Zoeken

Kaasplank

Ze at zo enorm graag kaas. Waarom ze zo graag kaas at, wist ze niet, kon ze niet zeggen. Eigenlijk had ze er ook nooit bij stilgestaan waarom ze zo enorm graag kaas at. Het was gewoon zo, net zoals haar haren blond en haar ogen bruin waren. In elk geval; van haar ouders had ze het niet, die aten liever charcuterie. Of misschien was het net daarom; omdat haar ouders zo ongelofelijk graag charcuterie aten, enkel maar charcuterie in huis haalden, dat ze, bij wijze van opstand, zich volledig overgaf aan alle mogelijke kaassoorten. Elke dag voorzag ze zichzelf een kaasplank. Er waren kazen die vaak de revue passeerden, andere kazen die zich maar eens om de zoveel tijd lieten proeven. ‘Sommige smaken moet je beperken om ze speciaal te houden’, zei ze. Tegen wie zei ze dat? Dat is niet geheel duidelijk, maar ze heeft het in elk geval gezegd. Of dat klopt kon ze niet met zekerheid zeggen zoals ze niets met zekerheid kon zeggen, maar proefondervindelijk bleek wel dat niet al te vaak geproefde smaken een soort aura rond zich creëerden en sommige kazen waren dat aura waard, waren de zeldzaamheid waard, waren het voorzichtig-omgaan-met waard en bewezen dat ook keer op keer. Af en toe stelde een stuk teleur, vaak waren dat nieuwkomers, maar af en toe betrof het oude gezanten waar ze zelf misschien wat te nonchalant mee had omgesprongen, te vaak de kaasplank had opgelegd. ‘Stelt de kaas, de smaak of ikzelf teleur,’ zei ze, ‘of de eindeloze herhaling?’ 

Lorin Clercq
12 0

Augurken met een grauw gemoed

  Wat als ik schraap. Mijn vel bevrijd van donderslagen. Wat als ik schreeuw. Mijn keel mij stikken laat. Hoop en kwaad. Ze dansen in mijn hoofd. Ze zullen enkel vallen wanneer moed vergaat. Beste Dimitri, ongeknoopte koorden zijn er voor de schepen, vaartuigen die wind vertrouwen. Noorderwind, wees kil en koud, durf wil en zout te proeven. Augurken liggen altijd dood in een bokaal.  De wereldbeker wreedheid is gewonnen door een Rus, terwijl Amerikanen zich verzuchten. Waar zijn die brave zielen, burgerdoelen, hebben wij nog bommen om hun onschuld te verdrijven? Leugens kleven op mijn netvlies, uit mijn lies stroomt zuiver bloed. Ik kan niet meer bewegen, gaan naar beterschap. In Dudzele is er een zot die deuken in uw ziel wil repareren voor een schele duit. Voorruit. Achterwaarts. Kelderraam. Ik zie niets meer, dit spookkot is ontvoerd door magere piraten. Zelfs Kaap de Goede Hoop gelooft de oceaan niet meer en in de Varkensbaai rilt er een zeekoe, aangespoeld en uitgeput. Kalfjes willen zalf op tere plekken leggen. Nodeloos want zeer hardnekkig zijn de moordenaars die volkeren bedriegen. Wat als ik schreeuw. Het einde stil aanbid. Wat als ik schraap. Mijn vel op die kadavers leg. Warmte is een teder goed. Ik moet echter gelatenheid aanvaarden. Anders pleegt de nacht een laffe daad en blaat het lam nooit meer. Moeder ooi maakt zich intussen mooi voor nog een slachting. Speld uitgedroogde vlinders op uw vest, meneer de generaal met vaal gemoed. Morgen komt die beul met blinde hoed en vindt weer alles wat nog lief zou willen zijn.     uit de reeks 'Duim voor Dimitri'

Bernd Vanderbilt
7 0

Bim bam boterkoek

  Door een kraanvogel werd ik uit de goot getild. Zo gaat dat want Puk van de Petteflet, hij komt altijd veel te laat met zijn knalrode takeltuig. Intussen blijft het ruige dagen regenen. Enkel die volwassen, grotendeels gestorven zielen kunnen dit nog aan. Bim bam bom. Ballistische raketten en nog vele keren bom boem bam. De zwarte put is in de ban van stollend bloed. Ik wil hier weg. Ik kan dit niet meer aan. Mijn keldertje aanvaardt alleen nog maar kadavers. Spinnen moeten op de zolder broeden. Wrede plannen heersen. Webben vol vergeten vlinders worden vuil naar het verluidt. Er is geen teder noodlot meer. Ik vertrouw nog op mijn linkerpink die al het grauwe snot verwijdert uit die walvisneus en pas toch op, geslagen kind. Proef niet meer van bruine eieren. Mosterdgas is vluchtig en de lach van onze maan is zo oneerlijk als een koekoeksbrein. Mauve folie zit nu rond de lijken in het verre oosten. Dichtbij rot het platteland. Mol en veldmuis, wees gewaarschuwd. De lente met zijn zieke boeren, gif en scherpe ploegen zullen weer proberen overal hetzelfde groen te zaaien. Onraad zal gaan kiemen en de zon zal onverschillig schijnen. Denk maar niet dat echte warmte komt, wanneer je straks die stranden zoekt. Het blijft intussen maar gebeuren. Dood, vernieling en de waanzin heersen over alle grijze wolken. Daaronder botert niets. Schimmel en bedorven geesten zullen zich verspreiden. Intussen staart die kraanvogel me aan met lede ogen. Ik geef hem nog een stuk soldatenkoek en Puk rijdt een zoveelste toertje rond de kerk. Herhaling is het handelsmerk geworden van de gruwel en ik voel het, ruwe tijden willen zwellen in de zwarte klei.       uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'  

Bernd Vanderbilt
2 0