Zoeken

Het monster van Plopi

  Markus Couckcouck en Hans Hoerbon zijn managers. Zij weten alles over geldmennerij, over goudliefde en het spook van de hebzucht. Beiden waren aanwezig op een openbare veiling van gedrochten die plaatsvond op een aprilse donderdag. In Transnistrië. Geveild werden levends wezen, de meest bizarre klonen en kruisingen. Ginds kan dat. Want Transnistrië is een schurkenstaat. Het noemt zichzelf een land, scheurde zich in 1990 af van Moldavië en werd sindsdien enkel erkend door meneer Poetin. In tegenstelling tot de heren Couckcouck en Hoerbon, hoef ik de naam van Vladimir Poetin niet te veranderen. Vladimir hoef ik immers niet te vrezen. Die narcist is een marionet van zichzelf en heeft dat niet eens door. Ik heb zijn foto ook op geen enkele van mijn strategopionnen geplakt en dus kan hij mij in geen enkele natie laten vervolgen voor godslaster. De veiling van bizarre aardse creaturen vond plaats in een horecazaak te Plopi. Dat dorp ligt in het noordoosten van Transnistrië, op twee kilometer van de Oekraïnse grens en net zoals het ganse grondgebied van Transnistrië is ook Plopi van strategisch belang voor Rusland. Net als elk gedegen onderzoeksjournalist ging ik ter plaatse onderzoek doen en ik kan aan mijn twee lezers zeggen dat op het eerste zicht in Plopi niet veel te beleven valt. Er is een superette, een klein gemeentehuis annex postkantoor en er zijn twee horecazaken. Het ene etablissement is een café met de naam 'Slivovar Dolina'. Dat is Russisch voor Pruimendal. Iets verder kan je eten, in een brasserie die 'Krivoj Polzunok' heet. Dat kan je vertalen als De Scheve Schuif en in Plopi spreken alle inwoners Russisch. Praat er beter niet in het Moldavisch, want dan word je niet recht aangekeken. Eén derde van alle inwoners van gans Transnistrië is trouwens Russisch. Niet dat ik je met al te veel weet-je-datjes wil overladen. Als laatste fait divers wil ik je nog vertellen dat brasserie De Scheve Schuif ook een feestzaal heeft waar o.a. trouwfeesten en rouwmaaltijden gehouden kunnen worden. Het is de enige zaal in Plopi die groot genoeg is om een veiling te houden en op die aprilse donderdag zaten de heren Couckcouck en Hoerbon daar dus. Op de eerste rij. Om een slag te slaan. Want aan de rand van Plopi staat het Laboratorium Nikolai Valivov & Aleksandr Bazarov en daar worden experimenten gedaan van een soort buiten categorie. Dat kan daar, volledig legaal, want Transnistrië is door geen enkele andere staat erkend. Behalve Rusland. Men hoeft er zich dus niet te houden aan geen enkel internationaal verdrag betreffende whatsoever en Tanguy wist dat. Hij had er ooit azijn gesleten aan een augurkenfabriek in Dimitrova. Hij kende dus de streek en wist van het laboratorium. Maar ik wil niet afdwalen. Enkel vertellen wat er gebeurd is na die walsing aan de Ezelpoort. Ik had Tanguy zijn armen en zijn poten er afgereden. Met een pletwals. Dat weet je en ze hadden zijn stompjes netjes dichtgenaaid in het AZ Sint-Jan. Ik dacht dat hij daarna wel ging creperen en toen hij op een doemdag in Beernem verscheen, hebben Prudence en ik er alles aan gedaan om zijn lot correct te bezegelen. Maar hij wilde krijt noch eigen schijt ruimen. De aap bleef hoop verkopen aan de vliegen van één dag en het is typisch voor barbaren. Ze zien graten in dikkoppen en al sla je ze gezwollen ogen. Ze blijven spreken, zeggen, dat spleetoogjes dieper in muisjes kunnen kijken dan een zwengel met een blinde, paarse kop. Hij moet het telefoonboekje van Tartarus gejat hebben en het was een garagist uit Transnistrië, die in Roeselare twee autowrakken kwam opkopen. Op een dag en hier bij ons, te Beernem nam hij staaltjes mee van Tanguy. In een frigobox. Tanguy had van zijn linker pink het derde kotje afgesneden en twee kleine potjes had hij gevuld. Het ene met bloed. Het andere met wat sperma. De kreupele zegt dat die garagist Vitali heette en dat die Vitali die frigobox moest afzetten in Popli, bij het dat Laboratorium, van Nikolaj en Aleksandr, van Valivov en Bazarov. Vitali moest dan wat geduld hebben. Hij ging zijn centen pas krijgen na dat bewuste telefoontje uit Popli. Da, da, yes, okay, da, da, just a simple clone, klonk het een week later in de oren van Tanguy en Vitali is dan weer afgekomen naar Beernem. Voor een envelope en hij moest rap weer weg. Naar Ledegem. Een Massey Ferguson voor een ponyboer ging hij laden. Ook een geaccidenteerde Touareg. Ja. De kreupele weet echt alles en hij lacht als hij zegt dat hij gisteren zijn schoenen kon afvegen aan een platgereden egel. Hier aan de oprit van onze Kliniek voor Zenuwziektes en Andere Nare Aandoeningen. Eén goede raad. Neen! Twee! Kom hier nooit en probeer geen handenstand tegen een regenboog. Mislukkingen zijn schering en inslag wanneer men de grenzen van het bestaan opzoekt. Je had zijn gezicht moeten zien. Groen was de blik van Tanguy toen hij die foto's kreeg uit het laboratorium. Er zat een korte brief bij van Aleskandr Bazarov. Een beter resultaat hadden ze niet kunnen bereiken. Het creatuur op de foto had dan wel die typische brede onderkin en nekkwabben van een walruskind, maar voor de rest leek het wezen meer op een reptiel. De kreupele beweert dat hij nog altijd copies heeft van die foto's. Hij zegt dat het schepsel veel weg had van een monster. Zoals er één afgebeeld staat op de cover van Vaarwel Krokodil, of de Prijslijst van het Hoerenkot. De kreupele pronkt graag met die prent. Je ziet op die afbeelding hoe een auteur zichzelf probeerde te tekenen. Het is ongewoon en misschien toch kenmerkend. Een schrijver met een parkerpen achter het oor, die zijn fluit in het luchtgat van een dolfijn met alligatorpoten steekt. Het resultaat van de poging tot klonen was dus monsterachtig. Dat was een dreun voor Tanguy. Eindelijk, en een week later heb ik beslist om hem defintief om te leggen. In de tussentijd zat de kreupele niet stil. Hij is immers een bedelziel die uit is op centen en centwafers. Hij weet dat er een markt is voor opvallende misbaksels uit Plopi en wie kent hem niet. Hans Hoerbon is een havik uit Baardegem die zijn trots verloor in de Westhoek. Hij heeft een fortuin vergaard op de rug van kinderen. Hondenworst voor kleuters. Koekjes. Megawendysuiker. Palmvet in kabouterdozen. Dat is samengevat het recept. Nog wat kreupel gezang erbij. Een gnomendansje. Honderd trapjes naar een troon in een pretpark en daar komt dat goed van pas, zo'n Monster uit Plopi. Dat lokt meer geld dan bijen. Vanzelfsprekend. De kreupele is leep. Aan mijn twee lezers hoef ik dat niet meer uit te leggen en de sleeppoot heeft ook meneer Couckcouck honger doen krijgen. Markus Couckcouck is een nog grotere geldzot dan die Hans. Hij denkt dat een Vlaming een stukje Brussel kan kopen. Bartje zou juichen. Markus is dwaas. En toch. Markus is rijk. Niet alleen dat. Markus is net als Tanguy, een walruskind met nekkwabben. Markus heeft ook een eigen dierentuin en wat wil elke zoo? Juist. Zottigheden. Beesten waarvan de mensen zeggen: Ziet da' nu. Zoiets brengt geld op en dan maken ze selfies. Kiekjes om losweg te verspreiden. Met een onderschrift dat leuk is zonder letters en de kreupele doet niets gratis. Hoerbon en Couckcouck moesten betalen. Op voorhand. Cash. Gewoon voor een adres.  Brasserie De Scheve Schuif. Plopi. Transnistrië. Zesduizend euro voor zes woorden waarvan één lidwoord. De datum was gratis en ze zaten op hetzelfde vliegtuig naar Tiraspol met tussenlanding te Volgograd. Markus en Hans, maar Markus heeft het meest geboden en het stond duidelijk op dat papier van die man in notarispak. Transportkosten inbegrepen. Maar de chauffeur heeft zijn bidon niet goed gespoeld. Elk wezen krijgt ooit dorst en AdBlue is vergif. Van dat goedje is niet veel nodig om een beest dood te krijgen. Dat brengt me trouwens op een idee. De kreupele moet ik ook nog om zeep helpen. Stoere gierigaards durven alles drinken.  AdBlue Curaçao. Volgende zomer. Met een papieren miniparasolletje. Met een schijfje troostcitroen en die tralala was niet eens nodig voor dat mislukt reptiel uit Plopi. Het stierf op een parking. Langs een autostrade in Roemenië. Waar niet eens verbrandingsovens zijn. Daar maken ze gewoon een put. Voor de doden. Voor de brol. Voor curosia uit Plopi. Voor de pech van Markus. Dag meneer Couckcouck. Geboren te Gent. Verkoper van voetbaltruitjes aan de poort van een zoo te Zottegem. Voorlopig nog. Want elke duikelaar krijgt ooit te veel lood in de schoenen. Ja. Hij weet het. Ook waarom hij geen strandstoel krijgt in Oostende en omdat het daar minder stinkt. Zit een deel van zijn geld onder de grond. Ergens in Roemenië. In een kuil. Niet eens halverwege, tussen Plopi en Wonderlecht.     uit de reeks 'Residu'  

Bernd Vanderbilt
35 1
Tip

Het is een soep

Exact op het moment dat de kerkklok halftwee luidt gaat de automatische deur open. Ik kom op bezoek. Als ouders niet meer thuis wonen, valt meteen het woord 'thuis' weg. Het woord 'bezoek' komt in de plaats. Zelf zegt ze na een wandeling of een koffie "Doe me maar naar huis." Of als we op bezoek komen terwijl ze naar een activiteit is, zegt ze achteraf: "Nee, ik was niet thuis." Rond dit uur zit ze meestal te knikkebollen. Na een eerste babbel zetten we de tv aan. Het is buiten te guur voor een wandeling. De nieuwslezeres geeft de samenvatting van enkele onheilspellende berichten. Met opnieuw heel wat cijfers en maatregelen. "Het is me toch wat, met dat dinges, wat zeggen ze er ook weer tegen?" Precies alsof ze het virus niet wil benoemen. Zoals in de boeken over Harry Potter, waarin ze de naam van de boosaard Voldemort niet durven uitspreken. Hij-Die-Niet-Genoemd-Mag-Worden, zeggen ze in de plaats. We kijken samen naar de kookzender. Het is ondertussen een gewoonte. De chef-kok zit aan zee. Hij kan het smakelijk vertellen. Toen we 's avonds nog gelijk naar Dagelijkse Kost konden kijken, zei ze altijd lachend "Maar we kunnen niet proeven hè Jeroen", als hij vertelde dat het lekker was. De tv-kok heeft in de haven zijn ingrediënten bij elkaar gevist. Thuis waren we vroeger geen grote viseters. Tenzij rolmops, kabeljauw en bakharing. Die brachten ze op woensdag soms mee van de markt. De geur van de bakharing bleef nog een tijdje in huis hangen. En het was uitkijken met de visgraten. Chef-kok Johan brengt ondertussen alles in gereedheid voor zijn vissoep. "Hij gaat soep maken", zeg ik. Maar haar ogen zijn niet op de tv gericht. "Ja, het is allemaal een soep", antwoordt ze. Er valt iets voor te zeggen.

Rudi Lavreysen
134 6

De onvoorspelbaarheid

Een vriend vertelt me over zijn oma. "Vroeger keek ze graag naar tennis op tv. Vooral naar de wedstrijden met Kim Clijsters. Het was Kim hier en Kim daar. Maar ze kon niet zo goed tegen de wedstrijdspanning. Het was nog in de tijd van de videorecorders. Ze nam de wedstrijden waarin Kim Clijsters meespeelde telkens op. Als de tennismatch gedaan was, keek ze op teletekst eerst naar de uitslag. Pas dan kon ze de wedstrijd volledig bekijken. Als ze wist of Kim Clijsters gewonnen had of niet. De spanning was eraf."  "In het weekend naar een voetbalmatch kijken waarin ik meespeelde vond ze ook moeilijk”, gaat hij verder. “Als ik op de grond lag na een sliding of een tackel zou ze het veld opgelopen zijn. En roepen dat ze deed. Zelfs als ik mezelf bezeerd had bij een slechte tackel", lacht hij. "Het is een schitterend verhaal", zeg ik. Het is de spanning van een spel. Niet iedereen is er voor in de wieg gelegd. Ik heb het nog altijd met de sportwedstrijden van de kinderen. Maar ook met spannende films. Zeker thuis. Dan loop ik om de haverklap naar de keuken, waar ik wat sta rond te draaien. Als een leghen die een plek zoekt om haar ei te leggen. Ik trek er de koelkast nog maar eens open. Of ik schenk mezelf een glas water in terwijl er nog eentje op de salontafel staat. In de bioscoop ligt het natuurlijk een stuk moeilijker om telkens naar buiten te lopen. En al zeker om daar achter de toog de ijskast te openen. Als de suspense in de bioscoop te erg wordt, sluit ik mijn ogen tot het spannend stuk voorbij is. Het is de onvoorspelbaarheid. Niet weten waar het allemaal naartoe gaat. Eigenlijk weet je het nooit. 

Rudi Lavreysen
8 0

De weegschaal

Het fragment is hier niet verder dan de socialemediakanalen geraakt. Een Nederlands parlementslid haalde onlangs vanop de politieke banken in het Binnenhof een citaat van Willem Elsschot aan, meer bepaald uit het gedicht Het huwelijk. Maar de context zat niethelemaal juist. Een collega verbeterde hem op magistrale wijze. Tot verbazing van de eerste. We zijn het hier niet gewoon. Nochtans is Elsschot onze nationale literaire trots. Als u het mij vraagt, tenminste. Mij schoot een stukje uit het gedicht te binnen toen ik bij de dokter op de weegschaal stond en we allemaal de slappe lach kregen. “Weemoedigheid die niemand kan verklaren”, zo luidt het zinnetje dat bij me opkwam. Het volgt op de beroemde woorden die de Nederlandse politicus aanhaalde: “Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren.”Maar laat me u uitleggen waarom ik aan de woorden dacht bij onze huisdokter, meer bepaald op haar weegschaal. Vader had het trouwens altijd over een bascule. Een uit het Frans geleend correct Nederlands woord, maar je hoort het nog zelden. Mijn vrouw en ik hebben de gewoonte om samen naar de dokter te gaan voor een medische check-up. We kunnen de kwaaltjes voorlopig nog binnen de perken houden, maar ik worstel al een tijdje met de cijfers die 's morgens vroeg op de weegschaal verschijnen. 's Avonds begin ik er niet aan, of ik lig de hele nacht te woelen. Mijn bibliotheek is ondertussen de trotse (als je het zo mag noemen) eigenaar van enkele dieetboeken, al komen komen ze literair gezien niet tot aan de enkels van Willem Elsschot, laat staan dat ze de cijfers op de weegschaal doen zakken. Maar ik sta daar dus op de weegschaal en alles wat er op het display verschijnt is het woord error. Tot driemaal toe. “Voilà, het is zover”, zeg ik. “De weegschaal is kapot. Ze kan het niet aan.” Onze huisdokter, die ons zeer genegen is, krijgt de slappe lach. Net als mijn vrouw. Zelf begin ik ook te schuddebuiken van het lachen. Afijn, u kan er zich iets bij voorstellen. Voor onze dokter zit er niets anders op dan in het kabinet een andere grote weegschaal tevoorschijn te toveren die de cijfers wel kan verdragen. Het is er eentje op wieltjes. Ik kan me de blikken van de andere personen in de wachtzaal al voor de geest halen terwijl ze de grinnikende dokter met de weegschaal op wieltjes zien voorbij komen. Terwijl ik daar dus sta, valt me het zinnetje van Elsschot te binnen. “Weemoedigheid die niemand kan verklaren.” Hier gaan we nog ooit mee lachen, dacht ik. Op de een of andere manier werd ik er zelfs wat weemoedig van. Verklaren kan ik het niet. Maar dat moetwellicht ook niet.

Rudi Lavreysen
2 0

Gele limonade en spa bruis

“Thuis hadden we vroeger alleen gele limonade en spa bruis. En tafelbier. Cola kwam pas later. Toen we erover bleven zagen.” Ik vertelde het thuis aan mijn vrouw nadat ik van de drankenhandel terugkwam. Ze had me gevraagd om enkele flesjes Perrier mee te brengen. Maar ik kon ze niet vinden en ik was al enkele keren op goed geluk met een lege winkelkar de winkel rondgereden. Zoals een wielertoerist die de weg kwijt is, want ik kon niet meer op de naam van het Franse bruiswater komen. Voor de man aan de kassa was het duidelijk dat ik niet vond wat ik zocht. “Wat zoekt ge?”, vroeg hij toen ik er opnieuw passeerde. “Tja, het klinkt onnozel, maar ik kan niet op de naam komen van hetgeen ik moet meebrengen”, zei ik. “Het is iets Frans.” Man, veel onnozeler kan je het niet zeggen, besefte ik meteen. Iets Frans. “Frans bier? Of Franse wijn?” “Nee, Frans water. Sorry, dat had ik niet gezegd.” “Ah, Evian natuurlijk”, zei de man met kennis van zaken, maar dat was het niet. “Het zijn groene flesjes. Bolvormige flesjes.” “Ah, Perrier. Nee sorry, dat hebben we niet”, zei de man. “Maar lust ge dan geen spa bruis?”, vroeg hij meteen daarop. “Jawel, maar het is niet voor mezelf. Perrier is best lekker.” Het was bijna een vraag zoals naar een kind dat zijn groenten niet opeet. “Denk je dat snoep gezonder is?” In de supermarkt hadden ze het Franse bruiswater gelukkig wel, zodat ik het gevraagde bij me had. Ik vertelde mijn vrouw het hele verhaal. Gevolgd door “thuis hadden we vroeger alleen gele limonade en spa bruis. En tafelbier. Cola kwam pas later. Toen we erover bleven zagen.” Het werd bovendien allemaal aan huis geleverd door de brouwer, maar dat zei ik niet.

Rudi Lavreysen
36 1

Banaan in m'n oor

De telefoon gaat. Mijn vriend gebaart nog dat ik niet moet opnemen hier, maar nieuwsgierig dat ik ben.... ‘Mevrouw, u spreekt met Michiel Jacobs van Energierijk Nederland. Bel ik gelegen?’  ‘Nou, ik ben eigenlijk in de dierentuin’, zeg ik naar waarheid.  ‘Dan heb ik een mooie aanbieding voor u.’ De logica ontgaat mij. 'Wanneer bent u voor het laatst overgestapt?'  ‘Meneer, ik ben toevallig vorige week nog overgestapt’, galm ik inmiddels, maar wel weer naar waarheid, door de nachtverblijven van de Bonobo Experience die, tussen haakjes, te bezichtigen zijn tot de echte bewoners komen in oktober. Mensen staren geërgerd naar mij en mijn dominante mobiele stoorzender. Mijn vriend heeft zich inmiddels van mij gedistantieerd door in de kooi ernaast te gaan staan alsof hij tot een andere primaat hoort. ‘Ik heb een goeie reden waarom u weer kunt overstappen.’, babbelt Michiel energiek verder. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is om wekelijks over te stappen. ‘Meneer, ik heb geen interesse én geen tijd’, maar aan de andere kant van de lijn kakelt Michiel onophoudelijk door. Wat ik zeg doet er niet toe. Brutale aap. Midden in zijn geratel hang ik plotseling op. Dat heb ik nooit eerder bij een telemarketeer gedaan, maar Michiel was mij teveel op dreef en ik voel me aardig door hem voor aap gezet. Ineens realiseer ik me dat, hoewel het bonoboverblijf nog niet officieel geopend en in gebruik is, de eerste in zijn soort blijkbaar al gearriveerd is.

Annemagenta
10 0

Op afstand

"Je weet achteraf nooit hoe je droom begon", hoorde ik een personage in een film zeggen. Het klopt. Je herinnert je alleen een gedeelte bij het wakker worden. Vervolgens zeg je tegen de persoon die naast je ligt, of tegen jezelf: "Wat een rare droom." Zo droomde ik onlangs dat Frank Deboosere naast ons bed stond. Al kon het geen droom zijn, want ik lag amper in bed en was klaarwakker. Toch dacht ik: "Ik droom." "Hoor jij dat ook?", zei ik tegen mijn vrouw. "Frank Deboosere is hier." Ik dacht dat ze ging zeggen: "Vraag eens wat voor weer het morgen wordt, dan weet ik wat aandoen", maar ze sliep rustig verder. Ik wist snel wat er scheelde. De tv was aangesprongen. We hebben een nieuwe Digibox, met natuurlijk een aparte afstandsbediening. Als ik de tv uitzet, en niet de Digibox, springt de tv soms terug aan. Ik kan het niet verklaren, maar het gebeurt. Het is me wat met die afstandsbedieningen. Onze buurvrouw Lisette kan erover meespreken. Naast het kastje van de tv, de Digibox, de tuner, de radio en de thermostaat lag een nieuwe afstandsbediening, maar dat had ze niet gezien. Het lag op de plaats waar normaal dat van de tv lag. Ze drukte blindelings op de aan/uit knop, maar er gebeurde niets. Al meende ze een gezoem te horen. Ze drukte nog een paar keer, maar niets. Plots ging de bel. Het was overbuurman Jos. "Lisette, ik denk dat je een kortsluiting hebt", zei hij. "Inderdaad, de tv doet het niet", antwoordde ze. "En jullie garagepoort blijft maar open en dicht gaan”, zei Jos. "Oei, daar moet ik Frank naar laten kijken. Merci Jos". En ze duwde de deur dicht. "Frank, nondedju”, vloekte ze. “Gij met uw automatische garagepoort. Al die stomme kastjes ook.”  

Rudi Lavreysen
22 0

De onderliggende aandoening

Onze Westerse cultuur en onze ‘plastic way of thinking’ hebben ons ver verwijderd van wie we ooit waren. Ooit waren we oersterk. Toen we nog oermens heetten. In die tijd bulkten we van de energie en gold het recht van de sterkste. Met gemak renden we een kilometertje of twintig om een wild dier de kop af te rukken, om het vervolgens met blote hand te villen en in stukken te verdelen onder onze dierbaren. De onzen beschermden we letterlijk met hand en tand. Eenvoud vierde hoogtij. Het was over het algemeen ook duidelijk wie onze vijanden waren. De natuur omvatte alles. Het was onze religie, onze leermeester, onze toevlucht, onze vijand, onze vriend en ons genot. Van intuïtie hadden we nog nooit gehoord. Alles was basic instinct. We waren één met de natuur. Anno 2020 zijn we beschaafd. We hebben de natuur niet meer zo nodig. De god van de donder heeft plaatsgemaakt voor de adonissen van de wetenschap. Van verwilderde krachtpatsers zijn we geëvolueerd naar intelligente en geciviliseerde wezens.  Ranzige Van Ranstjes vertellen ons nu wie de vijand is en hoe wij ons moeten beschermen. Sensationele nieuwsuitzendingen kwaken over hoe we moeten omgaan met onze nieuwe vijand, Covid 19. Van honderdvijftig centimeter afstand tot het muilkorven van onze kinderen. Pootjes wassen en ontsmettingsmiddel op je pollen! Hier en daar wat getinte codes van geel, oranje tot rood. Doe mij maar code wit! Géén enkele viroloog vertelt iets zinnigs over dat minuscule monster. Omdat ze het niet weten. Ze weten niks en vertellen niks. Als je onderliggende aandoeningen hebt kan Covid 19 fatale gevolgen hebben. Daar moeten we het mee doen.  Moeder natuur daarentegen wordt genegeerd. Maar zij staat wel met uitstrekte hand te smeken om hulp te bieden. Ze brult het uit dat we moeten stoppen met de lucht te vervuilen en ons eten te vergiftigen. Ze kijkt verdrietig toe hoe we toelaten om onder ongezonde werkdruk te functioneren. Ze schudt het hoofd als ze ziet hoe we onze kinderen en onszelf vergiftigen en versuikeren met alcohol, vet en frisdrank. Om nog maar te zwijgen over de tonnen bewaarmiddelen en kleurstoffen om ons happy te houden met mooi voedsel. Ze smeekt ons om onze verkankerde, suikerzieke wereld te veranderen.  Ze dringt aan om te stoppen met over-cultivatie, en om te stoppen met stressen over niks. Ze vraagt ons waarom we in 24u activiteiten willen proppen die een normaal mens 48u kosten. Ze kijkt zorgelijk naar uitgeputte kinderen die irreëel zware lasten op hun schoudertjes moeten dragen. De lat ligt hoog. Messi en Rihanna van Instagram zijn hun rolmodellen.  Meewarig kijkt moeder natuur naar de eindeloze bucketlists die nog afgewerkt moeten worden. Wat een druk. En dan horen we van de ‘ranzige Van ranstjes’ dat Covid 19 gevaarlijk is voor mensen met onderliggende aandoeningen. Is onze verziekte maatschappij niet onze onderliggende aandoening? Daar wordt in alle talen over gezwegen. Wanneer horen we iets over het versterken van onze immuniteit? Over het verlagen van onze stresslevels? Over het leren omgaan met onze emoties, gezonde voeding en lichaamsbeweging? Nee, niet je half dood fietsen of marathons willen lopen omdat je persé je grenzen moet verleggen…  Oh ja, er is een kentering. En gelukkig zijn meer en meer mensen bewust aan het worden. Maar de bewustwording is er één van keiharde realiteit. Wetende dat we enkel met verenigde krachten en niet met verkrachte eenden, het schip kunnen draaien. Enkel dan maken we een kans om terug oersterk te worden.

Heidi Schoefs
20 1

Nog niet gedaan

Het gebeurt dat ik deze vraag voorgeschoteld krijg: "Wanneer schrijf je over mij een stukje?" Ik herinner me een keer op een feest. Een 50-jarig huwelijk was het. Een verre neef die naast me zat schreeuwde het in mijn oor. De muziek stond luid en de man had al enkele glazen bier achter de kiezen. Eerst verstond ik niet goed wat hij zei. Het woord 'stukje' had ik begrepen, maar omdat hij met een stukje puddingtaart in zijn handen zat, dacht ik dat hij vroeg of ik een 'stukje' taart moest hebben. Ik schudde van 'nee'. Door zijn geschreeuw waren er al enkele kruimels puddingtaart in mijn oor beland. Toen hij met zijn andere hand deed alsof hij iets opschreef, begreep ik pas wat zijn vraag was. "Oh", lachte ik, de kruimels uit mijn oor wrijvend. "Een stukje schrijven. Ja, als ik geen inspiratie heb." Bij deze dus. Nee, de vraag stellen is toch een beetje zoals de zanger die op een feest zijn eigen plaat als verzoeknummer bij de DJ aanvraagt. Al vroeg onze oudste onlangs iets soortgelijks. "Wanneer komen wij er nog eens in?" Tja, anekdotes of gebeurtenissen zijn er in overvloed. Of zelfs gewone zinnen. Zoals deze die hij al uitsprak toen hij nog klein was en aan de eettafel dringend naar het ‘potje’ moest. “Ik heb nog niet gedaan hè”, zei hij dan telkens. Als schrik dat we zijn bord met eten zouden wegdoen. De uitspraak is al die jaren blijven hangen. Als de druk te hoog wordt, belandt het twintig jaar later nog altijd op de eettafel. “Ik heb nog niet gedaan hè.” Het is een zin zoals die in veel huiskamers te horen is. Een inside joke. Een familiegrap. Maar deze staat bij mijn favorieten. In meerdere betekenissen. Nee jongen, doe zo maar verder.  

Rudi Lavreysen
28 0

De Provence

Het is een bloedhete dag. Zo eentje waarvan ze in de krant en op tv zeggen dat je dan veel moet drinken, al vermelden ze er meestal niet bij wat. Maar de kans is groot dat ze water bedoelen. Als het over onze gezondheid gaat, zijn we zeer volgzame mensen. Daarom begeven we ons naar die gezellige zaak met de Parijse terrastafeltjes. De bomen van het plein en de passerende auto's zorgen voor een aangenaam briesje. "Dat is lang geleden", zegt iemand terwijl we ons neerzetten. Het is een buurvrouw van vroeger. Ze zit met haar man aan het tafeltje naast ons. Ze wist doorgaans beter wat er zich rond het huis afspeelde dan wijzelf. "Zeg, maar gij staat precies ook op een goei wei." Ik tover een schaapachtig lachje tevoorschijn en geef een cliché antwoord. Dat het allemaal zo lekker maar niet moet zijn enzoverder. "Ik weet dat het niet slecht bedoeld is, maar het zijn toch vooral dieren die op een wei staan", fluister ik tegen mijn vrouw. Terwijl ik in een notitieboekje iets opschrijf dat in me opkomt, voel ik dat dezelfde buurvrouw opnieuw naar me kijkt. "Toch straf hè, zo met zijne linkse poot." Ze zegt het vrij luid tegen haar man, die zelf nog geen woord gezegd heeft. Het halve terras heeft het gehoord en kijkt naar mijn handen. "Ik zou het niet kunnen", vervolgt ze. Opnieuw heb ik een braaf antwoord klaar over mijn linkshandigheid. Dat ik rechts niets kan enzovoort. "Eerst sta ik op een wei, nu heb ik geen handen maar poten", fluister ik. "Ik ben toch niet aan het transformeren in een dier?" Ik bekijk mezelf zoals het hoofdpersonage uit het boek 'De gedaanteverwisseling' van Kafka, die 's morgens ontdekte dat hij een kever was geworden."Dat is toch een beetje bij de beesten af, vind je niet?", zeg ik tegen mijn vrouw. "Wat wel klopt is dat mijn geschrift bijna onleesbaar is. Het zijn overduidelijk hanenpoten." "Mensen kijken toch altijd op als er iemand links schrijft", zegt ze. "Bedoel je zoals naar een kermisattractie van vroeger? Een curiosum. Zoals een vrouw met een baard of een man met schubben." "Nee, zo erg is het nu ook weer niet", antwoordt ze. Maar het klopt ergens wel. Ik was meestal de enige in de klas die links schreef. Veel linksvoetige voetballers waren er niet bij de club. Oud-president Obama is ook bij de club van de linkshandigen. Het valt bij iedereen op als je hem met zijn linkerhand een document ziet ondertekenen. "Wist je trouwens dat er mensen zijn met een angst voor linkshandigen? Sinistrofobie heet dat. Sinister had in het Latijn niet alleen de betekenis van onheilspellend, maar ook van links. Als priesters of geleerden voorspellingen deden, was hun blik naar het noorden gericht. Zo hadden ze het gelukbrengende oosten aan hun rechterkant. De linkerzijde werd dus als ongunstig of onheilspellend beschouwd. Het woord sinister kennen we nog altijd en misschien is er daarom die rare kijk naar linkshandigen. Ook 'slinks' is ervan afgeleid." Ik zie dat mijn vrouw maar met een half oor naar mijn verhaal luistert. Wellicht heb ik het al ooit verteld. "Het is hier met die stralende dagen tegenwoordig net de Provence", zegt een kennis die zich aan het tafeltje achter ons zet. We kijken naar het plein dat inderdaad Frans aanvoelt. "Klopt, nog een paar oudere heren aan een petanquebaan en het plaatje is compleet', zeg ik. "De Parijse terrastafels hebben we ook al." "Onze consumpties zijn precies verdampt. Misschien moeten we nog iets bestellen?" "Doe dat", zegt mijn vrouw. "Monsieur", zeg ik tegen de passerende patron.

Rudi Lavreysen
45 0