Zoeken

In het Donker: Hoe Angst de Stoerste Jongens Veranderde (waargebeurd)

In de jaren ’70, een tijd waarin jongeren in de regio Putte hun dagen vulden met het ronkende geluid van brommers en lange avonden in rokerige cafés, stond hen een avontuur te wachten dat hen uit hun vertrouwde wereld zou rukken. Het waren jongens van 18 en 19 jaar, leerlingen van de RMS Putte, stoer en onverschrokken. Ze waren gewend aan de vrijheid van de stad en het leven in de kroeg, maar van de natuur of kamperen hadden ze weinig kaas gegeten. Ik, een ervaren kampeerleider, besloot daar verandering in te brengen. Ik huurde een afgelegen weide aan de rand van een uitgestrekt bos in de Ardennen. Het plan was simpel: hen uit hun comfortzone halen, laten worstelen met tenten, kampvuren en eenvoudige maaltijden op een open vuur. Maar dat was niet alles. Ik wilde hen confronteren met iets groters – hun eigen angsten. Het hoogtepunt van het kamp zou een nachtspel zijn, een traditie die ik hen wilde laten beleven. Maar wat zij niet wisten, was dat dit nachtspel hen meer zou uitdagen dan ze ooit hadden durven dromen. De eerste dagen verliepen soepel. De jongens ploeterden met scheerlijnen, stookten rookwolken in plaats van vuur en maakten grapjes over mijn ‘oude’ technieken. Ondanks hun gestuntel genoten ze zichtbaar van de vrijheid van het kamp. Sommigen begonnen zelfs het koken onder de knie te krijgen en voelden zich trots toen ze een eetbare maaltijd wisten te bereiden. Toen de schemering op de derde avond inviel en de eerste sterren verschenen, stelde ik voor om een wandeling door het donkere bos te maken naar een nabijgelegen dorpscafé. "Een kans om het bos echt te ervaren," zei ik met een uitdagende ondertoon. De jongens lachten zelfverzekerd. Ze wisten zeker dat ze deze 'uitdaging' met gemak aankonden. Het bos leek in het begin bijna uitnodigend. De laatste restjes zonlicht priemden schuin door de bladeren, terwijl een zware geur van dennennaalden en vochtige aarde hen omsloot. De geluiden van het bos – een krakende tak, een ritselende struik – leken in eerste instantie slechts een achtergrondkoor. Maar net onder die serene oppervlakte lag een ongrijpbare spanning, alsof het woud hen argwanend observeerde. "Hé, dit is eigenlijk best te doen, zo in het donker," zei een van de jongens, terwijl hij zijn zaklamp speels tussen de bomen liet flitsen. Een ander grinnikte nerveus. "Als we hier verdwalen, wil ik geen horrorverhaal horen!" Na wat grappen en een paar drankjes in het café begon de terugtocht. Ze voelden zich gesterkt door hun stoere verhalen en het alcoholische drankje dat sommigen stiekem hadden geprobeerd. Maar hun zelfvertrouwen werd al snel op de proef gesteld. Toen we de rand van het bos bereikten, hield ik hen tegen. "Jongens, ik voel me niet zo lekker," zei ik, terwijl ik mijn hand tegen mijn hoofd hield. "Ik ga terug naar het kamp. Jullie vinden de weg wel, toch?" Ze knikten zelfverzekerd, niet wetend dat de veilige wandeling die ze verwachtten zou veranderen in een nacht vol angst. Wat ze niet wisten, was dat ik enkele vrienden had gevraagd zich diep in het bos te verschansen. Ze waren uitgerust met maskers, zaklampen en een plan dat hen zou confronteren met iets wat deze stoere jongens totaal niet gewend waren. De wandeling verliep in stilte, totdat plotseling een oorverdovende schreeuw de rust van het bos doorbrak. De jongens verstijfden. "Wat was dat?" fluisterde iemand, zijn stem trillend. Nog voordat iemand kon antwoorden, sprongen mijn vrienden uit de schaduwen. Hun stemmen bulderden door de bomen, dreigend en onverstaanbaar, alsof een groep vreemde, vijandige bosbewoners hen in de val had gelokt. "Wat... wat is dit?!" riep een van de jongens, zijn stem hoog van paniek. Zijn hart bonsde in zijn borst terwijl hij achteruit struikelde over een wortel, de zaklamp uit zijn hand glijdend. Hij durfde niet meer achterom te kijken, bang voor wat hij daar misschien zou zien. Anderen renden in paniek weg, struikelend over takken en struiken, terwijl de schreeuwen steeds dichterbij leken te komen. Sommigen probeerden elkaar moed in te praten, maar hun stemmen verrieden de pure angst die hen overmande. Een van de jongens, normaal de meest stoere van de groep, verstijfde volledig. "Wat willen jullie van ons?!" stamelde hij, terwijl hij met trillende handen een zaklamp omhoog hield alsof dat hem zou beschermen. De spanning was te snijden. Het leek alsof het bos zelf hen had opgeslokt en nu tegen hen samenspande. Het gegil, de duisternis en de mysterieuze bewegingen tussen de bomen dreven hen tot het uiterste. Na wat voor hen uren leek – maar in werkelijkheid misschien vijf minuten waren – bereikten de jongens uiteindelijk het kamp. Sommigen strompelden, anderen renden, hun adem zwaar en hun gezichten bleek van angst. Niemand sprak. De jongens, normaal trots op hun bravoure, keken elkaar met grote ogen aan. De stilte van het kamp voelde bijna surrealistisch na de chaos van het bos. Ik stond daar, alsof ik niets had gemerkt. "Wat is er gebeurd?" vroeg ik, mijn gezicht een masker van onschuld. De jongens hapten naar adem en begonnen over elkaar heen te praten, terwijl ze hun ervaringen vertelden. Het ene verhaal nog dramatischer dan het andere. "Ze kwamen uit het niets! We dachten dat ze ons zouden vermoorden!" Uiteindelijk leidde ik hen terug naar de plek van de ‘aanval’. Daar stonden mijn vrienden, nu zonder maskers, hun gezichten glunderend van plezier. "Het was een grap, jongens," zei ik, terwijl ik hen op hun schouders klopte. Een moment van stilte volgde, waarin de jongens van hen naar mij keken, hun emoties onduidelijk. Toen brak het. "Een grap?! Jullie zijn gek!" riep een van hen, zijn stem hoog van opluchting én woede. Maar nog voordat hij zijn zin had afgemaakt, begon een ander te lachen. Het was geen gewone lach, maar een opgeluchte, zenuwachtige lach die langzaam oversloeg op de rest. Binnen enkele seconden stonden ze daar allemaal te schateren, hun angst langzaam plaatsmakend voor humor. Die nacht zaten we rond het kampvuur. De jongens dronken warme chocolademelk, hun gezichten verlicht door de dansende vlammen. "Ik dacht echt dat ik eraan ging," bekende een van hen met een grijns. "Maar eerlijk? Dit vergeet ik nooit meer." "Dat was ook de bedoeling," zei ik, terwijl ik hen aankeek. "Dit was geen gemene grap, jongens. Het was een les. Soms moet je echt bang zijn om te leren wie je bent – en hoe sterk je eigenlijk bent." Er viel een korte stilte waarin iedereen naar de smeulende vlammen staarde. Toen verbrak een van hen de stilte. "Maar één ding," zei hij serieus, terwijl hij de anderen aankeek. "Dit blijft onder ons, oké? Niemand op school mag dit horen. Ze zouden ons uitlachen!" De anderen knikten heftig. "Ja, absoluut," zei een ander. "We hebben een reputatie hoog te houden. Niemand hoeft te weten dat we... nou ja, bijna in onze broek hebben gedaan." Hij lachte nerveus, en de rest viel hem bij. "Deal," zei ik, met een knipoog. "Dit blijft ons geheime avontuur." Toen de zon opkwam en de schaduwen van de bomen wegtrokken, waren ze veranderd – misschien nog steeds dezelfde jongens op hun brommers, maar met een nieuw, onverwoestbaar stukje zelfvertrouwen in hun rugzak. Hun imago van stoere jongens bleef intact, en het bos... het zou altijd een plek van onuitgesproken verhalen blijven.  

Guy Van Damme
23 0

Vrije Val Boven Newfoundland

Een rustige avond in Chicago De dag begon perfect, misschien té perfect. Chicago gaf ons een afscheid vol schoonheid, maar in de lucht boven Newfoundland zouden we de controle volledig kwijtraken. Onze onvergetelijke rondreis door Amerika zat erop, en we stonden op het punt om huiswaarts te keren. Chicago, de laatste halte van ons avontuur, had ons nog een paar heerlijke uren gegeven. We hadden door Millennium Park gewandeld, genoten van de indrukwekkende skyline en afgesloten met een dampend bord deep dish pizza in een knus restaurant. Terwijl de zon achter de hoge wolkenkrabbers verdween, voelden we ons voldaan. Het was een moment van pure tevredenheid, alsof alles precies klopte. René en Annie, onze trouwe reisgenoten, zaten ontspannen naast ons op een bankje aan de rivier.“Wat een afsluiting,” zei René terwijl hij zijn arm om Annie sloeg.Vera glimlachte en leunde tegen mijn schouder. “Hier kunnen we nog lang op teren,” zei ze zacht. En dat was ook zo. Onze reis had ons langs de overweldigende natuur van Yellowstone, de bruisende energie van Las Vegas en de adembenemende stilte van de Grand Canyon geleid. Elk moment had zijn eigen hoogtepunten, maar Chicago voelde als de perfecte afsluiter. Een vleugje weemoed Bij het instappen in het vliegtuig voelde ik een lichte weemoed. Het was moeilijk om afscheid te nemen van de avonturen van de afgelopen weken. Maar het vooruitzicht van thuiskomen gaf ook rust. Vera pakte mijn hand, alsof ze mijn gedachten kon lezen. “Het was geweldig, maar thuis wacht ook iets moois,” zei ze bemoedigend.We zaten in een vliegtuig dat ons via Londen Heathrow naar Brussel zou brengen. Die tussenstop leek aanvankelijk een hinderlijke onderbreking, maar zou uiteindelijk onverwachte verlichting brengen tijdens een vlucht die ons letterlijk door elkaar zou schudden. De eerste uren De eerste uren van de vlucht verliepen kalm. Het vliegtuig gleed soepel door de donkere lucht. Door de kleine raampjes was er niets te zien, behalve eindeloze duisternis, af en toe onderbroken door een flikkerende ster. Het had iets magisch, alsof we in een tijdloze ruimte zweefden.Tijdens het diner – standaard vliegtuigeten, maar acceptabel – bespraken we onze reiservaringen. René haalde herinneringen op aan onze tocht door Death Valley, terwijl Annie haar mooiste moment bij de Grand Canyon deelde. Vera luisterde glimlachend en leunde achterover. Haar ogen sloten zich half, en ik vermoedde dat ze al wegdroomde.Toch voelde ik een lichte spanning. Misschien kwam het door de verhalen over turbulentie boven Newfoundland, waar koude poollucht en warme oceaanstromingen elkaar raken. Of misschien was het gewoon mijn onrustige geest. Dit was een routinevlucht, wat kon er misgaan? De eerste schok Het begon met een harde dreun. Mijn ogen schoten open en mijn lichaam verstijfde. Het voelde alsof het vliegtuig ergens tegenaan botste. Even was er stilte, terwijl iedereen probeerde te begrijpen wat er net gebeurde. Voor ik die gedachte kon afmaken, zakte het toestel plotseling tientallen meters omlaag. Mijn maag draaide om. De gordel kneep zich hard tegen mijn borst.Een golf van paniek ging door de cabine. Bestek, kopjes en losse spullen schoten door de lucht. Een stewardess, die net door het gangpad liep, greep zich wanhopig vast aan een stoel. De stilte werd doorbroken door geschreeuw, en ik hoorde Annie trillend vragen: “Wat gebeurt er?” Haar grote ogen stonden vol angst. René probeerde haar te kalmeren, al verried zijn gezicht dezelfde emoties.Mijn hand vond die van Vera, en ze kneep er stevig in. “Het komt goed,” zei ik met trillende stem, terwijl ik wanhopig naar een teken van controle zocht. Chaos in de cabine De turbulentie werd heviger. Het vliegtuig leek heen en weer geslingerd te worden als een veertje in een storm. Dienbladen zweefden door de cabine. Een fles water ketste tegen een stoel, en een man die zijn gordel niet had vastgemaakt, werd tegen de bagagebakken geslingerd. Hij kreunde van de pijn terwijl een vrouw naast hem huilend haar hoofd tussen haar handen verborg.De verlichting begon te flikkeren, en het leek alsof we in een rampenfilm waren beland. Ik hoorde iemand bidden, een ander mompelde wanhopige woorden: “Dit kan niet gebeuren.” Mijn eigen gedachten waren niet minder verontrustend. Wat als de piloten de controle kwijt zijn? Voor mijn ogen flitsten doemscenario’s voorbij: vleugels die afbreken, een crash in het ijskoude water, een strijd om te overleven in de Atlantische Oceaan. Ik voelde me volledig machteloos, overgeleverd aan een kracht die ik niet kon begrijpen. De vrije val En toen gebeurde het. Het vliegtuig leek daadwerkelijk in een vrije val te zitten. Alles en iedereen in de cabine zweefde. Koffers, eten, zelfs mensen zweefden kortstondig in de lucht, volledig uit balans. Mijn maag draaide om, en de druk op mijn borst maakte het nog moeilijker om adem te halen.Naast me fluisterde Vera met een gebroken stem: “Guy, dit is het einde.” Haar ogen vulden zich met tranen, maar in haar blik lag ook een vreemde kalmte, alsof ze de situatie al had geaccepteerd. Die woorden sneden door mijn ziel. Ik wilde haar geruststellen, haar zeggen dat alles goed zou komen, maar mijn eigen angst smoorde elk woord. Flarden van mijn leven flitsten voor mijn ogen voorbij: mijn jeugd, onze trouwdag, momenten met Olivier, onze zoon. Een koude rilling trok door me heen. Is dit hoe het eindigt? Een onzichtbare hand En dan, uit het niets, stabiliseerde het vliegtuig. Het voelde alsof een onzichtbare hand ons had vastgepakt en terug in balans had gebracht. De duiken en schokken stopten. De cabine vulde zich met een zucht van opluchting. Sommigen barstten in tranen uit, anderen omhelsden elkaar. Ik hoorde een kind zachtjes zeggen: “Papa, is het voorbij?” terwijl een vader zijn hoofd knikte en hem stevig vasthield.De stem van de piloot klonk door de intercom. “Onze excuses voor de turbulentie. We hebben de situatie onder controle. Blijf alstublieft met uw gordels vastzitten totdat we veilig zijn.” Zijn woorden waren bedoeld om gerust te stellen, maar de spanning in zijn stem was onmiskenbaar. Het gaf weinig vertrouwen, maar op dat moment was het genoeg dat we niet meer vielen. De opluchting in Londen Toen we eindelijk Heathrow bereikten, voelde het alsof we een tweede kans op leven hadden gekregen. De zachte landing werd begroet met spontaan applaus. Vera pakte mijn hand stevig vast en keek me aan. Haar gezicht toonde een mengeling van vermoeidheid en opluchting.De luchthaven was een vreemd contrast. Het leven ging er gewoon door. Mensen liepen gehaast met koffers, kinderen lachten, en een medewerker van een koffiebar bood gratis samples aan. Het voelde bijna surrealistisch om weer op de grond te staan na wat we hadden meegemaakt.René keek om zich heen en brak de stilte. “Ik weet niet of ik straks weer in een vliegtuig stap,” zei hij met een gespannen glimlach. Annie knikte instemmend. “Misschien blijven we gewoon hier,” antwoordde ze. Het klonk als een grap, maar niemand lachte. De laatste etappe De vlucht van Londen naar Brussel was kort, maar elke luchtzak voelde als een waarschuwing. We hielden elkaars handen vast alsof dat ons beschermde tegen wat er zou kunnen gebeuren. De spanning was bijna tastbaar. Het enige geluid was het zachte gezoem van de motoren.Toen we eindelijk landden op Zaventem, klonk er opnieuw applaus. Dit keer ingetogen, bijna aarzelend, alsof niemand wist hoe ze moesten reageren. René gaf me een klap op mijn schouder. “Dit vergeet ik nooit meer,” zei hij met een zwakke glimlach. Ik knikte. Het zou ons allemaal nog lang bijblijven. De nasleep Sinds die vlucht kan ik geen turbulentie meer ervaren zonder terug te denken aan dat moment boven Newfoundland. Het gevoel van machteloosheid, die allesoverheersende angst, blijft in mijn achterhoofd hangen. Maar angst heeft me nooit tegengehouden. Reizen is wie ik ben, het zit in mijn bloed. De wereld wacht, en ondanks de risico’s blijf ik vliegen. Want elk avontuur, elke herinnering die we maken, maakt het waard om soms met onrustige luchten te leven. Met Vera aan mijn zijde blijf ik doorgaan.  

Guy Van Damme
46 1

driedaagse clownerie

Driedaagse “clownerie en bezinning” in Nijmegen in Concordium 28 tot 30 december   Wat heb ik genoten van de bezielende coaching van Tom en Els tijdens deze bijzondere workshop "clownerie en bezinning". Spelenderwijs maakten we een balans op van het afgelopen jaar en blikten we vooruit op 2018. Gedragen door warme clowns lieten we los wat we achter wilden laten en gingen we het nieuwe jaar in met nieuwe dromen. Ik heb mijn impressies in de onderstaande tekst neergeschreven. Deze datum was al maanden “geblokkeerd” in mijn agenda. Ik had erg uitgekeken naar deze workshop met Tom Kurstjens en Els Janssens. De artistieke en didactische kwaliteiten van Ton zijn mij al bekend van vorige workshops, van Els heb ik alleen nog maar superlatieven in de positieve zin gehoord…Het lijkt me een zinvolle en waardig afscheid van 2017 en een prima start voor 2018! De lat ligt dus hoog… Ook de setting is me niet vreemd. Het doet me een beetje denken aan de sfeer en mentaliteit van de monitriceweekends, Jeugd Rode Kruis vakanties enz. Ter voorbereiding van dit weekend moeten we teksten zoeken die ons op één of andere manier intrigeren. Ik vind inspiratie in mijn boek over boeddhistische parabels. De verhalen sluiten perfect aan bij de thema’s van het weekend: loslaten, in het hier en nu leven, accepteren enz. Tijdens de rit zie ik reclameborden passeren over keuzestress, voor mij een vies en “typisch” woord van de tijdgeest waarin we leven én waar ik in deze eindejaar periode wil van wegvluchten. Bij aankomst word ik hartelijk ontvangen door Ton en de medecursisten. Ton heeft ook enkele fans van Duitsland overtuigd. Door zijn professionele ervaring in Duitsland is Ton zijn Duits behoorlijk maar toch verstoort dit een beetje de dynamiek. De deelnemers zijn geen luidruchtige, breedsprakerige Hollanders maar spontane mensen met een open geest. We starten de eerste sessie met de klassieke kennismakingsspelen en opwarmingsoefeningen. We maken onze spieren los; in clownstermen spreekt men van “uit het hoofd treden “en meer contact maken met je lichaam en jezelf. Ik weet het voor buitenstaanders klinkt dit heel “zweverig” en “hippieachtig”. De meeste hebben al wat clownservaring, de basistechnieken van clownerie (incasseren, accepteren, enz.) worden opgefrist. Alhoewel ik geen fan ben van vegetarische maaltijden geniet ik ten volle van de plaatselijke keuken. Dit vind ik toch veel appetijtelijker dan de maaltijden die ik in sommige “biologische” gastenverblijven heb geconsumeerd. Na die feestdagen kan een beetje soberheid geen kwaad! Wanneer Ton de verschillende slaapruimtes, heb ik weinig hoop op een goede nachtrust. Het is ijzig koud en er is geen sanitair op de kamer. Ik installeer me uiteindelijk in de “terraskamer ”bij Marijke, een heel expressieve, flamboyante dame die me nog vaak op de lachspieren zal werken.  Ik geniet van de avondsessie. Ton en Els hebben de cursusruimte omgetoverd tot een grote slaapkamer met matrassen, kussens en knuffels. Iedereen draagt zijn teksten voor en Ton zoekt er een passend liedje bij. Mijn favoriete gedicht “Anders” van Hans Andreus heeft ook bij een medecursist indruk gemaakt. Ton selecteert een paar muzikale pareltjes zoals “houden van” van Hans Jeckers (bij ons niet bekend, onterecht!) Het eerste ontbijt gaat er ook vlot in. De ovenverse gebakjes en croissants geven ons de nodige energie om er weer tegen aan te gaan. De ochtendsessie wijden we aan meditatie. Voor mij zijn die yogahoudingen niet evident en voelen zelfs pijnlijk aan. Gelukkig wordt het afgewisseld met zalige massages en relaxatieoefeningen. Heel symbolisch en al “dansend” nemen we afscheid van 2017 en maken we de overgang naar 2018. Tijdens de lunch gaat het bij momenten er filosofisch aan toe met bekende uitspraken van beroemde denkers. De quote van Kierkegaard, “een leven moet voorwaarts geleefd worden, maar kan alleen achterwaarts begrepen worden”, is populair en zéér toepasselijk in deze context!  Ik heb nood aan een frisse neus en een zoete cola, ik mis deze smaak in het vegetarische aanbod. Ik ga naar een gezellige eetgelegenheid waar mensen met een verstandelijke beperking mij supervriendelijk te woord staan. In Nederland is dit al jaren ingeburgerd, in België ontstaan heel voorzichtig de eerste initiatieven. In de namiddag werken we vooral rond improvisatie, dit is meer mijn ding dan de yogaoefeningen. Met de blind date amuseren we ons kostelijk en ook de oefening met de verwarde clown werkt bij velen op de lachspieren. Ik vind dit zalig om te doen én te zien. Ik herken bij enkele deelnemers typische “beginnersfouten”, waar Ton me bij vorige workshops op attent heeft gemaakt. Toen ik dit vertelde aan Els, zag ze dat ik hier mij er veel minder aan “bezondigde”. Ton heeft me blijkbaar toch veel bijgebracht.  Voor de avondsessie trekken we naar buiten en doen we een extra (thermisch) laagje aan. Els staat ons op te wachten bij het kampvuur en we installeren ons in een kring… Bij het kampvuur gooien we alle ballast symbolisch in de vuurkorf. We genieten van Marijke haar heldere stem tegen de achtergrond van een idyllische sterrenhemel en de eerste vuurwerkknallen. Ook ton zingt enkele liederen, heel het ritueel heeft voor mij iets “magisch” Ton nodigt ons uit op de receptie; de muziek van de seventies roept voor veel mensen herinneringen op.  Ton demonstreert één van zijn goocheltrucjes uit zijn programma van zijn straattheater. Els en Ton maken nog wat mondelinge reclame voor hun workshops in 2018. Vooral de workshop in Drenthe spreekt me aan; het zal moeilijk kiezen worden uit het uitgebreide aanbod!  De laatste dag starten we met uitbundige felicitaties voor de jarigen. In Nederland feliciteert men ook de partner van de jarige, voor de “gereserveerde” Vlamingen komt dit toch over als een plaatselijke gewoonte. Tijdens het ontbijt halen de Duitse deelnemers hun beste stem én hun ukelele naar boven. Ieder land heeft toch haar eigen typische verjaardagsliedje; de Hollanders hebben hun eigen versie van “Lang zal ze leven”. Vooral de hype kinetische Paul kan zijn waardering en zijn enthousiasme nauwelijks onderdrukken, zo’n ontbijt maak je niet alle dagen mee... Ook de kokkin wordt uitdrukkelijk bedankt voor haar hard labeur en haar culinaire prestaties.  Tijdens de eerste sessie van de dag ventileren we onze indrukken en onze gemoedstoestand. We drukken onze dankbaarheid uit voor grote en kleine dingen des levens. In de laatste sessie werken we rond focus, aandacht richten en tempo. Deze oefeningen zijn ook komisch om te observeren maar ook zoals alle oefeningen aartsmoeilijk om ze “geloofwaardig” te doen. Het wordt ons duidelijk dat clownerie geen gemakkelijke discipline is die toch heel wat vaardigheden vereist.  We stellen vast dat we in clownerie veel maatschappelijke codes en evidenties moeten opzijschuiven om terug te gaan naar ons “kinderlijke” ik. Zo kunnen we onze verwondering en naïviteit terug naar boven laten komen. Tijdens het opruimen van de kamer geniet ik samen met Marijke van de prachtige muziek uit de film “Schilders list”. De weemoedige, melancholische toon past uitstekend bij de situatie. Dit soort workshops blijkt vooral fijngevoelige, optimistische mensen aan te trekken die nieuwsgierig zijn naar andere ervaringen en even willen ontsnappen aan de dagdagelijks ratrace. We schrijven onze wensen neer op een kaartje dat we volgend jaar zullen ontvangen. Ik wens mezelf o.a. letterlijk maar vooral figuurlijk een “zachte” landing toe! Iedereen blikt moe maar voldaan terug op de afgelopen dagen en verlangt ook weer naar zijn eigen nest. Bij het afscheid met Els kreeg ik nog een deugddoend complimentje. Zij omschreef het figuurlijk in de trant van “je bent uit de juiste klei geboetseerd als clown, alleen moet er nog wat structuur uit komen”. Met deze woorden kan ik met een opgeheven hoofd naar huis.  

tleen
13 1

Het Mosselboot-avontuur

Het was een zomerdag in Willebroek, ergens in de jaren ’60, toen ik nog in de Kloosterstraat 62 woonde. Het was een straat zoals je die nu bijna niet meer ziet, waar buurtkinderen samen op straat speelden en de wereld onze speeltuin was. Naast ons woonde de familie Farazijn. Jos Farazijn, de zoon des huizes, was een jongen met een onuitputtelijke fantasie. Hij had het talent om zijn verhalen zo overtuigend te vertellen dat wij er allemaal in meegingen, hoe ongeloofwaardig ze ook waren. Op een dag kwam Jos met een nieuwe onthulling: zijn familie had een mosselboot in Klein Willebroek. “Ze varen op het kanaal van Willebroek om mosselen en paling te verkopen,” zei hij met zijn gebruikelijke overtuiging. Het idee prikkelde onze nieuwsgierigheid. Klein Willebroek was toen nog een plek waar schepen aanlegden, niet de chique jachthaven die het nu is. Dat moesten we onderzoeken! Op naar Klein Willebroek Met een groepje buurtkinderen, Jos voorop, trokken we richting Klein Willebroek. Het voelde als een echte expeditie, alsof we een verborgen schat gingen ontdekken. Onderweg discussieerden we enthousiast. “Zou je daar ook krabben kunnen vinden?” vroeg iemand. “Krabben? Wie wil er nu krabben? Mosselen en paling, dat is waar we voor gaan!” zei Jos met een toon alsof hij al kapitein van de boot was. Toen we dichterbij kwamen, zagen we de contouren van de haven. Het was een plek die ons onmiddellijk in de ban hield. Geen glimmende boten of nette steigers: Klein Willebroek in de jaren ’60 was een ruige wereld. Houten aanlegsteigers hingen vol met mos en zeewier, terwijl kleine, roestige schuiten zacht tegen elkaar klotsten op het troebele water. De geur was onmiskenbaar: een zware mix van olie, vis en nat hout. Langs de kade lagen stapels touwen en verweerde tonnen, sommige met regenwater gevuld, andere omringd door krijsende meeuwen. “Daar is het!” fluisterde Jos en wees naar een lage schuit die stil aan de kade lag. De boot leek al jaren het kanaal te trotseren, met verweerde planken en een vrachtruim dat om ontdekking schreeuwde. “Dat is toch wel een oude boot, zeg,” zei iemand twijfelend. “Dat is gewoon karakter!” zei Jos vastbesloten. Het donkere vrachtruim Zonder aarzelen klauterden we aan boord. Het dek kraakte bij elke stap terwijl we nieuwsgierig rondkeken. Jos, altijd de leider, bracht ons naar een luik. “Hier beneden liggen de mosselen en paling,” zei hij fluisterend, zijn stem trillerig van opwinding. We kropen naar beneden, de duisternis in. De geur van zout en hout was overweldigend, en het schemerlicht liet onze verbeelding de vrije loop. Wat als we hier iets onverwachts tegenkwamen? Wat als we een schat zouden vinden? Het leek alsof de schaduwen in het ruim bewogen, alsof we niet alleen waren. Mijn hart klopte in mijn keel, maar tegelijk wilde ik blijven zoeken. “Daar! Ik zie een kist,” fluisterde een van de jongens. “Misschien zitten er paling in, of… goud!” voegde een ander opgewonden toe. We kropen dichterbij toen het gebeurde. Een stem uit de diepte “Wat doen jullie hier?!” De stem was diep, ruw en boos, alsof hij rechtstreeks uit de buik van de boot kwam. Geschrokken verstijfden we. Vanuit de duisternis verscheen de schipper: een man met een verweerd gezicht, een lange, onverzorgde witte baard en een schipperspet. Zijn ogen fonkelden boos onder de rand van de pet, en zijn stem leek de boot te laten trillen. “Wat moet dat hier?!” brulde hij opnieuw, terwijl hij dichterbij kwam. Zijn greep om een dikke touwlus in zijn hand maakte het alleen maar angstaanjagender. “W-wij… We dachten…” begon Jos, maar zijn stem sloeg over. Met lood in onze schoenen klommen we naar boven. Daar stonden we, een groep bange tieners tegenover een man die eruitzag alsof hij de zee zelf had getemd. Jos, altijd de durfal, haalde diep adem en nam het woord. “Dit is de boot van mijn familie,” zei hij. De schipper snoof luid. “Farazijn? Ik ken helemaal geen Farazijn,” gromde hij. Zijn blik gleed streng over ons heen, en het voelde alsof hij zo door ons heen kon kijken. De afloop Daar stonden we dan, met een rood hoofd en een klein hartje, gevangen in Jos zijn fantasie. Gelukkig bleek de schipper uiteindelijk niet zo kwaadaardig als hij eruitzag. Na een strenge vermaning – “En nu maken jullie dat je wegkomt!” – lieten we de boot achter ons en renden we terug naar de veilige straten van Willebroek. Onderweg probeerden we onze angst te verhullen met flauwe grapjes. “Jos, volgende keer zeg je dat je familie een ruimteschip heeft, dan kunnen we echt de lucht in!” riep iemand spottend. Jos lachte schaapachtig. “Oké, oké, misschien iets minder fantasie volgende keer,” zei hij, al was de pret alweer van zijn gezicht af te lezen. En zo werd een gewone zomerdag in Willebroek een herinnering om nooit te vergeten. Het avontuur bleef ons nog lang achtervolgen – niet uit angst, maar als een verhaal dat we telkens opnieuw met een lach konden vertellen, alsof de geur van olie, vis en avontuur er altijd bij hoorde.

Guy Van Damme
32 1

Allerheiligen met vertraging

Joe Dassin begint te zingen en mijn lijf verkrampt onder de spanning. De dikke smeer mist kleurt alles grijs en dekt mijn courage toe. Ik deed er goed aan om Allerheiligen te laten passeren, maar toch voelt het als verraad om niet tijdig langs te komen. Het bloementapijt van zij die zich wel aan de sociale conventie hielden biedt troost. Zowel mijn innerlijke cynicus, als de mistige smurrie leggen de duimen voor de schoonheid van begraafplaats Hoog Kortrijk. Dit is mijn heimat, mijn aardrijkskundige schoonheidsbeeld. De stiekem gewilde emotionele expressie is straks hopelijk op de afspraak. Met mij gaat het niet altijd even goed en een welgemikte emo-uitbarsting opent misschien een blikje catharsis. Dan mag het hier wel niet te druk zijn, maar vandaag zit de eenzaamheid-bekijks-ratio gelukkig goed. Een beetje volk dat ook aan laat-Allerheiligen doet, bevordert de dramafactor en verhoogt de kansen op een potje veilig, publiek snotteren. ‘Et si tu n’existais pas. Dis-moi pour qui j’existerais?’. Net als acht jaar geleden in de Sint-Janskerk grijpt de zin de essentie van je bestaan. Je bestond voor de ander. Decennialang ten dienste van, al lang voordat er van ons sprake was. Na de vroege dood van je moeder woog de last van je familie op je hoogintelligente schouders. Meteen zwaar genoeg om een torenhoog academisch potentieel te doen inzakken. Je intellect ontwikkelde zich koppig zijwaarts naar vernuftige scenario-ontwikkelingscapaciteiten, die elke situatie konden omtoveren tot een angstbron. De uitzondering op de regel dat familietrekken een generatie overslaan. In de paplepels liefde zat een angstig bijsmaakje, dat de zoetheid niet verdoezelde maar voor papa en ik zwaar blijft wegen. Als kuiken piepte ik zorgeloos in jouw nest waar ik voor eeuwig wilde blijven. Nergens was het zo goed als onder jouw vleugels. Bedolven onder verwennerij was de kust altijd veilig. Enkel met flashbacks en mentale graafwerken kan ik ook jouw zwaarte oproepen. En dan komt er altijd spijt. Spijt dat ik niet sterk genoeg was om de bubbel der onschuld te poppen en naast je te komen zitten als je alleen weende in de keuken. Je zou het ongetwijfeld toch niet toegelaten hebben. Zorgen voor, was de taal van de liefde, en in jouw keuken kwam alles heet op tafel. Meestal met bruine saus en zelfgedraaide kroketten, die we met je iconische plastic patat-in-worstjesdraaimachien samen duwden. Het knersend geluid van je elektrisch mes dat het bord raakt nadat je door het gehaktbrood sneed, is mijn audiologisch equivalent van een liefdesverklaring. Ik kreeg van jou de liefde voor alles dat ‘Goe!’ en ‘Lekkre’ is. Dat is bijna zo smakelijk als je hutsepot of gestoofde wortels, of rare puddingskes als dessert. Je was een oerkracht. Vanuit de schaduw van je huwelijk had je alles gesnopen. Je hoefde de cocon niet te verlaten om de wereld te begrijpen. Ondertussen op het kerkhof blijven de grote emoties uit en borrelt ontgoocheling en frustratie. Ik zie haar toch graag? Ik tuur in de verte, richting de Aalbeekse velden om hopelijk aan boord van de HMS Joe Dassin richting vervoering te varen. Maar zoals het krokettenmachien blokkeert als je er teveel puree doorperst, ben ik aan het forceren. Ik laat los en rust mijn handen op de koude grafsteen.    Onze familie week altijd af van de norm en ook op de laatste rustplaats blijven we trouw anders doen. Meme’s blok graniet is de enige met een inkeping waar papa, plantjes heeft ingeplant. Geen conformerende, kleurrijke ruikers maar een ogenschijnlijk banale bodembedekker. Ongetwijfeld met een diepere betekenis en symbool voor de gedeelde plantenliefde tussen papa en meme. De grootste match tussen mijn grootouders was tussen mijn meme en de ‘Dujardin’-familienaam. Gaandeweg kom ik los en neemt mijn bewustzijn een hemelwaartse helikoptervlucht. Ik zweef over mijn jeugd en denk aan haar huwelijk, dat in de laatste, verduisterende dagen toch liefdevol bleek, toen pepe zich door de dreiging van verlies ontpopte tot je rots in de branding en als een trouwe hond zes jaar naast je bed zat in het rusthuis. Hij maakte mee hoe die rottrombose langzaam je karakter uitholde en je steeds explicieter de rekening voor al zijn stoten vereffende. Toch bleef hij met legendarisch optimisme, goesting en gusto boete doen. Tot het einde. Op vijf mei 2016 stonden drie generaties Dujardin in kamer 208 van RVT De Korenbloem rond een leeg ziekenbed. Ze verloren hun meme en moedre na een te lang uitgerekte achteruitgang. Hier zag ik voor het eerst mijn vader, zijn vader omhelzen, misschien voor de eerste keer ooit. Een eenrichtingsverkeerknuffel, want pepe was te verdoofd. Ik twijfelde of dat soort intimiteit tout court tot zijn mogelijkheden behoort. De hemel ontdoet zich ondertussen van smurrie en de zon mengt zich in het debat. De meteorologische plotwending doet mijn interne cynicus nog even roeren, maar het gebeurt toch. Ik breek. Het is altijd een opluchting dat ik het fysiek nog kan.

GinDin
0 0

De Regenchallenge

Mijn carrière als turnleraar begon ooit in Putte, een dorp niet ver van Mechelen. Jong en vol energie was ik klaar om de wereld van het bewegingsonderwijs te veroveren. Mijn eerste opdracht was echter… eh, iets uitdagender dan ik had verwacht. In plaats van een sporthal of gymzaal, mocht ik lesgeven aan een groep stevige beroepsstudenten in, jawel, een overdekte speelplaats voor kleuters. Het was geen luxe sporthal met spiegels en airconditioning, maar een bescheiden, half-open ruimte met kleurrijke glijbanen en wipplanken voor kleuters. Het was ook typisch Belgisch weer, wat betekent dat de hemel grijs was en de regen gestaag uit de lucht viel. Ik wist dat deze leerlingen al weinig enthousiasme hadden voor turnen, dus deze regenachtige setting hielp niet bepaald om hen in beweging te krijgen. Toen ik de klas bij elkaar had, zag ik de gezichten vol weerstand en halfslachtige blikken: ik besefte meteen dat een beetje creatieve motivatie noodzakelijk zou zijn. Met een vleugje ironie en een flinke dosis humor kondigde ik aan: “Oké, luister goed! Degene die erin slaagt om tussen de regendruppels door te lopen en droog blijft, krijgt van mij een 10!” De klas barstte in lachen uit. De meeste leerlingen keken me met een mengeling van ongeloof en amusement aan. Ik had niet echt verwacht dat iemand de uitdaging serieus zou nemen. Het was duidelijk een grap, toch? Maar toen zag ik plots twee jongens die elkaar aankeken, hun wenkbrauwen fronsten, en besloten het erop te wagen. Het waren niet bepaald de meest snuggere jongens uit de klas, maar hun nieuwsgierigheid en hun gevoel voor competitie won het van hun logica. Voor ik het wist, stonden ze buiten op de speelplaats, klaar om hun “droog-bij-de-regen-challenge” te starten. De rest van de klas stond als versteend toe te kijken hoe hun klasgenoten zich een weg probeerden te banen door de regendruppels. Het was een geniale combinatie van sprongetjes, zijsprongetjes, en zelfs een paar halve pirouettes, alsof ze probeerden te dansen om de regen te ontwijken. Nu moet je je even voorstellen: deze twee jongens, echte grote sterke kerels, gehuld in hun korte turnbroek en gympjes, stuiteren met een brute kracht over de speelplaats. Hun gespierde lichamen, vol energie en vastberadenheid, maken een komisch contrast met hun verwoede pogingen om de regendruppels te ontwijken. Terwijl ze door de regen stampen, lijken ze wel lid van een straatcultuur, de zware jongens die overal een uitdaging in zien. Met hun brede schouders en gespierde armen bewegen ze zich als zware motoren die een pad proberen te banen door de storm, vastbesloten om niet één druppel te raken. Elke sprong is een mini-explosie van kracht, gevolgd door een draai die net iets te ver gaat, waardoor hun voeten onder hen vandaan glijden. Ze trappen in plassen zonder het te merken, maar met een grijns op hun gezicht gaan ze door, alsof het allemaal deel uitmaakt van hun "perfecte dans". Het lijkt wel een chaotische, maar vastberaden choreografie, waarbij hun armen wild zwaaien, niet in een elegant ritme, maar eerder als een overenthousiaste poging om de lucht te beheersen. Eén van hen probeert een soort sprongetje met een draai, maar zijn voet komt verkeerd neer en hij wankelt een paar stappen, voordat hij zichzelf herpakt en verder stuitert, vol zelfvertrouwen, ondanks zijn geklungel. De andere volgt zijn lead, springt in een onverwachte bocht en eindigt in een sprongetje dat meer lijkt op een duik in de regen dan een sierlijke beweging. Het is een absolute chaos, maar voor hun ogen is het een epische strijd tegen de regendruppels, en ze geven niet op, hoe klungelig het er ook uitziet. Hun gympjes ploften telkens op de natte ondergrond, spetterend in de plassen alsof het een natte dag op het strand was. De regen leek met elke sprong harder te vallen, en het water spatte om hen heen als een decor dat alleen zijzelf niet leken op te merken. De rest van de klas stond met open mond te kijken hoe deze twee dappere jongens zich doorweekt en vastberaden in hun droog-blijven-missie stortten. Het was een toneelstuk dat niemand had willen missen. De gezichten van de twee jongens spraken boekdelen: een mengeling van verbazing, teleurstelling en een snufje trots. Want tja, ze hadden het toch maar geprobeerd! Ze keken elkaar aan, schudden hun natte haren uit alsof ze echte atleten waren die net een zware wedstrijd hadden doorstaan, en kwamen naar me toe, met een blik die duidelijk vroeg: “En, meneer, krijgen we nu die 10?” Op dat moment besefte ik dat ik de jongens moest belonen voor hun motivatie. Het is niet elke dag dat je zulke inzet ziet, zelfs al was het voor iets zo dwaas. “Oké, jongens,” zei ik, terwijl ik een beetje moest grijnzen, “jullie krijgen geen 10, maar een dikke 9 voor de moeite.” De rest van de klas reageerde enthousiast, en ik zag dat die twee natte helden het applaus met trots in ontvangst namen. Vanaf dat moment was de toon gezet. Hoewel ik op een speelplaats lesgaf die eigenlijk voor kleuters bedoeld was en ik moest roeien met de riemen die ik had, werd het toch een succes. Door af en toe een grapje of een uitdaging toe te voegen, wist ik de leerlingen steeds weer te motiveren. En geloof me, in de regen lesgeven aan een stel pubers in een speelplaats vol glijbanen en wipplanken, dat is niet bepaald wat ze je leren op de sportopleiding! De rest van dat jaar was vol met soortgelijke momenten. Een keer probeerde ik de klas zover te krijgen om rondjes te rennen, en ik zei dat de eerste die vijf rondjes had gelopen zonder buiten adem te raken een zakje chips zou krijgen. Uiteraard was dat een grapje, maar sommige van hen geloofden het toch en renden de speelplaats rond als mariniers in een oefening. De vermoeidheid en het hijgen waren onmiskenbaar, maar hun doorzettingsvermogen ook, en dus haalde ik een paar appels boven om ze te belonen (veel gezonder dan chips, nietwaar?). Soms vroeg ik me af wat ik mezelf had aangedaan met deze baan, maar aan de andere kant bracht het ook veel voldoening. Op een dag, toen het wéér eens regende, vroeg een van de leerlingen: “Meneer, gaan we vandaag nog tussen de regendruppels lopen?” en ik besefte dat die eerste grap niet alleen als motivatie had gewerkt, maar ook voor een band had gezorgd. Ze leerden lachen, ze leerden bewegen, en ik, nou ja, ik leerde misschien nog wel het meest van allemaal: humor is een krachtig instrument, en soms is het belangrijkste gewoon dat leerlingen plezier hebben. En zo ging mijn carrière als turnleraar van start, vol onverwachte situaties, hilariteit en een beetje regen. Maar één ding is zeker: ik zou die eerste natte, enthousiaste poging van mijn leerlingen nooit vergeten. Wat het lesgeven betreft, vond ik een manier om het een beetje leuker te maken – en dat, denk ik, is uiteindelijk wat telt.  

Guy Van Damme
15 1