Zoeken

De Zwarte Vaart

De Zwarte Vaart   Er is een kanaal dat niet meer stroomt,
 de Zwarte Vaart.
 Het water beweegt niet,
 het glanst
 onder een hemel die zich niet wil tonen.
 Je weet niet of het avond is,
 of een eeuwigheid die net begonnen is.   Huizen aan de oever hebben geen deuren,
 geen ramen die naar binnen kijken.
 Hun schaduwen vallen niet in aarde,
 maar verdwijnen omhoog —
 ergens achter de horizon,
 waar je nooit kunt komen,
 maar het gevoel hebt altijd al te zijn geweest.   De vaart is zwart,
 je kijkt erin en ziet niets —
 maar er is iets,
 iets dat je zou kunnen noemen
 een herinnering die je niet hebt,
 een geluid dat je ooit hoorde,
 maar nu verstomd is,
e en droom die zich omdraait naar de muur.   Er zijn geen vissen,
 en toch beweegt het water —
 een ademhaling die zich in je keel legt,
 iets dat je niet kunt aanraken,
 maar je niet loslaat.   De bomen langs het kanaal
 hangen niet naar beneden,
 ze hangen naar de zijkant,
 alsof ze niet weten hoe zich te verhouden
 tot wat je denkt te zien.
 Hun takken, geen takken,
 maar vingers die zich om je schouders sluiten, 
je blijft kijken,
 het is te laat om je om te draaien.   Iemand roept je naam,
 de echo komt niet terug.
 De vaart houdt je vast,
 maar niet met handen.
 Met stilte.
 Met ruimte.   En als je verder kijkt,
 zie je een pad dat niet bestaat,
 toch is het er,
 je kunt het niet volgen.   Want de Zwarte Vaart leidt nergens heen,
 en toch is hij alles waar je bent.   Tekst : Manfred - 5 april 2025 Foto : Manfred - Leffinge Kanaal Plassendale-Nieuwpoort

Manfred
0 1

CONTOUR

CONTOUR Een poëtisch drieluik over de ziel van de polder   De polder is leeg, zegt men. Maar leegte spreekt. En soms droomt ze.   De Polder Droomt van Iemand Anders (deel I) De polders ademen mist
 die nergens vandaan komt.
 Door geen weerbericht aangekondigd.
 Ze ligt daar,
 vlak als waarheid zonder getuigen.   De dijk loopt krom
 hij iets ontwijkt —
 een gedachte,
 of een voetstap
 klinkt te licht voor dit zware land.   De kerk in het dorp heeft geen klok meer.
 Toch hoor ik hem slaan.
 Elke middag op een ander uur.
 Mensen knikken. Niemand vraagt.   Ik zie een koe
 met ogen als mensen
 en mensen die loeien
 als het avond wordt.   Het vlas groeit achterstevoren.
 De klei ruikt naar ijzer,
 iets dat ooit bloed was,
 maar niemand zich herinnert
 behalve de schapen
 hun ruggen naar de hemel.   In een café zonder naam
 schenkt men koffie zonder warmte.
 Er hangt een schilderij van een boerderij
 die er niet staat
 en nooit heeft gestaan
 maar iedereen zegt:
 “Daar ben ik geboren.”   ’s Nachts komt de mist terug
 door de sleutelgaten,
 ligt op de lakens als adem.
 En in je droom zegt de polder:
 “Je woont hier nu. Je was hier altijd.”     De Polder wordt wakker in jou (deel II) Je draagt de polder in je rug,
 zoals wind een naam fluistert
 die jij nooit hebt uitgesproken.   Hij kruipt in je schaduw
 wanneer je denkt te vluchten,
 drinkt uit je voetsporen
 nog voor je zelf beseft
 dat je hier bent.   De horizon volgt je,
 laag en traag,
 als een oog
 dat nooit knippert.   Een kauw zegt je naam
 in drie klanken die niet bestaan,
 en je begrijpt haar.   Je probeert de lucht te negeren,
 maar zij buigt zich voorover —
 een plafond van wolken
 die ademen op je huid.   Een oude vrouw veegt haar stoep
 met een bezem zonder steel.
 Ze glimlacht naar je
 alsof je haar kleinzoon bent.
 Je hebt haar nooit ontmoet.
 Toch weet zij hoe je koffie drinkt.   De vaart weerspiegelt je gezicht
 maar knippert niet tegelijk.
 De wind heeft je stem gestolen
 en praat ermee tegen het gras.   Je opent een deur die je niet sloot,
 binnen ruikt het naar thuiskomen,
 maar niemand woont er,
 behalve jij
 in een leven dat je je niet herinnert.   De polder slaapt niet meer.
 Jij droomt nu voor hem.
 En elke ademtocht
 is klei.     De Laatste Schemer van de Polder (deel III) De avond valt
 niemand ziet het gebeuren.
 Het licht trekt zich terug
 een dier sterft zonder geluid.
 Er blijft een glans op de klei,
 alsof het land zich herinnert
 wat wij vergeten zijn.   Je ruikt niets meer.
 De geur van mest, van nat hout, van mens —
 verdwenen.
 De lucht smaakt naar kalk
 en naar een naam
 die je ooit had.   Een haas zit midden op het pad
 hij beweegt niet.
 Je denkt: hij hoort hier.
 Maar dan zie je:
 hij ademt niet.   De bomen —
 want er zijn opeens bomen,
 waar gisteren nog niets stond —
 houden hun takken  als vingers voor hun mond.
     Je zakt weg in het pad.
 Niet diep, maar net genoeg.
 Klei zuigt je voeten
 alsof ze je willen houden,
 niet met geweld,
 maar met zorg.
 Een moeder
 die een kind niet laat gaan
 zonder jas.   De kleuren verlaten de dingen.
 Het gras wordt grijs,
 de vaart en de sloten zwart,
 jij zelf
 wordt een contour.   Je voelt je vingers niet meer.
 Je tast nog wel —
 maar de wereld voelt niet terug. En dan zegt de polder
 niets.   En dat is het ergste:
 dat hij zwijgt,
 nu hij jou geworden is.   Tekst : Manfred - 5 april 2025 Foto : Manfred - Snaaskerke

Manfred
0 1