Zoeken

Nederlands in Brussel.

In het hippe centrum van Brussel ligt een trendy bar waar het na het werk gezellig rondhangen is. Voor eten zou ik hier niet stoppen, een prijzige smaakloze afgekoelde pasta levert niet de juiste culinaire belevenis – het is zo’n bar waar je de koffie, de thee, de muffin en het drankje met onuitspreekbare naam en waarvan je nog nooit gehoord hebt niet zomaar benut, je moét het beleven. Toch weet ik de plek te appreciëren, de wijn is er lekker, er hangt een ongedwongen sfeer en op één serveuse na die écht alles doet om onvriendelijk te zijn, zou ik wel een positieve recensie schrijven op Tripadvisor. De eigenaar van het concept blijkt uit Frankrijk te komen (zoals tegenwoordig veel horeca door Fransen wordt opgekocht), met leerschool in Parijs en het établissement heeft dit hangen : “Cherche étudiant(e), connaissance français et anglais. Néerlandais apprécié”. Daar stond het. Daar beleefde ik het weer. Ik ben al na meerdere mokerslagen opnieuw opgestaan en doorgegaan en ik heb de naweeën ervan altijd met filosofisch tegenwoord weten te beschrijven. Zelfs met humor want Nederlands ligt gevoelig. Ik ben herleid tot een appreciatie, een bijrol in een commercieel succesverhaal, een voetnota op een aanwervingsbord, een derderangs (klote) klant. Een klant die Nederlands spreekt. Djeezes, man! Ach, appreciatie is de troostprijs. We hebben ons best gedaan maar het is ons niet gelukt. En jullie Nederlandstaligen spreken toch allemaal een handig mondje Frans en Engels? Toch? Je weet toch dat het daar niet over gaat. Toch? Als ik mijn geapprecieerd worden niet zou herleiden tot iets om te lachen (humor), was ik geheid een “sale flamand”, een ambetante gast die het nu wel érg doordrijft. Eentje van de NVA zeker? Of van het Taalactiecomité. Laat me het dan met humor en met de nodige filosofie aanpakken. In de Delhaize op de Anspachlaan begrijpt niemand wat “Mag ik een zak alstublieft?” betekent, tenzij die enige Bulgaarse of Roemeense, misschien een vrouw van Russische afkomst, aan de kassa. Bij Paul weet de verkoopster niet wat een boterkoek is, bij Panos weten ze ook niet wat een volkorenbrood is. Bij Club is het verloren moeite te vragen waar de agenda’s liggen, in de biowinkel is het stilzwijgend afrekenen en verder communiceren in gebarentaal, een klantenkaart aanvragen bij DI? Vergeet het maar. In de Inno slaat de verkoopster in paniek wanneer ik zeg dat mijn aankoop voor een cadeautje is. In Rituals wordt naast elkaar gepraat. Niet alleen in de privé, ook in het openbaar Brussels bestuur getuigt communicatie in de andere landstaal van incompetentie. Voor een burgemeester ligt de letter “K” moeilijk en ook de informatie op de bouwwerf van de voetgangerszone wordt niet meegegeven zonder spelfouten. Ziek worden, de dood in de ogen beleef je maar beter niet in een Brussels ziekenhuis. Toch om te lachen allemaal? Toch? Cijfers, iemand begroeten, producten kennen die je verkoopt, iemand bedanken… het zijn allemaal simpele en dagelijkse belevenissen die toch zo moeilijk liggen. Ik lach mijn Franstalige vrienden niet uit. Ik zie er wel de humor van in – sommige spellingsfouten zijn écht schitterend trouwens, ik zou het zelf niet beter gevonden hebben! Mij maakt het niet uit of je het Nederlands wel dan niet beheert. Je m’en tape! Waar ik niet tegen kan is me “sale flamand” noemen, me geapprecieerd laten weten (wat van mij dan weer die moeilijke gast maakt), reacties op een Vlaams liedje in een bar : “C’est quoi ça?” of, “C’est quoi cette merde?”. Dat zijn reacties die kwetsen. Ik ben ook maar een Belg. Waarom is het toch zo moeilijk voor een deel van de Brusselse bevolking om, ik zeg maar, een opleiding Nederlands te volgen, zich te interesseren voor de andere cultuur, verbinden in plaats van schimpen. Ik begrijp de onkunde. Ik begrijp dat het Franstalig Onderwijs niet altijd de juiste keuzes biedt. Ik begrijp dat het Nederlandstalig Onderwijs kwaliteitsonderwijs is. Laat ons onze wonden helen. Laat ons meer zijn dan gewoon elkaar te appreciëren, laat ons meer zijn dan scheldwoorden en desinteresse. Laat ons nieuwsgierig zijn naar elkaar. Geef elkaar meer dan woordenlijstjes en grijze grammatica. Geef ons elkaar België terug. Geef ons elkaar Brussel terug. En laat het ons niet in handen geven van gevaarlijke domme politici. http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
0 1

Kritisch blijven denken

In het Brussels Gewest, in de groene gemeente Sint-Lambrechts Woluwe, heeft de school Singelijn in 2017 besloten om geen aandacht meer te schenken aan Moederdag en Vaderdag. Populistische reacties bleven niet uit : het hellevuur kwam weer van de islam. Zo dachten en schreven veel mensen hun ongenoegen uit op sociale media. In een later bericht stond te lezen dat het een beslissing is geweest waar de school al jaren over nadacht. De school had immers opgemerkt dat het klassieke gezin ‘mama + papa + kind’ niet meer het enige model was, niet alleen in de Singelijn maar ook in onze Belgische samenleving. Langs islamitische hoek kwam dan even populistisch (uit)gelach in de column “Niets is pittiger dan een nieuwsfeitje dat een multiculti- of islamstaartje krijgt” van Yasmien Naciri in De Morgen van 12 mei 2017.   Ik kan de school geen ongelijk geven maar was het niet beter geweest de communicatie beter te verzorgen en duidelijk te maken waarover het ging? Wij Belgen zijn de schatbewaarders van onze volkse tradities, iets als “Moederkesdag” neem je niet zomaar weg. Want dat dachten de mensen, dat hun Moeder-Vaderdag op het altaar van de multiculti lag om onverdoofd als een halalschaap afgemaakt te worden. Kijk naar de heisa rond Sinterklaas en zijn Zwarte Piet, of verbaas jezelf over het feit dat in bepaalde kringen niet meer gesproken mag worden over de Kerstvakantie of de Paasvakantie maar dat het gaat over de Wintervakantie en de Lentevakantie. Ook de benaming Kerstmarkt in het hartje van Brussel heeft zijn ziel moeten verkopen aan het platte Winterpret.   Het Rode Kruis organiseert jaarlijks een stickeractie die veel bijval treft bij de Belgen. Dit jaar stonden de Kiekeboes in de kijker. Zo leren we dat blonde Fanny een mond-aan-mond reddingsactie op het strand onderneemt. Op de achtergrond veinzen alle mannen flauw te vallen om ook door de bekoorlijke Fanny geanimeerd te mogen worden. Alle mannen.. en een vrouw (een lesbische dan nog wel, zo schrijven de kranten). Het Rode Kruis heeft besloten deze vrouw weg te laten omdat, na raadpleging en overleg, de mensen echt niet zouden begrijpen waarom die vrouw mee flauw valt. Deuh!   Het valt te betreuren dat de Singelijn niet met een alternatief is gekomen. Waarom niet een dag om alle ouders (lees : ieder volwassenen die zich met de opvoeding van het kind bezig houdt) van alle kinderen in de bloemen te zetten? Wie beslist eigenlijk over Moeder- en Vaderdag? Of is dat iets voor het ministerie van Volksgezondheid waar ook al eens de ‘mayonaisewet’ op de overlegtafel kwam? Dat het Rode Kruis niet in staat is om uit te leggen aan hun mensen dat er anno 2017 – en al héél lang – ook vrouwen zijn die graag door vrouwen gekust worden, baart ook zorgen. Iets simpel als bonjour wordt in een handomdraai met de gom weggeveegd. Een lesbische vrouw laten zien, dat doe je toch niet?   Wat scheelt er met onze Belgische maatschappij? Waar is onze openheid en waar is ons kritisch denken en argumenteren gebleven? We hebben grootse dingen gedaan in ons klein landje : van euthanasie tot homohuwelijk. En ook de islam heeft een plaats naast onze kerktoren gekregen. Ligt het aan de generatie “Likers en Volgers”, ligt het aan de media? Ligt het aan de platvloerse politiek, ligt het aan de VTM-cultuur zoals Arno het ooit zo prachtig zei? Gaan we nu zo verder, dat we niet meer nadenken over wat we schrijven, over wat we denken? Gaan we onze vrijheden van schrijven en denken compromitteren door plat populisme gekruid met angst en ‘wat we zelf doen, doen we beter’ te hanteren? Voor zo’n maatschappij pas ik. Voor een kritische, vrije en constructieve maatschappij blijf ik schrijven. Nu weet u dat ook.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/  

Erwin Abbeloos
0 0

Zon, zee, maandverband?

Eén van de krantenkoppen die me deze week opviel ging over afval. Over hoe er na een dagje zon-, zee- en strandplezier steevast een smerige berg vuilnis achterblijft op onze Belgische stranden. Blikjes, plastic, luiers, ja, zelfs maandverband, zowat alles wordt dagelijks achtergelaten op het strand. Ik dacht meteen: dat knap stukje menselijk gedrag verdient een snedig stukje op mijn blog. Of misschien toch niet. Ik heb immers graag dat mijn columns een glimlach toveren op het gelaat van de lezer. Omdat die lezer zich in iets herkent, omdat hij wordt ontroerd door wat hij leest of gewoon omdat hij het om te lachen vindt. Het waarom maakt eigenlijk niet echt uit, maar wel die glimlach graag. En daar knelt het schoentje toch vandaag. Want wat kan er ook maar enigszins grappig zijn aan een bende onnadenkende kuddebeesten – nochtans net als zij die hun afval wel flink sorteren en braaf in de juiste vuilnisbak deponeren, behorend tot die vorm van zogenaamd ‘intelligent leven’ die wij mens noemen - die, na een dagje genieten van de schoonheid en de weldaad van de zon en de zee, hun windschermen weer netjes opplooien, hun badlakens grondig uitschudden, hun gebruinde voeten secuur afborstelen (want we willen geen zand in huis, hoor, stel u voor) om dan hun schup af te kuisen en het strand achter te laten als een gore vuilnisbelt? Niks. Daar is echt niks grappig aan. Wat bezielt hen? Is het puur egoïsme? Après nous le déluge? Doen ze het vanuit één of andere misplaatste overtuiging dat ze het wel verdiend hebben om hun vuiligheid door anderen te laten opruimen? ‘Waarvoor dienen anders de mannen van de vuilkar? Daar betalen wij toch belastingen voor?’ Ligt het aan de warmte? Een zonneslag? Een dagelijks terugkerende vlaag van collectieve verstandsverbijstering? Of ben ik gewoon te streng? Misschien is het wel goed bedoeld? ‘Ach kijk, er zit nog een restje ketchup in het frietbakje, laat maar liggen, zoet, zo hebben de dolfijnen er ook nog wat aan. Ja, tuurlijk, dat blikje cola ook, kan nog wel dienen, hoor, als huisje voor een kreeft of zo.’ Seriously. Precies of er dobbert nog niet genoeg plastic in de zee. Vergeef me het woord onnadenkend. Vergeef me het woord kuddebeest. En begrijp me vooral niet verkeerd. Hoewel tussen tienduizenden anderen gaan liggen bakken en braden niet my cup of tea is, heb ik wel al veel mooie momenten beleefd aan ’t zeetje en heb ik ook echt helemaal niets tegen mensen die wel graag voor bakharing spelen. Ieder diertje zijn pleziertje. Ik heb ook niets tegen mensen die al eens graag een hapje eten of een drankje nuttigen op het strand. Dat doe ik zelf ook als ik er ben. Maar ik neem wel mijn vuilnis mee als ik ermee klaar ben. Altijd. Is het leuk om met een vol poepzakje, een berg vuile luiers, een stuk of wat plakkerige waterijswikkels en een dozijn perzikpitten in de hand de weg naar huis weer te moeten aanvatten? Neen, dat is het niet. Maar wees er maar zeker van dat tussen tientallen (honden)drollen, vuile luiers, vieze wikkels en afgekloven pitten van anderen moeten zitten nog veel minder leuk is. En - hoewel ik ze het, toegegeven, niet kan vragen - ben ik er vrij zeker van dat de vissen en bij uitbreiding alle andere planten en dieren in de zee het volmondig (en liefst zonder plastic erin) met me eens zijn. En kom, geef toe, als je ’s ochtends je hele hebben en houden tot op dat allermooiste plekje van het strand gesleurd krijgt, is het toch maar een kleine moeite de boel er ’s avonds ook weer af te halen. Niet? Ik denk het wel. Dus, lieve mensen, lieve lezers, lieve kuddebeesten allerhande: geniet. Geniet met volle teugen, van de zon, van de zee en van het strand maar - alsjeblieft - houd het daarbij gewoon voor iedereen plezant!

Bregtje Van Bockstaele
70 0

De “Hoe komt dat”-litanie

Het hele gebouw stinkt naar vis; hoe komt dat? Een zwangerschap bij de mens duurt 9 maanden, bij de olifant 22 maanden; hoe komt dat? Abu kan niet fietsen; hoe komt dat? De aarde is niet plat, niet rond maar lijkt meer op een aardappel; hoe komt dat? Veel Zweedse vrouwen hebben lange blonde haren en lange slanke benen; hoe komt dat? Na zeven weken staat er schimmel op die kaas; hoe komt dat? In het oude Egypte bouwde men piramides, in Albanië nooit; hoe komt dat? De menstruatiecyclus, hoe komt dat? De toekomst heeft altijd een fout geheugen, hoe komt dat? 60 secondes in 1 minuut, 60 minuten in 1 uur, 24 uren in 1 dag, 7 dagen in 1 week, 4 weken in 1 maand, 12 maanden in 1 jaar; hoe komt dat? Roken is dodelijk; hoe komt dat? Warme Coca-Cola smaakt zoeter dan gekoelde, hoe komt dat? Ik vind nooit de ware liefde; hoe komt dat? Een flamingo ziet meestal roze en staat vaak op één poot; hoe komt dat? De stelling van Pythagoras is niet zo ingewikkeld, het bewijs van de Riemann-hypothese wel; hoe komt dat? Rolf heeft zichzelf overtroffen met die tekst over de Rock ’n Roll Junkies (Jow! Whisky!); hoe komt dat? De piemels van zwarten zijn altijd veel, veel groter; hoe komt dat? Een nummerplaat in Nederland ziet geel en zwart, in België rood en wit; hoe komt dat? Ze lachen nooit met m’n beste grapjes, altijd met de flauwste; hoe komt dat? Sinterklaas komt op 5 december, de kerstman op 24 december; hoe komt dat? De cowboy Ronald Reagan en viswijf Margaret Thatcher waren minder populair dan Donald Trump; hoe komt dat? Na zes pintjes valt Bompa altijd in slaap; hoe komt dat? Sommige boomsoorten groeien zeer traag; hoe komt dat? Het internet bestaat voor 85% uit porno; hoe komt dat? In Australië gebruikte men stokken om de lucht omhoog te duwen. In Eskimoland scheurde het lid van een man en dit voorval werd de schepping van de vrouw; hoe komt dat? Op een dag ga ik dood; hoe komt dat? Een ochtenderectie heb je niet noodzakelijk ’s ochtends; hoe komt dat? De paus woont in Vaticaanstad; hoe komt dat? ….   Hoe komt dat?

Casper Hoogenboezem
0 0

De blik op Antwerpen

Ik wandel langs de donkere sporen, ogen gericht naar de gloeiende ogen van een stad die niet de mijne is. Het monster in de duisternis, Antwerpen, met zijn voorhoede van jachthonden, Berchem. Het station ruikt naar oude mensen, die zwetende geur van de dood, van gezaag en lederen schoenen met gaten in. Ik adem haar diep in, bijna gretig want het vult mijn futuristische haat voor de wereld, in de binnenzak van mijn olijfgroene jas het manifest van Marinetti; die klote Italiaan. Aan mijn lippen de rook van een oude sigaret, zelf gerold uiteraard, zelf gekneed tot mijn eigen kankergezwel. Boven kraaien de eeuwen met het zingen van de sporen, ergens in de verte het gemompel van het poetsvrouwtje dat dit monster van een gebouw moet temmen. Het kraken van haar schoenen met de mijne, het geruis van de Ring en de Singel, nog meer beesten van deze stad. Ik loop verder langs de flauwe bocht, mijn riem drukt in mijn onderbuik, kloteding. De ijzige wind snijdt mijn huid aan flarden, lange repen van vergeten herinneringen bungelend aan verkleurde botten. Een jonge man die oud aanvoelt, bezwete huid vol gal en as van zijn korte bestaan. Ik proef de metaalachtige geur van revolutie in mijn neus en mond, die wrange koperen smaak. Revolutie is een excuus, een laffe daad van zij die niet op legale wijze hun politiek aan de meute weten te brengen. Het doet me aan niet veel denken, niet aan vroeger of morgen, maar enkel richt het me naar de stappen voor me. Een droogte valt neer op mijn tong, de droogte van de dood van de sigaret. Kloteding. Ik spuug het einde uit, samen met de kolkende duisternis in mijn longen, melodramatisch trekken van een vrouw in mijn lijf. Ik ben bijna bij mijn doel, een kleine overwinning die me doet denken aan de vakanties bij mijn oma. Ze zou hier zo kunnen staan in dit klote station op haar oude sloffen. De moeder van mijn moeder, de vierde schoonmoeder van mijn vader: een wrede heks, een roestende tang van een wijf. Ik ben er bijna, nog twee stappen door de onaardse tunnels en dan kom ik in die vervloekte hal. Je durft dan te denken, waarom zijn ze hier niet ontploft ? , maar een opgevoede man houdt die gedachte netjes binnen. In de hellen hal struikelt er een zwerver over zijn zelfmedelijden, recht op de koude grond die hij zo bemint. Dichter bij het graf dat bij zijn geboorte al voor hem gegraven is. Ik loop recht het station uit, geen blik naar hem en zijn groot ongeluk. Tweede sigaret, een rode mond op de mijne, een hemelse hitte. ‘Streel me dan toch.’ ,denk je dan. Ik loop tot aan mijn grote wagen, mijn eigen vervoer, mijn eigen beest der krochten dat me streelt en me naar de overkant zal brengen. De doden langs de weg, nog meer zwervers, nog meer zielen als kijvende honden, als dochterloze vrouwen. Haat is misschien een makkelijk levenspad, maar als kinderen van de gemakzucht is het onvermijdelijk gevolg van uitsluitende voorbeelden van hoe het allemaal niet moet. Ik stap zonder gebrekkige bewegingen in, start mijn ronkend monster onder mijn handen, de banden gieren vol met oude strijdliederen. Ik beweeg de machine met gemak en volledige controle de weg op en vertrek met vlammende banden, de motor brult goedkeurend. De nachten hier zijn niet zwart, maar in vegen van flets oranje gekleurd zonder sterren, maar enkel oude gebouwen. Ik negeer de flitsen van rode lichten, angstige fietsers en zenuwachtige autobestuurders, allen grijpen ze hun geliefden vast als de koplampen van mijn gierende strijdros hen in het vizier neemt. Voor me verschijnt er een bombastische BMW, met ja hoe kan het ook anders, een opgespoten Brasschaatse moeder van twee blonde schijtnesten, achter het stuur dat ze met haar handen vol goud bijna niet aanraakt. Ik onderdruk de neiging om haar in het gat te rammen, de explosie zou een wolk van zaligheid zijn, en verhoog mijn snelheid om te verdwijnen uit haar lome, domme blauwe ogen. Antwerpen verwelkomt me met zijn krachteloze armen, de gezapige man in het noorden met zijn handen rond de cocaïne, vreemdelingen, extremisten langs alle kanten, corruptie en kleinburgerlijkheid, en ik schuif mijn raam naar beneden om eens goed te rochelen. Hier stad zonder bodem. Hier, drink het Spaanse kwijl dat je maar al te goed kent.   Ilias Dherdt.

Ilias Dherdt
0 0

Zomeravonden

Beste lezer,   De artikels, uitspraken, uitzendingen en op de koop toe bol.com boekverzendingen over de opwarming van de aarde komen allen onze richting uit. Maar weet u geachte lezer, ik merk er niets van. De zomers lijken sinds die ene specifieke zomer alleen maar kouder te worden. Wat een prachtige zomer was dat. Herinnert u zich nog over welke zomer het gaat, of bent u dat ook al vergeten? Uiteraard, vergeeft u me mijn ongepaste opmerking. Het zal niet meer gebeuren. Ik neem u graag mee naar die ene zomer, nog voor er sprake was van schijnbare opwarming, toen er nog geen sprake was van al die kind belastende verwarring.     Hoewel de zon onder ging en haar laatste licht op de dag wierp, leek het opnieuw een van die oneindige zomeravonden. De geur van pas gemaaid gras drong mijn neusgaten binnen en tussen mijn kleine kindertenen voelde ik het korte gras kriebelen. Mijn kleine kinderlichaam voelde aan alsof het heel de wereld aankon. Ik voelde me geborgen in die kleine dorpskern die ik weleens aanzag voor mijn broekzak, niets zou daar ooit iets aan veranderen. De vogels besloten te gaan slapen en  de stilte maakte zich meester van mijn tuin. Met een kinderlijke soepelheid ging ik op mijn rug liggen en voelde ik hoe het frisse gras verkoeling bood. Ik leefde van de voorspelbaarheid en geborgenheid. De sterren lieten me klein voelen, maar hun fonkeling in ruil voor mijn blik lieten me geloven dat er steeds is van mijn geborgenheid zou voortbestaan. Ik liep naar binnen en mama stopte me voor een laatste keer in bed, of dat is de vage herinnering die ik er aan heb. Mooi en goedgelovig viel dat kind met zijn groene grasvoeten in slaap, zonder te weten wat er die volgende dag zou gebeuren.   Die nacht klom er een mannetje bij ons naar binnen, het maakte iets dood in mama en het maakte iets dood in mij. Het maakte mama droevig en droeviger, het maakte mama ziek en liet mama teveel drinken. Dat mannetje moet zelf droevig geweest zijn en jongens toch, dat mannetje had al lang niet meer gedronken.   Die avond was mijn laatste zomeravond. Ik koester nog steeds de veiligheid en geborgenheid die voortleeft in de fonkeling van het zwarte nachtgordijn. Mijn diepste verontschuldigingen aan de schrijvers van de artikels, makers van uitzendingen en bezorgers van de bol.com pakketjes, maar van een opwarming merkte ik niets. De zomeravonden werden enkel kouder.   Het ga je goed,   Immanuel di Fiore

Immanuel di Fiore
0 0

Onafgemaakte Speech voor Europa

Zittend in een of andere ondertussen internationaal bekende keten doe ik een poging na te denken over het onderwerp waarover men mij gevraagd heeft een speech te schrijven. Wellicht ken ik over dit onderwerp al evenmin als de verschillende mensen zittend rondom mij, al even inter- en cross-cultureel als de muziek die op de achtergrond speelt. Weet u beste mensen? In alle bescheidenheid weet ik bitter weinig over de Europese unie, haar ontstaan, haar functie, haar voortbestaan en vraag me al zeker niet om iets te vertellen over haar toekomst. Slecht nieuws dacht ik bij mezelf aangezien dit de gehele opzet is van deze speech. Weet u, mijn kennisdomein beperkt zich als beginnend psycholoog bescheiden tot het proberen begrijpen van mensen in verbinding. Over de Europese Unie kan ik u weinig vertellen. Mijn voordracht zou met deze zin kunnen eindigen, maar wellicht is de kans klein dat ik daarom uitgenodigd werd en wellicht is de kans groot dat u dan de kern van mijn boodschap ontgaat. Ik koester voorzichtig de hoop u iets meer te kunnen vertellen over diegenen die de Europese unie vorm geven. Neen, dan heb ik het niet over de hardwerkende beleidsmensen, maar dan heb ik het over diegenen die vaak niet gezien worden. Dan heb ik het over zij die nauwelijks weten wat er beleidsmatig aan de hand is. Dan heb ik het hen die nood hebben aan steun en in sociaal isolement verzeilen. Dan heb ik het over geziene en liever niet geziene oorzaken hiervan. Dan heb ik het over mensen zoals u en ik. Wellicht heeft alles wat ik u zo meteen ga vertellen geen zin en ik raad u dan ook ten zeerste aan het zo snel mogelijk opnieuw te vergeten, hoewel ik voorzichtig de hoop koester samen een licht aan te kunnen steken. Een licht van ons allemaal. Beste mensen, ik richt me vandaag tot de mens in ieder van u die zich niet laat vastzetten in financiële verdiensten, academische successen en etnische afkomst, maar zich kan terugvinden in verbinding. Wat een complexiteit denkt u mogelijk bij zichzelf. Wees gerust, die gedachte herken ik op momenten wanneer ik een poging doe om het Europese bestel te doorgronden. De rariteiten die hier dan ook de revue passeren zijn mogelijk waardeloos, ik raad u dan ook aan om de oren te sluiten en deze verbinding te verbreken van zodra ze te bedreigend wordt.

Immanuel di Fiore
0 0

Ergens tussen Peter Pan en Pippi Langkous

Hij is nu niet meer dan een stip in de verte. Een zwaaiende stip. Ik wandel achterstevoren en zwaai wild terug naar mijn vader. De straat is, op ons na, volledig leeg en stil, alsof de wereld ons met ingehouden adem bekijkt ergens achter een gordijn.Dit doet zeer.Meer zeer dan ik had gedacht of gehoopt.Ik vraag mezelf terug af waarom ik dit nou eigenlijk alleen wou doen.‘Loslaten.Ik moet leren loslaten.’Nog een stap en hij verdwijnt achter de muren van Pamplona.Ik zet hem.Hij is weg.Met verdroogde tranen op mijn wangen loop ik de stad uit. Soms denk ik dat ik gewoon niet bestemd ben om volwassen te worden.Ik bedoel, ik weet nog steeds niet hoe belastingen werken (en ik durf het nu ook niet meer te vragen), mijn planten blijven maximaal twee weken leven en bij het horen van ‘huisje, tuintje, boompje’ krijg ik spontaan een migraineaanval. Alle mensen rondom mij maken zich klaar voor het volgende hoofdstuk van hun leven terwijl ik liever terug wil naar heksensoep maken in de tuin en Harry Potter-boeken lezen. Ik ben nu eenmaal een moeders- en vaderskindje.Een trouwe klant van Hotel Mama.Een klein verwend nestje.En vol bewondering kijk ik naar de vriendinnen die zich zorgen moeten maken over verzekeringen, huishuur en kapotte wasmachines. Zij durven tenminste op eigen benen staan.Ik heb altijd al het gevoel gehad achteraan te lopen.Of beter gezegd: te manken.Alsof mijn mentale groeispurt een vertraging heeft opgelopen waar alleen de NMBS jaloers op kan zijn.En nooit was ik kleiner dan hier, op die straathoek in Spanje. Niemand voor of achter me om me op te vangen als ik val.Ik wandel, zonder stoppen, vijf uur aan één stuk door.Ik heb nu eenmaal heel wat in te halen. Maar hoe hard ik ook ren, in de ogen van de wereld blijf ik een snotneus.  En blijkbaar moet ik, om volwassen te worden, eerst mijn rijbewijs halen, alleen wonen en ruzie staan maken over dekbedovertrekken in de IKEA. Dus dan ben ik nog liever even kind als het mag.Een kind dat alleen kan zijn. Een kind dat zichzelf leert vertrouwen en liefhebben.Een kind dat kan sprinten als het moet. En nu moet het.Dus ik zwaai en laat je los, op deze straathoek van het leven.Ooit zal ik mijn planten wel water leren geven.

Woordenwandelaar
0 0

Aan de moeders van kinderen met autisme die het beu zijn

Lieve mama, Ik weet dat je van me houdt, meer dan van het leven zelf, dat heb je zo vaak verteld toen ik nog een baby was en enkel jouw gezicht zag als een vast en zekerheid. Dat je niets liever wil dan dat ik opgroei tot een gelukkige stabiele volwassene, dat is toch wat elke ouder voor zijn of haar kind wil? Je had zo’n grote verwachtingen, nog voor ik geboren was. Verwachtingen die je nu bijna elke dag, op aanraden van dokters moet bijstellen. Elke dag zie je me weer thuiskomen na een drukke dag op school, en zou je liever hebben dat ik ergens anders bleef, ik weet niet of dat beter zou zijn, maar jij kan mij wel wegdoen, je kan zelfs weglopen van me… Maar ik kan niet weglopen van mezelf. Elke dag beloof ik mezelf dat ik een beter kind voor jou zal zijn, je zal sparen van het verdriet en de paniek die in mijn onderbuik elke dag borrelt tot het overkookt. Elke dag wil ik een beter mens zijn, een betere leerling voor de juf. Elke dag sta ik op met het vaste voornemen te doen wat iedereen van mij verlangt, en wat bij anderen zo natuurlijk lijkt te komen: een hand te geven aan de nieuwe mensen die op mijn pad komen, zelfverzekerd in de ogen te kijken als ik iemand moet spreken, en vooral niet achter je been wegschuilen omdat ik bang ben voor de nieuwe gezichten die mij tegemoet komen, en al zeker niet schreeuwen als vermoord als iemand me aanraakt. En toch doe ik het elke dag weer. En dan is er opnieuw die morgen, soms uitgeslapen, want hoe vaak lig ik niet te piekeren over dingen waar ik eigenlijk niet over zou moeten piekeren, alleen in mijn kamer, waar niemand me kan overprikkelen of me angst aan kan jagen, en dan maak ik weer die loze beloftes, maar dan komen ze, de dingen die ik niet ken, niet begrijp, niet verwacht, en dan voel ik het borrelen en borrelen tot het overkookt, want overkoken zal het doen, dat weet ik vanaf het moment dat ik het voel borrelen. Ik ben net zo machteloos als jij, mama, ondanks de beloftes. Ik stel teleur, dat weet ik, en dat hoor ik vaak genoeg, en dat terwijl ik ‘s morgens alleen op mijn kamer mezelf zo heb beloofd om niet teleur te stellen. Vandaag heeft iemand me gezegd dat je kan genezen door het drinken van bleekmiddel… Als je me zou vragen om het te drinken, zodat ik zou genezen, dan zou ik het doen, misschien nog meer voor jou dan voor mezelf, want ik wil niets liever dan je een gelukkig, stabiel kind geven. Hiervoor heb je niet getekend, dat weet ik. Het vraagt teveel, en de wereld begrijpt het niet, omdat ik het borrelen kan verhinderen van koken tot ik bij iemand ben die ik vertrouw, en de enige die ik echt vertrouw ben jij. En dan is het allang meer dan koken, is het als een vulkaan die uitbarst. Dan doe ik je pijn, omdat ik weet dat jij de enige bent die ik mag pijn doen, en toch nog van me zal houden. Jij bent namelijk de enige die ook nadat mijn masker is afgevallen, en ondanks dat je me een lastig kind zal vinden, toch de volgende dag aan mijn bed zal staan om mij wakker te maken. Dat weet ik, dat is de zekerheid die ik heb. Misschien moet je een nieuw kindje maken, zonder autisme, die je geen tranen in de ogen geeft, maar een glimlach rond je lippen. Waar je als kind geen zorgen over moet maken hoe het van school zal komen, of waar je je geen zorgen over moet maken dat het als tiener midden in de nacht je zal opbellen om het te komen halen omdat het liever dood wil dan nog lege omhulsels te zien, waar je je geen zorgen over moet maken of het ooit meer zal zijn dan een zorgenkind, je geen zorgen over moet maken wat er met hem of haar zal gebeuren als jij er niet meer bent. Ja, dat verdien je, dat had je eigenlijk verwacht voordat ik geboren was. Want ja, net zoals het jou pijn doet om mij ongelukkig en overprikkeld te zien, doet het mij pijn jouw ongelukkig te zien met mij. Ik doe alles voor je, mama, ja, zelfs weggaan, want dat kan ik wel voor jou doen, ondanks dat ik maar niet kan vluchten van mezelf. Zo vaak heb ik dat geprobeerd, ik zet dan mijn hoofdtelefoon op mijn oren waarin Epica maar door blijft schreeuwen en dan sluit ik mijn ogen, want haar schreeuwen is mooier dan het mijne. Het enige wat ik maar niet lijk te kunnen, en waar jij zo naar verlangt, is mij gelukkig toveren, mijn borrelend schreeuwen vermanen te kalmeren. Ja mama, jij bent het beu, dat begrijp ik, maar meer beu dan mij zal je het nooit worden.

Malakh Ahavah
105 0

Noem een Facebookvriend niet zomaar een vriend

Een welbekende greep uit het overaanbod: Facebook, Twitter, Pinterest, LinkedIn, Tumblr, Instagram, Myspace, Google+, Youtube,… . De lijst is lang. Heel lang. Misschien zijn er zelfs meer sociale netwerken dan u Facebookvrienden heeft, zelfs al ligt dat aantal hoog. De overkoepelende mediaan ligt in België op 241. Dat zijn zes volle bussen vrienden per persoon. Maar bij hoeveel mensen kunt u uw hart luchten bij een kopje koffie? Staat er werkelijk een verhuisteam van 241 man aan uw voordeur, wanneer u een zware kast niet in uw eentje kunt verslepen? We hadden nog nooit zoveel vrienden, we waren nog nooit zo eenzaam. Het is een hedendaagse paradox waarin de meesten zich herkennen. Kwantiteit overwint kwaliteit, het woord ‘vriend’ is gedegradeerd tot een lege huls. Bij deze daarom een warme oproep tot gezonde nuance.   Privacy, de mythe van de 21ste eeuw Zelf beweert Facebook dat het geen privacy-inbreuk wil plegen door de exacte relaties van haar gebruikers bloot te leggen. Laten we deze stelling even onder de loep nemen. In het derde kwartaal van 2017 maakte Facebook een nettowinst van liefst 4,7 miljard euro, en behoort daarmee tot de snelst groeiende en grootste bedrijven wereldwijd. Toch houdt het vol dat haar prioriteit niet bij winstbejag, dan wel bij het verenigen van de gebruikers ligt. Misschien was dat ooit, in de prille levensjaren van het internet, inderdaad het geval, maar tegenwoordig vallen zulke uitspraken toch moeilijk te rijmen met de grootschalige reclamecampagnes en politieke inmenging. Facebook verkoopt geen producten, het verkoopt u. Het heeft ù nodig, meer bepaald uw persoonlijke interesses om zo gericht en effectief mogelijk advertenties aan te bieden. Geen enkel platform vraagt u dermate de oren van het hoofd als Facebook: welke sport beoefent u? Welke boeken heeft u gelezen? Naar welke muziek luistert u het liefst? Waar bevindt u zich? Vroeger kon men enkel ‘liken’ of ‘afblijven’, nu is er ook een scala aan emoticons beschikbaar om gevoelens zo precies mogelijk weer te geven. Het algoritme juicht, de gebruikers zijn tevreden. Want geef toe: “like als je tegen dierenmishandeling bent”, dat kan een computer nog niet interpreteren. Hij zou redeneren dat u doodgeknuppelde zeehondjes leuk vindt, en een paar passende foto’s voorstellen… Specifiëren kan dus geen kwaad, het verhoogt enkel het comfort. Tenslotte verkoopt iedereen die een account aanmaakt zijn ziel aan Facebook, ook inactieve profielen. Lees er de privacyverklaring maar eens op na. Die kan beknopt worden samengevat tot “privacy is een mythe”. Alles wat loszit wordt verzameld, gaande van batterijsterkte en IP-adres tot bankkaartgegevens. Betreden op eigen risico. Waarom dan niet preciseren bij relaties? Als iedereen mekaars ‘vriend’ is, wat is de waarde van vriendschap dan nog?     Alternatieven Andere (a)sociale media tonen dat het mogelijk is om onpersoonlijke benamingen te gebruiken, zonder draagvlak te verliezen. Youtube spreekt bijvoorbeeld over ‘abonnees’ (subscribers), Instagram, Pinterest en Twitter over ‘volgers’ (followers). Met alternatieven uit het dagelijks leven zouden we al een heel eind komen: ‘ouder’, ‘grootouder’, ‘kennis’, ‘collega’, ‘medestudent’, etc. Facebook gebruikt het woord "vriend" als synoniem van een kennis of contact. Een wereld van verschil, want vriendschap gaat over het leven en zijn kronkels, over een soulmate aan je zijde op je levenspad, over wat de ene mens voor de andere mens kan betekenen. En dat dat wederzijds is!   Geen goedkoop titeltje Vrienden zijn schaars en kostbaar. Facebook, strooi dure woorden niet achteloos in het rond alsof het letterkoekjes zijn op 6 december. Laat ons zelf beslissen wie onze vrienden zijn. Echte vriendschap kun je niet plannen en draait niet rond vriendschapsverzoeken die je kunt aanvaarden of weigeren, maar overkomt je. Bovenal werkt echte vriendschap in de luwte, achter de schermen, niet op het scherm zelf. Ook al laten we onze smartphone thuis, vrienden dragen we altijd met ons mee in ons hart.

Amaryllis
0 1

Toelichting bij het recept 'Graaikraai met mispoessoep'

  Mooi mis, Maaike! Toch als U dacht dat geschonken zilver echt in de Kringwinkel terecht ging komen. Mooi mis, beste Kringwinkeldonateur! Als U met de beste bedoelingen iets waardevols aan een Kringwinkel schonk, dan is de kans groot dat Uw gouden hart nu op een schouw staat, van een employé, ja, in het huis van een Kringwinkelmedewerker. Waarom? Omdat er ongeschreven regels bestaan! Die mij uitgelegd werden en ik verzin niets. Er zijn spiegels die onthouden, geen spiegels om boos op te zijn. Misschien in een spiegelpaleis en dan nog. Je liep er zelf tegen en je neus bloedt niet eens. Het is 28 april 2017 en Pluk is mijn vriend. Het takelwagentje is zwart, niet van Pluk. Het is van mij en heeft geen zichtbare takel. Pluk weet dat, dat vrienden bestaan, dat als twee straathonden met drie poten tegen elkaar aanleunen en zo verder lopen, ze niet eens meer hinken. Dat is echt zo, net zoals mijn verhaal niet verzonnen is, maar vandaag zijn wij geen loslopende straathonden, ook geen huisdieren. Nochtans, ooit voelden wij ons echt thuis in die Kringwinkel, dat is waar, maar zoals dat gaat met mooie liedjes, het is jammer, ze duren niet lang. We zijn er weg, weggelopen, omdat zuurstof zuur werd, welzijn stof en vandaag rijden we rond, in mijn zwarte wagentje, door de ochtendstraten, oranje is de morgenzon, de zakken met textiel die zijn het ook, maar valer, als herinneringen aan een warme tijd.   Diefstal is diefstal, als gij iets meeneemt dat 50 EUR kost en gij betaalt slechts 10 EUR, dan steelt gij. Dan steelt gij 40 EUR. Zo is dat en als gij oranje zakken die op straat staan, die met liefde gevuld zijn met kinderkleertjes voor een goed doel, als gij die zakken zomaar mee zoudt nemen, dan zoudt gij nog slechter zijn. Dan steelt gij niet een deel. Dan steelt gij alles. Ik weet het, dit zou geen frisse, geen goed uitgekiende leuze zijn, om eerlijkheid in de wereld te promoten. Kringwinkels doen het beter, zij kiezen bekende koppen, fraaie woorden en het is 26 april 2017. Niet dat de tijd achteruit gaat. Op 26 april las ik een krant en vandaag op 28 april rij ik rond met Pluk, in mijn zwarte busje. Vandaag zijn wij niet bang, wij zijn zelfs zot en in een doodlopende straat rijden wij haar klem. 'Mevrouw, waarom steekt gij al die oranje zakken in Uw koffer?' ‘Euhhh…. ‘t is ook voor een goed doel, voor mijn dochter, zij heeft een kindje en de vader is van Afrika.’ 'En daarom steekt gij die zakken in Uw koffer?' Pluk kruipt in het handschoenenkastje, ook al is hij een beer van een vent. Ik kan zijn gedachten lezen, toch voor een deel, omdat hij echt mijn vriend is, omdat wij weten dat wij poten genoeg hebben, al waren het er nog minder dan drie, wij verzinnen ze wel, tot we paarden zijn, paarden met vleugels. Wij weten waar ze zijn, waar ze grazen in het meest naïeve gras. Man, man. Ja, wij zijn met twee, misschien wel politie in burger. Pluk doet teken. Dat ik zot ben! ‘Mevrouw! U hangt! Wilt U ons volgen naar de winkel, die van ons!’ En die mevrouw, ze hoeft het niet te weten, dat dat eigenlijk verleden tijd is, dat het geleden is, dat het geleden is van januari, dat we er kwamen, dat het eigenlijk een rotwinkeltje is, dat we er onderuit gehaald werden. Een paar kwezels die daar werken, wisten ons te vloeren, dachten dat het nodig was. Waarom? Ja, waarom, mevrouw de dief. Waarom moogt gij geen oranje zakken ratsen? Omdat ze bestaan, geschreven regels. Dat gij niet zult stelen. Goed en mevrouwtje bibbert, de politie komt en wij weer weg.   Terug, terug, terug naar boven, tot gans boven, hoger dan de poes van Maaike, naar het zilver en de kandelaar, naar die ongeschreven regel, die enkel Kringwinkelmedewerkers kennen en ze kennen die regel allemaal. Dat gij, Kringwinkelmedewerker een voorkooprecht hebt. Dat voor u Kringwinkelmedewerker de prijs een lachertje zal zijn. Waarom? Omdat het een leuke bende is, daar in die Kringwinkel. Pluk, hij glimlacht, hij lacht groen en ook al heb ik niets luidop gezegd, hij weet het. Hij kent de wreedheid van die ‘leuke bende’. Wij autisten, wij zijn er weggelopen, omdat het te veel werd. Waarom? Omdat daar al te vaak weinig sprake is van een ‘zachte sector’, van ‘sociale tewerkstelling’. Pluk en ik, wij zijn getuigen. Wij kunnen voelen. Wij kunnen vertellen wat gij weten moet. Was het u dan nog niet opgevallen, dat u hem er nergens zag, in geen enkele Kringwinkel, die kandelaar, of iets dat echt waardevol is. Ik kan u enkel vertellen wat ik gezien heb, hoe het er aan toe ging, dat het management eerst koos, voor een fluitje van een cent het beste ‘kocht’ (lees : ‘het verschil tussen de werkelijke waarde en de zelf bepaalde weglachprijs niet betaalde’). Helaas, ja, ik heb ze gezien, de werknemers, met in hun koffers bananendozen. Enkel het etiket ontbrak met ‘krenten uit de pap’. En zelfs, ja, ik heb haar gezien, die garage van die ‘medewerker’. ‘Gekocht in onze winkel, voor de rommelmarkt, mijn tante doet ze allemaal’. 'Gekocht, jaja, gekocht', tjilpte een echomees. Het beestje zat op de goot van die garage en had allures van een papegaai. Ik denk dat ik op een slecht moment gekomen was, dat die garage meestal mooi dicht blijft.  Soms wil je gewoon weg, lopen. Iedereen kent dat gevoel. Zeker als je ziet, hoe de zwaksten gepest worden, hoe weet-je-datjes over gevoelige, private aangelegenheden er gebruikt worden voor gemene streken. Wanneer is die week tegen het pesten? Wanneer moet Unlucky Luke de toiletten er eens NIET kuisen?   Als U er rondloopt in zo’n winkel, dan leest u de idyllische affiches over die oze wieze woze o zo goede daden die men er verricht, voor de zwakkere. Wij, Pluk, Unlucky Luke en ik Dimitri Je-Weet-Wel, wij kennen intussen die bende, die brei en de brui. Wij willen ze niet meer tegenkomen, die graaikraaien, met hun fraaie affiches en hun dekentjes over stinkende putjes en als Unlucky Luke bij mij thuis langskomt -hij fietst graag door de frisse velden- dan zeggen wij weinig. Wij autisten, wij spreken met onze ogen en hoeven aan elkaar geen woorden te verkopen. Wij weten dat het zo beter is, weg van die wereld met zijn nare winkeltjes. En over hoe het op een dag helemaal verkeerd liep, hoe Unlucky Luke meegelokt werd door een klant met bedoelingen des monsters, daar spreken we al helemaal niet meer over. Het management was allicht elders, zat in elkanders haren, te vechten om de krenten of was het thema een gestolen kandelaar? Ik roer wat door de soep, ik weet het. ‘Bovenal is de zee koude soep’ en zwijg toch, herinneringen, er hoeven geen lettertjes in de soep, niet voor Pluk, niet voor Unlucky Luke. Alleen ik de zot, die de boekjes op een rijtje zette, ik kon het niet laten, om iets te vertellen. Klare bouillon? Unlucky Luke hij knikt. En voor Maaike. Voor haar. Maak ik straks. Speciaal. Een potje mispoessoep.   So long !                                                                Bachten De Kupe, 4 februari 2018       uit de reeks 'Duim voor Dimitri'

Bernd Vanderbilt
14 0

Toelichting bij het recept 'Duif met zachtgekookte hersentjes'

Geachte Mevrouw van de Kringwinkelpersoneelsdienst,   Op 1 december heb ik U een duif gestuurd, letters uit mijn linkerhand. Het was de witste, de dapperste, de snelste van mijn duiven, want de hemel leek enkele minuten minder grauw en minder wreed. Mijn amandelkernen en rechter hersenhelft, ze lagen een dutje te doen en de linkerhelft zag haar kans. Zij dacht, zij dacht in woorden en in theorie moest er een weg zijn : een terugkeer naar de mensenwereld, een herintegratie tussen wezens zonder stoornis, want de monsters leken van de lijstjes verdwenen. Weg was mijn duif, het weer keerde gauw en het ging zes weken duren, zo liet U mij weten, voor ik haar terug ging zien mijn duif. ‘Kom het beestje halen, op 15 januari. We kunnen erover praten, misschien hebben we wel een werkje voor je, daar in het Weetjeslandse kwadrant van de zachte sector.’   Hoop is een hoop illusies uit een ludiek lyceum en op het einde van de gang is het museum, voor hen die geleerd hebben, voor geleerden in de rust, voor hen die weten dat het zinloos is. Dat is mijn rechter hersenhelft. Als ze lang genoeg durft en wakker blijft, dan gaat ze beelden scheppen, tuinen aanleggen voor bloemen en vlinders, met stippellijnen, welkomroutes voor verloren gevlogen vogels. Bezorgd worden cadeautjes. In huizen met sparren, met bollen van kerst. Nog een week of drie, wachten en verzin intussen wat, zet een zwerm woorden, gedachten op een rij, ‘s nachts, als één werelddeel slaapt, één maanhelft doezelt, minder mijn hoofd want ik droom en dat moet. Bereid je voor, zo goed je kan. Het is een ochtendgloren dat spreekt, voor zich, zegt dat het niet goed weet wat dagen willen brengen. Op een plek waar vogels te veel veren verloren, durven enkel blinde egels nog te komen. Zo is dat en toch ben ik dom, fiets ik er zelfs voorbij en zwaai ik, naar de kraaien. Ooit is op deze hoek een ongeluk gebeurd, misschien wel meerdere en hij ligt daar, het konijn uit een oud verhaal, dat vergaat, dankzij de kraaien, die brokjes verwijderen, maar binnenkort, als de borstelmachine passeert, met aan het stuur een man van een propere stad, dan zijn de sporen weg. Nog een geluk en dan is deze passage weer vrij, kan ik er langs. 'Binnenkort' is de buitenkant van een lange strijd. Ik droom van mijn duif. Ik denk aan het kasteel van de toekomst. Nog één nacht slapen, ik weet het intussen wel, wat er allemaal gebeuren kan, en wat ik op elke pagina van het draaiboek antwoorden kan, als de wereld tot mij spreekt, als haar tentakels vragen lossen. Ik denk dat het goed komt. Ik zie mijn duif al, in een kooitje en na een martelpraatje kan ik weer naar huis, wetende dat ik weer welkom zal zijn, gewoon, als vlinders op bloemen, als vogels in bomen. Toch? En twijfel niet want in mijn linker vingers schuilt de logica.   Goed, goed, goed en nu is het enkel nog wachten, wachten, wachten op Godot, op t-shirts in een stof van het zachtste geweef, in een paars bordeaux en met dat logo van een kringelwinkel. Gewoon, gewoon voor mij, ik ben gewoon, niet helemaal en toch : L en 43, voor de shirtjes en de veiligheidsschoenen. Oef, oef, oef, ik heb mijn duif terug en weet wat mij te doen staat. Ik zal uit mijn hol kruipen. Veiligheidsschoenen aan de voeten, moed in de tenen. Binnenkort. Nu kan ik rusten en slapen en dromen en na een dag of tien, landt zij in de tuin, een andere duif, haast zwart, met een boodschap van de wereld, van dat winkeltje met zijn verleden, dat donkere tijden met mij spreken willen, zo schrijft ze mij, Mevrouw van de Kringwinkelpersoneelsdienst. Wie dan, waarover, waarom? Omdat ze willen, Judas en Dolores roepen mij, dat er een matje op mij wacht, dat het matje geduld heeft, nog een dag of drie en bereid je voor, nog één keertje, Dimitri, meneertje met je geschikte en geschifte woordenrijtjes, brei alvast en tob, pieker best de ganse tijd, be prepared, je wordt verwacht, ze willen alles weten, was die duif een geschenk? Moet het echt, moeten alle graven worden omgewoeld, de bodem uitgekamd, heb je geen bommen in je zakken zitten? ‘Op donderdag 2 februari, om 13h15 wordt U verwacht!’, voor een privaat kruisverhoor met Judas en Dolores, over dat verleden en ik moet me echt goed voorbereiden, blijkbaar is een ‘zomaar welkom’ niet van deze wereld en ik weet het niet, of het eitje zal barsten. Ik heb er een gaatje in geprikt, maar de lucht wil er niet uit. Ik moet toch iets eten, niet? En zal het eitje willen zinken in het potje, zal het vuur zich kalm houden? Vier of vijf minuten. Voor lopend geel, peper voor mijn tong en zout voor de herinneringen.   Welkom, welkom, welkom. ‘Dag Daniël!’. Ik ben Dimitri, Dimitri Je-Weet-Wel, weet je nog? ‘Wij noemen je Daniël. Daniël!’ Waarom? Ik ben het, Dimitri en ze kijken serieus, als hernieuwbare monsters, als wezens uit oude, muffe lijstjes, kadertjes die niemand nog wil kopen liggen onderaan, op een vergeten schap. ‘Omdat we eerst alles van je willen weten, Daniël! Waarom je al die tijd bent weggeweest en wat je durfde, in die tussentijd.’ Wat ik durfde? ‘Ja, wat je durfde, Daniël, te denken. Zat je scheef te peinzen, miste je gewoon, gewone mensen om je heen?’ Ik wilde nooit iets, overleven is mijn wens, want ik wil dromen, slapen, in een tuin en hier, hier zette ik de boekjes netjes op een rij, van klein naar groot. Ik weet het, ‘t is onnozel, alsof gedachten stilletjes een schelf versieren kunnen. ‘Toch willen we zeker zijn, wij Judas en Dolores. Wij moeten alles weten. Ook hoe de zure oudheid in je bovenkamer leeft.’ Terwijl ik alles opgeborgen had! Zij moeten en zij willen wroeten, als mollen met een zieke gal het geel van zon en jonge kuikens nog een keer verknallen. Hier, ik heb alles voor jullie meegebracht, beste Judas en Dolores, mijn dossier, van de psychiater. Daarin staat alles, over mijn dromen, mijn syndromen, over mijn angsten en mijn laatste hoop. 'Dat zie ik graag.' Het is Dolores. Ze spreekt, als een echtewereldmens, omdat zij de regisseur wil zijn, van aards leven, van haar geestelijk theater, waarin ik een rol kom spelen. Zo denkt ze. Ik laat haar. Ik laat haar snuisteren in mijn dossier. Voor haar toneeltje, over de vermeende onschuld van de monsters in een winkeltje, wil je geen eierkokertje kopen, een medisch vademecum, voedsel voor je hersenen en duizend boeken met veel woorden, ooit door iemand geordend, in zo'n bovenkamertje? Neen. Dacht je het dan echt, Mevrouw van de Kringwinkelpersoneelsdienst, dat ik op het matje van Judas en Dolores ging komen. Ik voel me niet geroepen en denk terug! Aan mijn vrienden! Aan Pluk! Die brave autootjes prijsde! Aan Unlucky Luke! Die jullie toiletten kuiste! Die onteerd werd toen jullie hem uit het oog verloren! Hun lot -dat van Pluk en Unlucky Luke, ze zijn haast vergaan daar in Uw winkeltje- is nu voorgoed ook dat van mij. Mij zie je niet meer! Nimmer! Nooit en thuis, daar wacht weer rust, lauw water, gebarsten is het eitje. Straks. Zonder knarsetanden zal ik eten, proberen, mijn eigen, zachtgekookte hersentjes.   Een laatste groet,     Dimitri Je-Weet-Wel Vrijwillig Halfgare                                                   Bachten De Kupe, 4 februari 2017     uit de reeks  'Duim voor Dimitri' 

Bernd Vanderbilt
16 0

Kerk & Leven

Twee versleten schoenen bengelen zachtjes aan een tak. Ze zijn bedekt onder de grijze tape: een laatste redmiddel om toch nog even verder te kunnen gaan.Maar daar, aan die boom, was het goed geweest.Mochten de schoenen eindelijk rusten.Ze zijn van hetzelfde merk als diegene die ik nu draag en ik hoop vurig dat dit geen beeld is van wat mij te wachten staat. Ik besluit toch, voor de zekerheid, om mijn veters in het vervolg wat liefdevoller te strikken. Het is rustig op de weg. Niet veel pelgrims te bespeuren. Wel een gigantisch oud, en hoogstwaarschijnlijk, religieus gebouw dat langs de route ligt. Terwijl ik ernaar sta te kijken komt er een man naar me toe gelopen. Hij vraagt of ik een stempel in mijn credential (stempelboekje dat elke pelgrim bij heeft) wil hebben. Mijn nieuwsgierigheid neemt het van me over en ik ga mee met de man, die Neill blijkt te heten en uit Zuid-Afrika afkomstig is. Hij besloot de kerk te kopen en er zijn levensproject van te maken: een plaats creëren waar pelgrims kunnen blijven slapen in ruil voor wat hulp. ‘Alleen vorderen de verbouwingen niet zo vlot,’ zegt hij terwijl we (mijn vader is er ondertussen ook bijgekomen) naar binnen stappen. Mijn ogen moeten even wennen aan het duister maar ik kan het voelen en ruiken.Geschiedenis.Verhalen.Mysterie.‘Dit is hoe een personage uit een Dan Brown-boek zich dus voelt,’ denk ik.Ik moet me inhouden om niet te beginnen zoeken naar de Heilige Graal. Neill vertelt ons over ‘The Abbey’, zoals het gebouw heet. Hoe ze achter iedere steen wel iets vinden. Hoe ze elke dag opnieuw, samen met de universiteit, proberen om de geheimen te ontrafelen. Hoe de inwoners van het dorp kwaad zijn dat de kerk die ze lieten verkrotten, nu toch iets waard blijkt te zijn. Hij haalt plannen naar boven, toont ons waar ze wat al gevonden hebben.‘Natuurlijk is het meeste gestolen. In 2009 hebben dieven het altaar meegenomen.’‘Vreselijk!’ reageren mijn vader en ik unaniem.Neill schudt het hoofd.‘Een geschenk,’ zegt hij, duidelijk geamuseerd door onze verwarde blikken.‘Door het altaar weg te nemen is er namelijk iets anders tevoorschijn gekomen.’ Hij wijst naar een grote tekening op de muur. ‘Het oorspronkelijke altaar, gemaakt in de 13e eeuw. Ik ben ze dus eigenlijk best dankbaar.’We kijken minutenlang naar de vreemde tekening, proberen er iets uit op te maken. Zonder veel succes.‘Ooit zullen we het wel begrijpen, als we er klaar voor zijn,’ lacht Neill. We nemen afscheid van de vriendelijke man en wandelen verder.‘Ik denk dat er nog nooit iemand zo gelukkig is geweest na een overval,’ zeg ik.‘Je moet toegeven dat het een fantastisch verhaal is. En je kunt er wel wat van leren.’Ik knik.‘We moeten altaren beginnen stelen.’Even stilte.‘Ik had het eigenlijk over het feit dat er soms slechte dingen moeten gebeuren voor er iets goeds tevoorschijn kan komen.’Ik werp een laatste blik op het buitengewone gebouw terwijl ik antwoord.‘Ja, dat ook.’

Woordenwandelaar
0 0

Ode Aan De Ochtend

Het is half zes wanneer de meest vreselijke klanken door de slaapzaal galmen. Weet je wat erger is dan het geluid van een aflopende wekker? Tien aflopende wekkers. Allemaal verschillende. Met een extra portie gesnurk.Dit is de moeilijkste test die mijn ochtendhumeur al ooit heeft moeten doorstaan.Ik draai me om en probeer met mijn kussen de herrie te dempen. Tevergeefs. Rugzakken worden dicht geritst, flessen nog snel gevuld met water. De schaduw van mijn onderbuurman verdwijnt van de muur. Het bed is leeg en verlangt alweer naar zijn volgende pelgrim.‘Ik haat de ochtend,’ denk ik wanneer ik uit het stapelbed klauter. Het water is ijskoud. Mijn slaapogen kijken me nogal kwaad aan in de spiegel en zijn het duidelijk niet eens met de keuzes die ik maak. Ik weet eigenlijk niet of ik het wel eens ben met die keuzes.Nu ja, terugkruipen is geen optie.Mijn kleren liggen klaar op het uiteinde van mijn bed. Dat wil zeggen: de minst stinkende T-shirt en broek die ik nog heb. Het greintje modelgevoel in mij treurt. Fluo gemixt met camouflageprint.A match made in heaven.De rest van mijn spullen prop ik zorgvuldig in mijn rugzak. Mijn toekomstige zelf moet dat probleem met die verloren sok maar oplossen.En dan veters toeknopen en op mijn tippen door de slaapzaal. Ik wil niemand tot last zijn en het goede voorbeeld tonen aan mijn medemens. Tot ik alle lege bedden zie en besef dat ik de laatste ben.De deur valt met veel kabaal achter me dicht. En dan stap ik eindelijk naar buiten. Laat ik de verse lucht in mijn longen stromen en voel ik mijn ogen opengaan. De ochtendnevel kleurt goud. De zon weet duidelijk hoe ze haar intrede moet maken. Ik wil foto’s nemen maar ze doen het beeld alleen maar onrecht aan.Niemand ziet wat ik nu zie.Het geheim van de ochtendmens. — Het is tien uur in de voormiddag. Het bed is warm. Een cocon van flanel en kersenpitkussens waar ik voor geen geld van de wereld wil uitkomen.De wekker gaat voor de zevende keer af.Ik druk voor de zevende keer op de snooze-knop.Beneden hoor ik rumoer. Een radio die speelt, mijn moeder die al aan het koken is. Mijn zus komt de krakende trap op en klopt op de deur. ‘Ga je opstaan?’ vraagt ze. Ik antwoord met een soort onverstaanbaar gegrom en hoor haar terug naar beneden gaan. Nu kan ik het ontwaken niet lang meer uitstellen.Ik trek het laken voorzichtig naar de kant en voel de kilte over me heen vloeien. Buiten is het grijs. Alsof zelfs de hemel me terug naar bed wil sturen. Ik kijk naar de klok.‘In Spanje had ik al tien kilometer gelopen rond dit uur,’ denk ik.Daar waren regendruppels dauw. De koude een troost.En ik voel hoeveel ik verlang naar die morgenschemering.Het begin.Maar vooral naar een geheim,dat mij, jammer genoeg, ontging.

Woordenwandelaar
18 2

2017, een jaar van knallen en opstaan

Het was zondag tien september 2017 ergens in een Grimbergs rusthuis. ‘Hou gij u ook goed hé, Anske!’ Ik knik en verlaat opgelucht de kamer. Het gaat beter met mijn grootmoeder. Ze weet mijn naam nog en ze is rustiger dan de laatste weken. Ze blijft nog wel even bij ons.Drie dagen later is ze dood. Op dertien september, nota bene de 43ste huwelijksverjaardag van mijn ouders, is ze eindelijk naar haar grote liefde, mijn grootvader, vertrokken. 2017, je sloeg en zalfde met dezelfde hand. In tegenstelling tot 2016, begon 2017 erg kalm. Het zou een jaar van rustpunten worden. Mijn ouders zouden met pensioen gaan en eindelijk van het leven kunnen genieten. Iedereen was gezond en ikzelf was net met een nieuwe job gestart. Ik zag het helemaal zitten en had erg hoge verwachtingen van dit nieuw begin. Eindelijk zat ik op de plek waar ik de voorbije tien jaar hard voor had gewerkt. Ik ging er volledig voor. Dagen van tien uur en meer op kantoor en elke dag naar huis al denkend aan de avonturen van de volgende dag. Ik had het gevoel dat ik leefde en niemand zou mij dat nog afpakken. In mei kwam de eerste kleine barst in het jaar dat zo aangenaam begonnen was. Ik ging te hard op in mijn job en ik moest een versnelling lager schakelen. Geen probleem, dacht ik, dit is niet de eerste keer dat ik me vergaloppeer in mijn perfectionisme. Ik ken mezelf onderhand al wel en weet hoe ik in zo’n situaties moet handelen. Ik stond weer op, haalde een paar keer diep adem, rechtte mijn rug en liep verder. Maar 2017 ging een stap verder in het stellen van beproevingen. In mei belandde mijn grootvader in het ziekenhuis en ook andere familieleden werden medisch voor voldongen feiten gesteld. Pijnlijk en vooral erg oneerlijk. Ik zag mensen rond mij breken en dat brak dan weer mijn hart. Tegen juni ging op het werk van kwaad naar erger. Stress werd te hoog, deadlines te kort en ik begon te wankelen. Ik voelde mij verloren in een gang zonder ramen waar dromen langzaam in nachtmerries waren veranderd. Hoewel ik kon rekenen op een aantal erg fijne collega’s, woekerde de stress tot hoog boven mijn hoofd. Ik verloor mijn geduld, mijn humeur, mijn goesting en ik werd ziek. Eerst voor twee dagen, dan voor een week. Ik stelde mezelf dagelijks de vraag wat ik dan wél wilde gaan doen, maar voor het eerste sinds jaren kon ik geen antwoord meer bedenken op die vraag. Gelukkig waren juli en augustus lichtpunten. Mijn schrijfwerk liep vlot en er diende zich een aantal theaterprojecten aan die mij de tweede helft van het jaar 2017 een reden zouden geven om te blijven doorgaan. Ik leerde mensen kennen die mij inspireerden en had een paar goede vrienden die mij eraan herinnerden dat ik meer was dan enkel een postproducer.En toen gebeurde er iets wat ik nooit had durven dromen: mijn eerste boek werd gepubliceerd. Ik heb geen kinderen, maar ik durf te geloven dat een boek op de wereld zetten een soortgelijk gevoel geeft. Je laat iets wat uit jou is gekomen los op de wereld niet wetend wat ermee zal gebeuren, maar waarvan je zeker weet dat zelfs al is het niet perfect, je er moeilijk een kwaad woord over verdraagt. September gaf de laatste mokerslag van 2017. Mijn oma stierf en hoewel ik goed afscheid heb kunnen nemen, deed dat toch veel pijn. De vrouw die vierendertig jaar lang één van mijn grootste voorbeelden was, zou nu alleen nog in mijn herinneringen leven.Rond mij zag ik dat andere mensen op hun beurt geliefden moesten afgeven. Ik zag sterke en mooie mensen huilen om oneerlijk verlies. Verlies dat veel te vroeg of onverwacht kwam, maar ook om verlies dat misschien meer te voorzien was, maar daarom niet minder inhakte.Na elke begrafenis of rotte werkdag kwam ik alleen thuis en voor het eerst sinds jaren besefte ik echt hoe eenzaam het bestaan zonder lief kan zijn. Letterlijk alles in mijn lijf deed pijn. Ik verloor gewicht, mijn gezondheid, en als laatste mezelf. Dit moest stoppen. En gelukkig deed het dat. Eind september kreeg ik een verlossende telefoon. De job waar ik al een aantal maanden voor aan het solliciteren was, was van mij. Voor het eerst sinds maanden huilde ik niet uit wanhoop maar uit hoop. Ik kreeg de kans om een switch te maken en na tien jaar afscheid te nemen van een job waarvan ik door de jaren heen misschien wel ongezond veel was gaan verwachten. De laatste twee maanden van 2017 waren er van loslaten en opnieuw beginnen. Van in de spiegel durven kijken en nadenken over hoe het nu verder moet. Van mijn gezondheid onder handen nemen en mijn goesting in het leven terugvinden.Ik ben er nog niet, maar ik ben er mee bezig en dat voelt eindelijk weer goed. Gelukkig is er vanaf nu een 2018 en dat is voorlopig even het enige wat ik nodig heb.

Ans DB
0 1