Zoeken

havelings

Nu de horizon die rillerige tuin van verlangen in een diffuus trillende lijn aanlegt en het onduidelijk wordt wat zakt, het verhittende onder het verkoelende, of omgekeerd, de mist van meer, nu, dat haar uitnodigt in bevangenis te blijven staan, vleit zich langzaam om haar eigen einders heen, haar lichaam dampt van ver tot dichtbij, de geest van minder, nu, stijgend over het milde het scherpe, of omgekeerd, het water van vroeger of later, zwaar, modereert en modelleert, nu, de reactor van haar kern, nu.     Lam laat ze zich houden in het beeld van euforische stand terwijl daaruit, als grijze sneeuw, een grauwe gestalte achterover, voorover, vallen, vallen is wat ze doet, die gedaante, plat op een buikse rug, een rugse buik, plat, een schaduw die zich wild laat houden in het beeld van lig, liggen, liggen als een getormenteerd zwerk op de zanderige werkvloer van het strand, gestrand, hiertussen, tussen euforie en torment, hiertussen dromt ze zich als een nu eens bedwelmd, dan weer alert vierend zeil van zinnelijkheid.     De wind die alle beelden steelt. Het licht tussen licht in dat nooit verveeld, het onbestemde van wat ze tonen wil, aan de wereld, aan zichzelf, het ondoordachte van haar zijn, spontaan wil ze in de golven onderduiken, spontaan zinken, zinken tot in de bron van haar voortstuwing, de bron waaruit zuurstofbellen pruttelen alsof door haar adem aangedreven, ze ademt. Diep in. Diep uit. En het herhaalde, hertaalde van hoe haar borstkas vraagt, wie weet precies wat, of hoe, en hoeveel jaren al keert ze hier terug als op stappen van zichzelf die voor haar uit trappelen, water, water van ze drijft tot ze weggewassen in hetzelfde moment dezelfde ruimte vindt, voor zichzelf, een immer almaar ternauwernood verdrinkingsdood, en toch, elke keer weer, haar kraag omhoog, haar kraag omlaag, het badpak onder haar kleren, haar kleren over het badpak, er is geen temperatuur, geen atmosferische druk, het is een wissen ook, hier, een wissen van sporen die alleen maar willen zeggen, zij is dezelfde hier, aangekomen, het kon niet anders lopen, zie kijk, haar voeten vol zout lopen de bewaring in, de illusie, het nodige zelfbedrog, de bravoure om brak water geen ingang te gunnen, ze zoekt naar wondes, niet, ze zoekt naar littekens, niet, ze zoekt naar waar de huid zichzelf vervangen heeft. Dat ze kan zeggen, het is een ander die erin leeft. Die zwemt. Die zweeft.     En alle beelden die haar stelen.    En de wind strelen.  En in de verte, hoogte en laagte, de dolfijnen en de albatrossen in hun hermetische taal sprekend, sprekend over hoe ze, projecteren mag als ze wil, ze blijven beweren dat ze dezelfde is gebleven, dezelfde die ternauwernood verdronk, zonder atmosferische druk of temperatuur, dezelfde die ademt. Diep in. Diep uit.    Het is een vergissen ook, de sporen zeggen, zij is anders hier, aangekomen, het kan zijn, dat we ons van lopen vergissen, van voeten, van zoet, van het bewaarde, is de realiteit overgebleven dat ze bang, zelfs laf was geweest, helend water een uitgang te gunnen, ze vindt klanken die aan geen schelp toebehoren, zuiend geruis van een onthouden iets dat vraagt of het badpak, de kleren, wat zit nog gegoten op de bodem waarin de bron spoorloos is, de dolfijnen, de albatrossen weten het ook niet, waarom, was het de zomer of de winter die haar verzwolg, een seizoensgebonden zwichten of een jaarlijks verzet, wat is de wederkerigheid van dit gevaar, brekend op de storm bovengronds en de stroom onder water, wat splijt hier dat het zo atomair noodzakelijk lijkt, nu, de kern van haar reactor, nu, nu het niet te modelleren nu, het niet te modereren nu, nu de gevangenis haar overstijgt, wat is de onbewuste pathetiek die zich onvoldoende vindt nog maar de handen om de tralies te leggen, laat staan nijpen, fijn, wat nijpt dit koud staal fijn, oorzaak, gevolg, van het moment niet meester zijn, niet meester kunnen zijn, hoe ver te ver is ze dit keer ontsnapt, ruim op overschot, komeet van over eeuwen kom ik er nog eens op terug, ze laat alle zink los.    Bouwt een cel van ik, enkel ik kan de enige zijn die me ontvalt wanneer ik het over mezelf heb, hier, hier verraad ik me, hier en nu, nu en hier geef ik al het alchemistische de kans om te falen in het maken van goud van mij, lood, lood, lood en schiet me uit mijn evenwichtige baan om mezelf heen, een impact ergens, een staartje dat in een dampkring wat van de zijige haren achterlaat, iemand, iemand die van mij een pels maakt, geknuppeld neer, geslagen hond, zee van zeer en kan ik dan mijn eigen ijs en eis niet doen smelten, beer ik maar, heen en weer, been ik maar, op andermens voeten tot het van die mens ook niet meer zal moeten. Omdat ik haar zo stilaan vergeten ben. Haar zo moeilijk onthoudt. Zo moeilijk voor de geest kan doen verschijnen als zij, zij was de reden, de oorzaak, de bron van al mijn gevolgen. Diep. Uit. Diep. In. Adem.    En dank je wel voor de vervolging. Het aanjagen. De strijd. En het aanlengen van mijn mysterie dat niet anders kan dan om mijn falen, horizon-taal, gestippel-lijnd, kan draaien. Draaien en draaien. Als een melk weg rond. En rond en rond.     Beeld en wind.   Steel en streel.    Klank, kleur en geweld. 

Bas Tuurder
36 1

Gecertificeerd schrijver

Hoera, sinds zaterdag ben ik een gecertificeerd schrijver. Bij De Schrijversacademie Antwerpen diende ik mijn manuscript 'Stekelvel' in. In dat verhaal reizen Nino en Lea op een tractor naar de begrafenis van Bubu, de baas van het café waar ze elkaar dertien jaar geleden leerden kennen. Op de slotavond van de Schrijversacademie las ik dit fragment voor:  Zonder voor te stellen om te helpen, kwam Nino me tegemoet. Hij draaide het kader van de fiets om, zette het stuur en het zadel in de kiezels. De wielen draaiden in het ijle. ‘La chaîne’ was geblokkeerd doordat het spatbord verschoven was. Nino trok het weer recht, legde mijn ketting op het tandwiel en draaide een pedaal om zijn as. De losse slang die de ketting was geweest, liet hij weer soepel ratelen.   "Frère et soeur”, lachte Nadia toen Nino en ik het café betraden, elk met handen vol olie. “Was ze in de badkamer”, zei Bubu. Hij woonde achterin het café, de cafégangers gingen naar het toilet in zijn badkamer. Ze was spatvrij gepoetst en olijfgroen, het bad, de bidet en de lavabo. Bubus handdoek hing rechts, die voor de gasten links. Ik draaide de kraan open en nam de ovalen zeep van het zeepbakje. Zwarte stralen water stroomden over het email van de lavabo. Nino drukte het gebarsten stuk zeep samen tot het uit zijn handen glipte. “Attrape-le”, schreeuwde hij. Ik klapte mijn handen rond de zeep, spatte ons beiden vol sop, maar ik kreeg er geen greep op. Nino vouwde als de bliksem zijn handen onder die van mij. De zeep glibberde als een nerveuze vis op het droge tussen zijn handpalmen, hij heupwiegde mee tot het schijfje tot rust kwam en in zijn handkommetje bleef liggen. “Voilà, madame”, zei hij terwijl hij zijn armen naar me uitstak. Ik werd de ruimte tussen onze lichamen gewaar; het was gewoon lucht maar ik raakte er niet door, alsof we twee magnetische pluskantjes waren die elkaar weg duwden. Zo moeten we een paar minuten tegenover elkaar hebben gestaan. Terwijl ik voor het eerst iemands lippen tegen de mijne voelde, viel de zeep op de grond. Ik weet niet of Bubu en zijn gevolg ons misten in het café, of iemand ons langs de kier van de deur had bespied. “J’aime réparer ton vélo”, fluisterde Nino, zijn voorhoofd tegen het mijne. 

Pons
20 2

Via R4

Vanaf zijn appartement, drie hoog, had Adelbert een prachtig zicht op de R4. Vele mensen zouden neerkijken op dit uitzicht en deze ligging maar Adelbert niet. Het constante spel van wagens, vrachtwagens en motoren, het leken wel filmpersonages, maakte dat hij ’s avonds amper televisie keek. Hij keek jaloers naar durfallen op de motor die nog bij het net op rood gesprongen licht passeerden en zo het ruime sop kozen waar anderen, ter plaatse trappelend, moesten wachten om mee te springen. Hup de wijde wereld in. De wijde wereld zelf was voor Adelbert geen must. Iets te vaak is hij het spoor bijster geraakt. Zo moest hij eens op controle naar het ziekenhuis voor een malle bijnier. De afspraak stond gepland om 10 uur. Adelbert was mooi op tijd aangekomen met de bus, zijn moeder verbood hem de fiets te nemen door de drukke ochtendspits, en braaf had hij zich aangemeld aan de balie. Hij kreeg een nummer en een route die hem naar het juiste kabinet zou leiden. In de lift al wist Adelbert niet meer precies waarheen. Hij werd gevonden in het mortuarium, het tijdslot voor de controle van zijn bijnier was inmiddels verlopen, dan maar huiswaarts en hopen dat alles het houdt. In dat mortuarium, zo oordeelde Adelbert, was het minder stil dan hij had verwacht. Niets sereen. Ook de doden kampen met overlast, bedacht hij. Er speelde muziek uit een radio, geen dodenmars maar vrolijkheid in plastic. Af en toe kraakte er iets, zo nu en dan sloeg de koelinstallatie aan. Neen, prettig toeven was het daar niet. Alle mensen die hier liggen zijn binnen de week weg van deze aarde. Dat zijn ze in wezen al, maar straks zullen ook hun fysieke resten niet langer onder ons zijn. We gaan er allemaal aan, dat is het punt niet, maar hier, op deze plek, is het zo tastbaar.  Toen hij thuis was vroeg zijn moeder, hij had afgesproken eerst daar te passeren, hoe het ging. ‘Niets gevonden’, loog hij. Op de keper beschouwd loog hij maar één letter “niet gevonden” was waar, maar dat zou voor gedoe zorgen. En er was vandaag, en alle andere dagen, al gedoe genoeg. ‘Ga je maar wassen, je stinkt’, zijn moeder wond er geen doekjes om. ‘Maar moeder.’‘Naar ziekenhuis, je stinkt naar ziekenhuis. Daarbij, daar zitten allemaal bacteriën op de klinken en stoelen. En je hebt de dokter vast en zeker een hand gegeven. Daar zit ook vuiligheid op, op dokters.’ Gedwee gehoorzaamde Adelbert, hij sjokte naar de badkamer. De roze tegel deed zijn maag altijd een beetje keren. ‘Neem het blauwe washandje, ik heb dat maar één keer gebruikt, zaterdag’ riep zijn moeder hem na. Nadien aten ze karnemelkpap. Zwijgend. Adelbert dacht aan zijn raam dat uitkeek op de R4 en de wijde wereld.

Thomas De Mulder
13 0

Haas Halfweg en het Boek van Alles

Na lang rennen komt Henk aan bij het Spiegelmeer, aan het uiterste achtereind van het Schemeringse Beestenbos. Hier, onder de oude eik, ligt de ingang van het berenhol. Tok-tok-tok! Kriepende stoelenpoten. Dan slome, zware voetstappen. Het luik zwaait open, en een verblinde Boekie Beer vraagt: 'Wie is daar?' De oude schrijver heeft in geen jaren nog bezoek gehad. 'Henk, meneer,' zegt Henk. 'Henk de Haas.'   ◊   Terwijl Boekie voorgaat verkennen Henks ogen het hol vol prullen, vuile vaat en stoffige boeken. Boekie Beer is een sloddervos, denkt de haas. Beer zet twee glazen frambozensap op tafel. 'Vertel. En geen u of meneer hoor. Meneer woont hier niet.'   ◊   'Wel, Henk dus. Maar iedereen noemt me Haas Halfweg. Dat zit zo: het minste leidt me af. Dan vergeet ik wat ik van plan was, en kom niet verder dan halfweg. Heel vervelend. Ik ben al blij dat ik tot hier geraakt ben.' 'Oei,' zegt Beer. 'Maar wat kan ík daaraan doen?' 'Nou, jij hebt toch massa's boeken geschreven? Als iemand me kan leren hoe je iets afwerkt, dan jij wel.' 'Daar heb je een punt,' vindt Boekie. 'Mag ik hier ... een tijdje wonen en kijken hoe jij het doet? Ik kan voor je koken! Ik zal poetsen en jou nooit in de weg lopen.' De ouwe schrijver kijkt eens rond en ziet meteen de voordelen. Van achter zijn voorpoot fluistert hij: 'Zal ik je alvast een tip geven? Als ik afgeleid raak? Boekie Beer, zeg ik dan, hocus focus! Vaak gaat het daarna beter.' Plots veert Beer recht. 'We doen het!' juicht hij. 'We doen het!' juicht ook Haas. En ze beginnen samen een gek dansje.   ◊   De volgende dag. Aan de afwas staat Haas lang voor zich uit te staren. 'Hocus!' roept Beer. 'Focus!' roept Haas, en hij werkt verder. Stik, het water is koud.   ◊   Boekie Beer loopt op wolkjes. Hij heeft meer tijd dan ooit om te schrijven, het eten is lekker en hij hoeft niet langer tegen zichzelf te praten. En Haas? Die lacht zich rot met Boekies onuitputtelijke verhalen. Je zou ze stilaan beste vrienden kunnen noemen.   ◊   Op een avond liggen de beste vrienden sterren te kijken. Zonder een woord te zeggen wijst Haas de Grote Beer aan. Want samen lang zwijgen, ook dat kunnen ze prima. Luisteren naar de stilte. Wat een rust. En alleen iets zeggen als het belangrijk genoeg is. De rust verstoor je niet zomaar.   ◊   'Beer?' 'Hm.' 'Waarom heb jij eigenlijk geen succes meer? Ooit was je toch beroemd?' Boekie glimlacht. Hij wacht tot de woorden van Haas uit de lucht zijn verdwenen. 'Ach, roem. Herkend worden, op tournee gaan. Geen tijd om te schrijven en geen moment voor jezelf. Genoeg, zei ik. Ik stop.' 'Oehoe,' zegt een uil. 'Sindsdien werk ik aan mijn Boek van Alles. En slaap ik tenminste in mijn eigen bed.' 'Oehoe.' 'Ik zou best beroemd willen zijn,' fantaseert Halfweg.   ◊   Vandaag poetst Haas de boekenhoek. Plots stormt hij de schrijfkamer in, wapperend met schriftjes. 'Beer, Beer!' 'Je stoort!' 'Maar kijk wat ik net vind? Een hele stapel verhaaltjes ...' 'Och, die liggen er al zo l...' '... waar heb je me niets van hebt verteld? Mag ik er tekeningen bij verzinnen? Asjeblieft? Heb ik eindelijk iets om af te werken.' Boekie zucht diep. 'Ik wist niet dat jij kon tekenen?' 'Ja hoor,' antwoordt Haas. 'En dit lijkt me een uitstekende oefening in hocus focus.' 'Misschien heb je wel gelijk,' zegt Beer. 'Ach, waarom ook niet. Probeer maar. Kan ik tenminste verder werken.'   ◊   Boekie knabbelt op een stuk salami. Halfweg bladert in het eerste schriftje. 'Leuk verhaal,' zegt Haas terloops. 'Maar ... is je vos niet te perfect? Van mij zou hij gerust mogen stotteren of zo.' 'Nooit!' brult Beer, terwijl hij bam! met zijn klauw op het tafelblad slaat en een mondvol salamibrokken in het rond spuwt. 'Het zijn mijn verhalen en daar verander jij geen woord aan!' Haas davert. Zoiets moet ik nooit meer proberen, denkt hij.   ◊   Een mijlpaal! Nooit eerder heeft Halfweg iets afgewerkt. Beer is onder de indruk: met de prenten van Haas komt Vossie Snots Zoeke Zakdoek helemaal tot leven. 'Maken we er een boek van?' vraagt Haas, hoopvol. 'En weer succes hebben? Niets van.' 'Maar we zijn geweldig samen! Beer, je maakt een grapje?' 'Toch niet. En ik verander niet van gedacht.' 'Spelbreker,' mort Haas. Zijn stem klinkt naar ontgoocheling. Boos en triest tegelijk.   ◊   Na een slapeloze nacht zegt Beer: 'Hier, Haas. Delen een, twee en drie.' Echt? Halfweg mag het Boek van Alles lezen! Zo hoopt Beer zijn vriend terug op te vrolijken. In het zonnetje, achterovergeleund tegen een boom, verslindt Haas bladzij na bladzij. Hij maakt twee stapels: "gelezen", en "te gaan". Op beide legt hij een kei, stel je voor dat er plots wind opsteekt! Wauw, het Boek van Alles is beestig interessant. Al wat je maar kunt bedenken zit erin. Bijvoorbeeld: hoe je je veters kunt knopen met je poten in het verband. Of hoe de Gletsjerglijbaan wegsmolt, en er een modderstroom voor in de plaats kwam. Zelfs wat heel erg ingewikkeld is, weet Boekie met puik bedachte grapjes uit te leggen. Zodat iedereen het kan begrijpen. Zelfs die domme Erwin Ezel van de Oenenhoek.   ◊   Plets. Een regendruppel. Dan nog een. En nog een. Terwijl Haas Halfweg zich naar binnen rept, ziet hij nog net hoe de post uit de brievenbus puilt. Haastig dropt hij zijn twee stapels in een hoek en rent weer naar buiten, waar intussen een fikse bui plenst. Halfweg roefelt de post bij elkaar. Hij zoeft naar binnen ... oei, zo laat al? ... en legt haar ... hup! ... boven op de "gelezen"-hoop van het Boek van Alles. Haas dekt de tafel en begint aan het eten voor de avond.   ◊   De volgende ochtend. Na het ontbijt trekt Boekie de deur van zijn schrijfkamer dicht. Die zie ik voor vanavond niet meer terug, denkt Halfweg. Prima, kan ik lekker veel lezen. Och, die post ligt er nog. Maar ... diepe kraters? En al het papier kleeft aan elkaar? Wat een ramp, ook de "gelezen"-stapel zit vol gaten. Slakken! O nee, die zijn mee naar binnen geraakt. Verscholen tussen de post. De hele familie zit te smullen van het Boek van Alles. Hun slijm doet de vellen aan elkaar kleven. Wat nu?   ◊   Haas Halfweg gooit de slakken het bos in, zo ver als hij maar kan. Daarna gaat hij een poos besluiteloos naar de schade zitten kijken. Maar wacht, denkt de kleine haas plots. Ik heb dit gisteren pas gelezen, ik wed dat ik het kan herschrijven! Toch? En Halfweg gaat aan de slag.   ◊   Na een lange werkdag komt Beer boven water. 'Hebben we iets lekkers?' Ai. Leg het nu maar uit, Haas.   ◊   Beers honger is meteen verdwenen. Nee toch, al dat vele werk? Hij grist het dikke pak papier van tafel en bladert er jachtig doorheen. 'Ik heb alles zo goed mogelijk hersteld,' probeert Halfweg. 'Dacht ik niet!' snauwt Boekie. 'Er waren stukken die ik me niet kon herinneren,' jammert de kleine haas. 'Die kreeg ik niet helemaal goed.' 'Onzin!' vindt Beer. 'Bladzijde veertien? Een haas ziet dit natuurlijk heel anders ... en dan drie alinea's waarin je me tegenspreekt en tracht uit te leggen waarom wortelpuree wel lekker en gezond zou zijn!' 'Maar ... het is een Boek van Alles?' redeneert Haas. 'Dan moet het toch ook een Boek van Iedereen zijn? Enkel jouw mening is zeker niet Alles!' 'Voor mij wel,' zegt Beer. 'En het is mijn mening dat je kunt gaan. Nu. Meteen. Pak je spullen en vertrek.'   ◊   Wanneer Halfweg het bos in schuifelt, hoort hij achter zich nog één keer het luik kriepen. Omkijken doet hij niet, hij probeert alleen maar overeind te blijven onder de harde woorden die Boekie Beer hem achterna brult. 'En dan nog iets: je hebt het niet, Haas! Je hebt het niet, en je zult het nooit hebben. Zonder mij bak je er niets van, jij ... knaagdier!'   ◊   Wel twee maanden lang blijft Halfweg met verdriet in bed. Hij kan maar niet geloven dat zoiets stoms is kunnen gebeuren. Hij hield zo van Boekie, en hij mist zijn gezelschap. Mist Beer hém dan niet? En al die kwetsende woorden, waren die echt nodig? Halfwegs hart lijkt elke dag wat dieper weg te zinken. Tot het ergens achter zijn navel blijft steken.   ◊   Dan heeft Haas er genoeg van. Wie wil er nu een ton vol tranen zijn? In zijn hoofd draait hij een soort kraantje open, zodat het verdriet eindelijk weg kan. Maar kijk: hij vult de ton meteen weer op, met woede. Wat een nepvriend was die Boekie!   ◊   Haas Halfweg schrijft en schildert nu onophoudelijk. Zijn eerste verhaal gaat over een vos ... die stottert. Er volgt een tweede boek. En een derde. Elk boek heeft nog meer succes dan het vorige. Tijdens de tournee Haas Halfweg leert hij de knepen van het voorleesvak. Al snel voelt hij zich thuis op het podium. Nu zit ook de tweede toer erop. Halfweg en Verder duurde langer, de zalen waren groter, hij werd verwend als een koning en heeft landen gezien waarvan hij niet wist dat ze bestonden. Eindelijk staat Haas aan de top. Tijd om Boekie op te zoeken, denkt hij. Je zat er helemaal naast, maat. Zie je wel dat ik het kon.   ◊   Wanneer Haas aankomt bij het Spiegelmeer, aan het uiterste achtereind van het Schemeringse Beestenbos, ziet alles er nog precies hetzelfde uit. Net alsof hij hier nooit is weggeweest. Maar dat is hij natuurlijk wél. Vandaag staat hij opnieuw als een vreemde voor het luik. Dat doet zijn hazenbuik een beetje kriebelen. Tok-tok-tok! Kriepende stoelenpoten. Voetstappen, wat slomer en zwaarder dan toen. Het luik zwaait open, en net als die allereerste dag vraagt Boekie Beer, verblind en verrast: 'Wie is daar?' 'Ik ben het,' zegt Haas. 'Haas Halfweg.'   ◊   'Halfweg?' herhaalt Beer. 'Beste kerel, wat ben ik blij jou terug te zien! Waar bleef je zo lang?' Daar begrijpt Haas niets van. Ze hadden toch mega ruzie? 'Zo moet je niet beginnen,' zegt hij, met een klein bibbertje in zijn stem. Stom, nu lijkt hij minder stoer dan hij zou willen. 'Ik ben al jaren boos op jou ... é-é-én dat blijf ik ook. Denk nu niet dat ik plots ... ik kom gewoon bewijzen dat je het fout had.' 'Natuurlijk had ik het fout,' zegt Beer. 'Wacht, kom binnen, ik moet je wat uitleggen.'    ◊   Het schrijvershol ligt er weer net zo vuil bij als vroeger. Terwijl Boekie uitschenkt, opent Haas zijn rugzak en knalt met een boze frons zijn drie succesboeken op tafel. Frambozensap klotst uit de glazen. 'Niet slecht toch, voor een ... knaagdier? Ik reis de hele wereld rond. Iedereen kent me nu.' Beer maakt zich niet druk om het gemorste sap. 'Weet ik,' zegt hij, terwijl hij ... 'Hoezo, weet ik?' ... rustig naar de leeshoek stapt en daar net diezelfde Halfwegverhalen van het schap neemt. 'Ik heb jou op de voet gevolgd,' legt Boekie uit, en hij duwt zijn stukgelezen boeken in de slappe poten van de verbaasde Haas. 'Zullen we dan nu iets drinken?'   ◊   'Ik ben helemaal in de war,' zucht Halfweg. 'Proficiat,' zegt Beer. 'Echt, ik meen het. Je hebt het schitterend gedaan.' 'Maar je riep de vreselijkste dingen? Je hebt me eruit gegooid!' 'Dat was ... een duwtje in de rug.'   ◊   'Wel, jij durft!' windt Haas zich alweer op. 'Wacht nou even,' zegt Boekie, 'ik probeer het je net uit te leggen. Wij samen, dat was ... beestig. We waren goed in samen. Maar samen was niet goed voor ons. Of toch niet voor jou.' 'Hoezo dan?' vraagt Halfweg, met ergernis in zijn stem. 'Ik remde je af, Haas. Jij popelde om de top te bereiken, terwijl ik ... daar al was geweest. En jouw stotterende vos? Die had je zomaar aan mij verspild, als ik dat tenminste niet had verboden.'   ◊   Halfweg zit te luisteren met zijn lange oren vol ongeloof. 'Jij moest hier weg, kleine vriend. Maar hoe kreeg ik jou ooit zover?' 'Had dat toch gewoon uitgelegd,' mokt Haas, 'dan was ik wel uit mezelf vertrokken.' 'Geloof je dat echt?' zegt Beer. 'En had je dan iets bereikt? Oké, met hocus focus kom je een heel eind. Daar krijg je nog wel een boek mee klaar. Maar daarna? Er zijn wel hónderd beesten met een boek. Aan de top is geen plaats voor honderd, Haas. Om daar te geraken moet je willen, harder dan al die anderen, willen uit het diepste van je schrijversziel.' Boekie wijst naar de Halfwegverhalen op zijn tafel. 'Als ik je niet had weggejaagd, had je deze nooit geschreven.'   ◊   Haas Halfweg begint het te snappen. 'Ik moest eerst woest zijn ...' En Beer maar knikken. 'Dat ongelukje met de slakken was mijn kans. Dus ik deed wat nodig was, ook al brak ik zo je hart ... en het mijne.' '... en woest wás ik!' roept Haas, en hij springt boven op zijn stoel om stoom af te laten. 'Ik zou wel eens tonen wat ik kon! Slagen, helemaal alleen! Beroemd worden en jou, stomme Beer, je ongelijk bewijzen!' 'Een doel dat ík jou gegeven heb.' Haas trekt zijn snorharen recht en daalt opgelucht zijn stoel weer af. 'Dat is het,' zegt Beer. 'Willen, willen, willen, en dan hocus focus. De magische formule om niet op te geven halfweg.' Boekie en Halfweg geven elkaar een high five. 'Trouwens,' zegt Beer, 'die treurige spotnaam kun je nu wel laten vallen. Halfweg is verleden tijd, jij bent gewoon Henk. De beroemde Henk de Haas. En ik ben trots dat ik je vriend mag zijn.'   ◊   Toch is er iets wat haas Henk nog altijd niet begrijpt. 'Maar Boekie,' vraagt hij, 'waarom ben jij eigenlijk niet écht kwaad op mij? Ik heb je Boek van Alles toch vernield?' Beer glimlacht. Zo ziet hij er lief en vredig uit. Als iemand die intussen oud is en wijs, blij met hoe de dagen zich vullen als vanzelf. 'O, eerst was ik wel een beetje boos,' legt Boekie uit. 'Maar lang niet zo erg als je dacht! Wist jij veel dat ik mijn klad nog had.'   ◊   Henk de Haas tuimelt werkelijk van de ene verbazing in de andere. 'Dus ...' 'Juist,' zegt Beer. 'Het enige wat me te doen stond, was alles weer overschrijven in mooie, zwierige Boekie Beerletters. Vervelend, maar ook niet meer dan dat.'   ◊   'Maar toen gebeurde het. Al na een paar regels brak de punt van mijn ouwe schrijverspen. Alsof ze wou zeggen: Beer, waar zijn we nu eigenlijk al zo lang mee bezig? Elke dag gebeurt er in de wijde wereld meer dan jij in je hele leven op papier kunt krijgen.' Beer draait een paar rondjes met zijn laatste centimeter sap. 'Dat is helemaal waar, besefte ik ineens. Een Boek van Alles? Domste plan ooit, Alles is te veel. Tja, en toen ben ik dus gestopt.' Boekie slaat zijn sap achterover en zet het lege glas op tafel. 'Geloof het of niet: dat voelde aan alsof ik voor het eerst in jaren weer adem kreeg. Dus dank je, Henk de Haas, voor de slakken. Het ongelukje. Ik had me geen groter geluk kunnen wensen.'   ◊   Die avond, precies als vroeger, liggen Haas en Boekie in stilte sterren te kijken. Samen lang zwijgen. Nee, dat zijn ze niet verleerd. 'Je mag hier wel weer komen wonen,' denkt Beer. 'Doe ik,' denkt Henk terug. 'Henk Haas?' denkt Boekie, een beetje aarzelend. 'Sorry nog, voor al het verdriet.' Daar moet Haas een beetje van kreunen. 'Maar ik wist dat het goed kwam!' denkt Beer, heel overtuigd. 'Want je hebt het. Natuurlijk wel.'   ◊   Henk de Haas zwijgt nu nog stiller. Zijn oogjes blinken een beetje. Boven hem fonkelt de Grote Beer, heel even maar. Dat lijkt wel een knipoog. 'Bedankt, Boekie,' fluistert Haas in gedachten, zo warm en zacht dat zijn makker het zeker kan voelen. 'Sorry, dat ik aan jou heb getwijfeld. Je bent een echte, grote beer. En de beste vriend ter wereld.'     EINDE       Haas Halfweg en het Boek van Alles, met illustraties van Evelien Van Landeghem, is te koop via de webshop van de auteur. Aanbevolen voor lezers van 7 tot 10 jaar — en hun ouders.

Marc Terreur
17 1

Zes Alinea’s en een Titel

Mijn pa zei altijd dat ik moest stoppen met janken, dus schrijf ik. Ik neem letters in mijn hand, schudt ze even goed en smijt ze de lucht in, waarna ze verspreid op het ruwe tafelblad landen. Schrijven is gokken. Zolang de letters, juist voor de zwaartekracht hen neerhaalt, ogenschijnlijk roerloos in de lucht hangen, heeft de schrijver hoop. De woorden zijn gevallen. Ik probeer hier en daar wat te veranderen, verbuig mij een weg tussen een dichtbevolkte werkwoordelijke eindgroep. Het onderwerp kan wat subjectiever en de adjectieven mogen wat meer bijvoegen. Uiteindelijk is er geworpen wat er gesmeten is. Verbouw naar hartenlust, op een slecht fundament zal het huis scheef staan. Wil ik winnen, moet ik bluffen. Ik kan de groene kop van mijn collega-gokkers al rieken, wanneer ik mijn lege hand op dat ruwe tafelblad leg. Daarvoor moet ik natuurlijk eerst eens winnen. Laatst verloor ik van een man die eerst zou afvallen in Sjakie en de chocoladefabriek, een vrouw met het zindelijkheidsniveau van een zesjarige en een doctor die moeite had met de spelling van het woord ‘paard’. Tussen al dat edel volk danste ik als een hofnar op een lied over alledaagse liefde met nota bene een Latijnse titel. Een oude wijze koning zei ooit: “Had de nar leren vechten, dan was hij een ridder.” Dus ik zocht naar een sparringpartner, iemand om de fijnere technieken van te leren, om de dodelijke pen als een swingend zwaard te hanteren. Als gezalfde ridder kan ik drie Leuvense jonkvrouwen misschien wel het hof maken. Een prins op een witte velo, was de ideale leermeester geweest. Ik besloot om de externe raadsman van het kiesorgaan op te zoeken. Deze zeilende reporter bood echter niet veel nieuws. Iedere schrijver is verplicht zijn eigen boontjes te doppen. Uitzichtloos vergrijp ik me aan de vertrouwde, fenomenale feminateek. Het is een gemak dat mijn idolen gestorven zijn. Afgekeurd door Louis Paul Boon smeet ik mezelf voor een camion op de Kapellekensbaan. Mijn vader, een andere gesneuvelde idool –een man die de stoffige bladeren van een schelmenroman verdient, wat ik hem in mijn hoedanigheid als schrijver ooit wel schenken zal- leest langs mijn schouder mee, naar alles wat ik neerpen. Als enige kent hij echt al mijn woorden, zelfs de geschrapte. Te grof, te melig, te zielig, te vernederend, te gevaarlijk, te eigenwijs. Ze vormen een wirwar van versmachtende neerslachtigheid, ongeziene hoogmoed en perverse fantasie. “Zoon, ge zijt weer aan ’t janken”, hoor ik zijn echo zeggen. “Maar papa toch, het Nederlands is dan ook een jankende taal.”

Ybe Terryn
16 0

Writer’s Block

Het is een koude winterdag… Waarom winter? Laten we anders zeggen dat het zomer is. Dat het zonnetje schijnt, de vogels fluiten en andere zon-gerelateerde activiteiten bezig zijn. Het is een warme zomerdag… Ziet u wel, het klinkt al beter, daar wordt de mens direct opgewekter van. Laten we die warm nog vervangen, want wat zegt dat eigenlijk ‘warm’. Wat is een mens nu met een onduidelijke temperatuuraanduiding. Warm; dat kan 27 graden zijn of 39 en er is toch een merkbaar verschil tussen de twee. Bij 27 gaat men een wandelingetje maken, komt wat bekenden tegen, nodigt ze uit voor een frisse pint terwijl de buurman worstjes staat te grillen. Bij 39 kan een mens de slaap niet vatten omdat die dreigt te verdrinken in zijn eigen zweet, bedekt hij puffend de ramen van zijn huis en verhuist met zijn ballen over de grond slepend hopeloos van zitplaats naar zitplaats op zoek naar het plekje, waar het net dat tikkeltje kouder lijkt te zijn. Het is een zwoele zomerdag. Zwoel, mensen krijgen goesting in onveilige strandseks, jongeren willen de alcohol in hun bloed voelen en de decibels in hun oren. Geschiedenis is geschreven tijdens zo’n zwoele zomerdag; Jimi Hendrix speelde met zijn tanden op Woodstock, Neil Armstrong zette een kleine en grote stap tegelijkertijd(!) en Hitler zond zijn troepen richting Polen. Er gebeurt voor elk wat wils op een zwoele zomerdag. ’t Is zelf een alliteratie. Zwoele Zomerdag. Maar het is zo’n standaarduitdrukking. Het brengt ons nergens. Plaatsbepalingen bepalen, tijdsaanduidingen aanduiden, bijvoeglijke naamwoorden bijvoegen, het doet er eigenlijk niet toe. Is de wereld dan niet even grijs of zonnig als de waarnemer dat zelf wil? Op een moment in de tijd… Het nieuwe doel, zonder verplichte leesomleiding, letterfile of woordenbotsing rechtstreeks naar de eindbestemming. Maar wat zou dat dan mogen zijn, het einde, het punt waartoe men komen wil? Een ultieme waarheid, dat heeft het postmodernisme al lang gelyncht. Houdt het leespubliek dus vooral niet bezig met waarheden rond hun strot te hangen. Op een moment in de tijd zit een man. Lederen schoenen houden zijn berkrompen lichaam recht. Hij kijkt op zijn horloge, de grote wijzer bevindt zich precies tussen de elf en de twaalf. Hij kijkt op en ziet een trein aankomen. Het piepende geluid van de remmen ontwaakt hem uit zijn loomheid. De deuren gaan open, zoals enkel treindeuren opengaan, met een ongelooflijke blijk van triestigheid. Hij staat even stil bij zijn vrouw die denkt dat hij momenteel doelloos contracten uittypt, alsof hij nooit zijn ontslag had ontvangen. Hoelang duurt het voor ze opmerkt dat al zijn kleren niet meer in de kast hangen. Hij klemt de bruine reistas nu steviger vast. De conducteur ziet hem staan en maakt een handgebaar. Het is nu de laatste kans om op te stappen. Hij voelt zijn voeten in drijfzand wegzakken… Schrijven we dan over een depressieve man? Dat is te saai en daarbij mannen zijn zo passé. Men heeft genoeg verhalen over mannen, over hun misdaden, hun kortzichtigheid, het achter hun lul aanhollen. De blanke hetero man is de ultieme vijand van de 21ste eeuw, dus het beschrijven van zo’n schepsel door gevoelens eraan toe te kennen, dat werkt alleen maar contraproductief. Men schrijft beter over de vrouw, het goddelijk wezen dat zelfs na meer dan tweeduizend jaar oppressie nog altijd straalt, als de zon die zou kunnen aanwezig zijn op een moment in de tijd. Maar het is te moeilijk om een vrouw te beschrijven, niet-vrouw zijnde. Hoe schrijft men tegenwoordig dan over een man? Voeg er wat transvetten bij. Een beetje boter voor de anders zo saaie boterham. Op een moment in de tijd zit een persoon, hij/zij kijkt in de spiegel naar zijn eigen lichaam, een fabrieksfout, maar geen klachtendienst waarnaar gebeld kan worden, geen garantie, geen proefperiode. Je lichaam, een ultieme aankoop waar je niks in te kiezen hebt. Geen tweede aan de halve prijs. Het enige bruikbare model. ‘Wat haat ik de mijne.’, zegt hij/zij nu onbewust luidop. Nee, doe het niet. Dit is fraude. Het is te pretentieus. Misschien toch liever iet wat persoonlijker, maar dat kan eigenlijk al helemaal niet wanneer men schrijft om aan de verwachtingen van een publiek te voldoen. Woorden verliezen hun betekenis in ruil voor een doel. Houdt alstublieft ook rekening met de schrijfregels. Wil je eruit gekozen worden, zorg dan voor iets gestructureerd. Geen schrijver kan in de roos schieten zonder spanningsboog. Classicisme zoals Mozart, of iets meer buiten de lijntjes á la Beethoven, maar blijf toch ver weg van het Impressionisme. Het is een koude zomerdag of een warme winterdag en een niet nader gespecifieerd specimen van de menselijke soort kijkt naar de wereld en ziet dat het naar de kloten is. ‘Het’ wil schrijven, een boodschap verkondigen, de wereld veroveren. ‘Het’ denkt, over alles wat ‘het’ schrijven kan. Wat jeugdtrauma’s, mislukt liefdesleven, een dode vader. ‘Het’ beseft dat ‘het’ dan maar beter iets fictief verzint. Bij gebrek aan inspiratie trekt ’het’ er dan maar op uit en houdt halt bij de eerste degelijk ogende tearoom. ‘Het’ bestelt een bier, het is goed uitgeschonken, het witte schuim kromt zich aan de rand van het glas. ‘Het’ hoort hier niet thuis en al helemaal niet op dit moment. De fietsclub voor bejaarden laadt hun elektrische tweewielers op, terwijl ze klagen over hun ruggenwervel dat verdraaid zit of over hun buikzak die alweer vol pis zit. Het kijkt dan maar naar buiten. Een groep twintigers verplaatst zich over de straat, ze springen van de ene kant naar de andere, zoals ze dat ook doen met hun onderwerpen. Daar hoort ‘het’ bij, of beter, daar wil ‘het’ bij horen. Wat droomt ‘het’ ervan om wat simpeler te zijn, tevreden te zijn met de simpele doelen des levens. Een schoon meiske, een glaasje meer kunnen drinken dan die rechts van u, een baantje met genoeg cijfers om te vergeten dat men het eigenlijk haat. Maar nee, ‘het’ wil meer. ‘Het’ kan niet genieten van de zonsondergang, want ‘het’ wil het beschrijven, het vatten. ‘Het’ tuurt rond, een ander specimen van de menselijke soort passeert in het gezichtsveld. Wat een exemplaar van de homo sapiens! Het is van dat kaliber, waar dit bierdrinkend exemplaar de evolutie wel mee wil bevorderen… Men schrijft dan zonder al te veel nadenken en kijk wat er dan uitkomt: Middelmatigheid. Is het wonder dan uit de wereld. Wat moet een mens aanvangen met een tekst als deze? Waar is de fantasie naartoe? Een fictieve wereld creëren waar lezers uren kunnen in verdwalen, dat is pas schrijven! Dwergen die achter een ring aanhollen, tovenaars op school en pratende beesten, dat is pas imaginatief. Het leidt de mensheid eigenlijk ook nergens, ’t verkoopt tenminste. …‘Het’ volgt het wezen, volgt de cadans van de benen die frivool een drie vierde maat slaan. Dat soort dat de mens al eeuwen op de benen krijgt. Als ‘het’ nu wat gewoner was, dan had ‘het’ kunnen opstaan, en de hand vragen voor deze wals. Maar ‘het’ is dat soort mens dat uit alles meer wil halen waardoor het achterblijft met minder. Toch staat ‘het’ op en laat het kerkhof voor bijna-lijken achter. Keert terug naar de jongere wereld, waar men nog bezig is met het leven te zoeken in de plaats van het te verliezen. ‘Het’ loopt achter die ritmische benen. Wanneer ‘het’ ze ziet verdwijnen aan de hoek van de straat, versnelt ‘het’. Leefde men nu in het caleidoscopisch liefdesparadijs van ‘Love Actually’ of zijn Vlaams gehandicapt broertje ‘Zot Van A’ dan zou deze actie niet als stalken bestempeld worden. ‘Het’ volgt dat sierlijke wezen, tot aan het eindje van een landweggetje. In het begin van die weg had een bord gestaan, een rode driehoek met een zwart uitroepteken erin en de woorden ‘weg in slechte staat’ eronder. ‘Het’ had even moeten grinniken, want de weg ligt effectief in een slechte staat, de staat der Belgen. Ondertussen bereikt ‘het’ de natuurlijke habitat van het prooidier. In de verte kan ‘het’ zien hoe het wezen de deur met een sierlijke zwaai toewerpt. Oh, wat is het een interessant diertje. Het lijkt zich van niets aan te trekken. Ontwaakt in het nest. Haalt wat voedsel voor de avond. Kruipt terug in het nest. Alleszins geen kuddedier. Iets wat maar een keer per jaar de instinctief verplichte paringsdans uitvoert… Komaan zeg, nu is het een gluurder geworden. Wat is het volgende? Hemzelf aftrekken bij het zien van haar naakte lichaam in de douche. Zo creëert men geen sympathie voor je hoofdpersonage, maar kijk het is nog niet te laat. Maak hem gewoon een beetje raar, niet sociopathisch. Raar dat vinden meisjes nog wel schattig, zo’n Robert Pattinson die u bekijkt in uw slaap, maar liefst geen Alex DeLarge die u probeert te verkrachten op de negende symfonie. …‘Het’ keert terug naar huis, zeg maar krot. Het is in zo’n slechte staat dat de kotjesmelker het zelf niet meer zou kunnen verkopen aan een armoedige student. Het is bestemd voor mensen zoals ‘het’. Een gediplomeerde die traag begint te beseffen dat zijn beste jaren achter hem liggen. Het is cliché, mensen zeggen het de hele dag door. Beste jaren daar, schoonste tijd hier. Wat ze er echter nooit bij vertellen is het knagend besef dat men er eigenlijk niks heeft uitgehaald, uit die zogenaamde beste jaren. Hoewel nagenoeg alle wilde feesteverzwijnen uiteindelijk toch getemd worden door een stel tieten dat met de toegang tot haar gleuf het dagelijks alcohol gebruik terugschroeft naar maandelijks of zelfs heimelijks, is ‘het’ toch wat jaloers. ‘Zij hebben ten minste iets om op terug te kijken’ , denkt ‘het’. Een parabel dat ze blijven herhalen, dat ze aan hunzelf voordragen wanneer de toegang tot de gleuf weer eens werd ontzegd. ‘Het’ heeft niks te vertellen. Was het niet dat ‘het’ op de gelijkvloers woonde ‘het’ had al uit het raam gesprongen. ‘Het’ dacht terug aan het jonge stel benen. Het poepje dat zich erboven bevond. ‘Het’ haat zichzelf, vooral de sociale angst die ‘het’ in de keel voelt hangen, iedere keer ‘het’ een interessant specimen ontdekt. ‘Het’ trekt er maar op uit. Vindt zichzelf een nieuwe drinkplaats, iets wat eerder als club dan als café kan omschreven worden. Met wat jongere mensen, al zijn het niet de populairste. Twee open en te blote lesbiennes drinken uit hetzelfde cocktailglas. Drie stoners staren tussen hun rasta’s de leegte in en vier nerds spelen een diplomatisch partijtje snooker. Groepen mensen die door de rest als te ver afwijkend van de norm beschouwd worden. ‘Het’ zit aan de toog, waar de mensen nog verder van de norm strandden. ‘Het’ telt het aantal lege glazen tot de serveuse ervoor wandelt. Een serveuse die ‘het’ pas na drie glazen whisky als iet wat aantrekkelijk zou bestempelen. ‘Het’ telt zolang de blaas het volhoudt. Na de opgave ervan, wanneer ‘het’ met de riem nog los en het toilet achter zich binnenwandelt, ziet ‘het’ dat stel benen opnieuw. ‘Het’ kijkt langzaam omhoog. ‘Het’ ziet: ogen, een neus en twee lippen. Meer zelf, ‘hij’ ziet haar bruinige ogen, haar schattige neus en haar volle lippen. ‘Hij’ voelt iets gloeien, wil roepen. ‘Hij’ weet het is nu of nooit… Godverdomme, ik maak toch ook nooit iets af.

Ybe Terryn
4 0

Luxuria (Shortlist ThisIsHowWeRead 2021)

Stelt u eens voor, ge hebt net uw examens gedaan en tot uw groot verschot hebt ge geen enkele buis. Ge snapt er eigenlijk niet echt iets van, maar kijk ‘t wonder is geschied. ‘t Is zelfs zo’n mirakel dat ge u begint af te vragen of ge toch niet zou beginnen geloven in God, maar dan ziet ge al uw zonden voor uw ogen verschijnen en beseft ge dat ge al van de Stairway to Heaven gedonderd zijt en gewoon wat zit te cruisen op de Highway to Hell. Voor ge het van uw eigen doorhebt zijt ge uzelf aan het bekijken in de schaduw van de zeven hoofdzonden en ge hebt ze allemaal, buiten degene die ge wel zou willen: Luxuria. Wat ge niet zou geven om een keer te mogen proeven van de verboden vrucht. Ge vraagt u af hoe het zelf zover gekomen is. Ge hebt u altijd wel wat kunnen afleiden met extravagante fuiven en andere conformerende oppervlakkigheden die zo rijkelijk vloeien in dit farmacopornografische tijdperk. Tot ook dat in elkaar zakte en de leegte dat het leven is overbleef. Ge zijt een zondig mens en in die leegte vergrijpt ge u dus maar aan de wondere wereld van online pornografie en terwijl ge naar een of ander quasi-incestueus filmpje aan het staren zijt, kijkt ge naar uw lid, maar ge zit daar nog steeds met een bloedtekort. ’t Is dan dat het besef binnen sijpelt. Ge mist iemand.Ge mist een contact om mee te knuffelen, ge mist een tong om van te proeven, ge mist een relatie waar ge uw tanden in kunt zetten. Ge mist een sensatie die ge nog nooit gevoeld hebt, ge mist een liefde zoals ge die enkel nog maar zijt tegengekomen op het witte doek, ge mist een overheersende drang om iemand te bespringen, maar ge zou godverdomme niet weten wie. Plotseling hoort ge terloops iemand tegen u zeggen: “Waarom gaat ge niet een keer op Tinder?” Hoewel ge een vermoeden hebt dat zoiets niet voor u is weggelegd, weet ge niet wat anders aan te vangen. Ge start dan maar een zoektocht naar een paar kiekjes die volgens u het vrouwelijk geslacht wel bekoren kan, al lijkt die zoektocht meer op een schattenjacht naar imaginair goud. Ergens vind ge toch een paar pics die er wel door kunnen, nu nog een halfgebakken bio en hup ge zijt onderweg. Voor ge het weet zijt ge zelf ook al een fervente swiper. En plotseling zorgt de man van hierboven voor een nieuw mirakel: ge hebt een match, maar na drie berichten hebt ge het al volledig gehad. En uw interesses, samen met uw 100 dagelijkse swipes, zijn op. ’t Is dan op de derde dag, dat ge er een eind aan maakt en terwijl de app aan het verwijderen is, kijkt ge door uw raam, naar de wereld waar iedereen op non-actief is gezet. Ge krijgt een sprankeltje hoop, want ge weet dat er ergens in deze afgeplatte, non-actieve wereld een profiel voor jou rondloopt. Maar God: “Verdomme, ik weet niet hoe ik ze moet tegenkomen.”

Ybe Terryn
10 1