Zoeken

Waarom kinderen en jongeren geen goesting meer hebben om te lezen

De helft van de Vlaamse vijftienjarigen vindt lezen tijdverlies. Dat lees ik in het internationaal PISA-onderzoek van 2018, een onderzoek waarbij 5.000 Vlaamse leerlingen uit verschillende onderwijsvormen bevraagd werden. En dat is nog niet alles: van alle 79 onderzochte landen en regio’s noteert Vlaanderen de laagste score op leesplezier. Schrijnende cijfers? Ik dacht het wel. Kinderen en jongeren krijgen geen kans om leesplezier te ontwikkelen. De consequenties hiervan zijn veel ruimer dan u aanvankelijk zou denken: kinderen die meer plezier halen uit lezen, presteren op schools vlak significant beter dan andere leerlingen. Van waar komt die negatieve houding tegenover lezen? Het zou makkelijk zijn om met de WhatsApp vinger (de vroegere sms duim) te wijzen naar de smartphone. Dat gaan we even niet doen, want dat brengt ons niet tot de kern van de zaak. Het zou ook makkelijk zijn om met de vinger te wijzen naar het onderwijssysteem. Laat ons dat wel even doen, want hier ligt met zekerheid een groot deel van het probleem. Ons Vlaams leesonderwijs is achterhaald en verschillende wetenschappers zien dit als oorzaak voor het belabberde leesplezier. Leerkrachten blijven kennisgerichte vragen stellen over fictieteksten waardoor leerlingen niet echt kunnen genieten van het lezen. Vraag dus niet what is poetry?, maar verleg de focus meer naar het plezier waarvan O captain, my captain uitgaat. Robin Williams zal u dankbaar zijn. Het fnuiken van het leesplezier begint al vroeg. Want vanaf het eerste leerjaar wordt gewerkt met het AVI systeem. Kort door de bocht: Dat. Systeem. Werkt. Niet. Ook al hoor ik al vijf jaar over AVI-niveaus, het is maar sinds kort dat ik weet dat deze afkorting staat voor Analyse van Individualiseringsnormen. Ik dacht tot voor kort dat het stond voor Afwijzen Van Interesse. Het bepalen van het AVI-niveau heeft een negatief effect op het leesplezier. Alle wetenschappelijke geledingen zijn het daar over eens. Lezen wordt door leerlingen te veel geassocieerd met werken. Daarnaast is het systeem afstompend. Kinderen moeten tegen de klok een tekst lezen om een bepaalde score, een bepaald niveau te halen. Maar wat doe je met kinderen die heel graag lezen, maar traag zijn in hardop lezen? Of een kind dat struikelt over zijn woorden, alleen omdat het een toets is? Mijn dochters kregen in het eerste leerjaar AVI-niveaus, de ene passend bij haar effectieve leesniveau, de andere totaal niet passend. Maar zelfs na het correct toekennen van het passende leesniveau bij mijn ene dochter, gaf de juf niet op. Ze moest en zou het leesplezier ondergraven. Zo kreeg mijn dochter op een dag te horen dat ze het verkeerde boek had gekozen uit de klasbibliotheek. Ze wou het gekozen boek graag lezen omdat het een leuk boek leek. De juf verbood het boek te lezen, omdat het niet tot het juiste AVI-niveau behoorde (for the record: het was één niveau boven of onder haar eigen leesniveau). Tot zover het stimuleren van leesplezier. Een juf met een missie, zo heb ik ze graag. Andere dochter, ander verhaal: ze kon op school geen plezier voor lezen ontwikkelen omdat ze werd ingedeeld in een veel lager leesniveau dan haar effectieve niveau. Zo ziet u maar: er zijn verschillende strategieën om kinderen het leesplezier te ontnemen. Het is een kwestie van kiezen. Gelukkig hebben mijn dochters het geluk om ook juffen en meesters te ontmoeten die hen het plezier in lezen voorlezen en voorleven. Mijn dochters lezen ontzettend graag, maar dat is ondanks en niet dankzij de AVI-niveaus.   Dochter: moeder, waarom lezen wij? Moeder: omdat we niet op dezelfde leest geschoeid zijn als jouw juf van het eerste leerjaar.

Lore Dewulf
112 0
Tip

Het is een soep

Exact op het moment dat de kerkklok halftwee luidt gaat de automatische deur open. Ik kom op bezoek. Als ouders niet meer thuis wonen, valt meteen het woord 'thuis' weg. Het woord 'bezoek' komt in de plaats. Zelf zegt ze na een wandeling of een koffie "Doe me maar naar huis." Of als we op bezoek komen terwijl ze naar een activiteit is, zegt ze achteraf: "Nee, ik was niet thuis." Rond dit uur zit ze meestal te knikkebollen. Na een eerste babbel zetten we de tv aan. Het is buiten te guur voor een wandeling. De nieuwslezeres geeft de samenvatting van enkele onheilspellende berichten. Met opnieuw heel wat cijfers en maatregelen. "Het is me toch wat, met dat dinges, wat zeggen ze er ook weer tegen?" Precies alsof ze het virus niet wil benoemen. Zoals in de boeken over Harry Potter, waarin ze de naam van de boosaard Voldemort niet durven uitspreken. Hij-Die-Niet-Genoemd-Mag-Worden, zeggen ze in de plaats. We kijken samen naar de kookzender. Het is ondertussen een gewoonte. De chef-kok zit aan zee. Hij kan het smakelijk vertellen. Toen we 's avonds nog gelijk naar Dagelijkse Kost konden kijken, zei ze altijd lachend "Maar we kunnen niet proeven hè Jeroen", als hij vertelde dat het lekker was. De tv-kok heeft in de haven zijn ingrediënten bij elkaar gevist. Thuis waren we vroeger geen grote viseters. Tenzij rolmops, kabeljauw en bakharing. Die brachten ze op woensdag soms mee van de markt. De geur van de bakharing bleef nog een tijdje in huis hangen. En het was uitkijken met de visgraten. Chef-kok Johan brengt ondertussen alles in gereedheid voor zijn vissoep. "Hij gaat soep maken", zeg ik. Maar haar ogen zijn niet op de tv gericht. "Ja, het is allemaal een soep", antwoordt ze. Er valt iets voor te zeggen.

Rudi Lavreysen
134 6

het palladium en de paladijnen: verhalen van een dolle mens

Terneergeslagen als de naargeestige ochtendschemering stond ik aan de wastafel in mijn appartement sudoku’s op te lossen. Onderwijl schrobde ik met Oral-B 3D White Luxe Stralende Glans aan mijn dentale carrosserie zoals een gepensioneerde dat met bruine zeep doet tussen zijn huidplooien. Ziet u, de tanden zijn de poort naar de ziel en op de mijne was een beetje eelt komen te staan. Ik trachtte de immense leegte in mezelf te vergeten door lege rasters met getalletjes te vullen. Maar het hielp niet en ik kreeg de rigor vitae ook niet weggepoetst. Geen werk, geen geld. Geen zin, geen lusten om me te doen willen.   Ik was aan de levensbeschouwelijke putten overgeleverd en al wat me nu nog restte was mijn stralende glimlach – de afspiegeling van een oude innerlijke mij. Waarom komen de kansen nooit hiernaartoe? Het was die zin die me hier had gebracht, die verduivelde boutade. En verdomd, God is d… – het beletselteken slikte mijn uitroepteken in toen er gebeld werd. Het was wat laat voor Sinterklaas en wat vroeg voor Driekoningen, dus ik vreesde dat het de deurwaarder was die beslag kwam leggen op de rest van mijn levensbeschouwelijke krediet, omdat ik mijn achterstallige betalingen pleeg te verzaken. Maar er was niets meer dan ongeloof om van me te stelen, dus wat kon het ook. “Hebt u misschien een paar minuten tijd om over GOD te praten?” (De stem had het echt zo gezegd, met de ‘o’ en de ‘d’ ook als hoofdletter.) En ik had tijd! Enfin, een minuut of zeven later mocht ik hen al David en Sylvie noemen en waren we de beste maatjes. Mijn glimlach straalde naar hen en de hunne straalde terug. Ik was helemaal mee met hun verhaal vol (zedige) passie en vuur. Lidkaarten verkochten ze terstond en ik liet me met groot genoegen registreren. Hun benevelende betovering liet niet af – wierook noemen ze het zelf, het zat in hun parfum, het zat in hun tandpasta, het zat in hun poriën. Dat merkte ik toen ik me net iets te spontaan opgaf voor het vacante zitje in hun beleidsraad. Maar eerst kwam de beproeving (een sollicitatie of zoiets) en ik legde hun mijn grootse plannen uit. Plots bevonden we ons midden in een nachtelijke ceremonie. Overal zag ik groene driehoeken en rode pentagrammen.  Om me heen pulseerde een candide mensenmassa in het dreunende licht rondom een laaiende brandstapel. In de rechterhand omklemden ze een kandelaar. In hun linkerwang ronkte bij elk van hen een elektrische tandenborstel – zo een als ik altijd had gewild. Ze neurieden, mompelden een hymne. Omdat de tremor van het mondhygiëneapparaat hun woorden vervormde, kon ik de aard van het gezang niet thuisbrengen. De klanken waren prehistorisch. Hoe ha hoe ha hoe ha. Ik deed gewillig mee: hoe ha. De massa spleet driehoeksgewijs uiteen door de advent van enkele fakkeldragers. Met z’n vieren, gedost in het witste wit van ons allemaal, torsten ze een brancard.  Bij hen snorde de tandenborstel in elk van de twee borstzakjes – dat moest wel betekenen dat zij de notabelen bij uitstek waren. Hoe ha. Op de draagberrie lag een levenloze donkere figuur. Hoe ha. De armen en benen staken in vreemde hoeken omhoog en gingen schuil onder een donker deken dat een sterk getaande figuur verhulde. Hoe ha, hoe ha. Kordaat schreden ze verder, onder de hypnotiserende hymne. Hoe ha, hoe ha, hoe ha. De deken werd verwijderd, de figuur onthuld en zonder dralen op het vuur gekieperd. Zijn takjes knerpten en schreeuwden. “Hoe HA!” Beste kerstboomverbranding ooit.   Enfin, ik ben jammer genoeg niet aangenomen. Nog hoe ha mompelend liep ik even werkeloos als tevoren terug de trap op, mijn appartement in. David en Sylvie sloegen me bedaard gade.

Midas
12 2
Tip

Donald de Stomme, een parlement uilen en woordarmoede

Groepen dieren krijgen specifieke namen. Denk maar aan een kolonie mieren, een kudde koeien, een meute wolven, een roedel honden. Minder bekende voorbeelden zijn een vendel ganzen, een toom kippen en een parlement uilen. Ik moet toegeven dat de namen van de meeste groepen mij onbekend waren. Maar ik kom nu eenmaal niet dagelijks in contact met een vendel of een toom. Laat staan een parlement. Over hoeveel woorden de Nederlandse taal kent, is geen eenduidigheid. Er gaan verschillende stemmen op: van 1 tot 5 miljoen woorden. Discussies gaan dan over het al dan niet meetellen van samenstellingen, afleidingen, … Ik zocht het even op: er bestaat ook een Taaldatabank van het Instituut voor de Nederlandse taal. In deze computer worden alle woorden en woordvormen (lezen: lees, leest, las, lazen,…) opgeslagen van de 12de tot en met de 21ste eeuw. Die bevat al meer dan 60 miljoen woorden. En toch, toch heb ik soms het gevoel dat de mogelijkheden van de taal  ontoereikend zijn om mijn gedachten te verwoorden. Daar bestaat een mooi woord voor: woordarmoede. Ook al is een taal nog zo uitgebreid, soms schiet ze tekort. Ik hou van het zoeken naar het meest geschikte woord. Juist en accuraat omschrijven van gedachten, situaties, omstandigheden is voor mij soms geen middel, maar een doel op zich. Dat is niet alleen zo in het Nederlands, ook de Engelse taal heeft zijn limieten. Ene meneer Trump zei namelijk, and I quote: ‘I’m highly educated. I know words. I have the best words. I have the best, but there is no better word than stupid’. Daaruit zouden we kunnen concluderen dat we het niet altijd te ver moeten zoeken met die woorden. Less is more, ziet u. Het less is more-advies wordt al eeuwen toegepast. We spreken over Karel De Stoute, Alexander De Grote, Filips De Goede en Jan Zonder Vrees. Als er ooit een stemming komt over een gelijkaardige naam voor Trump, dan hoop ik oprecht dat de Amerikanen kiezen voor Donald De Stomme. Stom is niet enkel een synoniem voor dom, het betekent ook ‘niet in staat om te spreken’. Now we’re talking.   Moeder: Waarover vertelden ze in Karrewiet? Dochter: Over de nieuwe regering. Ze hadden het ook over het parlement. Wat is dat eigenlijk? Moeder: Een parlement is een ander woord voor een groep uilen.

Lore Dewulf
287 6

Mannen in stofjassen en de schokkende waarheid van Milgram

Hoeveel pagina’s heeft een inleiding? Draagt uw boekenkast ook het boek ‘Psychologie: een inleiding’? Het is een knoert van een inleiding: het duurt een slordige 916 pagina’s vooraleer je ingeleid bent in de psychologie. Toen ik het boek voor het eerst in handen kreeg, spraken de psychologische theorieën en de sensationele experimenten tot mijn verbeelding. De vrouw die de lessen algemene psychologie verzorgde (ik kan me haar volledige naam niet meer herinneren, alleen nog dat die op een –y eindigde), kondigde aan dat een groot deel van dit boek cursusmateriaal was. Dat is meteen ook de reden waarom ik nog steeds weet hoeveel pagina’s dit boek telt. Mevrouw Y droeg voor de gelegenheid een truitje met een glinsterend vliegend paard op. Was het een verwijzing naar een optische illusie uit het boek? Ik durfde het haar niet te vragen. We hadden het over Pavlov en zijn kwijlende hond, Skinner en zijn hongerige duiven, Milgram en zijn gehoorzame proefpersonen. Vooral de experimenten van Milgram lieten me geschokt achter (pardon my french). Milgram passeerde de revue, ik passeerde mijn examen. Milgram verdween naar mijn achterhoofd tot ik het boek De meeste mensen deugen: een nieuwe geschiedenis van de mens las. Rutger Bregman legt in dit boek bevattelijk uit waarom de resultaten van heel wat populaire wetenschappelijke experimenten niet kloppen; zo ook de experimenten van Milgram.   De schokkende waarheid van Milgram Stanley Milgram vroeg twee proefpersonen een lootje te trekken om te bepalen wie leraar en wie leerling zou zijn in het experiment. De leraar moest plaatsnemen aan de schokmachine. De leerling moest vragen van de leraar beantwoorden. Bij elk fout antwoord moest de leraar de leerling een stroomschok toedienen met behulp van de schokmachine. Bij elk fout antwoord van de leerling, gaf een man in een grijze stofjas de leraar opdracht om een schok toe te dienen. De schokken werden gradueel opgebouwd: de voltage werd steeds hoger. De leraar startte bij 15 volt, maar bouwde via sprongen van telkens 15 volt (30 – 45 - …) op tot 450 volt. De stroomschokken waren nep en de leerlingen waren medewerkers van Milgram. Milgram wou onderzoeken hoe ver de leraar zou gaan in het toedienen van de schokken. De leraar kon de leerling niet zien, enkel horen. De leerling schreeuwde wanneer de steeds hevigere schokken toegediend werden, bonkte op de muur of smeekte om te stoppen.   De man in de stofjas De New York Times kopte in 1963 ‘Sixty-Five Percent in Test Blindly Obey Order to Inflict Pain’. Los van het feit dat het storend is dat ze hun titel verneuken door het overdreven gebruik van hoofdletters, kunnen we gerust stellen dat ‘Blindly Obey Order’ ‘Ietwat Scherp Geformuleerd’ is. Milgram zelf gebruikte zijn onderzoeksresultaten als ultieme verklaring voor de Holocaust. Hij schilderde de menselijke soort af als wezens die klakkeloos bevelen opvolgen door een autoritair persoon (a.k.a. de man in de stofjas). Bregman onderzoekt het onderzoek en belicht een aantal flagrante fouten. Milgram was eerder een theatermaker dan wetenschapper. Wie zich niet aan het script hield, werd zwaar onder druk gezet. Leraren die geen schokken wilden toedienen, werden tot 9 keer door de man in de stofjas gedwongen om verder te gaan (a.k.a. The People Who Blindly Obey Order). Er is ook bewijs dat bijna de helft van de leraren niet geloofden dat de schokken echt waren. Dat is niet verwonderlijk: hoe zouden marteltechnieken in een onderzoeksetting ooit door de ethische beugel kunnen in een prestigieuze universiteit als Yale?   De mediageile wetenschapper Milgram maakte zijn onderzoekresultaten wereldkundig. Hij beschreef de resultaten als ‘diepe en verontrustende waarheden over de menselijke natuur’ (a.k.a. de mediageile wetenschapper). In zijn dagboek vroeg hij zich echter af of de onderzoeksresultaten verwezen naar significante wetenschap of alleen naar effectief theater? Hij schreef: ‘ik ben geneigd de laatste interpretatie te accepteren’. Het experiment van Milgram en de tot de verbeelding sprekende resultaten zijn bekend bij een heel breed publiek. De conclusie ‘mensen volgen blindelings bevelen op door een autoritair persoon’ is ongecompliceerd en geeft mensen een houvast om verklaringen te geven aan genocides, zoals de Holocaust. Hoe graag we dit ook willen geloven, de waarheid is vaak genuanceerder en gecompliceerder.   Durf denken Ik heb al gans mijn leven een fundamenteel en quasi onverwoestbaar geloof in de kracht van de wetenschap. Het lezen van Bregmans boek dwingt me mijn visie bij te stellen. Ik ben niet sceptisch tegenover wetenschap, eerder nog kritischer dan voorheen.Mijn Alma Mater, de Universiteit Gent, vat het mooi samen: ‘Durf Denken’. Als u beslist ongenuanceerd te zijn in hetgeen u van dit betoog wil opsteken, kies dan voor het toepassen van deze slogan.   Moeder: heb je al je woordpakket gestudeerd? Dochter: ja, maar ik weet niet wat het woord ‘stofjas’ betekent. Moeder: dat is een jas voor mannen die denken dat ze door het aantrekken ervan anderen kunnen commanderen.    

Lore Dewulf
241 0

De onvoorspelbaarheid

Een vriend vertelt me over zijn oma. "Vroeger keek ze graag naar tennis op tv. Vooral naar de wedstrijden met Kim Clijsters. Het was Kim hier en Kim daar. Maar ze kon niet zo goed tegen de wedstrijdspanning. Het was nog in de tijd van de videorecorders. Ze nam de wedstrijden waarin Kim Clijsters meespeelde telkens op. Als de tennismatch gedaan was, keek ze op teletekst eerst naar de uitslag. Pas dan kon ze de wedstrijd volledig bekijken. Als ze wist of Kim Clijsters gewonnen had of niet. De spanning was eraf."  "In het weekend naar een voetbalmatch kijken waarin ik meespeelde vond ze ook moeilijk”, gaat hij verder. “Als ik op de grond lag na een sliding of een tackel zou ze het veld opgelopen zijn. En roepen dat ze deed. Zelfs als ik mezelf bezeerd had bij een slechte tackel", lacht hij. "Het is een schitterend verhaal", zeg ik. Het is de spanning van een spel. Niet iedereen is er voor in de wieg gelegd. Ik heb het nog altijd met de sportwedstrijden van de kinderen. Maar ook met spannende films. Zeker thuis. Dan loop ik om de haverklap naar de keuken, waar ik wat sta rond te draaien. Als een leghen die een plek zoekt om haar ei te leggen. Ik trek er de koelkast nog maar eens open. Of ik schenk mezelf een glas water in terwijl er nog eentje op de salontafel staat. In de bioscoop ligt het natuurlijk een stuk moeilijker om telkens naar buiten te lopen. En al zeker om daar achter de toog de ijskast te openen. Als de suspense in de bioscoop te erg wordt, sluit ik mijn ogen tot het spannend stuk voorbij is. Het is de onvoorspelbaarheid. Niet weten waar het allemaal naartoe gaat. Eigenlijk weet je het nooit. 

Rudi Lavreysen
8 0
Tip

Borstvoeding

Sommigen menen dat het doel van ons verblijf op aarde bestaat uit werken tot we erbij neervallen. Anderen zoeken de zin van het leven in de voortplanting. En nog anderen geloven dat we alleen hier zijn omdat dat vat Jupiler zichzelf niet kan opdrinken. Nonsens uiteraard, en ik zal je vertellen waarom. De enige reden waarom we over deze zwevende bal slijk mógen strompelen van Het Opperwezen, is natuurlijk, no pun intended, om te borstvoeden. Borstvoeding is het hoogste goed, het summum der moederschap, het ultieme genot voor de jongsten der aardbewoners. Dat wij mannen nog steeds niet geleerd hebben hoe het te doen, bewijst dat onze taak hier nog lang niet volbracht is. Vraag het aan eender welke kersverse moeder en ze zal zeggen: 'Mooi is het zeker, moeder zijn. Maar ook wel pittig.' Je moest dan ook net de zwaarste daad uit je leven tot een goed einde zien te brengen. De hormonen jagen door je lijf, onzekerheid zwaait de plak in je hoofd: 'Doe ik het wel goed?' Want dat wezentje ligt daar weer te krijsen, terwijl je nochtans elke mogelijke reden waarom hebt afgecheckt en uitgesloten. Daarbij komt dat elke vrouw die ooit een kind baarde, hoeveel decennia terug dat ook was, een lidkaart kreeg om kritiek te geven, vermomd als raad, die haaks staat op wat een andere kinderbaarster je gisteren aanraadde. En dat elke dag opnieuw, op de weinige momenten dat je niet gegijzeld tussen die vier muren zit te wachten op de volgende huilmonoloog van dat roze hoopje hulpeloosheid. Je zou voor minder depressief worden. Daarom is het hartverwarmend dat de maatschappij jonge ouders tegenwoordig één keuze minder dwingt te maken, met name gaan we voor borstvoeding of niet? Wat zou je anders doen? Flessenvoeding? Hahaha, stel je voor! Sla er een willekeurig babyboek op na en het is duidelijk: borstvoeding is het übernatuurlijkste dat er is en als jij er als mama niet in slaagt om het te doen, wil dat zeggen dat je niet hard genoeg je best doet. Niet om druk te zetten, maar je wil je kind toch zeker niet ontzien van colostrum, de eerste melk na de bevalling? Colostrum zit tjokvol eiwitten, mineralen en vitaminen, begunstigt je baby z'n eerste ontlasting en geeft 'm net geen overdosis antistoffen. Herinner je je Asterix en Obelix nog, en de ketel waarin die laatste gevallen was? Dat was een ketel colostrum. Kortom, deze wondermelk maakt het verschil tussen een kind dat met moeite op zijn vijftien z'n eigen poeperd kan afvegen of eentje dat haar universitair diploma (grootste onderscheiding en felicitaties van de jury) met de DIY-skills van Roger Wat-Je-Zelf-Doet-Doe-Je-Beter aan de muur van haar eigen succesvolle advocatenbureau ophangt. Dat we de colostrumproductie nog niet geïndustrialiseerd hebben om het goedje de godganse dagen zelf achterover te slaan, snapt geen mens. Nu zullen sommigen opperen: 'Maar meneer, mijn kind heeft borstvoeding gekregen en het is helemaal niet zo uitzonderlijk succesvol of perfect. Het is allergisch aan peulvruchten, luistert enkel naar Qmusic en is te dom om zelfs ongewild zwanger te raken.' Nogal wiedes! Jij hebt duidelijk je kind niet lang genoeg geborstvoed. 'Maar meneer...' Of net veel te lang! Dat je dat als moeder niet hebt aangevoeld, 't is nochtans de natuur. Doch allerminst verrassend, want recent wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat 90% van onze maatschappelijke problemen te herleiden valt naar het gebrek aan borstvoeding of het geven van gebrekkige borstvoeding: files op de E40, een mailbox vol dt-fouten, de verkiezingsuitslag van 2019, de klimaatopwarming en serveuses die vergeten mayonaise te brengen terwijl je daar uitdrukkelijk om gevraagd had. Ook bij bekende mensen moet je het niet ver zoeken. Want hoewel Theo Francken eruitziet alsof hij nog dagelijks z'n dosis via de moederlijke tepelaar binnenslurpt, spreken zijn tweets en gedachtegoed van een overduidelijke borstvoedingsleemte. 'En wat met Hitler of Trump, meneer, kregen zij van de borst?' Ik denk dat je het antwoord zelf wel kan raden. Maar ondanks de wetenschap zijn ze er nog altijd. De luie luxezoekers. De monstermoeders. De hedendaagse heksen die het durven wagen om hun kind een niet afgekolfde fles melk in de mond te duwen. Mishandelende duivelinnen zijn het, en je moet je dan ook niet inhouden om als je zo'n kwaadaardige feeks haar kind ziet 'voeden' met een fles, ze de huid vol te schelden tot de tranen over haar waardeloze moederwangen stromen. Tepelkloven? Ik wil het niet horen! Borstontsteking? Bullshit! De kinderinspectie op afsturen, zeg ik. Verbranden op het dorpsplein! Aan de verkeerslichten hangen zodat passanten die de 'HIER DRINKT MEN BORST!'-posters niet zagen hangen, weten dat er hier geen flessenvoedsters geduld worden! Zolang het maar duidelijk is. Want borstvoeding is het goddelijkste op aarde, de essentie van het leven, het rechtstreekse pad naar het paradijs. Als jij het daar niet mee eens bent is dat enkel en alleen omdat je je nooit aan de tepelbron mocht laven en je beseft dat je leven in geen honderd jaar zo vol, rijk en geslaagd zal worden als dat van hen die het wel deden.

Hans Verhaegen
130 3

Brussel: jongeren sluiten eigen cafés.

            In 1988 was ik 20 jaar en stond ik net als jij aan de vooravond van mijn leven dat ik me avontuurlijk en onbezonnen inbeeldde. Ik woonde in het grote Brussel dat later te klein zou zijn voor mijn ambities. Er was nog geen internet, er was nog geen smartphone. We hadden onze bruine kroegen en we hadden aids. Een virus zo sterk in opmars dat mijn adresboekje en mijn vriendenkring voorgoed zou tekenen. We ‘moesten’ veilig vrijen. Het condoom was, net als een mondmaskertje, geen verplichting maar wel sterk aangeraden. Het doet wat met een jong iemand die de eerste intieme huidcontacten alleen maar met een rubberen maskertje kon voelen.             Toen ik in 1992 naar Parijs verhuisde om net zoals jij mijn ambities en dromen groter dan Brussel te maken, vertelden krantenkoppen me dat Parijs de hellhole van aids was. Ik zat midden in een wespennest. In mijn wildste jaren dan nog wel. En dus ging ik werken voor een aidsvereniging omdat het aidsvirus meer dan alleen maar mensen doodde. Het coronavirus legt hetzelfde parcours af maar door je roekeloos gedrag denk ik dat je de schade die het coronavirus aanricht niet kan inschatten. Ik heb ontelbare partners gehad, net zoals jij vandaag ontelbare contacten hebt op café. Bij al die partners heb ik dat vervelend en irriterend rubbertje aangedaan, toegegeven, soms al eens niet. Een beetje zoals jij vandaag het mondmasker ‘vergeet’. Seks heeft niet dezelfde intensiteit als een avondje op café met vrienden maar het gebeurt allemaal evenzeer in een onbezonnen sfeer. Het risico op besmetting blijft even hoog.              Vandaag moeten door jouw onbezonnenheid niet alleen mijn cafés maar ook jouw cafés dicht. En gaat de droom en de broodwinning van caféuitbaters en mensen die er werken aan diggelen. Je kan kritiek geven op een overheid, zoals we dat ook in de aidscrisis gedaan hebben, maar je kan ook kijken in eigen boezem. Even weg van dat zinloos schermpje en die irritante stoere houding die je zo typeert. Als jij zegt dat je feestjes gaat bouwen in appartementen, dat je naar café-restaurants gaat, dat je dat mondmasker niet meer wil dragen, dat afstand houden toch zo moeilijk is en als jij verkeerde ideeën in de media gooit en zegt dat mensen de metro mogen nemen maar niet meer op café mogen, dan hebben we een probleem en moet ik met jou in gesprek gaan. Niet om je de les te leren, en al evenmin om de intellectuele armoede van jouw generatie te bekritiseren. Maar om hier samen uit te komen. Om jou besef bij te brengen dat jouw houding de horeca de finale doodsteek toebrengt. En daarmee ook je eigen onbezonnen leven.              Verplicht iemand jou om een mondmasker te dragen of om de anderhalvemeterafstand te respecteren? Het antwoord is neen. Waar het mondmasker dan toch moet van de overheid, lijkt me dat eerder om ook jou te beschermen. Onze overheid is geen politiestaat. Moeten is relatief wanneer het om de persoonlijke leefsfeer gaat. Het is uiteindelijk jij met jezelf en hoe jij verantwoordelijk kan omgaan met jezelf en de maatschappij. Of niet. Ik ben nog steeds seronegatief. Het aidsvirus heeft me niet gevonden. En net zoals het condoom geen vrijkaart is om niet met het aidsvirus besmet te geraken, is het mondmasker dat ook niet voor het coronavirus. Dus hebben we andere strategieën bedacht om het voor iedereen veilig te houden. Kijk naar het titanenwerk dat aidsverenigingen over de hele wereld verricht hebben. Jij kan ook strategieën voor jezelf en voor de samenleving toepassen zonder het gevoel te hebben dat de hele coronacrisis op jouw schouders ligt. Dat kan al door de bestaande aanbevelingen toe te passen. Het is ook zwaar voor mij. Maar het is nog zwaarder voor die vrouwen en mannen die vandaag aan de zuurstofpomp liggen en vechten voor hun leven. En het is ook zwaar voor mijn vader die al sinds maart 2020 niet meer uit het woonzorgcentrum is mogen gaan om eens mosselen te gaan eten. Ik hoor nu graag eens van jou hoe jij je gezond verstand gebruikt en hoe jij je gedrag gaat aanpassen om onze cafés weer open te krijgen. Ik kan er misschien nog iets van leren. En vooral wil ik eens naar jou luisteren en begrijpen hoe jij uiteindelijk deze crisis gaat oplossen, ok doomer?

Erwin Abbeloos
36 0

Textielgoed, erfgoed

 Honderd jaar geleden floreerde de textielindustrie in Nederland tierig. Die industrie is allang opgedoekt, maar tegenwoordig is het vocabulaire uit die sector eveneens vrijwel van kant gemaakt. Bijvoorbeeld: Wie kent nog de linnenkast? Bijna niemand. We spreken van garderobekast, kledingkast of inloopkast maar linnenkast? Nee.Ik wil niemand van katoen geven, maar wie van onze kreukvrije generatie draagt er linnen? Verder wil ik iets anders uit de doeken doen. We kennen de theedoek, toch? Wat heeft die met thee te maken? Vast iets, maar ik droog sinds mensenheugenis mijn vaat met de theedoek. Is dat de bedoeling eigenlijk, vraag ik me af. Want met mijn vaatdoek doe ik dus niet de vaat, maar poets ik het aanrecht. Er is, klaarblijkelijk, wat mis met onze taal óf met mijn gedrag, maar ik zie anderen hetzelfde doen dus doe’k het ook.Een zakdoek. Nog zoiets. Nagenoeg niemand heeft er eentje op zak en droogt er z’n zak mee af. Althans vrouwen niet. Die duurzame zakdoek is allang ingeruild voor de papieren tissue. Idee van onze wegwerpgeneratie en passend bij veelvuldig snikkende vrouwen, snuitende mannen en snotterende kinderen.  Dan de handdoek! Dat je daarmee weliswaar je handen droogt beschouw ik als een doekje voor het bloeden want je droogt  eveneens de rest van je lichaam ermee, dus ook dát woord is een wassen neus. Het grappige is dat we het doekje waar we wél alleen handen mee drogen vervolgens gastendoekje noemen! Gast, dat is toch bizar? Voor zover we handen überhaupt wassen. Ik kan me voorstellen dat rappers bij het woord ‘doek’ eerder aan witwassen dan aan handen wassen denken. Maar dat terzijde. De commercie heeft geprobeerd om de handdoek qua reputatie op te lappen door deze qua formaat te vergroten en douche- of badlaken te noemen. Alsof ze alleen in douche of bad bruikbaar zijn. Los daarvan, het zijn geen lakens want die twee kunnen zich niet meten aan de witte lappen die we wél als beddengoed  gebruiken. Die delen in bed nog altijd de lakens uit.  Al met al hoeven we er geen doekjes om te winden: het is schering en inslag als het gaat om verkeerd samengestelde woorden op textielgebied. We moeten onze verstofte taal uit de mottenballen en door de mangel halen. Vooral niet meteen de handdoek in de ring willen werpen. Een gastendoekje volstaat voor ‘Prince’ Verhoeven en ‘Bad Boy’ Hari. 

Annemagenta
3 0

Tellen tot drie, slapen en de Wallen van Amsterdam

Als snel in slaap vallen een olympische discipline was, won ik zonder verpinken de gouden medaille. Wanneer mijn hoofd mijn hoofdkussen raakt, maak ik in minder dan één minuut de oversteek. Ik slaap tot mijn wekker afgaat, of tot één minuut daarvoor (geconditioneerd zegt u?). De laatste maanden maakte ik echter kennis met insomnia. Het in slaap vallen binnen de minuut bleek nog altijd on point, maar plots werd ik midden in de nacht wakker om de slaap niet meer te kunnen vatten. Nu kan u allerlei trucjes gebruiken om terug de slaap te vatten. Eén daarvan is een app waarbij een nasale stem u vraagt om terug te tellen van 1000 naar 0. Ik kan u verzekeren: mijn frustratiegehalte telde omgekeerd evenredig op terwijl ik de nummers aftelde. Het leek een langgerekte overgang van oud naar nieuw (u kent het wel: glaasje bubbels in de hand, aftellen en toch niet té dicht in de buurt staan van die creep die al een uur lang elke vrouw in de feestzaal aanspreekt om te informeren of ze als eerste met hem wil kussen op middernacht.). Mijn concentratie verlegde zich gaandeweg, eerst tussen de honderdtallen, daarna tussen de tientallen. Bij 933 vroeg ik me af hoe ik me kon laten verleiden door een app, bij 897 vroeg ik me af wie in godsnaam deze app had gemaakt en bij 883 moest ik uit bed om op te zoeken wie de maker van die app was en om te checken of ik misschien toch een vorm van dyscalculie heb (kan iedereen vlot achteruit tellen? Eerlijk?). Vanaf het moment dat ik moeder werd, zie ik slapen als een kostbaar goed. Ook al levert slapen soms de meest onflatterende foto’s op. Ik hoop oprecht dat niemand ooit de fotoreeks in handen krijgt van onze Italiëreis in het zesde middelbaar waarbij het een sport was om een klasgenoot te fotograferen terwijl die in een semi-comateuze toestand op de bus sliep. U wilt niet weten hoeveel kwijl en dubbele kinnen er in één fotoboek gebundeld zijn. Ik behoorde niet tot de groep newborn moeders die gezegend was met doorslapende baby’s, niet op de leeftijd van één maand, een half jaar of één jaar. Ouders die mij vol trots vertelden dat zoon- of dochterlief na enkele weken al doorsliep kon ik geen ruimte geven. Ik kon hen alleen maar aanstaren, met een bleek gezicht en wallen die meer in het oog spongen dan de Wallen van Amsterdam. Ondertussen slapen mijn dochters doorgaans door (langgerekte avondrituelen daar gelaten: ‘ik heb nog één vraagje’). Maar ik ben nog steeds geen moeder die zomaar een kinderslaapkamerdeur kan opengooien om me te vergapen aan de schoonheid van een slapend kind. Doorslapen is één ding, vast slapen iets totaal anders. Wanneer ik me toch in hun kamer waag, krijg ik steevast de vraag: ‘Wat is er, mama? Wat doe je hier?’. Waarna ik sus en mompel dat ik de vuile was kom halen. Ik vraag u dus geen tips om mijn – hopelijk tijdelijke - insomnia te bestrijden, enkel tips om zo stil als mogelijk mijn slapende dochters te aanschouwen in de nacht.   Dochter: Weet je nog hoe je vroeger zei: ‘ik tel tot drie en dan vertrekken we’. Moeder (glimlacht): Ja, maar dat werkte alleen als jullie nog kleuters waren. Dochter: Nu doe je hetzelfde met jezelf. Maar eigenlijk is het niet eerlijk: als volwassene krijg je véél meer tijd.   Moeder: ? Dochter: Je telefoon telt tot 1000 en dan pas moet je slapen.

Lore Dewulf
12 0

Refugee walk, ontoereikend cynisme en dikke duimen

Met één oog check ik whatsapp op mijn telefoon: ‘nieuwe groep aangemaakt: Refugee walk’. Meteen daarna volgt de vraag naar voorstellen voor een groepsnaam voor ons team. Ik zie ‘solitaire mieren’ verschijnen. Wie dit bedacht heeft? De andere leden van mijn gezin. Dit wekt bij mij vragen op: ‘Wiens voorstel? Of komt dit uit de groep? Is dat wel mogelijk bij solitaire mieren?’. Ik krijg een antwoord terug: ‘Het is het resultaat van een gezamenlijke brainstorm. We zijn solidaire mieren, geen solitaire’. Ziehier de reden waarom je beter niet met één oog naar je telefoon kijkt. Samen met 1869 anderen wandelden we als solidaire mieren de Refugee walk, georganiseerd door Vluchtelingenwerk Vlaanderen. Door de samenstelling van ons wandelgezelschap – de helft van onze groep gaat nog naar de lagere school – kozen we voor de 10 kilometer. De andere optie was de volle 40 kilometer en laat ons eerlijk zijn: geen enkele 8-, 9- of 10- jarige zit daarop te wachten. Ofte: hoe je je kinderen schaamteloos kan inschakelen om je eigen mankerende conditie te maskeren. Elk ingeschreven team voor de Refugee walk krijgt een goodiebox met shirts voor alle deelnemers, een boekje met verhalen van vluchtelingen en een drankje. Na de wandeling vraagt mijn oudste dochter of ze haar Refugee walk shirt de volgende dag mag aandoen voor school. ‘Dit is mijn nieuwe lievelingsshirt, ik wil die tonen aan mijn klasgenoten. Ik wil hen ook graag vertellen over onze sponsorwandeling. Misschien willen zij volgend jaar ook allemaal meedoen!’. Het is gebeurd. De kinderlijke onschuld is verdwijnen, die heeft plaatsgemaakt voor een moreel reagerende mens. Ik mag dan wel eens cynisch uit de hoek komen, in deze context smelt mijn cynische zelf. Weet u wat het is: cynisme is een theorie van alles: het klopt altijd. Maar wat is het omgekeerde van cynisme? Naïviteit? Is het naïef dat u idealen heeft, dat een kind idealen heeft? In dit geval vind ik het noodzakelijk om totale relativering te weigeren, om te weigeren om bepaalde waarden af te geven. Het toeval wil dat ik diezelfde avond naar Becoming keek, de documentaire van Michelle Obama. De voormalige First Lady praat met iedereen, van de Queen of England tot tienermeisjes uit achtergestelde Amerikaanse buurten. Ze motiveert en inspireert en geeft de jonge – vooral vrouwelijke - generatie mee dat ze, net als hen, zoekende is in het leven. Dat ze moeten geloven in zichzelf. Dat zij ook een heel lange weg heeft afgelegd. Michelle Obama heeft heel goed begrepen dat de anderen maar zo dom zijn als jij ze maakt. In die zin behoort ze tot de beperkte groep Grote Empathische Leiders: ze predikt verbondenheid in plaats van tegenstellingen. Daar kan geen cynicus tegen op.   Dochter: Geef eens je hand. Moeder: Waarom? Dochter: Ik ga je duim meten. Moeder: Euh… Ok… Mag ik ook weten waarom? Dochter: Als je me een duim geeft, wil ik weten of het ook een dikke duim is. Moeder: Fair enough.

Lore Dewulf
12 0

De weegschaal

Het fragment is hier niet verder dan de socialemediakanalen geraakt. Een Nederlands parlementslid haalde onlangs vanop de politieke banken in het Binnenhof een citaat van Willem Elsschot aan, meer bepaald uit het gedicht Het huwelijk. Maar de context zat niethelemaal juist. Een collega verbeterde hem op magistrale wijze. Tot verbazing van de eerste. We zijn het hier niet gewoon. Nochtans is Elsschot onze nationale literaire trots. Als u het mij vraagt, tenminste. Mij schoot een stukje uit het gedicht te binnen toen ik bij de dokter op de weegschaal stond en we allemaal de slappe lach kregen. “Weemoedigheid die niemand kan verklaren”, zo luidt het zinnetje dat bij me opkwam. Het volgt op de beroemde woorden die de Nederlandse politicus aanhaalde: “Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren.”Maar laat me u uitleggen waarom ik aan de woorden dacht bij onze huisdokter, meer bepaald op haar weegschaal. Vader had het trouwens altijd over een bascule. Een uit het Frans geleend correct Nederlands woord, maar je hoort het nog zelden. Mijn vrouw en ik hebben de gewoonte om samen naar de dokter te gaan voor een medische check-up. We kunnen de kwaaltjes voorlopig nog binnen de perken houden, maar ik worstel al een tijdje met de cijfers die 's morgens vroeg op de weegschaal verschijnen. 's Avonds begin ik er niet aan, of ik lig de hele nacht te woelen. Mijn bibliotheek is ondertussen de trotse (als je het zo mag noemen) eigenaar van enkele dieetboeken, al komen komen ze literair gezien niet tot aan de enkels van Willem Elsschot, laat staan dat ze de cijfers op de weegschaal doen zakken. Maar ik sta daar dus op de weegschaal en alles wat er op het display verschijnt is het woord error. Tot driemaal toe. “Voilà, het is zover”, zeg ik. “De weegschaal is kapot. Ze kan het niet aan.” Onze huisdokter, die ons zeer genegen is, krijgt de slappe lach. Net als mijn vrouw. Zelf begin ik ook te schuddebuiken van het lachen. Afijn, u kan er zich iets bij voorstellen. Voor onze dokter zit er niets anders op dan in het kabinet een andere grote weegschaal tevoorschijn te toveren die de cijfers wel kan verdragen. Het is er eentje op wieltjes. Ik kan me de blikken van de andere personen in de wachtzaal al voor de geest halen terwijl ze de grinnikende dokter met de weegschaal op wieltjes zien voorbij komen. Terwijl ik daar dus sta, valt me het zinnetje van Elsschot te binnen. “Weemoedigheid die niemand kan verklaren.” Hier gaan we nog ooit mee lachen, dacht ik. Op de een of andere manier werd ik er zelfs wat weemoedig van. Verklaren kan ik het niet. Maar dat moetwellicht ook niet.

Rudi Lavreysen
2 0

Gele limonade en spa bruis

“Thuis hadden we vroeger alleen gele limonade en spa bruis. En tafelbier. Cola kwam pas later. Toen we erover bleven zagen.” Ik vertelde het thuis aan mijn vrouw nadat ik van de drankenhandel terugkwam. Ze had me gevraagd om enkele flesjes Perrier mee te brengen. Maar ik kon ze niet vinden en ik was al enkele keren op goed geluk met een lege winkelkar de winkel rondgereden. Zoals een wielertoerist die de weg kwijt is, want ik kon niet meer op de naam van het Franse bruiswater komen. Voor de man aan de kassa was het duidelijk dat ik niet vond wat ik zocht. “Wat zoekt ge?”, vroeg hij toen ik er opnieuw passeerde. “Tja, het klinkt onnozel, maar ik kan niet op de naam komen van hetgeen ik moet meebrengen”, zei ik. “Het is iets Frans.” Man, veel onnozeler kan je het niet zeggen, besefte ik meteen. Iets Frans. “Frans bier? Of Franse wijn?” “Nee, Frans water. Sorry, dat had ik niet gezegd.” “Ah, Evian natuurlijk”, zei de man met kennis van zaken, maar dat was het niet. “Het zijn groene flesjes. Bolvormige flesjes.” “Ah, Perrier. Nee sorry, dat hebben we niet”, zei de man. “Maar lust ge dan geen spa bruis?”, vroeg hij meteen daarop. “Jawel, maar het is niet voor mezelf. Perrier is best lekker.” Het was bijna een vraag zoals naar een kind dat zijn groenten niet opeet. “Denk je dat snoep gezonder is?” In de supermarkt hadden ze het Franse bruiswater gelukkig wel, zodat ik het gevraagde bij me had. Ik vertelde mijn vrouw het hele verhaal. Gevolgd door “thuis hadden we vroeger alleen gele limonade en spa bruis. En tafelbier. Cola kwam pas later. Toen we erover bleven zagen.” Het werd bovendien allemaal aan huis geleverd door de brouwer, maar dat zei ik niet.

Rudi Lavreysen
36 1

Daar zit muziek in

Blokfluit spelen met een klas ongemotiveerde veertienjarigen. Het behoorde niet tot de persoonlijke levensdoelen van mijn muziekleerkracht, maar eerder tot het leerplan waar hij aan gebonden was. Elke week hetzelfde liedje: een uitgebluste leerkracht die zijn blokfluit nam en demonstreerde hoe je een lied speelt, om zich daarna tot de klas te richten, ‘dit liedje gaan jullie vandaag leren spelen’. Op het forum van vogelvisie.nl lees ik dat er verschillende meningen bestaan over welke vogel het geluid van een blokfluit benadert. Sommigen beweren een bosuil, terwijl anderen overtuigd zijn dat het om een zwartkop gaat. Er gaan ook stemmen op richting diamantduif. Toen ik in het onderkoelde collegelokaal zat te luisteren naar mijn fluitende leerkracht, dacht ik niet aan vogels. Vogelgeluiden, of elk ander rustgevend geluid, waren nog verder weg toen de klas uitgenodigd werd om mee te fluiten. Op het examen moesten we elk om beurt een lied spelen. De leerkracht had een grijns en een grijs potloodje om je te beoordelen. Een jongen uit mijn klas kreeg een één voor aanwezigheid. Hoe hij dat klaarspeelde? Hij legde zijn muziekboek open zodat hij de partituur van het lied kon lezen (de eerste noot is een sol). Daarna bladerde hij naar de laatste pagina van zijn boek, naar de grepentabel (hoe positioneer je je vingers om een sol te fluiten?). Na elke noot keerde hij terug naar de grepentabel. ‘Ik heb genoeg gehoord’, zei de leerkracht na zeven noten, en het kleine potloodje kraste een één op de puntenlijst. Muzieklessen op zijn smalst: een opgelegd oubollig lied spelen op je blokfluit en daarop beoordeeld worden door een onverbiddelijke leerkracht met een petieterig potloodje. Onlangs keek ik naar The Eddy, een miniserie over een Jazz club in Parijs, geregisseerd door Damien Chazelle. De serie toont muziek als taal, elk personage gebruikt muziek om te communiceren. Iedereen vindt zijn plaats in en door muziek. Je hoeft de constructies van jazz niet te begrijpen om te weten wat de personages je willen vertellen. Muziek verbindt, troost, lijmt, stimuleert, spreekt, redt, creëert en eert. Ik had de serie graag integraal gezien in de muzieklessen van weleer. Dan was mijn blokfluitkennis beperkter, maar kiezen is niet altijd verliezen. Mijn jongste dochter leert piano spelen. Ze musiceert met een verpletterend plezier. Het gaat niet enkel om haar vingers op de juiste toetsen te zetten, het gaat vooral om de voldoening van het creëren. Een instrument leren spelen is soms instrumenteel, maar het is hoe dan ook niet bedoeld om te beoordelen met een grijs potloodje.   Dochter (met een zelfgemaakt castagnette in de hand): Mama, luister hier eens naar! Moeder: Wat is dat? Dochter: Hier zit muziek in.

Lore Dewulf
6 0

Gift

Ik herinner me nog goed de tijd dat ik onbekend was en mijn columns níét wekelijks door 40 mensen gelezen werden. Wat was dat een waardeloze periode. Bij de bakker moest ik de volle prijs betalen voor m'n croissants, in de boekhandel deden ze alsof ik Jan met de Pet was die de nieuwste Kampioenenstrip kwam kopen en vrouwelijke loopsters lieten me opvallend minder vaak hun ontblote boezem zien wanneer ik hun richting kwam uitgelopen. Nu dat allemaal veranderd is, kan ik me geen leven meer voorstellen als onbekende Vlaming, hoewel ik net heb uiteengezet hoe goed ik het mij allemaal herinner. Zo'n supersterrenstatus, ik kan het iedereen aanraden. Daar zit natuurlijk het probleem. Ik maak amper dt-fouten, schrijf hashtags als Hemingway en heb in m'n adembenemende illustraties lang geen 50 tinten grijs nodig om de lezeressen ondeugende gedachtes te bezorgen. Maar niet iedereen is geboren met zo'n onuitputtelijke massa talent als ik. Dat is, doordat ik zo bescheiden ben, iets wat ik te vaak vergeet. Een vriend van me werkt in de fabriek waar ze de lucht in Maltesers pompen. Acht uur per dag werkt hij zich krom aan de lopende band, iets wat ik ook heb gedaan als jobstudent en waar ik overigens zeer goed in was. Dag na dag verzekert hij dat elk chocoladeballetje even knapperig is als het vorige. Je wil niet weten hoe hard mensen het verlíézen als hun Maltesers niet consistent zijn in knapperigheid. Deze kameraad draait daar dus dagelijks zijn nikkel af en krijgt er een habbekrats voor in de plaats. Als ik hem dan vraag waarom hij niet kiest voor zo'n leven vol rijkdom en aanzien als het mijne, zegt hij: 'Maar Hans, snap jij het dan niet? Ik ben helemaal niet zo uniek als jij. Gewone stervelingen als ik hébben geen keuze. Stop met die bescheidenheid en besef dat jij staat waar je staat door jouw uitzonderlijke gaves.' Na enkele dagen ben ik dat alles weer vergeten, niet zozeer omdat het me niet interesseert, maar vooral omdat mijn geheugen echt niet zo buitengewoon is. Daar heb je die bescheidenheid weer. En de vervelende kanten aan de roem? Die zijn er ook, hoor. Met jeuk die zich nog maar een beetje in de buurt van je zitvlak bevindt, leer je best zo snel mogelijk leven, want in het openbaar aan je achterste krabben is geen optie meer. De magazines zouden nogal smullen. Daarnaast is het onmogelijk om meer dan 10 meter aan een stuk te wandelen zonder dat je grootste fan om een selfie komt vragen. En 10 meter verder word je opnieuw aangeklampt door een grootste fan. Verder voelen vrouwen van middelbare leeftijd zich zo vrij om tijdens fotomomenten in je billen te knijpen. Hoogst onaangenaam, behalve wanneer je op dat moment jeuk aan je achterste hebt. En dan zijn er ook nog de afgunstigen, de lastigaards die willen dat jij hén speciaal behandelt in plaats van omgekeerd. Zo hebben sommige bakkers de arrogantie om te doen alsof ze me niet kennen om me alsnog de volle prijs van hun croissants te kunnen aanrekenen. Kleine mensen. Ach ja, allemaal klein bier vergeleken met de voordelen. Ik zou niet meer kunnen terugkeren naar dat leven van nietsbetekenende dertien-in-een-dozijner. Oké, ik maakte misschien meer tijd voor mensen. Ik stond klaar, luisterde. Maar uiteindelijk help je één iemand. En nu? Nu bereik ik wekelijks 40 verschillende volgelingen en inspireer ik hen met m'n kunst. Omdat ik wéét dat ik hen die spark kan bezorgen. Dat idee van hoop. Die glimlach na een ondraaglijke dag van lucht in Maltesers pompen. Ik ben het levende bewijs dat je je dromen kan waarmaken en dat ook jij misschien ooit een god wordt voor een heel leger van bewonderaars. En dát is waar ik het voor doe.

Hans Verhaegen
26 1

Jeanne

Ze is geen gewone ‘oma’. Ze is meer een dertiger in het lichaam van iemand van vijfennegentig. Ze is slim en bijdehand. Eigenzinnig en grappig. Zelfstandig en mee met de moderne, veel te snel gaande, tijd. Twee jaar ben ik niet bij haar op bezoek geweest, maar dit weekend heb ik besloten om nog eens mee te gaan met mijn ouders. Wanneer ik haar zeg dat het alweer lang geleden is, glimlacht ze.‘Ik zie u nochtans elke dag’ zegt ze kalm zoals alleen zij dat kan en stapt naar de lage kasten in de woonkamer. Ze neemt een klein fotoalbum en slaat het open. Ik zie een foto van mezelf genomen op de vijfenzestigste verjaardag van haar huwelijk mijn opa zaliger.‘Ik zie u elke dag’ herhaalt ze glimlachend, ‘en er staan ook zo’n schoon foto’s in van opa.’ Ze laat mij een foto zien van mijn grootvader zoals ik me hem herinner. De liefde tussen die twee was echt, zoals God de liefde had bedoeld toen hij ze schiep.Ze slaat een paar bladzijden om in het fotoalbum.‘Hier,’ gniffelt ze, ‘Uw broer nog zonder zijne schone baard.’ Mijn hart breekt. Twee jaar ben ik niet langs geweest, maar dat maakt duidelijk niet uit wanneer ge in iemands hart en fotoalbum zit. Ze vertelt me dat ze haar ‘chignon’ vanmorgen twee keer heeft gemaakt en dat maar niet wilde lukken. Na een derde keer vanmiddag heeft ze het opgegeven. Mijn oma is een kokette vrouw. Een fiere kat met pony-allures.Het doet me denken aan de vorige keer dat ik hier was en ze zei dat ze het spijtig vond dat ze niet wist dat ik kwam. ‘Autrement, j’avais peigné mes cheveux,’ zei ze toen. In mijn ogen is ze altijd even mooi. Net zoals ze dat dertig jaar geleden al was, toen ze nog met ons mee naar Nederland ging. Toen mijn broer en ik met haar op onze cassetterecorder radioprogramma’s opnamen over het maken van pudding. En maar lachen tot we bijna in onze broeken plasten.Ze legt het fotoalbum opzij en stopt mij de Italiaanse Vogue in mijn handen, want mijn oma beheerst perfect het Italiaans. Geleerd om de missen van de Paus goed te kunnen verstaan. Ze is vijfennegentig en ze is slimmer dan ik, dat staat vast.Ze heeft een mening. De mode in deze Vogue vindt ze maar niks.‘C’est trop, quoi.’Ze kijkt elke dag naar het nieuws en weet perfect wie wie is. De dokter heeft haar gezegd dat ze te oud is voor Alzheimer.‘Dat vind ik spijtig,’ zegt ze, ‘want ik zou het soms liever niet meer weten.’ ‘De mensen die mij komen wassen zeggen dat ik nog lenig ben voor mijn leeftijd’ giechelt ze. ‘De vrouwen zijn altijd nog het langst het lenigst.’Mijn vader, die ook nog steeds in de woonkamer zit, kijkt op van zijn krant.‘Ik zeg alleen de waarheid,’ zegt ze schalks en met een grijns. Ze weet dat mijn vader al lang niet meer met haar discussieert. Winnen kan hij van velen, maar nooit van haar.Ze is alles wat ik wil zijn als ik ooit 95 word en nu is ze er niet meer.Merci Jeanne, Reine van de Rue des Princes, moeder van mijn geweldige moeder, om te zijn wie ge waard. Ge zult waarschijnlijk langer dan twee jaar wegblijven, maar ook gij zit in mij hart en fotoalbum. Misschien krijg ik later wél Alzheimer, maar u vergeten doe ik, kan ik en wil ik nooit.

Ans DB
0 0