Zoeken

Brief aan mezelf/Ik wou nog sorry zeggen

Ik wou nog sorry zeggen   Sorry voor Turks fruit. Sorry voor Anna Karenina. Sorry voor Oorlog en vrede. Max Havelaar. De avonden. 1984. Congo. Honderd jaar eenzaamheid. Misdaad en straf. Kaas.   Ik wou nog sorry zeggen dat ik van tientalle klassiekers nog nooit heb gehoord. Ik wou nog sorry zeggen dat ik sommige klassiekers niet heb doorgrond. Ik wou nog sorry zeggen dat mijn boekenkast vol staat met boeken die ik nooit heb gelezen. Ik wou nog sorry zeggen dat ik lang heb gedacht deze wel ooit te lezen. Sorry als je er nog steeds niet bij bent aanbeland   Ik wou nog sorry zeggen dat ik de Steinerschool heb verlaten. Als ik was gebleven had ik de klassiekers misschien wel gekend. Ik wou nog sorry zeggen dat ik dit niet had kunnen voorspellen. Ik wou nog sorry zeggen dat ik door van school te veranderen geen manden heb gevlochten geen potten heb gebakken geen sculpturen heb gemaakt niet heb geboetseerd   Ik wou nog sorry zeggen dat ik niet katholiek ben opgevoed. Hoewel dit niet mijn keuze was. Ik wou nog sorry zeggen voor als je hierdoor in vervelende situaties terecht bent gekomen. Ik wou nog sorry zeggen dat ik mezelf heb wijsgemaakt iets van godsdienst af te weten omdat ik het Onze Vader uit mijn hoofd ken. Ik wou nog sorry zeggen dat ik nooit in een kerk zal kunnen trouwen. Ik wou nog sorry zeggen dat ik hier enkel zou willen trouwen omdat ik de gekleurde glasramen zo mooi vind.   Ik wou nog sorry zeggen dat ik altijd veel verzameld heb. Ik wou nog sorry zeggen dat je daardoor nu met een te veel aan spullen zit. Schelpen. Theezakjes. Theaterscripts. Filmstills. Retro vakantiefoto’s. Foto’s in het algemeen. Jommekesstrips. Postzegels. Knutselmateriaal. Schoenen. Theatertickets. Filmtickets. Museumtickets. Treintickets. Zwemdiploma’s.   Ik wou nog sorry zeggen omdat ik hierdoor waarschijnlijk mijn keuzestress heb ontwikkeld. Ik wou nog sorry zeggen dat ik vaak doe alsof ik geen keuzestress heb, iets kies en vervolgens spijt heb. Ik wou nog sorry zeggen voor het trainen mezelf wijs te maken dat ik dingen soms anders zeg dan ik ze denk. En sorry zeggen dat ik te lang heb gewacht dit uit mijn systeem te halen. Ik wou nog sorry zeggen dat ik hierdoor sommige kansen heb laten schieten of personen heb weggeduwd. Sorry dat deze anders misschien wel in je leven waren gebleven. Sorry dat ik mijn lief heb gedumpt. Sorry dat ik haar de koffiemachine heb gegeven en nu zelf zonder zit. Sorry dat ik verslaafd ben geraakt aan het drinken van koffie. En aan sigaretten. Sorry dat ik mijn lichaam van binnenuit kapot maak. Sorry dat ik hierin overdrijf. En niet alleen hierin.   Ik wou nog sorry zeggen voor het vele geld dat ik heb uitgegeven. Sorry dat ik het weer over een andere boeg gooi. Dat ik geld te weinig had om mijn reis naar Ijsland te maken. Dat ik heb gedaan alsof ik dat niet erg vond. Dat ik mezelf opzij heb geschoven. Weeral. Opnieuw. Dat ik mezelf telkens heb beloofd dat het de laatste keer zal zijn en er toch weer in slaag. Dat ik dit op mijn karakter schuif.   Ik wou nog sorry zeggen dat ik mezelf denk te kennen maar dat eigenlijk niet doe. Ik wou nog sorry zeggen voor als je dat nu nog steeds niet weet. En sorry voor als je jezelf aanpraat dat je dat wel doet. Dat is oké.   Ik vind mezelf oké.   Ik wou geen sorry zeggen voor elk fietslampje dat ik uitknip als ik het zie branden. Geen sorry voor het opstaan in de bus voor oude mensen. Ik wou geen sorry zeggen voor mijn overbezorgdheid. Mijn vrijgevigheid. Mijn goedlachsheid.   Ik wou nog sorry zeggen uit naam van alle mensen die van bovenstaande dingen misbruik hebben gemaakt. En sorry dat ik dit doe om mezelf gerust te stellen. Ik wou dan nog sorry zeggen dat ik zo slecht kan relativeren. Dat ik tegen mezelf praat om hieraan te werken.   Want alle zorgen nachtmerries verlangens gemis spijt dromen hopeloze gedachten moeilijkheden waar mijn hoofd mee blijft zitten zijn vaak de moeite niet waard. Sorry dat ik dat soms vergeet. Sorry dat ik deze kopzorgen van mijn gehele lichaam bezit laat nemen.   Ik wou nog sorry zeggen voor de slechte bloedsomloop. De koude voeten. De gevoelloze vingers in de winter. De slechte tanden. De zwakke weerstand. Het permanente ijzertekort. De lichte scoliose. De naar binnen staande knieën. De scheefgegroeide tenen. De slechte houding. Het verslechterde zicht.   Ik wou nog sorry zeggen dat deze gehele tekst vol spijtbetuigingen staat. Ik wou nog sorry zeggen dat ik geen gepaste aanspreking vond. Ik wou nog sorry zeggen dat ik ook geen afsluiting zal vinden.

Matilde Quirynen
1 0

Is er nog plaats voor liefde in mijn hart?

Begrijpt u mij niet verkeerd. Ik sta hier nu, voor u, ietwat nederig om niet te zeggen onderdanig, doch met licht arrogante ondertoon om in zekere zin respect af te dwingen en tegelijkertijd jullie volstrekte aandacht op te eisen zonder jullie ook maar het kleinste vermoeden te geven dat ik wel eens absoluut niet te zeggen zou kunnen hebben. Maar genoeg over mij. Mensen hebben het weerzinwekkend graag over zichzelf. Wie bent u, mens met het zwakke hart, wezen met het onvoorstelbare talent om door wie dan ook neergehaald te kunnen worden? "Wij", besluit ik. En de samenhorigheid is geboren.   Om de uit het niets opdoemende poëtische meligheid even drastisch aan de kant te schuiven en de eeuwige drang naar concreetheid te bevestigen, zal ik het begrip lanceren dat deze al dan niet onverklaarbare woede heeft opgeroepen. Vergeeft-u mij mijn onprofessionaliteit. Het gaat hier nl. over de liefde. Een tongstrelend woord - ik nodig ieder van jullie hartstochtelijk uit om het op een afschuwelijke manier uit te spreken, de wonderen zijn de wereld nog niet uit - dat harten doet fluisteren en mensen doet slaan. De warme, zoete liefde die uw leven sporadisch binnensijpelt en vervolgens net zo plots durft te verlaten maar ter compensatie een prachtig(e) kille leegte achterlaat. Een mens zou er bijna massochistisch van worden. Doet u dat ook? Genieten van die wrange smaak, die u er gratis en voor niets bijkrijgt, even gorgelen en toch niet wegspoelen?   Liefde bijt, snijdt, ijlt en toch blijft men er van houden. Of hoe de ironie des levens blijft verbazen. Laat ik er van uitgaan dat ieder van jullie zich wel eens heeft afgevraagd of hij/zij oprecht van iemand houdt of eerder van het gevoel dat laatsvernoemde u bezorgt. Objectiviteit is uit d'n boze maar de vraag houdt stand. En wat met naastenliefde? Solidariteit, geven, nemen, schenken voor het goede doel.. Om over eeuwige altruïstische kwesties nog maar te zwijgen. Waarom geven, zonder er baat bij te hebben? Indien dit laatste wel correct is, voor de hindoes en boedhisten onder ons die karma als waarheid zien.   Bestaat oprechte liefde überhaupt? De onvermijdelijke ego- vs altruïsmekwestie schreeuwt het uit: "Vangt een moeder de verloren alias verlossende kogel voor het kind op, puur uit liefde, wetend dat haar spruit nog een leven lang tegemoet gaat doch niet rekening houdend (of juist wel?) met het feit dat het moederziel alleen-e grut niet veel overlevingskans bezit of eerder uit voorbedachte rade, denkend aan de beschuldigende blikken van de dorpbewoners en beseffend dat een leven vol met spijt ook geen leven is? U gaat me nl. niet vertellen dat de dode meer last heeft van pijn dan de overlevende. Of struikelde de arme dame over een ongelukkig geplaatst houtblok en verdwijnt deze redenering in het ijle? Vrije interpretatie sluimert en schijnt, schokt en venijnt.   Alomvertegenwoordige teleurstelling is waar het om gaat. Te nemen of te laten. Een mens wordt alleen geboren en blaast z'n laatste adem wederom even verdomd alleen weer uit. De grootste waarheid die ik tot nog toe heb durven slikken.   Die o-zo symphatieke - u toegewenste gore, guitige, loze liefde zal knarsetandend uw oor afsabbelen, knagen alsof z'n leven ervan afhangt om u vervolgens tegen de muur te plakken en daar te laten hangen. Dagen, maanden, jaren. En pijn. Pijn zult u voelen.   Pijn. Scheurend. Wroetend in uw eigen onmacht, knagend, sluipend, huivering-, duivelop-, duizelingwekkend slopend. Huilend, druipend en snikkend doch droog. Kurk. Droog. Krakend en brekend en slijpend tot in de eeuwige schrapende groteske stilte der dwazen.   Luister. Hoort -die lachende, fluisterende pijn- opdoemend uit de nevelige, zwarte, schreeuwende leegte. Schater, bejubel, aanbid dit onderhuids, vretend, morbide metafoor voor de liefde en lach. Lach tot u niet meer bijkomt.   Maar, vreest-u niet. Sluit allen jullie ogen.   Sluit. En voel - voel je wimpers voel je ze voelen zo onherroepelijk s-zacht tegen je huid. Je adem fluistert, spreekt, sist. S-s-s-s-zwijg. Sluit je mond. Integendeel jouw hart. Open lijk nooit tevoren. Open en voel. Voel verder. Verder voelen en vlijen in de verste veilige plek van je zielige hart. Harteloze ziel. Jij. Laat je door de klanken bezweren en betoveren en meedrijven naar iets. Iets puur, iets prachtig, iets ongelooflijk, onwaarschijnlijk mooi. Kleuren in het ijle. Zij zingen, zweven, schijnen.   Geniet. Geniet. Geniet.   Is er nog plaats voor liefde in uw hart?

Pseudoniem
7 0

Agonie van lust

Ik hoor geschreeuw, geroep en getier. Geklepper onder mijn voeten, veroorzaakt door schoenen die geen kracht meer hebben om de voeten te dragen. Ik hoor gespuis, geruis, geborrel en weer geschreeuw. Zeg me dat je het ook hoort? Zoals een boot die me weg doet drijven, weg van wezenlijkheid, zo ben jij niet de zeilen, maar de zee. Drijft me met de stroom naar waar jij wilt mee. Door stormen, laat jij golven oprijzen en kapseist mijn boot, terwijl ik vasthou aan wat er nog valt vast te houden, maar nader de kustlijn met lege handen. Alles blijkt weggespoeld. Ik kan niet overleven met niets. Ik zou niet kunnen overleven zonder pijn, wat pijn doet, doet leven. Ik weet dat je er bent, ik weet dat je er nog bent. We zullen altijd weer dat verlangen naar wat slecht voor ons is. Ik kom uit dagen waarin pijn slechts bijzaak was, een middel om meer te genieten van genot. Appreciatie voor alles wat goed voelt, toon je met leed. De agonie van lust, de doodstrijd met verlangen, het lijdzaam begeren. Ik wacht op je, zoals geëxalteerde mannen die wachten op hoeken van straten, op meisjes die veel te jong zijn en veel te onbevangen, met veel te lange haren en veel te korte rokjes op veel te late uren. Hoeken van doodlopende straten, plaatsen waar ik steeds opnieuw in lijk te verdwalen. Ik loop dood op vragen. Ik raap de brokstukken, herbouw het wrak met de overblijfselen, lijm ze aaneen met genoegen, hoop dat het genoeg is. Je jaagt driften na en verdrinkt me dan. Dompelt me onder in wat jij noemt het mooiste wat er bestaat. Sirenenzang en ik ben de enigste die het hoort. Wat zou je doen als je jezelf zou zien verdrinken?   Ik weet niet waar te beginnen. Al sinds jij er was, verzamelde je mijn tranen, de zoete en zoute. Je blik deed me lachen, nochtans wist ik dat ik langzaam aan, verteerd werd door jouw vermogen. Dit zou niet mogen, zou niet hebben mogen. Alsof de greep van een kat de vogel jouw te pakken kreeg, greep je me vast met  lange scherpe nagels. Spijkert me vast aan een plafond vol dode en levende vliegen en ik spartel en doe of ik ook vlieg. Listig heb je me daar gehangen, mijn lichaam is vrij maar toch zo bevangen. Kan nergens heen, zelfs niet in gedachten. Ik heb leren toevlucht te zoeken in het wachten op hoop of wanhoop. In jouw grimas zag ik je tanden blinken wanneer je mijn haren door het slijk sleepte en met een wortelrasp de sproeten van mijn huid dacht te kunnen ontdoen. Toen ik zei dat tijd alles beter zou maken, kon je niet wachten, je kon niet wachten op seconden, minuten of uren. Jij wou niet leven in dagen van weken of jaren. De tijd was niet voor jou gemaakt. Je besloot tussen nachten te leven, sloeg dagen over en bewoog urenlang niet. Soms koos je zwart, dan blauw dan roos en weer zwart. Mijn lichaam vertoonde rode, gele en groene vlekken, verouderde blauwe plekken, die soms nooit blauw waren geweest. Zo raakte ik in de war met de tijd en met jou. Je liet me denken of tellers van wijzers, niet meer telden, tijd niet telden, soms wij niet telden, wij niet wijs werden van tijd.   Waarom een nee? Waarom een na als er een ja te krijgen valt? Waarom een ‘niet doen’ als het toch te doen is? Waarom afblijven als alles zo leuk is om aan te raken, tegen jezelf te voelen, je tong en jezelf er tegen te schuren? Schreeuw ja! Ik pers een ja uit. Een vroeggeboorte van wat nooit geboren zou mogen worden. Maar, nu galmt ze na in de kamer, aan iedereen om te aanschouwen. Iedereen wilt het toch? Waarom lijkt iedereen zo haar handen eraf te kunnen houden? Aan het einde van de winter, peul ik de groene harde blaadjes van knopjes van bomen open, groene knopjes, om de bloem nu al te kunnen zien. Ik kon nooit wachten op de warmte van het weer. Ik wil geven, mijzelf overgeven aan mijzelf, jou en de wereld, alles overgeven en mijzelf, mijzelf doen braken. Uitbraken van brandend gal als een beginnend vuur van ongekende gevaren. Ik wil mijzelf dopen tot mijn eigen doopmeter en vader, ik zal voor mijzelf zorgen, zelfs als ik niet meer kan praten. ’S Nachts lig ik wakker en luister hoe de stad haar liefde met mij bedrijft, vanuit mijn bed drijf ik als het ware weg, op de zee die jij bent voor mij. Steden zijn het engst wanneer ze leeg zijn. Iets dat zo bruisend was maar nu zo ontdaan van elk sprankje rumoer en onrust. Ondoordringbare leegtes onder verborgen watervallen galmen na van wat te luid werd uitgesproken. Door de krochten van de stenen doolhoven, ontsnapt er slecht lucht. Ik luister hoe ik stilval en ik voel hoe de zwarte nacht mij meetrekt in zwetende, bonzende bossen, te dichtbegroeid, zodat we beiden tegen elkaar worden aangedrukt door bosbegroeiing. Hier verdwalen we niet, we volgen sporen van warmte in het duister, ik luister (3x).  

Anna Borodikhina
24 0

Je koffie

1.Als de vogels       donker boven je hoofd  vliegenen de kastanjesnaast je open barstenvallen de deuren op slotperst de geur van schimmeldoor het nieuwe plafonden sta je                            stilje beseft als een zweepslagin een mierennestdat je onderwegde ‘route du soleil’kwijt speelde- tijd voor koffie - zwart en bitterdie je voor de zoveelste keernaar binnen gietmokkend ergens op een                                          Hoog VerdiepIn een stadbadend in de echovan wat boegeroepterwijl de spiegel weigertje nog langer aan te kijkende vogels grijs boven je hoofd dreigen aan te vallenzolang het nat nietvan je gelaat glijdtals een masker van“ik ben niet hier”   2. Totje daarje koffietot je neemtals een oude hoer die niets meer doet                                dan oude klanten afwerken- buiten dromen de spiegelbeelden -alles raast voorbij vanachter de glazen straatomdat je niet vooruit wilen je de shotgun neemtnetjes verborgen onder een versleten boxeren knalt die godverdomse grijze vogelsuit die verdomde versleten luchttot, het valt,              jij valt,                         zij valt de koffieis op, de motorstoptdoor het vensterraam vang je nog een glimpvan een stad die daaltzie je daken zoals je ze nog nooit zagje glimlachtje schuift je stoel naar achterenlaat de vogels vrij en de koffie koud - zo daar ga je dan -het is al laatrust numaar.

Bart Vermeer
29 0

Diesel-tempo

Nieuwe school, avontuur - Ge wet wel - grote mond. Rondhangen me de vrienden, smore van lampbestuurde grond. Ontgrond, waar ik stond, met tanden van mijn mond, niet gedacht dat het bestond, nog voor dat alles echt begon.    Ik moest er nog mee starten, mee aan de slag, “Hallo - ik ben nieuw hier - ja - eerste dag”. Denkte echt dat da mijn woorden werden? Niks wereld-derde, elke dag die fucking Merde, Sorry dak ff hardop lach.   Vergelijk me met een beest als een tijger, een vechter, een krijger,  altijd eerst op startblokken, de steun van de steiger, Mensen vragen mijn mening, shit - really - ge moogt is raden waarom ik weiger.    “Hallo Mevrouw, goeiemorgen, ik zoek het toilet”, Ook zij had mij weer snel met de mond vol tanden gezet,  ik zeg ‘halloww.. da’s toch ni zo moeilijk he, zeg me gewoon de weg" Die vrouw bleek dus doof te zijn, en niemand da't da efkes zegt?!   Stunt nummer 1, en ik ben een man van vele, zou men stommiteit af en toe moeten kunnen verdelen, lokaal lokaliseren door te transporteren en te transformeren, zodat ik ’t me enkel moet verbeelden.    Dromen is erg maar vaak snel over, een soort manier waardoor ik mij naar een universe tover. Daar is het proper, rein en ongelogen, zonder te betogen, zonder ne moskee of synagoge.   Helemaal niet, waarom voelt gij u nu aangesproken? Ineens - ver uit het niks - komde gij hier aangekropen, ff kloppe, telefonneke, nee niks late wete, en dan nog verwachte da ge hier ’s avonds me ons mee kunt eten?!   Shit weg - die fucking vanzelfsprekendheid, Respect voor mekaar -neje- het volk van vandaag krijgt het schijt, in alle tegenstrijd, niemand is nog toegewijd, ge weet da gij de toekomst zijt, ge hebt zelfs nog geen beetje spijt.    Uw ouders - zo hard gewerkt om er voor u te zijn, centjes op de bank gezet voor uw succesje, groot of klein, Gij moet het wete, gij liever dan de mijn want - de mijn doe ik geen pijn, Gij zult het kruisje van het huisje zijn.   Sorry mama - ik lust da ni - ik wil alleen echte cola, meende gij da nu - men kind - shit verwende Lola. En Lola krijgt alweer haar zin,  dus tegen beter weten in,  klop ik vandaag weer op m’n kin omdat’k niet graag van m’n zusje win.   Ooit moeten we leren, doen we allemaal, en ’t is gewoon een feit, vandaag elk in ons eigen taal.  Fysiek of mentaal, introvert of asociaal. we moeten best massaal, organiseer nogmaals het laatste avondmaal.   Ma da's moeilijk want de tafel is te klein, of misschien hebbe we gewoon te weinig plek. Zijn weer maar eens verhuist, alles behalve fijn, weinig ander keus want den Immo ging op z'n bek.    Neenee, da's ni wa da'k zeg,  hoe wilde da'k het uitleg? Zo da gij mij verstaat, Immo en ik waren beginnen vechten op de straat.   

Flashlab
1 0

Hoe moeder stierf en dat dat eigenlijk mijn schuld was

  ‘Moeder, je zou me toch komen ophalen aan het station? Ik had gezegd om kwart voor twee. Half drie is het nu.’   ‘Moeder, het is drie uur. Waar blijf je? Bel je me?’   Maar moeder belde niet. En ook op de boerderij nam niemand op.     Om half vier kreeg ik de jongste broer aan de lijn. Ik zat op de rand van één van de grote bloembakken voor de stationsingang en keek verveeld rond. Na een weekend in Gent het dorp troostelozer dan ooit. Ik keek naar de bussen die af en aan kwam rijden. Naar de mensen die op en af stapten. De meesten beladen met zakken van de Aldi, er is een filiaal in de naburige gemeente. De Aldi is voor arme mensen, zei moeder altijd toen ik als kind vroeg waarom wij er nooit heen gingen. Arme mensen zonder auto.   De jongste broer ademde onregelmatig en probeerde zich goed te houden. ‘Ons moeder. Louiza, toch.’   Ik zocht tevergeefs houvast op de rand van de betonnen bloembak die, toen de jongste broer verderging, stroperig werd, als drijfzand. Ik dreigde weg te zinken. ‘Maarten. Met zijn tractor. En moeder, met de auto. Verblind door de zon, zeggen ze.’                                                                      *   In de keuken zaten de vier broers samen met vader aan tafel. Ze keken naar het tafelblad. Ze keken niet op toen ik ook ging zitten, maar bogen hun hoofd nog dieper. Hun neuzen raakten het tafelblad net niet. Wie niet beter wist, zou de aanblik komisch gevonden hebben.   De jongste broer richtte zich op. Hij keek me aan en ik dacht een veeg bloed op zijn T-shirt te zien. Dat hij er als eerste bij geweest was. Dat hij net het erf afgereden was, hij was de maaier komen halen, het gras op het stuk land aan de Wissel stond zo hoog. Daar, aan de Wissel, in de bocht… Moeders auto stak half in de gracht. De tractor van Maarten was er half over gegaan. Dat hij erbij was toen ze… Dat hij de deur eerst niet open kreeg. Hij had haar gordel losgemaakt, haar uit de auto gehaald. Ze had iets gezegd, maar hij begreep niet wat. Dat alles zo snel ging. Dat Maarten haar niet gezien had. Dat Maarten daar stond. Gewoon stond. Godverdomme, de klootzak.   Ik haastte me naar mijn kamer.                                                                   *   ‘Zusje, het is net zo druk nu. Kun je niet pas tegen de avond terugkeren? Ze komen materiaal leveren voor de nieuwe stal en vader is niet thuis. Ik ga me te erg moeten haasten. Kun je echt geen trein later nemen?’   ‘Nee, ma, dat kan ik niet. Ik vertrek nu naar het station. Ok?’                                                                        *     Maarten vraagt om langs te komen op de boerderij. Maar men wil Maarten niet zien. Men wijst hem met de vinger. Het is zijn schuld. De politie komt enkele keren langs en er passeert ook een verslaggever van de krant, maar niemand wil met hem praten behalve een loslippige buurvrouw.   In de krant heeft men het over een tragisch ongeval en over Maarten D. (39), een bekende van de familie, goed bevriend met de vier zonen van het slachtoffer. Dat hij mij om de twee weken de hersenen uit mijn kop neukt, heeft de verslaggever er niet bij vermeld.   Dat het niet de eerste keer is dat de jonge boer een ongeval veroorzaakt. Alleen niet eerder met zo’n tragische afloop. Het slachtoffer was een liefhebbende echtgenote en moeder van vier zonen en een dochter. Lid van de KVLV. Een hardwerkende boerin, die haar boerderij met trots bestierde.   Maar ik moet Maarten wel zien.   Ik klop op de achterdeur en vind zijn ouders in de keuken. Ze zitten aan tafel en veren op wanneer ik binnenkom. Een klamme hand, enkele woorden van medeleven en verder niets. Boeren zijn harde werkers, geen praatjesmakers. ‘Hij is bij de kalveren,’ zegt zijn vader ten slotte. Toonloos. Mijn tong plakt tegen mijn verhemelte. Ik trek de achterdeur geruisloos achter me dicht.   Hij staat werkloos naar de eerste kalverhut te staren, een emmer met melk in zijn rechterhand. Ik schuifel met mijn voeten in het stro, zodat hij wel moet omkijken. Hij ziet me, maar hij mijdt mijn blik. Hij zet de emmer neer en veegt zijn handen af aan zijn overall. ‘Louiza.’ Dan pakt hij de emmer weer op, gaat voor de tweede kalverhut staan en giet wat melk in het drinkbakje. Het kalfje begint meteen gulzig te drinken. ‘Ik heb haar niet zien komen,’ zegt hij. Hij gaat in de richting van de derde kalverhut. Het kalfje komt nieuwsgierig dichterbij, likt in afwachting aan de tralies. Ik sla mijn armen om zijn grote, logge bovenlijf. Hij houdt de emmer nog steeds in zijn hand. Zelfs wanneer zijn tranen in mijn hals beginnen te druppen.   Mannen huilen niet, wil ik zeggen.   De broers huilen niet. Vader ook niet.   Dus waar haal jij het recht?  

Valerie Tack
78 2

Een bubbel van niets

Zij is eenzamer dan het woord eenzaam zelf. Zij. Hoort. Niets. Zij hoort niets. Ook geen stilte, de stilte is iets. De stilte is stilte. Zij hoort niets. Rondom haar is een bubbel van niets. Een bubbel die al het geluid absorbeert en haar achterlaat in het niets. Ze. Hoort. Niets. Ze hoort haar vader niet juichen om de voetbal.  Ze hoort haar moeder niet vloeken omdat ze een bord heeft laten vallen. Ze hoort haar kleine broertje niet smeken om een koekje. Een koekje. Ze. Hoort. Niets. Op school kan ze niet volgen. Als de leerkracht even wegdraait om iets op het bord te schrijven, kan ze niet meer zien wat hij zegt. Om te antwoorden of iets te vragen, is ze te traag. School is een hel en wat erger is, ze hoort zichzelf het niet eens  uitschreeuwen van frustratie. In haar vriendengroep knikt ze vaak meer dan ze werkelijk begrijpt wat er juist gezegd wordt. Waar de anderen geen probleem hebben om door elkaar praten, kan zij haar hoofd niet snel genoeg draaien. Maar op school heeft ze tenminste vrienden. Mensen bij wie ze kan gaan zitten tijdens de pauzes en mensen die haar soms vragen voor groepswerken. Maar hoewel ze niet alleen is, is ze toch eenzaam. Wat soms een redding is, maar meestal een vloek is dat ze er perfect normaal uitziet. Ze wordt niet nagestaard of aangewezen, zoals ze soms zie bij andere gehandicapten. Gehandicapt. Een label dat op haar geplaatst wordt en waar ze niets over kan zeggen. Haar moeder heeft niet graag dat ze dat woord gebruik. Zij zegt dat ze een normaal meisje is, dat ze denkt zoals iedereen. Toch heeft haar moeder er geen problemen mee om de subsidies die haar status als gehandicapt met zich mee brengen, gretig te aanvaarden. Ze is geen gehandicapte, alleen als er van haar geprofiteerd kan worden. Mensen zijn raar. Nooit zullen ze voor een blinde iets dichterbij houden en vragen of hij het dan wel ziet. Toch roepen ze in haar oren. Ze voelt mijn trommelvliezen trillen van pijn. Maar ze hoort niets. Ze hoort niet wat er achter haar rug wordt gezegd. Of voor haar neus. Ze hoort geen taal, ze ziet alleen maar de taal van anderen. Gisteren zijn ze naar de dokter geweest. Hij stelde voor om te informeren naar een CI. Een cochleair implantaat. ZE ZOU KUNNEN HOREN. Haar moeder horen zingen terwijl ze was doet. Haar vader horen lachen om een grap op tv. Haar broertje horen zeggen dat hij van haar houdt. Ze zou zelfs mee kunnen roddelen over jongens op school. Ze komt bijna dansend thuis. Thuis kruipt ze meteen achter de computer, ze wil alles te weten komen over het CI. Ze begrijpt niet hoe het werkt, het zet  geluid om naar pulsaties en die rechtstreeks naar het slakkenhuis sturen. Wat ze wel begrijpt is dat ze een gaatje in haar schedel gaan boren. En dat de slaagkans op haar leeftijd slechts 50% is. En dat zelfs met een CI ze maar 30 decibel meer kan horen. En dat er mensen zijn die wensen dat ze zich nooit hadden laten opereren. En ze vraagt zich af of ze wel wilt horen.  Of ze wilt weten wat er over haar wordt gezegd. Of  ze ’s morgens de boren wil horen die nu al maanden vlak voor de deur de waterleiding proberen te vervangen en waarover haar ouders zo vaak klagen. Ze begint zich af te vragen of het dat is wat ze wilt. Stiekem, onder de dunne bescherming van haar lakens, zoekt ze meer informatie over een CI op. Hoe meer ze te weten komt, hoe meer ze begint te twijfelen. Kunnen horen lijkt haar heerlijk, maar ze is al heel haar leven doof, is ze wel klaar voor alles wat de horende wereld met zich meebrengt? Ze zal geen filter hebben in het begin. Ze zal alles horen. Ook dat wat normale mensen kunnen negeren, zal zij horen. Ze zal  haar ouders voor het eerst horen ruziemaken en het water van de kraan horen druppen en haar broertje over het parket horen glijden en hun kat op de trap horen en de vogels buiten horen fluiten en haar tantes horen roddelen ,al dat te samen, en ze zal niets kunnen wegfilteren. Hoe moet ze dan een gesprek voeren? Hoe moet ze dan erin slagen om niet afgeleid te worden door de wereld om haar heen? Door op alles te klikken waar op te klikken valt, geobsedeerd om zoveel mogelijk te leren, en dieper te gaan dan ooit te voren,  komt ze uit op een website van een dovenvereniging. Blijkbaar zijn er groepen waar mensen als zij niet de uitzondering zijn maar de regel. Plaatsen waar men niet met medelijden naar haar zullen kijken als ze ontdekken dat ze doof is. Er worden verschillende dingen georganiseerd, zoals wandelingen, spelletjesavonden, quizzen, maar ook gewoon momenten om met elkaar te praten. Hoe ze dan praten, weet ze niet. Hebben zij allemaal zo’n CI? Haar ouders blijven vragen wanneer ze een afspraak kunnen maken bij een specialist. Wanneer niet of. Ze twijfelen er niet aan dat ze een CI wil. En waarom ook niet? Waarom zou ze niet willen zijn als al de anderen? Dat is toch waar ze al heel mijn leven van droomt? Normaal zijn? Ze durf niets zeggen over de gebarenkringen die ze heeft opgezocht. Er is er eentje vlak in de buurt. Ze zou de bus kunnen nemen, gewoon een uurtje blijven om te zien hoe het er aan toegaat in een zaal vol met andere doven. Soms droomt ze ervan om stiekem weg te glippen en te gaan, hoeveel ze haar ouders er ook door kwets om haar apartheid te benadrukken. Ze weet hoe zwaar het op hen weegt om steeds weer te moeten zeggen dat ze doof is. Alsof zij gefaald hebben toen ze gemaakt werd. Maar ze wil gewoon al haar opties weten voordat ze een beslissing maakt. Ze is uiteindelijk dan toch geweest. Ze heeft gezegd dat ze met een vriendin ging zwemmen, heeft de bus genomen en is naar de dovenclub geweest. En eerlijk? Ze voelde zich er eerst net zo erg een buitenstaander als op school. Iedereen sprak er in gebarentaal en leek elkaar zo ook te verstaan. En zij verstond de taal weer niet. Hoewel er niets te horen viel, zag ze niet wat er gezegd werd. Toen ze na een kwartiertje wou opstaan en weer vertrekken, kwam er een vrouw naar haar toe. Ze sprak haar aan in gebarentaal, maar toen ze zag dat ze haar niet begreep, sprak ze tegen haar. Ze vroeg of ze hier voor de eerste keer was en waarom ze hier was. Ze luisterde naar haar verhaal. Over hoe eenzaam ze zich voelt op school en soms zelfs thuis, over hoe de dokter had voorgesteld om een CI te implanteren, over haar onderzoek op het internet en over ze steeds meer en meer begon te twijfelen over wat ze nu juist wil. Ze vertelde haar over hoe graag ze bij de groep zou willen ‘horen’. De vrouw glimlachte om haar onbewuste woordspeling, maar ze bedacht dat dat exact uitdrukte wat ze zeggen wilde. Ze vertelde de vrouw over haar verlangen om haar moeder slaapwel te horen zeggen, om haar vaders troostende woorden te horen. Ze vertelde haar alles wat al weken op haar maag lag. En de vrouw luisterde. Ze weet niet of ze alles verstond, of ze niet te snel praatte om haar lippen duidelijk te vormen, maar toch luisterde de vrouw. Daarna nam ze haar bij de hand en bracht haar naar een andere man toe. Ze gebaarden onderling iets, ze wist dat het over haar ging omdat ze een paar keer naar haar wezen en regelmatig in haar richting keken. Toen vertrok de vrouw en liet haar achter bij de man. Hij glimlachte en vertelde haar zijn naam. Daarna wees hij naar iets achter zijn oor, wat, zo vertelde hij haar, zijn CI was. Hij was net als zij doof geboren en was ook oraal, dat wil zeggen als je leert spreken en liplezen in plaats van gebaren, opgevoed. Toen hij rond haar leeftijd was, had men hem ook voorgesteld om een CI te laten implanteren en hij was akkoord gegaan. Toen keek hij haar aan en zei dat het uiteindelijk voor hem de juiste beslissing bleek te zijn. Het was moeilijk in het begin, zo zei hij, omdat je van niets naar alles gaat. Hij voelde zich soms depressief en alleen. Mensen verwachtten dat hij meteen alles zou kunnen wat zij ook konden, omdat hij nu toch een implantaat had. Maar zo snel ging dat niet en hij begon zijn beslissing te betreuren. Toen kwam hij ook via via hier terecht. Net zoals zij begreep hij niets in het begin, maar hij begon thuis gebarentaal te leren en door regelmatig te blijven komen, pikte hij het redelijk snel op. Met redelijk snel, zo waarschuwde hij haar, bedoelde hij een aantal jaar totdat hij echt vlot was. En met deze combinatie van de horende wereld en de dove wereld voelde hij zich het gelukkigste. Hij was doof, met of zonder implantaat, en hij voelde zich ook thuis in de Dovencultuur, maar als hij wou, kon hij ook met horende mensen converseren. Hij kon vertellen tegen zijn vrouw dat hij van haar houdt en haar horen antwoorden. Maar hij kon hetzelfde gebaren tegen zijn dove zoon. Ze heeft nog lang over dat gesprek nagedacht en soms denkt ize: “Ja, laat ik het zo doen, ik laat mij implanteren, maar ik leer ook gebarentaal.” Ze gaat op afspraak bij specialisten, bij dokters en bij mensen bij wie de operatie succesvol was, maar die definitieve stap durft ze nog steeds niet te zetten. Ondertussen is ze wel begonnen met gebarentaal te leren en gaat ze nog steeds stiekem naar de gebarenkringen, waar ze zich steeds beter en beter thuis voelt. Ze heeft het thuis nog niet durven zeggen, omdat ze weet wat haar ouders gaan denken. Dat ze geen CI wil, dat ze niet normaal wil zijn. Misschien is dat wel zo, misschien houdt ze wel van dat speciale kantje aan haar, zeker sinds ze mensen heeft leren kennen die ook van dat speciale kantje houden, maar vooral wil ze voorlopig gewoon nog geen beslissing nemen. Dus zij hoort niets. Ze is doof geboren. Ze heeft haar eerste schreeuw zelf niet gehoord. Ze heeft nog nooit iets gehoord. Zij. Hoort. Niets. Ze is doof, maar ze is ook Doof en voorlopig is ze het gelukkigste in haar bubbel van Niets.

Lotte
0 0