Zoeken

De Woef

Het jaar? Dat moet 1978 geweest zijn. We waren twaalf jaar en zaten in onze banken te wachten. Het was een vrijdag. De dag dat de Woef naar onze zangkwaliteiten kwam luisteren.  Ik was al de hele week zenuwachtig en had veel geoefend. Voor de spiegel in de badkamer, in mijn kamer of terwijl ik in bad lag. Meezingend met David Bowie op een cassette die ik van de Top 30 had opgenomen. Zelfs de woorden van de radio-dj kende ik uit het hoofd. De Woef was onze meester in het zesde leerjaar. Zijn bijnaam was afgeleid van zijn familienaam, maar dan vernam ik pas op het einde van het schooljaar. Namen van mensen waren toen nog niet belangrijk. Met de voornamen van je vrienden kwam je al ver.   Hij was vooral groot. Je kon niet naast hem kijken. Hij was groter dan twee meter en speelde volleybal. Een hatelijke sport, vond ik toen. Vooral omdat ik klein was en meer aanleg voor voetbal had. Ik liep vlot onder het volleybalnet door zonder me te moeten bukken. De Woef was zo groot dat hij zonder zijn armen te strekken het plafond in de klas kon aanraken. Daarvoor moest hij wel op het verhoogje vooraan in de klas staan, maar echt hoog was dat niet.  Het verhaal ging dat de Woef ooit klem was komen te zitten in een schoolbank. Het waren van die banken waarvan je het werkblad omhoog kon doen. In die bak lagen boeken en schrijfgerief.  Om een leerling een vraagstuk voor de tiende keer uit te leggen, was hij in de bank naast de jongen gaan zitten. Ze hebben de bank moeten demonteren omdat hij er met zijn lange benen niet uit geraakte. De banken waren op maat van 12-jarige kinderen gemaakt. Doorgaans zijn die anderhalve meter groot. Al kwam ik daar niet aan. Zondag over een week zou er een speciale viering in de kerk zijn. De kinderen met de mooiste zangstem mochten vooraan in de kerk enkele liedjes zingen. Zij waren het gelegenheidskoor. Het was geen David Bowie, maar het leek het me wel leuk.  Danny naast me in de klas bleek minder zenuwachtig te zijn. Hij was ook een voetballer en zou die zondagochtend liever naar de wedstrijden van de grote jongens kijken dan naar de kerk te gaan. We zaten samen in een team. Onze wedstrijden speelden we op zaterdagnamiddag. Omdat Danny en ik meteen naast de deur zaten zei iedereen dat we op de eerste bank zaten. De bank aan de kant van de venster die op de speelplaats uitkeek, zou je ook de eerste bank kunnen noemen, maar dat werd niet gedaan. We kwamen wellicht als eerste aan de beurt. Het was een kerklied waarvan ik de inhoud ben vergeten. De Woef had vooraf gezegd hoe het in zijn werk zou gaan. “Iedereen begint te zingen en ik kom bij jullie langs. Niet schrikken, maar ik ga vlakbij bij je mond staan met mijn oor, zodat ik goed kan horen wie vals zingt en wie niet. Wie niet zo mooi zingt, geef ik een zachte tik op het hoofd met mijn hand. Als je dat voelt, mag je stoppen met zingen. Doe ik niets, dan blijf je gewoon zingen.” Met zijn handen zo groot als een kolenschop, kon hij ons met één hand uit de bank lichten, dus die tik was niet iets waar we verwachtingsvol naar uitkeken. Al was het uitdelen van een tik in die late jaren ‘70 grotendeels uit het schoolbeeld verdwenen. Toch had Danny ooit dicht bij een handafdruk op zijn linkerwang gestaan, toen hij tijdens de speeltijd het raam van het secretariaat aan diggelen had gestampt met de leren bal, die hij van thuis had meegebracht. We mochten enkel met plastic ballen voetballen. Maar als er wind was, voetbalde dat voor geen meter. Je moest dan al een aardig effect in de voeten hebben om te scoren. Na twee regels gezongen te hebben, stond de Woef bij onze bank. Danny had amper twee woorden gezongen en hij kreeg al een tik op zijn hoofd.  Daarna was het mijn beurt. Wat stond hij dicht bij mijn mond. Ik kon mezelf amper horen zingen. Ook best akelig, met dat grote oor van de Woef voor mijn ogen. Bij mij leek het langer te duren, maar ik voelde plots toch ook een hand op mijn hoofdhaar. Het leek alsof hij met die tik eigenhandig mijn mond sloot en mijn muzikale toekomst de grond in boorde. Ik keek naar Danny maar die leek zich er weinig van aan te trekken.  De klas zong verder. Op het einde bleef exact de helft van de leerlingen over, die alsmaar luider zongen. Alsof ze onze valse stemmen moesten overnemen.  Tijdens de misviering kregen de uitverkorenen een plaats op het altaar, het podium van de kerk. Wij kregen een andere taak toebedeeld.  Op het einde van de plechtigheid mochten we tekeningen ophangen. Alsof we kleuters waren. De zangers en zangeressen van onze klas stonden nog altijd recht op het altaar terwijl wij, de valse zangers en zangeressen, naar de stoelen op de eerste rij sjokten.  Ze keken ons hooghartig aan. Wij keken vals terug. De misviering was bijna afgelopen. Ik vertel dit voorval omdat het een kleine rol heeft gespeeld in mijn liefde voor muziek. Je moet weten dat muziek altijd enorm belangrijk voor me geweest is.  Maar het ultieme gevoel moet zijn om zelf op dat podium te mogen staan. Maar zingen was voor mij niet weggelegd. Dat had die tik van de Woef voor gezorgd. Ik zong vals, dat was duidelijk. En dat betert niet met de jaren. Hij had mijn mond gesloten.  Dertig jaar later We zijn ondertussen dertig jaar verder. Mijn vrouw en ik staan in de concertzaal AB in Brussel. Wat hebben we hier naar uitgekeken. We zijn allebei muziekliefhebbers.  Het internationaal bekende gezelschap ‘Choral 2000’ doet ons land aan. Alhoewel, gezelschap. Eigenlijk zijn ze maar met twee. Een dirigent en een jongeman op akoestische gitaar.  Begin jaren 2000 deden ze een oproep voor een optreden in een zaaltje. “Gezocht: 150 muziekliefhebbers om samen popklassiekers te zingen. Van Bowie en Nirvana tot Nina Simone.” Het recept bleek aan te slaan. Peter, de dirigent, bewerkte de songs voor een groot koor. Tweestemmig, driestemmig. Ze deden alsmaar grotere zalen aan. Eric, de man op akoestische gitaar droeg altijd een baseballpet van The Minnesota Twins, de baseballclub uit hun thuisstad Minneapolis.  In hun beginjaren tourden ze vooral in Amerika. Het ging van kleine naar grote zalen. Eerst koren bestaande uit 500 mensen, later werden het er 2000 en meer.  Via een vriendin die bij een concertpromotor werkt hebben we tickets weten te bemachtigen. Ze hebben een aantal koren uitgenodigd, maar er is ook plaats voor ‘gewone’ mensen, zoals wij.  Mijn vrouw, die geen onaardige zangstem heeft, hoopt op nummers van Nina Simone. Zelf kijk ik uit naar Bowie. Welke songs we gaan zingen, maken ze vooraf niet bekend. Ik heb er jaren niet meer aan gedacht, maar bij het betreden van de zaal moet ik plots aan het voorval met de Woef in het zesde leerjaar denken. Ik heb het nooit aan mijn vrouw verteld, besef ik tijdens het aanschuiven. Dat is iets voor straks. In de auto naar huis. Stel dat ze een zangtest afleggen vooraleer we naar binnen mogen, vraag ik me angstig af. Al is die angst niet nodig, want onze vriendin van de concertpromotor heeft ons gerust gesteld.  “Ze weten dat er in de zaal mensen zijn die niet al te best zingen. Maar dat is nu het mooie aan dit concept. Het merendeel van de mensen kan wel goed zingen. Zij overstemmen de mensen die ietwat vals zingen. Komt helemaal goed”, zei ze.  We geraken inderdaad zonder zangtest de zaal binnen. Iedereen krijgt een lintje met een bepaalde kleur. In de zaal wijzen medewerkers de bezoekers naar een vak met dezelfde kleur.  We staan in het gele vak. Naar wat ik kan zien, zijn er vier vakken. Er is voldoende ruimte in de zaal. Ik schat het aantal bezoekers op een twaalfhonderd.  Peter en Eric worden op een geweldig applaus onthaald. Vooraleer we tot een song komen die gefilmd wordt en later op YouTube belandt, gaat er een uur oefenen aan vooraf. “We spelen twee songs”, vertelt Peter. “De titel van het tweede nummer verklappen we niet, maar het eerste is ‘Here Comes The Sun’ van The Beatles. Een nummer van George Harrison. Zijn jullie er klaar voor? Yeah? Okay, let’s start.” Het oefenen gaat vlot. Eric laat ons helemaal in de song belanden met zijn fijn gitaarspel. Waar normaal een gitaarsolo klinkt, neemt de groene groep het over met een zeer subtiel ‘hmm hmm’. De magie van het zingen op een podium is voor mij nooit zo dichtbij geweest als op dit moment.  Na het eerste uur is er een pauze van een half uur. De twee pintjes gaan vlot naar binnen. Van zingen krijg je dorst. “Niet te veel”, zegt mijn vrouw. “Zodat je dadelijk niet begin te lallen. Of te luid gaat zingen.” Het is precies alsof ze me een knipoog geeft. In het café meen ik Danny te zien. De jongen naast me in de klas vroeger. Maar dat zou een al te groot toeval zijn. Hij had niets met muziek. Terwijl hij terug naar de zaal gaat, zie ik duidelijk dat hij het niet is. Maar hij heeft er iets van weg. Eric kondigt de tweede song aan. Hij heeft zijn pet afgezet. Nu zie ik pas dat hij lang haar heeft en een beetje op George Harrison lijkt. Of verbeeld ik me dat?  “We zoeken het niet te ver voor onze tweede song”, zegt hij. “We blijven bij The Beatles. Al is dit geen song van The Fab Four, maar wel eentje van de eerste soloplaat van George Harrison. Zijn jullie klaar voor ‘My Sweet Lord’?” Ik had op Bowie gehoopt, maar eigenlijk zijn deze songs nog beter. Een song over een mens die zoekende is. “I really wanna know you. I wanna show you Lord.” Doen we dat niet allemaal tijdens ons leven? Zoeken? Iemand leren kennen? Iemand iets willen tonen? Zoeken naar iets of iemand die ons bestaan zin geeft?  Het nummer lijkt gemaakt om samen met 1.200 mensen te zingen. We zijn klaar voor de opname van de definitieve versie die over een paar dagen op YouTube verschijnt. Ik zie drie camera’s. Eén bewegende op het podium en twee vaste op de balkons. Eric begint met de overbekende akkoorden van ‘My Sweet Lord’. Ik kijk naar mijn vrouw naast me. Een blik en een lach van verstandhouding.  Waar in de song in het begin al een elektrische gitaar weerklinkt, begint de rode groep met een fijn geneurie.  Wij mogen beginnen met de regels ‘My sweet Lord. Oh my lord.” Zo staat het ook op ons geel papiertje. Ik doe mijn mond open en voel plots een hand op mijn hoofd. Ik schrik en kijk achterom. Het is de Woef. Hij is natuurlijk ouder geworden en het lijkt alsof hij nog groter is dan vroeger. Hij torent boven iedereen uit. “Wat heb ik nu van dat zingen gezegd? NIET doen hè.” Ik hoor me nog net “WOEF” roepen en maak mezelf wakker van het schrikken. Ik zit rechtop in bed. Mijn vrouw naast me doet één oog open. Er komt daglicht door de jaloezieën van de slaapkamer. “Wat WOEF? Was je aan het dromen?", vraagt ze. "Weeral over dat voorval in de zesde lagere zeker?" "Heb ik je dat dan ooit verteld?", vraag ik. "Een paar honderd keer denk ik", zegt ze. "Maar in je droom wellicht niet." “Je was ook opnieuw aan het zingen. Of toch zoiets. Ik heb je al eens wakker proberen te maken.” Ik ben ondertussen een beetje gekalmeerd en lig terug op mijn kussen.  "Het was iets van George Harrison”, zucht ik.    

Rudi Lavreysen
22 1

Kerkhof-aan-de-Demer (9)

  Sommige formuleringen in mijn Vergunning voor een Private Begraafplaats voor Kleine Creaturen moeten van de hand van burgemeester Schimmelryck zijn. Want wie gebruikt nu de term 'creatuur'? Dat moet uit een geïmpregneerde geest komen. Ignace knikt. Onze nepprofessor weet dat allemaal. Een Australisch Droomtijd kan het zijn. Ook een hindoe, boeddhist, islamiet denkt zo krampachtig. Helemaal van de pot gerukt zijn de scheppingssprookjes van de joden en de christenen. Alles in een dag of zeven, voor wie geen geduld had en graag snel een mens zag komen die de boel verkloten zou. Die Hemelryck is bij de CD&V. Een echte christenhond dus. Zijn ganse jeugd doordrenkt met christelijk kutsap. 'Wezens' ware beter geweest. Dat zou dan wel die akelige mensapen omvatten. Ja. Die worden vanzelfsprekend uitgesloten. Zoiets wil ik niet op mijn Kerkhof voor de Onschuld. En wat met kabouters?, vraagt Ignace die als een schijngeleerde mijn vergunning las. Alfred brengt onze dubbele portie Stoverij op de Wijze van een Stokoude Kok. Ik ben niet van plan te sterven, zegt Alfred  Je gelijkt toch te veel op een kleuter, stel ik hem gerust. Voor een gnoom met menselijke eetgewoontes zal er toch geen plaatsje zijn op mijn kleine grafakker. We proeven onze stoverij en weten het. een dag zonder poëzie eindigt altijd wreed  sinds mijn ontbijt kwam elke stap te vroeg ofwel te laat ik dronk thee, ik mompelde, ik stormpelde over de sporen van een weggelopen trein straks sleept het zijn mij mee omdat ik leven moet de geit die gisteren de nek uitstak terwijl een dolle wind op wielen ons verlegen dorp doortrok zij is niet meer, de laatste druppels melk en bloed die stromen nu niet meer, ik hoop dat ik een plaatsje vind ergens op de achtergrond, liefst in dat zacht langharig zand   - IX - uit de reeks 'Duivelsverzen'

Bernd Vanderbilt
0 0

Kerkhof-aan-de-Demer (5)

Elk rund weet het nu. Het favoriete gerecht van Tom de Zieke Griek is biefstuk friet.* Zwarte vla is voortaan ook een specialiteit in het fascistische Ninove. Een fascinerend weetje is ook dat Mussolini het liefst versgesneden look at. Gewoon op brood met olijfolie. Iets met het verjagen van boze geesten, diva's en vampieren. Kim Jong Un eet dan weer het liefst soep van haaienvin, prosciutto en emmenthal. Op de frieten van Tom na, zitten we nog altijd goed wat de menu van Frituur De Bosbrand betreft. De gloednieuwe neofascist Elon Musk lust graag sushi en jawel, Tom zal dat graag horen, his favorite dish is steak. Frieten staan niet vermeld in zijn rechts dieet en dat is een opluchting. Dat hij ook graag chocolade eet, zal hem niet naar Brugge lokken. Wat wel vaststaat: alle ramptoeristen zijn zot van chocoladefondue, net als pyromanen die het gemunt hebben op de Huizen van Verdraagzaamheid. Tot zover de weet-je-datjes. Bart De Pauw hebben we daar niet meer voor nodig. Als hij hier ooit zou binnenkomen, kijken we hem gewoon buiten en de levenden onder de overige bovenvermelde zwarthemden zullen we ook snel herkennen. Aan dat zwarte hemd. Aan hun valse tongval. Hun ogen zijn van wit glas en hun woorden stinken naar ammoniak. Elke pagina mag om een irrelevant voorwoord bedelen. Het doet er niet toe. Zelfs de spin die achter mij in zijn web rust, leest dit niet. Ik zit op mijn gemak. Ignace is hier niet vandaag en er is geen klok die mij in het oog houdt. Toch wil ik daar zijn tegen tweeën. Ik wil Maya Van de Meli in de ogen kijken. Eindelijk. Zij zal mij de vergunning voor mijn private begraafplaats overhandigen en ik zal gelukkig zijn.     *bron: www.wouldbechef.be - V - uit de reeks 'Duivelsverzen'

Bernd Vanderbilt
0 0

Kerkhof-aan-de-Demer (4)

Hoe dat zit met die mensen? Soms zijn ze klein en lief. Daarnaast is Maya Van de Meli werkend op die Dienst Vergunningen superzoet. Sommigen zijn wel ronduit braaf en doen weinig verkeerd. Ze hebben onschuldige hobby's, besparen op leed, leggen bizarre verzamelingen aan. Doodsprentjes, voetbalzantjes, averechts draaiende slakkenhuizen, linkshandige geschreven nazibrieven, roze steentjes om joodse grafstenen te leggen. Het is Ignace die mijn notities leest, zelf ook zijn dagboek neemt. Elke uiteenzetting over de mens neigt naar wreedheid. Dat ligt voor de hand. Ignace weet intussen veel over ons, kwaadaardige omnivoren. Het alziende oog van de vermeende god leest mee maar dat deert ons niet  Illusies slapen ondiep in het koekoeksnest en al de rest is bijzaak. Intussen wordt er veel gestolen uit de holen van de vos, uit het nest van de makaak. Poëzie is een noodzaak, zo beweer ik maar Ignace is niet zo zot van rijmelarij. Zijn studie van de eetgewoontes betreft christenen, de jood, een hindoe, eskimo, ook een hongerige wees, de zoeloes en één gele chinees. Het gaat ons relatief goed, hier in Frituur de Bosbrand. Alfred weet dat. Hij speelt nooit muziek die een hartslag kan inhalen. Rocksteady for Uncle Freddy weerklinkt vandaag en dat kan bekoren. De Noren met hun fjordgezwalm, de koren in verlaten kerken, zij houden hun muil. Hoe zit het dan met dat mensengevreet? Dat vraag ik aan Ignace. Hij eet één bitterbal en gunt me dan een blik op zijn geschriften. Zij eten gewoon alles die klootzakken, die onbarmhartige malloten. Elk varken dat losloopt in het Midden Oosten wordt door christenen gevangen en opgepeuzeld. Ze laten zelfs niets over voor de Hellehond. Ze kwellen islamieten met hun vertoning, terwijl in China elke aap eraan geloven moet. De tafel is rond en in het midden zit een gat. De kop van die aap past er schoon in. De schedel is opengezaagd, mooi horizontaal en met houten lepeltjes scheppen ze elk om beurt wat brein uit de schedel van die aap. In duistere winkeltjes verkopen ze ook gedroogde, fijngemalen olifant. Die geslurfde dieren zijn allemaal gestolen in India  Zo zit dat met die mensen. Ignace sluit zijn notitieboekje en we bestellen elk een Mort Subite.   - IV - uit de reeks 'Duivelsverzen' 

Bernd Vanderbilt
0 0

Kerkhof-aan-de-Demer (3)

  "Mijn oude Prius krijg ik niet meer opgeladen. Ik ben met de fiets gekomen." Dat zegt de man tegen Alfred. "En het plot, zeikerd, heb je daar al over nagedacht?" Insecten kunnen spreken. Overal hoor ik hun stemmen. Dit is zonder twijfel het taalgebruik van een strontvlieg. Intussen.Achter het frietkotglas. De regen valt fel. Kort daarna. Achter het frituurvenster. Het verleden vloeit samen in vuile plassen. Het is overigens niet eenvoudig een vergunningsaanvraag voor een private begraafplaats in Kerkhof-aan-de-Demer poëtisch te beschrijven. Trouwens. De rug van een strontvlieg is, kijk maar, wonderschoon groen. Wat dat plot betrett, gij kakbrommer, er zullen dramatische momenten genoeg zijn, er zal dood in overvloed plaatsvinden. Meer dan een padvinder in zijn rugzakje dragen kan Te veel.voor een plat bord dat nog nooit soep gegeten heeft. Wat ik U zeggen kan: Ze doen schoon hun best op die Dienst en dat mag. Het meisje met haar vingers, met haar luisterende typmachien, zij heeft het fraai geformuleerd. Aan de geëerde Heer Vanderbilt, dit zijn ze dan de voorwaarden verbonden aan het begraven van kleine wezens, grote wensen. Het betreft de eindbestemming en het lot van aarde, land, de bodem. Het gaat over de grond, het zand, de grenzen van percelen. Maya, Maya Van de Meli is haar naam voluit en ik zweer het, eerlijk is haar handtekening. Ik vermoed. Ik ben het bijna zeker. Maya is een schat zo zoet een snoep kan zijn  Haar lippen lachen als de dijken van een kusgroeve. Ze hoeft maar aan één kant te knipogen of er vallen lagen onmacht van mij af.   - III - uit de reeks 'Duivelsverzen'    

Bernd Vanderbilt
0 0

Bloedworst voor de kazakkendraaier

Moeder at de kop. Dit is geen gezegde, noch een spreekwoord. Het was altijd zo. Vader, de lamentabele kazakkendraaier at het liefst bloedworst met appelmoes. Dit is gewoon een metafoor. Als er geen konijn gevangen kon worden, dan at men wel eens 'ooftflakke van een zwien. Dit is een futiliteit in een historie. Nu wij het toch over de geschiedenis hebben, kunnen wij ons vragenspel starten. Het is de bedoeling dat men even snel als oploskoffie antwoordt. Men mag er ook een impulsieve bedenking aan toevoegen. Zo doen wij dat vaak, hier in Frituur de Bosbrand. Ignace en ik. Onnozele spelletjes. Vandaag is Ignace de vragensteller. Ik prepareer mijn brein en daar gaan we. Bruin bier of stout? Stout! Zoetekoek of roggenbrood? Zoetekoek! Rog is vis. Dali of Dalida? Dalida! Teelbal of veeteelt? Teelbal! Teelbal of ballet? Teelbal! Oef, ik heb er nu twee. Liefdesspel of bosbouw? Bosbouw! Lekker neuken in een boom! Verminnen of Groenewoud? Groenewoud! Verminnen is een boerenlul! Boerin of intrige? Boerin! Onnozelaar! Chot, wat doe je moeilijk! Kont of achterkant? Kont! Beginneling! Kop of munt? Kop! Vader of moeder? Moeder, natuurlijk! Oef. Dat ging vlot en ik neem nog een slok, terwijl Ignace, die piewiet, dat liedje begint te zingen en doet alsof hij Frans kent. Iets met een straat vol beenhouwers en het zal me worst wezen wat er vandaag nog gebeurt. De week zij was al moe. De koe gaf het al op. Het kalf zag veel te bleek om nog de nacht te halen. De meeneemchinees is bovendien gestorven. Hij bleef maar dolen, rondtouren in dat wrak. Jaag je niet op en wees gerust. Dit was een metafoor. We moeten gewoon wachten op de lente, op de meifoor, op de appeloogst en dan kunnen we weer zeggen: Die kazakkendraaier, hij at graag appelmoes. We moeten enkel nog wachten op nieuwe wreedheden, op smeerlapperij, op bloed en worst.     uit de reeks 'Ignace Somers'      

Bernd Vanderbilt
0 0

Uitleveringsverdrag

  In het uitleveringsverdrag wordt nochtans met geen woord gesproken over de uitvoer van lever. Daar moeten we het voorlopig mee hier en nu in Frituur de Bosbrand. Roeland herbevestigt dat hij kan spreken want op mijn vraag "Hoe is het?" antwoordt hij schaamteloos: Ze ligt in het ziekenhuis en Hollywood staat in de fik. Wij weten dat. Wij weten veel van, veel over elkaar zonder dat wij veel moeten zeggen. Hoe fijn is dat niet? Haar favoriete land is Spanje en haar lievelingsdrank is porto. Haar favoriete schotel is paella en ze luistert graag naar fado. Bijna geheimloos is onze clandestiene broederschap hier in dit etablissement van Alfred. Ze ging bijna dood aan die drank en laafde zich daarbuiten enkel aan de tranen die ze kreeg bij die muziek. Wij weten dat en hopen voor Roeland dat haar lever overleven mag en samen met dat orgaan ook zijn moeder. Bidden voor haar, dat zullen wij niet. Wij zijn niet zot, geloven niet in fabels. Alfred evenmin, al is hij een dwerg. Ik bedoel een kabouter, zoals in een sprookje. Hij neemt ze wel te grazen hier in zijn frituur te Sint-Michiels. De autocars die de autostrade komen afgereden en dan hier voorbij moeten om aan de autobussenparking naast het station te geraken, stoppen hier wel eens. Brugge is een schoone stad.met veel historie en pralinenwinkels. Chocolade is nochtans niet zeer goed voor de lever, maar ze komen toch, al die toeristen. Mogelijks betreft het een soort uitleveringsverdrag of een uitwisselingsprogramma tussen Brugge en Peking. Volgens goede bronnen weerklinkt ons dialect ook op het Tiananmenplein, gelijk men hier op onze Grote Markt, daar voor het Belfort, ook Mandarijn kan horen gesproken worden. Ignace is een malloot. Hij doet zijn uitspraken soms klinken als die van een professor in internationaal recht, of van een doctorandus die de letter P een eeuw lang  bestudeerd heeft. Terwijl de moeder van Roeland dus ferm afziet, neemt Alfred de toeristen die hier halt houden voor een hap, een beet en een slok, goed te grazen. Maar dat lukt niet met die Chinezen. Het zijn vooral de Amerikanen en andere volkeren die in de geschiedenis het slachtoffer werden van missionarissen, die het kopen. Ze komen als een soort zendelingen terug naar hier om het Heilig Bloed te aanschouwen en pralines te kopen. Zij leggen hier ook gemakkelijk drie euro neer voor die zelfgevulde flesjes Eau de Lourdes. Enkel plat, in dit land van Jacques Brel. We staan recht en applaudiseren. Deze zin maakt onze dag goed. We wensen de moeder van Roeland ook veel beterschap.     uit de reeks 'Alfred Frietkabouter' en ik steek ook een handgeschreven tweede exemplaar in het bundeltje 'Duivelsverzen' (niets is verplicht om te rijmen)    

Bernd Vanderbilt
0 0

Musk (de; m; mv: geuren van muskusratten)

  Poolstokspringen is een discipline op de Olympische Spelen voor Meervaliden. De stok is veel langer en er zijn sprongen mogelijk doorheen de thermosfeer. De metingen worden gedaan met de satellieten.van Starlink. Elon Musk sponsort elke Übermensch. Ook in Duitsland. Zij houden van supersonisch rodelen. Nochtans. Ik sta dit alles niet toe. Elkeen die Nietzsches terminologie verdraait of misbruikt, begaat een rationele misdaad. Daarenboven. Musk betreft de geur die een klier van het mannelijke muskushert afscheidt. Nochtans is Musk een rat. Zijn hol zit vol met wat een beest verslinden kan. Er is ook een Spaanse ploeg, een delegatie lange poten. Het zijn de echte paarden van Dali. In de zure kuur, ook in dressuur voelt elke tiran zich heel snel op zijn plaats. De inschrijvingen waren amper bij te houden. Machiavelli, dat weet U, is een bandenmerk. Die Italianen van Meloni sponsoren die Spelen ook en Orban stuurt zijn steppenwolf die uitermate snel kan lopen, alles vangen wil. Het dier lust elke vorm van juiste rede. Rusland wint geheid de wedstrijd geitje rijden Oeralbal, mijn schat, dat is echt geen sport. Dat is het feest op donderdag. Leugenslingeren is elke dag schoon op tv en de reclamespotjes onderbreken met plezier. Ik heb een abonnement gekocht op stilte. Kom je dan de sterren tellen, liefste? In de ondergrond zullen er mollen zoenen. Dat is altijd zo en zeer gewoon op donderdag.     uit de reeks 'Waanhoop'      

Bernd Vanderbilt
5 0
Tip

FC Pol Pot

  Het zijn terreurbeelden geworden, hetzij door de eerste indruk, hetzij door hun herhaling. FC De Kampioen mag daarom nooit meer heruitgezonden worden. Voornamen als Xavier en Pol mogen eigenlijk ook niet meer gebruikt worden. In Cambodja weet elke Pol dat. En hoe sprak grootmoeder de kleine Zelensky aan? Juist. Met Vladimir. In het Russisch. Minder dan een dozijn jaar geleden, is hij beginnen beweren dat Oekraïens zijn moedertaal is en dat hij eigenlijk Volodymyr heet. Ergens willen ze dan toch niet echt veel van mekaar weten, die twee volkeren, dat men voornamen danig verbastert. Poetin weet dat intussen maar al te goed. Vladimir zal als voornaam achteruit boeren in delen van de wereld waar men nog kan zien Zelensky, de nar. Hoopt hij dat Volodymyr buiten het lijstje valt? Intussen en helaas. Land dat niemand kan toebehoren behalve de aarde en de toekomst, het zal zijn kinderen toch begraven moeten. Hoe ze ook heten hun kinderen. Bepaalde landen moeten blijkbaar zweten, bloeden en tranen laten vloeien. Terwijl Xavier en Pol doen alsof hun neus bloedt, wordt om de hoek gevochten. Het zijn weer diezelfde kortzichtige relschoppers. Gerolf is de oude zak die toekijkt. Filip, Tom en Dries. Dat zijn de ware vechtersbaasjes in hun zwarte voetbalbroekjes, Vlaamse sponsor en een stoere muil. Noteer deze namen alvast: Xavier, Pol, Vladimir, Volodymyr, Gerolf, Tom, Adolf (dat wist U al), Dries en Filip. Één pot nat, zou Pol zeggen en dan is er voor Christenen dat zeer ambiguë geval 'Jozef'. Er is de man uit Nazareth die deuren kon maken. Er is ook de man uit Gori, Georgië. Kameraad Jozef Stalin. Niet meer gebruiken die voornaam. Alstublieft ook niet al te vaak verwijzen naar de ware vader van Christus. De deur naar geweld staat weer wagewijd open. Voeg ook maar Bibi en Benjamin toe aan de voornamen die taboe moeten worden. Aanstormende talenten in wreedheden en stupidtiteiten. Noteer Donald en Elon,  Mag ik U trouwens voorstellen? Dit is Aphrodite, mijn secretaresse. Zij kan zeer schoon schrijven. Ze lacht vredevol, liefdevol. Nooit boordevol, zegt ze altijd wanneer ze nog wat thee bijschenkt. Haar vrouwelijkheid is vroom en ik weet het, liefste, het zijn alle mannennamen. Het zijn er intussen genoeg om een voetbalploeg mee te vullen die harder is dan de Rode Khmer. Legers met leiders die wrede namen dragen genoeg en Aphrodite kent de gebruiken. Twee keer per dag de deuren en de ramen openzetten. Één minuut lang. Stil blijven en tegelijk alle oorlogen horen razen. Hopen op minder humane schade en als er dan toch op een dag met bleke zon een ruit sneuvelt, dan kan het niet anders. Het zijn die gasten van de lijst, die gasten van die club genoemd: FC Pol Pot.     uit de reeks 'Waanhoop' 

Bernd Vanderbilt
47 2