Zoeken

Een vakantiegewoonte

Het is een verraderlijk ding. De gewoonte. Een beetje zoals je trouwe schoenen die je niet wil wegdoen, maar er op de duur toch natte voeten in krijgt. Zo hebben we de gewoonte om bij de Parijse terrastafels te gaan zitten. Tot we onlangs voorbij een ander terras met dezelfde tafelsoort wandelden, maar hier met kleurrijke stoelen. "Zullen we hier eens gaan zitten?", vroeg mijn vrouw. Ik moest me zowaar vasthouden aan een van de hippe stoelen. Die vraag had ik niet verwacht. Een inbreuk op mijn gewoonte, weet u wel. Maar ik was bereid om het risico te nemen. In de zaak weerklonk een Spaans deuntje. Er viel ook een zuiderse geur waar te nemen. Die kwam, zo zag ik aan de rookwolken, van de aanpalende shishabar. Ik ben geen kenner, maar het is vooral waterpijproken (als dat al een werkwoord is) dat de jonge mensen daar doen. Je moet er wellicht niet naartoe voor een Westmalle Tripel. De jongelui liggen er in zeer lage loungezetels. Ik zou moeite hebben om er uit te geraken, zelfs zonder een waterpijp gerookt te hebben. "Stoort het niet, die geuren?", vroeg ik aan de barman die onze drankjes deskundig serveerde. "Dat ligt eraan, hoe de wind staat. Soms zijn het ook aangename geuren", vertelde hij. Er was iets van. Met de zoete geuren en het Spaans muziekje bekroop me een licht vakantiegevoel. Ik heb dan de gewoonte om mijn schoenen uit te trekken. Het zal wel iets uit mijn kindertijd zijn, toen ik in de vakantie altijd blootsvoets rondliep. “Onze Rudi loopt weer berrevoets”, hoor ik moeder nog zeggen. Ik had mijn linkerschoen amper uit of mijn vrouw stootte me aan. "Zeg, hier toch niet." "Dat is mijn vakantiegewoonte", zei ik. "En bovendien, met die waterpijpgeuren merken ze daar toch niets van."  

Rudi Lavreysen
5 1

Stationsgesprek

Het is een bloedhete dag en ik ben redelijk vroeg aan het station van het naburige dorp. Onze jongste arriveert er met de trein, wegens geen aansluiting naar ons stadje. Het terras aan de achterzijde van het stationsgebouw ligt voor een groot stuk in de schaduw. Ik heb graag zon, maar een hele dag bakken en braden is aan mij niet besteed. Ik ben dan als een lasagne in een hete oven. Als hij begint te pruttelen, moet je hem eruit halen. Ik heb nog een kwartier. Aan mijn linkse kant zijn twee oudere dames in gesprek met de eigenaar. Dat het warm is en dat het bij de coiffeuse onder de droogkap nog warmer is. De geur van hun haarlak is herkenbaar. Ik zie de bruine bus met de witte dop thuis nog in de kast staan. Aan mijn rechtse zijde zit een grote man met een zomerhoed. "Ik ben zjust in de schaduw gaan zitten", spreekt hij met het smakelijke accent van ons naburig dorp. "Ik hem ne nieuwe vélo gekocht”, gaat hij meteen verder, alsof we oude bekenden zijn. Hij wijst naar de driewieler tegenover ons, vastgebonden aan de lantaarnpaal. "Drie ruggenwervels gebroken", zegt hij. Er gaat meteen een rilling over mijn rug. Hij vertelt over zijn zwaar ongeval en dat een gewone fiets moeilijk is om op en af te stappen. Het is zijn evenwicht waar het nu aan schort. "Ik verschoot van de prijs. Daar kon ik hem niet voor laten staan. Rij hem maar naar buiten, zei de man van de Kringloopwinkel tegen mij. Ik ga eens zien of ik hem thuis krijg”, zegt hij, waarna hij zijn glas uitdrinkt. Hij maakt het slot los en stapt voorzichtig op zijn fiets. Het gaat hem goed af. Ik zwaai nog even. Alsof we oude bekenden zijn.

Rudi Lavreysen
21 0

Het terras

“Je bent te laat,” begroette Eva hem. “Je bent nog niks veranderd in die vijftien jaar.” Het verwijt was hypocriet, dat wist ze wel. Ze was zelf een kwartier te laat. Robin trok een wenkbrauw op; zijn wenkbrauwen waren dikker sinds hij ze niet meer trimde. “Niets veranderd? Jij ziet niet goed. En trouwens, ik zag je uit de auto stappen toen ik aankwam. Je bent hier zelf maar net.” Allebei hadden ze niet degene willen zijn die op de ander moest wachten, zeker als die ander besloot niet op te komen dagen. En toch waren ze hier nu, op het terras, Eva met haar zonnebril in de haren en ogen tot spleetjes geknepen tegen het daglicht, en Robin, breder en hariger dan ze zich herinnerde, maar tegelijkertijd toch heel herkenbaar. Robin plofte neer in een lege stoel en kamde een hand door zijn vetkuif. De schouderlange krullen van voorheen waren verdwenen, net als de zwarte mouwen die zelfs in de zomer voorbij zijn vingertoppen hadden gereikt. “Zullen we het kort houden?” vroeg hij. “Wat jij wil.” Eva bestelde een glas rosé, Robin spuitwater. Zij grinnikte. Hij negeerde haar en sloeg zijn armen overeen. In het zonlicht staken de littekens, die hij nu droeg als oorlogswonden, fel af tegen zijn gebruinde huid. Zijn nagels waren kort geknipt (niet kort gebeten), zijn armen sterk en afgetraind. Dit was niet het lichaam van een angstige tiener, maar dat van iemand die zichzelf heruitgevonden had. Haar ogen dwaalden over zijn gezicht en bleven rusten op zijn lippen, die ze in haar tienerjaren met haar eigen mond nog duchtig had verkend; een tijd waarin baardgroei nog een vreemde onbekende was – voor zover de schrale sprieten op zijn bovenlip als baardgroei telden, alleszins. Vreemd genoeg maakten die hem juist minder man. Als de serveerster even later hun drankjes bracht, bleef haar blik te lang op Robin hangen, haar voorhoofd in een frons. “Valt er soms wat te zien?” bitste Eva, die de halve euro fooi in haar hand weer in haar tas liet vallen. De serveerster mompelde iets onverstaanbaars en maakte zich uit de voeten. Eva zuchtte. “Je ziet er goed uit. Meer dan ooit jezelf. Zag iedereen dat maar.” Robin ontvouwde zijn armen en legde een hand op haar knie. “Dank je,” zei hij, heel even weer dat meisje van zeventien dat Eva’s hart gestolen had. En toen opeens niet meer.  

Caronaut
32 2