Zoeken

Een eland at mijn oog

  als ik hier lig door koude doodgevroren in het gras peul dan mijn oog niet uit   wie echt wil zien waarvan ik zomaar durf te houden kijkt beter scheef vooruit   ik weet niet of het kan misschien onder gebroken glas de scherven zijn niet dom   je blik sprak vele delen zonder boek noch lood voor een verloren ruit   daar in het achterland heb ik ooit eens gewacht op lente en een sprookje   een eland sprak tot mij hij vroeg waarvoor ik vocht is er een spook of specht   die in je dromen durft verschijnen daar probeert bedaardheid te verstoren   het ligt gewoon aan mij die aard van mijn bestaan is zoveel anders dan gedacht   mijn binnenkant ze is nu eenmaal schots en scheef ik leef gelijk verloren   die eland met zijn edelsnoet hij ademde tevredenheid zo warm een dier kan zijn   hij schonk mij daarna alles wintervacht en kennis van een lange levenstocht   maar goed ik ben eenmaal zwak te week verging bijna de dood had mij in pand   ik kan niet meer ik wil niet meer proberen echt mijn kaars is opgebrand   de strijd is lang gestreden vermijden kan in niet de eindstreep ligt er al   ik woon hier onder sneeuw dat zijn de kalme woorden van een loom gevoel   het is al zo erg lang dat ik het ijs hier streel er kwam geen lieve dief   die al mijn restjes wilde geen dapper mesje kwam er uit de hemel neergevallen   ik lig hier vanaf ooit tussen begin en eind al sinds de middeleeuwen   doch helaas bijna nooit heb ik een vin verroert de vis in mij is lam   de kreek vlakbij bevroor toen zij mijn ziel bekeek over mijn lot vernam   geen druppel die gelooft dat ik nog leven zal ik ben een droef geval   de wereld is mij kwijt ik ben gewoon die wees die wil dat men vergeet   hoe ik zowaar bestond als water zonder bron peul mij dat oog niet uit   ik heb te veel beleefd de leek kent geen detail geen inzicht dat iets heeft   aan mij noch dit relaas ik ben een haas konijn dat alle holen kent   ik ben te veel verwend zo weet de ondergang de zon die is van mij   wacht nooit zomaar op haar ze is zo donkerzwart die moedeloze duisternis   tussen haar oren wil de kille nacht die echo mijn herinneringen nooit meer horen niets nog zien     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
1 0

Sukkelkind

  Is it a masked singer? Zit er hier in het publiek een wandelende tak uit Engeland met rechterstuur die rare vragen stelt en daarna volgt een blik tomatensoep. Gooi maar. Allicht omdat het nog methaangassen verspeidt, dat lijk daar op zijn stoeltje. It stinks like hell! Dat roept een kieken uit Kentucky. Bedaart en steekt nog even weg die zwaarden. In een microfoon wordt ook gevraagd wie allemaal een lotje heeft gekocht. Nummertje elf is niet gewonnen door de fee. Ook niet door ene broze vlinder. Het is zowaar een specht. Wat zal het beestje doen? Hem gaten boren in de kop? Het vliegt, het landt naast hem Meneer de Clown, vandaag verkleed als toverbeul. Steek hem maar in zijn zwarte kist, de zwaarden passen in die gleuven. Daarna opnieuw die goochelspreuk. Twee barsten in de lucht. Een breuk in het heelal. Niets van dit alles. Kijk omhoog. Droog je tranen, sukkelkind, manke Pierrot en word misschien eens wakker. Voel dat alles écht gebleven is en niets voorbij. De film van Ome Willem heeft nog nooit een kleutertje gered. Oké. Meneer de Uil is deze nacht wel los geraakt. Hij heeft mijn sleutelbeen verlaten, zit nu op de rand van mijn bestaan. Het zal nooit overgaan. Ik lees dat in zijn ogen. Het heeft gewoon niet mogen zijn. Mijn hoofdkussen is platgeslapen, ergert zich al lang niet meer aan al die klanken die ‘s nachts uit mijn oren kruipen, aan die adem van die wrede dagen. Zolang ze maar niet pogen op te staan. Die blinde hoop. Dat zwik. Die stapel uitgeknipte dwergsoldaten. Allemaal voor hem, Meneer de Hottentot. Ik zie hem straks achter de tent. Daar in ons frietkot en Alfred heeft speciaal voor hem een stoel met lange poten neergezet. Aan het buffet. Daar waar een grijze man zijn bier halfweg de dood toewenst. Zijn naam is Lazarus.     tiende en laatste deel van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Firwat

  Alles geschiedt op dat podium. In de tent der duisternis waarin alles galmt en achter dit hoekje altijd diezelfde schelm weer gal overgeeft. Er zit een deuk in zijn hoed. Snot hangt aan zijn rechter revers en hij kondigt het nu ook echt aan de circusdirecteur. De vrouw met plastiek pop wordt ook ter tonele geroepen. Er wordt een stoeltje bijgezet. Ook een voetbadje. Het wordt gevuld met witte wijn terwijl zij daar al zit, de pop met één arm in een kramp vasthoudt en zie hoe zij wuift. Met de andere, de rechterarm, die hand die de ajuinen sneed. Naar de goegemeente. Als een dom, mallotig lam. Haar knieën tikken tegen elkaar alsof ze spanning lekker vinden. Gaan er druivenbladeren groeien. Is dit een ritueel waarmee zij uit haar kot gelokt zal worden. De zomerzon. De stem van vuil verleden schraapt zich nu nog niet. Het is de Hottentot. Hij weet het. Er zal allicht gezongen worden. Nadat de troubadour straks met zijn stokken heeft geslaan. Gewoon. Tegen elkaar en dan zal de ijzervogel eerst zijn deuntje doen. Goed en wat daarna. Nog meer prelude. Voor de spanning. Voor elk puntje van de stoel. Voor de twijfelaar die nog geen lotje kocht. Tot het kind terugkeert van het kraam met zwarte suikerspin. Firwat is Luxemburgs en ik weet het ook niet, waarom dit zo lang duren moet. Het voetbadje van de mevrouw, het moedertje met kunststof poppetje. Er is een spot die dat belicht en kijk, het kuipje wordt gevoeld met Sauvignon van Echternach. Firwat. Zal er een rank groeien rond haar benen, romp en hoofd. Zijn er trossen vol geluk en blauwe gloed op komst. Moet zij ook wat groen dragen omdat Vadertje Kadavertje zijn mos heeft meegebracht. Klimop groeit uit zijn linkeroor. Hij lacht zowaar. Misschien is hij wel blij dat ze weer zijn bijeengebracht. Het is een duo dat een koppel was. Een stel dat al het vel van mijn nog jonge ziel zo rekken deed. Gesleurd, getrokken werd er aan het beeld van argeloos bestaan dat ik toen had. Met hun onfrisse handen was het. Vier. Door hun doen. Kreeg ik die vuile vlekken op dit lijkgewaad. Dat van mijn kindertijd.     deel 6 van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0