Zoeken

Over een konijn

  Ik zal mezelf niet langer kunnen overvallen met een mes. Dat is verleden tijd en op Aswoensdag komt de schoorsteenveger. Netjes in kostuum. Hij loopt voorbij de kerk. Er zit een kruisspin op de muur van ongeloof. Er is geen plaats meer op zijn lijf voor grijs toneel en nog meer dood of beeltenissen van de zieke mens. In het complot zit ook een rookverdelger. Zij denken allemaal dat aan mijn huis iets te verdienen valt. Iemand heeft onlangs een allumeur geschonken aan mijn brievenbus. In het dorp groeit nochtans alles recht, wordt van bedrog niet eens gesproken op het pleintje naast dat witte huis. Daar woont iemand die valse tanden maakt voor klokken die zich stukbeten op vredestijd. Ik ben het bijna zeker. Als de bel gaat op de speelplaats van naïviteit, dan weet de directeur hoe blind het kind nog is. Hij speelt ook zelf een instrument of drie. Triangel. Gong. Het setje glazen half gevuld met water blijven altijd staan. Het aanrecht is dat reeds gewoon. De oren van de muur. Ze luisteren niet meer. Zo werkt dit dorp. De bakker tovert brood, de boer een vis of twee want in de sloot zit veel verborgen. Morgen komt een ambtenaar hier alles meten. Waterstanden, diepte van gesprekken in het enige café. Hij zal niet langer controleren of het mes zich scherp genoeg gemaakt heeft voor het einde van mijn leven. Het zal niet meer gebeuren dat een paard zichzelf in stukken snijdt. Dat komt omdat er aan de eindstreep zo veel mensen staan. Zij houden daar niet van. Geloof dit niet. Het hobbelt slechts. Het is een houten ding dat ik al heb toen die oranje kleur nog rood mocht zijn. Ik had nog bloed dat zonder zorgen stroomde. Echt. In ben het bijna zeker. Als de lente komt, dan zal het gras weer eens proberen hoog te worden, mooi te zijn, volgroeid. Zaden zullen echter niet verschijnen. Kortgewiekt wordt alles rondom mij en in de Molenstraat loopt er een hond. Hij is van mij. Hij blaft niet als de wind een vreemde toekomst brengt. Het is het trouwste dier uit gans de streek, telt nooit mijn tenen, vertrouwt erop dat ik niet weg zal lopen richting kerkhof, ook niet naar het eindstation. Zijn kopje aait mijn huid terwijl mijn hand vertelt. Over. Een. Konijn. Dat niet zo diep onder de oppervlakte leeft. Alleen maar beeft als er een wortel dreigt te bijten. Of wanneer de adelaar. Zomaar op regendruppels drijft.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
5 0

De schaduw van geluk

  Op een schommel dommelt evenwicht. De rust zij tuimelt altijd richting zwaartepunt. Niets luistert naar mijn wil. Ik zou veel liever drijven zonder iets te moeten voelen. In de lucht. Daar durven vogels zomaar vliegen over zee al is het water veel te zout om zich te laven. De oceanen zijn gemaakt voor langgerekte stromen en het zingen van een walviskoor. Zoeter zijn de dagen als de tijd geen misdaad plant. Hij is nochtans steeds onderweg. De gezant van ongeluk draagt onder zijn tenue een t-shirt met daarop een olifant. Ik heb weer eens gedroomd. De nacht was van kristal en ieder laagje ijs op warme hoop, het brak. Zijn poten zijn zo zwaar een draak kan zijn. Ik sprak tegen mezelf die wartaal van altijd. Over een fris begin. Toen er nog kikkers zwommen in mijn glas dat ik een vijver noem wanneer de wereld veel te groot lijkt voor een kind met nieuwe ogen. Over het middenstuk. Die romp van schepen tussen boeg en roer. Ja, er bestaat een theorie die altijd heeft beweerd dat bootjes moeten drijven. Zolang rivieren zich niet vullen met te hete lucht. Ik heb de gaskraan afgezet. Mijn masker weggelegd. Er stak een blik achter dat scherm die niemand had verwacht. Ik heb een oog te veel. Het ziet geen kleuren, enkel diepe gloed. Kijk mij niet aan. Dat zeg ik altijd tegen ijsvogels. Ze zitten meestal op een tak te wachten op de dooi van bange dagen. De lente mag zich haasten, denkt de bol met in zijn hart een bloem. Over het einde durven enkel gieren vliegen. Hun vleugels en hun bek, zij kennen goed de weg naar restjes levensmoed. Die liggen doorgaans aan de rand van het bestaan. Toen er nog kikkers zwommen in mijn glas. Zolang de draak zich maar vergist tussen het spook en schimmen in mijn hoofd. Ik spreek die wartaal liefst wanneer een langbek naar een dikkop vist. Ik heb de gaskraan afgezet. De vinken hebben nog geen pan gekozen om hun blindheid te vergeten. Gebakken smaakt verdriet niet beter, lacht de zon. Er wordt nochtans al lang op hem gewacht. Op hem die slome kerel. Ja, die zendeling met in zijn rugzak salami op kruimels die wat brood proberen zijn. Kijk mij niet aan. Dat zegt hij ook. Ik ben zo traag dat rampspoed met gemak mijn hielen strelen kan. Ik struikel dan. Over de schaduw van geluk.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Beaulieu-sur-Mer

  Er is een racecircuit ooit aangelegd op deze rug. De littekens verbinden wegen waar een korstje heeft geleefd. De auto’s reden door mijn hoofd. Er was een gat gemaakt voor duiveltjes die met hun zwart geweld het lot bestuurden richting rechteroog. Aan deze kant werd ik voorgoed volledig ongevoelig voor het rode licht dat avonden soms blind beloven. De lens is er zelfs uit. Ik draag daarom meestal een ooglap. Het is een stukje stof gescheurd uit een bedrogen vlag. Men sprak van landverraad toen ik de zee verkozen had. Ik heb mijn koersmobiel verkocht aan een piloot die ‘s morgens pap met brokken at. Ik heb mij met dat geld een vliegdekscheepje aangeschaft. Het was te klein geworden voor de aanloop van de reus, die er zijn stappen wilde tellen. Alles richting ondergang. Een pas of tien misschien en hij lag overboord. Zo gaat dat vaak in sprookjesland. Het is nu helemaal van mij. Hier aan de linkerkant is er die grote vlakte voor het ene vliegtuig dat ik heb. Het is een dubbeldekker uit een oorlog heel dichtbij. Ik vecht nochtans al lang tegen de molens op de wal. De dwaaltocht wil mij nog niet laten gaan. Het was Frestoen die me beval. Ik moest, ik zou in Noorse fjorden naar verkoeling zoeken voor een zomer die niet sterven wilde. Onderweg trof ik de herfst. Dat was vlakbij Beaulieu-sur-Mer. Ge zijt verkeerd, vertelde een verlaten strand. Je bent hier aan de Mediterranée. Het was midden november en de doden sliepen weer zeer diep zodat ze al die bloemen snel vergaten. In het familiegraf werd het opnieuw heel stil. De eendagsvlieg zij zweeg. Daar is een kerkhof op het strand met tussen al die zerken slechts één stoeltje voor de kapitein van dat verlegen vliegdekschip. Ik kijk hier nu vanop de wal naar al hetgeen mijn ziel bezit. Wat ijzer in een grijze vorm, een vliegtuigje dat bijna overlijdt. Er is een racecircuit, hier achter mij. Het loopt over die berg tot in het dal waar ik geboren ben. Daar wil ik niet meer heen. Het zijn de milde wolken die over de wonde strijken. Elke dag opnieuw rijdt er een trein langs de rivier waarin verleden stroomt. De machinist hij weet van niets. Hij denkt dat alle tunnels zijn gegraven door een grote rat. Hij rijdt daarom liefst traag. Het is altijd zijn eerste rit. Misschien is verderop de rat nog in de weer en ligt daar nog geen spoor. Ik heb die speelgoedtrein gekocht nog voor ik racen kon, nog voor ik ben verongelukt. De eerste keer verscheen dat gat. Het werd niet dichtgenaaid, gewoon ontsmet en ik mocht gaan. De tweede keer heb ik mijn rug zelf opgelapt. Met dank hen, de spiegel in de gang, die haakjes en die tang. Ik prijs ook hem, de kangoeroe die mij vergat, want anders was mijn reis zo zacht geweest. Ik dank ook iedereen die oorlogsschepen doelloos schenkt. Ook hen die treinen stelen, sporen eeuwig rusten laten, eindstations hun langverwachte leegte schenken. Tot slot, Frestoen, gij zot, geef mij dat oog terug! Het ander wil mij niet geloven. Als ik beweer dat scheel kijken bestaat. Wanneer het tranen laat. Dat beste oog. In eenzaamheid. Voel ik die rat. Ze loopt over mijn rug. Ze is de weg weer kwijt.     uit de reeks 'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
3 0

Droomkroketten

  Ik word daar helemaal high van. Droomkroketten of een meisje dat mijn ziel vervelen kan. Denk maar niet dat zoiets ooit een beetje saai kan zijn. Zij weet bij god goed wat ik zoek. Rust en lauw gekust worden. Meer wil ik niet. Er zit daar hoog in een verlegen boom een vogeltje met zachte vleugels. Wrijf het niet over de wangen. Zout dat kent het niet. Als ik een staart had als een slang, dan zou ik nooit meer bang zijn van de bochten die ik nemen moest. Ik viel zo vaak. Over mezelf. Over het zijn. Het klein konijntje in mijn tuin heeft scherpe tandjes, beetje schuin. Het bijt nooit in mijn hand noch vingers als ik het grassprietjes beloof. Geloof maar niet, Natuur, dat ik jou echt vrijwaren kan. Ik ben te klein om al wat straks verloren gaat te redden. Ik doe mijn best, al ben ik zwak. Ik voel het barsten binnenin. De overgave lonkt, terwijl een kikker wilde bellen blaast. Mag ik nog even zwemmen, vraag ik aan een vis die zonder dralen mij de beste slagen leert. Het water weet mij te bekoren want het streelt mijn vel. Rust en lauw gekust worden, meer zoek ik niet. De snoek hij kan zijn scherpe tandjes goed gebruiken voor het aaltje dat zijn mond passeert. De visser ginds aan lager wil. Hij is zich niet bewust van enig kwaad. Straks komt de vloed die al zijn moed verslindt. Was je maar thuis gebleven, prevelt zacht de voorhoede waarmee de storm zich aankondigt. Straks zal het mild vergaan. Ik voel iets barsten binnenin.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
2 0

De herder van het stof

  Elke kast, iedere dag met beetje faam, gelijk ook welke kaft of slapend schriftje met daarin mijn eerste letters, tekening misschien, wat balkjes voor een noot of tien. Alles krijgt een laagje stof. Zit er een filter op mijn hart? Het kaf is soms zo fijn dat overal waar ik durf wrijven, hoest een dutje bleek te doen. De longen van mijn lappenpop zijn niet zo teer, beweerde ooit een kind dat dokter of verpleegster worden zou. Ik heb een zak gekocht. Zonder merk voor al die brol. De wisselbeker die ik won toen ik een torenhaan afschoot, hij staat hier nog. Misschien moest hij terug naar de verleden tijd, de club waar ik begon als kindsoldaat. Ik kijk nu enkel nog naar sneeuw en dat geweer. De hijgende atleet hij schiet een beetje scheef. Daar gaat de eer die hij verzocht te krijgen. Wanneer zal hij die ski’s op zolder leggen, vraagt een been of twee. Alles is moe, maar niet het stof. Dat wacht geduldig op het einde van de vlucht. Wanneer het grijs dan rust kan en neervalt op een doos of drie. Er staat hier ook een wieg die veel verloor. Immer zal iets sterven, soms nog veel te vroeg. Alleen de dood kan trots beweren overal beroemd te zijn. Het hobbelding was sterk nochtans, gemaakt uit ebbenhout. De meubelkever wilde zich niet wagen aan het lichter maken en de nerven wisten goed wat er gebeuren ging. Ik liet de droefenis begaan. Ze knaagt altijd al aan een bot van het bestaan terwijl de zon achter een wolk voorzichtig lacht. Er drijven schapen door de lucht vandaag. De herder is niet mee. Ze zijn verlost van honger en de richting van de wind bepaalt elke bestemming van de mist. Het is die vochtigheid die vaak bij nacht mijn wangen zoekt. Ik kijk niet langer met mijn ogen open naar de ondergang. De zon zij weet waarom. Ik leg mijn hand dan in dit zand, niet fijn genoeg om stof te mogen zijn.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
2 0