Zoeken

Tip

Koers in ‘t dorp

We moesten sneller zijn. We moesten als gekken door de grauwe steeg rennen voordat het peloton draaide aan de oude maalderij. Bij de vorige ronde kwamen we te laat in de Maria Sterckxstraat en zagen we enkel nog de gelosten, de achterblijvers, de sukkels. Met die mannen wilden we niks te maken hebben. Deze keer moesten we rapper zijn. Jokke struikelde in de steeg maar Dafkes trok hem mee. Wij lieten niemand achter. Daar was het licht, aan het eind van de grauwe steeg, maar godverdomme, we zagen de eerste fietsen al. De titanium frames weerkaatsten de onzichtbare zon tot op de mossige keien van de steeg, recht in onze ogen. Godver… Omkeren! Onmiddellijk naar de Vlooikenslei, langs de koer van bakkerij Vleesbuyk. Dat moest toch lukken. De was hing uit op de koer. Tuur snokte hem opzij, een paar witte slipjes vielen op de vuile stenen. ‘Hé, moeten we dat niet oprapen?’ vroeg ik. ‘Kop toe, Makke!’ En we waren weer weg, op naar de Vlooikenslei. Zweet in de nek, kramp in de kuiten, maar ditmaal zouden we het halen. We zagen de vadsige ruggen en de roestige nadars, maar er was nog geen onrust. Enkel spanning. De renners moesten nog komen. We smeten ons tussen de ruggen en tegen de nadars en daar waren ze! Was het de afstand, het tegenlicht, onze eigen uitputting? Dat wisten we niet, maar het leek dat de kopgroep – die eerste zeven, acht met hun voeten in de trappers geklemd – in slow motion de bocht nam, als om ons te belonen voor onze inspanning. Toen werden ze de straat in gekatapulteerd en schoten sneller voorbij dan onze koppen en oogballen konden volgen. Maar hem zagen we wel, onze held, in voorlaatste positie: De Smyter. We riepen, brulden, tierden zijn naam naar zijn gekromde rug en lycra achterwerk. Ha, hij hield zich in, natuurlijk, spaarde zijn krachten voor de laatste ronde. Goed bezig, Smyterke! En nu? Binnendoor, langs de school naar de brug, dan konden we ze van boven zien. Ja! Goed idee! Van wie? Dafkes natuurlijk. Lopen, mannen! We klommen over de poort, een twee drie en voort, komaan! Shit, Jokke was weer gevallen. Alles oké, gast? Ja ja, wij gaven niet op, wij waren zoals De Smyter. In volle vaart over de speelplaats, alleen Tuur bleef even achter. Wat nu weer? Hij had een losse kei gevonden en gooide die door een ruit. ‘Stomme rotschool!’ Lachend, de bek helemaal opengesperd, sloot hij weer aan. ‘Was dat nu nodig?’ vroeg ik. ‘Kop toe, Makke!’ We waren bijna op tijd. De eerste drie zaten al onder de brug. Eerste drie? Ja, de rest was gelost, de volgende drie zagen we nu komen, en daarachter… ‘t was niet waar… Komaan, De Smyter! Laat u niet doen, Smyterke! Zijn lijf was gespannen als een boog, zijn neusvleugels stonden helemaal open. Hij had nog over, ja, maar mocht niet meer te lang wachten. En zag je dat? Wat? Rond zijn oren? Nee, wat? Hij begon grijs te worden. Daar moesten we even van bekomen. De Smyter grijs? Ja, en dan, bij sommige mannen begon dat vroeg. Andere werden snel kaal, hè, Jokke? Maar we verloren tijd, weg van die brug, of nee, de brug over, we moesten de spoorlijn volgen, dan waren we direct bij de maalderij. Was dat niet gevaarlijk? Gast! Als ‘t koers in ‘t dorp was, werd de spoorweg afgesloten, net zoals de andere wegen. Niemand kon erin of eruit op een dag als vandaag. ‘Zeker dat er geen trein rijdt?’ vroeg ik. ‘Kop toe, Makke!’ We renden tussen de spoorstaven, bij elke stap voelden we de stenen door de dunne zolen van onze schoenen. Ballast, zo heetten die stenen. Wie zei dat? Wie wou er de slimme uithangen? Geen zever nu, mannen, we moesten op tijd aan de maalderij zijn. Het was de laatste ronde! Auw! We keken om, maar dat was niet nodig, we hadden het kunnen weten. Jokke was achter een van de bielzen blijven hangen en lag nu met zijn smoel tussen de andere ballast. We keken voor ons: de maalderij. We konden het nog halen. Achter ons: Jokke, die recht krabbelde. Het lukt wel, jongens, niet wachten, denk aan De Smyter. Niks ervan, we pakten hem samen op en trokken ons weer op gang. Rond de maalderij hing, zoals altijd, een dikke stofwolk. Tussen de bakstenen torens zocht een duif haar weg door de bleekgele mist. De zon kwam er amper door, net genoeg om de witte finishlijn op te blinken. We waren op tijd! Vanop de spoorheuvel hadden we een perfect zicht. High five! We hoorden het peloton komen, we voelden het in onze lijven. Nee, dat was iets anders. Dat was… dat was… gezoem van de sporen, geknetter van de bovenleiding. We keken naar elkaar. Wie had gezegd dat er vandaag geen treinen reden?  De afrastering tussen het spoor en het talud was zeker twee meter hoog. Moest lukken! Bovenaan zat prikkeldraad. Zou ons niet tegenhouden! Maar hoe kregen we Jokke erover? Godver… En als we ons nu gewoon tegen de draad duwden, dan konden we de finish toch nog zien? We keken naar elkaar, naar de ballast, de sporen die al leken te bewegen. Nee, dat konden we niet maken. Jamaar, De Smyter, hij zou zometeen uit de mist komen. Hiervoor hadden we het toch gedaan? Jokke beefde. Was het pijn, angst of de trilling van de sporen? Zijn mond ging open maar hij zei niks. ‘t Was zijn schuld. ‘We moeten het spoor oversteken en langs de andere kant naar beneden,’ zei ik. ‘Kop toe, Makke!’

R.F.G. Vandenhoeck
118 2

Una vida ociosa

Een vriendin die ik jaren uit het oog verloren was, bleef logeren. Ze plofte haar tas in de designzetel die ik met geen vriend of kind deelde. Terwijl ze uitpakte, vertelde ze over de treinrit tot bij mij. Geen vertragingen en het was gratis, dankzij haar nieuwe baan. ‘Treinconducteur, had je dat ooit gedacht?’, lachte ze.  ‘Je reisde altijd al graag’, zei ik.  ‘Je zou me moeten zien in mijn uniform, met mijn pet op.’ Ze toonde me een foto op haar telefoon, en ik schoot in de lach. Zij die altijd in gebatikte jurken rondliep vroeger, en van die ringetjes om een haarlok klemde. In de jaren negentig, toen onze klasgenoten plateauzolen droegen, ging zij op paterssandalen door het leven. Ik hing altijd ergens tussenin, probeerde dikke zolen maar liet de Buffalo’s links liggen, net als de Dr Martens. De ene week trok ik blonde strengen in mijn haar met haarmascara, de andere week liet ik het in piekjes knippen.  Als tieners hadden we elkaar tot diep in de nacht verhalen ingefluisterd over de mensen in onze stad. Wie had een nieuwe geliefde, wiens vader verloor zijn werk, met wie wilden we gelukkig worden? Bij haar thuis kwamen er voortdurend vrienden aanwaaien. Zeker als het eerste zomerfestival erop zat en we, met de geur van gras nog in de haren, op tv concerten herbekeken waar we zelf bij waren geweest.  Met haar haast tekenfilmachtige bruine ogen en altijd wat naar je toe gebogen, praatte ze nu even enthousiast als toen we ‘Woord’ volgden bij die levendige vrouw met het kortgeschoren boeddhakopje. Onze docente kwam uit de grootstad en sprak zo onberispelijk Nederlands dat we het gevoel hadden een nieuwe taal te leren. We probeerden ons dialect te bezweren. Nu voelde mijn vriendin zich het best als ze Spaans sprak, met haar Argentijnse vriend en hun dochtertje van vijf. ‘Op mijn vorige job vergaderden we gewoon te veel,’ ging ze verder, ‘In het begin dacht ik dat we iets konden veranderen, maar uiteindelijk beslisten die mensen boven ons. Echt vermoeiend. Nee, ik ben blij dat ik weer dicht bij de mensen sta.’ Ook ik zag de mensen ‘van bovenaf’ op mijn werk maar twee keer per jaar op een receptie, met kerst en in juni. Goden die niet in de hemel op een wolk zaten, maar verdiepingen hoger in het gebouw. Want mensen van bovenaf kon je toch niet op het gelijkvloers stationeren. ‘Waarom verander je dan niet?’, vroeg ze me. ‘Goh, het verdient goed en ik heb goede collega’s’  ‘Die allemaal over hetzelfde klagen?’ ‘Ik zoek de uitdaging meer in hobby’s’, verdedigde ik me. ‘O, teken je nog? Daar was je vroeger goed in!’  ‘Nee, ik volg nu een kookcursus.’ Op een thuiswerkdag droeg ik de pluizige wollen broek waarvan ik dacht dat ik me er nooit buiten mee zou wagen, en ik verborg mijn ongewassen haar onder een muts. De dossiers over subsidieprojecten jaagde ik er met gemak in een paar uur door. Daarna scrolde ik door de krant en las over leiders die ofwel een oorlog afkondigden ofwel amper beslissingen namen. En toen kreeg ik haar berichtje, of ik mee wilde naar een lezing over klimaatoplossingen in Cuba. Die ging door in mijn stad, en ze dacht dat het me wel zou interesseren. Bovendien was het een kans om elkaar eens terug te zien. Er was een feestje na de lezing, en het zou te laat zijn om terug naar huis te rijden. Kon ze niet bij me blijven logeren? Ach, waarom niet. Terwijl we naar de bijeenkomst fietsten, vertelde ze over haar dochter. ‘Drie talen spreekt ze, en ze is een goede spelleider volgens de kleuterjuf.’ ‘Dat heeft ze van jou’, zei ik. ‘Ze volgt nu ook judo, want daar kijkt haar vader graag naar op tv. Kinderen nemen alles over op die leeftijd. Echt wonderbaarlijk’, zei ze. We stalden onze fietsen naast de voormalige fabriekshal waar tientallen mensen verzamelden. Binnen prijkte een vaandel met een lijntekening van Che Guevara. Een Cubaanse vlag diende als tafellaken voor boeken over het communisme. Aan de toog kon je voor zeven Euro een mojito kopen. Mijn vriendin spotte een paar Zuid-Amerikaanse kennissen en vertelde hen over weer andere vrienden. ‘Claro claro’, hoorde ik haar zeggen. Alles was helder. De lezing begon met een filmpje. Donkere vrouwen met ontblote schouders defileerden over aardewegen. Ze ruimden plastic afval en toonden de zonnepanelen op hun schuur. Even later voer een man op een smalle kajak langs mangroven om ze te versterken met planten. Hij vertelde hoe Cuba maatregelen nam tegen overstromingen en orkanen. Een andere vrouw beklemtoonde dat Cuba veel minder CO2 uitstootte dan veel Westerse landen. België kwam wel honderd dertig plaatsen achter Cuba in de ranglijst. Toch wilde Cuba het in de toekomst nog beter doen. De rode kleigrond op het filmpje flitste me twaalf jaar terug. Het vliegtuig naar Varadero, voor een rondreis, in mijn eentje dan nog. Het leek een eeuwigheid geleden. Op het vliegtuig raakte ik aan de praat met een Cubaanse die al jaren in België woonde. Ik liet me overhalen om haar koffer de luchthaven uit te dragen, want anders moest ze de cadeautjes voor haar neefjes en nichtjes een tweede keer betalen aan de Cubaanse douane. Hoe kon ik zo naïef zijn! Misschien had er wel drugs in die koffer gezeten. Een vrouw in politie-uniform hield haar meteen tegen op de luchthaven, en de paniek steeg me naar het hoofd. Draaide ik hier zo meteen in Cuba de cel in? Het was een politiestaat, had de Cubaanse man van een collega me voor mijn vertrek verteld. Daarom was het er zo veilig voor toeristen. Cubanen die je wat wilden aandoen, werden meteen opgepakt, zweerde hij. De agente liet me inderdaad ongemoeid en de Cubaans-Belgische vrouw kwam er met een waarschuwing en hoge douanekosten vanaf.  In de bus naar Havana vergat ik het incident toen ik paard en kar, oldtimers en Chinese bussen samen op straat zag. Hoog in de lucht cirkelden gieren. Alles kwam hier uit een avonturenboek, nergens hing reclame. Wel communistische slogans en afbeeldingen van Ché. In Havana stonden kerels bij bolvormige mototaxi's, enorme geel-groene eieren. Een taxichauffeur bood me een rit aan. In dat lage voertuig tussen het drukke verkeer, voelde ik me vrij. Mijn chauffeur reed naar het wisselcentrum waar ik veel Cubaanse dollars voor toeristen afhaalde, en amper wat Cubaanse pesos voor de gewone Cubaan. Wat later ontdekte ik dat Cubanen al te graag een dollar van je wilden om voor veel pesos in te ruilen. Daartoe drogeerde een man twee hondjes en zette ze een sombrero op, zodat toeristen met ze op de foto zouden gaan. Ik liet me portretteren met een van die versufte hondjes. Nog geen minuut later werd ik achtervolgd door een kleine fanfare die ‘Besame Mucho’ speelde, ook voor een dollar.  In mijn eerste verblijf, een Casa Particular bij Cubanen thuis, woonden Clara en Tommy. Ze hadden allebei kunstgeschiedenis gestudeerd, maar verkochten postkaarten in de kerk en herstelden auto’s. Clara miste een uitdagende job, zei ze. Dat ze getuige van Jehova was, hielp haar door de dag. Hun vriend, een dokter, vertelde dat een taxichauffeur meer aan toeristendollars verdiende dan een dokter aan zijn honorarium. Binnenkort zou hij de overtocht naar Miami wagen. Clara keek bezorgd maar zei ook dat ze jaloers was. Op haar telefoon toonde ze foto’s van familie in de VS, met een grote SUV en een villa. ‘We mogen het niet te luid verkondigen, want de afgevaardigde van het Comité ter Verdediging van de Revolutie woont hieronder.’ In elk huizenblok zag een van hun leden erop toe dat de bewoners niet meer eten in huis haalden dan hun rantsoenboekje toeliet. Clara en Tommy verstelden al jaren dezelfde kleding. Zelfs de koloniale woning die ze overgeërfd hadden, met hoge ramen en antieke meubels waar je in België een fortuin voor zou neertellen, bracht geen schittering. De verveling stond op hun gezicht af te lezen. ‘Es una vida ociosa’, zei Clara. Een leven op het einde van een te lange zomervakantie.  De laatste dag van mijn verblijf, toen ik mijn rolkoffer naar beneden wou dragen, priemde er een metalen staaf door het open raam. Zonder waarschuwing spoot die insecticide de woonkamer in. Alsof de overheid haar bewoners wou verdelgen. Toen ik even later in een Chinese autocar oostwaarts reisde, hoorde ik rugzaktoeristen panikeren over een cholera-uitbraak in Santiago De Cuba. Haïtiaanse migranten zouden de ziekte hebben meegebracht na de aardbeving in hun land. In de krant van Fidel, Granma, stond daar niets over. Alleen over de mislukte oogsten in Noord-Amerika. De toeristen waren erg bezorgd om ziek te worden en vroegen Cubanen in Viñales en Trinidad om raad. Sommige beweerden dat zelfs het gebotteld water in Santiago gevaarlijk was, andere stelden gerust: ze konden zonder problemen doorreizen. Onder de vrolijkheid van carnaval, rum en salsa lag angst, machteloosheid en vooral verveling. Een dictatuur met zeezicht. Ik wou het tijdens de lezing voor mezelf houden, maar toen de zoveelste activist de loftrompet stak over Cuba, werd het me te veel. Ik fluisterde het allemaal in het oor van mijn vriendin. ‘Het heeft toch veel te maken met dat Amerikaans embargo’, antwoordde ze fel, ‘Zeg nu zelf, hoe kan je dat na al die jaren nog verdedigen!’ ‘Maar dat Comité de Defensa de la Revolución dan? Die hebben in elke straat hun mannetjes.’ ‘Die geven uitleg over vaccins en klimaatrampen,’ glunderde mijn vriendin. ‘Ze controleren mensen en luisteren hen af, zoals de Stasi in Oost-Duitsland vroeger.’ ‘Maar elke Cubaan zal je vertellen dat het onderwijs en de ziekenhuizen erg goed functioneren. Daar zijn ze trots op. Ze stuurden zelfs dokters naar Italië tijdens de coronacrisis.’ Het was waar, van die dokters. Maar al het andere dan? ‘Ik heb zin in een mojito’, zei ze. Ik scrolde door krantensites op mijn telefoon terwijl mijn vriendin van haar cocktail sipte en honderduit praatte met de Zuid-Amerikanen. Een Belgische vrouw die net verteld had hoe ze met haar vereniging kelders had leeggepompt bij slachtoffers van watersnood, deelde schouderklopjes uit aan haar strijdmakkers. Ze zamelden ook kledij in voor de kwetsbaarsten. En wat deed ik eigenlijk? Op mijn eentje de ‘waarheid’ koesteren? Mijn vriendin danste uitgelaten terwijl ik graag naar huis wou, maar het niet over mijn hart kreeg om haar avond daarmee te verpesten. Ik zette wat houterige passen op de salsamuziek die me overdreven uitbundig scheen, en vervloekte mezelf om mijn gematigdheid. Toen de zaal om drie uur bijna was leeggelopen, geeuwde mijn vriendin en zei ze dat ze naar bed verlangde. Op de fiets vertelde ze over mensen die ze had teruggezien. ‘Met Leila woonde ik toen in dat studentenhuis, ze heeft intussen twee kinderen, maar haar man verliet haar en toen werd ze op de koop toe ziek. Nu is ze weer beter en schrijft ze een boek.’  Ik voelde me erg loom toen ik de volgende ochtend wakker werd van het wekkergeluid op haar gsm. Alsof ik van ergens diep onder water naar het oppervlak zwom. Ik hoorde mijn vriendin op afstand en besefte pas na enkele zinnen dat ze het tegen mij had. Ze moest die zaterdag werken, ze had niet kunnen ruilen met een collega, maar het was niet erg, ze had dat nog gedaan, werken na een feestje. Dat houdt je jong. Ik dacht eraan voor de volgende logee een bordje aan de deur te hangen: ‘Hier slaapt men acht uur!’ Na mijn eerste vlaag ochtendhumeur, perste ik sinaasappelen hoewel ze zei dat dat niet nodig was. Samen aten we boterhammen voor we naar het station fietsten. ‘Laten we snel nog eens afspraken’, zei ze terwijl we elkaar ten afscheid knuffelden. Ze leek de sympathiekste blauwbloes ter wereld in haar uniform. De maandag erop perste ik sinaasappelen voor mezelf, fietste naar het station en parkeerde in de stalling tegenover de stationsklok, zodat ik mijn fiets bij thuiskomst snel zou terugvinden. In de trein zocht ik een plek bij het raam. Er cirkelden geen gieren in de lucht en de weilanden leken in niks op mangroves. Er waren geen hondjes met hoeden, geen salsa en de andere treinreizigers zaten met hun neus in een boek of over hun telefoon gebogen. Ik zou ruim op tijd zijn voor de vergadering.        

Pons
0 0

Langs de Rand van het Onbekende: Vier Dagen Vol Gevaar en Ontsnapping in Engeland

Het was midden jaren '70, een tijd waarin de wereld voor ons openging en avontuur ons op elke straathoek leek te wachten. Mijn zuster Ginette, onze vriend Hugo De Bie, en ikzelf waren tussen de 16 en 19 jaar oud toen onze ouders besloten dat het tijd was om ons Engels te verbeteren. Ze stuurden ons naar een boerderij in Engeland, een plek waar we niet alleen zouden leren, maar ook zouden werken. We werden er ondergedompeld in het boerderijleven, omringd door jongeren van verschillende nationaliteiten, allemaal samengebracht met hetzelfde doel: de taal van Shakespeare leren terwijl we ons nuttig maakten op het platteland. Maar al snel begonnen Hugo en ik te verlangen naar meer dan de dagelijkse routine van de boerderij. Tijdens een van onze avonden op de boerderij ontmoetten we Xavier, een Parijzenaar die net als wij naar Engeland was gestuurd, en wiens honger naar avontuur even groot was als die van ons. Xavier was anders dan de rest. Hij had een vastberaden blik in zijn ogen, een blik die zei dat hij net zo graag als wij de sleur wilde doorbreken. Het idee om te gaan “hitchhiken” en de streek te verkennen, was snel geboren. Er was alleen één probleem: we hadden toestemming nodig van de boer. We beraadslaagden, smeedden ons plan, en met enige overtuiging kregen we uiteindelijk groen licht. De wereld lag aan onze voeten. We gingen meteen aan de slag om onze reis te plannen. Onze route was duidelijk uitgestippeld op een verfrommelde kaart van Engeland. We omcirkelden overnachtingsplaatsen en maakten een pact om apart te liften, in de hoop sneller een lift te vinden. Het leek een solide plan: we zouden vier dagen rondtrekken, elk met een rugzak met een deken, wat kleren, en een klein beetje zakgeld. Dit alles zou ons vrijheidsgevoel compleet maken. Maar Engeland in de jaren '70 was geen onschuldige plek. De dreiging van de "skinheads", een subcultuur die bekendstond om zijn geweld en haat tegen vreemdelingen, hing als een schaduw over onze plannen. Ze hadden een uitgesproken anti-Franse houding, en dit was iets waarvan we Xavier, onze Parijse metgezel, zorgvuldig op de hoogte moesten stellen. Hij zou zijn Franse accent moeten verbergen als we in de buurt van deze groep zouden komen. De spanning werd bijna tastbaar toen we afscheid namen op de boerderij en ons avontuur begonnen. De eerste nacht van ons avontuur was meteen al memorabel. We vonden onderdak onder de blote hemel, aan de voet van een kasteelruïne. De sfeer was beklemmend; het kasteel, verlaten en gehuld in duisternis, leek ons te bespieden. De temperatuur zakte, en de kou beet in onze botten. Rond 5 uur 's ochtends, na een slapeloze nacht, besloten we de nabije stad in te trekken om wat warmte te zoeken. Terwijl we door de verlaten straten dwaalden, zagen we in de verte een hotel waar licht brandde in de keuken. Hongerig en verkleumd klopten we op de deur, maar het leek alsof iedereen nog sliep. Tot onze verbazing stond de deur op een kier. Honger en kou overheersten onze moraal, en we glipten naar binnen. In de keuken vonden we brood en melk, en zonder na te denken namen we het mee – een onschuldige jeugdzonde, maar destijds voor ons een klein avontuur op zich. De volgende dag reisden we verder en bereikten de kust van Wales. Het plan was om op het strand te slapen, onder de sterren, met het geluid van de golven op de achtergrond. Maar het lot had andere plannen voor ons. Terwijl we ons installeerden, zagen we in de verte een groep missionarissen op het strand. Ze predikten tot een kleine menigte, en al snel hadden ze ons in het vizier. Ze kwamen naar ons toe en begonnen een vriendelijk gesprek. Het duurde niet lang voordat ze ons uitnodigden om met hen te eten in hun klooster, en ons boden om in de kerk te overnachten. We accepteerden hun aanbod met enige aarzeling, maar uiteindelijk volgden we hen naar hun klooster. Daar, aan een lange tafel, genoten we van een eenvoudig maar voedzaam diner. We stelden ons netjes in het Engels voor, zoals het hoorde. Na het eten brachten ze ons naar de kerk, waar we op brede, houten kerkbanken de nacht doorbrachten. De rust en sereniteit van de kerk contrasteerde scherp met de koude en onheilspellende nacht ervoor, en we sliepen als rozen. Op de derde dag verliep onze reis minder soepel. We arriveerden laat op onze afgesproken plek en het vinden van een slaapplaats bleek een uitdaging. Na wat rondzwerven stuitten we op een politiebureau. Vol goede hoop vroegen we of we in een lege cel mochten overnachten, maar helaas waren alle cellen bezet. Een vriendelijke officier verwees ons naar een pub die nog open was, hoewel het al na middernacht was. In de pub bestelden we koffie, maar wat we kregen was een dikke, stropige brij met heet water eroverheen gegoten – absoluut niet te drinken, maar het was warm, en dat was op dat moment genoeg. Terwijl we daar zaten, kwam een Engelse man naar ons toe. Hij vroeg ons of we een slaapplaats hadden voor de nacht. Toen we ontkennend antwoordden, bood hij aan dat we bij hem thuis konden overnachten. We keken elkaar twijfelend aan, maar gezien het late uur en onze vermoeidheid besloten we het aanbod aan te nemen – we waren immers met drie, en dat gaf ons een gevoel van veiligheid. De rit naar zijn huis was een van de meest ongemakkelijke momenten van onze reis. We reden over smalle, kronkelende weggetjes, omringd door dichte bossen. De mist maakte het zicht beperkt en versterkte het gevoel van isolatie. De man achter het stuur was stil, en het enige geluid was het gezoem van de motor. Xavier, die naast hem zat, fluisterde ons in het Frans toe: "Guy en Hugo, als deze man iets probeert, zijn jullie klaar om hem bij de keel te grijpen?" We knikten bevestigend, onze zenuwen strak gespannen. Na wat een eeuwigheid leek, bereikten we een afgelegen boerderij. We voelden meteen dat er iets niet klopte. Er stonden meerdere auto's geparkeerd, wat vreemd was op zo'n eenzame plek. Binnen was het huis warm en gezellig, maar iets in de sfeer voelde misplaatst, alsof de gezelligheid een masker was voor iets donkerders. Hij stelde voor dat twee van ons in de woonkamer konden slapen en één van ons bij hem in de slaapkamer. Hugo en ik voelden onmiddellijk dat er iets niet klopte. We drongen erop aan dat wij samen in de woonkamer zouden slapen. Xavier had helaas minder geluk; hij werd naar de slaapkamer geleid. Vanuit de woonkamer hielden we de situatie nauwlettend in de gaten. Door een kier in de deur zagen we hoe de man naast Xavier op het bed ging zitten. De spanning in de kamer was voelbaar. Het leek erop dat de man andere bedoelingen had, maar Xavier wist het moment te ontzenuwen. Uiteindelijk keerden Hugo en ik terug naar de woonkamer, al bleef ons wantrouwen groot. Midden in de nacht kwam de man nog eens langs, zogenaamd om te vragen of we goed lagen, maar zijn vraag leek een andere lading te hebben. We wimpelden hem resoluut af en bleven waakzaam. Vroeg in de ochtend werden we wakker, vastbesloten om deze vreemde plek zo snel mogelijk te verlaten. Via het balkon zagen we dat de man en Xavier sliepen. Stilletjes slopen we naar de slaapkamer. De deur was met een haakje vergrendeld, maar met een pen lukte het ons om het slot te openen. We maakten Xavier voorzichtig wakker. Hij was bleek en duidelijk nog geschokt, maar hij volgde ons zonder protest. Onze stappen waren snel en stil, onze ademhaling onregelmatig. Het was pas toen we de eerste stralen van de zon op onze gezichten voelden dat we ons realiseerden hoe dicht we bij echt gevaar waren geweest. De terugtocht naar de boerderij voelde als een vlucht, en toen we eindelijk de vertrouwde velden en hoge heggen weer zagen, voelden we ons voor het eerst sinds dagen weer veilig. Dit avontuur, vol onverwachte wendingen en momenten van echte angst, zou ons voor altijd bijblijven. Het was een ervaring die ons niet alleen dichter bij elkaar bracht, maar ons ook liet zien hoe dun de lijn kan zijn tussen avontuur en gevaar.

Guy Van Damme
38 0