Zoeken

Zwijgen

‘Zwijgen!’ brulde hij in haar gezicht. ‘Zwijgen, godverdomme!’ herhaalde hij, omdat het gewenste effect uitbleef. Ze bleef jammeren, zoals een vrouw jammerde als ze haar lot somber in ziet. Uit pure frustratie haalde hij naar haar uit met zijn wapen. De kolf raakte haar vol in het gezicht, waardoor het gejammer alleen maar erger werd. Om niet nog meer zelfbeheersing te verliezen, nam hij enige afstand van haar in de hoop dat het gejammer minder hinderlijk voor hem werd. Waarom hadden ze hem geen oordopjes geadviseerd bij deze hondenjob? Hij wist niet eens wat deze vrouw misdaan had of moest hij juist afvragen wat haar man uitgespookt had. Hij kon zich niet voorstellen dat zij problemen had opgelopen met de verkeerde mannen, met zijn opdrachtgevers. En blijkbaar gaf haar man zo weinig om zijn vrouw, dat hij haar liet zitten. Zat hij misschien ergens te wachten op haar dood, zodat hij haar kon begraven? Hij kon dat zich moeilijk voorstellen, omdat de vrouw in zijn ogen er toch best aantrekkelijk uit zag. Tenminste, als je de opgelopen verwondingen weg dacht. Gefrustreerd ijsbeerde hij door de ruimte heen. Waarom hoorde hij al dagen niets van zijn opdrachtgevers? Ze lieten hem toch niet gewoon zitten met die vrouw? In zijn ogen kon ze prima alleen achter blijven in deze loods. Het lag op een verlaten plek en het was goed af te sluiten, als ze al los kwam natuurlijk. Hij had een paar dagen terug geen risico’s genomen en haar enkels en polsen stevig vastgebonden met touw. Om het smekende ‘laat mij gaan’ te bestrijden, had hij haar mond afgeplakt met tape. Erg veel was hij er niet op vooruit gegaan, aangezien hij er gejammer voor terug had gekregen. Hij bedacht ineens dat een shot nicotine hem wel eens rustiger kon maken, of juist niet, maar dat risico nam hij er nu maar even bij. Veel erger kon het toch niet worden, omdat hij nu al het gevoel had dat hij zichzelf nauwelijks kon beheersen. Hij deed de deur van de loods van het slot en ging naar buiten om zijn sigaret op te steken. Urenlang had iemand op deze actie zitten wachten. Nog voordat hij besefte dat hij niet alleen was, boorde een kogel een weg door zijn schedel. Met een plof viel hij op de grond, waar al snel het leven uit hem verdween. De onbekende belager haastte zich naar binnen, naar de vrouw die inmiddels niet meer jammerde, maar uit pure angst ineengedoken zat te beven. ‘Liefste,’ zei de onbekende om haar aandacht te vragen. ‘Liefste, het is voorbij.’ Twee angstige ogen keken hem aan. Hij streelde zachtjes door haar haren en verloste haar dan van de touwen. ‘Hij zal je niets meer doen. Het is voorbij.’ Haar ogen zochten een bevestiging en met een voorzichtig glimlachje knikte hij. ‘We gaan naar huis.’ Het is hij, die nu voor altijd zal zwijgen.

Elvje
0 0

Schat

‘Mama!’ riep haar zoontje. Ze keek vertederd naar hem, terwijl ze haar handen aan een beker koffie probeerde op te warmen. Het was dan wel maart, maar het was nog altijd ijzig koud. Terwijl ze zelf van een welverdiende pauze genoot, ging haar zoontje onvermoeibaar verder. Ze twijfelde er niet aan dat hij vannacht weer als een prins ging kunnen slapen. ‘Mama!’ hoorde ze opnieuw, omdat ze niet direct opgesprongen was. ‘Mama, een schat!’ klonk het opgewonden. Geprikkeld door zijn woorden, had ze haar beker koffie op de buitentafel gezet en was ze naar hem toegegaan. Vol verbazing keek ze naar het gat dat door haar Bram gegraven was. Er was wel degelijk een stuk hout te zien, maar het was natuurlijk nog de vraag of er meer was dan alleen een verdwaalde plank. Aangestoken door het enthousiasme van haar zoontje hielp ze met graven. Wie weet wat ze zouden vinden! Na een halfuur intensief graven, hadden ze toch een kist van een behoorlijke omvang bloot gelegd. Aanvankelijk had ze niet in een schat geloofd, maar inmiddels was ze toch wel behoorlijk nieuwsgierig naar de inhoud er van. Even was er een lugubere gedachten door haar hoofd gegaan, maar de kist had gelukkig niet de juiste formaten. Misschien had ze wel teveel Amerikaanse misdaadseries gekeken? Nadat ze een breekijzer uit de schuur had gehaald, begon ze de deksel los te wrikken. De planken waren alleen niet van plan om zich zo snel gewonnen te geven. Terwijl ze even langs haar voorhoofd wreef om beginnende zweetdruppeltjes te bestrijden, zag ze hoe haar zoontje opgewonden langs de kuil heen en weer stuiterde. Wat hem betrof, kon het niet snel genoeg gaan. Hij wilde zijn schat zo snel mogelijk in zijn handen nemen. Vrijwel gelijktijdig met het breken van de houten deksel slaakte ze een luide gil. Uit een reflex nam ze Bram vast en ze drukte zijn gezicht tegen zich aan, in de hoop dat hij de inhoud van de kist niet zou zien. Haar lugubere gedachten bleken juist te zijn. Een skelet, er lag gewoon een lijk in haar tuin begraven! Het idee alleen al maakte haar ontzettend misselijk. Wie deed nu zoiets? Ze moest de politie bellen! Ze had binnen op de politie zitten wachten en voor ze het wist liepen er allerlei mannen en vrouwen haar huis in en uit. Gewone politiemannen, recherche, justitie en dan had je nog die mannen in de witte stofjassen. De verklaring van de politie was vrij eenvoudig geweest: ze hadden altijd geweten dat de vorige bewoner iets te maken had met de verdwijning van de buurvrouw, maar ze hadden het alleen nooit kunnen bewijzen. Geen schat voor hen, maar een levenslange nachtmerrie.

Elvje
0 0

Verloren

‘Nee!’ schreeuwde ze vanuit het diepst van haar ziel. Ze voelde hoe hij zijn laatste adem uitblies en hoe de kracht uit zijn hand verdween, die ze urenlang trouw had vastgehouden. Geen seconde was ze nog van zijn zijde geweken. Hij mocht niet weggaan. Hij mocht niet uit haar leven verdwijnen. Wat was ze zonder hem? Helemaal niets, zo voelde dat. De machine liet een vervelende pieptoon horen. Een bevestiging van het einde van hun maandenlange strijd. Een oneerlijke strijd. Een strijd die ze hoe dan ook ooit zouden verliezen. De tranen kwamen, terwijl ze naar het gezicht van haar vechter keek. Al die maanden had hij zich heel moedig en sterk gehouden. Ondanks dat hij wist dat hij ging verliezen, had hij weerstand geboden tot de laatste seconde. Zo was hij. Daar was de onvermijdelijke verleden tijd. Vanaf nu was hij een onderdeel van het verleden. Een stuk leven dat was en niet meer zal zijn. Hij kwam nooit meer terug. Vanaf nu moest ze alleen verder door het leven, zonder zijn beschermende armen om haar heen. Ze waren slechts vier maanden getrouwd toen ze het onuitspreekbare woord als diagnose te horen kregen. Ze voelde een hand op haar schouder en het kostte haar moeite om haar blik van hem los te maken. Een verpleegkundige deed haar best om een gepaste blik op te zetten, een blik die ze op deze afdeling natuurlijk veel vaker moest gebruiken. Hier wonnen of verloren de mensen hun strijd. Een groter contrast was niet mogelijk. Het monotone gepiep hield op en zijn ogen werden voorzichtig gesloten. De eindeloze blik verhuld. Respectvol werd hij losgekoppeld van de machines die de tekenen van leven geregistreerd hadden en die hem hadden geholpen bij de genadeslag. De hulp was minimaal geweest, dat was zijn enige wens. Hij wilde geen ondraaglijke pijnen doorstaan en op een waardige manier verliezen. Hem kregen ze niet klein, zo had hij altijd in elkaar gestoken. ‘Kom,’ werd er uitnodigend gezegd. Ze wist niet hoelang ze nog bij hem had gezeten, maar nu was het blijkbaar tijd om te gaan. Het echte afscheid nemen. Vanaf hier moest ze hem echt laten gaan. Ze stond op, maar ze voelde hoe haar knieën moeite hadden met haar gewicht. Ze ging niet zonder hem kunnen. Ze hield zielsveel van hem. Een zachte hand begeleidde haar subtiel de kamer uit. Weg van hem. Een onzichtbare lijn met hem die verbroken werd. Ze kon dit niet. Het was alsof een stuk van haar hart vernietigd werd. ‘Nee!’ schreeuwde ze. ‘Nee!’ Het klonk hartverscheurend. Ze stortte op haar knieën neer en gaf zich over aan de onophoudelijke stroom van tranen. Zo sterk als hem was ze niet.

Elvje
0 0

LUXEMBURG

Luxemburg vond het allemaal prima. Alle dagen haver vreten, vliegen op zijn oren, en van tijd een zelfverklaarde maar nogal uit de kluiten gewassen amazone die het betamelijk vond om hem bij wijze van vertier als transportmiddel te gebruiken. Allemaal prima, niets aan de hand, hem ging je niet horen zagen. Maar waar Luxemburg wel grandioos het schijt van kreeg, was hoe de liefde bijwijlen werd afgebeeld in populaire cultuur. “Komaan”, zei hij, “het is toch duidelijk dat een volwassen relatie gebaseerd is op het sluiten van compromissen. Ik wil gerust alle dagen haver vreten, niets aan de hand, maar je moet mij niet komen vertellen dat het gemeenschappelijk belang ooit ondergeschikt kan zijn aan de persoonlijke verlangens van één van de individuen binnen een relatie.” “Tot op zekere hoogte kan ik je wel volgen”, antwoordde één van de anderen, “maar je kunt toch ook het belang van een doorgedreven individualisme niet ontkennen. De meest pragmatische opstelling is die van de permanente dialoog tussen twee persoonlijkheden, waarbij de identiteiten deelfactoren zijn van een groter geheel, zonder echter hun respectieve aflijning te verliezen. Deze insteek lijkt mij constructiever dan het nastreven van de ultieme, en in die zin romantische, symbiose tussen twee personaliteiten waarbij de afzonderlijke constituenten als het ware worden opgeheven en plaats maken voor een nieuwe identiteit dewelke in stand moet worden gehouden door een constante interne wisselwerking.” “Idioot, volgens mij ken je een te grote waarde toe aan de zogeheten chemie die het resultaat kan zijn van de discrepantie in temperament en signatuur van twee individuen. De doorsnede in het venndiagram van wederzijdse verwachtingen is een boksring en geen smeltkroes, en is als dusdanig meer gebaat bij arbitrage dan bij aanvuring.” “Dan onderschat je volgens mij de zelfregulerende kracht van de mutuele positieve ingesteldheid en de … zeg, sta jij nu te schijten?” “Welja, euh, daar lijkt het toch op hé.” “Nou, ik dacht… we waren toch aan het babbelen.. dan is dat toch wat raar om zo gewoon.. da’s precies zo…” “Wat?” “Welja, de mensen noemen ons altijd edele dieren en dan sta jij hier zowat te beren in het midden van een goed gesprek.” “Komaan, dat was geen goed gesprek. Onze meningen lagen mijlenver uiteen, en het zag er niet naar uit dat we kortelings tot een vergelijk zouden komen.” “Dan nog moeten we toch op een beschaafde manier kunnen discussiëren?” “Dat deden we toch?” “Maar je kunt toch niet zomaar beginnen kakken dan?” “Welcome to the real world, motherfucker.”

Proza(c)
0 0

Het volle pond

“Schat… Schat.”- “Hmmm?”“Schat, slaap je?”- “Hmpf… Ik geloof van niet. Wat is er misschien?”“Daarnet, tijdens het nieuwjaarsetentje bij Truus en Andy. We waren aan het praten over onze intimiteitsbeleving. Je zei dat je daar 100% tevreden over was. Ik maak me zorgen.”- “Hoe bedoel je, da’s toch net goed?”“Mja, maar ik weet nog dat we het daar vorig jaar op het etentje ook over hadden. Toen zei je nog dat je 200% tevreden was. Dat is een halvering van de voldoening die ik je kan schenken. Kan ik je dan echt totaal niet langer behagen?”- “Maar moppie, ik zei toch dat ik er 100% gelukkig mee ben?”“Mja, ok. Maar dat is toch maar een halvering tegenover vorig jaar.”- “Misschien had ik de vorige keer dan ook gewoon 100% moeten zeggen.”“Dus heb je vorig jaar overdreven, of zelfs gelogen?”- “Maar moppie…”“Jij bent me een fraaie hoor. Gewoon boudweg de waarheid geweld aan doen in de wetenschap dat je mij daarmee mijn fysieke integriteit op de helling zet. Als mijn uitgezakte lijf je niet langer kan bekoren…”- “Komaan, moppie, je bent 32.”“… zeg het dan gewoon, ik ben een redelijke vrouw. Maar wentel je niet in een web van leugens, verdoken homo die je bent.”- “Maar schat, ik ben 100% hetero!”“Zie je wel, ik wist het. Je geeft het nu al zelf toe, gore nicht die je bent. Ik had het kunnen weten. Deze hele relatie is blijkbaar gebaseerd op leugens en halve waarheden.”-”Moppie, overdrijf je nu niet wat?”“Jij moet spreken, emotioneel-theatrale diva die je bent.” Stukske dramaqueen van mijn voeten, dacht hij. Mocht ze niet zo goed zijn in bed, ik was al lang weg.

Proza(c)
0 0

Ervanonder

Felix was nog maar nauwelijks de deur uit, of het feestgewoel barstte al stevig los. Niet dat Felix onpopulair was of zo, het was gewoon beter om te wachten tot hij weg was.
Het hele gezelschap begon uitbundig feest te vieren, en iedereen maakte fun voor twee. Enkel Reginald stond wat onwennig in een hoekje te kijken naar het hele gebeuren. Hij ontsnapte daarbij aan eenieders oog, behalve dat van Sandra.
“Waarom dans je niet lekker mee, Reginald? Iedereen maakt zoveel plezier!”
-“Goh neu neu,” antwoordde Reginald, “ik heb nog wat last van een blessure aan mijn heup en …”
“Ach kom nou, flauwerd, het zal tof zijn.”
-“Maar ik denk dat ik echt beter oplet met m’n heup en …”
Sandra nam hem bij de pootjes en trok hem zachtjes richting dansvloer.
“Nee, Sandra, echt, ik moet trouwens eerst effe naar het toilet” stribbelde Reginald semi-nukkig tegen.
“Komaan Reginald… Waarom dans je toch niet gewoon lekker met ons mee?”
“OMDAT IK NIET WIL DANSEN, OK? Daar, het is eruit. Nu tevreden, trut?”
“Maar Reginald…”
“Elke keer als die rotte kat wordt buitengelaten zijn wij verondersteld te dansen als idioten. Ik heb niets tegen wat fun, maar onze soort moet beseffen dat net dàt pavloviaans conformisme ervoor zorgt dat we nog altijd overal proefdieren zijn, en het ons blijven onderwerpen aan clichématige preoccupaties net het soort gedrag is dat stereotiep behaviorisme nog meer in de hand werkt.” Reginald was in een zodanige colère geschoten dat hij de wereld rond zich carrément was vergeten. Hij had dan ook niet in de gaten dat het hele feest was beëindigd door het uiteenstuiven van al zijn vrienden. Toen het Reginald begon te dagen wat er gaande was, was het al te laat. Sandra’s betraande ogen waren het laatste wat hij zag. Oprechte spijt dat hij haar nooit zijn liefde had verklaard, het voorlaatste dat hij voelde. En dan die pijn.

Proza(c)
0 0

Arme Mensen

Adelbertje liet zijn lievelingspaard zadelen en vertrok op pad naar de arme mensen.“Hoi, arme mensen!” Adelbertje had besloten dat een luchtige informele toon de beste manier was om met de arme mensen om te gaan. Dat gingen ze vast wel op prijs stellen.“Goeiemiddag, Adelbertje,” spraken de arme mensen. Adelbertje voelde aan zijn ellebogen dat er enige weerspannigheid huisde in de zielen van het volk. Hij haalde echter zijn geldbuidel boven en sprak hen nogmaals toe, in alle sociale onversaagdheid.“Hé arme mensen, kijk eens wat ik hier heb: centjes! Ik geef eenieder genoeg geld om een nieuwe stoof te kopen, wat zeg je me daar van.”De arme mensen keken eens naar elkaar, en Adelbertje stelde bij enkelen van hen een opwaartse beweging van de wenkbrauwen vast. Hij kon geen touw vastknopen aan het gebrek aan geestdrift bij de arme mensen, maar de vragende blik in zijn ogen werd beantwoord door Jeffrey, hun voerman.“Nou euh, ik vrees dat we allemaal al een stoof hebben die prima is. Enkel die van Lucien begint de laatste tijd wat te stinken maar we hebben afgesproken om er zondag na de mis eens naar te kijken.”“Welja, maar komaan, een nieuwe stoof en al. Dat zou toch de max zijn!”“Goh ja, het is heel vriendelijk maar het hoeft toch niet per se hoor. De enige die er beter van zou worden is de stovenmarchand, maar die heeft niet per se geld nodig want hij heeft zelf ook al een stoof.” De stovenmarchand knikte instemmend, bijna gelaten. Zijn kwartaal was net afgesloten en hij mocht er niet aan denken dat hij nog negentien nieuwe stoven zou mogen gaan inschrijven.Adelbertje verstond er werkelijk niets meer van. Die ondankbare honden slaan hier zomaar een nagelnieuwe stoof in de wind. Hij reed beteuterd terug naar huis. De hoefijzers van zijn ros klonken schel toen hij de ophaalbrug overreed. “Luidruchtig klotepaard,’ dacht hij.

Proza(c)
0 0

Piraten van de Zee

De bemanning lag uitgeteld in de hangmatten, maar Blauwbaard zat bij kaarslicht in zijn kajuit. Buiten kraakte een nietsontziende storm, maar daar keek de piraat al lang niet meer van op. Hij zette de fles aan het enige oog dat hem nog restte, maar zag enkel de bodem. Ook dat nog.Blauwbaard durfde al eens weemoedig worden. Dan dacht hij aan vroeger. Aan hoe zijn vader telkens terugkwam van een of andere verre reis. Kijk eens wat ik hier heb, Blauwbaardje, en dan toverde hij een miniatuurbootje uit zijn jaszak tevoorschijn. Blauwbaard had zich in die periode vooral weten te bekwamen in het veinzen van enthousiasme. Wat konden hem die bootjes schelen. Blauwbaard wilde gewoon danser worden, maar dat mocht niet van zijn vader. Hij moest en zou ook een onversaagde zeerover zijn, en het familieconcern verderzetten. In die tijd was Blauwbaard nog niet mondig of standvastig genoeg om zich te verzetten tegen zijn vader, en gewoon zijn eigen dromen na te jagen. Nu, zoveel jaren later, had hij al vele schepen geënterd, muiters gekielhaald, en vijanden meedogenloos in de ogen gekeken om ze vervolgens ijskoud de dood in te jagen. Maar toch had dit alles nooit juist aangevoeld, maar eerder als iets wat van hem verwacht werd. Blauwbaard stond op, en staarde door de patrijspoort. Af en toe werd de gitzwarte zee verlicht door een helse bliksem, om zich daarna weer in een veelbetekenende duisternis te wikkelen. Het schip ging wild tekeer op de deining, maar de zeerot hield zich vlotjes staande door op de onvoorspelbare bewegingen te anticiperen middels met veel gevoel door de knieën te gaan. Hij danste.

Proza(c)
0 0

Rasse Schreden

Jef keek naar zijn vrouw, die voor hem zat te smakken. Sinds ze geen echte tanden meer had was dat er niet echt op verbeterd. Er waren de laatste vijftig jaar eigenlijk maar weinig dingen verbeterd, als hij er zo eens over nadacht. Grofweg sinds de oorlog was alles er min of meer op achteruit beginnen gaan. Het ging echter zo traag, dat je het verval pas na een hele tijd merkte.Marie, vroeger veruit het lekkerste wijf van hele dorp, was intussen net zo aantrekkelijk als andere bejaarden. De gedachte dat hij dagenlang ziek van jaloezie was geweest toen hij haar vroeger eens met een andere jongen had zien praten, leek nu bespottelijk.Intussen moest dit oude gedrocht elke dag een pil of zeven nemen, tegen of voor vanalles, ze wist het vast zelf al niet meer. Met bevende handen haalde ze de pillen uit de doosjes. Hij had zelf net zo gebeefd toen hij de eerste keer die handen had mogen vasthouden. Ze stak de pillen tussen haar lippen, en slikte ze door met een geut vrij slappe koffie. Hij had zelf ooit een eerste keer die lippen mogen kussen. Het was een haast onwerkelijk moment geweest. Ze leken het absolute middelpunt van het heelal, en tegelijk de enige twee zielen die aan God’s waakzame oog wisten te ontsnappen. Het leek toen het eindpunt van de geschiedenis. Achteraf bekeken was het zelfs een beetje zo.Hij keek onwillekeurig naar de klok. De wijzers waren doorheen de jaren precies steeds lomer geworden. Het leek alsof ze trager en trager vooruitschreden. Zie mij hier zitten, dacht hij. Gisteren was ik nog achttien jaar. Hij keek naar Marie, en zag dat ze ook naar de klok keek.“Die wijzers gaan precies trager en trager,” zei ze. 

Proza(c)
1 0

De vrouwtjes

“Goeiemiddag mevrouw. Van Der Spek, inspecteur. Ik heb begrepen dat hier een diefstal heeft plaatsgevonden.”- “Dat klopt, inspecteur.”“Kunt u mij de precieze omstandigheden onder dewelke het voorval voorviel verhalen?”- “Het zit zo dat ik gisterenavond bezoek had van een knappe man. Een inspecteur, zowaar.”“Veelal betrouwbare types.”- “Dat is ook zo. En toch weer niet. Ziet u, deze knappe, innemende inspecteur heeft namelijk mijn hart gestolen.”“Diefstal van vitale lichaamsdelen. Hoe laf. Dat kan hem duur staan te komen.”- “Pakt u hem maar niet te streng aan.”“Ututut. Ik moet overigens zeggen dat ik deze plek herken, vermits ik hier gisterenavond meen te hebben vertoefd. Als ik mij goed herinner waren hier enkel twee individuen aanwezig, te weten uzelf en mijzelf, in de hoedanigheid van ons beiden.”- “Oh nee, inspecteur, wat zou dat kunnen betekenen?”“Dat kan enkel betekenen dat we hier met een onzichtbare macht te maken hebben. Iets dat onze respectieve persoonlijkheden oversteeg, en zich als dusdanig aan mijn nauwlettend inspecteursoog wist te onttrekken.”- “Oh nee, dat klinkt vreselijk.”“Maakt u zich maar geen zorgen, juffrouwtje. Wat er ook moge gebeuren, ik verzeker u dat u uw hart terugkrijgt.” Van Der Spek wist wat de vrouwtjes nodig hadden. Een man die niet enkel naar de woorden luisterde, maar ook naar wat erachter school. Iemand met een beschermende houding. En begrip. Bovenal begrip. Enkel spijtig dat de vrouwtjes hem nooit zagen staan.

Proza(c)
0 0

Herrie

Andy’s vrij korte armen hadden hem eigenlijk nimmer voor onoverkomelijke problemen gesteld. Het enige wat hem echter nooit goed was afgegaan, was de wasmachine ledigen. Hoe hij ook probeerde, nooit slaagde hij erin zijn armen helemaal rond de kleffe was te spannen. Onderweg naar de waslijn was er altijd wel een sok of onderbroek die hem ontsnapte, en op de grond belandde. Lakens, broeken, en hemden geraakten wel altijd op bestemming. Zo in gedachten verzonken wandelde Andy door de stad. Het is zoals het leven, dacht ie. Er valt al eens een sok. Of een onderbroek (sommige mensen zeiden slip maar daar ging je Andy niet gauw op betrappen). Maar het écht belangrijke – de grote stukken - kwam toch maar altijd mooi in orde.       Hoewel, dacht Andy, een onderbroek, dat is toch ook zeker niet onbelangrijk. Wel integendeel. Een verse onderbroek was zelfs essentieel. En toch vielen die zoveel sneller. Andy merkte van zichzelf dat hij in een neerwaartse denkspiraal was terecht gekomen. Daar kwam altijd herrie van. Hij kwam aan bij het huis van zijn geliefde, en belde aan. Ze deed open, en zoals steeds was Andy compleet verbouwereerd door haar verschijning. In een opwelling zei hij: “Vicky, ik weet niet wat het betekent, maar je bent een slip voor mij.” Hij draaide zich om en liep terug naar huis.Helemaal ontdaan sloot Vicky de deur en ging ze terug in de zetel voor zich uit staren, zoals ze al de hele dag had gedaan. Ze moest de wasmachine nog legen. Daar kwam altijd herrie van.

Proza(c)
0 0

Tango

De ochtend van zijn vertrek wijst alles op een glorieuze start: de zon schittert aan een egaal blauwe hemel, hij voelt zich fit en energiek en hij heeft geld. Als Joris Wallaert zijn rugzak de trein op sleept, laat hij buiten zijn ouders niemand van betekenis achter. Zijn eerste halte is Parijs, waar hij een vriend wil opzoeken. Samen zullen ze naar de Côte d'Azur sporen en van daaruit per boot naar Tunesië. In het Gare du Nord staat Alain hem op te wachten. Ze hebben samen net hun rechtenstudie beëindigd, allebei met grote onderscheiding. Alain heeft in Parijs familie bezocht. 'Klaar voor het avontuur?' Ze lopen de trappen af naar het metrostation. 'Helemaal', zegt Joris met een brede glimlach. ‘Ik ben heel nieuwsgierig naar wat de wereld nog meer in petto heeft dan universiteitsaula's, gortdroge wetteksten en bibliotheken.’ 'We kunnen logeren bij mijn grootouders', zegt Alain. 'De trein naar het zuiden vertrekt morgen om half negen. Tegen de middag zijn we in Nice.' Joris vertelt terwijl ze door de ondergrondse sporen hoe hij zijn moeder heeft moeten beloven elke dag iets van zich te laten horen, een belofte die zijn vader monkelend heeft weggelachen. 'Neem het er maar van, jongen', en hij had zijn zoon stevig omhelsd, een vertrouwelijkheid die Joris niet van zijn vader gewend was. Dat kwam wellicht door de champagne, als toost op zijn afstuderen. En op het vooruitzicht van zijn wereldreis, die hij voor zijn prestatie cadeau kreeg van zijn ouders. 'Mijn moeder is vooral bang dat ik met een of andere exotische ziekte zal terugkeren.' 'Alsof er geen grotere gevaren zijn', zegt Joris met veel pathos. 'Vrouwen!' 'Drank!' 'Drugs!' Ze lachen, denderen uitbundig door de metrogangen en stappen met een triomfantelijk gevoel door de Parijse straten. Joris waant zich als een vrijgekomen gedetineerde; eindelijk ruimte, de wereld aan zijn voeten, anything goes!   Die middag in Nice drinken ze pastis op een terras. Dit is het helemaal, denkt Joris, het blauw van de Middellandse Zee, de zon, het geluid van de cicaden, de flanerende meisjes. Ze praten over wat ze willen zien en doen voor ze aan het 'echte' leven beginnen. 'Laten we hier een paar dagen blijven', stelt Joris voor, 'om te acclimatiseren.' Alain vindt het goed. Ze willen deze reis samen maken, maar ze hebben niets gepland. Behalve dat ze vanuit Marseille naar Tunesië gaan. De tweede avond raken ze verzeild in een bar waar tangomuziek wordt gespeeld. Enkele koppels dansen. Joris geniet van het schouwspel, de souplesse van de dansers, hun overgave en passie, de meeslepende, melancholieke muziek. Ze worden bediend door een jonge vrouw met Spaanse trekken: felle, donkerbruine ogen, zwart haar en een donkere huid. Ze beweegt als een kat: soepel, elegant en met een nauwelijks verholen wellust die Joris fascineert. Bij het tweede glas vraagt ze of hij wil dansen. Hij wil wel, maar hij kan het niet. Tango dansen vormt geen onderdeel van een opleiding rechten. Ze wuift zijn argument weg en trekt hem van zijn stoel, toont hem enkele basisstappen. Haar lichaam voelt stevig aan en ze ruikt naar citroen en muskaat. Ze trekt en duwt aan zijn lijf tot hij het ritme voelt en de danspassen beet heeft. Ze lacht triomfantelijk als hij haar bewegingen volgt. Alain laat zich door een blond meisje meetronen. Dansen is niet zijn ding. 'We gaan een wandeling maken', fluistert Alain hem in het oor en ze verdwijnen. Joris danst de hele avond.   Ook de volgende dagen trekt Joris naar de bar en danst hij met de betoverende Rosalinda. Elke avond leert ze hem nieuwe passen en bewegingen en aan het einde van de week slaan ze tussen de andere dansers geen slecht figuur. Alain is niet echt verbaasd als Joris aankondigt dat hij nog een tijdje wil blijven. 'Zo ga je weinig van de wereld zien.’ 'Misschien heb ik nu al genoeg gezien.’ 'Dan moet ik alleen verder', zegt Alain met gespeelde teleurstelling. Joris verontschuldigt zich, maar Alain lacht zijn excuses weg. De Deense toeriste die hij in de bar heeft leren kennen, wil hem heel graag vergezellen. 'Misschien is ze leuker gezelschap dan ik.’ 'Mooier in elk geval', grapt Alain. De volgende dag nemen ze afscheid op het station. Alain en de mooie Deense stappen de trein op naar Marseille. Even overvalt Joris het nare gevoel dat hij een afspraak niet nakomt. En tegelijk weet hij dat hij zijn intuïtie moet volgen, nu alles nog kan.   Jo, noemt Rosalinda hem en hij mag haar Rosa noemen. Twee jaar geleden is ze hier met haar ouders vanuit Argentinië beland. Ze heeft geen opleiding gehad; ze kan enkel koken en dansen, zegt ze. Beter dansen dan koken, voegt ze eraan toe. Joris begrijpt zijn plotse fascinatie voor de dans en voor deze vrouw niet. Op de weinige feestjes die hij in zijn studententijd bezocht, bleef hij meestal aan de kant. Maar deze dans is anders. De tweede week koopt Joris een snelcursus Spaans. Rosa corrigeert consequent zijn uitspraak. En elke avond dansen ze, tot laat in de nacht. 'Je bent een geboren danser', zegt ze. 'We zouden er geld mee kunnen verdienen.' 'Ik heb rechten gestudeerd', zegt Joris, 'als ik terugga, is dat mijn beroep. Ik ben geen danser.' 'Misschien ben je goed in rechten', zegt Rosa met een flikkering in haar ogen, 'maar dansen is veel leuker.'     Joris slentert na een laat ontbijt vaak langs de kust. Aan zijn plan om zijn wereldreis verder te zetten, denkt hij niet. Alles wat hem boeit, gebeurt hier. De dans laat hem niet meer los. Het is alsof zijn lichaam is ontwaakt door de tangomuziek, opgewekt uit een winterslaap. Het heeft zijn ritme gevonden, zijn eigen stijl. Hij loopt en beweegt op een andere manier, net of de dans zich permanent in hem genesteld heeft. Is het de betoverende Rosa met haar Zuid-Amerikaanse temperament die de passie in hem oproept, zijn het de bewegingen in de dans of is het de melancholische muziek? 'Waarschijnlijk alles samen', zegt Rosa en ze kust hem. Veel meer is er nog niet gebeurd tussen hen en tegelijk lijkt het alsof ze elkaar al eeuwig kennen. De tango staat symbool voor de liefdesdaad en alhoewel ze allebei weten dat het zal gebeuren, lijken ze niet gehaast. Alle passie ligt in de dans, in de sensualiteit van de bewegingen, de lichamen die om elkaar heen draaien, de aanrakingen, de blikken, de geur van de zwetende lijven en het net niet laten gebeuren waar ze naar snakken. Daar genieten ze intens van: dat uitstel, dat niet toegeven, het laten groeien van het verlangen. Als hij na drie weken nog steeds geen aandrang voelt om verder te reizen, praat hij erover met Rosa. Hij vertelt haar van zijn oorspronkelijk plan en dat hij niet meer weg wil. Voor Rosa is het eenvoudig: als de tango zijn leven zin geeft, waarom zou hij dan verder zoeken? Ook het argument dat zijn ouders verwachten dat hij in de advocatuur stapt, brengt haar niet van haar stuk. 'Het is niet hun leven', zegt ze, 'maar het jouwe. En met wie moet ik dan dansen, als jij weggaat?' 'Met het geld dat ik heb, kan ik hier een jaar overleven', vertelt hij haar. 'We zullen hard trainen tot we aan danswedstrijden kunnen deelnemen, en dan maken we een show. Of we starten een dansschool.' Rosa lacht. 'Waar ga je een school beginnen? Hier aan de Côte d'Azur?' 'De Fransen houden van dansen en ze hebben een joie de vivre, dus waarom niet', zegt hij en ze merkt dat hij geen grap maakt. 'Wil je dat echt?' Haar ogen glinsteren en ze likt haar lippen nat. 'Ik zou met niemand anders kunnen dansen.' Ze staan zwijgend op. Rosa neemt zijn hand en leidt hem de trap op naar haar kamer. Daar dansen ze de laatste fase van de tango, het gedeelte dat niet bestemd is voor publiek.     Rosa heeft die avond in de bar Argentijnse vrienden uitgenodigd. Misschien willen zij investeren in de dansschool waar Joris van droomt. Hij heeft de hele namiddag op zijn kamer de danspassen geoefend. Voor hij zijn kamer verlaat, stopt hij de oortjes van zijn IPod in. In een wolk van tangomuziek stapt hij de straat op. Het is half acht, ruim op tijd. Zo kan hij met Rosa nog wat oefenen, want hij wil op de Argentijnen indruk maken. Hij kent een kortere weg naar de bar, een steeg die met een flauwe bocht naar de kade loopt. Ze wordt enkel gebruikt door fietsers en voetgangers. De steeg heeft over de hele lengte blinde muren, met hier en daar een portiek.   Roger, de 62-jarige schipper van een vissersboot, is op café geweest. Hij heeft met de andere vissers heftig gediscussieerd over de overbevissing en de vervuiling van de Middellandse Zee. Daarbij zijn harde woorden gevallen en is er veel gedronken om de gemoederen te bedaren. Als Roger uiteindelijk opstaat, wankelt hij. De andere lachen. Een paar koppen koffie thuis zullen wel helpen. Fietsen lukt ook niet zo best en daarom draait hij het steegje in, dat gaat lekker bergaf. Als hij een flinke vaart heeft, merkt hij voor zich een jongeman. Hij belt, maar de man reageert niet. Roger remt. De remkabel knapt. De wind suist in zijn oren. Hij knijpt de achterrem dicht, zonder effect. Hij roept zo hard hij kan, maar de jongeman lijkt hem niet te horen. Dan gebeurt alles zo snel dat de benevelde geest van Roger het niet kan bevatten: hij brult uit alle macht, knijpt zijn vuisten wit rond het stuur, knalt in volle snelheid tegen de jongeman aan, maakt een duik en belandt met zijn hoofd tegen een arduinen drempel.     Het is acht uur voorbij en Joris is er nog niet. De Argentijnse vrienden zijn net aangekomen. Rosa is nerveus, het is niet Joris' gewoonte om te laat te komen. Om kwart over acht belt ze zijn gsm. Hij neemt niet op en ze spreekt een boodschap in. Om half negen belt ze weer, met hetzelfde resultaat. Ze vraagt om snel terug te bellen. Ze verontschuldigt zich bij haar vrienden. Hij keek er zo naar uit, vertelt ze, om vanavond te dansen. Zou hij zich toch bedacht hebben? Zou hij toch vertrokken zijn voor zijn wereldreis? En zou hij terugkeren naar huis om te doen wat van hem verwacht wordt? Is de tangobetovering voorbij? Heeft hij genoeg van dit exotisch avontuurtje? Ze weigert het te geloven en ze belt weer, maar hij neemt niet op. Ze zegt tegen haar vrienden dat ze niet weet wat er aan de hand is, maar die willen dansen en ze trekken haar lachend mee en ze danst, maar het voelt niet goed. Ze dacht dat Jo eerlijk was, dat hij oprecht van haar en van de tango hield. Zo gaat het dus blijkbaar: een vakantieliefje voor een ruikeluiszoon die van papa geld krijgt om te zien wat er in de wereld te koop of te krijgen is. Als het begint te vervelen, laten ze je vallen. Welke andere reden kan hij hebben gehad om haar in de steek te laten? De vrienden proberen haar op te monteren. 'Waarom kom je niet mee met ons', vragen ze. 'We zoeken wel een danspartner voor jou. Kom mee, niets houdt je tegen.' Maar ze is te moe, te boos en te ontgoocheld om na te denken. Ze wil slapen, alleen zijn, weg van de muziek, weg van de tango.     Joris ontwaakt in een ziekenhuisbed. Hij probeert te bewegen. Een vlammende pijn schiet door zijn lijf. Zijn bekken is omzwachteld en zijn rechterbeen hangt aan een staalkabel. Hij probeert zich op te richten. Een verpleegster duwt hem zachtjes terug. 'Blijven liggen', zegt ze, 'u moet rusten.' 'Hoe laat is het?' 'Bijna middag, u krijgt zo meteen eten.' Middag, denkt Joris, en dan doemt uit zijn herinnering de steeg op, de klap in zijn rug en dan niets. 'Wat heb ik?' 'De dokter komt zo', zegt de verpleegster. 'Ik moet bellen. Geeft u mijn gsm. Ik moet iemand verwittigen.' Rosa zal ongerust zijn. 'Alles van waarde ligt in een kluis', antwoordt ze. 'Ik zal het u bezorgen.' Ze verdwijnt. Joris kijkt de kamer rond, de witte muren, de televisie op een draagarm tegen de muur, het raam dat uitgeeft op een park. Er is iets mis met zijn been en zijn bekken. 'U hebt geluk gehad', zegt de dokter, een vriendelijke man met een korte, grijze baard en een fijn metalen brilletje. 'U had verlamd kunnen zijn.' Joris slikt. Het angstzweet breekt hem uit. 'Uw bekken is op twee plaatsen gebroken en uw rechterheup is ontwricht. En uw rechter dijbeen en enkel zijn gekneusd. U zal opnieuw kunnen lopen, maar de revalidatie zal lang duren.’ Joris knikt gelaten. ‘Ik heb gezien dat u buitenlander bent. Als er geen complicaties optreden, kan u over enkele dagen gerepatrieerd worden.' Joris denkt aan de tango, aan zijn plan voor een dansschool, aan Rosa. 'Zal ik nog kunnen dansen?' De dokter glimlacht. 'U zal eerst opnieuw moeten leren lopen, jongeman. Dansen zit er voorlopig niet in.'   Zijn gsm doet het niet. Hij prutst de batterij eruit, checkt de simkaart, maar het toestel blijft dood. Hij vraagt een telefoon aan de verpleegster, belt zijn vader, legt de situatie uit. 'Repatriëring', zegt hij, 'van zodra het kan. Ik zal alles voorbereiden.' Hij stelt zijn moeder gerust, zegt dat alles goed komt. Over de tango zwijgt hij. Het nummer van Rosa kent hij niet, dat zit in zijn gsm. Hij moet haar verwittigen. Als de verpleegster hem komt verzorgen, merkt hij pas de omvang van zijn verwondingen: zijn rechterarm en -hand zijn geschaafd, zijn bekken ligt in een kom om te stabiliseren en zijn been zit van aan de lies tot en met de voet in het verband. Hij heeft schaafwonden aan zijn hoofd en linkerknie. Als hij zijn heupen probeert te bewegen, schiet de pijn als een kortsluiting door zijn lijf. Hij wil naar huis. Aan dansen wil hij niet denken. Hij wil wel met Rosa praten, het haar uitleggen; ze zal het begrijpen. Hij vraagt een telefoongids, hoopt de tangobar te vinden, maar hij twijfelt over de naam. Hij belt, maar niemand kent Rosa.   De televisie zendt een verslag uit van een persconferentie over de zieltogende toestand van de zee. Een mooie vrouw eist dat de overheid actie onderneemt. Een journalist van Nice Matin vult haar aan. De vrouw is bio-ingenieur. Ze klaagt de overheid aan omdat die niets onderneemt tegen de overbevissing, met enorme kwallenplagen tot gevolg. De vrouw verwijst naar de toenemende vervuiling van de zee. 'De mensen zwemmen eigenlijk in een beerput', zegt ze. De burgemeester lacht de aanklachten weg met nogal onnozele argumenten, vindt Joris.  'Voor de kwallenplaag', zegt hij, 'zijn adequate middelen beschikbaar. De stad zal netten in zee hangen die de kwallen op afstand houden, zodat de baders er geen hinder van ondervinden.' Daarmee is voor hem de kous af. Er volgen beelden van de kwallen en van de netten die aan de Spaanse kust worden gebruikt.   Joris zakt weg in een wazige slaap. Hij hoort tangomuziek en hij danst met Rosa op een immense dansvloer, omgeven door duizenden mensen die enthousiast toekijken en dan deint de vloer als het dek van een schip in een storm en mensen vallen en schuiven over het parket, Rosa en hij ook, ze tuimelen over de rand het water in dat bedekt is met kwallen die hun gigantische tentakels als lianen rond hun lichaam slingeren en naar de bodem trekken. Joris rukt aan de tentakels tot de lucht in zijn longen is opgebruikt en hij proestend de laatste lucht uitblaast, beseffend dat dit het einde is en dan schiet hij wakker, hijgend en bezweet, starend naar het donkere plafond.   Joris hoort niets van Rosa. Zou ze niet gedacht hebben aan een ongeval? De ziekenhuizen gebeld? Hij begrijpt het wel. Wat kon hij voor haar meer betekenen dat een vluchtig avontuur? Hoe heeft hij het in zijn hoofd durven halen om te denken dat hij na enkele weken een tangodanser kon zijn? Hoe zou hij zich ooit hebben kunnen meten met een Argentijnse die het dansen in de genen heeft? Wat een arrogantie! Als de dokters laten weten dat hij kan vervoerd worden, laat vader Wallaert zijn zoon met een ambulance naar de luchthaven van Nice brengen, waar een gecharterde jet wacht. Tegen de dronken fietser dient hij een aanklacht in. Een week na het ongeval is Joris thuis. Er ligt een kaartje met groeten vanuit Djerba van Alain en het Deense meisje.   Rosa blijft zich na die avond afvragen wat er met Joris is gebeurd. Tientallen berichten heeft ze ingesproken, maar hij heeft niet teruggebeld. Ze is woedend geweest, verdrietig, ze heeft gelatenheid gevoeld, ontgoocheling, hoop en de steeds weerkerende vraag waarom hij er zo vandoor is gegaan. Ze kan honderden redenen verzinnen en toch begrijpt ze het niet, ze kan niet geloven dat hun liefde zo kon vervliegen als rook in de warme avondlucht. Ze weet niet eens waar hij verbleef. Ze weet niets. Ze danst weer, na een hele tijd, en ze is meegegaan met de Argentijnse vrienden, weg uit de bar. De hoop is allang vervlogen. Maar als ze danst, denkt ze nog vaak aan hem.   Joris Wallaert herstelt van zijn verwondingen, maar houdt aan het ongeval een afwijking aan de heup over waardoor hij licht mankt. De eis tot schadevergoeding aan de fietser - die nog steeds in een diepe coma ligt - wordt verworpen: Joris droeg oortjes en heeft zich dus onaangepast in het verkeer begeven. Hij wordt benoemd aan de balie en verlooft zich met de dochter van de procureur-generaal van de rechtbank. Joris wil zich toeleggen op milieuconflicten. Dansen doet hij niet meer.  

Berenger
0 0

De Schetser aan de Seine

Omdat ik verder niemand kende op de vernissage, verwelkomde ik met plezier de iets oudere man aan het tafeltje waaraan ik had postgevat. Ook hij was een verre kennis van de exposerende artiest. We schudden elkaar de hand en hij stelde zich aan me voor als Schrijver, waarna ik mijn naam noemde en aangaf dat ik helaas een eerder inspiratieloos beroep uitoefende, namelijk dat van boekhouder. De Schrijver knikte begripvol en greep de gelegenheid aan om een verhaal af te steken over een bijzondere man die hij ooit had ontmoet in Parijs. ‘Op zonnige dagen vind je hem aan de oever van de Seine,’ vertelde hij, ‘Op het muurtje aan de kant van de Notre-Dame, pal tegenover ‘Shakespeare and Company’, een van de meest pittoreske boekenwinkels de stad rijk. Je moet goed weten wie je zoekt, want deze kunstenaar herken je niet aan de typische schildersezel zoals de meeste artiesten die bij zich hebben. Ook een met olieverf bespat schort ontbreekt, of het zo kenmerkende trio van schetsblok, klapstoel en parasol. Om deze man te vinden, moet je vooral goed kijken. Let daarbij op de blik in zijn ogen: voortdurend verglijdend van peinzend naar priemend en omgekeerd. Diegene die hem vindt, prijst zich gelukkig. Het portret dat de man schetst is origineel en geloofwaardig. Nog opvallender: er komt geen borstel of doek aan te pas. De kunst van deze man, laten we hem de Schetser noemen, bestaat er namelijk uit zijn klanten interessante levens toe te schrijven.’ ‘Merkwaardige bezigheid,’ bracht ik lachend in. ‘En vast een hele uitdaging voor zijn boekhouder.’ ‘Dat is niet de essentie,’ ging de Schrijver voort. ‘Met zijn gave zet de Schetser zich in voor het welzijn van de gemiddelde mens met een doorsnee persoonlijkheid. Het is een misvatting dat dergelijke zielen saai zouden zijn, of niet de moeite waard. Toch lijken ze zich op feestjes vaak te laten verdrukken door sprankelende personages die een zogenaamd boeiend beroep of een merkwaardige hobby uitoefenen en over een uitgebreid arsenaal aan weetjes en anekdotes beschikken waarover ze gevat kunnen vertellen. Om niet te moeten onderdoen voor deze figuren, kan de iets kleurlozere sterveling zich voor de gelegenheid een intrigerend imago laten aanmeten door de Schetser. Beeldt u zich in hoe dames, ter voorbereiding van een party, zich een nieuwe jurk, schoenen of handtas aanschaffen, vervolgens naar de kapper gaan en daarna langs de Seine passeren om zich door de kunstenaar in kwestie stijlvol te laten opmaken met een bijpassend betoog. Of hoe mannen, perfect geschoren en geparfumeerd, net dat tikkeltje meer uitstralen door middel van een prikkelend profiel, op maat geschetst.’ ‘Toch vermoed ik een addertje onder het verhaal,’ onderbrak ik de Schrijver.’Wat als twee mensen hetzelfde kader krijgen aangemeten, hetzelfde feestje frequenteren en daar dezelfde geschiedenis ophangen? Kan men, met andere woorden, deze schetsvertoningen niet makkelijk doorprikken?’ Mijn gesprekspartner slurpte een oester op alvorens te antwoorden. ‘Dat valt wel mee,’ vervolgde hij uiteindelijk. ‘Onderschat het talent van deze man niet. Daarbij, het is wetenschappelijk bewezen dat het brein zich bereidwillig in de luren laat leggen. Bovendien krijgen klanten, mits een kleine opleg, een arsenaal aan argumenten om netelige vragen eloquent te pareren. Nee hoor, zij zitten gebeiteld met hun verworven boutade. Ik verzeker je, de Schetser draagt kwaliteit hoog in het vaandel.’ ‘En verdient hij daarmee voldoende om in zichzelf in zijn levensonderhoud te voorzien?’ vroeg ik me hardop af. ‘Absoluut!’ antwoordde de Schrijver. ‘Hoewel ik moet toegeven dat het hem de laatste tijd iets minder voor de wind gaat.’ Hij zweeg even, maar had niet meer nodig dan mijn vragende blik om zijn verhaal verder te zetten. ‘Het zit namelijk zo,’ sprak hij enigszins aarzelend, ‘Een ongelukkige samenloop van omstandigheden heeft hem een beetje in een slecht daglicht geplaatst.’ Nu was het mijn beurt om begripvol te knikken. Een en ander geeft opgeteld niet altijd de verwachte uitkomst, dat had ik in mijn beroep al meer dan eens ervaren. ‘Zolang hij zich tot volwassenen richtte was er geen probleem,’ aldus de Schrijver. ‘Maar zodra hij zijn doelgroep uitbreidde naar een jonger publiek, gingen de poppen aan het dansen. Hoewel zijn motief nobel was – de Schetser herinnerde zich maar al te goed zijn eigen, eenzame jeugd – duurde het niet lang of de eerste ouder beschuldigde hem van misleiding en verlokking van minderjarigen.’ ‘Een ernstige aanklacht,’ reageerde ik geschrokken. ‘Ach, allemaal overroepen,’ schokschouderde de Schrijver. ‘Ik weet zeker dat de Schetser het allemaal niet slecht bedoelde. Hij probeerde die jongelui te helpen, ze net weerbaarder te maken. Dat hij de kinderen met imaginaire vriendjes opzadelde en op die manier de psychiatrie injoeg, zijn lasterlijke leugens!’ De nu rood aangelopen Schrijver nam een stevige slok van zijn glas. Er glinsterden een paar druppels champagne op zijn kin. En beeldde ik het me in, of zag hij er oprecht ontdaan uit? ‘Tsja, kinderen veranderen vaak iemands verhaal,’ bracht ik in. ‘Dat zal wel,’ mompelde de Schrijver. Hij staarde in de verte, leek zich uit ons gesprek terug te trekken. Toen, alsof hem iets te binnen schoot, keek hij me scherp aan. ‘Het was me zeer aangenaam u te ontmoeten,’ zei hij ietwat bruusk. ‘Maar ik moet nu gaan. Ik verwacht een belangrijk telefoontje waarvoor ik klokslag zes uur thuis moet zijn.’ Met een korte knik en een stevige handdruk nam hij afscheid. Terwijl hij naar de uitgang liep en ik hem nakeek, viel me de verdikking aan zijn rechterenkel op. Alsof hij, verborgen onder zijn sok, een zwaar en donker verhaal met zich meesleepte.  

Ruth A
0 0