Zoeken

Wie ben ik?

Ik lees een autobiografie waarin de auteur een beschrijving geeft van de huizen waarin hij heeft gewoond. Hij zoekt een antwoord op de vraag wie hij is. Het is een van de stappen op zijn zoektocht. Het zijn maar liefst 21 woningen. Voor mezelf tel ik er 4. Zo vaak verhuizen lijkt me een helse job, zeker met de meer dan duizend boeken die hij heeft. Maar boeiend is het wel. Ook al ken ik zijn huizen en appartementen niet, ik zie ze helemaal voor me. "Vind je dat niet erg?', vroeg een vriend, nadat ik hem had verteld dat ons ouderlijk huis er niet meer staat. Nee, omdat die herinneringen aan het huis zich voor mijn ogen afspelen, zoals een film die je nooit meer vergeet. Een film die zich blijft afspelen. Zo is het kippenhok in het jeugdverhaal dat nu op de schrijftafel ligt in mijn hoofd een getrouwe kopie van het kippenhok achteraan in de tuin, waar vader menig uur heeft gesleten. Niet zoveel als de kippen natuurlijk, maar zijn beestjes kwamen niets tekort. Net zoals de vethaantjes die hij om de paar jaar opzette. In de aanpalende schuur stond een oud gasfornuis waarop hij in een vaalgele kastrol de aardappelen bereidde voor de beestjes. Hij stompte er nog wat sla en andere groenten in, want de dieren moesten gezond groot worden. De geur van de stamppot kwam tot aan het huis. Moeder vond het niks. Als de kastrol niet meer op het vuur kwam en vader zijn bijl tevoorschijn haalde, bleef ze binnen. “Doet ge een beetje voorzichtig Harry?" Maar ze stond wel aan het keukenraam te kijken, zodat ze op haar sloffen snel bij de schuur was, mocht er daar iets gebeuren. Je raakt ze niet kwijt, al die beelden. Ze maken wie ik ben.

Rudi Lavreysen
5 0

Man overboord

‘Neem jij zijn benen?’ ‘OK!’ ‘Dan neem ik zijn armen.’ ‘1, 2, 3, hop!’ ‘Oh neen, hij is te zwaar.’ ‘Marie, waar is Lydia?’ Lydia stond wat verder naar het glinsterende, donkere water te staren. Jeaninne riep haar. Het waaide als zwoele warmte van een late zomernacht, de maan scheen hen bij. Jeaninne, Lydia en Marie hadden hem beet. Jan kreunde zacht. De drie handtassen hadden zijn hoofd afgerammeld.  Het was een toeval geweest, deze cruise en deze ontmoeting. Marie en Jan vierden hun twintigste huwelijksverjaardag. Lydia wou weg van haar twijfelende minnaar. Jeaninne was alleen op reis nadat haar nieuwe vriend hun romantisch trip had afgeblazen.  In het bubbelbad vanmiddag was het duidelijk geworden. Alles kwam boven water.  ‘Wat?’ riep Marie uit ‘Wie kent hier Jan? Dit is ONZE reis!’ Ze schreeuwde het uit. Lydia zonk met haar hoofd onder water. Jeaninne wou in tranen uitbarsten. De bubbels spetterden in haar gezicht. Ze liep rood aan. ‘Smeerlap!’ ‘Idioot!’ ‘Bedrieger!’ Ze gilden. Jan vluchtte het bubbelbad uit.  Te laat.  Drie samenzweerders beraadden hun plan: op het dek, voorbij de champagnebar, om één uur vannacht, met zwaar gevulde handtassen.  PLONS  De maan knipoogde en verdween achter een wolk. Onzichtbaar werd het dek. Verdwenen in het donkere water, weg was de kater.       --- Tentoonstelling: Vracht, MAS, Antwerpen Zin in Musea, Creatief Schrijven, 27 februari 2022

Lumes
41 1

Hutselen en husselen

Als er zelfs voor ‘dooreenschudden’ twee bijna identieke synoniemen bestaan, is het geen wonder dat een mens woorden dooreenschudt. Ik heb het over ‘hutselen’ en ‘husselen’. Eén letter verschil maar vrijwel dezelfde betekenis. “Och, doe ze maar allebei”, moeten de mensen van het taalverbond hebben gedacht. “We zullen ze eens hebben.” Dat hutselen gebeurde tijdens een kort onderhoud met mijn buurman. U moet zich daar niets officieel bij voorstellen. We zeggen gewoon een goeiendag als we elkaar tegenkomen, gevolgd door een koetje of een kalfje. De weersomstandigheden zijn hiervoor ideaal. Je zegt het tijdens het voorbijgaan en we zijn het er meestal over eens. We zijn niet van het type dat blijft plakken. Hij heeft twee pubers in huis en altijd is er iemand om weg te doen of om te gaan halen. Wat was er nu aan de hand? Ik wissel regelmatig af met mijn begroetingswoorden. Kwestie van het niet te saai te houden. Bijvoorbeeld hoi, hallo, yo of hey. Hoe het kwam weet ik niet, misschien was het dat afwisselen, maar wat ik zei kwam eruit als 'hahoi'. Het klonk als een gerecht van bij de Chinees. Ik vervloekte mezelf voor een dergelijke dommigheid. Nu maar hopen dat hij dacht het verkeerd verstaan te hebben. Al was die kans klein. Twee dagen later passeerden we elkaar opnieuw. Maar ik had een plannetje in mijn hoofd om mijn flater recht te zetten. “Hahoi”, zei ik opnieuw. In mijn ooghoek zag ik hem ietwat verbaasd kijken. Het kan immers perfect dat er een woord bestaat waar je nog nooit van hebt gehoord. Het verandert tegenwoordig terwijl je erbij staat. Het jonge volk vindt ze uit alsof het niets is. Tussen mijn andere begroetingswoorden gooi ik voortaan regelmatig een ‘hahoi’. Het is nu alleen wachten tot hij het een keer terugzegt.

Rudi Lavreysen
319 0

Beethovens laatste avond

‘Elise’ raspte ik de stilte in die stilte bleef. En duisternis. Ik voelde haar naam tegen mijn stembanden schuren. Ze kwam niet. Ze sliep vast. De slaap der rechtvaardigen. Mijn Elise. Zo vaak had de stem van mijn geweten door mijn hoofd gegalmd. Zo luid dat ik er stil van werd. ‘Elisemijn’ probeerde ik, al wat zoeter. Mijn duisternis bleef stil. Ik sliep vast nog. Ik knipperde met mijn ogen. Mijn handen tastten langs het zijden onderlaken, het hout van mijn doodsbed. Koud voelden mijn handen aan mijn gesloten ogen. ‘Elise, waar ben je?’ riep ik, en knipperde met mijn gesloten ogen. Elisemijn. Geheim. Je lippen. Weet je nog? Mijn duisternis is eeuwig stil. Mijn duisternis is eeuwig. Ik voel hoe handen mijn lichaam optillen. Daar is het licht. En het nieuwe duister. Mijn handen links en rechts van mij. Mijn vingers voelen eik. Spijkers hameren mijn middenoor in. Weet je nog? Ik voel hoe ik in het duister val. Dit moet het zijn. De laatste duik. Weet je nog? Elisemijn, Elisemin. Het zout op je lippen. Ik voel het water. Ik voel de stenen. Ik voel steeds dieper. Dieper het duister in. Als ik sterf wil ik een walvis worden. Een blauwe vinvis. ‘Wil je dat voor me doen, Elise?’ Je lippen die stil ‘ja’ voor me lipten. Mijn geheim. Als ik sterf wil ik een walvis zijn. Leid jij me dan rond? In jouw onderzeese pracht. Ik voel het water rond mijn armen. Mijn mond. Ik knipper met mijn ogen. Het zout prikt. Mijn armen komen los. Met een krachtige slag van mijn staart ben ik vrij. ‘Oeehhhhhw’ brul ik het diepe blauw in. Het duister is eeuwig, mijn stilte voorbij. Elise, luister naar mijn lied.

Frederik Tilbe
0 0

De pest of de cholera - een aanklacht

‘Doe open, alstublieft!’ Ik bonkte met mijn vuist op de dikke houten deur. Het scharnier van mijn schouderplaat knarste. Na maanden zonder toernooien raak je vastgeroest. ‘Doe open, alstublieft, of het zal u berouwen!’ Weer bonkte ik met mijn vuist op de dikke eikenhouten deur. Met een behendige zwier trok ik mijn zwaard uit de schede. Trok ik mijn zwaard uit de schede. ‘Barbier, doe godverdomme open of ik hak je in mootjes!’ ‘In mootjes? Zie maar eerst dat je je zwaard uit je schede krijgt, Ludo.’ De stem van de barbier klonk dichtbij. Alsof hij naast me stond. Ik hief mijn hoofd wat op en zag door het kijkdeurtje het dikke, zweterige hoofd van Guido de Barbier. ‘Guido, zowaar ik Ludowijk XII heet, ik zal je belonen!’ Ik hoorde Guido nee schudden, zijn dubbele kinnen wreven over elkaar als twee gepekelde kalfsschenkels bij de beenhouwer. ‘Het mag niet van Prins Jan, Ludo.’ Al vijf maanden geen toernooien meer. Al vijf maanden geen bevallige deernen meer gered uit de klauwen van een draak. Maar het ergste was dat mijn helm sinds een week niet meer paste. Mijn laatste barbierbezoek was vijf maanden geleden. De slierten grijzig haar hingen voor mijn gezicht en blokkeerden mijn zicht door mijn vizier. Mijn baard krulde vervelend op en al met al was ik blij dat ik in deze toestand niet tot een duel werd uitgedaagd, of de orde moest gaan handhaven op het platteland. ‘En als je kan kiezen tussen de pest en de cholera?’ gooide ik al mijn overredingskracht in de strijd. ‘Wat in godesnaam is de cholera? De pest hebben we al, waarom zou ik die cholera ook nog willen? En waarom zou ik jouw haar wel knippen, jouw baard wel mousseren en oliën terwijl ik die van de gekke Tilda al jaren niet knip?’ De hele weg naar Guido had ik argumenten verzonnen, achterpoortjes om de ijzeren wet van koning Jan te omzeilen. ‘Contactambachtslieden en barbiers zullen vanaf heden en voor een periode van minstens neugen moonden geen arbeid verrichten nie.’ ‘Kijk, Guido, ik zet deze bloempot hier op mijn kop, steek jij je hand door het kijkdeurtje, neem mijn dolk en snijd mijn verdomde haar af! Ik ben het beu! En overgiet daarna mijn haar met een aftreksel van vlierbloesem om het die frisse geur en die zachte kleur weer te geven. Ik word grijs en dat is nefast voor mijn levensvreugde. Ik heb er echt de pest in!’ ‘Het is goed, Ludowijk, kom maar.’ Ik zette twee stappen richting de deur met een terracotta bloempot op mijn hoofd. Plots sneed er een blinkend lemmet door de lucht. De hand van Guido gleed bedreven het kijkdeurtje uit. Drie tellen later lag ik bloedend op de grond. Mijn hals in helse pijnen. Piepend ging de deur open. ‘De pest of de cholera... krijg jij de tering maar, Luldowijk’, sneerde Guido en spuwde op mijn zieltogende lichaam.  

Frederik Tilbe
0 0

Nog meer aantekeningen uit een badkuip

26/7/2021 Scribbelaartje. “De oude Grieken hadden het over het wezen van de dingen, de essentie van het paard, de logos, enz. Hoe ouderwets ook, ik kan me best vinden in dergelijk gedachtengoed. Niet vanuit een of andere rationele overweging – welke overweging is trouwens volledig rationeel? –, maar omdat ik het aldus ervaar. De afstand tussen werkelijkheid en essentie. Zoiets. Zo is het onomstotelijk waar dat een bruid te mager kan zijn, een babyromp te lang, een man te dronken, een gezicht te gedrongen. En hoe dit te verklaren dan door te verwijzen naar een essentie? ‘Maar wat dan met deze aantekening?’ hoor ik u denken. U hebt gelijk, ook deze aantekening overschrijdt de grenzen van haar eigen wezen, laat staan van de betamelijkheid. Dat gaat maar door en door.” En het scribbelaartje maakte er komaf mee, streek languit neer op de bank waar hij, in afwachting van het tijdstip om te gaan slapen, aan niets probeerde te denken, al zeker niet aan het moment waarop hij de dag nadien in zijn Opel Corsa onder een bedrukte lucht naar het gemeentehuis zou rijden, waar zijn aanstaande echtgenote, bruidsboeket in de aanslag, hem met blozen en schreeuwtjes van geforceerd geluk zou opwachten zodat hij eindelijk zou doen wat hij al zo lang had moeten doen. Het bezegelen van het verbond. Hier en nu en tot in de eeuwigheid.   27/7/2021 Ik lig in bed, maar ben al lang wakker, denkend aan een deprimerend boek waarin het hoofdpersonage na 750 pagina’s, geplaagd door allerlei trauma’s, zichzelf van het leven berooft. Ik sta op en hoor mijn dochter roepen dat ze wakker is. Ik vraag aan mijn vrouw of haar kleren voor de eerste dag van het kamp klaarliggen. Tijdens het ontbijt blijft mijn hoofd hangen in de treurige nevelen van de gelezen roman en allerlei existentiële vragen. In de taal van mijn vrouw zegt mijn dochter dat ze niet naar het kamp wil: "Я не хочу ехать в лагерь." Het Russische woord voor kamp is Lager. Je zou voor minder terugdeinzen. Omdat mijn vrouw het spannend vindt, gaan we met z’n vieren. We nemen de tram en moeten de kinderwagen optillen wanneer de roltrap het niet doet. Het afscheid is kort. “Dag, meisje,” zeg ik nog, wanneer ze op het punt staat met de begeleidster door de deur naar binnen te lopen en ze draait zich om en kijkt me beteuterd aan. Ik had niets mogen zeggen. Op de terugweg zet de jongste het op een luid krijsen. Ik wist dat het een vergissing zou zijn om haar mee te nemen en kan het niet laten om verwijten te maken. Mijn vrouw begint te huilen en nog sneller te wandelen dan ze al deed. Ik word boos. Tegen de tijd dat we thuis zijn hervind ik mijn kalmte. Ik haal onze dochter uit de kinderwagen en troost haar. Ik excuseer me. Ook mijn vrouw excuseert zich. Om 10.30u kruipen we weer met z’n drieën onder de lakens. Energie voor een volledige dag opgebruikt.   27/7/2021 Colombia. Echt gebeurd. Voor haar verjaardag gaat een vrouw met enkele vrienden bungeespringen. Ze staan op een brug boven een ravijn. Op een bepaald moment geeft de instructeur het signaal om te springen. De vrouw stort zich in de diepte. Wat blijkt: de vrouw heeft zich vergist, het was haar beurt niet, de instructeur had het tegen iemand anders uit het gezelschap. Dit realiseert ze zich zo’n vijftig meter boven het aardoppervlak, wanneer ze eveneens begrijpt dat ze met touw noch haak is vastgemaakt.   29/7/2021 De oudste ligt in bed en blijft maar huilen en klagen. Ik ga de trap op, doe in de badkamer mijn lenzen uit en raak geïrriteerd door het aanhoudende gejank, straks maakt ze de baby wakker. Ik storm haar kamer in en zet het op een roepen. Ik zie haar beteuterde gezicht met de grote vochtige ogen en heb in één klap spijt van mijn boze reactie. Een kind dat bang is de daver op het lijf jagen, wat een idee. Ik vraag wat er scheelt, oprecht. Zij is nog te jong om uit te leggen. Ik aai haar rug, haar arm, ga naast haar liggen, hopend dat dit soort uitvallen niet in haar geheugen gegrift blijven. We vallen samen in slaap.

Kolja en de kutregen
18 1

Vertel nog eens iets

Het is nog maar een fenomeen van de laatste jaren. Een uitzwaaifenomeen zou je het kunnen noemen. De mannen gebruiken de kapstok niet langer waarvoor deze ooit met veel liefde aan de muur werd vastgemaakt. Al had ik indertijd lichtjes fout geboord en hing de kapstok in eerste instantie zo scheef dat het kleingeld uit mijn jaszak viel. Maar dat is ondertussen in zijn geheel hersteld. Ik steek het kleingeld voortaan in mijn broek. Het fenomeen is opvallend. Naarmate het ouder worden hangen ze hun jas bij het binnenkomen alsmaar vaker op een stoel in de woonkamer. Snel de jas erop hangen om hem er even snel af te kunnen nemen. Geen tijd te verliezen. De stoel is voor het komen en gaan. De kapstok is om te blijven. "Ge staat precies al op vertrekken", was de uitdrukking van ons ma als ik in het ouderlijk huis op dezelfde manier mijn jas op de stoel hing. Want ik kom mezelf voortdurend tegen. Alsof je in een tijdmachine zit. Maar je kan het niet forceren. Je kan ze niet persoonlijk aan de kapstok hangen als blijvertjes. Noch de mannen, noch hun jas. "Alles heeft zijn tijd", heb ik vader ooit in een filosofische bui horen zeggen. Een zin die ik op mijn beurt tegen mijn vrouw herhaal, als we weer eens alleen voor de buis zitten. "Alles heeft zijn tijd." En er vervolgens aan toevoegend: "Trouwens, met twee is niet alleen." "Ge zijt precies weer in een filosofische bui", zegt ze dan. Toch hang ik hun jas soms onopvallend terug aan de kapstok, als ze even niet opletten. Als ze dan op vertrekken staan, zie je ze kijken en zoeken. "Hey, waar is mijn jas naartoe? Had ik die toch aan de kapstok gehangen?" "Vertel nog eens iets", zeg ik dan.

Rudi Lavreysen
7 1

kaal

Een meisje met blond haar zette zich naast een vrouw met een glad hoofd. Ze zaten een moment als twee wasmachines in een wasserij. Gedachtes dat maalden, schuimden en zoemden. De sandalen van het meisje wiegden heen en weer.'Wat betekent terminaal?' vroeg ze. 'Dat betekent zoiets als definitief en voor altijd.' Ze trok grote ogen. 'Eng.' 'Ja.' Beaamde de vrouw. Ze maalden verder in stilte.'Wat is jouw naam?' vroeg de vrouw tenslotte. 'Mathilde,' zei het meisje. 'Wat een toeval, ik ook.' 'Echt?' Ze knikte. 'Ken je bugs bunny, Mathilde?' Het meisje schudde haar hoofd en kamde de wilde haren van haar gezicht. Haren waar de wind mee speelde. 'Bugs bunny is mijn grote held. Hij is nooit bang, altijd zelfzeker. En hij is iedereen altijd te slim af.' 'Die ken ik niet,' zegt antwoord ze. 'What's up, Doc?' Zegt de oudere Mathilde. Dat doet het meisje lachen. Ze probeert de zin zelf uit. Als voor het eerst iets nieuws proeven. 'What's up, Doc?' Beide Mathildes giechelden als meisjes tijdens een pyjamafeest. De oudere Mathilde deed alsof ze op een wortel knabbelde. 'Ehh.. What's up, Doc?' 'Waarom ben je kaal?' de vraag zat al even in de mond van het meisje. Al van toen ze de vrouw op het bankje zag. 'Valt het je ook op dat in films niemand ooit een kwaal heeft?' Zuchtte ze. 'In films is iedereen zo perfect.' 'Waarom?' vroeg de jonge Mathilde. 'Omdat het niet belangrijk is voor het verhaal.' zei de oudere. Ze zwegen voor een tijd. De voeten van het meisje wipten een tijd op en neer. Toen werden ze stil. 'Wat is jou verhaal?' vroeg het meisje toen. 'Waar is je haar?' 'What's up, Doc?' antwoordde Mathilde. Het meisje kruiste haar armen. 'Goed als je het niet wil zeggen.' 'Waarom ben jij hier?' vroeg de oudere Mathilde. 'Dit is geen plek voor kleine meisjes.' 'Als jij het niet wil zeggen, ik ook niet.'Het meisje stapte op. Haar haren golfden in de wind. Een kwartier later kwam ze terug langs de bank, ze hield de hand vast van een dame dat ongetwijfeld haar moeder was. Haar moeder had een bolle buik. Toen ze langs het bankje passeerden zeiden ze beide nog eens; 'What's up, Doc?'

Stelselmatig
0 0