk aan de wildvreemde lezer!’ ‘Nou goed, voor de wildvreemde lezer dan,’ knipoogde ik. ‘Klootzak’, zei ze. ‘Ga je me nog lang onderbreken?’ En toen zweeg ze.    4. ’s Morgens was er geen zon, alleen donkere wolken met wat onweer en regenwater. ‘Fuck,’ dacht ik toen ik mijn Mercedes insprong, ‘Is dit nu een weertje om voor de eerste keer naar Brussel te rijden?’ Brussel is levensgevaarlijk met de auto: stel je het gerust voor als een Spaans tomatengevecht waarin je met een gloednieuw wit maatpak onbevlekt door moet navigeren. Of overdrijf ik? Hoe dan ook, ik werd om 17:00 verwacht in Brussels Café, en daarvoor moest ik jou zien in Brussel. Ik had geen keuze: drie dagen later vertrok jij voor drie weken naar India. Falen was dus geen optie, en ik was voorbereid: een picknickmand met daarin jouw favoriete broodje, jouw favoriete smoothie en een kleinigheidje dat zelfs voor jou een absolute verrassing was. Met al dat lekkers op de achterbank reed ik de garage uit, het noodweer in. Gelukkig had ik net nieuwe ruitenwissers. Op straat wandelde Joke voorbij, een vriendin van enkele huizen verder die me ooit, op vakantie in Rhodos, haar borsten liet zien (ze was toen zestien, ik veertien en bijgevolg erg onder de indruk). Nu zie ik haar lopen en is ze ongeveer even boeiend als de soepmixer in de tweede lade links onder het keukenaanrecht: af en toe kijk ik er eens naar, zonder meer. Het is niet dat ik meteen soep ga maken: ik heb namelijk al jouw favoriete smoothie. Ze wuift, ik wuif afwezig terug en rijd snel door. Wat kan zij me bommen, ik rijd naar jou toe! Welgeteld tien minuten voordat je in Brussel Centraal de trappen opliep klaarde de hemel uit. De zon straalde met het mooie meisje en ik liep naast haar Frank Deboosere te bedanken voor zijn accurate weersvoorspelling (laten we in het moment blijven: Frank is niet romantisch en je hebt nog slechts 2.675 tekens voor de grote finale). Fast forward. ‘Wil je even je ogen sluiten?’ vroeg ik je op een bankje aan het paviljoen. ‘Wat?’ ‘Gewoon even je ogen sluiten, en ze pas openen wanneer ik het zeg’. ‘Je gaat me toch niet kussen, hé?’ ‘Nee, helemaal niet, ik ga wachten tot je ze sluit, wegwandelen en morgen misschien eens komen kijken of je hier nog zit’. ‘Grapjas,’ zei je. Met gesloten ogen zat je naast me, een tijgerin in het Warandepark, en heel voorzichtig bracht ik het zilveren hangertje om je hals. ‘Het is prachtig,’ zei je en omhelsde me. Vuurwerk, het voelde als Nieuwjaar, maar het was juli. ‘Als ik haar nu kus, verpest ik dan alles?’ dacht ik. En denk ik nog vaak wanneer ik jou zie, met dat zilveren hangertje om je hals. Nog steeds…    5. ‘Nieuwjaar? Zeker dat je niet kerstavond bedoelt?’ vraagt ze veelbetekenend (de hele affaire met de sofa die ik geheel terzijde laat, dat gebeurde onder andere op kerstavond). ‘Nee, lieverd, onze wildvreemde lezer heeft namelijk geen zaken met kerstavond’. ‘Nee, dat is waar, maar Nieuwjaar?’. ‘Herinner je niet meer hoe ons jaar begon? Met vuurwerk, kort na middernacht, en een heleboel mensen en een hyperactieve hond die de straat op liepen. En hoe wij nadien alleen achterbleven, een andere straat in, waar we samen uitkeken op de horizon en lichtjes en elkaar omhelsden? Vuurwerk. Dat is hoe het begon. En weet jij hoe het eindigt? Nooit. We’ll always have Paris. Zoiets gaat nooit voorbij en zelfs als ineens alles anders is zullen jij en ik nooit… Sorry schat, ik maak het weer te moeilijk’. ‘Dat geeft niet,’ zegt ze terwijl ze overeind komt en dwars op mijn schoot gaat zitten, met haar armen om me heen. ‘Het was een mooi verhaal’. ‘Wil je zeggen dat…?’ Ietwat overhaast ontmoet haar glimlach de mijne… het is een fijn weerzien. Onze lippen delen geheimen waar onze tongen over zwijgen, ook al schrijven grote schrijvers autobiografisch. ‘Je hebt nog 1.102 tekens,’ fluistert ze, ‘wat ga je daarmee doen?’ Ik lach – zoveel geluk moet haast ongezond zijn – en zeg haar: ‘Dat, mijn lieve meisje, gaat de wildvreemde lezer niets aan...’

Blikschade
1 0