Zoeken

In Rotterdam

Het klinkt u wellicht niet onbekend in de oren. Je gaat een weekend weg en één gebeurtenis overheerst de uitstap. Als je achteraf vertelt hoe het was, begint het relaas met 'we hebben nog iets meegemaakt'. Ook in Rotterdam was het zo. Niet het Museum Boijmans Van Beuningen, de Erasmusbrug of de Kubuswoningen overheersten onze vertelsels, maar wel de man in de bar van het hotel. Ons hotel ligt aan de Oude Haven, een stukje Rotterdam dat overeind bleef tijdens het bombardement in mei 1940. Vanuit de bar kijken we uit op het Witte Huis uit 1897. We zetten ons in de bank aan de boekenkast met klassieke Penguin books. In het hotel verliep trouwens alles in het Engels. Zelfs de juffrouw aan de balie vertelde dat ze geen Nederlands sprak. De wereld verengelst aan een razendsnel tempo. Ik zei voorafgaand dat we uit België kwamen en dat ze gerust Nederlands mocht spreken, maar het maakte geen indruk. We kregen desalniettemin vriendelijk onze kamers toegewezen. Ze zagen eruit als een kajuit. Zo moest ik ’s nachts als een acrobaat over het bed klauteren om naar het toilet te gaan. Net als in een schip stond het bed tussen de muren geperst. Maar terug naar de man in de bar. Ik bestel ‘two drinks’ en begeef me naar de bank. Een deftig geklede man van middelbare leeftijd komt naar me toe en verspert me de weg. Ik draag een T-shirt waarop vrij groot het merk Balr. staat (waarom het punt er staat is me vreemd, maar het is nog hip voor iemand van mijn leeftijd), met daarover een vest. Ik bereid een vriendelijk lachje voor, maar plots opent de man als een overijverige vestiairemedewerker mijn vest. “Oh, ben jij in Bali geweest?”, vraagt hij enthousiast. Ik kan de drankjes nog net in mijn handen houden, maar weet niet zo snel een gevat antwoord te bedenken. Ik stamel zoals Eddy Merckx toen hij over de eindmeet kwam en de microfoon van Fred De Bruyne onder zijn neus kreeg. “Euh, nee, euh, ik denk het niet nee.” Pas dan besef ik dat hij het over het merk van mijn T-shirt heeft. “Oh, nee”, lacht hij. “Er staat iets anders op”, waarna hij snel over de R wrijft en verder stapt. “Bali, Bali”, denk ik bij mezelf. “Ik weet amper waar het ligt.” “Nu heb ik iets meegemaakt”, zeg ik tegen mijn vrouw op de bank, waarmee het verhaal al een eigen leven krijgt, terwijl het zelfs niet afgelopen is. Ik heb mijn wedervaren nauwelijks verteld, of dezelfde man komt naar onze fauteuil. “Het stoort toch niet als ik me er even bijzet”, zegt hij, ons antwoord niet afwachtend. Hij zit al vooraleer we ‘natuurlijk niet’ uitgesproken hebben. Er is amper ruimte voor drie, maar hij weet er zich kundig tussen te wringen. Het gesprek gaat over koetjes en kalfjes, over Nederland en België, hij is zelfs ooit een paar keer in onze thuisstad geweest, en wat we in Rotterdam zeker moeten bezoeken. Tot hij plots nog een vraag stelt. “Zeg, mag ik jullie even iets vragen?” We weten ondertussen dat hij niet de man is die een antwoord verwacht, dus we laten hem de vraag stellen. “Zijn jullie eigenlijk een stel?” Ik ben opnieuw licht verbouwereerd en haal nogmaals mijn beste Eddy Merckx naar boven. “Euh, jawel, euh, wij zijn een koppel ja.” “Ooooowwhhh”, zegt hij. Het gesprek duurt vervolgens niet meer lang. We gniffelen nog even na en besluiten naar onze kajuit te trekken. Ik doe mijn vest dicht en zeg dat het ’s avonds behoorlijk fris kan zijn op het water.

Rudi Lavreysen
2 0

Namen raden

"Ben ik een man?" “Ja." "Ben ik bekend van tv?" "Nee, niet bekend." "Ben ik familie?" "Nee.”Geen zorgen. Niet dat ik me afvraag wie ik ben, maar ik probeer met mezelf een spelletje 'namen raden' te spelen. Maar het werkt niet. Ik weet al wie ik ben. Of wie ik zoek, beter gezegd. Het is alsof je een verhaal achterstevoren vertelt. Kent u het spel? Wij hebben het in onze kinderjaren ontelbare keren gespeeld. 'Wie ben ik?', of 'namen raden' zoals wij zeiden. Je parkeert een naam in je hoofd en de andere stelt vragen waarop je enkel met ja of nee mag antwoorden. Het signaal, vlak voor het in slaap vallen, was de zin “ja, ik heb nog iemand” en we waren vertrokken. Soms was het zo moeilijk dat er geen oplossing kwam. “Wie was het”, vroeg ik ‘s morgens. Dan bleek het een onbekende sporter of zo te zijn, wat eigenlijk niet mocht. Je moest hem allebei kennen. Ooit dacht je in de klas aan een naam die je kon gebruiken. Dan moest je de naam onthouden en opletten dat je niet plots 'ik heb iemand' riep. Dat zou anders begrepen kunnen worden. Nu gebeurt het soms dat ik niet op de naam van iemand kom. Een acteur bijvoorbeeld. "Hoe heet hij toch alweer”, zeg ik dan, gevolgd door een luide vloek. Vloeken zoals een boer in een Vlaams boerenepos bij een mislukte oogst of als de meid met de boerenzoon aanpapt. 'Nondedju nondedju toch'. En erger. Dan is het 'namen zoeken' en moet ik mijn geheugen kraken. De gang van het leven zeker? Eerst verdwijnen de namen en dan de mensen. Wijzelf inbegrepen. Daarom kan het geen kwaad dat ik 'namen raden' af en toe in m'n eentje speel. Dan heb ik de vragen toch al juist.  

Rudi Lavreysen
119 0
Tip

Wat als... ik toen een andere beslissing had genomen

Een hond en een goudvis. Het enige gezelschap dat Marilyse toelaat. Die vellen geen oordeel. Ze staart door het raam. Eenzaamheid vreet aan haar ziel en raakt het allerdiepste van haar zijn. Zou ze zichzelf trakteren op een kop koffie, of blijft ze beter in haar quarantaineperimeter, omdat ze het niet verdient? Met haar neus tegen het venster kijkt ze hoopvol naar wat beweging om haar dag te vullen met iets anders dan het eeuwig wentelen in zelfmedelijden. Een mooie eigenschap is dat niet, maar wat is het alternatief. Het is haar keuze om pijn te hebben, haar straf voor de fout die ze gemaakt heeft. Trouwens, wie wil haar nu nog zien. Wie wil zij nog zien. Altijd priemende blikken, beschuldigende vingertjes. Schaamte heeft haar gedreven richting totale lock down in haar zielenroerselen. Had ze die dag maar gekozen om thuis te blijven. Toen was haar leven een grote roller coaster, altijd maar doordoen. Het was haar keuze geweest. Haar eigen domme keuze. Met een knal had ze het tienjarige kind geraakt, op haar netvlies dat onschuldige gezichtje, voor eeuwig gebrand. Waarom was ze toch achter het stuur van die Porsche gestapt, als een willoos lammetje? Waarom had ze geluisterd naar dat stuk alfamannetje dat zich haar vriend noemde. Waarom was ze voor de kick van plankgas geven gegaan? Op de gewone weg dan nog. Het alfamannetje en het kind, elkaars tegenpolen, voor eeuwig samen. Zij blijft alleen achter.  

Linde Verlat
155 9

Leugentje om bestwil

Daar lagen we op dat bed, elkaars naakte lichaam te bewonderen in de spiegel tegen het plafond, heel gewoon voor dit soort hotel waar je per uur betaalt. Wat is hij mooi! Hoe lang is het geleden dat ik zijn rug en gespierde billen nog zo zag, in volle actie? Of rustend bovenop mijn voldane lichaam? Wij waren volmaakt. “Er is iets in jouw ogen dat ik allang niet meer zag,” fluisterde hij zwaar. Dat zal wel. Weet jij hoeveel werk ik de laatste maanden aan jou heb? Ik schenk hem intussen mijn zaligste glimlach en laat mijn hand nog eens over zijn buik afglijden. Ik weet het. Hij heeft een drukke job, ook nu nog, zo dicht bij zijn pensioen. En dan zijn er de volwassen kinderen uit zijn vorige relatie die veel tijd in beslag nemen. Zelfs al wonen ze niet meer bij hem, ze vallen toch regelmatig met de deur in huis, vooral in het weekend. Had ik het nooit eerder opgemerkt? Willen opmerken? De vleesgeworden macht der gewoonte, waarbij ik al het werk deed, ondanks mijn gewrichtspijnen en hij dan als een blok in slaap viel, voldaan lachend weliswaar, maar toch. De gewoonte waarbij ik tussen het douchen en aankleden een gelukkige glimlach op mijn gezicht toverde en hem vertelde wat ik zelf niet voelde… niet méér voelde. In deze spiegelkamer, drie uren lang voor ons alleen, was er opnieuw tijd. Onze blikken kruisten zich nog eens boven onze lijven. We draaiden naar elkaar, ik gaf hem een zinnelijke zoen en mompelde tussen zijn lippen: “Wat ben jij toch lekker!” Het was lang geleden dat ik naar waarheid sprak. “En jij dan!” was zijn antwoord. “Toch goed dat ik die folder van dit hotel tussen de reclame uit viste.” “Wat een geluk ja, zoiets moeten we vaker doen,” en ik glimlachte denkend aan die folder die ik net achter het eerste blad van het Bookspotboekje gestoken had. Bookspot sloeg hij nooit over.

Anemos
20 0

Fotomodel

"Gaan we naar de foto's kijken? Het is buiten toch te slecht weer", zeg ik.  “De foto’s?”, vraagt ze. “Ja, we gaan eens kijken hoe ge er dit jaar op staat.” Als we voor de foto’s staan herinnert ze het zich. “Och ja, dat was van de week”, zegt ze. We zijn er niet bij als ze voor de fotograaf poseert. Naast de foto op zich, moet dat ook een bijzonder beeld zijn. Elke bewoner heeft zijn of haar jaarlijkse foto op het raam van de binnentuin hangen. Voor mij hangen ze op ooghoogte. Ma moet iets naar boven kijken. “Ge staat er weer goed op”, zeg ik. “Eigenlijk had ge toch fotomodel moeten worden.” “Ge hangt toch nog op dezelfde plaats”, lach ik als we er voor de tweede keer passeren en alle familieleden en kennissen bij naam en bijnaam hebben benoemd. Het is dit jaar geen pose in verkleedkostuum. De mensen staan op de foto zoals ze zijn. Het afgelopen jaar was inderdaad al raar genoeg. Terug op haar verdieping zie ik de nieuwe foto waarop ze samen met haar broer staat. Allebei lachend. Wat heeft de fotograaf gezegd om die glimlach te krijgen? Mooier krijg je ze niet gemaakt. Boven haar bed hebben we de foto van vorig jaar gehangen. Ze is erop gekleed zoals in de roerige jaren ’20. Compleet met boa en handwaaier, helemaal in de stijl van The Great Gatsby. Een treffende keuze, gezien haar geboortejaar. De laatste zin van Fitzgeralds meesterwerk komt mijn hoofd binnenwaaien. “En zo varen we voort, schepen tegen de stroom op, onophoudelijk teruggevoerd naar het verleden.” Terug thuis neem ik The Great Gatsby uit het boekenrek. Zoals ik wel vaker doe, blader ik eerst van achter naar voor. Het is een gewoonte. Van het einde naar het begin gaan.  

Rudi Lavreysen
16 0

Wanneer is dat?

We zijn het binnen zitten beu en zetten een stapje in onze kleine buitenwereld. Aan het marktplein duiken de witte wintertenten op. Ze waren bedoeld om in de barre wintermaanden nog een veilig terrasje te doen. Het lijkt alsof we over een festivalterrein lopen waar iedereen naar huis is. Een kennis in het café met de Parijse terrastafels vertelde me eind september dat ze hem aan Calais deden denken. Terwijl hij het vertelde, zag ik opnieuw de beelden van de Noord-Franse havenstad. Mensen op de vlucht die in afwachting van een kanaalovertocht in witte tenten verbleven. “Ik ben er nooit geweest”, antwoordde ik. “Alleen gepasseerd.” “Iemand koffie?” Het is onze jongste die het vraagt. Hij gaat ze samen met mijn vrouw bestellen in het koffiehuis. Ik wacht buiten, aan de overkant van de straat. Het is er druk met wachtenden. Bij het buitenkomen lijkt het alsof hij het op een dansen zet. Hij huppelt van de ene voet op de andere, terwijl het toch zijn handen zijn die het te verduren hebben met de warme koffiebekers. “Geen servetten meer”, zegt hij. Stappen met een beker koffie in je hand is niet vanzelfsprekend. Tegelijkertijd wandelen en drinken lukt niet. Ik stop om te drinken. “Hoe doen ze dat in Amerika?”, vraag ik. “Daar loopt iedereen al koffie drinkend op straat." “De Amerikanen zijn dat gewoon hè pa”, zegt hij, van zijn koffie genietend terwijl hij verder stapt. Hij is er precies mee weg. Omdat de bekers gloeiend warm blijven, wikkel ik er mijn mondmasker rond. Ook een tijdsbeeld. “Och, straks wordt het allemaal beter”, zeg ik. Meteen moet ik denken aan de vraag van onze mannen toen ze nog klein waren, als we vertelden dat we straks naar de speeltuin zouden gaan. Of frietjes eten. “Wanneer is dat? Wanneer is straks?”

Rudi Lavreysen
51 1

Het smaakt of net niet

Zaterdagochtend. Ik begin het weekend met koffie, een chocoladekoek en mijn geopende Postvak In. Antwerpen vraagt vrijwilligers. Ik open de mail, klik op de betreffende link en lees: “In Antwerpen ‘vind’ iedereen vrijwilligerswerk: denkers, doeners, praters, schrijvers, …” De officiële pagina van ’t Stad?! Blijkbaar drinkt Antwerpen nooit Tee. Van commentaren op Facebook word ik ook niet vrolijker. Spellingsfouten van allerlei aard tarten me. En toch, iemand die bij Basiseducatie leerde lezen en schrijven vind ik moediger dan de arrogante universitair die te lui is om een taal te hanteren op zijn zogenaamde niveau. Van verengelsing zwijg ik dan nog. Met andere woorden; ik voel me gekneusd. 0ngemakkelijk wordt ackward. Voor loser is er geen alternatief. Er wordt niets meer gedeeld. We doen tegenwoordig aan sharen om iets dat we cute vinden op te dringen als een absolute must read. Kan de moedige waaghals, die in de pagina VRT-Taal vraagt wanneer men ‘gebeurd’ schrijft en wanneer ‘gebeurt’, voorzien dat ze vooral uitgelachen zou worden? Ze vraagt het nog zo beleefd. Een groep anderstaligen lijden naar de wondermooie Nederlandse taal wordt nogal pijnlijk. Wie is de lijder en wie de leider? Opiniemakers van één of andere radicale strekking vinden, bijvoorbeeld, dat ‘ze Nederlands moete lere en zig aanpasse.’ Series, quizzen, praat- en andere tv-programma’s,  die het verschil tussen ‘die, dat’ en ‘als, of, wanneer, toen’ en aanverwanten niet meer hanteren. Heeft zelfs de publieke zender geen trots meer? Sinds wanneer proeft een dessert? Sinds Jeroen Meus ze bereidt. Het kan hem maar smaken. Wie hecht nog waarde aan correct en hoffelijk taalgebruik? Taalvirtuozen die prachtige dichterlijke creaties op ons afvuren, waarvan wij dan kunnen smullen als van een malse rijpe perzik. Hier en daar zal nog iemand met een grote liefde voor taal zijn pennenvruchten vooraf grondig (laten) controleren. Een tikfout is immers snel gebeurd. Maar het is zaterdagochtend. Antwerpen kan wel even zonder mij. Ik reageer niet, noch om de moedige waaghals te verdedigen, als om het taalgebruik op de publieke zender aan te klagen. Neen, ik sluit mijn mobieltje, neem de weekendkrant erbij en laat me onderdompelen in een wereld van mooie woorden, duidelijke taal en uitdagende cryptogrammen onder het genot van de nog warme chocoladekoek en de sterke koffie. Het kan maar smaken.   12 horizontaal heb ik inmiddels gevonden ;-) 

Anemos
20 3

Twee frietjes

De mevrouw voor me bij de frituur bestelt een ‘groot en een klein frietje.’ Een groot frietje. Vooral in het horecagebeuren lijkt het alsof de producten alsmaar kleiner worden. Bestel ergens twee pinten en u krijgt van de garçon gegarandeerd als bevestiging "twee pintjes". Hetzelfde bij een cola (colaatje) en een koffie (koffieke). "Met drie melkskes" hoorde ik ooit. Dat is bijna een halve fles. Nog een voorbeeld. Het ding is zo groot dat het amper op een bord past, maar toch is het een 'pannenkoekske'. Helemaal erg is op tv. De kandidaten werken zich in het zweet voor een viergangenmenu (een van de kandidaten draagt zelfs een zweetband), maar toch zegt een jurylid dat ze een aangenaam 'gerechje' op tafel toveren. Waarom de 't' verdwijnt is weer een andere vraag. Sommige woorden verdienen wel een verkleinwoord. Zoals een ‘tuinhuisje’. Let wel, geen bijbouw met winterterras en zomerkeuken, maar een klassieke houten chalet met een groen dak en een geruit gordijn voor het klapraam dat altijd klemt. Zo hadden wij er thuis ook eentje. Het zag er ook uit als een ‘huisje’. De afgedankte spullen van het grote huis kregen er een tweede leven. Zo stond er een oude kast van de woonkamer, met daarin een badmintonset, de frisbee, het croquetspel en enkele Jommekesboeken. Een huis op kindermaat. Onze oudste was onlangs op bezoek bij een vriend die zich een huis met tuinhuisje had aangeschaft. “Het rook daar helemaal zoals in het tuinhuisje van oma”, zei hij. Een ietwat vochtige geur, maar ook de geur van vroeger. “Ja jongen”, zeg ik. “Niets grift zo diep in het geheugen als de geur”. Geen zin van mezelf, maar het klopt. Ondertussen is het in de frituur mijn beurt om te bestellen. “Voor mij twee frietjes graag”, hoor ik mezelf zeggen.

Rudi Lavreysen
24 1

Het orgasme van de schrijver

`Schrijvers schrijven, lezers lezen`Mulisch z’n uitspraak. Zelf koop ik al jaren boeken en poog ze te lezen. Helaas kom ik zelden verder dan de eerste- en de laatste bladzijde. Alles daar tussenin is veelal gezaag. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik een schrijver ben. Schrijvers geven boeken uit. Ik niet. Nog niet. Veel mensen kunnen goed zagen. Blijkbaar schrijven diezelfde mensen ook boeken. Deze boeken liggen met hopen in de boekwinkel. De ene narcist na de andere vult bladzijden met veel woorden die weinig zeggen. Met alle respect voor het narcisme want hier heb je een gezonde dosis van nodig om een boek uit te brengen. Sta er maar eens bij stil;  je schrijft een slordige driehonderd bladzijden vol en verwacht dan dat mensen dit lezen. Elke schrijver hoopt stillekes op een bestseller. Stel je voor dat iedereen jou leest. Het ultieme orgasme van de schrijver. Als kind en adolescent heb ik boeken verslonden. Van `Alleen op de wereld` tot Socrates en van Socrates tot Victor Hugo. Uit de schone tijd dat ik nog dacht dat alle volwassenen slim waren.   Dan kwam er de periode van de zelfhulpboeken en de zweefteverij onder de noemer spiritualiteit. Ik lustte ze rauw. Tot het moment, ik denk zo’n vijftien jaar geleden, dat het niet meer lukte. Geen letter meer.  Op mijn nachttafeltje ligt dus een dode Kindl gevuld met een ongelezen bibliotheek. Ook ligt er nog een boek van Haruki Murakami en wat rotzooi van Herman Brusselmans.  Onaangeroerd. Voor het slapengaan zet ik op mijn slimme telefoon Spotify op. Het is zoveel gemakkelijker;  de fantasiebeelden komen vanzelf en je hoeft er niet wakker bij te blijven.  Een lege geest is de bakermat van een goede slaap. Ik begin me zo langzamerhand af te vragen wat er toch in hemelsnaam scheelt met het mensenras.  Overal zijn er opstanden, demonstraties, aanslagen, gefrustreerde mensen die kiezen voor zelfdoding of het uitmoorden van hun huisgenoten. Oorlogen, haat en nijd onder elkaar, burenruzies, noem maar op. De lijst van ellende is lang en tragisch. Mijn verstand staat stil als wij dan voor onze ontspanning bezig moeten zijn met diezelfde ellende. Omdat Brad Pitt het zo goed kan en Julia zo schattig lacht? Of omdat het muziekske er zo schoon bij paste? Boeken en films gaan in wezen meestal over de ellende van een ander. Hier vullen we onze ontvankelijke geest mee. Het creëert een vicieuze cirkel van ellende. Dat waar ge het kopke mee vult wordt de vader van de gedachten en de moeder van de daden.  Negentig procent van ons gedrag wordt aangedreven door het onderbewustzijn. Dit onderbewustzijn valt het best te programmeren als je in staat van totale ontspanning bent. Zoals op de momenten wanneer je als een patattezak voor de tv hangt of opgerold als een rolmops onder een fleece dekentje een ‘spannend boek’ leest. Ik denk dat het hoog tijd is om onze geest te vullen met positiviteit. Liefst een overdosis als we die positievelingen willen worden die we beweren te zijn op Facebook en Instagram. Daar waar de wijsheden te grabbel gegooid worden voor het grote publiek. Ik grabbel alvast eens goed. Wie weet word ook ik hier ooit een beter mens van. Of een narcist met een boek over dit thema.  Liefst Covidvrij.

Heidi Schoefs
75 0