Zoeken

Midnight Express

“Ours is essentially a tragic age, so we refuse to take it tragically”. D.H. Lawrence 1. Central Park, New York, iets na middernacht. Noem het een poëtisch, gotisch of stereotiep begin, het betekent zo veel of zo weinig als u zelf toelaat, maar daar liep ik dus: te midden van drugsdealers en homoseksuelen. Aidsgoeroes... Verwrongen spiegelbeelden van de overdaagse joggers en eekhoorns. Ik was niet op zoek naar hen, miserie – als ik het zoek – vind ik het thuis wel bij D.H. Lawrence, Hugo Claus of Stephen King. De inspiratie voor vannacht was Mona: een knap rijkeluiswicht met lichtbruine haren en een blanke huid. Ongeschonden en ongerept: een prinses zonder stamboom. Enkele jaren geleden kwam ze over de vloer, op het bed en ook ergens in mijn keuken. Het hoorde iets eenmaligs te zijn… maar daar blijft het helaas nooit bij. Ze bewonderde wat ik zei en deed en verwachtte van mij hetzelfde. Ik was danig onder de indruk van haar lichaam, maar dat was niet genoeg: ze had ambitie, ze had trots, ze was een hooggeschoold, oerdom meisje dat nooit echt vrouw zou worden. Een sterfelijke Peter Pan: gay, innocent and heartless. ‘Binnen dit en vijf jaar kijk ik uit op Central Park, vanuit mijn villa aan de mooie kant van de stad,’ zei ze vastberaden, terwijl ze vanuit mijn raam het duister inkeek, ongeveer vijfenhalf jaar geleden. Aangezien mijn plannen voor vanavond zich hadden opgeschoven tot later of nooit, besloot ik de doortocht door het park te maken, naar die zogenaamde ‘mooie kant’ aan Central Park, om te zien of ik ze zou aantreffen, achter het raam van die beloofde villa. ’s Nachts zie je de engelen niet. Samen met de zon verdwijnen ze het park uit, dat nadien zelf opgaat in de duisternis. Vreemd is die donkere mantel, die als een wolf door de wereld zwerft, bang voor zowel het echte als het valse vuur. Tast het de wereld aan of af? Blijft alles netjes onder de mantel liggen tot het opnieuw gezien wordt of gebeurt er iets anders? Een konijn wordt een duif in de hoed van een goochelaar, en tegen de volgende show is die duif weer gewoon konijn. Of is er iets veranderd? We weten namelijk niet wat er onder de hoed of het dekschild gaande is. Enkel dat het park nu meer aidsgoeroe dan eekhoorn lijkt te zijn. Ik verkies het zo: menselijk in plaats van goddelijk. Donkerder met iets meer dan nacht. Het is verleidelijk om van het pad af te dwalen: om de hoek, tussen de struiken of onder de brug liggen boeiende verhalen als manna voor het grijpen. Het zou ons echter van de premisse doen afdwalen, het werkelijke doel van dit verhaal: Mona, en haar droomvilla in de sjieke buurt, mijlenver voorbij de zeven huizekes van de Voorstad. Wat ligt er daar op me te wachten? Een naakt peertje, een engel, een lege wikkel of gewoon meer van hetzelfde?    2. Eén grote mistlamp en een verlicht bordje met ‘Desire’ op. Dat is wat je ziet van de tram, lang voordat zijn details duidelijk worden. Een wit dak, rode carrosserie en een flauw-gele afwerking rond de ramen. Datzelfde flauwgeel vormde samen met zilvergrijs en stoelbekledingbordeaux het interieur van de tram. De bestuurder droeg een zwart uniform met gouden knopen, en een rood detail geborduurd op de schouders en mouwen. Op het gouden naamplaatje boven zijn rechterborst stond ‘Charles’ in sereen-zwarte hoofdletters. De tram stopt enkele passen voor mij, de deur schuift open en ik kijk recht in de ogen van het bekende gezicht. ‘Wel, wel, masta, nog steeds onder de levenden?’ zegt hij. Voorlopig wel, Carl, antwoord ik, maar wat is dat nou? Ik dacht dat je enkel Cemeteries deed? ‘Tijden en plaatsen veranderen als orders, maatje, dat was New Orleans en dit is New York, uitbreiden en multitasken, weet-je-wel!’ Goeie ouwe Carl... Ik kende hem van die oude tijden, lang voor Neverland, Avalon en het oude Zuiden. Hij was nog geen haar veranderd. Carl had de looks van Robert Johnson, de stem van Louis Armstrong en de grijns van Jack Nicholson. Uiteindelijk voelt iedereen zich op zijn gemak bij Carl. Hij is mijn favoriete chauffeur – zowel zittend op de tram als dronken op de achterbank van een groene Mercury Coupe – en voor de prijs van één zilveren dollar voert hij je naar waar je ook heen moet. Dus betaal ik de man en vertel hem mijn bestemming: ‘Café Europa’. ‘Café Europa,’ zegt hij en grinnikt, ‘in de buurt van Desire, dat lukt me wel. Ga zitten, ouwe vriend’. Ik neem plaats niet ver achter hem. Helemaal achterin de tram zit een vrouw met een jaren tachtigkapsel – lang, zwaar gekruld, geblondeerd haar – en overdreven make-up. Ze is jonger dan ik, niet onknap en doet haar best om mijn penetrerende blik te negeren. Een man op weg naar Café Europa, dat voorspelt niet veel goeds, moet ze vast denken. Café Europa was ooit een plek zoals de Cotton Club, maar dan gelegen aan de haven van Brooklyn. Onder invloed van de noden van de havenlui transformeerde de bar – na een korte tijd als speakeasy – tot een van Brooklyns beruchtste bordelen. Klanten als ik houden er een vaste loge op na, die qua luxe en uitzicht kan wedijveren met het Plaza Hotel en de Waldorf-Astoria. Een hemelbed, zijde en satijn, verse rozen(blaadjes op een blanke of gebruinde huid) en een fles Dom Perignon gekoeld in een goudkleurige ijsemmer: kant en klaar wanneer je de deur opent is hun motto. De meisjes rekenen er ook niet per uur; ze staan de hele nacht tot je beschikking. Tenminste, indien men leeft volgens de code van de gentleman en diens bankrekening. Zo eenvoudig was het, is het nog steeds, in Café Europa, waar de spiritus mundi vloeit en verdampt als Dionysische wijn uit christelijke bekers. Als het collectief breekt, blijft het individu alleen achter, en wat volgt is een queeste naar gezelschap met slechts één bestemming… Word je nooit eenzaam, Carl, ’s nachts, in het donker? Hij lacht, een hartelijke bulderlach die met hem de hele tram doet schudden, ietwat geforceerd. ‘Masta, ik ben een watman, sociaal vaardig als taxichauffeur en kelner: zolang er pendelaars leven, ben ik nooit eenzaam’. Een vluchtige wenk in de richting van de vrouw. ‘Alle vormen en maten, sommige interessanter dan andere’. De juiste vormen en maten had ze inderdaad. Carl had me daarnet niet laten uit-kijken: een blanke huid, jonger en zachter dan haar gezicht, met een gouden hanger – een slang met robijnen ogen – tussen haar nogal voor de hand liggende borsten. Onder het witte, diep uitgesneden topje zag je haar navel, een strak lederen minirokje dat nauwelijks haar heupen kon bedekken, donkere nylons met hier en daar een ladder en daaronder roze pumps – inderdaad: blond-wit-zwart-roos of andersom. Kleurrijk, zei ik, waarop Carl antwoordde: ‘en onder de gekleurde lichten is ze vast een regenboog’. Hij wist dat ze werkte in Café Europa, nog niet zo lang, maar lang genoeg voor Carl om te weten dat de klanten haar Viola noemden. Shakespeare en bordelen: verbonden tot in de eeuwigheid. Ze was in korte tijd de nieuwe sensatie geworden: haar act was die van de aan lager (haven)wal geraakte Broadwayster. Broadway is net niet Hollywood: hier kan men nog een tiet zien – actrices die te diepe buigingen maken of vervuld raken in de kleedkamers. Plots blijven dan de goede reviews weg, worden de stukken prematuur opgedoekt, de theaters gesloten en de actrices op straat gegooid. Maar niet getreurd: over een klein uurtje opent Café Europa en er is nog een positie... schrap dat: alle posities! Mary-Lou has finally made it to Broadway. De wereld gaat op in showbusiness, and there’s no business like show-business. Interessant, Carl, heel interessant. ‘You betcha,’ antwoordde hij met een knipoog. Wat kan ik zeggen? Carl zat in de juiste branche: door te vissen met mijn betekenaars sloeg hij geregeld de juiste betekenis aan de haak. Aangezien we samen al vele watertjes hadden doorzwommen, gaf ik ze hem geregeld in bruikleen. Mijn giften gaven hem de impressie van weten, een dorre schets wetenschap herleidt tot moleculen terwijl het heelal streeft naar entropie – en jij dacht wellicht naar diversiteit. Men is dus beter af – of tenminste pragmatischer – als zaaier dan visser. Waarom dan nog vissen? Om gezellig eens te kunnen ronddobberen in een vochtige poel van verderf, al dan niet om uiteindelijk kopje onder te gaan in die grote, mondiale Styx. Wie ben ik om dat verlangen te onderdrukken? Mijn goede vriend Carl zou het wel begrijpen, dus wond ik er niet te veel doekjes om. Ik denk dat ik met haar eens een praatje ga slaan. ‘Ha-ha, masta! Ik zou het zelf doen indien mijn kont de bestuurderszit niet ingedraaid was. Zo is het, Carl! We zijn allemaal vissende vissers, zei ik tegen hem en wierp mijn hengel uit naar de achterbank.    3. Ga jij ook naar het plezierkwartier, vroeg ik aan de jonge vrouw met het Kim Wildekapsel. Ze knipperde met haar ogen en schudde wat onwennig het hoofd, zoals we allemaal wel neigen te doen indien we plots uit de lucht vallen. Vooraan hoorde ik Carl lachen om mijn vrijpostigheid. ‘Het plezierkwartier?’, herhaalde ze. Ja, je weet wel, ze noemen het ‘Vieux Carré’, dat vierkanten plein net voorbij Columbia Street waar de straatartiesten jurken, de bedlegerigen nooit snurken en de bezoekers zich laten ont... kurkdroge humor, beste lezer, ik laat het verder voor wat het is. Het plein met sierlijk fluorescente namen als Tarantula Arms, Love-Lace, Vertical Whorehouse en – uiteraard, als klap op de vuurpijl – Café Europa. Een flits van herkenning schitterde op haar gezicht. ‘Café Europa,’ zei ze, ‘zeg dat dan meteen’. Ze wierp me een ondeugende blik met dubbellaag coating toe en zei: ‘Dan blijf je toch hangen tot na mijn optreden, cowboy? Misschien staat Viola het toe dat je haar een drankje betaald – of twee, hangt af van je stamina’. Flap-flap, artificieel gewimper, alsof dat het doet – ja, natuurlijk. Beste lezer, nogmaals sorry voor de korte onderbreking maar ik wil even zeggen dat het niet noodzakelijk is om me op mijn woord te nemen: ga het gerust zelf na, maar volgens mij is er iets ernstig mis met vrouwen die over zichzelf in de derde persoon spreken. Ik herinner me nog hoe ik na die uiting haar nogmaals van kop tot teen onderzocht, en niet echt een bezwaar kon verzinnen om procrastinatie en abstinentie in te ruilen voor fornicatie – de tijd van monniken, religie en annalen ligt achter ons. En zelfs Orsino hoor ik geen commentaar leveren over het al dan niet neuken van zijn manwijf, wijfman of welk soort vaartuig Shakespeare ook voor ogen had. Ik lachte en vertelde haar dat het voor mij een genoegen zou zijn om de ‘belle of the ball’ te entertainen. Aan haar pretenties te oordelen was ze een vrij populaire attractie. Dat is goed mogelijk: het was eeuwen geleden dat ik in de sporen van Carls tramlijn had getreden. Wie weet hoe het er in Café Europa tegenwoordig aan toe gaat. Maar waarom ontkende ze dat ze tot Vieux Carré behoorde? Alsof het tegenwoordig nog een schande is! Ze zijn beter dan psychiaters… Deze vlinders die naast de nacht hun nectar delen met mannen wiens vrouwen zich godinnen voelen, een Tantalusillusie die jammer genoeg waanzinnig is. Is het niet zo dat de man die zich koning voelt – zoals Huey Long ooit zei – zich hier nooit zou vertonen? Al dat huidige, domme feminisme – het is immers weinig zinvol – waar vrouwen mannen tot schandknaapjes reduceren omdat er ooit een paar klootzakken – ween-ween – eens gemeen tegen hen waren. ‘Meester, hij heeft me gepest…’ Dat komt omdat hij een klootzak is, en hij het niet alleen voor jou, maar voor iedere goeie lobbes die ooit durft werkelijk van je te houden het inmiddels verpest heeft. Er is alsnog een niet onbelangrijke nuance bij deze redenering: het is de vrouw die de klootzak zijn macht geeft, zich nadien godin waant en met dit gedrag zelfs de mediaan-metaforische goeie lobbes de optie Vieux Carré doet overwegen. Vieux Carré is het Olympos voor eenzame, onverzadigde zielen. De prinsenplaats in Tartaros. Hell ain’t a bad place to be – tenminste, vanuit dit gemakzuchtige standpunt. En zolang mannen nood hebben aan hun portie nectar of ambrozijn om denkbaar goden te zijn, there’s no business like show-business! Wat ik hiermee bedoel ligt volkomen in het midden. Tussen jou en mij, lezer en schrijver, acteur tot acteur, in een ver-ziende plaats waar het tijdsconcept deels is opgeheven. You know someone said that life’s a stage and each must play a part…Viola speelt vergane Broadwayglorie op de podia van het plezierkwartier, ik de opportunistische avonturier met geld en tijd zat. Het stond in de sterren geschreven, zij en ik, achter de coulissen in Café Europa. Carl zou ons er wel brengen… Vieux Carré… Een hemel-bed lacht ons toe als een kolderkat. We raken er wel op tijd voor je act, meid, zei ik, en trok haar vervolgens wat dichter tegen me aan. Mijn vingers gleden over haar linkerborst en streken langs haar navel. Ze keek me aan met wijd-groene ogen, haar blik bevatte een mysterieuze, vreemd bekende ondertoon die ik niet kon plaatsen – een toets in het aroma die mystiek versmolten raakt met een vergeten herinnering. Herinneren is proeven, en proeven wakkert de honger aan. Het valse vuur, vanuit de diepte duikt het op uit het wrak. Het roept ons, vertroebelt de geest als spiritus sancti zonder ooit onze lusten te beantwoorden. In perpetuum. ‘Stop’, ze weerhield mijn hand om dieper te gaan en zei: ‘Niet zo vrijpostig, meneer, laten we vannacht vooral gentleman blijven’.    4. Vannacht in deze kamer draagt ze niets dan lakens en maanlicht. Mijn lakens in mijn bed aan mijn raam dat uitkijkt op het park en de stad. De engelen houden de wacht op het balkon, maar dat ziet ze niet: vanuit de penthouse torent ze uit boven Manhattan. Van hier kan je de Bethesdafontein niet zien, hoezeer zij en de engelen er ook naar uitkijken. ‘Over het uitzicht heb je niet gelogen, maar dit is nog niet de mooie kant van Central Park,’ zei ze. Mona, een kritisch, hooggeschoold, oerdom meisje dat nooit echt... weg is. Half in een roes droom ik naast haar en laat ik haar zeggen wat ze wil. In haar omhelzing ben ik ongenaakbaar naakt, onkwetsbaar. Een beeld van god is slechts half-god en half-tastbaar – één zijde van een zilveren dollar op zoek naar de andere. ‘Wat een stad,’ zegt ze, met fonkelende ogen als bij de eerste keer, ‘het is alsof je neerkijkt op de sterren’. Second to right, and straight on till morning, vertel ik haar. Maar dat begrijpt ze niet, zoals ik niet begreep waarom ze me toen plots naar zich toetrok, met haar hand doorheen mijn haar ging en met het topje van haar neus langs de mijne gleed. Ik keek haar vragend aan. Waarom loopt ze niet weg als ik zo dicht in de buurt kom? Misschien denkt ze niet langer aan morgen en denk ik morgen niet meer aan haar. Aan de gedachte dat ze me na de ochtend verlaat, dat ze vroeg of laat haar lichaam van het mijne ontdoet, en terug in haar kleren gaat verdwijnen. In tegenstelling tot engelen en goden ben ik nog niet van marmer of steen… ‘Kom hier, jij’, fluistert ze. Was this fair paper, this most goodly book, made to write…? De nacht valt met mij, achter het raam waaruit je Central Park kan zien, en met wat verbeelding boven de hemel uitzweeft. Maar we kijken niet meer, ik heb haar en zij… leunt voorover en kust me. Ooit, heel even, heeft zij met haar lippen… en ik geloof dat ik toen de rest deed. Toen geloofde ik… niet Mona, maar ik, dat zij het was. Alleen… ik niet.

Blikschade
0 0

Een onmens kan nooit liefhebben

Waar de meeste verhalen beginnen op een plaats, precies aangegeven in tijd en ruimte en dan liefst nog met een aantal landelijke kenmerken, is het mijne niet elders te situeren dan in vaagheid. Het verhaal van elke mens begint feitelijk in vaagheid en in vaagheid zal het eindigen. Ik ben bitter, ik spreek de taal van de zwartgalligheid beter dan mijn eigen moedertaal en ik ben het positieve des levens ergens in een ver verleden kwijtgespeeld. Ik ben ook schuldig. Ik zoek genot in de pijn van anderen, ik analyseer ze tot op het bot en wat ik daar vind, is niets anders dan een hoopje ellende dat in de illusie der gelukzaligheid leeft. Een hoopje ellende waar in hun frêle hart het optimisme hoogtij viert. Ik heb een maniakale eigenschap, beste lezer. Een gedrocht van een eigenschap. Ik heb nimmer pure liefde gekend en kreeg spontane braakneigingen bij het woord an sich. Dat wil echter niet zeggen dat ik nooit geliefd ben geweest, integendeel. Ik viel nooit op vrouwen in hun totaliteit, voor het totaalpakket had ik weinig oog. Ik viel wel op één bepaalde karaktertrek. Hem goed omschrijven is nogal moeilijk. Het leunt het dichtst aan bij fragiele onschuld. Ik vond het heerlijk om controle te hebben over iemand. Emotionele wezentjes inpalmen, ze parasiteren. Maar toen kwam de peripetie, de volta van mijn miezerige leven.Er was eens -oh heerlijk die sprookjestermen- een blonde dame die me uit het niets plotseling aansprak, Fleur heette ze. Ze had inderdaad wat ik zocht in een vrouw, fragiele onschuld. Maar voor de eerste keer ook meer dan dat. Dat eerste praatje werden er twee, van twee komt drie en je weet hoe dat gaat, drie maanden later woonden we samen en beleefden we stomende nachten. Geloof me vrij, dat waren ze. Een kleine opmerking hierbij, beste lezer, de meest wijze van ons allebei, ik heb in geen enkele relatie aangedrongen. Het initiatief, zowel qua ontmoeting als qua inwonen, dat kwam van haar. Bij wie ligt de schuld nu? Ach, ik dol maar wat, bij mij uiteraard. Iedereen kent ze wel, die lange zomeravonden waarop je met een glaasje goedkope wijn naar de zonsondergang kijkt met je euhm…hoe heet dat weer…geliefde. Wel, ik beleefde ze elke avond in augustus. Ik ben een man van gewoontes, dus in het begin kon het me bitter weinig schelen. De wijn wist me cynisch genoeg altijd meer te boeien dan Fleur en die wijn veranderde in bier en whisky op mijn slechtere dagen. Toch had ze een eigenschap die al mijn andere veroveringen niet hadden, een vurig hart vol passie. Vergeleken met Fleur waren de andere vrouwen slachtschapen. Als ze weer eens kwaad op mij werd omdat alles wat ze zei in dovemans oren terechtkwam, dan kon ze woorden naar mijn hoofd slingeren waarbij ik zelfs even mijn stoïcijnse kalmte verloor.Ondanks dat had ik mezelf voorgehouden om haar in de donkerste dagen van het jaar te salueren. Ik kreeg al heimwee naar die zeemzoete eenzaamheid, tactisch beschikken noemen ze dat. Ach, geef toch toe, verbintenis is iets voor wolven in een roedel. De primaire, beestachtige, seksuele driften, kon ik na mijn periode bij Fleur nog wel enkele maanden onderdrukken. En zo het geschiedde, welkom sneeuw, welkom striemende wind en vaarwel Fleur. In gezelschap was ik helaas niet de man van de vele woorden. Troostende woorden waren me dus vrijwel vreemd en ik kon eigenlijk niets anders dan een droge “sorry” uit mijn lippen persen. Die huilbuien raakten me uiteraard een beetje, in al mijn onverschilligheid bereikten de vrouwelijke snerpende geluidsgolven altijd mijn stenen hart. Maar steen is geen spons en de weemoed absorberen, dat deed ik dus niet. Ik nam mijn spullen en ging voorgoed weg, zonder om te kijken, met de blik op oneindig. Tot mijn grote verbazing ontving ik amper twee weken later nieuws van haar. Er stak een envelop in de brievenbus. Ik herkende haar sierlijke schrift, ik had er per slot van rekening enkele maanden bij gesleten en had ruim de tijd genomen om haar te observeren. Ze had ook zo’n heerlijke tic, waarbij ze zwoel haar lippen likte.Bij het openen van de brief werd ik onwel, ik moest gaan zitten en herlas hem wel vijf keer om te kijken of dit alles wel werkelijk was. Ik ben geen groots verteller dus heb ik de brief hieronder toegevoegd. “Matthias,   Zoals je me zelf ooit wist te vertellen, begint het leven in vaagheid en zal het er ook in eindigen. Na je vertrek heb ik ervaren hoe die vaagheid voelt. Ik heb er 12 dagen in geleefd, als je dat al leven kunt noemen. Ik heb mezelf afgemat met vragen. Waarom? Lag het aan mij? Ik kwam er na verloop van tijd achter dat ik de schuld niet bij mezelf moest leggen. Een onmens zal nooit liefhebben. Een onmens zal nooit voelen wat een eerlijk mens ervaart wanneer hij zijn geliefde in de armen neemt. Wie nog nooit tranen van blijdschap heeft gezien in de ogen van een geliefd wezen, heeft nog niet ervaren welk geluk de mens op aarde kan bereiken. Uiteindelijk heb ik vandaag beslist om uit het leven te stappen, Matthias. Op het moment dat je de envelop opent, zal ik er niet meer zijn. Fleur” Ik zou nog een tijdje kunnen doorgaan, het resultaat blijft echter hetzelfde.De vijf maanden na de brief kan ik in één woord samenvatten, drankzucht.De zesde maand heeft onze cynische vriend niet meer gehaald…

Mats Nieuw
82 0

Oorlogshelden

Hij is er al enkele jaren niet meer. Gestorven aan kanker. Op zijn 65ste. Rookt u of heeft u gerookt? Dat vroeg de dokter toen we bij hem kwamen voor de uitslag van de testen. Ik heb gerookt, ja. Hij haalde zijn schouders op, zuchtte. Wat betekent dat? De dokter keek vreemd. Meneer, het spijt me, u hebt longkanker. In een vergevorderde fase. We willen u meteen behandelen. Hij begreep het niet. Ik zag het aan zijn blik die door de kamer zweefde om uiteindelijk een beetje hulpeloos bij mij te belanden. Wat moest ik zeggen? Je gaat dood? En wel heel snel? Dat was dan ons leven samen? - Het was niet slecht begonnen. Hij was lief toen ik hem leerde kennen. Speels, attentvol. Hij maakte me aan het lachen. Nam me mee op zijn krakkemikkige moto naar Duitsland. Daar brachten we de nacht door op een kamer met twee soldaten die sliepen met hun geweren onder de dekens. Ik was doodsbang, maar hij hield me in zijn armen en stelde me gerust. Steeds opnieuw. Door met hem samen te zijn, kreeg ik een ander leven. We gingen samen dansen. Hij speelde op de accordeon en de mondharmonica en zong grappige liedjes voor me. Ik voelde me vrij, voor het eerst sinds de oorlogsjaren mijn hele familie hadden verzwolgen. Eindelijk uit mijn isolement geplukt. De dagen en nachten zouden alleen maar lichter worden. Dat hij graag een pintje dronk, en meer dan één, kon me toen niet schelen. Piepjong en wereldvreemd was ik. - Het ging allemaal wel goed toen we pas getrouwd waren. Er kwam een dochter. Aanvankelijk verlichtte ze mijn eenzame momenten, maar ze dwong me om opener en spontaner te zijn dan ik wilde. En kon. Hij begon meer te drinken. Kwam nog minder thuis. Het weekloon dat hij ’s vrijdags kreeg, was zondagavond op. Ik leerde de lege melkflessen te verzamelen zodat ik met het statiegeld een brood kon kopen. De oorlog was voorbij, alleen niet voor mij. Lag het aan mij? Was het omdat ik niet begreep hoe je iets van je leven kunt maken? Ik twijfelde, niet in staat de mallemolen van gedachten stop te zetten. Niet in staat mijn gevoelens uit te puren en beslissingen te nemen. - Op een dag stond ik soep te maken met de restjes die ik bij elkaar had kunnen scharrelen en de tranen kwamen weer. Toen hij wankelend, stinkend naar de drank, thuiskwam en me zo zag staan, werd hij heel boos. Snap ’t nu toch eens, zei hij. Mannen hebben sterke vrouwen nodig. Gij, gij doet al jaren niets. Alsof ge niet wilt bestaan. Niet voor uzelf, mij of ons dochter. Ge verspilt de tijd! Ik kon niet stoppen met janken. Ik was geworden wat ik niet wilde. Ik was iemand geworden die hij niet wilde. Niet in staat om te reageren, zweeg ik. Hij gaf het op. Stapte zat op zijn brommer en vertrok. - Twee dagen daarna stond de politie voor de deur. Ze hadden hem gevonden in de gracht, zeiden ze, enkele kilometers verder. Verstopt onder een laagje sneeuw was zijn dronken lijf onzichtbaar gebleven. De alcohol had hem gered, maar niet helemaal. Drie vingers afgevroren. Twee tenen. In coma. Toen ik hem zag liggen in dat witte bed, werd ik voor het eerst in jaren kwaad. Razend. Op hem. Op iedereen. Vooral op mezelf. Ik streelde zijn ongeschonden hand en beloofde hem te vechten. Als er een kans was om deze oorlog te winnen, zou ik die kans de mogelijkheid geven echt te worden. - Het ging niet vanzelf. Integendeel, het was het moeilijkste dat ik in mijn leven al had gedaan. Elke ochtend moest ik mezelf ter orde roepen. Opstaan, aandacht geven, aandacht krijgen. Woordenflarden samenbrengen en communiceren. Vertrouwen. Kijken naar de dag van morgen, niet naar die van gisteren. Na enkele weken werd ik wakker met zijn armen om me heen. Hij snurkte een beetje, zijn hand lag op mijn borst en zijn warmte omhulde me. Heel erg bewust besefte ik dat ik me nog nooit zo gelukkig had gevoeld. Het was geen overweldigend geluk, eerder zachtaardig, stillend. Ik was dankbaar. - De weken werden maanden, de maanden jaren. We werden ouder samen. Onze dochter begon haar eigen leven en we misten haar. Toch, de tijd die daardoor vrijkwam, maakte het ons mogelijk opnieuw een nieuwe start te maken. We trokken erop uit. Met de fiets, niet meer op de moto. Ik voelde me jonger dan ooit. Tot hij kanker kreeg. En me verliet. Ongewild deze keer. - Nu ben ik oud. En alleen. Met de eenzaamheid kan ik wel om. De wetenschap dat we elkaars leven beter hebben gemaakt, dat hij voor mij koos en ik voor hem, sust me als ik ’s nachts wakker word met zijn kussen tegen mijn buik gedrukt. Wij, wij zijn oorlogshelden, zonder twijfel.

Kleine Keizerin
0 0

En ze leefden nog lang en gelukkig

Er zijn mensen die beweren dat ze nooit iets zullen doen dat tegen hun principes ingaat. Ze hebben het mis. Mensen die dat beweren hebben nog nooit voor die keuze gestaan.  Er zijn mensen waarvoor je al je principes opzijzet. Waar je onvoorwaardelijk alles voor doet.  Zij was zo iemand.  Ik leerde haar kennen in een park, het was lente, één van de eerste echte zachte dagen van dat jaar. Ik herinner me haar graag zoals toen. Gewoon een meisje, blij met de eerste lentedag. Ze droeg een bloemetjesrok -achteraf zou ik te weten komen dat het haar favoriete kledingstuk was - en liep op blote voeten tussen de bloemen. Ze was vrolijk, zoals alleen zij dat kon zijn.  We praatten. Ik herinner me niet meer waarover, dat is ook niet belangrijk. Het belangrijkste was zij.  Ik denk niet dat ze het ooit beseft heeft maar vanaf dat moment kon ik niet meer zonder haar.  Ze had me alles mogen vragen, ik had het gedaan zonder over de gevolgen of effecten na te denken, alleen om haar te helpen. Maar ze vroeg niks, dat deed ze nooit. Ze was een van die zeldzame mensen die je spontaan je hulp aanboodt. Nooit heeft ze iets moeten vragen, alles kwam vanzelf op haar af, als ijzer op een magneet.  Jammer genoeg trok ze ook mensen aan. Ik was slechts één van de vele die ze door zichzelf te zijn om zich heen had verzameld. Ze zag alleen de goede dingen in de mensen, het werd haar ondergang. En haar ondergang werd de mijne. Op korte tijd werden we goede vrienden. Niet meer. We deden dingen die vrienden samen doen en daar bleef het bij. Vaak heb ik me afgevraagd hoe alles zou gelopen zijn wanneer we meer waren geweest dan enkel vrienden.  Het is niet dat ik niet wou, of zij. We wisten het gewoon niet van elkaar. Dus gingen we maar verder, als vrienden, en elk onze weg. Zij leerde hém kennen en ze werden meer dan vrienden. Omdat hij het haar durfde zeggen.  Ik bleef alleen en zag haar veel minder. Ik heb geprobeerd hem af te schilderen als een duivel en haar als het onschuldige meisje, maar de waarheid was dat hij haar echt graag zag. Alleen jammer van die vrienden. Ze bleef bij hem, ondanks alles. Sommigen hebben haar verweten naïef te zijn, maar zelfs als ze dat niet was geweest was ze waarschijnlijk gebleven. Ze zag immer alleen de goede dingen. Of wilde alleen de goede dingen zien. Maakt dat haar schuldig? Ik oordeel er niet graag over. Uiteindelijk kwam ze in een situatie terecht waar ze nooit in terecht had mogen komen.  En ik verwijt mezelf nog steeds dat ik het niet eerder zag. Tegen de tijd dat ik haar er weghaalde was ze veranderd. Ze was niet langer naïef en vrolijk. Ze was in de war en alleen en ver voorbij het punt waarop  ik haar nog kon helpen. Dus bracht ik haar naar de dokters en hoopte dat zij konden verwezenlijken wat ik niet kon.  Ze wist wat ik deed en ze heeft me nooit iets verweten maar toch brak het mijn hart. Toen ik haar daar achterliet veranderde alles. Ik bezocht haar elke week en zag geen verbetering. De dokters beweerden het tegendeel maar ik begreep dat ze logen om mij te beschermen. Steeds vaker vertelden ze mij dat ik haar niet kon zien.  Ik trok mijn conclusies en vervolgens ten strijde.  Het had mooi geweest mocht het op een lentenacht gebeurd zijn, maar het was november en het regende.  Ik slaagde toch.  Haar adem stokt, bijna regelmatig en het houdt me uit mijn slaap. Daarom schrijf ik alles maar neer. Ik weet niet wat morgen brengt, een nieuwe dag is genoeg.  Want we hebben niet zo heel erg veel nodig, vooral elkaar en een wolkje hoop misschien.  Zodat ik later zal kunnen schrijven: ‘En ze leefden nog lang en gelukkig...’

Juffrouw Vee
0 0

Avond

Nonchalant gooit ze de zapper op de zetel en loopt terug naar de keuken. Tegen de tijd dat ze de koelkast opentrekt flitst het nieuws van de dag achter haar voorbij. Zoals altijd weigert de wereld trager te draaien, alleen maar omdat zij even niet kan volgen - zoals altijd lijkt het alsof iemand daarboven zijn middelvinger naar haar opsteekt. 'Niet dat die ook maar iets anders doet dan het licht aan- en uit doen', denkt ze cynisch terwijl ze naar haar voedselvoorraad staart.  Terwijl op de achtergrond een dramatisch stukje muziek opklinkt, ongetwijfeld ter ondersteuning van een enkele hartverscheurende beelden, neemt ze een potje witte yoghurt vast en vraagt zich radeloos af of er niks decadenters verscholen ligt in deze ijzige grot.  Met een klap slaat ze de kast weer dicht, scharrelt een lepeltje uit een schuif en staart even uit het keukenraam. Er vliegt iets voorbij, ze ziet niet goed wat, maar hoopt dat het de weg naar huis vindt.  De dag is aangekomen op dat punt dat alles tussenin is: nauwelijks nog dag, nog lang geen nacht. Haar gedachten blijven even hangen bij de bijna afgelopen dag, die net als alle andere onvermijdelijk in een nacht zal overgaan.  Met enige moeite verlegt ze haar aandacht weer naar haar niet zo decadente dessert. De yoghurt lijkt minder zoet te smaken dan anders, maar misschien is dat alleen maar in haar hoofd. In elk geval moet ze morgen naar de winkel, en hopen chocolade inslaan.  Het potje is veel te snel leeg. Teleurgesteld laat ze het in de vuilbak verdwijnen, zoekt haar lievelingsplekje in de zetel dan maar op en trekt een deken over haar benen. Zonder echt na te denken, grijpt ze een boek dat in de buurt ligt en slaat het open op een willekeurige pagina.  Ze zit een beetje te bladeren en leest hier en daar wat gemarkeerde passages. Een halve herinnering komt bovendrijven, maar voor die echt vorm heeft kunnen krijgen schrikt ze op.  Haar blik schiet opnieuw naar het raam, de schaduw die ze net niet zag was niet van iets onschuldigs fladderend. Ze knijpt haar ogen een beetje samen en komt overeind.  Haar hart klopt in haar keel terwijl ze naar het raam trippelt, ook al vertelt ze zichzelf dat het niet kan zijn wat ze denkt dat het is.  Dat het niet kan zij wie ze denkt dat het is.  Een jaar is het ondertussen, exact een jaar.  Exact een jaar geleden dat hij het wél was aan het raam.  Exact een jaar geleden dat ze hier stond, zich afvragend waar dat naartoe ging. De realiteit haalt haar in als ze de deur hoort opengaan.  Bijna onbezorgd struint hij de kamer in, zijn mondhoeken heel lichtjes gebogen, de twinkeling nog niet helemaal uit zijn ooghoeken verdwenen. Onbewust struikelt ze een stap achteruit als hij haar een kus op haar wang geeft, en ze voelt hoe iets in haar begint te koken. ‘Ik was in de buurt’, glimlacht hij. Bewust stapt ze nu terug naar voor, ze haalt uit, stompt haar vuist in zijn buik, geeft hem geen tijd om te reageren en stompt hem nog eens. Het duurt tot de vijfde of zesde slag voor hij reageert, maar in plaats van haar weg te duwen sluit hij zijn armen om haar heen zodat haar vuisten hem niet meer kunnen raken. Ze mompelt wat onverstaanbare woorden in zijn borstkas, en wordt alleen maar kwader van zijn zachte lachje in haar oor.  Tegelijkertijd is hij warm, en zij koud, en wil ze niet dat hij haar loslaat. Uiteindelijk doet hij het toch, tergend traag, tot alleen haar polsen nog losjes in zijn handen liggen. Ze rukt haar rechtse arm los en draait zich van hem weg, maar de greep op haar linkerpols verstrakt weer en haar beweging stopt ergens halverwege. Met een ernstige blik in zijn ogen kijkt hij haar aan. Ze steekt haar kin een beetje naar voren en doet alsof ze het fotolijstje aan de muur véél interessanter vindt dan wat hij haar te vertellen heeft.  ‘Ik heb je gemist’, fluistert hij zo eerlijk dat ze het amper kan geloven. Ze zwijgt, maar dat is voor hem genoeg om te weten dat zij hem ook heeft het gemist, al verbiedt haar trots haar dat zo expliciet te zeggen.  Haar blik fladdert van het kadertje naar zijn wenkbrauw, terug naar de foto, naar zijn ogen. Hij aarzelt even, glimlacht dan flauwtjes en slaat zijn ogen neer.  ‘Waar was je?’ fluistert ze met schorre stem. Zachtjes schudt hij zijn hoofd, haar vraag negerend of iets moeilijkers wegvagend, ze laat het dan maar in het midden. Haar wenkbrauwen trekken samen, ze rukt haar pols uit zijn hand en laat hem in de keuken achter. Een tel blijft hij met zijn rug naar haar toe staan, alsof hij deze reactie niet had verwacht en met zichzelf overlegt wat hij nu moet doen. Ze stampt naar de woonkamer, ploft neer op de zetel en trekt haar deken om zich heen - hij bekijkt het maar. Na enkele seconden volgt hij haar dan toch en gaat wat onbeholpen op een veel te klein hoekje van de sofa zitten. Ze trekt haar deken zo ver mogelijk van hem vandaan maar negeert zijn blik niet langer. ‘Je kan niet....’ Er is een korte aarzeling in haar stem, ze maakt een korte armbeweging die vanalles kan betekenen en kijkt weer naar het televisiescherm.  ‘Ik kan niet wat?’ vraagt hij zacht, strekt zijn arm wat uit en raakt een tipje van haar deken aan. ‘Je kan niet zomaar terugkomen en en-’ Met enige moeite onderdrukt ze de neiging naar zijn uitgestrekte hand te trappen, in plaats daarvan probeert ze in haar blik te leggen wat ze zo moeilijk kan uitspreken.  Ze is er niet helemaal zeker van of het op hem overkomt zoals ze het bedoelt heeft maar deze keer geeft hij wel een duidelijk antwoord. ‘Ik ben weggegaan omdat dat moest, teruggekomen omdat ik van je houd. Je doet ermee wat je wil, maar je mag dat wel weten.’ Een brok rauw verdriet die ze te lang heeft weggemoffeld is plots weer duidelijk aanwezig. ‘Doe niet alsof het zo verschrikkelijk eenvoudig is, dat is het niet, dat is het nooit geweest en dat is het nu zeker niet meer.’  ‘Waarom niet?’ vraagt hij zacht, ‘jij bent hier, ik ben hier, we weten allebei dat degene waarmee we over twintig jaar op enorm saaie familiebezoeken willen zitten, recht tegenover ons zit.’  ‘Zo werkt het niet’, antwoordt ze, haar stem schril en een vuur in haar ogen, ‘hoe kan ik nu met jou oud worden als ik niet eens weet wie je bent - als ik niet zeker weet dat je niet morgen weer vertrekt, omdat dat zo werkt voor jou!’ Hij schuift dichter naar haar toe en laat zijn onderarm op haar knie rusten, buigt dan nog niet iets dichterbij en fluistert net naast haar oor: ‘Omdat ik weet dat jij ook van mij houdt en omdat dat soms gewoon voldoende is.’  Ze legt de tippen van haar vingers nog net op tijd op zijn mond. ‘Nee’, fluistert ze, kijkt hem aan met een trieste waas over haar ogen en leunt met haar voorhoofd tegen het zijne, ‘dat was genoeg, ooit. Ik kan je niet zomaar mijn hart op een gouden schoteltje aanbieden en hopen dat je het deze keer niet zal laten vallen.’ ‘Je hebt gelijk, ik verdien geen tweede kans, maar misschien heb jij nog wel recht op een onvoorwaardelijke liefde.’ Verward knippert ze met haar ogen, en laat zich gedwee afleiden door de televisie. ‘Hoezo onvoorwaardelijk?’ mompelt ze dan, ‘Ik dacht altijd dat onvoorwaardelijk betekende: wat er ook gebeurde. Niet dat je wegloopt zonder ook maar uit te leggen waarom. Ik dacht dat-’ Haar stem stokt, en ze veegt ruw met de rug van haar hand over haar wang. Voorzichtig neemt hij de hand in de zijne en wrijft met zijn duim cirkeltjes in de palm. Haar buik maakt een sprongetje, hij kent haar zwakke plek nog. ‘Jij denkt teveel, dat is het probleem’, glimlacht hij zachtjes. ‘Ík ben hier het probleem niet’, reageert ze scherp en probeert haar hand terug te trekken. Hij is niet van plan haar te laten gaan, niet voor hij alles heeft geprobeerd. ‘Het probleem was dat ik hier niet was… maar nu ben ik hier.’ ‘En morgen?’ vraagt ze. ‘En volgende week? En volgend jaar? Waar ben je dan?’ Hij schudt zijn hoofd -niet echt als reactie op haar vraag- en streelt met zijn duim over haar gezicht.  ‘Als je me niet meer wil, dan begrijp ik dat… maar zeg eens eerlijk, het is een jaar geleden en… je zit hier nog steeds alleen.’  Ze valt stil, staart naar haar knieën en doet een poging nonchalant haar schouders op te halen. Ze zou nu heel kwaad moeten worden, maar hij heeft gelijk: ze heeft al die tijd op hem gewacht. Alle rede lijkt uit haar weg te vloeien als ze opnieuw in zijn ogen kijkt. ‘Kan het leven echt zo eenvoudig zijn?’ Er trilt een glimlach rond zijn mondhoeken.  ‘Waarschijnlijk niet, maar wij kunnen de uitzondering zijn.’ Vermoeid trekt ze hem wat dichterbij en hij legt snel een arm om haar schouder. Na een ogenblik van laatste twijfel gooit ze hem een stuk van haar deken toe. Hij houdt haar stevig vast, duidelijk niet van plan haar snel weer los te laten. Voorzichtig, bang dat hij weer eens het verkeerde zal zeggen, buigt hij zich nog dichter naar haar toe en beantwoordt dan toch nog haar vragen: ‘Morgen ben ik hier’, mompelt hij stil, ‘net zoals daarna.’ Zijn woorden zijn eigenlijk overbodig, ze was overtuigd toen ze besefte dat ze niet zonder hem wou leven. Misschien was dat waar ze al die tijd op had zitten wachten, iemand die haar kon overtuigen en al haar rationaliteit eenvoudig wegvagen. In elk geval is dat’ op dit moment voldoende: hij, morgen en daarna.

Juffrouw Vee
0 0

Ochtendspits

Ochtendspits   De ochtendspits is het moeilijkst. Je bent nooit verder van huis. Tegelijk bezit je dan nog het meeste veerkracht. Schoorvoetend. Jos stapt binnen. Mompelt iets onverstaanbaars. Mevrouw Vangeneugden is er al. Hij hangt zijn jas en hoed zorgvuldig aan de haak. Opent het bovenste knoopje van zijn hemd en neemt plaats. De ochtenduren zijn het moeilijkst, denkt hij. Mevrouw Vangeneugden is druk in gesprek. Tegelijk pingpongt haar blik over de twee opengeklikte vensters op haar scherm. Ze schrollt wat op en neer. Kribbelt aantekeningen op haar onderlegger. Zucht. Rolt met haar ogen. Tikt met haar nagels. Bijt op haar tong. Haakt in. Wat volgt is wellicht het verslag van de zojuist beëindigde conversatie. Op den duur slaag je erin om te doen alsof je luistert. Alsof je geïnteresseerd luistert. Je houdt je hoofd een beetje scheef. Knikt zo nu en dan. Mompelt iets onverstaanbaars. Je wacht tot iemand binnen komt. Om een blauwe bic te bestellen bijvoorbeeld. Dat gaat dan via de Provinciale Adviesraad voor Materiaalaankopen van de Binnendiensten. En neen, je kan er geen twee tegelijk bestellen. Dat is nu eenmaal zo beslist. Of wil je daarover discussiëren met de Gouverneur die dat persoonlijk zo ondertekend heeft? Nu kan je rustig afdwalen. Verdwijnen achter de twee hoopjes ‘te kopiëren’ documenten. De ochtendspits heeft zo zijn voordelen. Je kan dan rustig achter je muurtje de krant lezen. Mevrouw Vangeneugden schraapt haar keel als het diensthoofd in aantocht is. Ze heeft ogen gelijk een pad. Of was het gelijk een vlieg? Die dingen zijn zo inwisselbaar. Je bewaart het muurtje zo lang je kan. Je koestert het. Op strategische momenten neem je een blad van de stapel. Je legt het terug. Je verplaatst de muur wat naar achteren. Bekijkt het resultaat. Zo is het goed. Je neemt opnieuw een blad van de stapel. Telefoon. Je legt het blad terug op de stapel. Wacht tot het drie keer gerinkeld heeft. Immers: minder dan drie keer laten rinkelen = Je hebt niets te doen. Meer dan drie keer laten rinkelen = klantonvriendelijk. Voor je het weet zit je weer op een muffe cursus. Ze moesten maar eens mee luisteren. Meer dan vier keer laten rinkelen = Mevrouw Vangeneugden schakelt de oproep over naar haar toestel, werpt je een verwijtende blik toe en handelt het zaakje op professionele wijze af. Dat laatste vertellen ze je niet op de cursus. Dat ondervind je. De blikken verzamel je in de metalen kast. Voor als je gepensioneerd bent en confituur gaat maken. Goed. Terug naar de muur. Je wentelt je behaaglijk in het gras, aait de wolken met het grassprietje tussen je tanden, gomt de schaduw van de muur uit. De zon kust je gelaat. Je sluit je ogen. Mevrouw Vangeneugden haakt in. Je springt recht. Neemt opnieuw een blad van de stapel. De ochtenduren zijn het moeilijkst. Je zou kunnen uitrekenen hoeveel bladen je per uur van de stapel neemt. Dat zouden er bijvoorbeeld, laat ons zeggen, twintig kunnen zijn. Om de drie minuten een blad. Drie minuten per blad. Dat zijn 180 seconden. Hoe geloofwaardig is het om 180 seconden naar een blad te kijken dat enkel gekopieerd moet worden? Wat zou je je kunnen afvragen in die eeuwigheid? Je hebt immers een reputatie hoog te houden. Voor je het weet stelt men zich de vraag of je hetzelfde werk niet in een deeltijdse betrekking zou kunnen uitvoeren. Dat wil je vermijden. Jos leunt naar achter. De voorste twee poten van zijn stoel verlaten de grond. Tonen hun zolen. Mevrouw Vangeneugden kijkt streng over haar bril uit. Schudt haar hoofd. Dat doen moeders. En een moeder, dat is ze. Ze heeft haar eigen kroost. Ze heeft haar problematische pleegkinderen. Ze heeft de groentjes van de dienst, die ze stiekem van twee blauwe bics voorziet. Dat heeft ze dan op haar duimpje. Maar dat besef je pas later. Ze heeft de oude zakken. Die voorziet ze van empathie. En een pil als het echt te veel wordt. Jos laat zich verder naar achter zakken. Leunt tegen de kreunende metalen kast. Denkt aan confituurpotten. Aardbeiengelei is lekker. En bovendien een…hoe zeg je dat? Goed voor de seks. Mevrouw Vangeneugden piept nog eens over haar bril uit. Het bloed stijgt Jos naar de kaken. Als je zo lang in dezelfde ruimte vertoeft. Dag in dag uit. Lees je elkaars gedachten, toch? Niet aan seks denken. Niet aan seks. Seks. Seks. Seks. Er komt een groentje binnen. Een groen blaadje. Niet aan seks denken, Jos. Jonge borstjes kijken je aan. Je zuigt op een klontje. Suiker in je bloed. Achter de muur trek je haar T-shirtje uit. Jonge borstjes kijken je aan. Je smeert confituur over de tepeltjes. Likt. Suiker in je bloed. De kast kraakt. Men bouwt een stuk muur bij. Prikkeldraad. Zon op je gelaat. Jonge borstjes kijken je aan. Confituur in de kast. Jos? Je mompelt iets onverstaanbaars. Houdt je hoofd een beetje scheef. Knikt. Tikt. Tijd voor een blad. Je hebt vanaf nu 180 seconden om af te koelen. De ochtenduren zijn het moeilijkst. Zie je nu wel? Waar was je? Rekenmachientje, juist ja. Immers: die 180 seconden, dat is brutotijd. Er gaat gelukkig nog wat af. Onoverkomelijke dingetjes. Zoals daar zijn: Je neus snuiten. Over je kin strijken. Naar buiten turen. Twee suikerklontjes in je koffie dopen,  twijfelen of je ze zou loslaten of integendeel, ze er terug zou uithalen en er stiekem achter je muur op zou zuigen. Met je ogen dicht, heel even maar. In je koffie roeren. Uitrekenen hoeveel slokken je minimaal nodig hebt om de bodem te zien. Doen alsof je koffie drinkt uit een lege kop. Email checken. Je hebt geen nieuwe berichten. Inschatten hoeveel minuten je níet naar de klok zou kunnen kijken. Je afvragen of je een beloning verdient als je dat twee minuten uithoudt. Lachen met jezelf. Mevrouw Vangeneugden kucht een kikker uit haar keel. Eentje zonder kroon. Kussen zit er niet in. Komaan, Jos. Aan het werk. Er liggen nog stapels op je te wachten. Belangrijke stapels. Te kopiëren stapels. Dan zijn ze tweemaal zo belangrijk. Dat is dan jóuw verdienste. Vergeet dat niet. Jíj bent een belangrijke radar in deze fabriek. Meer nog, een onmisbare radar. We slopen de muur, Jos. De ochtendspits is door. 

Evy
0 0

Iets zoets

Mijn hoofdhuid begon nu wel heel irritant te kriebelen onder die malle hoed. Hoewel mijn tenen als ijsklompjes in mijn laarzen lagen voelde ik gestage stroompjes zweet achter mijn oren naar beneden kringelen. Ieder keer opnieuw bedwong ik de neiging om mijn hals, met de mouw van de dikgeweven trui die ik hier geleend had, droog te deppen. Telkens realiseerde ik me net op tijd dat ik niet alleen mijn huid beurs zou schuren aan de harde stof, maar ook dat ik in diezelfde beweging de dikke laag make-up, waarvoor ik zo geduldig stilgezeten had, door elkaar zou vegen. ‘ Moet jij niet dringend nog een appeltje eten? ‘ hoorde ik mezelf met krassende stem vragen. ‘ Een stukje kruidkoek? ‘. Een vaststaand scenario was niet voorhanden, maar een heks die kindertjes tracht te lokken met als doel ze vet te mesten voor de kookpot, zou zich daadwerkelijk van zulke zinnen kunnen bedienen. Vanuit een gebogen houding, met spichtige bewegingen en priemende ogen, ging ik soms plotsklaps over het hek van het mij toegewezen tuinhuisje hangen en kneep eens goed in kaken of bovenarmen van de passerende jongeren. Ik waakte er wel om niet die kinderen te nemen die duidelijk al door collegae amateurs de stuipen op het lijf waren gejaagd. Na de derde keer als vrijwilliger in dit Halloweenevenement was ik trefzeker genoeg om ‘Hansjes’ en ‘Grietjes’ bewust uit te kiezen. ‘ Even voelen of je al genoeg van tantes koeken hebt gegeten…’. Terwijl ik het uitsprak zag ik mijn adem door dampwolkjes begeleid. Zo meteen maar eens even pauze houden. Tenen en vingers proberen ontdooien bij het grote kampvuur dat ter hoogte van de geïmproviseerde bar was geïnstalleerd. De jenever die door de begeleiding gul werd uitgedeeld had mijn borststreek verwarmd, maar het weldadige gevoel had zich niet kunnen uitstrekken naar de perifere kantjes van mijn lichaam. ‘ Inga, ik loop even naar voren. Zal ik iets voor je meebrengen wanneer ik terugkom? ‘Mijn nauwelijks herkenbare vriendin schudde haar hoofd van links naar rechts. ‘ Neem je tijd, ik heb net nog een beker pompoensoep achterover weten te drukken, ik kan er wel even tegen.’ Met haar knipoog als vrijgeleide vertrok ik op weg, langs de andere in scène gezette activiteiten. Wel even in m’n rol zien te blijven: het strompelende gangetje wat ik een boze oude toverkol zou toedichten, viel me niet moeilijk. De bittere kou had zich in dat opzicht handig van mijn voeten en heupen meester gemaakt. Handenwringend sloeg ik een zoveelste jenever af, maar toen Marleen me een flinke mok gemberthee in handen had geduwd ging ik op zoek naar een uitnodigend plekje bij het kampvuur. Ter hoogte van de schapenstal zat een bende locals die er duidelijk erezaak van gemaakt had de uitgebreide keuze aan geestrijke dranken te testen. Misschien niet vreemd, zij konden uiteindelijk te voet naar huis. Verschillende glazen lagen op de grond en het viel me op dat, buiten de andere bezoekers, ook de schapen hun achtersteven naar dit groepje hadden gewend. Een beetje verder, bij het speeltuintje, bevond zich duidelijk de make-out-zone. Tienerjongens verdrongen zich rond de mooist geachte meisjes uit het dorp, koppeltjes hadden zich krampachtig wriemelend bij het kampvuur neergezet. Ik weet niet of ik het me verbeeldde, maar hier en daar meende ik beugels en scheefgezakte brilglazen te zien oplichten in het schijnsel van de maan. Het vorstgevoel had me ondertussen helemaal ingepalmd, en ik was echt wel dringend op zoek naar een plekje waar ik even zou kunnen bekomen. Uiterst rechts van me, had ik daarstraks al gezien, wilde ik niet zitten. De gigantische lantaarn die daar was neergezet diende als trekpleister voor motten, zo groot dat je ze voor vleermuizen kon aanzien. Geheel aansluitend bij het thema van deze avond, maar niet aan mij besteed… Een beetje meer centraal, tussen de lantaarnpaal en het speeltuintje in, meende ik nog een vrij zitplekje te ontdekken. Het zag er donker uit daar maar, voor zover ik het kon beoordelen van waar ik stond, wel vrij van motten of dronken feestvierders. Eigenlijk wel gek: sinds Halloween vanuit de Verenigde Staten was komen overwaaien werd het per jaar klaarblijkelijk uitbundiger gevierd. Grote en kleine handelaars voorzagen rond deze periode van de herfst meer en meer in een heuse massa aan heksenhoeden, bezemstelen en spinrag, en zelfs bloemenwinkels verkochten tijdelijk meer pompoenen dan chrysanten. De werkelijke intentie van het Allerzielenfeest: onze doden eren en een innerlijke beweging terug naar de Oorsprong maken, werd meer en meer in de vergeethoek gedrumd. Bij mij riep het gemengde gevoelens op. Sinds het overlijden van Ronny acht jaar geleden voelde ik rond deze tijd van het jaar een grotere behoefte om me op mezelf terug te plooien. Oh ja, ook hij en ik hadden Halloween gevierd. De meisjes waren nog klein geweest toen. In het Rivierenhof nipten wij tevreden van onze Oxo terwijl de kinderen genoten van op hun leeftijd toegespitste gruwelverhalen in het Sprookjeshuis. Zulke namiddagen verliepen traag. Of misschien is dat alleen in mijn herinnering zo. Wanneer de verhaaltjes verteld waren raapten we nog kastanjes en duwden we de twee kleinsten op de schommel tot ze weldadige buikpijn kregen. Thuis wachtte ons de Petit-Beurrekestaart die Ronny voor zulke gelegenheden maakte. De hete thee die over de rand van het kopje was gegaan bracht me terug naar het hier en nu, verplichtte me om toch maar even oplettend te zijn qua voeten neerzetten. Dit stuk van het terrein was echt wel nauwelijks verlicht. De gloed van het kampvuur strekte zich ver genoeg uit, maar de overhangende bomen kreunden zwaar en donker onder hun laatste bladeren. De vochtige geur van bos vermengde zich met iets wat ik niet meteen kon thuisbrengen, maar wat heel vertrouwd was. Meer op de tast dan op het zicht ploeterde ik richting omgevallen boomstam die ik van aan de overkant van het vuur had zien liggen. Daar moest ik echt vlakbij zijn. Ik schrok echt maar lichtelijk toen ik plots een zittend figuur onder een grote monnikskap ontwaarde. Zeker één van de acteurs uit het middeleeuwse kloosterspel dat hier vanavond ook was opgevoerd. Toen ik hem wilde vragen of hij een beetje plaats wilde maken schoof hij al naar links. Zijn stem leek van ver te komen toen hij zei: ‘ Ik vroeg me al af waar je bleef’. Het moet zijn dat hij mijn sprakeloze verbazing voelde want hij vervolgde: ‘ Ik had je zien aankomen ‘. Ik pakte mijn heksenrokken bijeen om over de stam te kunnen stappen en ging zitten. Voor de tas thee die ik nog steeds vasthield zocht ik een vlak plekje tussen het gebladerte op de grond. ‘Bedankt, ‘ stamelde ik, ‘ het was niet zo makkelijk om hier te raken ‘. Hij gniffelde. Iets weerhield me om mijn blik in zijn richting te draaien. Ik fixeerde me dan maar op het vuur, wat ook op hem een hypnotische werking moet hebben gehad, want toen een tijdje later mijn wangen begonnen gloeien viel het me op dat er verder tussen ons nog geen woord gewisseld was. Zijn bovenbeen leunde warm tegen het mijne, wat ik geen fout gevoel vond. ‘ Ben jij familie van Marleen? ‘ probeerde ik de stilte te verbreken, niet dat ik die als onaangenaam had ervaren. Hij strekte zijn lange benen voor zich uit. Grappig zicht van felblauwe sneakers onder een vaal kloosterkleed. ‘ Nee, ‘ weer die gniffel, ‘ ik heb hier wel banden, maar niet met Marleen ‘. Hij tastte met één hand naar iets wat zich ter hoogte van zijn voeten bevond en rechtte zich terug. ‘ Vind je het fout om een heiltoost uit te brengen met die tas thee van je? ‘ Mijn beurt om te giechelen. ‘ Nee ‘ zei ik, ‘ met het gehalte aan jenever dat al door mijn aderen stroomt denk ik dat dat wel gepermitteerd is… ‘. Ik voelde zijn ogen in mijn rug prikken toen ik vooroverboog richting drankje, maar toen ik mij zijn kant op wendde met een krachtig ‘Salud! ‘ versluierde zijn kap zijn gezicht alweer grotendeels, ik meende nog net een bepaald soort vochtigheid onder lang geloken wimpers op te merken. De wind speelde met een lok grijsbruin haar. We nuttigden onze drankjes in stilte. Een sfeer van sprookjes wervelde zachtjes rond ons heen. Was het de warmte, of was het die vertrouwde geur die zich meer en meer opdrong… was het echt, of heb ik me laten meevoeren op de sluiers van vuur en avondmist…? Ik weet niet hoe het die avond is verdergegaan. De volgende morgen werd ik wakker bij mijn vriendin thuis. Van de verwachtte stramheid, of het bonzende hoofd, viel niets te merken. In plaats daarvan voelde ik me merkwaardig licht, en dankbaar… De geur van verse koffie vulde het huis. Op de keukentafel beneden stonden twee dampende mokken klaar. Wat verder stonden de restanten van… een Petit-Beurrekestaart. ‘ Sandrine! ‘ riep ik uit, ‘ wat...? ‘. ‘ Alé ‘ antwoordde zij, ‘ daar kwam jij gisteren bij het sluiten van de boel nog mee af. Ik dacht dat je die thuis gemaakt had…’. Met gedachten versluierd als nevels verliet ik het dorp om naar de grote stad weer te keren. Twee weken later belde ik Marleen. Of zij enig idee had met welke monnik ik aan het vuur had gezeten. ‘ Lieve schat ‘ zei ze, ‘ ik weet niet waar je het over hebt. Ik krijg eerlijk gezegd een beetje de kriebels van je vraag… Sinds één van de meest bezielde spelers daarin gestopt is hebben wij het kloosterspel nooit meer opgevoerd. De laatste keer dat we het speelden moet zo een jaar of tien geleden zijn. Later hoorden we nog dat die man overleden is, en dat terwijl hij net met zijn nieuwe vriendin een huis gekocht had…‘. Mijn mobiele telefoontje heb ik laten vallen, ik had beide handen nodig om de consternatie die zich ter hoogte van mijn onderkaken verzamelde te omvatten. Vanuit de verte hoorde ik Marleen nog ‘ Hallo? ‘-en. Het deerde me niet, een geur van vochtige aarde passeerde en ik had plotseling een onbedwingbare trek in iets zoets.

alabonnefois
0 0
Tip

economy of love

Aan de manier waarop Kurt de voordeur behandelde bij het binnenkomen, kon Liesbeth al horen dat er iets mis was. Niet omdat hij hem extra hard dichtsloeg ofzo –dat zou hij nooit doen. Kurt was een man van nuances en Liesbeth had geleerd dat rimpelingen op het water zijn equivalent waren van een storm. Telkens hij thuiskwam, spitste ze haar oren en nam de opeenvolging, het ritme en de amplitude van de geluiden op die aangaven dat haar man de deur opende en sloot, zijn jas aan de kapstok hing en zijn schoenen verwisselde voor zijn pantoffels. Wanneer hij even later de keuken binnenkwam, wist ze al in welke stemming hij was en aan de toon waarop hij “hallo lieverd” zei, hoorde ze de bevestiging van haar vermoeden. “Hallo lieverd.” Er was inderdaad iets heel erg mis. “Dag schat, hoe was je dag?” Hij keek haar aan met een strakke blik en legde een opgevouwen krant op de keukentafel. “De cartoon op pagina twaalf,” zei hij, “daar moet je eens naar kijken.” Liesbeth veegde haar handen schoon aan een vaatdoek, nam de krant en vouwde hem open. Oh-oh... De spotprent was onmiskenbaar een afbeelding van haar man: zijn scherpe kin, hoge haardos, de aanzet van bakkebaarden. Die zware maar welgevormde wenkbrauwen. Een mooie karikatuur eigenlijk, alles welbeschouwd. Ware het niet dat hij er poedelnaakt op stond. Op een kroontje en een scepter na dan. Liesbeth keek op en zag dat haar man moeite had zijn kalmte te bewaren nu hij de tekening weer onder ogen kreeg. “Het is maar een parodie, lieverd,” zei ze sussend, “de nieuwe kleren van de keizer, iedereen kent dat verhaal. De mensen zullen wel begrijpen dat...” “O, met parodiëren heb ik geen problemen,” onderbrak Kurt zijn vrouw terwijl hij de krant uit haar handen nam. “Maar wie mij zomaar naakt te kijk zet, die kan een telefoontje verwachten.” Hij bladerde tot hij het colofon van de krant gevonden had en toetste een nummer in op zijn mobieltje. “Je ziet bijna niets, schat,” probeerde Liesbeth nog. “Je... je onderdelen zijn maar heel subtiel weergegeven.” Maar hij was de keuken al uitgelopen. “Goeiedag, ik zou uw hoofdredacteur willen spreken,” hoorde ze hem vanuit de woonkamer zeggen. Beleefd, bedaard en even zeker van zichzelf als een leeuw die op het punt staat een gewonde antilope te bespringen.   Jacqueline keek verwonderd op toen de bel ging. Ze verwachtte niemand; iedereen wist dat ze op dit uur van de avond meestal zat te werken en niet gestoord wilde worden. Met een zucht legde ze haar penseel neer en nam de trap naar beneden. De kat kwam haar op hoge pootjes tegemoet gelopen en streek langs haar benen. “Wie zou dat kunnen zijn, Poekie?” zei ze tegen de rosse kater. “Heb jij soms pizza besteld?” Bij de voordeur gekomen ging ze op haar tenen staan om door het spionnetje te kunnen kijken, en schrok zich een ongeluk toen ze zag wie er aan de andere kant stond. “Fuck!” fluisterde ze met ingehouden ontzetting. “Fuck, fuck, fuck, wat komt die hier doen!” Er werd weer aangebeld –kort, maar met aandrang- en Jacqueline besefte dat er niets anders opzat dan haar bezoeker onder ogen te komen. Ze trok snel haar schort uit, streek haar jurk glad en duwde haar bruine krullen naar achteren. Daarna opende ze voorzichtig de voordeur. “Goedenavond, juffrouw,” zei Kurt, “ik ben op zoek naar de tekenaar die voor De Standaard tekent onder de naam Jacky.” Jacqueline kuchte even. “Goedenavond, eh, mijnheer de minister. Die tekenaar, dat ben ik.” Ze stak haar hand uit. “Jacqueline Deprez. Aangenaam.” De minister leek heel even verwonderd, misschien zelfs een fractie van een seconde uit zijn lood geslagen. Maar aan zijn stevige handdruk kon Jacqueline voelen dat hij zich ogenblikkelijk herpakte. “Kurt De Volder. Maar dat wist u natuurlijk al. Mag ik even binnenkomen?” Hij stapte over de drempel, waarbij hij zich moest bukken om onder de deurstijl door te kunnen. De tekenares keek beschaamd naar hem op. Het was voor het eerst dat ze hem in werkelijkheid zag. Wat een aantrekkelijke man. Bedwelmd door de charme die hij uitstraalde, zag ze in een flits een nieuwe tekening voor zich: een elegante, grijze wolf in een zwart pak, die diep voorovergebogen een Efteling-huisje binnenstapt. “Ik ben hier omwille van de cartoon die vanmorgen in de krant stond. Maar ook dat is vermoedelijk geen nieuws voor u.” De jonge vrouw schudde verslagen het hoofd. “Het spijt me als ik u beledigd heb,” begon ze bedeesd. “Ziet u, ik...” De minister hief zijn hand op om haar het zwijgen op te leggen. “Waar is uw atelier?” Jacqueline wees in de richting van de trap. Samen klommen ze de smalle trap op, zich een weg banend tussen de stapels papier en kartonnen dozen die langs weerszijden de al zo beperkte oppervlakte van de treden innamen. Bovengekomen ging Jacqueline haar gast voor naar de kamer die ze als atelier gebruikte. In het midden stond de schildersezel met daarop de aquarel waar ze aan bezig geweest was toen de bel had gerinkeld. Ze duwde de ezel opzij om wat meer plaats te maken, maar de minister legde een hand op haar schouder om haar tegen te houden. “Nee, laat die maar staan. En neemt u maar een nieuw blad papier.” Met een brandende linkerschouder en een wild kloppend hart keek ze toe hoe de minister zich daarna tegenover haar posteerde en zijn broeksriem begon los te gespen. En haar in alle rust en kalmte van de wereld zei: “U hebt namelijk iets recht te zetten.”   Toen Liesbeth die avond haar man hoorde thuiskomen, liet ze het magazine dat ze aan het lezen was op haar schoot rusten en spitste ze haar oren, aandachtig speurend naar de signalen van het conflict dat ongetwijfeld had plaatsgevonden tussen hem en die vrijpostige tekenaar. Maar tot haar grote verwondering wees alles wat ze hoorde erop dat haar man weer zijn gelijkmoedige zelf was. Meer dan dat, hij leek zelfs vrolijk. Hij liep de woonkamer in en gaf haar een kus op haar voorhoofd. “Hallo lieverd.” Onder zijn arm droeg hij een kartonnen buis. “Dag schat, hoe was het?” “Alles in orde. Ik heb het geregeld.” Hij wandelde zijn werkkamer in en toen hij er weer uit liep, was de buis verdwenen. “Ik ga even een douche nemen,” zei hij. Een halve minuut later hoorde Liesbeth hem vanuit de badkamer fluiten. Kurt, fluiten? Ze zette grote ogen op. Kordaat liep ze naar zijn werkkamer, waar de kartonnen koker uitdagend diagonaal over de voor het overige zo ordelijke werktafel lag te wachten. Er zat een papier in, opgerold zoals je met een poster zou doen. Ze schudde de buis krachtig op en neer tot de inhoud eruit gleed. Voorzichtig rolde ze het zware papier open. Het was een tekening. Dezelfde cartoon waar haar man vanmiddag zo overstuur van was geweest, Kurt De Volder in zijn blootje, als de keizer uit het sprookje, met zijn zogezegde nieuwe kleren, compleet met scepter en kroontje, zij het ditmaal in groot formaat. Maar er was nog een verschil. Een groot verschil. Liesbeth´s mond zakte open. Waar op de cartoon in de krant haar man met een micro-penis bedeeld was geweest, bleek hij op deze tekening voorzien van een groot, zwaar lid. Zoals dat trouwens ook in werkelijkheid was. Vol consternatie keek Liesbeth naar het afgebeelde geslacht van haar echtgenoot. De proporties klopten. De vorm van de eikel klopte. Zelfs de moedervlek was naar waarheid weergegeven. Ze rolde de tekening langzaam weer op en schoof hem voorzichtig in de koker. Boven haar hoofd hoorde ze het water van de douche stromen. Godzijdank was het fluiten opgehouden.

Kathleen Verbiest
107 3

Mijn ogen bliksemden haat, en hij loodste me veilig verder.

Ooit in een ver verleden naar aanloop van die eerste november, Allerheiligen. De boosheid bliksemde uit mijn grote zwarte ogen. Niemand kon eromheen. De aarde wist dat ze wijken moest en liet gewillig mij “een voetspoor van vernieling” maken. Mijn voetstappen vol afgunst en koleire maakten een diepe indruk op de grond. elke stap dichter bij huis werd mijn woede afdruk dieper in het zompige herfstlandschap. Ik kwam stampvoetend thuis, ik zou het hem laten voelen, nooit meer met hem praten. Hij had me vernedert, hij was het niet waard mijn vader te zijn. Mijn haat zou hem vernietigen. Ze hadden gelijk mijn klasgenoten. Ik wou hem niet aankijken. Mijn negerende blik, mijn wegdraaiende houding, hij zou lijden. Ik zou geen medelijden hebben voor die papa van mij. Aan tafel verstoorde mijn woordenvloed van haat de rust, hem vertellend waarom ik hem nooit meer zou aanspreken en aankijken. (Na dit gezegd te hebben althans.)   Welke vader was hij wel, mijn ganse dag verknoeit. Ik had er nochtans zo’n zin in, en was goed voorbereid, mijn huistaak netjes gemaakt, alles gevraagd wat ik weten moest. Onze uitstap naar het gemeentelijk kerkhof, een voettocht naar de geliefden die we daar hadden moeten achterlaten. We kregen de kans om ze te doen heropleven, erover te verhalen wat we wisten, misten… Alle klasgenootjes zouden zien dat ik, ik die steeds zo sterk schreeuwde: Dat ik het niet erg vond.  Dat een moeder toch maar diegene is die je op de schoot neemt en ik had tantes die dit deden. Dat een moeder de persoon is die voor je kookt en mijn grootmoeder deed dit. Geen moeder hebben is een gemis, dat wou ik niet toegeven. Temeer omdat mijn moeder haar leven gaf om mij de dood te ontnemen. De weeën van mijn geboorte waren de voorweeën van haar sterven. Toegeven aan dit gemis was toegeven aan de moord die mijn geweten verzwaarde. Bij dit bezoek aan het kerkhof, zou ik in stilte een “sorry voor alles” en “vergeef het me aub” uitschreeuwen. Verbroken contacten herstellen, de navelstreng tussen ons van bloed voorzien. En zo mijn vonnis herschrijven, van schuldig over gans de lijn naar (onopzettelijke) doodslag zonder voorbedachte rade.   Daarom dat ik voor eenmaal mijn huistaak zo serieus nam. De avond voordien had ik mij geïnformeerd. Elk antwoord kende ik vanbuiten. Er kon niets misgaan. Mama ligt rechts van de ingang 4de a 5de zerk in de rij in een grijze gewone grafsteen uit arduin begraven. En die namiddag we kwamen aan het kerkhof, 3 grote ingangspoorten op een rij ze hadden me bijna uit mijn lood geslagen. Maar pienter als ik was wist ik rechts van de meest linkse poort dan sla ik niets over. Elk klasgenootje ging met doordachte pas naar één bepaalde plaats. Ik zocht twijfelend elke lange gang af. Tegen de tijd dat we aan elkaar het graf van onze persoon mochten tonen had ik nog steeds nergens “echtgenote van Cael Roger” gelezen. Ik die het graf van de baarmoeder, waarin ik spelend spartelend drijvend gevoed en geliefd ontpopte tot de wereldveroveraar die mijn moeder baren wou, in al zijn schoonheid zou laten zien aan mijn medeleerlingen. Als mislukkeling moest ik afdruipen. Harder roepend dat het me niets deed om mijn snikkend geneurie te overstemmen. Bovendien sneden de opmerkingen vlijmscherp in mijn vlees. Opmerkingen als: Welke vader, hij heeft je moeder niet graag gezien! Hij die niet meer naar het kerkhof gaat. Geen chrysanten plaatst, nooit gaat bidden voor haar! Zoveel liefdeloosheid voelen het was nooit bij mij opgekomen. Mijn vader was een monster, maar bovenal hij had het me niet mogelijk gemaakt om de rust (in) en vrede te vinden.   De stilte na mijn woordenstorm die aan tafel viel was ijzig koud, de blik van mijn vader ongezien vreemd voor mij. Met verlammende angst liet ik me optillen door die krachtige grote ruwe handen. Om zacht op het dubbelbed van zijn kamer te landen. Zijn ogen hadden een vreemde mengeling van gevoelens die ik nog oplijsten moest gedurende mijn leven. Hij opende de krakende deur van het tabernakel en haalde het heilige prinsessenkleed uit waarmee mijn moeder naast hem gefotografeerd aan onze muur prijkt. Ik mocht de stof eens aaien en met ongekende diepte in zijn stem vertelde hij: dat mijn moeder een communiekleedje ervan wou maken moest ik een meisje zijn. Hij vertelde dat hij hun kamer na haar dood had behangen met het papier dat ze omschreven had in het ziekenhuis en mooi vond. Plots veranderde het behang dat ik vroeger zo lelijk vond naar een mooie aaneenschakeling der patronen vol leven. En hij zei “iets” wat mijn hele leven zou bepalen. Iets wat een totaal ander daglicht wierp op het monster en het schoon liet worden. Hij zei: “ik moet niet aan haar graf staan, of het opblinken, ik heb goed voor haar gezorgd toen ze leefde.” Mijn boosheid werd verpulverd door deze zin. En ik zag de mist in de ogen van MIJN vuurtorenpapa toen hij zijn trouwfoto bekeek. Mijn vuurtoren papa die ondanks zijn mist altijd een lichtschijnsel afvuurde om veilig te kunnen aanmeren. Vol trots heb ik mijn klas nadien met deze wijsheid geconfronteerd. En de vertelronde eindigde met enorm respect voor de man die zijn vrouw liefhad ook al bezocht hij nooit haar graf. En ik, ik heb nog nooit genoeg mijn spijt kunnen uitdrukken over de vernielzucht waarmee ik hem die avond benaderde. Maar weet sindsdien dat ik niet zo vlug oordelen mag. Respect vuurtorenpapa van mij. Nu de mist soms je ogen komt bewolken als je over ma vertelt groeit het respect. En komt die avond, die blik, die angst van je handen weer tot leven om me te helpen te vergeten wat vergeten mag en nooit te vergeten “de gevoelsmengeling die ik nog niet ontraffelt heb”. Papa bedankt voor die inkijk in jouw kluis van momenten en gedachten. Het Mama-woord die zo taboe ons leven overheerste wordt steeds bespreekbaarder tussen ons. Ooit mag jij haar kussen in mijn naam.  

don Caëlia
25 0

Gelukkig Nieuwjaar Madelon!

Buiten wiegen berijmde spinnendraden in de wind. Zoals ze daar hangen, lijken ze op witte serpentines in een gebleekt decor. Alleen de hemel draagt alle lichtste tinten uit de kleurkaarten bij de schilders. De zachtste versies geel, oranje, blauw, groen hangen, door de avondzon aangemoedigd, als een pastelregenboog aan de horizon. De eerste zaterdag van het jaar maken de buren er een traditie van om tegen de middag in de scoutslokalen te klinken op het nieuwe jaar. Bij een voorraad broodjes blijft een hele groep plakken tot de avond. Vanuit het keukenraam ontdekt Madelon enkele feestvierende buren die schuifelend hun weg naar huis zoeken. Ze vindt er niks aan dat buren mekaar willen Nieuwjaarszoenen onder invloed van een overdosis alcohol en hapjes uit zakjes. Madelon kiest veel liever voor een frisse neus bij een wandeling . Ze propt haar handen in een dubbel stel wanten, schuift haar voeten in wollen laarzen, trekt een jas boven haar trui en werkt haar tenue af met een haarband, een muts en een meterslange sjaal. Ze is helemaal klaar voor een ontmoeting met de winterkou, zonder risico. Met haar voeten proeft ze de gladheid van het sneeuwijs. Alles om haar heen ziet er statig uit alsof een tovenaar de wereld even een pauze toeroept en minutieus de kleuren van de natuur heeft verstopt. Het is veel te koud om lang buiten te staan. Madelons wangen voelen pijnlijk ijzig en de druppel aan haar neus bevriest, maar toch kan ze haar blik niet van het sneeuwdecor losrukken. Met betraande ogen stapt ze de sneeuw in die onder haar voeten knispert. Ze ademt de vrieskou. Aan lange lissen langs de gracht groeien ijskristallen, unieker en natuurlijker dan het duurste juweel. Welk woord zouden de Eskimo’s hiervoor hebben? Het sneeuwtapijt verraadt hoeveel hazen en konijnen in de buurt wonen en op een of andere manier aan eten moeten zien te komen. Iets fels in de sneeuw trekt Madelons aandacht. Vlekken rood steken hard af tegen hun witte  achtergrond. Ze lopen als een lijn naar het einde van de straat. Rode kleine stippen, intens van kleur in het midden en vager aan de rand. De vlekken volgen mekaar regelmatig op als een spoor. Ernaast zitten afdrukken van grote, brede voeten. Een man liep hier. Wie weet heeft hij zich verwond? Dan moet ze minstens gaan kijken en helpen. Misschien loopt iemand met een bloedneus rond. Dat gebeurt wel vaker bij deze kou. Of misschien is er iets veel ernstiger aan de hand. Madelon hoorde wel eens een verhaal van iemand die zo dom was om zonder handschoenen met sneeuwballen te gaan gooien. Zijn vingers waren na een tijd zo bevroren dat een ijsbal die slecht terecht kwam een topje van zijn vinger wegsloeg. Kan een vinger in dat geval gaan bloeden? Vast niet. Wie weet, en dat zou vreselijk zijn, kwam er iemand met de fiets naar huis en is hij onderweg heel lelijk gevallen, liet hij zijn fiets achter om te voet en behoorlijk gekwetst verder te gaan. De arme ziel ligt misschien ergens uitgeput dood te vriezen. Het spoor van vlekken wordt steeds kleiner terwijl de voetafdrukken gewoon verder lopen. Madelon kijkt op. Bij de hoek van de straat staan twee buren te praten. Het mannenspoor loopt hun richting uit. Al van ver steekt buurman Bert zijn hand naar haar op. ‘Gelukkig Nieuwjaar Madelon, ook aan het genieten van een wandeling? Ga jij niet naar het buurtfeest? Het is ferm gezellig ginder en die glühwein is heerlijk. Ik nam nog om een bekertje mee  naar huis, maar die dingen waarin ze het spul doen, zijn niet meer wat ze geweest zijn. Een klein kraakje en de boel loopt leeg natuurlijk.’

Annemie Dufromont
0 0

Dieprood

De zon waait door de tuin. Zo’n heerlijke vrije middag ergens in september. De tuin lijkt verward. Twijfelt tussen bloei en schreeuw om winterhard. Volledig in dat wat deze week was, schakel ik voorzichtig om. Genieten of aan de slag? De gulden middenweg bevindt zich buiten. Daar waar ambitie en actie naadloos samengaan. Waar focus nooit een probleem lijkt, resultaat altijd bevredigend is  en oplossend vermogen geen talent. De vereiste tijd echter ontbreekt, hardlopen en doordraven lijkt gewenst. Toch doe ik niets en denk een beetje voor me uit. De gelakte nagels volgen de gedachten in mijn hoofd. Mijn lijf laadt op met ieder woord en vindt de ruimte die er eerst niet was, maar nu zichtbaar wordt. Doorzetten blijkt een farce als mijn proces wordt verstoord. De langzame bewegingen veranderen gestaag in haast en terwijl ik eigenlijk nog iets moest kondigen de logees  zich al aan. Het logeevrije huis  vult zich met herinneringen. Muziek dwars door alle commentaren over het volume heen. De nagels doen, hetzij gehavend, wederom  hun werk.  Met het uitzicht op een pretentieloze avond geniet ik vast vooruit. Een zee aan ruimte, een eeuwigheid aan rust. De zon zakt buiten voorzichtig in de tuin en brengt het leven langzaam weer naar binnen.  Het licht van kaarsen, de bloemen op tafel en de schakering van wijn die steeds meer neigt naar rood. Heerlijk knus en warm zacht. Het voelt goed, het samen, de wereld even buiten, behapbaar en met  belofte. De hete zon verwarmd, maar ik klim door en geniet vanuit mijn nieuwe perspectief. De zwemles achter mij, mijn lief op wacht. Dwalen door het bos of iets met zwerven komt in me op. De realiteit is anders, maar eigenlijk niet minder leuk. Met een plof land ik in het zachte zand. Op pad! De reflectie van de zon doet onnatuurlijk aan. Overtuigd in ambitie dat mijn nieuwe wildernis meer baat heeft bij onderhoud dan een creatieve invalshoek, dan toch de tuin. Alleen, gedachten vrij, en rust. Het resultaat is verbluffend, maar de weg er naar toe is wat telt. De nagels niet meer te redden,  rond ik af. Het huis omarmt en ik land zonder moeite in de warmte van mijn gezin. Met de gedachten voorzichtig gericht op morgen, onderuitgezakt in de vrijblijvendheid van het weekend die nu nog onverwoestbaar lijkt, drink ik mijn echt allerlaatste glas wijn, dieprood. Reeds geplaatst op thesword.nl

Mariola Dirkzwager
0 0

Schone Lei

Het bericht brengt me terug in de tijd. De vermelding van het liefelijke stationnetje op mijn geboorte grond levert een korte impressie op van herinneringen die daar ergens zwerven op het perron. Het vertrekpunt voor mijn reizen richting kroeg, kamers en de schuchtere momenten in de directe omgeving van het destijds pittoreske fietsenhok. Zonder te verzanden in details gaan mijn gedachten moeiteloos terug naar toen en vullen de ruimte met een melancholie die zo kenmerkend is voor de herinneringen uit mijn jeugd. De eerste openbare beelden tonen het toen rustieke plattelandsstation, de gestutte overhellende muren wachtend op het noodstation op komst.  De beelden van een eeuw daarna tonen het station zoals ik het ken.  Mijn symbool voor vrijheid en zelfstandigheid en net zo hard voor geborgenheid, wanneer de wereld groter bleek dan gedacht en de ouderlijke keukentafel  uitkomst bood. Met de naïviteit van de jeugd en de wijsheid van de wereld op zak heb ik daar gestaan met de geur van vrijheid om me heen. Weg van de basis die de ander had gelegd, op weg naar het fundament voor m’n eigen bestaan. Kiezend voor kwetsbaarheid door te vertrekken in een richting waar de ander misschien niet zou volgen met het gevoel dat de wereld van mij was. Tabula Rasa……een schone lei.  Pas veel later met het besef dat die schone lei onvermijdelijk krijtsporen droeg van het verhaal ervoor. Het fundament van ervaring wat ervoor zorgde dat ik kon blijven staan. Voorzichtig kantelend dat wat wel merkbaar maar niet direct zichtbaar was, om het te vangen in het licht, richting m’n eigen perspectief. Ieder vertrek een stap vooruit in het proces naar de basis voor mijn eigen jeugd. Een strak gelakte keukentafel vast voorzichtig  bij de hand. Heel af en toe kom ik daar nog, bij datzelfde station. Het hedendaagse beeld past niet meer bij het dorp zoals ik het ken, maar het gevoel blijft. En terwijl ik daar sta, de oudere jeugd in een veranderde tijd, ruik ik, tegen beter weten in, nog steeds een vleugje vrijheid.   Reeds geplaatst op thesword.nl

Mariola Dirkzwager
0 0

Familie- en bildungsroman De Bevruchting - Proloog.

De buitensporige disfunctionaliteit van het gezin Parker had lachwekkend kunnen zijn - en dat was het ook tot op zekere hoogte - ware het niet dat ouders en nageslacht in toenemende mate milde tot groteske sporen vertoonden van wat men met een eufemisme 'onaangepast gedrag' pleegt te noemen. Een krak in de kop, een hoek af zo je wil. Mooi verpakt, dat wel maar toch her en der steeds meer barstjes vertonend. Niet dat iemand ook maar iets vermoedde, natuurlijk niet. Laat staan dat ook maar één buitenstaander het zou geloven. Immers, toen de heer Parker op 70 jarige leeftijd besloot zijn succesvolle bedrijf op te doeken wegens geen erfelijke opvolging, kwetterde een verkoopster op de regionale bladzijden van een plaatselijke krant hoe jammer dit toch was en wat een goede baas de heer Parker altijd was geweest. De restaurantuitbater van de oester- en kreeftenbar waar de pater familias al dan niet dagelijks dan toch drie maal per week ging dineren, wist te melden dat de heer Parker bij elk bezoek aan zijn zaak uitermate vrijgevig en vriendelijk was geweest en het 4de provenciale voetbalteam was nog steeds verrukt met de centen die de goede man in hun ploeg investeerde en vertelde hoe geestig hij toch kon zijn tijdens het hijsen van ettelijke pinten in de kantine na weer een verloren match. Ja, ja ... Maar achter de glitterende façade van dure wagens, grote villa's en andere oogverblindende welstand, gaapte de leegte, erger nog, de leegte was tot de nok toe gevuld met menselijk wrakhout. Ze zwegen. Allemaal. Niet zozeer omdat de uiterlijke schijn ten koste van alles moest worden opgehouden - dat ook, zeker en vast - maar vooral omdat spreken nog erger was dan zwijgen. Ach, die angst voor represailles, de macht die aan de vader werd toegedicht, terecht of onterecht, om nog maar te zwijgen over al het geld, immobiliën en aandelen die na zijn dood verdeeld moesten worden. Daar zouden de erfgenamen nog voor vechten, zeker weten. Of toch niet? En was er wel zoveel geld als de heer Parker altijd liet uitschijnen? Geen mens die het wist. En toen viel hij dood, zomaar. Te midden van zijn zelfgecreëerde keizerrijk, tussen geld, aandelen en vastgoed, maar zonder een levende ziel die nog om hem gaf. De eerste die hem mistte was de oester- en kreeftenbar baas. Toen na een week of twee zijn omzet dermate begon te dalen, dacht hij : tiens, lang geleden dat we de heer Parker hier nog hebben gezien. En zo ging de bal aan het rollen. Via, via bereikte het nieuws de jongste zoon en werd in een uithoek van het 300m2 grote luxe appartement van de heer parker, zijn stinkende, in staat van ontbinding zijnde lijk aangetroffen.

Wita Meersch
0 0

Mensen zonder verhaal: deel 1

Oh god, zeg dat het niet waar is. Zeg alsjeblieft dat het niet waar is. Tegen beter weten in, staarde ik nog eens priemend naar de treffende figuur in de verte. Die okerkleurige trenchcoat, steevast halfopen rond haar middel zwierend, dat warrige zwarte haar onbeholpen in een minuscuul staartje gemoffeld, dat duo fleurige oorbellen, aan weerszijden van het hoofd olijk dansend op de cadans van haar tred. Geen twijfel mogelijk, zij was het. Een lichte paniek maakte zich meester. Hoe was het mogelijk. Dat ik haar net nu tegen het lijf moest lopen. Een ongeluk komt natuurlijk nooit alleen. Minuten, uren, wat zeg ik, dagen had ik erover gepiekerd, over deze ontmoeting. Over de conversatie die we, aangestuurd door onbeholpen toeval, zouden starten, en over waar die – Joost mocht het weten – eindigen zou. In die halsstarrig terugkerende overpeinzingen was zowat elk mogelijk scenario de revue gepasseerd. Gaande van een lichtvoetig niemendalletje, waarin weinig meer dan de strikt noodzakelijke vriendelijkheden werden uitgedeeld, tot iets fijner besnaarde gesprekken waarin geen zin verkeerd gelegd werd, tot een ronduit catastrofale clash waarin alle onbesproken gruwel eindelijk de vrije loop zou worden gelaten.In mijmeren was ik goed, in fantaseren trouwens ook. In onze urenlange gesprekken van weleer was rond alles wat er echt toe deed dan ook zo zorgvuldig heen gedraaid, dat ik de mogelijkheid om al deze nooit uitgesproken affaires ooit nog met woorden te bezweren zwaar in twijfel begon te trekken. In mijn ooghoeken, zag ik de contouren van haar ritmisch bewegende lichaam schichtig dichterbij komen. Onwillekeurig flitsten mijn gedachten terug naar de talloze keren dat ik op haar zat te wachten. Naar hoe ik, precies aan de toegewijde regelmaat waarmee zij de ene voet voor de andere plaatste, kon voorspellen dat zij het was die met haar virtuoze haar passen de verder verlaten gang vulde. Bij elke stap die ze zette, leek de druk in mijn borstkas - net als vroeger - een beetje toe te nemen. Even overwoog ik het om het – als een halvegare – tussen de winkelende zaterdagnamiddagmassa op een lopen te zetten. Of om in een halfslachtige duikvlucht achter de eerste de beste volgestouwde rayon te verdwijnen. Helaas weigerde mijn elastieken onderstel voorlopig dienst. Het enige waartoe het zich op dit moment eventueel kon lenen, was tot een puike imitatie van een schrikkerige epileptische aanval – hé, dat was misschien nog een idee – en dat terwijl L. nu met de snelheid van een opgejaagde bloedhond leek te naderen. Neen, kom op, niet flauw doen, gewoon zijn. Of zen, of iets dergelijks. Ik overleefde het wel, het was immers niet de eerste keer dat ik dit gesprek voeren zou. Als een getrainde rot in het vak doen-alsof-je-neus-bloedt keek ik gebiologeerd naar een stel pakken suiker in de rek links van mij. “Hee, Riska!” Oh hemel, daar gingen we. Hooghartig draaide ik het hoofd om. “Oh, hee Maira, ik zag je niet.” Lachend keek ze mij aan. Die blik. Ja lachen met haar ogen kon ze altijd al. Aan de manier waarop zich bij het ontbloten van de tanden in beider ooghoeken een lichte optrekkende rimpeling openbaarde, kon je de oprechtheid van haar glimlach aflezen. Dit exemplaar leek me overigens vrij rechtschapen te zijn. “Hoe gaat het met je?” Ze stelde de vraag niet zoals ieder ander hem stellen zou: achteloos, meer uit gewoonte dan uit oprechte interesse in de gemoedstoestand van de toevallig tegen het lijf gelopen gesprekspartner. Neen, niet zij. Zij leek het te menen. Vriendelijk gesticulerend, de glimlach secuur in de plooi houdend, pinden haar ogen zich steeds dwingender vast op mijn eigenste spraakorgaan, dat – jammer genoeg – voorlopig geen enkele aanstalten maakte om een enigszins gepaste reply in de strijd te werpen. Als dit geveinsde interesse was, dan was ze goed. Beroepsmisvorming wellicht, schoot me door het hoofd. Bijna was ik er met open ogen ingelopen. Nog net op tijd wist ik de valkuil der openhartigheid te ontwijken en er een korte "Best hoor." uit te gooien. De bijbehorende "Met jou?" slikte ik maar even in. Ik vond het een al te vrijmoedige inbreuk op haar privacy, iets waar ik absoluut geen zaken mee had. Ook beroepsmisvorming, dacht ik monkelend. In de stilte die daarop volgde, bleef ze me volhardend vrolijk aankijken. Walgelijk. Zoveel levensvreugde zou verboden moeten worden. En al dat kijken, je zou er zowaar gestoord van worden. Net als vroeger - wanneer ze mij al nippend vanachter haar koffie schaamteloos zat aan te staren - voelde ik haar ogen prikken. Ik voelde ze zoeken naar de mijne. Ik denk niet dat ik ooit iemand zo diep had zien kijken. Alsof ze met haar ogen letterlijk in je ziel wilde graven, zo schrijnend aandachtig staarde ze je aan. Alsof je diepst menselijke geheimen daar op de bodem zomaar lagen te wachten op haar vraag, klaar om opgehaald te worden. Abrupt wendde ik mijn ogen af. Dit trucje moest ze heus niet meer uithalen, dat voorrecht had ze verspeeld. Op de zwart-wit geruite supermarktvloer – waar ik mijn ogen bij gebrek aan beter dan maar op fixeerde – ontwaarde ik een schuifelend paar auberginekleurige botjes. Aha, dus toch. Een eerste teken van genaakbaarheid. Ik voelde mijn pols verslappen. Uit het niets borrelde plots ook de sterke aandrang op om haar mee op de koffie te vragen. Stedelijke koffiehuisjes leenden zich zo heerlijk uitstekend voor onzinnig langdradige gesprekken over niets en over alles tegelijk. Een plek waar we nostalgisch langs onze neus weg dingen konden oprakelen als 'weet je nog, toen ik van je hield' en daar dan – tussen twee koekjes door – eens hartelijk om konden lachen – of huilen – het bleef al gelijk. Gewoon, even praten, zoals alleen oude bekenden dat kunnen. Gewoon, alles, heel even alles, heel gewoon. "Nu goed, ik moet eens gaan." De zin rolde uit mijn mond, als een mokerslag uit de vuist van een zwaargewicht eersteklas. Zo kwam hij ook aan. Een kort pleidooi over drukte, veel werk en treinen die gehaald moesten worden – je kent dat wel – ratelde er achteraan. De blik in haar ogen veranderde van toon: minder etherisch, scherper, serieuzer ook. Ik wist dat ze me doorhad, maar dat kon me weinig schelen. "Zeker, ik zie je wel weer." bracht ze terug, opnieuw haar hartelijkste glimlach bovenhalend. Ik wist dat ze loog. Zes korte woorden, meer was er niet nodig geweest om van alles op slag terug niets te maken. Terwijl ik al een eerste stap in de richting van het netjes uitgestalde assortiment confituren zette, keek ik haar nog eens strak in de ogen, haakte deze vervolgens los en vulde de vrijgekomen ruimte in met een blik op oneindig. Weg, hier vandaan, was al wat ik bedenken kon. Enkele tellen hield ik het vol, maar kon het uiteindelijk toch niet laten. Nog één keer keek ik achterom. Al wat ik daar zag was het auberginegetinte laarsjesduo, dat onbestemd, maar met de vertrouwde regelmaat van pas, hopelijk voor de laatste keer mijn leven uitwandelde.

Hanna Lucia
0 0

Mensen zonder verhaal: deel 2

Zoals mensen wel eens durven beweren in tijden van hevige rampspoed “ Ik weet nog precies waar ik uithing op het moment dat het eerste vliegtuig één der WTC-tweelingen indook om er, samen met het gruis door de New Yorkse straten, ook een walm van chaos de Westerse samenleving in te katapulteren” – zo herinner ook ik mij het startpunt van dit verhaal. En hoewel het hier niet onmiddellijk een geval van groot verderf of droefenis betreft, sloegen de weerhaken ervan desalniettemin in als een bom. Vorige week vrijdag was het. In een jammerlijke poging tot het afronden van alweer een erbarmelijk hoofdstuk uit de thesis van mijn leven, zocht ik –geheel volgens procrastinatieve planning – zielsrust en mentale verpozing in de buitenwijken van het wereld wijde web. Ruimte genoeg om een tijdje van arbeidsintensief geesteswerk te worden afgeleid. Net wanneer ik de startpagina van facebook voor zo ongeveer de zevende maal in tien minuten mijn bureaublad vullen liet, sprong er een binnengelopen bericht het scherm op. Margot. Of ‘de meisjes’ vanavond zin hadden in een hapje en een drankje ten huize Liefmans - Vangerven? Een gesmoorde grinnik ontsnapt mijn lippen. Het getrouwde leven had zich al goed genesteld. In alle heimelijkheid was het twee weken geleden haar wezen binnengeslopen om zich vervolgens als een virale infectie te verspreiden door de aderen van haar bewustzijn. Klaarblijkelijk had het zich ondertussen ook al weten vast te klitten aan de uiteinden van haar dagelijks leven. Maar als beschaafde en welgeorganiseerde dinertjes achter ordentelijke gevels, waar met trots een dubbele voornaam op de deurbel aan de voordeur prijkt, de toekomst waren, dan kon ik daar maar beter meteen aan wennen. Dat aan onze voordeur nog steeds naam Joe Mehreb de deurbel sierde was bij wijle vast geen toeval. Hoewel mijn strakke Moleskine een al even welomlijnd en druk weekendschema voorschreef, berichtte ik – als een trouwe volgeling – toch enthousiast terug: ‘Klinkt super: Ik zal er zeker zijn.’ Ook de daaropvolgende reacties van de vriendinnen waren unaniem instemmend. Iedereen zou zijn uiterste best doen om er te geraken, all other activities put aside. Al deze goodwill van een bende drukbezette jongedames die normaal geen kans onbenut liet om de naaste omgeving te overtreffen in de omvang van hun sociale activiteiten; het had een teken aan de wand kunnen zijn. Diezelfde avond, 19u47 om precies te zijn en slechts zo’n kleine tweeëndertig minuten over tijd, kondigde een luid geclaxonneer aan dat mijn taxi gearriveerd was. Het weerzien met de high-school vriendinnen was zoals elk weekend weer dol: alsof ik bij het instappen prompt zes jaar terug in de tijd gekatapulteerd werd en op de trappen van de agora – een met vaal bruin tapijt beklede ruimte die voor overdekte speelplaats moest doorgaan – de tijd te slim af moest zijn met roddels en nutteloze weetjes allerhande. De twintig minuten durende autorit werd dan ook gevuld met uitbundig gekwebbel over alle futiliteiten van de afgelopen week. Van vermoeiende stages en ongemeen onbeschofte treinconducteurs - die zich op vrijdagavond steevast van hun schoonste kant laten zien - tot kwijlende patiënten, afmattende maar spijtig genoeg verplichte sportdagen met collega’s, rebellerende leerlingen en achterlijke schoolreisjes; het kwam allemaal aan bod. Over het hoe en waarom van onze avondlijke onderneming werd vooralsnog bedachtzaam gezwegen. Het niet uitgesproken onderwerp hing als een vervaarlijke zeepbel in het midden van de wagen, die vanaf het ogenblik dat er ook maar één vinger naar uitgestoken werd, genadeloos uit elkaar dreigde te spatten. De policy ‘kijken mag aankomen niet’ werd door alle spelers van het spel zonder woorden netjes gerespecteerd. De met blauwe kiezelsteentjes bedekte oprit van Heirbaan nummer 7 was bij aankomst reeds met wagens bezaaid. Nu vrijwel iedereen een rijbewijs in zijn achterzak had steken, leek fietsen prompt geen optie meer. Het zag er naar uit dat we weer eens laatst waren. Vanuit de deuropening kwam een licht spottend ‘Aha, daar zullen we de diva’s hebben’ ons bij wijze van hartelijke begroeting dan ook al tegemoet gestroomd. Na een weerwoord dat clichématig beweerde dat het schoonste volk altijd een beetje op zich laat wachten, schoven we het gezelschap bij. Als een soort van ideale gastvrouw – maar dan wel eentje die lijdt aan hyperkinesia – sloofde Margot zich uit voor haar onoplettend publiek. Bijna lege wijnglazen werden naarstig bijgevuld, koffies werden klaargestoomd, en vanaf het moment dat er een prikkertje zo goed als nog maar in de richting van het laatste blokje salami wees, werd het schoteltje pront van tafel gerukt om vervolgens vervangen te worden door een gloednieuw afgeladen exemplaar. Net toen ik mij bedacht dat ik best chance had, en dat ik het zo nog wel een tijdje hebben kon, werd de ontspannen sfeer plots verstoord door verhit gefluister. In mijn ooghoek zag ik hoe aan de overkant van de tafel een hand naar een mond glipte, enkele koppen in cirkelvormige beweging bij elkaar werden gestoken. Enkel een waas van gedempte geluiden wist de muur van opvangende oren en zorgvuldig geplaatste schouders te ontsnappen. Een nieuwsgierig ‘En weten ze het al? Is het nog geen tijd?, glipte tussen de vingers door, en kaapte de aandacht van het resterende gezelschap weg. Tijd waarvoor? , vroeg ik nog achteloos, met een mond vol kaas. Aangespoord door deplorabel geglunder, opgewonden gegiechel en enkele samenzweerderige knipoogjes links en rechts, blikte onze gastvrouw gelukzalig de kamer rond. Nog enkele seconden werden we in spanning gehouden, maar toen werd het grote woord op tafel gelegd. “Ik ben zwanger”, zei ze, terwijl de fierheid zowat van haar gezicht afdroop. Terwijl de vreugde die zo-even vaan haar lippen gerold was, zich als een lopend vuurtje onder onze groep verspreidde, bleef ik bekrompen zitten: roerloos,en nog steeds met een mond vol kaas. Na wat best enkele minuten kon zijn schoot me te binnen dat een slokje wijn bij wijze van doorspoelen hier misschien geen misplaatst idee zou zijn. Rondom mij had de ruimte zich ondertussen weten te vullen met gejoel, gejuich, geschreeuw: kortom ultieme vrolijkheid troef. Flarden van gelukwensen aan de toekomstige moeder vlogen in paartjes door de kamer. Ze kruisten er stemmen die gingen van ‘Zei ik het niet?’, ‘Ik wist het wel!’ en ‘Zie ik daar al niet een kleine baby-bump?’. Daar, te midden van al die broeiende algehele euforie, bezweek ik. In alle baldadigheid liet ik me volledig meeslepen door de nieuwgeboren babyvreugde. Voor ik het goed en wel doorhad werd er een stel wollige babysokken mijn handen in geduwd, gevolgd door een akelig paar knisperende pluchen beesten en een slabbetje van een zachtheid dat het geen naam heeft. Wat moest ik met die hele peutertuin? Meer dan ondingen uit een mij vaag bekend verleden waren het niet. De geëxalteerde opgetogenheid die ze bij het omringende publiek teweeg schijnen te brengen was mij dan ook volledig vreemd. Lachen en doorgeven die handel. Enkele seconden later werd mij een vale prent onder de neus gedrukt. Maar kijk dan toch, hier zie je het neusje, daar de beentjes, en ja tien vingers en tien tenen, alles er op en er aan. Dat ik uit de 6cm grote fotografische vlek onder mijn ogen maar weinig kon maken, bleek geheel aan mij te liggen. Te midden van al deze drukte keek ik naar haar. Hoe ze daar zat, vol rust en ingehouden blijdschap in haar stoel, met haar handen vol buik en de ogen met trots naar binnen gekeerd. Onwillekeurig sprongen gedachten terug naar het kleine, fijne meisje met rebelse piekjesharen. In een citroengeel jurkje en platte sandaaltjes, in het gras vooroverbuigend, reikend naar het laatste madeliefje in het voltooien van haar kroon. Hoe deze kleinste vlak onder onze neuzen zo snel groot was geworden, was mij een raadsel. Hoe ze zonder dat we het in de smiezen hadden ons allen, één voor één, traag maar gestaag voorbij was gestoken, ons in leven én in welzijn was ontgroeid. En net zoals ze enkele weken geleden de eerste vrouw onder de meisjes was geweest, toen ze onder menig goedkeurend oog aan hare Michiel het jawoord had gegeven, was ze nu de eerste moeder onder de dochters. Hoe groot en fel het contrast, en wat een overgang dat zijn moest. Wat er moest gebeuren in het hoofd van een meisje op het moment dat ze de eerste trap van dat zelfgemaakte voetje tegen de rand van zijn wereld voelt schoppen. En te begrijpen dat die wereld niets meer of minder is dan haar oneindige zelf. Te veel spanning voor een buik. Hoe zij daar zat, zonder angst, met de rust in haar schoot. Het deed me denken. Zou het dan toch waar zijn wat ze zeggen? Kleine meisjes worden snel groot. Een enkeling dan toch. Als ik rondkeek, zo’n één op twaalf, gemiddeld. Zo goed voor zichzelf gezorgd had zij, dat ze klaarblijkelijk zorgen over had voor een nieuwe ander. Instinctmatig voelde ik een soort van trots opwellen. Het borrelde, kwam van ergens onderaan de buik, woelde zich door maag en borstkas, waar het in lichte benauwdheid bleef steken. Ze had het toch verdorie niet slecht gedaan, die Margot. Het moet daar en toen geweest zijn, dat ik met mezelf een deal sloot, een besloten overeenkomst tussen twee ikken die zich voornemen om elkaar niet langer voor de voeten teblijven lopen. Misschien werd het voor mij ook wel eens tijd om het ‘niet slecht’ te gaan doen. Om een beetje minder dochter te zijn, en hoewel het voor moeder duidelijk een beetje vroeg was, dan toch op z’n minst een beetje meer vrouw. Klein beginnen zou geen schande zijn. Misschien kon ik dit weekend vast beginnen met de vaat, de was, de strijk, het verdrijven van het stof. En misschien, heel misschien, kon er dan op maandag wel een nieuw kaartje aan de deurbel af. Zo eentje met een dubbele naam, wie weet. Maar dat zijn puur veronderstellingen natuurlijk.

Hanna Lucia
0 0

Bijna thuis

In sneltempo beelden de stewardessen de veiligheidsinstructies uit. Het vliegtuig heeft een half uur vertraging en we rijden zonder aarzeling richting opstijgstrook. Het is voorbij middernacht en er hangt storm in de lucht. In de spiegeling van mijn raampje zie ik Mariama naast me bezorgd kijken. We zijn nog brak van gisteren en houden beiden niet van vliegen. Naast haar zit een man van rond de veertig, al maanden ongeschoren, met een opvallend akelige uitstraling achteloos met zijn GSM te spelen. Vraag aan honderd mensen ‘vuur of ijs’ als je hem ziet en negenennegentig ervan zeggen resoluut ‘ijs’ en die ene die dat niet zegt is mensenblind. De oproep ‘gelieve alle elektronische toestellen uit te schakelen’ lijkt de man niet te deren. Wanneer Mariama vriendelijk maar kordaat vraagt of hij zijn GSM wil uitzetten, kijkt hij haar stoïcijns aan, zucht bijna onhoorbaar en tikt verder. Het vliegtuig neemt zijn laatste bocht. De straalmotoren gaan aan en net op dat moment fluistert Mariama hevig gepanikeerd in mijn oor: ‘Joa…op z’n gsm…de man naast me…hij…hij kijkt naar foto’s van zijn vrouw, zijn kinderen en dan van een terrorist van Al Qaeda… alsof hij eerst afscheid neemt van zijn familie … en dan zijn grote voorbeeld een laatste keer groet.’ We versnellen. Onze ruggen drukken tegen de zetels en net voordat het vliegtuig de aarde tijdelijk verlaat, staat mijn vriendin half recht en schreeuwt in het rond: ‘Arrète cet avion! Stop het vliegtuig! Er is een terrorist aan boord!’ Medepassagiers richten onthutst hun blikken op Mariama. Stewardessen blijven verplicht zitten maar delen de vraagtekens van de reizigers. De man naast ons drukt eindelijk op de uit-knop van zijn telefoon en laat deze in het netje van de stoel voor hem vallen. Hij kijkt ons aan met een blik die evenredig is gedaald met de temperatuur van de buitenlucht.   Ping, ping. We zitten op veilige hoogte. Zodra de riemen los mogen, snellen vier stewardessen naar onze rij. Mariama tracht buiten adem uit te leggen wat ze op het schermpje zag en de enige reactie van onze buur is zijn vraag aan de steward om haar een pilletje ter verdoving te geven ‘parce que clairement mademoiselle a peur de voler.’ Hoewel ze stilaan lijkt te bedaren -zonder pil- voel ik mijn geliefde trillend tegen me aanplakken. Ik probeer Mariama’s paniek te relativeren. Niet alleen voor haar, maar ook als hulpmiddel voor mezelf. De alcohol van gisteren vertroebelt elke heldere gedachte en de aanslag in de metro van London drie dagen geleden lijkt de kans op een slechte afloop buitensporig te verhogen. De ijzige buur staat op en gaat naar het toilet. De piloot vraagt onze riemen terug vast te klikken. We naderen onweer. Een kwartier later zoek ik met mijn ogen naar de man die nog steeds niet terug is. Met de turbulentie rondom me, de regen op het dak, de door bliksems opgelichte duisternis buiten, een rillende vriendin naast me en het lege stoeltje naast haar, voel ik mijn angst strijden met mijn ratio. Ik zit vastgeklikt in deze situatie, voel me veroordeeld tot een lot dat me aan duizend km per uur meeneemt. Er rest me één ding: het hoofd koel houden door de beelden van mijn zwempartij van de voorbije dag op te roepen. Ik sluit m’n ogen, neem het roer over en stap voor stap verdringen mijn herinneringen van gisterenmiddag de bliksems, de dreiging, mijn angst.     Een tiental uur geleden wandelden ik en Mariama op onze blote voeten over een laatste duin. Zoals altijd was het spannend om eerst het water te horen en dan pas de eerste glimp ervan op te vangen. En daar was de zee dan eindelijk: een vertrouwde kracht die nooit exact dezelfde vorm aanneemt. Bij een absoluut klare lucht zouden we het Afrikaanse continent van de horizon kunnen onderscheiden. Nu konden we het vanaf het strand in Malaga slechts inbeelden … dromen. De droom van zoveel vluchtelingen om aan onze kant van de Middellandse Zee te staan, vergezelde onze gedachten en weigerde onze gesprekken te verlaten. Bijna letterlijk: de droom van een vrouw naast me op dit Spaanse strand, leefde een vijftal jaar geleden zelf aan die andere kant, voorbij onze horizon. Ze was als vluchteling naar het rijke westen gekomen, het alom bekende verhaal. Weeskind word je niet alleen als je je beide ouders verliest, wees word een mens ook als je je dorp, je jeugd, je wortels tegen je eigen wil moet verlaten. Mariama was wees in beide betekenissen en was haar land Guinee ontvlucht na deelname aan antidictatoriale studentenprotesten en de daaropvolgende gevangenschap. Ooit verschuilde ze zich op een schip met bestemming onbekend. Zij giste richting Sierra Leone. Het werd Zeebrugge, België, Fort Europa, Babylon.   Vandaag werden we bedwelmd door de grijze nasleep van een hele vakantie van ruzie tussen ons. Ruzie op haar beurt in de nasleep van het laatste half jaar waarin we oeverloos geprobeerd hadden om voor haar een legale verblijfsvergunning in België te verkrijgen. Kleren maken de man, papieren maakten mijn vrouw. Illegaal zijn in Europa is als het voorportaal van de hemel binnenstappen, merken dat je slechts één poort verwijderd bent van de rijstpap en gouden lepels en pas dan leren dat je de broodnodige sleutel mist. Het is pas veel later -als je werkelijk binnen bent- dat je beseft dat hemel en hel slechts twee letters van elkaar verschillen en dat de Babylonische toren van vooroordelen, bureaucratie, kansarmoede en het innerlijke vagevuur dat je van thuis op je vlucht hebt meegenomen, eerder bij hel dan bij hemel aanleunen. Illegaliteit ademt gevaar. Met je fiets in de verkeerde richting van een eenrichtingsstraat rijden en een politieagent tegenkomen, staat gelijk aan het risico op pascontrole, gesloten asielcentra en deportatie.  Eenrichtingsverkeer en Europa… Het is evident dat dit zorgt voor een enorme stress op de prille relatie tussen een Belgische man met en een Guinese vrouw zonder papieren. Onze achtergronden konden moeilijk meer verschillen, maar ons doel was exact hetzelfde: een toekomst creëren voor onze relatie door een toekomst te creëren voor haar, met papieren. Of was het andersom? Het begon stilaan in mijn hoofd door te sijpelen dat een stabiele relatie met Mariama – op gelijkwaardige leest geschoeid- een utopie zou blijken. Het leek alsof ik alles had. Het leek alsof ik haar alles was. Ik was haar steun, haar beste vriend, haar begeleider in integratie, taal en studie, een plaatsvervangend vaderfiguur, rots in haar woeste branding en pas daarnaast ook geliefde en minnaar. Die combinatie van verschillende rollen in één persoon, leek onmogelijk vol te houden en maakte me onrustig en zelfs ongelukkig. De belangrijkste voorwaarde om tot herstel van dit verstoorde evenwicht te komen, was een officiële verblijfsvergunning, maar voorlopig zaten we vast in onzekerheid, ongelijkheid en onrechtvaardigheid – hét motto van het niemandsland van sans papiers. Mariama was haar identiteit kwijt en ook ik begon mezelf te verliezen…   Mariama had toestemming gekregen om tijdelijk binnen de EU te reizen en hier zaten we dan: op opklaringen te hopen boven het strand en boven onze relatie. Plots ontspande Mariama’s gezicht waardoor haar typerende stralende glimlach en aangeboren levensvreugde terugkeerde: ‘Ik hoor mijn dialect, ik hoor Fula!’ Tussen ons en de verst reikende golven zaten -of beter- lagen twee Afrikaanse mannen op het strand te drinken, te lachen en … Fula te praten. Enthousiast stapte Mariama op hen af, met mij in haar schaduw. Na nog geen vijf minuten deelden we gulzig hun zelfgemaakte cuba libres en stapten we over in het Frans, waardoor ik uit Mariama's schaduw kon treden. We ledigden onze glazen alsof we met elke slok het gekibbel en geruzie van de voorbije periode konden wegspoelen. Zoals een theatergordijn na een korte pauze weer opengaat, zo rolden de wolken naar rechts en links en kwam de zon in volle glorie tevoorschijn. Het spektakel kon beginnen.   Ik voelde me hemels dronken. Ik kwam in een roes terecht die je alleen in het midden van de dag kan bereiken en waarin je een rijk der mogelijkheden denkt binnen te stappen. Alles kon. En wat vooral kon, was net datgene wat die ochtend nog het meest onmogelijk geschenen had. Zonder om te kijken verliet ik de Guinese reünie en stapte de zee in. Hoewel ik best goed kan zwemmen, kan je me niet heel ervaren of getraind noemen. Het koude spel van de golven kon m’n dronkenschap slechts gedeeltelijk stillen. Ik zwom verder, rustte even, liet me door het water lieflijk wiegen en zwom voort. Na een onbepaalde tijd die me voorwaarts had geduwd, draaide ik m’n vermoeide door adrenaline geïnfecteerde lijf en even geschokt als euforisch zag ik in de verte de kustlijn met ons strand tot een enkel lijntje herleid. Tot mijn verbazing had ik wel drie verschillende badplaatsen in mijn vizier. Ik schreeuwde het uit. JAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA! Onmogelijk om mijn innerlijke schreeuw uit te drukken, uit te spuwen. Ik werd overdonderd door een flits, een gloed, een shot universum. Het oog van de storm is het beste punt en ik voelde de onzichtbare sterren om dit unieke moment heen draaien. Dit was vrijheid en ik zat in haar middelpunt. Nee, ik was vrijheid. Met zijn onbekende diepte onder me had de zee me ingesloten, verwelkomd, omarmd. Ik legde me op haar golven, ging op en neer in een blauwe wereld waar evenwicht en stabiliteit niet van belang waren; waarin beschreven papieren in natte vodden met blauwe inktvlekken veranderen; waarin geen land, geen grenzen, geen regels waren. Een plaats waarin ik mijn individuele vrijheid had herwonnen. Daar in die Middellandse Zee, tussen twee continenten, vond ik mezelf terug.     Ping, ping. Onze riemen mogen weer los. Het vliegtuig heeft de storm achter zich gelaten, de ijzige man ligt naast ons vredig te slapen. Ik denk nog een laatste keer terug aan die bewogen dag gisteren: aan hoe de door een overbezorgde Mariama verwittigde redders langs kwamen varen en me geboden om terug te zwemmen; aan de vermoeiende terugtocht naar het strand waar mijn geliefde boos en opgelucht op me wachtte.     En nu de terugtocht van dit vliegtuig met achter het raampje van rij zeven een blank-zwart koppel zonder benul dat de vrouw binnen het jaar, via het huwelijk met hem, haar papieren vrijheid zal winnen en dat de man zijn vrijheid - als een verdoken continent achter een bewolkte horizon, als een kalme zee achter te hoge golven, als een vliegtuig dat na een turbulente vlucht veilig landt – pas drie jaar later zal terugvinden wanneer zij elk hun eigen weg zullen gaan: zij thuis in België, hij de wijde wereld in.                        

Joachim Stoop
0 0

In de schaduw van de Jaguar.

  "Mijn volk is verspreid en verdwenen; als ik roep, hoor ik mijn stem in het hart van het woud, maar er weerklinkt geen stem ten antwoord - slechts de stilte omringt mij." KOLONEL COBB VAN DE CHOCTAW   Hoofdstuk 1: Dromen naar meer                                                                                       Nog 2 uur te gaan. Nog 120 minuten en ik weet of ik erbij ben. De laatste weken heb ik aan niets anders kunnen denken. Hoelang moet een commissie eigenlijk over zoiets beslissen? Ach … die mensen hebben vast zo weinig te doen dat ze er genoegen mee nemen om zenuwachtige types zoals mezelf te tergen. Rek het maar zo lang je kan, dat maakt het des te spannender! Ik en 9 andere laatstejaars biologie wachten al 2 maanden op de uitslag. 2 maanden kan je het geloven? Nu goed, ik moet misschien eerst eens uitleggen waarover ik het heb. Het gaat over een fantastisch project. Wel ja, een heel uitdagend project voor biologen gespecialiseerd in mammologie. Een project dat misschien mijn toekomst zal veranderen, tenminste als ik gekozen word. Het is de bedoeling dat de commissie één laatstejaars naar Brazilië stuurt om veldwerk te verrichten tussen de nazaten van de Yanomami! Ik hoor je al denken: "Wat heeft dat te maken met mammologie of zelfs biologie. Is dat niet meer iets voor antropologen?" Ha! Absoluut niet want hier komt het fantastische gedeelte van het volledige project! De Yanomami - indianen zijn uiteraard aangepast aan onze hedendaagse Westerse beschaving. Ze lopen er gekleed bij als wij, gebruiken gesofisticeerde voorwerpen, je noemt maar op. Maar wat wel zo gebleven is doorheen hun vele jaren van ontwikkeling is hun liefde en respect voor dieren. Uiteraard ook zoogdieren. En dit is de link: de uitgekozene student mag een jaar lang veldonderzoek gaan doen naar de bijna uitgestorven Panthera onca palustris. Gemakkelijker gezegd: de jaguar Saai? Absoluut niet! Dit is waar ik al mijn hele korte leventje lang van droom! Het gaat hier om iets buitengewoons dat ik gewoon niet kan of wil missen. Ik moet er bij zijn. Positief denken is het kernwoord niet waar? Zolang je er maar in gelooft? Nog 1 uur en 45 minuten. Ik ben op weg naar Brussel. Ik haat Brussel. Het is voor mij een grootstad waar persoonlijk contact niet langer een must is. Je bent niet langer een uniek individu maar gewoon één van de velen die daar rondlopen. Ik ben opgegroeid in Gent en ik kan je naar waarheid zeggen dat Gent werkelijk alles heeft zonder eigenlijk echt uit zijn voegen te barsten. Nu goed, als je niet aan de overbevolking door de studenten denkt. In vergelijking met Brussel is Gent toch veel beter? En als je in Gent studeert, waarom dan een commissie in Brussel? Het antwoord blijft voor mij alleszins een raadsel. Hoe is het eigenlijk mogelijk dat de tijd nu voorbij kruipt? Dit heb ik nog nooit meegemaakt. Integendeel zelf. Mijn studies waren bijvoorbeeld in een flits voorbij. Ik heb het niet echt moeilijk gehad. Ik wist eigenlijk al heel vroeg dat ik me wou aansluiten bij een organisatie die voor de verandering eens niet uit was op winst. Een non – profitorganisatie dus. Ik heb te veel en te vaak gezien hoe het milieu lijdt onder de vraatzuchtige mens. Mijn vastbeslotenheid heb ik te danken aan mijn vader. Mensen zeggen vaak dat we 2 druppels water zijn. Misschien is dat één van de redenen waarom ik voor een studie biologie koos. Als je nu denkt dat mijn vader bioloog is dan heb je het goed mis. Je had de bal niet verder kunnen slaan. Hij is en ik citeer “ een investeerder in grootschalige logistieke projecten”. Ha! Een grote slokop wat natuur betreft , dat is hij! Hij gaat steeds op zoek naar unieke onbebouwde gronden en “cultiveert” het land dan door het te ontdoen van hun grootste schatten. De natuur en zijn originele inwoners. Ik heb het niet alleen over dieren. Neen, ook indianen, Bedoeïen, Toearegs, … Je begrijpt het plaatje wel. Ik wil het tegenovergestelde realiseren. Ik wil dieren en hun leefomgeving leren kennen, mensen ontmoeten die wel nog respect hebben voor hun omgeving. Ik herinner me nog het gezicht dat mijn vader opzette toen ik hem vertelde dat ik biologe wou worden. Hij keek heel neutraal. Ik vond dat hij zich eigenlijk heel goed hield. Hij vroeg met een uitgestreken gezicht: “en wat wil je daarmee bereiken? Je weet dat de geldkraan vanaf je 25ste dicht gaat hé. Je moet iets studeren waarmee je jouw eigen boontjes kan doppen.” Ik haat het als hij het over geld heeft, alsof ik alleen maar met hem spreek omdat hij geld heeft. Alsof alles wat ik zeg en doe direct of indirect de bedoeling heeft hem te pluimen. Nu goed, ik hield me kranig, trok me er niets van aan en zei “ik wil me inzetten voor dieren die me nodig hebben. Ik wil hen observeren en beschermen. Ik wil geen bureaujob, maar veldwerk.” Ik zag zijn antwoord net voor hij zich zonder één woord te zeggen omdraaide. Een knalrood gezicht. Ik vergeet het nooit! Daar had ik hem goed te pakken! Hij denkt vast dat ik het deed om hem te sarren. Misschien had hij gelijk. Maar vanaf dat moment ben ik vastbesloten om van mijn droom iets te maken. Ik was er niet langer op uit om alleen maar anders te zijn dan mijn vader en dat te tonen aan de hele wereld. Nee, ik was er op uit om mezelf te bewijzen in de maatschappij die aan mijn vaders voeten lag. een maatschappij die geen respect had of heeft voor hetgeen waar ik me voor wou inzetten. Ik wil mijn eigen ding doen. Ik wil niet gezien worden als mijn vaders dochter. Ik wil een eigen persoonlijkheid hebben, een eigen naam die voor zich spreekt. En dit ga ik op mijn eigen manier proberen te verwezenlijken. Iets wat hij trouwens zelf nooit gedaan heeft. Hij heeft het bedrijf van mijn grootvader, zijn vader, overgenomen. Gemakkelijk? Zeker niet, naar de pijpen van iemand dansen is nooit gemakkelijk. Maar het is niet wat ik wil. Ik heb een idealistischer beeld. En toen, op dat moment, besefte ik dat. Ik ben nu 23. Ik sta bijna op mijn eigen benen en sta te popelen om de wereld in te springen. Springen, niet stappen, wandelen of slenteren, neen! Springen. Ik wil dingen echt beleven, doordringen tot wat het leven te bieden heeft en wat ik het leven kan bieden. Alles wat ik heb in de strijd gooien om de wereld te veranderen. En dat moet nu beginnen. Ik kijk naast mij. Mijn moeder zit daar. Mijn mooie mama. Alhoewel ze al 50 is, ziet ze er maar 40 uit. Toch zie je dat haar gezicht droefheid uitstraalt. Droefheid maar ook liefde. Ze probeert mij moedig te houden voor de uitkomst straks. Ze neemt mijn hand vast en knijpt er lichtjes in. Ze staart in mijn ogen en probeert me te kalmeren met een blik waardoor ik me op slag de meest geliefde persoon op aarde voel. Ze merkt altijd wanneer ik aan het piekeren ben. Ze denkt vast dat het over de commissie gaat. Ze is altijd zo bezorgd. Mijn moeder is zowat het tegenovergestelde van mijn vader. Ze is zo lief. Ze heeft eigenlijk altijd onder de sloef gelegen. Neen, niet onder één schoen, maar onder de hele Brantano. Ze heeft nooit kunnen doen wat ze wou. Ze is vroeg getrouwd en dat heeft haar letterlijk getraumatiseerd. Verbaal, fysiek en emotioneel. Niets heeft hij heel gelaten. Op termijn is ze gevoelloos geworden tegenover hem. Ze negeert hem. Ze spreekt hem niet tegen als hij ergens zijn zinnen op gezet heeft, maar spreekt ook niet meer tegen hem als ze akkoord is. Wat eigenlijk toch nooit zou gebeuren. Die twee zijn letterlijk dag en nacht voor elkaar. Aarde en vuur. Wat eigenlijk een goede vergelijking is. Hoe hard het vuur ook raast. De aarde zal zwart kleuren, maar blijven bestaan. Ik ben de enige die er echt toe doet.. Het enige waar ze voor zal opkomen. Ze is er altijd geweest voor mij. Ik denk trouwens dat ze bij mijn vader is gebleven omdat ze angst had om mij te verliezen. Ze weet dat er niets opkan tegen de macht van zijn geld en zijn ijskoninginnen / advocaten. Ik denk dat ze gelijk heeft. Hoewel mijn vader weinig / niets? om mij geeft zou hij het niet kunnen verdragen dat zij mij zou opvoeden. Hij zou zich verslagen voelen en juist daarom zou hij haar willen verpletteren. En wat zou de buitenwereld wel denken? Dat is al reden genoeg om alles op alles te zetten om het enige wat ze heeft af te nemen. Mijn moeder heeft gedaan wat zij kon om haar grootste schat te behouden. Verduren. Aanpassen. Camouflagetechnieken toepassen. Dat is misschien eigenlijk ook wel een deel van de reden dat ik mijn vader zijn “raad” gedeeltelijk heb gevolgd. Ik ga op mijn eigen benen staan en zal nooit toestaan dat ik zo behandeld word. Geen man is dat waard. Ik schrik op uit mijn gedachten. De auto stopt! We staan voor de deur van één van die commissieleden. Oké … uitstappen en vooral blijven ademen. Ik stap uit de auto en voel me duizelig worden. De uitslag is nu opeens zo dicht bij. Alles wordt werkelijkheid. Of juist niet. Ik zie mijn dromen al aan diggelen liggen. Wat ga ik doen als ik niet aanvaard ben? Hoe kan ik dan zin geven aan mijn leven? Heb ik ergens in de hoekjes van mijn ziel nog een ander verlangen? Neen … Ik voel mijn hartslag versnellen, zie de grond onder mijn voeten bewegen alsof ik in snelstromend water beland ben, ik krijg het koud. Mijn moeder die ondertussen uitgestapt is ziet mij naar de grond staren. Ze beseft dat ik in de war ben. Ze weet hoe erg ik naar een uitweg heb verlangd. Ze verlangt mee met mij. Als ik ga, gaat er een deeltje van haar mee. Een deeltje dat dan toch vrijheid krijgt na al die jaren. Ze slaat haar arm rondom mij en duwt me lichtjes vooruit. “Weet je? Ik ben gisteren naar de kapper gegaan en daar ben ik Jenny tegen het lijf gelopen.” Ik kijk haar verbaasd aan. Wat doet ze nu? Over koetjes en kalfjes beginnen? Ach ja, ze probeert me af te leiden. Ik glimlach en speel mee. “Is ze opnieuw verdikt?” Mama beseft dat ze mijn aandacht heeft en begint ronduit te vertellen. “Ja! Ontzettend. Toen ze 25 jaar was had ze een maatje 36. Maar, dat weet je hé. Na haar bevalling is ze de extra kilootjes nooit meer kwijt geraakt en kon ze zich amper nog in een maatje 40 proppen. Maar nu! Een 46! Je gelooft het nooit. Ik kon de verbazing en afschuw amper van mijn gezicht houden toen ik haar zag. Hoe heeft ze zich ooit zo kunnen laten gaan? Ons figuur is toch het enige wat wij onderdrukte vrouwen hebben? We moeten ze niet alle voldoening geven. Toch?” Ze wacht mijn antwoord niet af maar brabbelt door over Jenny en haar figuur. Ik bekijk mijn moeder stiekem. Ze heeft inderdaad nog altijd een prachtig figuur. Ik wist niet dat ze haar figuur zag als haar laatste restje trots tegenover mijn vader. “Clara?” Oh? Ik kijk op uit mijn overpeinzingen en zie dat mijn moeder bedenkelijk naar me kijkt. Door een blik om me heen zie ik dat we in de wachtzaal gekomen zijn. De wachtzaal is zeer klassiek ingericht. Lang de randen staan een aantal Sheffieldzetels opgesteld waarin mijn medestudenten zitten. Normaal gezien zorgen dat soort zetels voor een rustige atmosfeer. Nu niet. Iedereen zit stijfjes in de lederen zetels. Hun rug raakt de leuning niet. Lijkbleek, wallen onder hun ogen. Weinig slaap gehad deze nacht? Join the club! Ik knik vriendelijk. Ik ontvang enkele knikjes terug en zie dat die blijk van erkenning het enige is wat ik van hen zal krijgen. Hun ogen vertellen me dat hun gedachten mijlenver aan het razen zijn. Wat een doods boeltje. Je zou denken dat het hier gaat om een wake. De aanblik van mijn medestudenten veroorzaakt een klik in mezelf. Welke uitkomst de commissie ook klaar heeft. Ik zal hem aanvaarden en niet bij de pakken blijven zitten. Ik heb te hard gewerkt voor mijn toekomst. Als dit mijn uitweg niet is, dan staat er een volgende kans om de hoek te wachten. “Clara?” Ik richt mijn blik op mijn moeder, de vastberadenheid staat zeker op mijn gezicht te lezen want ze lacht. “Dat is de Clara die ik ken. Heb steeds vertrouwen in jezelf. Positief denken is al de helft van de te overwinnen moeilijkheid.” Ze kijkt even naar de grond. Ik besef dat ze ook nerveus is. Ze neemt mijn handen, kijkt me aan met een blik die wil onderzoeken welke gevoelens er diep binnenin me borrelen en begint te fluisteren. “Clara, je weet dat ik 100 % achter je sta. Ik heb eigenlijk bijna geen twijfels over de uitslag van de commissie.” Ik onderbreek haar ogenblikkelijk “Je bent zeker van de uitslag? Wat bedoel je daarmee?Wat …”Ze zwaait met haar hand de kwestie weg. “Clara, doe jezelf niet dommer voor dan je bent. Denk goed na en je ontdekt het antwoord dat diep binnen in je verscholen ligt. Dit gaat over iets anders. Wanneer je vertrekt naar Brazilië, vertrek ik ook.” Mijn geest krijgt opeens meerdere alarmerende gedachten te verwerken. Verschillende sirenes gaan tegelijker tijd af en even weet ik niet op welke gedachte ik me eerst moet richten. Zoals altijd komen ze allemaal tegelijk uit mijn mond. “Vertrekken? Waarheen? Samen met mij? Bedoel je dat ik je hiermee pijn doe?” Voor ik met nog enkele vragen op de proppen kan komen onderbreekt ze me opnieuw. “ Neen, neen, dit heeft niets met jou te maken. Of misschien toch.” Ze stopt even met praten en probeert haar gedachten te ordenen. Ze begint opnieuw. “Je weet dat ik van je hou. Zielsveel. Je bent mijn alles. Mijn hele leven. Correctie: jij bent mijn leven. Onthoud goed dat je altijd het voornaamste zal zijn in mijn leven. Maar, nu je vertrekt is dat niet meer voldoende. Ik wil meer van mijn leven.” Ze wacht even voor ze doorgaat. Ik kijk haar verwachtingsvol aan. Wat gaat ze nu doen? Het antwoord komt. Het is zowel schokkerend als verlossend. Zowel logisch als volledig onverwacht. “Ik ga je vader verlaten.” Ik open mijn mond, maar ze legt er een vinger op. “Neen Clara, laat mee uitspreken. Ik verlaat je vader. Ik heb voldoende verdragen. Ik ga proberen om het laatste wat er van mezelf rest een nieuwe toekomst te geven. Ik ga mijn kans grijpen nu jij de jouwe grijpt. Ik wil nog zoveel beleven, er zijn nog zoveel dingen waarvan ik droom. Ik kan dit gevoel niet negeren zonder het laatste dat rest van mezelf te doden. Begrijp je dat?” Ze zwijgt en wacht op mijn antwoord. Ik overpeins mijn antwoord. Op het moment dat ik het doe besef ik dat ik niet handel als mijn gewone ik. Maar ja, bepaalde situaties vragen nu eenmaal om een andere aanpak. Ik denk na over mijn antwoord. Ik denk na! Ik weeg de gevolgen af. Mijn gedachten gaan naar mijn vader. De uitbarsting die hij zal hebben wanneer hij beseft dat dit het einde is. Het effect dat deze wenteling op zijn leven zal hebben. Hij zal dit niet te boven komen. Verbitterd zal hij iedereen laten boeten die iets verkeerd doet. Ik denk ook aan mijn moeder haar leven tot nu toe, het leven dat ze voor zich zal hebben als niets onderneemt en het “nieuwe leven” dat ze nu wil leiden. Het leven dat ze tot nu toe alleen geleid heeft in haar dromen Ik orden mijn gedachten en wil haar antwoorden. De dubbele deur op het einde van de wachtzaal gaat plotseling open. Iedereen springt recht uit de Sheffields als gestoken van een hele zwerm bijen. De gedelegeerde van de commissie komt naar buiten. Het is een oude man met een brilletje op. Stanley Bronson. Ik heb hem vaak op de campus zien rondlopen. Wat een muggenzifter. Steeds op zoek naar zaken waarover hij kon klagen. “Piept die deur nu nog steeds? Mogen die studenten daar eigenlijk wel rondhangen? Ik kan me niet voorstellen dat een zelfrespecterende campus zoiets toestaat!” Stanley is van middelbare leeftijd en woont nog steeds bij zijn moeder. Dat is toch de roddel die rondgaat op campus. Nu goed, hij komt de wachtzaal binnen, duidelijk genietend van de aandacht die hij krijgt. Gebogen alsof hij een zware last draagt legt hij de laatste stappen af tot hij tussenin de kandidaten staat. Grappig eigenlijk. Hij draagt de last van alle zenuwachtige mensen hier in de zaal. De enveloppe trekt mijn aandacht. Deze enveloppe bevat mijn toekomst. En die van mijn moeder. Ik besef dat ik haar nu niet kan antwoorden. Of wel? Ik beantwoord haar besluit met een glimlach. Een glimlach waarin ik al mijn liefde voor haar leg. Een glimlach die vertelt dat ik achter haar sta. De afgevaardigde schraapt zijn keel. Mijn aandacht gaat plotseling volledig naar hem uit. Weg zijn de gedachten aan mijn moeder, vader, toekomst. Alleen dit moment bestaat. Nu gaat het gebeuren. De man kijkt even observerend rondom hem. “De uitslag van de commissie is bekend. Eén van jullie gaat naar Brazilië om daar onderzoekend veldwerk te verrichten naar de leefpatronen van de Panthera onca palustris.” De man mijmert door over wat er allemaal dient te worden onderzocht, geobserveerd, genoteerd, … Wie had gedacht dat hij de uitslag nog eens zolang zou uitstellen? Ik voel de neiging op terug in de fauteuil te ploffen. Die commissieleden kunnen er iets van! “Clara Jansens.” Ik schrik op. Wat? Kan die man gedachten lezen? Heeft hij gemerkt dat ik niet luisterde? Tikt hij me op de vingers? “Proficiat, dame, ik hoop dat je goed werk verricht.” Och! Mijn God! Ongelofelijk! De last die ik de voorbije weken op mijn schouders heb meegedragen valt in één keer volledig weg. Ik zou wel kunnen dansen. Ah, wat maakt het ook uit. Die valse strebers kunnen hier wat van leren. Lesje expressie. “ Jihaaaaa! Ik ben gekozen!” Uit mijn ooghoeken zie ik iedereen verrast kijken naar mijn heel uitbundige imitatie van de befaamde Jackons moonwalk. Hoofdstuk 2: Een hobbelig begin                                                                                       “Cookies, pretzels or peanuts?” Half in slaap kijk ik op naar de stewardess. Ze heeft een komisch blauw hoedje aan. Ik geloof dat de ontwerper van haar uniform terug wou grijpen naar de jaren 60. Jaren 60 aan de zee, want ik moet even met mijn ogen knipperen tegen al het overtollige helblauw. Schattig eigenlijk. De omschrijving schattig telt wel enkel en alleen voor haar uniform. Terwijl mijn blik van haar hoedje naar haar gezicht glijdt, besef ik dat jaren in de lucht een rampzalig effect gehad hebben op haar huid. Deze vrouw heeft duidelijk dringend nood aan een gelaatsverzorging. Misschien zelf iets drastischer. Botox? Lijkt me dweilen met de kraan wagenwijd open. Facelift? Check! De dag van vandaag is zoiets toch algemeen aanvaard? Niets om je voor te schamen. Minder reden alleszins dan om met zo’n gehavend gezicht rond te lopen. Ik roep mezelf tot de orde. Wat een slechte gedachte! Terwijl ze zo lief naar me kijkt. Ze wacht geduldig tot ik haar vraag beantwoord. Oja … haar vraag. Wat was die alweer? Waarschijnlijk is de verwarring op mijn gezicht te lezen want ze vraagt opnieuw: “Cookies, pretzels or peanuts?”. “Cookies” Natuurlijk! Geen reden om mijn dagelijkse suikershot te weigeren. De vrouw geeft me mijn speculaaskoekjes en duwt haar karretje naar de rij achter mij. Ik hoor haar zeker nog 10 keer dezelfde vraag stellen voor ze uit het gehoorsafstand is. Terwijl ik de koekjes opeet gaan mijn gedachten terug naar deze gisteren. De momenten na de uitslag van de commissie zijn eigenlijk behoorlijk wazig. Het enige wat ik me nog herinner zijn de jaloerse blikken van mijn medestudenten. Ze probeerden beleefd te knikken vooraleer ze het teleurgesteld afdropen. Een proficiat kon niemand van de 11 studenten over zijn lippen krijgen. Lelijke karakters. Daarom noem ik ze ook medestudenten en geen vrienden. Vrienden heb ik eigenlijk niet gemaakt op campus. Ik moet wel eerlijk toegeven dat ik niet zo’n sociaal type ben. Ik heb het vaak moeilijk om het eerste contact te leggen. Eenmaal die drempel gepasseerd is kan ik wel heel humoristisch zijn. Ik heb wel de lelijke karaktereigenschap dat ik behoorlijk veeleisend kan zijn. Ik sta bijvoorbeeld niet toe dat mijn vrienden me laten staan in moeilijke tijden, roddelen, geniepig zijn, geheimen hebben, niet te vertrouwen zijn, geen inhoud hebben, een laag intelligentieniveau hebben, … Ja, ik denk dat je het plaatje wel begrijpt. Moeilijk is een omschrijving die je wel op mij kan plakken. Maar hé! Als ik het zelf reeds besef is ’t al goed zeker? Zelfkennis is de eerste stap naar wijsheid. Om het beeld dat je nu van me hebt iets te verzachten moet ik dit wel vermelden. Eenmaal ik een vriendschap heb, ga ik er volledig voor. Ik geloof dat de uitdrukking door het vuur gaan voor iemand echt niet misstaat. Het afscheid van mama herinner ik me wel. Zij is eigenlijk mijn beste vriendin. Iemand die je nooit in de steek laat en er altijd voor je is. Onvoorwaardelijk. Ze was ondersteboven van geluk. Verrast was ze zeker niet. Ze wist dat “that one Lucky Bastard” zou zijn. Ze was er zelf zo zeker van dat ze alle plannen rondom haar vertrek al gemaakt had. Op dit moment is ze waarschijnlijk al bezig met haar spulletjes weer uit te pakken samen met Anne, haar beste vriendin. Anne en ik komen redelijk goed overeen. Het belangrijkste is dat ze van mijn moeder houdt. Ze komt steeds voor haar op. Mijn moeder heeft haar zelf eens moeten tegen houden. Ze ging het fysiek opnemen tegenover mijn vader! Stel je voor. Dat kleine tengere vrouwtje tegenover een boom van een vent. Ze zou zelf zijn ogen niet kunnen uitkrabben want die liggen volledig buiten haar bereik. Haar strijdvaardigheid en trouw tegenover mijn moeder is de reden waarom ik Anne aanvaard. Niet omdat ze zo buitengewoon is, maar omdat ze de beste vriendin van mijn moeder is. Punt! Voor altijd. Zulke mensen vinden in je leven is zeldzaam. Je moet ze vasthouden. Mijn moeder had ook mijn bagage al ingepakt. De stiekemerd! Niets hoefde ik nog te doen. Gewoon genieten van mijn laatste avond in België. Het zal welgeteld één jaar duren vooraleer ik terugkeer. En dan zal alles anders zijn. Misschien keer ik wel niet terug. Wie weet? Een wereldreisje misschien? Hallo? Aarde aan Clara … een wereldreis met welk geld? Typisch voor mij. Ik droom altijd over van alles en nog wat. Realistisch is echter nooit geen kernwoord. Belachelijk eigenlijk, maar toch doe ik het graag. Ik betrap mezelf heel vaak op dagdromen. Over reizen, mannen, ontdekkingen, avontuur, … Op het perron waar we afscheid namen, sloeg mama haar armen om me heen. Ze drukte me zo hard tegen zich aan dat ik het gevoel had dat ik breekbaar was. De tranen stroomden over onze wangen. Wat hebben we gezegd? Eigenlijk niets. Er was niets te vertellen. We wisten dat er geen contact mogelijk was. Geen internet. Geen brieven. Niets. Beiden waren we ervan overtuigd dat we elkaar ontzettend gingen missen. Ik bijvoorbeeld wist dat er heel veel nachten in de toekomst zouden zijn dat mijn tranen het hoofdkussen in een klein poeltje zouden veranderen. Maar ja, in je leven moet je soms vooruit. Ik denk dat mijn moeder trouwens altijd al geweten heeft dat ik niet bij de pakken zou blijven zitten. Als kind kon ik het niet en ik zal er nu zeker niet aan beginnen. Ze liet me uiteindelijk ontsnappen uit haar omhelzing. Nog één keer streelde ze over mijn wang, drukte een cadeautje in mijn hand en vertrok. Ze is niet blijven wachten tot de trein kwam. Ik begrijp haar. Het was te moeilijk. Ze heeft ons beiden veel pijn bespaard. Het cadeautje ligt nu in mijn hand. Er hangt een klein kaartje aan. Ik doe het open. Ik zie in een oogopslag dat overduidelijke handschrift van mijn moeder. Op sommige plaatsen zijn de letters wat uitgelopen. Haar tranen hebben haar kaartje bijna onleesbaar gemaakt. Ik streel met mijn vinger over de letters. Zo attent. Een heimelijke glimlach streelt mijn gezicht, tijdens het uitpakken van haar bagage zal ze ook een briefje vinden. Ze zal blij zijn en het in haar portefeuille bewaren. Ik richt mijn aandacht opnieuw op het kaartje, verzamel mijn moed en begin te lezen.   Lieve hartendief Ik geef je dit kaartje mee zodat je een 3 kleine deeltjes van mezelf bij jou hebt. Een deeltje dat jou zal steunen als je verdrietig bent, een deeltje dat in jouw geluk zal delen op zalige momenten en een deeltje dat alle momenten die jij beleeft ook wil ervaren. Ik hoop dat je een fantastische tijd beleeft, dat je groeit en evolueert. Maar vooral dat je een nieuwe manier van leven ontdekt. Ik hoop dat dit de eerste stap is naar een leven vol avontuur en bovenal vrijheid. Weet dat je altijd in mijn gedachten bent. Mama. Ik sluit het kaartje met prikkende ogen. Ik knipper eens om de tranen naar achter te duwen en steek het kaartje in mijn portefeuille. Haar attentie doet me denken aan jaren geleden. Aan één van de vele keren dat mijn vader een poging ondernam om de relatie tussen mezelf en mijn moeder af te zwakken. Hij stuurde me op internaat. Elke zondagavond ging ik met mijn valiesje de deur uit. Maar niet zonder een zijden sjaaltje van mama met een beetje parfum van haar. Mama had alweer een uitweg gevonden. We waren verbonden. Het geschenkje in mijn handen ziet er zo koddig uit. Ik maak het heel voorzichtig open. Zonder iets te scheuren. Er zit een vierkant, paars doosje in. Ik til het dekseltje voorzichtig op. Een glimlach verspreidt zich over mijn gezicht. Het is een dromenvanger. Op de achterkant van het dekseltje heeft mama geschreven “Sweet dreams”. Hoe is het toch mogelijk dat ze me zo goed kent. Soms vraag ik me af of ik ooit iets zou kunnen doen wat ze niet verwacht. Ik neem het hangertje uit het doosje en bevestig het rond mijn hals. Zachtjes speel ik er mee tot mijn gedachten overgaan in een diepe slaap. Ik loop in een bos. Het bos lijkt geenszins op onze Belgische bossen. Het is er zo kleurrijk. Exotische bloemen. watervangend planten. Ze groeien aan de grond, maar ook in de lucht op takken van gigantische bomen. Ze bewegen zachtjes heen en weer op een licht briesje. De geur is ook heel specifiek. Vol met allerlei aroma’s van planten, dieren en bomen. Er is mist. Ik zie heel weinig, alleen mijn directe omgeving. Ik voel een drang om voorruit te lopen. Al strompelend beweeg ik me door de dichte begroeiing. Mijn voeten stoten voordurend op van alles en nog wat. De mist aan mijn voeten is te dik om een poging te doen om de begroeiing te ontwijken. Nog voor ik de verandering kan zien in de omgeving, ruik ik ze in de geur van het woud. Een metaalachtige geur drijft naar me toe. Een kille luchtstroom doet de haartjes op mijn armen rechtstaan. Een meer strekt zich voor me uit. Of eerder een moeras. Dorst, zo’n dorst heb ik. Ik hurk neer. Maak van mijn handen een kommetje en wil wat water opscheppen. Ik schrik plotseling op door een innemend gegrom of gespin? Mijn ogen speuren de mistige omgeving af. Een kat zit op nog geen 6 meter van mij. Wat zeg ik? Een kat? Absoluut niet, een gigantische beest is een betere omschrijving. Het beest is gitzwart en vast bijna 2 meter lang. Ze zit gehurkt net als ik. Al denk ik dat ze met die positie een heel ander doel heeft dan water scheppen. Heel voorzichtig beweeg ik me naar het water toe. Mijn hart klopt in mijn keel. Het water is mijn enige uitweg. Ja, ik weet het. Katten kunnen zwemmen. Er hangt echter een tak in het water waaraan ik me kan optrekken. Ik koester één wens: hopelijk kan dat beest niet springen terwijl het zwemt. Want dan zal mijn ontsnappingspoging op niets uitdraaien. De daad bij het woord zettend, beweeg ik zachtjes naar voren. De kat gromt luider en sluipt dezelfde afstand dichterbij. Oei, oei, oei dit gaat verkeerd. Plan B. Ik schiet recht met de grootste snelheid die ik bijeen kan rapen en spurt het water in op zoek naar veiligheid. Ik zie uit mijn ooghoeken dat de kat in actie schiet. Voor ik met mijn ogen kan detecteren waar de het beest zich precies bevindt, voel ik een verplaatsende windvlaag mij voorbijgaan. Met één sprong staat ze opeens 2 meter verder dan mij in het water. Het moeraswater bereikt bijna haar schofthoogte. Ik kom met een ruk tot stilstand. In paniek zoek ik naar een andere uitweg. Ik voel mijn benen hevig trillen, heb moeite me te concentreren en uiterlijk kalm te blijven. Voor ik de uitweg gevonden heb zie ik dat de kat niet langer naar mij kijkt. Ze zit opnieuw in een gehurkte pose met haar rug naar me toe. Ze sluipt stilletjes achteruit. Opeens gaat mijn blik naar hetgeen wat de kat al veel langer moet opgemerkt hebben. Een alligator! Oh Shit! Ik draai me om en probeer vliegensvlug te strompelen. Mijn voeten worden bij iedere stap in de modder vastgezogen. Ik oefen steeds meer kracht uit en verlies daarbij een schoen. Ik negeer de uitstekende schoen die lichtjes dieper zinkt in het moeras en verdubbel mijn inspanningen. Het moeras uit! De stem van de piloot schalt door de microfoon. “Fasten your seatbelt and prepare for landing.” Ik moet in slaap gedommeld zijn. Mijn droom hangt nog vers in mijn geheugen. Ik voel de haartjes op mijn armen rechtstaan, een huivering loopt doorheen mijn lichaam. Wat een vreemde droom. Onmiddellijk denk ik aan het verklarende dromenboek dat op mams nachtkastje ligt. Mijn vingers tintelen om de droom op te zoeken en nader te verklaren. Wat natuurlijk niet kan omdat ik het boek simpelweg niet bij me heb. Uiterst jammer. Dat is trouwens nog zo’n eigenschap die mijn vader de stuipen op het lijf jaagt. Meneer “eerst zien en dan geloven”. Al dat spirituele gedoe kan hem gestolen worden. Een glimlachje glijdt over mijn gezicht. Mams vertelde me dat hij in de begintijd van hun huwelijk haar dromenboek altijd verstopte. Het gaf hem rillingen te denken dat zijn dromen enige betekenis konden hebben. Kreeg ik daarnet ook geen rillingen? Misschien lijkt ik toch meer op hem dan mijn hart lief is? Ik kijk rond me. De lichtjes, die aangeven dat we onze veiligheidsgordel moeten aandoen, flikkeren. Het bekende tintelende gevoel in mijn buik vertelt me dat het vliegtuig net een duik omlaag heeft genomen. Ik grijp naar de twee uiteinden van de gordel en merk dat de dromenvanger nog steeds op mijn schoot ligt. Hoe ironisch. Moet die niet voor goede dromen zorgen? Voorzichtig berg ik hem op en wacht ongeduldig tot ik mijn eerste stapjes kan zetten naar mijn nieuwe leven. Misschien niet zo spectaculaire stapjes als Neil Armstrong, maar wel grensverleggend voor mijn eigen leefwereld. En op dit moment is dat ruim voldoende. Terwijl ik dit doe zwermen de instructies van Stanley Bronson door mijn gedachten. “ Je zal landen in de staat Roraima. De luchthaven is gebouwd nabij de hoofdstad Boa Vista. Roraima grenst aan Venezuela in het noorden. In het zuiden ligt jouw doelgebied. De Amazone. Je weet trouwens toch waarvan de naam Boa Vista is afgeleid?” Hij neemt me kritisch op. Ik knik gretig en zet een gezicht op alsof hij een domme vraag stelt. Natuurlijk weet ik dat … niet! Gewoon knikken. Niets laten merken. Hij gaat door met zijn uitleg “ In Boa Vista moet je overstappen. Het volgende vliegtuig neemt je mee naar het zuidelijke gelegen Manaus. Hier begint het avontuur. Neem een taxi naar meest het zuidelijk punt van de stad. Hier vind je Travessia Manaus. Vanuit deze kleine aanlegplaats vertrekken een aantal boten. Het is niet, en ik herhaal niet, de bedoeling dat je één van deze boten neemt. Je moet echter op zoek gaan naar deze man.” Stanley duwt me een foto in de hand. Er staat een klein, bruin mannetje op. Ik kan niets noemenswaardig opsommen om dit dwergje te omschrijven. Er valt me gewoon niets op. Klein en rond. Behalve zijn ogen. Ze glinsteren van plezier. Je zou bijna zeggen dat deze foto voor een geliefde bedoeld is. De ogen brengen een liefde over waarvan ik even moet slikken. Stel je voor dat mijn vader ooit zo naar mijn moeder gekeken heeft. Een gevoel van verlatenheid overvalt me. Onwaarschijnlijk. Echte liefde is er nooit geweest. Nu ik er over nadenk heb ik nog nooit gezien dat een man onvoorwaardelijk van een vrouw hield. Jane Austen zat er goed naast. Ze leefde in een liefdeloze omgeving en zocht dan maar naar een uitweg via haar boeken. Had ze beter niet gedaan. Nu leven wij nog steeds in een maatschappij van vrouwen die naar liefde snakken en mannen die daar gretig gebruik van maken en zo nu en dan de stoelendans uitproberen. “Jack, is zijn naam.” Mijn aandacht keert terug naar Stanley. “Jack? Dat lijkt me geen natuurlijke naam voor een native.” Stanley kijkt aan met zoveel minachting dat ik me letterlijk 3 centimeter kleiner voel worden. Wat heb ik nu miszegt? Met een zucht besluit hij toch te antwoorden op mijn duidelijk uiterst idiote vraag. “De namen van de Yanomani zijn taboe. Ze worden niet luidop uitgesproken. Zeker niet bij vreemdelingen. Vandaar dat deze Yanomaniman zichzelf Jack heeft genoemd.” Hij bekijkt me alsof ik een uk ben van 3 jaar. Heeft hij het ultramoeilijke verschijnsel voldoende duidelijk uitgelegd? Hij heeft zeker al spijt dat ze mij uitkozen. Ik besluit het onbehaaglijke gevoel van me af te schudden. Ze kunnen immers toch niet meer terug. Ik geef hem een triomfantelijke glimlach. Hij knikt. “Goed, Jack dus. Hij zal je opwachten bij Travessia Manaus. Van daaruit brengt hij je met zijn boot naar zijn contactpersoon die je zal voor stellen aan een Yanomani stam die verder op langs de Rio Negro leeft.” Hij knippert met zijn ogen. Een bedachtzame blik glijdt over zijn gezicht. “Ik denk dat ik je hierbij voldoende informatie heb gegeven. Misschien nog enkele tips. Neem een kaart mee van het gebied, zorg dat je wat gelezen hebt over de Yanomani zodat je niet te veel flaters slaat en ons in slecht daglicht brengt. Vergeet je veldapparatuur niet zonder kan je immers geen goed werk verrichten.” Met een laatste knikje en een bijna onhoorbaar “Clara” draait Bronson zich om en schrijdt met langzame stappen de wachtzaal uit. Een enorme knal brengt me tot de werkelijkheid. Verschrikt kijk ik om me heen. De vrouw naast lacht minzaam. Zal ik daar maar uit afleiden dat er niets is misgelopen? Opeens stijgt er een daverend applaus op vanuit het vliegtuig. Een applaus? De vrouw naast me heeft haar minzaam lachje vervangen door een geërgerde blik. Ze geeft me een stoot en sist “Het is beleefd om de piloot te bedanken. Hij heeft ons veilig aan de grond gezet!” De grond? Ah! De grond. Brazilïe! Yanomani! Panthera! Here I come. Bedachtzaam doe ik mee met de kudde. Ik applaudisseer. De weg doorheen de luchthaven leg ik vlug af. Verdwalen doe ik niet. Volg gewoon de mensenmassa en je komt automatisch bij de bagageclaim, de uitgang en achtereenvolgens bij een taxi die je afzet waar je ook maar wil. De taxi is geel. Net zoals in de films. Ik trek de deur van de eerste taxi in de lijn open en plof me neer op de achterzetel. “Adondé?” De chauffeur kijkt me vragend aan. Wat vraagt hij nu in hemelsnaam? Mijn brein zoekt naar mogelijke oplossingen in de paar secondes die voorbij gaan. Mijn gezicht klaart op bij het vinden van een mogelijkheid. Als een bezetene begin ik mijn rugzak overhoop te halen. Typisch. Als je wat moet hebben zit het altijd volledig onderaan. Tegen de tijd dat ik alles uit mijn rugzak gehaald heb en de broodnodige “Spaans voor Dummies” gevonden heb tikt de bestuurder geërgerd op de kilometerteller/ tijdteller van zijn taxi. God, wat een ongeduldige man. Ik haast me bijna dood en dan nog zegt hij me op duidelijk verstaanbare wijze dat de tijd en dus ook de prijs vooruit loopt. Nu goed, ik schud mijn ergernis van me af en probeer me het woord te herinneren waarmee hij me aansprak. Die inspanning heeft duidelijk niet veel zin want niets springt me te binnen. Nieuwe poging dan maar. Ik zoek woord voor woord de zin op die ik probeer te vertalen. “Quiero ir Travessia Manaus.” Nu maar hopen dat hij mijn letterlijk vertaalde zinnetje begrijpt en ik zo toch in Travessia Manaus beland. De chauffeur kantelt even zijn hoofd opzij met een bedenkelijke expressie op zijn gezicht en knikt dan. Hij draait zijn sleutel om in het contact en geeft gas. In Hollywoodproducties heb ik veel taxichauffeurs gezien. Geen enkele van die bestuurders trekt ook maar in het minst op mijn bestuurder. Een uniek specimen is het. In de achteruitkijkspiegel lijken zijn ogen bijna gitzwart. De pupillen zijn amper te onderscheiden van zijn irissen, zo groot zijn ze. Zijn lange haar dat zijn gezicht omrandt, is in een soort carreetje gesneden. De kleur van zijn huid is zo vergelijkbaar met een lekkere café latte dat het mijn smaakpapillen in gang zet. Had ik maar wat meer gegeten op dat vliegtuig. Of beter nog : de Starbucks op de luchthaven een bezoekje gebracht. Want het eten was ronduit walgelijk. Gewoonweg niet binnen te krijgen. “Spaghetti Bolognèse” noemden ze dat. Het was eerder vergelijkbaar met een platgestapte moes van overrijpe groenten en slecht uitgekookte pasta. Dat is tenminste een vergelijking die mijn ogen en neus opmerkten want ik heb er allerminst van geproefd! Nu goed, de man voor mij is duidelijk een indiaan. Of heeft op zijn minst die genen. Hij behoort duidelijk niet meer tot een stam. Anders zou hij hier niet zijn. Wat me ook opvalt is zijn kledij. De eerste link die ik leg is Ocean eleven. Het uniform dat hij draagt is overduidelijk dat van een croupier. Een wit hemdje met daarboven een ondervestje dat je normalerwijze onder een vest draagt. Het vestje is knalrood. Ik kan nog net zien wat er in zwarte letters op zijn rechterborstkas gestikt is. MHC, Manaus Hotels & Casinos. De link tussen een taxichauffeur en een croupier is me even bijster. Hoe hard ik er ook over nadenk, ik kan me geen logische verklaring bedenken. Bijjob? Ik open mijn mond om een te vissen naar zijn achtergrond. Bedenk me en haal eerst mijn dagboek en een pen te voorschijn. Ik heb me voorgenomen om al mijn vergaarde kennis op te schrijven. Terwijl ik mijn gedachten neerschrijf gaat de melodie van Iggy pops passenger door mijn hoofd. “I am the passenger and I ride and I ride. I ride through the city's backsides. I see …. “ eenwegbordje in mijn oogveld springen met daarop “010 Acoatiara”. Acoatiara? Geen flauw idee waar dat ligt. Maar één ding weet ik wel! Ik moet helemaal niet naar een andere stad. Met een ruk snok ik mijn rugzak van onder mijn stoel, trek de rits bijna stuk en roefel opnieuw in de rugzak tot ik mijn stafkaart van Brazilïe te pakken heb. Mijn bevende vinger gaat haastig over de vele steden die mijn ogen bijna weigeren te lezen. Opeens zie ik het. Ik moet helemaal niet naar Acoatiara! Dat ligt volledig de andere kant uit. Hij rijdt naar het Westen, terwijl ik naar het Zuiden moet. “Hey! Travessia Manaus is where I am headed. Where are you taking me?” De taxichauffeur zijn ogen blijven vooruit staren. “Hey!” Geen reactie. Mijn hart begint te bonzen. Mijn gedachten razen. Wat te doen? Ik staar naar de deur naast me. Ik ruk aan het portier. Op slot. Opnieuw probeer ik de aandacht van de quasi-indiaan te trekken. Totaal geen respons. Ik weet niet meer wat te doen. Ik begin in paniek naar de voorbij rijdende auto’s te zwaaien. Ze zwaaien terug. Ze zwaaien terug! De idioten. Zien ze dan niet dat ik panikeer en niet de stomme toerist uit hang. Mijn blik gaat opnieuw naar de chauffeur ik kan hem niet aanraken door het raampje dat ons scheidt, maar misschien helpt dit. Ik sla met alle kracht die ik in me heb op het raampje. Niets, nada, nopes. De rit gaat door. De man is zich van geen kwaad bewust. Zo lijkt het toch. Mijn uitbundige zwaaien, tieren, bonzen heeft zich vervangen door af en toe een angstige snik. Troostzoekend streel ik zachtjes over de dromenvanger. Tot ik lichtjes kalmeer. Mijn ademhaling wordt rustiger en mijn oogleden worden zwaar. Uitgeput val ik in slaap. Ik ben terug. Terug in het mistige, drassige moeras. Niet opnieuw! De rillingen teisteren opnieuw mijn lichaam. Het herinnert zich beter dan ik hoe beangstigend onze vorige ervaring was op deze plek. Ik kijk even rondom me en merk recht voor me meteen de fluoriserende ogen op. Opnieuw een alligator? Hoe dan ook. Ze blijven op een afstand. Ik weet dat het niet verstandig is om een wild dier je rug toe te draaien, maar toch doe ik het. Ik wil zo snel mogelijk een grote afstand tussen mezelf en die ogen scheppen. Weg ermee! Opnieuw voel ik de huivering die door mijn lichaam. Ik krijg het er koud van terwijl de temperatuur zeker oploopt tot 35 graden Celcius. Ik haast me vooruit. Strompel door het lage struikgewas en hoop tegelijkertijd dat ik op geen insecten stoot ter grote van mijn eigen handen. Als er iets is waar ik een nog grondigere hekel aan heb dan fluoriserende, achtervolgende ogen dan zijn het dieren met een teveel aan poten. Noem maar op, het maakt niet uit wat, als het dier meer dan 4 poten heeft dan kan de gedachte alleen al me de stuipen op het lijf jagen. Nu ik het toch over de duivel heb, wil ik even verifiëren of hij me nog aan het bespieden is. Ik draai me stiekem half om en sta op slag stil. Ik loop hier naar mijn eigen tijdgevoel al een halfuur te ploeteren en die ogen zitten nog altijd op precies dezelfde afstand bij me vandaan. Hoe is het mogelijk? Wat kan ik doen om dat beest kwijt te geraken? Opnieuw word ik uit mijn droom gerukt. De taxi is plotseling gestopt. Een gevoel van berusting gaat door me heen. Mijn luchtwegen staan weer wagenwijd open en de zuurstof die ik daardoor binnenkrijg geeft me een boost. Opgelucht kijk ik rondom me. De taxichauffeur kijkt geërgerd naar me terwijl hij met zijn wijsvinger op de taxiteller tikt. De rode digitale cijfers tekenen het getal 432. Wat? 432 real? Hoe is het mogelijk. Die idiote indiaan neemt me mee naar wie weet waar en ik moet betalen? Die man ziet het goed zitten. Ik tuur uit het taxiraampje en zie verschillende mensen rond de taxi lopen. Auto’s toeteren al. “Hoy! Or police.” Vult hij in gebrekkig Engels aan. Dit kan toch niet mogelijk zijn? De man wil werkelijk dat ik het geld ophoest. Moet ik het doen? Als ik betaal, ben ik tenminste van hem af. Ik neem dan gewoon een andere taxi. Terwijl ik naar mijn geld zoek slaat de twijfel toe. Moet ik zo gemakkelijk opgeven? Is dit het gedrag die mijn moeder me toont met haar moedige stap? Het is mijn schuld toch niet dat die man me duidelijk volledig verkeerd verstaan heeft? Hij zou beter eens langsgaan bij het brandweerdepartement! Niets van. Ik betaal niet! Op het moment dat ik dit besluit neem begint mijn hart als vanzelf te bonken. Het klopt zo hard in mijn oren dat ik de voorbijgangers op straat nauwelijks meer kan horen. Voorzichtig blijf ik veinzen op zoek te zijn naar het geld terwijl mijn actieplan bedenk. Ik werp een vlugge blik op mijn rechter zijdeur en zie dat het pinnetje al naar boven wijst. Het slot zal vast opengesprongen zijn bij het afzetten van zijn motor. Ik besluit het op een rennen te zetten. In één beweging scharrel ik mijn trekrugzak mee en gooi de deur open. Wat een geluk dat ik geen koffers bij me heb. Met een explosie van kracht duw ik mezelf af van de auto en probeer zo snel mogelijk bij de taxi vandaan te sprinten. Uit mijn ooghoeken zie ik de man uit zijn auto strompelen en achter me aan komen. Eenmaal hij op zijn benen staat is hij verassend snel. Naarmate ik verder spurt raken mijn benen vermoeid en de chauffeur lijkt van dat verschijnsel geen last te hebben. In paniek speur ik de omgeving af. Wie kan me helpen? De paniek zinkt door in mijn benen en ik voel ze tegelijkertijd verstijven. Niet nu! Ik ben nooit geen hardloper geweest. Had ik vaderlief toch maar geloofd dat het in bepaalde situaties mijn leven zou kunnen redden. Had ik me toch maar ingeschreven in die vervloekte atletiekclub. Te laat daarvoor. Ik de gebouwen langs me voorbij gaan. Te langzaam. De man is nu minder dan 2 meter van me verwijderd. Hij roept me niet na. Wat me op zich al angst in boezemt. Blaffende honden bijten niet? Ha! Deze hier blaft niet. Terwijl ik me steeds meer op de man achter me concentreer, verlies ik mijn vluchtweg uit het oog. Ik bots frontaal op een passant. Door de impact beland ik languit op het voetpad. Niet aarzelen nu. Ik probeer alweer recht te krabbelen als mijn arm wordt vastgegrepen. Nee! Wat nu? Verwilderd en tegelijkertijd bevend van angst kijk ik rondom me op zoek naar een mogelijkheid. Hé? Ik zie de taxichauffeur net zwaar ademend halt houden voor mijn neus. Wie? Het is de voorbijganger die mijn arm vastheeft. Hij draagt het uniform van een portier. Volgens zijn naamkaartje heet hij Juan Carlos. Achter hem rijst inderdaad een groot hotel op. El transeunte. De portier heeft een rond gezicht met grote bruine reeachtige ogen. Het boezemt me vertrouwen in. En ik denk dat mijn intuïtie gelijk heeft want zijn houding veranderd van vertrouwenspersoon naar buitenwipper als hij de chauffeur in zich opneemt. “Whatstheproblem?” euh…? Hij spreekt de woorden zo snel na elkaar uit dat ik er eigenlijk weinig of niets uit kan opmaken. Spaans? Engels? “What the problem?” Herhaalt hij. Hoorbaar laat ik een zucht van verlichting horen. Misschien kan deze man me toch helpen? Ik leg hem het hele verhaal uit. Dit is niet de plaats waar ik hoor te zijn! Charlie hoort mijn verhaal geduldig aan. Het moet wel snel gaan want een eind verder hoor ik het claxoneren van de auto’s steeds luidruchtiger en agressiever worden. Straks wordt er eentje zo kwaad dat hij woest naar ons toe stapt. Tegenwoordig weet je trouwens nooit wat ze op zak hebben. Een kettingzaag? Brr een rilling doorkruist mijn lichaam. Juan interpreteert mijn zichtbare rilling voor angst van de chauffeur en vat de koe bij de horens. Hij begint een zachtaardige monoloog met de duidelijk gestoorde chauffeur. De monoloog houdt aan. In het begin hoor ik nog af en toe vragende pauzes afkomstig van Juan maar hij geeft het snel op. Uiteindelijk hoor ik dat zijn stem een strenge naklank krijgt. Juan maakt ook een wuivend gebaar waarvan de minachting afdruipt. Meneer vertrouwenspersoon is absoluut vervangen door de held van de dag. Een triomfantelijk gevoel glijdt door mijn lichaam en ik voel dat een glimlach mijn gezicht in tweeën splijt. Gelukt! De bestuurder haalt zijn schouders op en druipt het af. Ik wil Juan omhelzen van geluk! Ik temper mijn uitbundige reactie en geef hem een hartverwarmende glimlach in de plaats. Je weet maar nooit. Ik wil geen twee keer op dezelfde dag in de problemen geraken met deze Braziliaanse mannen. Juan beantwoord mijn glimlach. Terwijl hij met zijn hand hoog in de lucht wuift, voegt hij eraan toe “ Watch out. Many brazil people addicted.” Ik frons even. Hij probeert zichzelf te verduidelijken “Drugs. Addict.” Het verkeer voor ons rijdt ondertussen alweer vlotjes door. De verslaafde taxichauffeur zal de weg terug gevonden hebben naar zijn auto. Een andere taxi, geroepen door Juan, stopt voor de stoep. Juan Carlos tuurt even bedachtzaam naar het gezicht van deze bestuurder. En knikt uiteindelijk. “Travessia Manaus.” Hij geeft me nog een toegeeflijk glimlachje en buigt zachtjes. En weg ben ik.

Stéphanie De Backer
0 0

Lul

Op de bus. Hij was net ontwaakt uit de sluimerige droomwereld waarin hij was meegezogen door een spannend boek. Hij was nog net bezig het boek terug in zijn lederen boekentas te steken toen hij het hoorde. Ding! Iemand wilde er aan de volgende halte af. Op zich geen probleem, ware het niet dat de volgende halte de eindhalte van deze lijn was en er dus totaal geen reden tot bellen was. De chauffeur zou hier in ieder geval stoppen en iedereen zou de bus moeten verlaten, of ze nu wilden of niet. Op dit moment kwam de oude sarcastische lul in hem naar boven en maakte de fnuikende opmerking: ‘pfff, gij pakt ook dikwijls de bus zeker!’. Hoewel deze stem enkel in zijn hoofd te horen was, schrok hij van zijn plotse aanwezigheid. Het was vooral de volkomen natuurlijkheid waarmee deze stem zich manifesteerde waarover hij verbaasd was. Het is het soort stem waarvan, moest iemand anders ze openlijk gebruiken, hij een gevoel van medelijden kreeg bij de gedachte dat de eigenaar van de stem wel diep ongelukkig moest zijn om zich zo druk te maken in zulke pietluttigheden. Hij wist altijd wel dat een dergelijke stem in hem aanwezig was. Hij ging ervan uit dat iedereen een dergelijke stem in zich had, sluimerend in het onderbewustzijn. Zo ging hij er ook van uit dat iedereen een grapjas, een bemiddelaar, een optimist, pessimist, oude vrijster, vaderfiguur en zelfs een psychopathische moordenaar in zijn psyche verborg. Het ging er uiteindelijk alleen maar om welk deel van je geest je de toestemming gaf om naar voren te komen en te groeien. Maar wanneer was sarcastische oude lul bij hem beginnen groeien? Wanneer had hij sarcastische oude lul naar voren laten komen? Terugdenkend aan hoe natuurlijk de stem zich had gemanifesteerd, moest hij toch al lang genoeg de kans hebben gehad om te groeien. Deze oude lul was geen amateur. Hij probeerde terug te denken wanneer hij deze stem de eerste keer had gehoord. Hij kon zich niet voorstellen dat hij de lul als kind al had toegelaten. Toch kon hij zich geen officiële première voor de geest halen. Was hij nog tiener, was hij al twintig geweest, was hij al vader? Plots kwam als één of andere guerrilla strijder een veel beklemmender gedachte bij hem op. …valt de lul nog te stoppen? Is dit de toekomst die ik tegemoet ga? Om de rest van mijn leven op alles met een afschuwelijk sarcastische gedachte op de proppen te komen. Zal ik zo iemand worden die deze gedachte uiteindelijk ook de kans geeft om te pas en te onpas uit mijn mond te komen? Alsof hij deze verschrikkelijke gedachte wou bevestigen en kracht bijzetten, sprak de verbitterde oude lul weer: “En dan gast!” Hij besloot zich hier niet meer druk over te maken. Druk maken was enkel voedsel voor de lul. Het zou wel een logische reactie zijn op een busreis. Leek iedereen op de bus immers niet sarcastisch en verbitterd? Het zou wel een simpel gevolg zijn van het feit dat er op zo’n bus immers enorm veel is om zo op te reageren. De Lijn is een goede kweekbodem voor sarcastische oude lullen. Het beste bewijs hiervoor zijn waarschijnlijk wel de chauffeurs! Deze laatste gedachten leken hem enigszins gerust te stellen. In werkelijkheid was het enkel de oude sarcastische lul die zich tevreden een beetje terugtrok. Tevreden over het vele voedsel dat hij met deze laatste gedachten had gekregen. Volgevreten en gelukzalig trok de lul zich terug in een sluimertoestand, met nog net genoeg tijd om  tevreden te denken: “..straks,..straks weer … met de bus naar huis toe.”

Rule
0 0

Cirkels

Ik zie gras dat groen schijnt, zon die wegglijdt, jasmijnbomen in bloei, licht dat naar het westen verschuift. Soms ook een duif die me negeert. Wanneer ik op het glas tik, vliegt ze weg. Andere vogels maken een omweg wanneer ze mijn tuintje naderen. Je zou je haast afvragen waarom ik aan dat verrekte raam ga staan als niemand mij een blik gunt. Ik heb mijn redenen. Zo controleer ik of de kippen nog leven. Sinds een jaar ben ik opgehouden met hen te voederen, maar ondanks hun uitgemergelde lijfjes strompelen ze hier nog steeds rond. Ik begrijp niet hoe ze het voor elkaar krijgen. Om voedsel te scharrelen, kunnen ze enkel in mijn tuintje van vier op vier terecht. Daarom verdenk ik de buurvrouw van medeplichtigheid, die van het tweede raam op het vijfde verdiep. Mijn tuin is haar uitzicht, mijn kippen kent ze al lang. Ze durfde er vroeger al eens een babbeltje tegen te slaan. Zonder mijn toestemming. Dat was schrikken. Die schrille stem die plots op je gras tuimelt. Mijn kippen antwoordden haar nooit. Ik wil niet beweren dat ze dat arrogant bedoelden. Ik denk dat ze daar gewoon geen zin in hadden, in die nasale klanken. Niet dat ik die mening met mijn kippen deelde. Ik liet hen betijen omdat ik hield van hun smeuïge eitjes. Tot ze op een late herfstdag in mijn vingers pikten omdat ik hen een vers gelegd ei probeerde te ontfutselen. Toen heb ik besloten hen uit te hongeren. Dat is nu een jaar geleden. Maar de krengen houden vol, bijna vederloos en tot bloedens toe. Ze geven niet op. De laatste weken fantaseer ik wel eens dat ik hen vanuit het raam bewerk met een pistool. Ik zou hen de laatste veren van hun billen schieten. En hen voor dood laten liggen. Het ontbindingsproces van een kip heb ik nog nooit van nabij gevolgd. Wel dat van een ander vogeltje, dat lang geleden tegen het raam was aangevlogen. Het lag dood op mijn terras. Ik heb het zien bevriezen en ontdooien. De veren en het vlees geleidelijk zien wegteren – die verdwenen zomaar zonder een spoor achter te laten. Het karkas is een tijdlang goed bewaard gebleven, maar dan…foetsie. Ik vermoed dat een of andere kater uit de buurt het meegesmokkeld heeft. Als speeltje. Het voelde vreemd aan, die lege plek op mijn terras. Ik was gehecht geraakt aan dat skelet. Ik miste het. Mijn kippen zou ik niet missen. Die snuisteren hier al lang genoeg rond. Helaas bezit ik geen pistool. Dus moet  ik berusten in hun aanwezigheid. Naar buiten gaan om me een wapen aan te schaffen, is geen optie. Dat lukt me nooit. Vroeger heb ik nog een aantal pogingen ondernomen, maar de mislukkingen stapelden zich op, tot ik besloot een grens te trekken aan de dorpel van mijn deur. Die steek ik nooit meer over. De wereld eindigt daar. Mijn levenswandel beperkt zich tot mijn slaapkamer, mijn keuken, mijn badkamer en mijn woonkamer. Daarom tuur ik vaak door het raam, soms zelfs een hele dag lang, zonder mij te verroeren. Elk wolkje zie ik voorbij drijven. Èlk wolkje. Er zijn ook dagen dat ik verplicht ben naar het egale blauw te staren. Niets saaier dan een heldere hemel voor mij. Lichtjes beangstigend ook, die uitgestrekte open ruimte. Wanneer er een vliegtuig of een vogel dat immense vlak doorklieft, voel ik me opgelucht, valt de spanning weg. Op andere momenten kan daar-buiten me ook ontzettend vervelen. Het gekrioel van blaadjes en grassprieten, het getjilp van onzichtbare mezen, de radio van de buren – en die van de andere buren – , het onbeweeglijke beton. Dan sluit ik de gordijnen. Ik weet dat mijn vis het niet kan verdragen wanneer ik dat doe, maar hij kan mij gestolen worden. Intellectuele gesprekken heb ik met hem nog nooit gevoerd en iedere twee weken moet ik zijn bokaal uitwassen want hij schijt alles onder. Op de momenten dat ik hem niet probeer af te richten, zwemt hij in cirkels. Lang geleden heb ik wel eens aan de wc-bril gestaan –  het gekriebel van zijn staart in mijn hand – maar toen beeldde ik me in dat hij langs ettelijke riolen in de open zee zou belanden. Een klein goudvisje met uitpuilende ogen in die massieve blok water. Het idee alleen al deed me sidderen. Daarom staat hij nog steeds op mijn tafel en zwemt hij dagelijks zijn rondjes. Zoals ik. Behalve op mijn vis ben ik tevens gesteld op mijn bananenplant en mijn orchidee, die altijd samen met mij door het raam turen. Het is hun vaste stek, links en rechts van mij. Ze leven op wanneer de zon door het raam naar binnen sluipt, kwijnen weg tijdens de wintervorst. In die duistere dagen bemest ik ze. Zoals ik mezelf bemest. Met koffie. Een extra kopje per dag. Dan staan we daar met z'n drieën, vrolijk in gesprek en met onze neus in dezelfde richting. Onze stelling is dat je daar-buiten pas ziet veranderen als je hem telkens vanuit dezelfde hoek onderzoekt. Dan merk je de allerkleinste details op, zaken die je anders over het hoofd ziet. Zoals een stukje gazon waar het gras een beetje sneller schiet. Een boom die bladeren huilt. Of een koppige bloemknop die weigert te bloeien. Die observaties geven me inzichten, van simpele ideeën tot complexe redeneringen. Ik hou ervan om gedachten en handelingen in wiskundige formules om te zetten. Ik ben een determinist, op alle vlakken. Strijden tegen biologische feiten, gevoelsmateries doorgronden of zich proberen aan te passen aan maatschappelijke conventies, is niet voor mij weggelegd. Geef mij maar het sublieme van de ratio. Pure ratio. Denken over het denken. Bijvoorbeeld: je begint bij een eenvoudige gedachte als ‘die boom lijkt elk moment te gaan omvallen’, waarna een hele reeks gedachten volgt, zoals ‘die gaat toch niet op mijn dak belanden?’, ‘dan moet ik een nieuw dak laten leggen’, ‘dan zal ik naar buiten moeten’, ‘dan zal ik doldraaien’, ‘dan bezwijm ik’, ‘dan kom ik in het ziekenhuis terecht’, ‘dan eindig ik terug in mijn huis zonder nieuw dak’. Zulke kettingen van gedachten probeer ik in wetmatigheden uit te drukken. Ik ben ervan overtuigd dat die bestaan. Alleen vergt dat tijd, veel tijd. Gelukkig heb ik voorraadkasten vol met tijd. Ik heb zelfs zoveel tijd, dat ik er gierig op word. Soms wil ik geen seconde delen. Soms wil ik dat alles en iedereen verdwijnt uit mijn tijd. Dan begin ik in alle talen te foeteren op allerhande internetfora in een poging het world wide web te doen leeglopen, wat meestal eindigt met een e-mail van de moderator van desbetreffend forum om mij te melden dat ik van desbetreffend forum werd verwijderd. Daarom moet ik mijn tijd in energie omzetten. Daarom groeide ijsberen, een ontzettend tijdrovende handeling, in mijn huis uit tot een beslommering. Ik moet nog ijsberen, denk ik dan. Of, ik heb nog niet geijsbeerd vandaag. Die gedachte springt nog voor het middagmaal in mijn hoofd. Meestal nadat ik al enkele uren door het raam heb staan turen. Het ijsberen verloopt steeds langs hetzelfde uitgestippelde traject. Ik vermoed dat ik onbewust een wiskundig patroon volg, maar niemand heeft me dat kunnen bevestigen. Nochtans heb ik het in bovenaanzicht nagetekend en op verscheidene internetfora geplaatst: van het raam naar de eettafel, waar ik twee keer rond wandel, vervolgens naar de keuken, tweemaal rond de keukentafel en vandaar de gang door tot in de badkamer, waar ik mijn spiegelbeeld groet, vervolgens naar de slaapkamer, waar ik vier keer rond het bed loop en dan in één ruk terug naar het raam. Die ijsbeerroute herhaal ik tien keer. Ik heb geen reacties gekregen op de internetfora. Of toch wel, eentje. Dat ik eens bij een dokter moest langsgaan. Die begreep er duidelijk niets van. IJsberen smeert de tijd. Als ik nadien opnieuw aan het raam ga staan, bekijk ik daar-buiten met andere ogen. Minder somber. De kleuren van de planten en struiken bekoren me meer en het gelach van de kinderen op het plein vòòr de sociale huisvesting, dat zich niet in mijn gezichtsveld bevindt, irriteert me minder. Daarom ijsbeer ik. Vorig jaar wilde ik er zelfs een boek aan wijden, 'De Deugd van het IJsberen', maar daar moest ik voor gaan zitten. Dat ging dus niet door. Als ik ga zitten, bevangt mij het gevoel te wachten op de tijd van anderen. En die is te weids voor mij. Te uitgestrekt. Mijn tijd is beperkt in ruimte. Alles wat ik doe, speelt zich in dezelfde kamer af. Ik bevond mij daar gisteren, eergisteren, de week ervoor, drie jaar geleden. Elke herinnering is verbonden met hetzelfde decor. Elke seconde kleeft eraan vast. Voor mij tikt de tijd niet. Ze ligt uitgespreid over mijn huis. Dan nog liever uren door het raam turen. Naar de kippen die geen eieren meer leggen. Te weinig eiwitten, denk ik. Eieren zijn intussen overbodig in mijn dieet. Met mijn 28 lentes tracht ik nu te overleven op macrobiotisch voedsel. Alles afwegen in porties. Uitrekenen. Mijn boodschappen worden aan huis geleverd. De betaling gaat maandelijks van mijn ouders hun rekening. Net als mijn huur trouwens. Toch zie ik hen nooit. Ze willen niet meer op bezoek komen en ik ga nooit bij hen langs. Ze bevinden zich achter de grens van mijn voordeur. En die steek ik nooit over. Zelfs voor hen niet. Zelfs niet als een van hen zou sterven. Dat ze hen maar in mijn tuin komen begraven. Vier op vier, dat is net groot genoeg voor twee lijken. Maak er maar een kerkhof van. Dat heeft nog iets statig, zo’n gotisch stenen kruisbeeld in het midden van het gazon. Misschien komt er dan eens een duif op zitten en wordt daar-buiten nog een beetje levendiger.   In de namiddag spendeer ik altijd enkele uren aan mijn pc. Daar-binnen kan ik zijn wie ik wil. Dan meet ik mij een persoonlijkheid aan die daar-buiten leeft. Natuurlijk heeft die maskerade ook zijn nadelen. Zo werd ik eens verliefd via het internet. Slapeloze nachten. Eetloze buien. Turen, turen, turen, alsof mijn hele leven ervan afhing. Nooit heb ik zo lang voor mijn raam gestaan als toen. Uren. Ik zag de zon opkomen, ondergaan, opkomen, ondergaan. Uitputtend. Hij had zich net als ik ingeschreven op het forum van de NASA. We raakten aan de praat door onze belangstelling voor zwarte gaten. Ik vertelde hem dat ik lang geleden zelf in een zwart gat was beland en me sindsdien op een plek bevond waar de massa eindeloos dicht op elkaar gepakt zit. Vier maal vier op vier maal vier. Hij antwoordde met een lachende emoticon. Hij hield van absurde humor, schreef hij eronder. Ik antwoordde hem dat ik van het platteland hield. Dat is geen echte leugen. Ik kijk graag naar prentjes van velden vol zonnebloemen, een uitgestrekt strand, de aderen gevuld met rimpelend zeewater, een plein met oudjes. Zo zijn we dan een tijdje doorgegaan. Op het einde van ons gesprek bleek ik een dertigjarige kunstenares te zijn, die zwarte gaten op landschappen schilderde, die dagelijks tien kilometer liep en pas gescheiden was van een maffioso. Kinderloos. Hij werkte op Wall Street, handelde in aandelen en had twee puberende dochters. We spraken af om de volgende dag verder te chatten. Ik grinnikte. Sloot af en ging voor het raam staan. De kippen nog springlevend. Tokkend. Verheugd om mijn gezicht. Toen voederde ik hen nog. De dag nadien logde ik opnieuw in op het forum. Zijn naam verscheen op het scherm. Eronder een lachende emoticon. Hij was blij dat ik het meende, schreef hij. Ik lachte terug. Vervolgens begon hij me vragen te stellen over de stad waarin ik woonde. Was dat een hel. Ik opende terstond een nieuw tabblad om zo snel mogelijk de juiste antwoorden te vinden. De stadskern is mij geheel onbekend, zelfs mijn straat ken ik amper. Maar ik wist mijn antwoorden zo te formuleren dat het leek alsof ik er dagelijks rond kuierde. “That’s a really nice place. I often go there in the spring to see the flowers blossoming.” Dat werkte echt bevrijdend. Een halfuur later geloofde ik die onzin zelf. Alsof ik haar was. De kunstenares. Geen schim die de waarheid moest verbergen. Daarna mocht ik hem vragen stellen. Ik kon niet echt iets bedenken, aangezien daar-buiten mij nooit als zodanig heeft geboeid. Dus vroeg ik of hij een foto bezat. Van zichzelf. Volgde het blozende emoticon en een resem verontschuldigingen. Dat hij geen Adonis was. Uiteindelijk stuurde hij toch een foto naar mijn mailbox. Ik moest die maar bekijken als we hadden afgesloten, schreef hij. Ik stemde in. En opende meteen mijn mailbox. Op dat moment gebeurde het. Zoals alles mij overvalt. Plots. Onaangekondigd. Een rilling door mijn ruggenmerg. Mijn maag in staat van beleg. Mooi was niet het woord, maar die uitdrukking. De zachtheid. Panda, roze zeep, stro, zonnebloemen, pompelmoes. Het meest nog leek hij op een spookdiertje. Die immens grote ogen, die schattige snoet. Aangrijpend. Ik slikte mijn ontzetting in en keerde terug naar het forum. Het blozende emoticon. En een vraagteken. Ik schreef dat ik een belangrijk telefoontje had. Hij toonde begrip. We zouden later nog contact opnemen. Zijn naam verdween van het scherm. Ik zuchtte. Ik was verliefd. Bevangen door de tragische twijfel om mijn kippen te slachten. De weken daarop hebben we elke dag met elkaar gechat. Hij van heel ver weg. Over de grens van mijn deur. Over de grens van Europa. Over een diepe zee heen. Dat hield ons niet tegen. De nakende ontmoeting wel. Ik had er nooit op aangespoord, maar hij vroeg het me vlakaf. Geen tijd om excuses te bedenken. Hij: Shouldn’t we meet? Hij: I’m sorry, I didn’t want to push you. Ik: My chicken have pink feathers. Was dat een leugen. Mijn kippen hebben helemaal geen roze veren. Ik voelde me gewoon verward. Betrok er dan maar die twee misbaksels bij. Hij stuurde me een vraagteken. Ik verdronk erin. Ik: They’re very rare, my chicken. I bought them from a one-eyed man who was raised by wolves. He used to catch chicken with his mouth. He looked very dangerous. Cloudy. He couldn’t talk. He howled the whole time. Scary noises. He wanted to rape me after I had bought the chicken. I killed him. De doodsteek. Ik heb nog een week voor mijn scherm gestaan. Vroeger, voor ik in dit huis woonde, heb ik vele liefjes versleten. Ik kon dat niet helpen. Meestal bevielen mannen me niet meer na enkele maanden. Dan liever een vis, die rondjes zwemt. Hij klaagt niet. Hij is blij als ik hem te eten geef. Mijn allereerste lief was dol op hem, meer dan op mij. Dat heb je natuurlijk met autisten. Ons meest romantische moment beleefden we toen we vier uur lang door de bokaal naar elkaar hadden zitten staren. Hij aan de ene zijde. Ik aan de andere. Zijn verwrongen, troebele gezicht, gespikkeld door drijvende stront. Zijn ogen achter glas, een eufemisme. Het was schrikken toen ik zijn ware gelaat terugzag. Zonder water. Zonder goud. Symmetrisch en zonder plooien. We hebben het nog een maand volgehouden, maar ik denk dat hij vooral moeite had om mijn vis achter te laten. Tegenwoordig houd ik me aan het less-is-more principe. Geen mannen. Geen mensen. Enkel hier-binnen en daar-buiten. Er is slechts één moment waarop die twee in elkaar verstrikt geraken, een soort Time-lapse, waarin de tijd van anderen die van mij doorboort. Een steeds terugkerend fenomeen dat ik met veel afgrijzen moet verduren. Zoals gisteren. Ik hoorde het helemaal in de verte gebeuren, ergens aan mijn voordeur. Toch nam ik alles haarscherp op. De lichte bries die enkele seconden voordien door de hal woei, het oorverdovend ijzig klepperen van metaal. Het schuiven van scharnieren. Vervolgens een korte, doffe plof en het ruisend glijden over de betegelde vloer. Ik stond stokstijf. Catatonisch gefobieerd. Dan lijkt het alsof ik ronddool in mijn eigen verstijfde lichaam, tegen de binnenkant van mijn huid aanschuur. Ik moest me ogenblikkelijk herpakken. Zoals ik iedere keer moet doen. Diep in- en uitademen, het brein verluchten, de soepelheid hervinden. Enkele minuten later kreeg ik mezelf in beweging en sloop naar de indringer. In het midden van de hal zag ik hem liggen. Eenzaam maar opvallend. Ik raapte hem behoedzaam op en droeg hem naar de woonkamer. Daar haalde ik mijn bronskleurige briefopener tevoorschijn en scheurde hem in één ruk open. Het papier glansde als satijn, maar voelde korrelig aan, alsof minuscule stukjes hart van de gevelde boom erin verweven zaten. Op het papier stond bovenaan mijn naam, in blauwe inkt. Elegante letters, zoals ik vroeger had geleerd. De sierlijke krullen trokken zo hard mijn aandacht dat ik vergat te lezen. Ik ging zitten – voor het eerst sinds geruime tijd – en legde de brief volledig opengevouwen voor mij op tafel. Er was een lat gebruikt, een potlood om lijntjes te trekken. Het geheel oogde fraai. Niet spontaan, maar afgemeten.  Geen inktvlekje te bespeuren. De schrijver had er duidelijk veel zorg aan besteed. Ik wilde de brief graag lezen, maar iets hield me tegen. De hitte straalde tussen mijn ruggenwervels. Rillingen over mijn rug. Ik nam hem mee naar het raam en legde hem ertegen. Glaspapier. Onleesbare woorden. De inkt vloeide in het zonlicht samen met mijn tuin en de brief kreeg een andere gestalte. Hij danste over het raam, glijdend, als een schaatser op het ijs. Gedrenkt in licht. Ik zag de letters gewiegd worden. Terstond had ik geen zin meer om de brief te lezen en wilde ik mij in de krullen van die letters nestelen. Zelf gewiegd worden. Ik haalde het papier van het raam en wandelde ermee naar de keuken. Leunend tegen de tafel, las ik de woorden, onafgebroken, naast elkaar. “Beste Shania,” “Hierbij willen wij u uitnodigen” Hup, ogenblikkelijk de vuilbak in. En doen alsof er niets gebeurd is.

Dorian
7 0