Zoeken

Zigi

Twee weken later besliste ik om er tussenuit te gaan. Ik sprak af met Mattia dat hij gewoon zou doorwerken aan de boerderij, die ik nog steeds mijn ruïne noemde ook al leek die ondertussen met dat nieuwe dak en die herstelde muren al op een gewone boerderij in aanbouw. De dag erna nam ik het vliegtuig en vloog van Italië naar Roemenië. Mijn moeder had tijdens haar leven altijd gezegd dat ik zigeunerbloed in de aderen had. Ik was afgestaan na geboorte en zij en haar papa hadden haar als baby’tje geadopteerd zonder veel van me te weten. De nonnen duwden me gewoon in hun handen en dat was het eigenlijk. Deze baby was voor hun. Geen andere. Trek uw plan. Maar ook al wisten ze niets van me, toch beschouwden ze me als hun kleine zigeuner, hun kleine Zigi. Later namen ook mijn vrienden die koosnaam over. Misschien dat ik in het zigeunerland bij uitstek, Roemenië, iets van mezelf zou kunnen terugvinden. Dat ik er iets van herkenning zou kunnen voelen, maar ik landde in Boekarest, huurde er een auto en trok zes weken rond zonder iets van mezelf te herkennen. Uiteindelijk kwam ik tot de vaststelling dat het me eigenlijk te weinig kon schelen of ik effectief zigeunerbloed had.  Ik reed urenlang door bossen en bergen, helemaal tot aan de Moldavische en Oekraïense grens en terug, en zag veel armoede in de dorpjes. Ik overnachtte in jagershutten en blokhutten, in een tent naast de auto of in een occasioneel guesthouse, maar het kon me niet behagen. Het deed me te weinig.  Slechts eenmaal werd ik geraakt en bleef ik ook drie nachten in hetzelfde stadje. En dat had alles te maken met Ionuţ, het kleine jongetje van zes dat ongegeneerd door zijn moeder ingeschakeld werd om de gasten te bedienen. Vanuit de keuken riep de moeder luid zijn naam en het jongetje schoot haastig langs de tafeltjes heen, stootte ondertussen een stoel om, twijfelde even of hij die nu eerst moest oprapen en dan naar zijn mama moest lopen, of dat hij eerst naar zijn mama moest. In dat moment had ik de stoel al opgeraapt en draaide hij zich weer snel om. Even later kwam hij met een volle plateau voorzichtig aangestapt. Hij had een voorschoot aangebonden gekregen die tot over zijn knieën kwam en hem zichtbaar hinderde. Er stond een kostuumpje op afgebeeld waardoor het leek alsof hij ook effectief een strikje en een gilet aan had. Hij keek voortdurend naar wat er op zijn plateau stond. De koffie klotste een beetje over de rand en dat stelde hem zichtbaar teleur. Hij zette de plateau op mijn tafeltje en ik liet hem er een voor een alles vanaf zetten, dat deed hij weer extreem voorzichtig en bedachtzaam. Een mok koffie, brood, boter, een potje confituur, een bordje met een spiegelei en een kommetje romige mămăligă, een soort van pap die blijkbaar typisch was voor de streek. Na mij serveerde hij de andere gasten, een Duits koppel dat aan het raam zat. Zowel de man als de vrouw waren ongezond dik en spraken over hoe ongehoord was om zo’n klein kind aan het werk te zetten alsof niemand hen kon verstaan. Maar hij was wel schattig, zei de vrouw. Natuurlijk was hij schattig antwoordde de man, alle kleine kinderen zijn schattig. Daarna wenkte hij Ionuţ met een kort handgebaar en wees naar zijn eitje. Hij had er twee besteld, zei hij, en hij stak twee vingers in de lucht. Zwei, verstehen Sie, zwei, nicht eins. Ionuţ schoot naar de keuken en hield de hele tijd zijn twee vingers omhoog. Ik dacht dat hij het niet begrepen zou hebben, maar hij was blijkbaar meer bijdehand dan ik dacht, want het duurde niet lang of er kwam nog een eitje op een plateau aan. Na het ontbijt had hij vrij gekregen en stond hij met een grote bal op de binnenkoer. Er hing een basketring op een vrij lage hoogte waar hij de bal in probeerde te mikken.  Ik klapte in mijn handen en hij gooide me de bal toe. Samen speelden we basket waarbij hij me voortdurend voorbij probeerde te dribbelen, ook al was de bal eigenlijk iets te slap opgepompt om deftig te kunnen botsen. Hij glom van trots als dat ook effectief lukte en hij sprong in de lucht, klapte in zijn handjes en lachte aanstekelijk als één van ons in de ring wierp. Na een half uurtje riep zijn moeder zijn naam. Onmiddellijk onderbrak hij zijn spel. Met de bal onder zijn arm verdween hij naar binnen. De tweede en de derde ochtend herhaalde zich dat tafereel. Toen zijn moeder hem riep op de derde dag en hij de bal opraapte om naar binnen te gaan, riep ik ook zijn naam. Hij verstijfde. Het briefje van 200 lei dat ik hem wilde geven bekeek hij alsof hij niet wist wat het was. Ik wees naar hem om hem duidelijk te maken dat het geld voor hem was, maar nog nam hij het niet aan. Hij keek er alleen maar naar. Zijn moeder riep nog eens maar dwingender zijn naam en verscheen in de deuropening. Ionuţ liep snel naar binnen. Ik stapte op de moeder af en bood haar het geld aan en wees naar haar zoontje. “Voor een nieuwe bal,” zei ik in het Frans. Met een kort gebaar nam ze het aan en stak ze het in de zak van haar vest. “Merci,” was alles wat ze zei en ze blafte Ionuţ iets toe waarop het jongetje nogal schaapachtig “multumesc” zei. Daarmee was voor haar de kous af en ze draaide zich met de rug naar me toe. Ze duwde Ionuţ voor zich uit, verder naar binnen. Die middag vertrok ik en zag ik hoe Ionuţ ook werd ingeschakeld bij het poetsen van de kamers. Hij trok het bed af in de kamer naast me, waar het Duitse koppel had gelegen. De lege bierblikken lagen overal half bijeengeknepen, een lege fles wijn stond op het nachtkastje en er lagen pizzadozen op het kamerbreed tapijt. Ik miste het kind nu al en had hem het liefst met me mee genomen, maar dat ging nu eenmaal niet. Met hem voelde ik me wel verbonden, met de rest van de Roemenen niet echt. Misschien waren mijn verwachtingen ook wel te hoog geweest omdat mijn ouders en mijn vrienden me liefhebbend hun zigeuner genoemd hadden. Of ik echt verwant was aan zigeuners of Roemenen was ten zeerste de vraag, want afgaand op mijn uiterlijk kon ik evengoed van Marokkaanse afkomst zijn, wie weet Grieks, Turks of Tunesisch of Spaans of ja, Italiaans. Mijn huid was getint en mijn haar ravenzwart, mijn ogen donker donkerbruin, als diepe poelen. Ik was een zuiders type, dat was zeker, maar het zuiden was groot. Al de tijd dat ik rondtrok in Roemenië miste ik mijn Italiaanse stadje aan de kust. Toch vloog ik na de zes weken eerst terug naar België.

Hans Van Ham
27 0

OUD / JONG

Het was een ochtend met veel verbeterwerk die naadloos overging in een te snelle lunch. Het was zo’n dag waarop de uren voorbijvlogen als water in een wildwaterbaan: te snel om vast te houden en te wild om richting te geven. Nog een kwartier en dan moest ik voor de klas staan. Ik keek nog even mijn werkmail na en vond er alleen neerslachtigheid, mijn eten kwam in het verkeerde keelgat. Ik raapte mijn moed van de grond en liep naar mijn klaslokaal. Na de les vocht ik voor mijn leven al fietsend op de Turnhoutsebaan. Toen ik thuiskwam, had ik geen zin om nog te gaan sporten, maar de ervaring heeft me geleerd dat dat net is wat je wél moet doen. Met een zwaar hoofd vertrok ik naar de fitness. Ondertussen ga ik al drie jaar naar deze club. Het is een echte familieclub, de gemiddelde leeftijd is 70 jaar. Het betekent dat je in de kleedkamer enkel gesprekken hoort over goedkope vliegreizen naar Benidorm, den Antwerp of vieze kwaaltjes en hun complementaire medicijnen, maar het staat ook garant voor minder volk en een kalme sfeer. Zeker ’s avonds. Ik voel me er altijd heel jong, alsof mijn hele leven nog voor mij ligt, terwijl ik ook wel beter weet. ‘De douche is lekker warm’, zegt de man die nog op dit late uur met mij de kleedkamer deelt. Hij ziet eruit als een kleine tarzan: stevig gebouwd, lang haar tot over zijn schouders, dikke donkere wenkbrauwen en diepgroene ogen. Rond zijn hals draagt hij twee of drie kettinkjes, in elk oor twee ringetjes. Zijn lichaamsbeharing zal ik waarschijnlijk nooit evenaren, net als zijn atletische bouw, zeker gezien zijn leeftijd, die ik ergens rond de zestig schat. Ik bedank hem voor zijn enthousiasmerende opmerking en hang mijn handdoek aan het haakje. Hij doet me denken aan Eddie Vedder, maar die gedachte spreek ik niet uit. ‘Als het te warm is, kan je in de houten kast hiernaast aan die linkse knop draaien’ geeft hij nog mee, en hij gebruikt het puntje van zijn handdoek om het water uit zijn oren te krijgen. Deze mededeling, verpakt als praktische waarschuwing, siert hem. Dat hij terugkomt op zijn woorden en even in beschouwing neemt dat ik misschien helemaal niet hou van een te hete douche. Het zijn vaak de kleine dingen die iemand sieren. ‘Een douche kan niet warm genoeg zijn voor mij’, antwoord ik hem. We oefenen ons een halve minuut in smalltalk waarbij we elkaar aanmoedigen om koudere douches te nemen. En dat allemaal in ons nakie. Mijn lijf voelt al wat lichter na de training, alsof iemand een jas van pek van mijn schouders heeft getild. Ik douch heet en snel. Vroeger kon ik een half uur onder de douche staan, maar in de fitness ben ik er in een wip weer uit. Het feit dat iedereen er zijn douche neemt helpt daarbij wel. Soms hoor ik mannen rochelen of slijmen ophoesten of zie ik iemands schimmelige voeten. Voeten komen echt in alle vormen en kleuren, dat besef ik goed sinds een jaar of drie. Met nog twintig minuten tot sluiting besluit ik toch even in de sauna te gaan, enerzijds omdat die nog aanstaat, maar meer omdat de pek wel van mijn lichaam is, maar mijn hoofd voelt nog stroperig. Ik hoop dat de sauna hier verandering in kan brengen. De temperatuur is een negentig graden en ik zet me tegen het hete hout. De geur van eucalyptus zoekt zich agressief een weg in mijn neusgaten en de dampen lijken in een flits mijn hersenpan te hebben bereikt, ik voel hoe ze een wolk maken in mijn hoofd. Nadat de zwaarte mijn lichaam heeft verlaten, is het nu de beurt aan mijn geest. Mijn gedachten verdampen in de hitte zoals ook de druppels op mijn armen verdwijnen, ze worden opgeslokt in de ruimte. Het is alsof mijn hoofd een kookpot is met een deksel en daaronder een vergiet, en wanneer het deksel eindelijk opzij schuift, verdampen alle zorgen en mijn echte gedachten, die eronder verstopt zaten, krijgen de lucht die nodig was. Onder die hoop zorgen zit altijd een nieuw inzicht, een kritische zelfreflectie of een portie verstilling. Terwijl ik stilaan bevrijd word van de pek die bovenop mijn hersenen is gaan kleven, denk ik na over deze dag. Deze ochtend voelde ik me oud, want sinds enige tijd zijn mijn cursisten (veel) jonger dan ik. Wanneer ik de lijst in het systeem check nog voordat ik deze mensen heb aanschouwd, situeren de geboortedata zich meestal van de jaren negentig tot tweeduizend, met hier en daar een uitschieter van een man of vrouw die mijn vader, moeder of zelfs grootouder zou kunnen zijn. Een eerste kennismaking is vaak een bevestiging: een hoop jonge mensen bij elkaar. Dat was tien jaar geleden anders, toen was ik nog groen achter mijn oren. Maar hier, in de fitnessclub, voel ik me altijd erg jong. Niet alleen fysiek, maar ook wanneer ik niet kan meepraten over dagelijkse bezoekjes aan de apotheek of kleinkinderen die niet op bezoek komen. In de klas probeer ik af en toe jong te zijn door iets te beamen over het leven met een baby of een examen studeren op de unief, en in de fitnessclub kom ik soms tussen wanneer ik die wedstrijd van den Antwerp ook heb gezien. Maar momenteel val ik overal tussen.

Lennart Vanstaen
34 3

Monsterscore

Ik klik het oude zwart-wit Philips tv’tje aan, en richt de korte antenne moeizaam naar een bijna sneeuwvrij beeld. De eindtune van het journaal komt krakend mijn kleine studio binnen. Ik haal een blikje Jupiler uit de koelkast. Het weerbericht belooft aanhoudend zonnig en vrij warm weer. Ik installeer me in het ongemakkelijke rotan kuipzeteltje, klaar voor een avondje zorgeloos genieten. De Europacup I finale is de match van het jaar. Juventus tegen Liverpool, ik juich voor de Italianen. Het scherm flikkert flauwtjes en ik zie de contouren van het Heizelstadion. Luid gejoel overspoelt de ruis. Ik merk nog geen spelers op het veld, wel groepjes rijkswachters te voet en te paard, die agressieve hooligans chargeren, en omgekeerd. De ernstige woorden van Rik De Saedeleer komen als welgerichte meppen bij me binnen. Rellen. Paniek. Chaos. Doden. Vijftien, wellicht meer. Opgenomen beelden zoomen in op een stormloop en tonen minutenlang geduw en getrek, als bij een reusachtige rugby-scrum, zonder bal. Ik wil het niet geloven. Het komt wel goed? Ik blijf gehypnotiseerd zitten, half K.O.  De spelers drentelen alsnog de arena in, als onzekere gladiatoren op wat al een slagveld is. Ze ogen schichtig, als opgejaagd wild. Ze weten het wellicht. Ze ruiken de oorlog, gaan er in mee, ze moeten. De wedstrijd gaat helemaal aan mij voorbij. Het spel lijkt nergens op. Juventus wint, er moet een winnaar zijn. Ik moet even het terras op. Vanuit naburige blokken klinken echo’s van het gejoel en gejuich op mijn TV. Eén buur heeft klassieke muziek op staan, in zalige onwetendheid. Het late journaal brengt nieuwe expliciete en gruwelijke scènes, grijpende armen en spartelende voeten, verstikte kreten en radeloos getier. Onder een zwart-witte Juventus-vlag komen blote voeten tevoorschijn. Ik wil schreeuwen, maar er komt geen geluid. Mijn tranen vertroebelen het scherm, maar ik kan de horror niet wegvegen. De teller staat op achtendertig. Het wordt fris buiten, en stil. Ik moet naar bed. Eerst nog een blikje bier dan, maar ik raak niet verdoofd. In mijn hoofd rollen de beelden sneeuwvrij voorbij in een eindeloze replay.   

Dirk Otte
36 2

Papa Para

Nog niet meteen. Niet op de dag die alles veranderde. Toen zat hij midden in de feiten, de knuisten om het stuur, zonder te beseffen dat hij al niets meer in de hand had. Terwijl de milliseconden hem om de oren knetterden, zoog hij het gewoel van koplampen en staal naar binnen, vond de gaatjes en dook erin, snelheidslimieten en kleursignalen negerend. Toen haar blik glaziger werd en ze niet meer op haar naam reageerde, wist hij al zijn slapende instincten en vergeten vermogens te wekken. Hij bereikte een focus die hij herkende van bij de commando’s, maar later nooit meer had ervaren.Neen, toen zeker nog niet. Ook niet toen hij de controle aan groene ziekenhuisschorten had afgegeven. Nog altijd bekeek hij de gebeurtenissen vanuit zijn eigen hoofd, door zijn ogen, van binnenuit, weliswaar met groeiende onmacht. En later, in de onomkeerbaarheid, toen het tijd was voor praktische regelingen, had hij die als een geslagen hond aan zijn zoon overgelaten, de ene die wel nog over de vloer kwam. Papa Para zat erbij en keek ernaar, zag alles gebeuren, zweeg en knikte ja. Het gebeurt later, in de weken na de begrafenis. Er is geen tijdlijn waarop hij een concreet moment kan pinnen; eerder lijkt het een crossfade, een geleidelijk verschuiven. Maar hij kijkt inmiddels anders, alsof ergens een regisseur een nieuw camerastandpunt heeft gekozen. Hij begint over het nu en het toen heen te zweven, als een drone. Registreren, shots maken. Bekijken en herbekijken, analyseren. Tot hij — battery low — een limiet overschrijdt van hoeveel gevoelloosheid een mens kan verdragen, en crasht. Dan laat hij zich dagenlang niet spotten. Maar net zo plots als hij van de radar verdwijnt, gaat hij opnieuw daarboven hangen. Hij toont zich, er valt met hem zo je wilt een soort gesprek te voeren, maar waar hij intussen werkelijk uithangt kom je niet te weten.Hij ziet de stoel waarin ze neerzijgt, hoort haar zeggen dat ze misselijk is. Opnieuw en opnieuw is hij er getuige van, hoe ze samen een hypo vermoeden. Hoe ze de vloer onderkotst. Hij ziet gebeuren dat er wordt aangebeld: een klant die ongelegen komt, die hij wegstuurt, onbedoeld onbeschoft. Verbijsterd schaduwt hij zijn evenbeeld, de man die eerst nog braaksel opruimt en bedrijfsramen en -deuren checkt, voor hij zijn wederhelft naar de auto helpt. Hij ziet het voertuig rechts afslaan, als in de dagelijkse rit naar huis, vandaag de kortste weg naar het ziekenhuis. Door de voorruit heen ziet hij een vrouw die afglijdt naar een zorgwekkende toestand, en een chauffeur die dan pas besluit plankgas te geven. De wagen schiet onder de drone door.Andere keren roept hij de film van de plechtigheid weer op. Een te klein bestelde zaal: elke stoel bezet en mensen staand langs de muren. In zijn verbeelding ziet hij twee lege plaatsen. Waar zijn eerstgeborene had moeten zitten, een door het leven beproefd, onredelijk kind dat intussen de vijftig nadert en jaren terug alle contact heeft verbroken, adres onbekend, vanwege ouderlijke fouten die werkelijk niemand anders hen aanwrijft — alleen hij, aldoor verdwaasd door god-weet-welke drugs hij dezer dagen nog aan zijn longen, maag of aderen voert. Daarnaast de ontbrekende broer, die aan de verkeerde kant ging staan van een oorlog, tweeduizend kilometer van hier. De broer waar hij pas weer mee zal praten als die toegeeft dat de Russen geen haar beter zijn dan de Amerikanen en dat My Lai klein bier was vergeleken met wat de monsters van Wagner in Oekraïne aanrichtten — zijn bloeddruk in het rood als hij er nog maar aan denkt. Intussen is het machinepark weer aan het gonzen gegaan. Vader en zijn jongste zwijgen veel, ze kennen het werk en elkaar. Als de dag voor de een erop zit, blijft de ander nog uren op post. Pa rommelt wat aan, veinst papierwerk. Als hij eindelijk naar huis vertrekt, neemt hij een andere route dan vroeger: aan het kruispunt linksaf. Het is een heel stuk verder zo, maar voor wie zou hij zich haasten, de kat redt zich wel. Zo gaat de tijd nu al maandenlang voorbij. En nog altijd voltrekken zijn dagen zich in een diepte waarop hij neerkijkt.Kijk, daar ligt de berg condoleances. Hij ziet zich erlangs lopen en op zijn stappen terugkeren, het moet er maar eens van komen. Hij kijkt toe terwijl zijn handen enveloppen scheuren, ziet kaartjes geleidelijk een nieuwe stapel vormen. Hij ziet de vluchtigheid waarmee die man daarbeneden te werk gaat, beseft dat niets echt tot hem doordringt. Tot hij aan dat ene kaartje komt. Het is groter dan de andere en bevat een gedicht dat door de afzender ‘Takeaway.com’ werd genoemd. Papa Para herkent het handschrift. De onverschrokken soldaat, harde ex-commando, de man die altijd in de wijdst mogelijke boog om poëzie heen was gelopen, leest deze tekst opnieuw en opnieuw.   Achter de zwijgende deur spitst het lege huis de oren.Verkeer gaat altijd door.Achter de zwijgende deur spitst het huis de oren en hoort. Bekend gespin benadert, bekreunt, bekruipt de treurende oprit.Het lege huis strekt zich uit en miauwt,krult zich om het ene paar binnenkomende benen. Waar bleef je zolang? En waarom ook vandaag weer alleen? Hoe legt hij het uit? Aan het huis, de kat, de honger?Hij zoekt dag en nacht.Ergens stonden blikken verse moed,iemand moet die hebben meegenomen. En buiten woedt de oorlog voort:broers begraven moeizaam hun geschillen. Vitrinekasten vol ego storten in als tweelingtorens —zal de verloren zoon het kompas nog kunnen vinden?   Terwijl hij leest en herleest, voelt hij zijn perspectief veranderen — alsof die verdomde regisseur eindelijk de drone wegstuurt. Voor het eerst kijkt hij opnieuw door eigen ogen. Hij weet dat er iets moet veranderen; het duurt al veel te lang en werkelijk niemand wordt er beter van. Hij pakt zijn Nokia en belt zijn broer. Later die avond rijdt Papa Para huiswaarts. Aan het kruispunt rechtsaf.  

Marc Terreur
60 2
Tip

Monologue intérieur

"Wat bedoelt ge? Ja, wat bedoelt ge godverdomme, wanneer ge zegt… Of nee! Niet zegt, suggereert! Want gij zijt te geslepen om zomaar vlakaf rechtuit iets te zeggen. 't Is uw manier om mij 't zwijgen op te leggen, om van krommenaas te gebaren als ik uit mijn krammen schiet, om de tafels te keren en van mij de boeman te maken. Dus zwijg ik maar, behalve als ge van huis weg zijt, als ge met uw vriendinnen of wat daarvoor doorgaat mijn rekening plundert in de winkelstraten van Antwerpen of Leuven, en ik thuis alleen ben - gelijk nu - en zo hard schreeuw dat de spiegels ervan daveren. Want hoe ge 't ook draait of keert: voor u ben ik slechts een loser en een stuk verdriet, die ge gedoogt omdat hij twee poten aan z'n lijf heeft en het geld binnenrijft dat gij al shoppend en cognaczuipend de vensters uitsmijt… Ik hoor uw verwijten niet in officiële declaraties, da's waar, maar ik zie ze in de lijnen op uw smoel: de rimpels op uw voorhoofd, de dichtgeknepen ogen, de halfopen mond, uw neus opgetrokken alsof ik mijn gevoeg op uw ontbijttafel heb gedaan. Ge moet niet zeggen dat ’t niet zo is. ’t Is wél zo! Met één oogopslag veroordeelt gij mij, ja veroordelen! – tot een plaatske onder de trap. Een dienaar, een clown. Goed voor 't geld dat ik verdien of om uit te lachen als er niks op tv is. Maar hou hem vooral op afstand als die kakmadam op visite komt. Die wát? Ja, die kakmadam! Ge kent ze wel: ik bedoel natuurlijk die uitgewoonde kut waaruit gij op aarde zijt geklauterd. En erger nog dan die moeder van u zijn die opgetutte uitwerpselen in vossenbont die gij uw vriendinnen noemt, maar die te vals, te kattig, te zelfberekenend zijn om te weten wat vriendschap is. Oh, wat zou ik 't graag in uw smoelwerk slingeren, de haat die ik voor u voel. Haat ja, bloeddorst! Wat zou ik ervoor geven om dat mes waarmee ge uw benen scheert gewoon eens een keer... Maar nee, ik gun u het genoegen niet, of het genoegen van uw moeder als gij er niet meer zijt, zodat ze mij als een crimineel voor de rechter kan slepen om de laatste van mijn hardverdiende centen uit mijn beurs te persen. Uw moeder, verdomme, dat serpent. Of is 't een zeug? Weet ge hoe ze haar noemen als ze met haar geparfumeerd gat door het dorp paradeert? Miss Piggy. Ja, Miss Piggy. En met de snelheid waarmee gij kilo's wint zijt ge goed op weg om in haar hoefsporen te treden. Veertig jaar lang hang ik reeds bij u aan de ketting. Veertig jaar begot, ge schreeuwde het van de daken toen we zo lang waren getrouwd. Iedereen moest weten wat voor een schoon koppel we waren, hoe graag gezien, hoe welstellend, hardwerkend en lovenswaardig. En als ik - uw trouwe schoothond - al eens omhoog keek en het aandierf om de blikken te vangen van die gedwongen gesprekspartners van u, die ge overal waar ge waart (de kassa van den Aldi, het park, de cinema, de krantenwinkel ...) in een holdup hield om te stoefen met die gouden kooi waarin ge mij en uzelf opsluit, en die ge sponsort met het geld dat ge uit mijn zakken klopt, dan zag ik in die blikken enkel plaatsvervangende schaamte en een beetje compassie voor het armzalige wezen dat langs haar zijde kroop. Wat zag ge eigenlijk in mij toen we trouwden? Was het een opwelling, een hormonale opstoot, gelijk uw pa zei? Of was het dat ik een hardwerkende sukkel was, ideaal voor zo'n lamme teef als gij? Want voor uw pa was ik te min, ziet ge. Arrogantie hebt ge van geen vreemden. En wat zag ik eigenlijk in u? 't Moet zijn dat liefde blind is - stekeblind begot. 't Is moeilijk voor te stellen dat ik in het geparfumeerd spook dat vandaag door de gangen spookt ooit een schoon meisje met een gaaf smoeltje zag, in plaats van dat met varkensleren vellen gedrapeerde doodshoofd dat in de loop der jaren een plek in mijn bed heeft veroverd. 't Moet zijn dat ik te goed ben voor deze wereld, dat ik een eed van trouw heb gezworen, dat ik zo’n goed, zo'n gelovig, of ja, zeg maar goedgelovig man ben die de wet van God eert… En dat gij, serpent, uw klauwen als een strop rond mijn nek legt , als een klem om mijn kruis houdt ... en om mijn beurs natuurlijk. Want ja, alsof ’t er nog aan moest mankeren: een rotte cent heb ik niet meer. ’t Zal uw Neerval zijn, die Spilzucht. Alleen spijtig dat ge zoveel onschuldige, onnozele kinderen meesleurt in uw neerwaartse spiraal. Spreekwoordelijke kinderen natuurlijk, onnozelaars gelijk ik begot, want echte snotters gedijen niet in uw schaduw. Misschien is dat nog de enige zegen van ons onzalig bestaan: Dat ge nooit een kind hebt gebaard. Zo zuur is uw hele wezen, dat elk zaad dat in uw schoot wordt gestort op dorre aarde valt. Misschien is de enige troost die uw leven biedt samengebald in dit heuglijke feit: dat ook gij ooit ophoudt te bestaan." Pieter Van der Schoot De bovenstaande monoloog schreef ik bij een oefening uit het boek Creatief Schrijven - 52 inzichten en oefeningen van Peter De Voecht en de vzw Creatief Schrijven. Hij verscheen eerst op mijn blog Observaties uit het ondermaanse.  Afbeelding: François Boucher, Madame de Pompadour

Pieter Van der Schoot
85 6

Huwelijk in Toscane

Het had iets magisch. Mattia in een strak kostuum en Patricia in een wit kanten kleed tegen de achtergrond van het barokke interieur van de dorpskerk. Ik zat op mijn vaste plaats in de kerkbank. De jonge pastoor knikte naar me toen hij me allicht herkende als die vrouw die al zo vaak op die plek gezeten had, in – wat hij moest denken – diep gebed verzonken. In werkelijkheid dacht ik aan Hem. Nu ook, ik kon het niet vermijden. In die mix van verdriet om Hem en blijdschap voor Mattia en Patricia, de pure schoonheid van het evenement, liepen er weer tranen over mijn wangen. “Mooi, eh,” zei Sofia, terwijl ze me in haar armen nam, “Ik heb het ook niet droog kunnen houden en Ella en Valentina ook niet. En de jongens, tja, die waren tussendoor over de voetbalmatch van gisterenavond bezig. Nu nog. Zie ze daar staan. Ze hebben zelfs geen oog voor Mattia en Patricia. En ze zien er nog wel zo mooi uit. Prachtig eigenlijk.” Ik zag hoe de jongens inderdaad druk gesticulerend aan het discussiëren waren. Zo leek het toch. Ik zag Giovanno en hoe hij volop meedeed. Hij was een vurige Napelsfan en de rest supporterde voor het dichterbijgelegen Fiorentina. Ze hadden de dag ervoor tegen elkaar gespeeld. Even leek het alsof ook de bruidegom er zich mee bemoeide, maar Mattia’s moeder trok hem weg bij de jongens en duwde hem naast de zwangere Patricia in de zwarte Ferrari 250 GTE 2+2. Met een zwaar gebrom sloeg de motor aan en reden ze samen weg in de oldtimer. Patricia’s jongere broer zat aan het stuur en had een veel te grote zonnebril op. De dames vonden dat hij er sexy uitzag, zo hadden ze hem nog nooit gezien.  “Ja, hij wordt groot.”  “Hij heeft nog maar pas zijn rijbewijs en ze laten hem al met zo’n auto rijden.” “Hij sleutelt al heel zijn jeugd aan oldtimers. Hij kan waarschijnlijk beter met zo’n auto rijden dan jij en ik samen.” “Hij heeft wel overdreven met parfum.” “Ja, eh. Je rook hem vanop vijf meter afstand.” “Dan moeten ze het raampje van de auto maar opendraaien.” Ondertussen was de jonge pastoor in zijn soutane bij de andere jongens gaan staan en hij liet er zich niet onbetuigd. Giovanno maakte zich los uit het groepje en kwam naar me toe gestapt op zijn krukken. “Is er iemand met wie ik kan meerijden straks, met die Fiorentina hooligans wil ik niet in dezelfde auto zitten.” “Ella rijdt. Ze pikt ook Petra op. Kan hij met jou meerijden, Ella?” “Geen probleem. Je zal het wel niet zo erg vinden dat Petra meerijdt, zeker?” “Nee, nee, natuurlijk niet.” “Ik zal tegen Marco zeggen dat hij zich moet inhouden.” “Als je dat wilt doen. Ik kan er ook niet aan doen dat Napels die penalty gekregen heeft.” “En dat was het niet alleen,” riep de pastoor, “De scheidsrechter heeft ook die handsbal niet gefloten en geef toe al die duw- en trekfouten. En die vuile tackle van Di Lorenzo.” “Ik moei er me niet mee,” zei Ella, “Ga je ploegje maar verdedigen.” “Ik ga een koffietje drinken,” zei Giovanno, “Ze kunnen zeggen wat ze willen. We hebben gewonnen en daarmee basta.” Giovanno stak zijn hand op naar de rest. “Ga maar lopen, jongen. Als je het niet kunt halen, moet je gaan lopen.” Valentina fluisterde in het meidengroepje. “Volgens mij wilde hij niets liever dan met jou in dezelfde auto te zitten straks, Petra. Hij wist dat Ella jou zou komen ophalen, wed ik.” “Geen gesmos op de achterbank, hoor, dat wil ik niet,” fluisterde Ella. En iedereen lachte hardop. “Ik ga ook een koffietje drinken,” zei ik. En toen lachten ze nog harder. Het feest zou doorgaan in de tuin van een oom van Patricia. Die had een grote boerderij iets verder in het binnenland. Hij verbouwde druiven en maakte wijn en had zelf aangeboden aan zijn petekind om het feest daar te organiseren. Daar was veel meer plaats dan bij haar ouders. Trouwens haar vader was vennoot daar, zei hij, dus het was ook een beetje zijn terrein. Dan hoefden ze de wijn ook niet allemaal te verhuizen, ze hadden de vaten gewoon bij de hand. Tijdens de kronkelige landweg ernaartoe werden Giovanno en ik op de achterbank voortdurend tegen elkaar geduwd. Ik had op het laatste moment toch nog snel een andere jurk aangetrokken en had het lange lilakleed vervangen door een doorschijnende met goudkleurige pailletten bedekte cocktailjurk van Mac Duggal. De diepe decolleté en de accentuerende taille stonden me goed, vond ik zelf. Hij zou het prachtig gevonden hebben. En ik voelde me op en top een mooie vrouw. Giovanno had me voor ik in de auto stapte van top tot teen bekeken en net niet tussen zijn tanden gefloten. Ik dacht aan Hem. Hij was nooit jaloers geweest, ook niet als andere mannen naar me hadden gekeken of als ik naar een andere man had gekeken. Vreemd eigenlijk, vooral omdat ik wél heel jaloers kon reageren. En dan die affaire met die bankbediende. En toch was Hij altijd naar mij toegekomen. Wat zou Hij van Giovanno gedacht hebben? Zou Hij het erg vinden dat ik een soort van connectie met Giovanno voelde. Niet zo diep als met Hem, maar toch, Giovanno was een goede, zachtaardige jongen en ik wist dat hij iets voelde voor mij en ik voelde me goed bij hem. Ik was nog te onrustig om me echt aan Giovanno te hechten, maar toch, toch. Ik kreeg het warm als ik aan Giovanno dacht of als hij dicht bij me in de buurt was. Misschien was het ook gewoon mijn lichaam dat op hem reageerde en had ik daar zelf eigenlijk niets aan te zeggen. Ik kon het alleen laten gebeuren. En dus danste ik die avond met Giovanno op het feest. Als ik hem voldoende ondersteunde kon hij zijn krukken aan de kant laten staan. Het voelde bijna alsof ik met Hem aan het dansen was. Zocht ik nog te veel naar Hem in plaats van oog te hebben voor Giovanno zelf? Allicht wel, maar toch genoot ik van de momenten in Giovanno’s buurt.  Op de terugweg legde Giovanno in de auto zijn hand op de mijne en ik kneep er zachtjes in toen ik uitstapte, alsof ik hem wilde bedanken voor de mooie avond.  Ella bleef met de auto staan, de motor zacht brommend, om me de kans te geven om in het licht van de koplampen de sleutel in het slot te steken. Toen ik binnen stond en de deur achter me op slot had gedaan, hoorde ik Ella’s auto over de losse stenen op de oprijlaan wegrijden. Ik voelde zijn hand nog op mijn heupen steunen en het onevenwichtig hinken tijdens zijn danspassen alsof we nog aan het dansen waren. Hoe lang zou ik mijn lichaam nog kunnen tegenhouden, vroeg ik mezelf af.

Hans Van Ham
23 0

Nondedju

Nondedju was één van de woorden die Anna vaak hoorde in het rusthuis. Het leek op het ‘nasdrovnje’ uit haar eigen taal, meer dan op het harde ‘gowno’ of het verbaasde ‘jejku’. Nu wandelde Anna met de oude dame van kamer 43 door de gang. Om de vijf passen rolde er een vloek uit de mond van de vrouw. ‘Potdomme’ zei ze. Haar knokkelige vingers knepen in Anna’s arm. ‘Potdomme’ echode Anna. Soms was het omdat ze even struikelden. Of misschien dwaalde er een monster uit een ver verleden door de geest van deze vrouw. De dikke groenige gordijnen aan het einde van de gang waren zo mistroostig dat je rechtsomkeert wou maken. Anna beeldde zich in dat het dametje daarom zoveel vloekte. Anna’s grootmoeder had haar laatste jaren doorgebracht in de schommelstoel van haar huis in Katowice. De familie van Anna had nooit een poging gedaan om grootmoeder na haar middagdut uit die stoel te halen. Hoe zou het zijn als Anna zelf oud was? Zou ze dan liever wandelen of indommelen? ’s Avonds ging ze naar de Nederlandse les. Ze sprak er over haar woning en fantaseerde zich een slaapkamer, een living, goed functionerende verwarming en een mooie badkamer bij elkaar. Na de les ging ze naar haar studio en trok haar slaapbank uit. Om de paar dagen skypete ze met het thuisfront. Als het signaal niet te zwak was, richtte ze de camera op de verste uithoek van haar kamer en begroette ze haar man Pjotr en haar zonen. Daarna at ze havermoutpap. Anderhalf jaar was zo voorbijgegaan. Nog twee maanden en dan zou Anna voor een paar weken terug gaan naar Polen. Ze telde de baden die ze nog zou geven in het rusthuis, de porties fruit die ze zou snijden voor ze haar laarzen in de Poolse sneeuw kon zetten. Ze sliep vredig.Pjotr kon niet in de zo gegeerde bouw werken. Arbeidsongeluk. Hij had altijd een somber temperament gehad. Anna zorgde graag voor hem. Daarom was ze nu in België. Ze zocht promoties bij elkaar op de markt en hoopte dat hij met het uitgespaarde geld genoeg vlees kon kopen. Trots vertelde ze haar medecursisten dat haar zonen naar de universiteit van Warsaw gingen. Haar Belgische collega’s spraken zulk een ingewikkeld taaltje. Anna had het opgegeven om contact te zoeken. Op haar geforceerde lach als er iets op de grond viel, kreeg ze weinig respons. Tijdens de pauze ging ze vijf minuten vroeger naar boven en haalde de vloekende vrouw uit bed. Ze voelde de sterke greep om haar arm en dacht dat ze iets goeds deed, ondanks het rauwe ‘Miljaar’. Het vloeken stopte toen de oude dame stierf. Anna haalde haar kleren uit de kast. De zoon van de vrouw zat treurig naast het lege bed. Hij vroeg Anna of zij voor zijn moeder had gezorgd. Nadat hij het nog een keer had herhaald, zei Anna 'ja' en ‘nondedomme’ met de stem van de oude vrouw. De man glimlachte. Hij wilde weten hoe lang Anna al in België was en of ze kinderen had. Ze toonde trots een paar foto’s. Haar zonen speelden in de sneeuw met de hond. Op de achtergrond verzamelde Pjotr wat hout voor het haardvuur. ‘Ze wonen in Warsaw’, zei Anna. ‘Ben je hier alleen?’, vroeg de zoon van de oude dame. Ze deed alsof ze hem niet begreep. Anna zag hem terug in de supermarkt, hij woonde blijkbaar bij haar in de buurt. Ze wist dat hij ook kinderen had. Waarom vulde hij zijn winkelwagen dan met eenpersoonsmaaltijden? Bij de kassa glimlachten ze wel eens wanneer ze allebei ‘moussaka’ hadden gekozen. Promoties. Op een avond wees hij een grotere portie aan in de koelkast van de supermarkt. Dan wees hij naar haar. Samen eten? Dat had ze al lang niet meer gedaan. Ze wimpelde het af, lachte verontschuldigend, kneep haar ogen half dicht. Nadien had ze er spijt van. Hij had er vast niks mee bedoeld. De week erop wees ze zelf naar de familieportie vogelnesten. Ze spraken af bij hem thuis. Ze was blij toen ze het oude dametje terugzag aan de muur. Ze bladerden door zijn fotoalbums. Anna lachte om de foto’s uit zijn kindertijd en nam een extra glas wijn. Ze kon zich een beeld vormen van de krachtige vrouw die het einde van haar leven aan haar arm had doorgebracht. Ze schrok toen hij diezelfde arm vastgreep. Die mengeling van aantrekking en schuldgevoel was nieuw voor haar. Het hield haar uit haar slaap. Ze schaamde zich diep toen ze met Pjotr skypete. Hij vroeg of er wat scheelde. Nee, hoezo? In de supermarkt dacht ze dat de zoon van het dametje uit de volgende rayon zou komen. Ze wist niet of ze ernaar uitkeek. ‘Pools eten, bij mij thuis?’ Hij was blij om haar terug te zien, daar in de diepvriesafdeling. Ze nam ingrediënten mee en maakte iets klaar in haar studio. Ze lachten, dronken nog wat. En dan nam hij weer haar arm vast. De nacht was kort.Twee dagen erop vertrok ze naar Katowice, een maand later was ze nog altijd niet terug. De lerares Nederlands vroeg zich af waarom die ijverige Anna had afgehaakt.

Pons
10 1

Met de lautra

“Waarom ga je niet een keer mee?” vroeg Patricia, “Het is best leuk om de jongens bezig te zien. En je hoeft zelf niets te doen. Gewoon op het dek liggen in de zon, dat is alles. Zo lang ik weet, hebben ze ook nog nooit iets gevangen. Het is eigenlijk gewoon een uitje met de boot op zee.” Ik aarzelde, maar stond die zondag toch om half vijf ’s morgens op en doorbrak daarmee de routine die ik zo lang had aangehouden. Mattia was al op en had koffie gezet. Hij liep constant heen en weer met zijn klein kopje espresso in de hand en keek om de haverklap op zijn horloge. Om vijf uur stipt reden er drie auto’s voor. In kolonne reden ze richting het zuiden naar een oom van Marco. De Marco die samen was met Ella. Die oom had een boot waarmee je op zwaardvis kon vissen. Roman en Gianni waren er niet bij en ook Stefano en de andere Marco niet, die kreeg je zo vroeg nooit uit hun bed, lachten de anderen. Mattia zat bij Nadia, Enzo en Giovanno in de auto. Ik bij Patricia, Ella en Marco, in de derde en kleinste auto, een Fiatje, zat de rest, Sofia, Gino en Valentina, geprangd. Ella was de enige vrouw aan het stuur. “Het zal wel zijn, dat Marco met de auto van mijn ouders mag rijden. Dat zie je van hier. Hij rijdt veel te gevaarlijk.” “Ik rij niet gevaarlijk, ik rij assertief. Jij bent veel te braaf achter het stuur.” “Het is de auto van mijn ouders. Mijn vader zou het besterven als er iets mee zou gebeuren, zelfs als er nog maar een krasje zou bijkomen. Hij laat me telkens beloven dat jij er niet mee zal rijden. Zegt dat niet genoeg?” “Ach, wat. Rij jij maar dan, ik zorg voor de muziek.” “Goed, maar niet te luid. Jij zet de muziek altijd veel te luid.” “Is dit te luid, Petra? Vind je dit te luid?” “Laat Petra gerust, Marco.” “Mag ik dan tenminste het laatste stukje rijden. Als mijn oom ziet dat ik weer niet mag sturen, lacht hij me weer uit.” “Dat kan mij niet schelen.” “Komaan, Ella. Alsjeblief. Ik zal heel voorzichtig zijn.” “We zullen zien.” Na anderhalf uur rijden, stopte de kolonne aan een wegrestaurant voor een snelle espresso en een koffiekoek. Daarna was het nog een uurtje rijden. Iets voor acht parkeerden ze de auto’s op de kade. Marco had niet mogen rijden, en inderdaad, dat had zijn oom gezien. En of hij er iets van zei tegen Marco. De eerste uren van de voormiddag op de boot moest hij het voortdurend horen. Marco probeerde om er zelf mee te lachen, maar op den duur kon er alleen nog maar een trekje van zijn mond vanaf. Ik had een normale boot verwacht en vislijnen, maar niets was minder waar. De boot was een grote lautra, met een erg hoge mast waarin afwisselend één van de jongens klom om uit te kijken of er ergens een schaduw in het water bewoog. Om het uur wisselde ook de harpoen van handen. Marco’s oom bestuurde de boot en de dames lagen inderdaad gewoon te zonnen op het dek. Om elf uur ’s morgens werd de eerste fles rode wijn ontstopt. Om acht uur ’s avonds voeren ze terug binnen, zonder iets gevangen te hebben. Met mijn zomerhoed op en zonnebril had ik vooral naar de horizon gekeken en in mijn nieuwe boek gelezen. “Natuurlijk hebben we niks gevangen,” zei Patricia, “We vangen nooit iets.” Drie keer was er toch animo geweest op het dek onder de jongens en had er zich iemand met de speer op de loopplank begeven. De eerste keer was het vals alarm en was het een haai die de man op de mast gespot had, de tweede keer was het wel degelijk een zwaardvis, maar was die te klein om op te vissen, de derde keer was een andere lautra hen te snel afgeweest. “Niet erg,” zei de oom van Marco, “Dat is de boot van Luciano. Die kan het geld goed gebruiken, die moet de lening van zijn boot nog verder afbetalen. Woensdag heb ik nog een hele grote gevangen samen met mijn schoonbroers. Die was vier meter. Die Luciano gevangen heeft, is veel kleiner. En trouwens, jongens, hij had hem ook eerst gezien. Eerlijk is eerlijk.” Ook al complementeerden de jongens Luciano op de kade met zijn ‘mooie’ vangst, toch zag je de teleurstelling in hun ogen. De zwaardvis die daar op het droge lag op een blauw dekzeil had de hunne kunnen zijn. Ze dronken samen met Marco’s oom nog een grappa om de dag af te sluiten. Ze bedankten hem uitvoerig dat ze mee op zijn boot hadden gemogen en kropen terug in hun auto’s. Even was er onenigheid tussen Ella en Marco over wie mocht rijden, maar Ella was onverbiddelijk. Marco’s oom glimlachte en trok zijn schouders op waaruit ik meende op te maken dat het hem eigenlijk helemaal niets kon schelen. Hij stapte op Luciano af en keerde hen zijn rug toe nog voor het duidelijk was dat Ella het pleit zou winnen. Op de terugweg werd er duidelijk minder gesproken. Ze stopten aan hetzelfde wegrestaurant voor een koffie en ik viel op de schouder van Giovanno in slaap tijdens het laatste half uurtje van de autorit. Giovanno had met Patricia gewisseld van auto, omdat, zo vermoedde ik, Patricia in Mattia’s buurt wou zijn.  Het voelde goed om ongedwongen dicht tegen Giovanno aan te liggen. Het was zo lang geleden dat ik iemands nabijheid gevoeld had. Ik koesterde het moment nog steeds toen ik pas na middernacht in mijn bed lag. 

Hans Van Ham
30 0