Zoeken

De broodbotsing

Ik weet niet waarvoor ze naar de bakker ging. Kwam ze, net als ik, voor een brood? Of moest ze trakteren op haar werk en ging ze gebak en taart kopen?  Ze had haast, dat was zeker. Ze rende letterlijk naar binnen. De automatische deur had moeite om haar te volgen. Maar dat was buiten deze vroege vogel gerekend. Ik had net afgerekend en stapte naar buiten. De binnenstormende mevrouw was zo gefocust op haar toekomstige koopwaar dat ze me niet zag. Ze botste letterlijk tegen me aan. Ik kon nog net mijn 7granenbrood in bescherming nemen. Anders was het van 7 naar 3 gegaan.  “Sorry”, mompelde ze, waarna ze even gehaast verder stapte.  Wat kon er nu zo dringend zijn? Wilde ze de files in Antwerpen voor zijn? Het was half acht ‘s morgens. Een onmogelijke taak. Of moest ze onderweg iemand oppikken? Ik weet het niet.  Maar ik moet eigenlijk niet veel zeggen. “Gij hebt het geduld van een goudvis”, zegt mijn vrouw soms. Op zaterdagochtend sta ik als een springveer aan mijn brievenbus te huppelen. Kijken of de weekendkrant al is geweest.  In het huis van vroeger kwam de postbode pas tegen de middag. We woonden op het einde van zijn ronde. Terwijl er rond dat tijdstip bijna een nieuwe tourrit begon, lazen we in de krant nog het verslag van gisteren. Het leek ons niet te deren.  De bakker, de groenteboer en de soepboer kwamen in die tijd aan huis. Het waren voorlopers van HelloFresh. Ik vroeg me toen al af of de bakker overal hetzelfde praatje maakte. Het is een nobele kunst, praatjes maken. Tegenwoordig is een gesprek beginnen een kunst. Zelfs bij de dokter hadden de mensen tijd. Afspraken bestonden niet. Iedereen ziek in de wachtzaal.  Als het maar geen fenomeen wordt, die broodbotsingen.  

Rudi Lavreysen
0 0

Ontmaskerd

Hij leunt tegen zijn bus. Ik zie het meteen. Waarom leunt hij? Zoekt hij steun? Kan hij niet meer op zijn benen staan? Als zijn bus hem moet dragen – hoe kan hij er dan mee rijden? Zijn gezicht helpt al evenmin. Je kan er zijn hele leven op aflezen. Zeker wie wat gevoel voor drama heeft. Ik dus. Zijn gelaat laat me tegenslag zien. Alsof er van alles tegen geslagen heeft. Drank, vermoedelijk. Te lange nachten. En … al wat het daglicht niet mag zien. Het soort gezicht dat aangetast wordt. Door slechte keuzes. Frustratie die nooit spijt wordt. Je ziet het in zijn mondhoeken. Zijn blik vertelt het: reken niet op mij – ik leun tegen mijn bus. Hij lijkt wel overreden. Onder zijn eigen bus beland. Hij rijdt, dus moet het iets anders zijn. Het leven, vermoedelijk. Zijn handen stellen me al evenmin gerust. Hij verstopt ze in zijn zakken. Het leven niet in zijn handen – hoe stuurt hij die bus de berg straks op. De andere ouders lijken het niet te zien. Zijn er helemaal gerust in – al heeft hij het lot van onze kinderen in handen.  Een luid skideuntje rukt me naar het hier. En nu.Een bende vrolijke kinderen – klaar hun berg te bestormen. Of hij de valies kan helpen dragen?  Ik schrik van zijn stem.  Hij heeft er zin in, zegt hij. Vrolijk, stemvast.  Hij is dus baas over zijn stem. Zijn bus luistert vast ook wel. Hij is best knap, zonder het masker van mijn angst. Ik haal mijn handen uit mijn zakken –  nu ik hen uit wil zwaaien.  

Lien Van Droogenbroeck (Pennig)✍️
112 10

Waar is de andijvie?

"Kan u dat herhalen, meneer?Ik versta u niet zo goed.” Opnieuw fluistert hij,ditmaal iets nadrukkelijker. “Weet u waar de andijvie ligt, mevrouw?” We bevinden ons in de groenteafdelingvan de supermarkt.Schouders opgetrokken,alsof dat de kou zou wegnemen. Het gefluister klinkt vreemden komt ook van een vreemde man. Hij is het in alle betekenissen.Omdat ik hem niet ken,maar ook omdat hij onbekend aandoet.Ik herken hem nochtans.Ben hem al meermaals gekruist.Net als ik lijkt hij vrijdagavondenvoor te behouden voor de supermarkt. Hij beneemt me telkens de adem,zijn verschijning en wat hij uitschijnt —hopeloosheid. Hij lijkt zo grondeloos dat hij schuifelt,als wil hij grond zoeken —houvast.Een bergbeklimmer met hoogtevrees. Een derde maal herhaalt hij zich,in een poging me uit mijn staren te verlossen. “De andijvie, mevrouw?” Een onhandige openingszin,gezien de andijvie schittertin zijn verder lege winkelkar.Ik besluit het spel mee te spelen. “Zelf ben ik geen fan van andijvie, meneer,maar ik vermoed dat u ze naast de kolen zal vinden.” Hij lijkt weinig moeite te doenrichting kolen te stappen,schuifelt ter plekke. Nog steeds bang voor zijn moeras. Het gesprek krijgt geen vervolg.Ik trek me uit het spel terug,nog voor de kaarten goed en welgeschud zijn.Ik knik vriendelijken gebaar naar mijn boodschappenlijstje. Toch voel ik me aangesproken.Het appèl vertraagt mijn winkelkar. De vreemde man zit in het moeras.Alleen dus.En schreeuwt op fluistertoon. “Waar is de andijvie, mevrouw?” Hij voelt zich veilig bij me.En reikt uit.Hoewel het me ontroert,zet ik er de pas in. Op naar de chocoladerayon. Wat endorfines kunnen nooit kwaad.    

Lien Van Droogenbroeck (Pennig)✍️
82 4