Zoeken

De paddentrek

‘Wat komt ge hier feitelijk doen jong?’ Zijn met woede gevulde ogen schoten vuur mijn richting uit. Zwiepend en zwaaiend met beide armen, benen half geplooid, alsof hij een poppenkastpop was die met één trek aan het koordje de meest waanzinnige capriolen maakte. Jan Klaassen van de waanzin.   ‘Wel, wat komt ge hier doen?’ Stilte, enkel mijn ademhaling was te horen, piepend en krakend als een kuiken. Hij en zijn vrouw keken naar het smalle weggetje dat was omgevormd tot een waanzinnige modderstrook, waar ik me tot voor enkele seconden met mijn auto een weg probeerde door te banen. Zijn vrouw sloeg de armen ten hemel, het hoofd heftig schuddend van neen. Ik, in mijn blauwe citroën C3, mijn raam halfopen, mijn gps die maar bleef herhalen dat ik rechtdoor moest.  ‘Voor de laatste keer makker, wat komt gij hier doen?’  Wat ik daar kwam doen viel niet zo makkelijk uit te leggen. Ik had hier afgesproken met makkers om samen het weekend door te brengen in ware festivalstijl.  De rit was lang en vermoeiend geweest, helemaal van Gent naar de Kempen die, naar ik had vernomen, voornamelijk stil zouden moeten zijn. de locatie was geprikt op google maps, een vaag filmpje van de organiserende vrienden als handleiding, meer was er niet. Nota bene had ik blijkbaar thuis onvoldoende gecommuniceerd dat ik daadwerkelijk het godganse weekend weg zou zijn. Dus vertrok ik met de beeltenis van een rouwende vrouw, en onthechte kinderen. En ja, ik had een vermoeden dat ik verkeerd aan het rijden was en ik raakte daardoor steeds meer in de war. Zeker nu deze briesende stier en zijn kenau voor mij stond druppelde het zweet me van het voorhoofd en kon ik simpelweg geen cohesie in mijn verhaal krijgen. Dus hield ik het op stamelen zonder inhoud, verzuchtingen zonder kern.  ‘Euh, ik moet hier zijn.’‘Gij moet hier zjsust niet zijn, maakt maar dat ge weg komt, of ik bel den boswachter.’‘Maar ik kom hier parkeren.’‘Godverdekke, parkeren, hij komt hier parkeren, hoort ge dat?’‘Ja ik hoor het’, beaamde zijn vrouw. Hun beider gezichten werden nu zo rood dat ik begon te vermoeden dat ze alle momenten zouden ontploffen. Of wegvliegen naar de andere kant van het heelal, de donkere kant van de maan.  Ik bedoelde natuurlijk kamperen, maar in de stress van het moment had ik mij klaarblijkelijk vergist en waren de letters in quasi willekeurige volgorde mijn mond uitgeglipt.  ‘Kom jong, weg!! Weg zeg ik u!!’ Zijn armen beschreven en onderlijnden wat hij bedoelde.  ‘Ja, maar, ik kan hier niet weg. Ik heb hier afgesproken.’‘Maar gij moet hier niet afspreken jong.’‘Jawel, ik kreeg deze coördinaten door, ik moet hier zijn.’ Telkens wanneer ik dacht dat er enige rust zou zijn om wat ik gezegd had reageerde de vrouw met draaiende oogbollen en afwijzende blikken, klinkend gezucht en doorzakkende knieën.  ‘Nu is’t genoeg geweest, ik bel den boswachter, die zal u wel een campingplek voor vannacht voorzien, ergens anders.’ Nu begon zijn vrouw alles te papegaaien wat de man zei. ‘’t Is genoeg geweest’, ‘elders kamperen vannacht’, ‘boswachter’.  Meer en meer begon ik te beseffen dat mijn vrienden hier toch ergens moesten zijn en meer en meer begon ik te beseffen dat het plan illegaal was en meer en meer wist ik dat ik mijn vrienden moest redden, ik wilde niet degene zijn die het weekend vergalde. Ik heb namelijk al een paar verknallingen op mijn conto staan. Zo viel ik ooit flauw tijdens een concert van Guns ’n Roses, na amper het derde nummer. Één van mijn vrienden nam me mee naar de EHBO, we arriveerden daar net toen ze “november rain” begonnen te spelen. Dat was die vriend zijn openingsdans geweest van zijn gestrand huwelijk. Hij huilde terwijl ik te versuft was om hem te troosten. De verpleegster van dienst gaf geen krimp en steggelde verder op sandalen met sokken.  Neen dit keer zou ik het slagveld verlaten voor ik het erger kon maken.  ‘Jullie hebben gelijk, ik ben mis. ’t Is goed, ik ben al weg. Maar ik moest hier toch echt zijn, ik weet dat het onhandig is, maar wat is het probleem eigenlijk?’ De man zuchtte kortstondig en blies zijn longen vol.  ‘Het probleem, jongen, is dat er hier waar jij rijdt met je auto, duizenden paddenjongen momenteel aan het voorbijtrekken zijn. Duizenden. En al die padden die komen onder uw banden terecht en gaan dood. Gij vermoordt duizenden padden door hier door dit gebied te komen rijden.’ Hij berustte in zijn pleidooi. Ik hapte naar adem.  Ik was een paddenmoordenaar. Ik had een genocide gepleegd onder Kempense paddenbevolking.  ‘Waar komt gij vandaan?’ De rust was blijkbaar ook in zijn stem teruggekeerd. ‘Gent.’ ‘Ja, maar dan, Gent, jong. Ja kijk, hier is natuur hé makker en in de natuur doet ge niet zomaar uw ding. In Gent kan dat wel zijn, maar hier moeten we rekening houden met het tempo van de natuur.’‘Sorry, ik dacht dat ik hier moest zijn, er zou hier, niet ver van de zwarte vijver, een plek om te kamperen moeten zijn, met chaletjes, of stacaravans, daar hadden we afgesproken.’  Misschien verknalde ik het nu toch door zomaar de locatie door te geven van ons potentieel bacchanaal.  Maar, ik zag het luttele seconden later, er veranderde iets in het gelaat van het koppel dat zich blijkbaar als patroonheiligen van de padden had opgeworpen. Hun gezichten werden zachter en ik zag een flintertje schaamte in hun ooghoeken, leek het wel.  ‘Ach, ge moet naar de zwarte vijver, maar zo moogt ge rijden. Alllé volgens het boekje mag je tot daar rijden, we kunnen u niet tegenhouden, doe het maar, we kunnen u niet tegenhouden.’  Nu hielden ze elkaar vast alsof ze getuigen waren van iets vreselijks, iets wat niemand verdiende mee te maken. Ze zouden met eigen ogen zien hoe ik met mijn rammelende wagen padden zou blijven vermorzelen.  Het ging ook mij te ver.  Ik reed achteruit, ook nu bleven padden aan mijn velgen hangen maar ik moest wat. Ze keken me verward aan. Parkeerde mijn auto op het weggetje waar ik dacht dat hij veilig was, nam mijn slaapzak uit de auto, mijn tas en mijn tent. Ik stapte door de modder op de mensen af, gaf hen een knuffel, tuurde richting waar ik dacht dat de zwarte vijver moest liggen en stamelde: ‘ik doe dit voor de padden, voor alle padden.’ Nadien stapte ik weg, het feest tegemoet. Met in mijn tas, herwonnen respect en sympathie. Padden kwaakten, als teken van dank. Ik liet ze maar. Want dat is het mooiste: bijna zomer, vrienden en vrede en een kalme paddentrek. 

Thomas De Mulder
30 1

Voldragen volharding

Het oude vrouwtje in mijn hoofd, onder mijn beenderwitte binnenste, wacht geduldig de paradijselijke vooravonden af, om er te zijn voor mij, tot ik ouder word, later, veel later en ik haar vervoeg. Ze breit haar zuivere wachten tot knieverwarmers en kunstige kantwerkjes. Echter, het bruisend breekbare wijfje, te trots om te brillen, vergist zich wel eens van draaddikte of naait zomaar geel aan oranje, met haar fysiek gevoel voor symmetrie, zonder onderscheid te zien. Dat de storing vlekt in mijn ogen maakt haar helemaal niet uit; In haar permanent bedrijvige beuzelarijen, streeft ze haar eigen zuivere zielseffecten na. Draad na draad en draadje en lap na lap en nog eens een lap. Aan enthousiasme heeft zij geen broertje dood. Als ik dan uiterst geconcentreerd een steekje laat vallen, laat haar dat geheel onverstoord. Haar klosjes garen zijn eindeloos. Doch, rekenschap is me aangeraden, wanneer ik zou besluiten ammoniaderivaten en cokedampen te snuiven, zou zij wel eens kunnen besluiten om te brijen, een potje brijen welteverstaan. Haar lekker potje, haar hersenstamppotje frist ze op met wat snedige termen, een associatie of drie, een handjevol alliteraties en dat alles samen gaat haar nuffig kruidenbuiltje in. De finishing touch een blokje bouillon van de neocortex. En dan maar laten trekken. En daar ga ik dan en de rest laat zich raden... Als ik al besluit mijn ongebreidelde capriolen de vlucht te gunnen, is het haar moment de schaft in te lassen. Ja, van klinkklare logica is zij gespeend. Aan de andere kant, de rechterhemisfeer, onder het blinkend witte gewelf, loopt de rivier van de taal. De oude visser bevist hem al jaren. De gewezen bureaucraat wijkt niet, want nu hij in pensioen is, kan hij al zijn muggenziftende bureaucratische krachten op zijn geduldig ingehouden passie werpen. Hij heeft al tonnen talige vissen opgevist en werpt ze steeds weer terug. Hij werpt ze terug om ze nog wat te laten groeien, tot ze voldragen zijn. Hij wil enkel de monsterachtig grote snoek vangen, de oeroude God van de rivier. De ene, die hem steeds te snel af is. Maar de waarheid is, zijn lijn is veel te zwak en bij elke aanslag breekt de lijn onverhoopt veel te snel. Maar ik, ik doe door en moet me tevreden stellen, soms met clichés, soms met een redelijke vangst. En hij, hij ziet veel te goed en acht zijn draad, weigerend en ongelovig, veel dikker dan hij in feite is. Ik had hun al voorgesteld de koppen bij elkaar te steken. Zij zou hem een sterkere draad kunnen uitkiezen en hij zou onder het vissen haar de juiste kleur garen kunnen aanwijzen. Wat meer is, ze zouden onder het beuzelen wat hartig kunnen keuvelen. Maar zij willen van geen trouwen weten en trouwens de brug van Noord naar Zuid, de rivier over, was toch al veel te smal.

Manuel Van den Fonteyne
2 0

Beaulieu-sur-Mer

  Er is een racecircuit ooit aangelegd op deze rug. De littekens verbinden wegen waar een korstje heeft geleefd. De auto’s reden door mijn hoofd. Er was een gat gemaakt voor duiveltjes die met hun zwart geweld het lot bestuurden richting rechteroog. Aan deze kant werd ik voorgoed volledig ongevoelig voor het rode licht dat avonden soms blind beloven. De lens is er zelfs uit. Ik draag daarom meestal een ooglap. Het is een stukje stof gescheurd uit een bedrogen vlag. Men sprak van landverraad toen ik de zee verkozen had. Ik heb mijn koersmobiel verkocht aan een piloot die ‘s morgens pap met brokken at. Ik heb mij met dat geld een vliegdekscheepje aangeschaft. Het was te klein geworden voor de aanloop van de reus, die er zijn stappen wilde tellen. Alles richting ondergang. Een pas of tien misschien en hij lag overboord. Zo gaat dat vaak in sprookjesland. Het is nu helemaal van mij. Hier aan de linkerkant is er die grote vlakte voor het ene vliegtuig dat ik heb. Het is een dubbeldekker uit een oorlog heel dichtbij. Ik vecht nochtans al lang tegen de molens op de wal. De dwaaltocht wil mij nog niet laten gaan. Het was Frestoen die me beval. Ik moest, ik zou in Noorse fjorden naar verkoeling zoeken voor een zomer die niet sterven wilde. Onderweg trof ik de herfst. Dat was vlakbij Beaulieu-sur-Mer. Ge zijt verkeerd, vertelde een verlaten strand. Je bent hier aan de Mediterranée. Het was midden november en de doden sliepen weer zeer diep zodat ze al die bloemen snel vergaten. In het familiegraf werd het opnieuw heel stil. De eendagsvlieg zij zweeg. Daar is een kerkhof op het strand met tussen al die zerken slechts één stoeltje voor de kapitein van dat verlegen vliegdekschip. Ik kijk hier nu vanop de wal naar al hetgeen mijn ziel bezit. Wat ijzer in een grijze vorm, een vliegtuigje dat bijna overlijdt. Er is een racecircuit, hier achter mij. Het loopt over die berg tot in het dal waar ik geboren ben. Daar wil ik niet meer heen. Het zijn de milde wolken die over de wonde strijken. Elke dag opnieuw rijdt er een trein langs de rivier waarin verleden stroomt. De machinist hij weet van niets. Hij denkt dat alle tunnels zijn gegraven door een grote rat. Hij rijdt daarom liefst traag. Het is altijd zijn eerste rit. Misschien is verderop de rat nog in de weer en ligt daar nog geen spoor. Ik heb die speelgoedtrein gekocht nog voor ik racen kon, nog voor ik ben verongelukt. De eerste keer verscheen dat gat. Het werd niet dichtgenaaid, gewoon ontsmet en ik mocht gaan. De tweede keer heb ik mijn rug zelf opgelapt. Met dank hen, de spiegel in de gang, die haakjes en die tang. Ik prijs ook hem, de kangoeroe die mij vergat, want anders was mijn reis zo zacht geweest. Ik dank ook iedereen die oorlogsschepen doelloos schenkt. Ook hen die treinen stelen, sporen eeuwig rusten laten, eindstations hun langverwachte leegte schenken. Tot slot, Frestoen, gij zot, geef mij dat oog terug! Het ander wil mij niet geloven. Als ik beweer dat scheel kijken bestaat. Wanneer het tranen laat. Dat beste oog. In eenzaamheid. Voel ik die rat. Ze loopt over mijn rug. Ze is de weg weer kwijt.     uit de reeks 'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
3 0

Meneer Lipinski is een uil met lange ei

    volgens twee rode bloedcellen scheelt er iets met mei de zilverreiger at die maand een goudvis en ikzelf ik dronk te veel bokaaltjes leeg   ze staken vol met embryo’s van duistere gedachten stel je voor een doordeweekse dag die met wat chloor heeft geprobeerd zijn dorst te lessen   ‘jodelaars (enkelvoud)’ dat was mijn inzending als woordje van dit wrede schrikkeljaar tot zeer grote teleurstelling van mijn vermaarde fanclub won ik zelfs de troostprijs niet   chot ja mijn zilverbaard blijft ongeschoren sinterklaas heeft op zijn boot nog een receptie willen geven voor de schaduw van een oorlogskind misschien ook voor een brave slagerszoon   er is die zanger van een liedje voor gevogelte dat in een pan een mooi bruin kleurtje krijgt je hebt meneer lipinski en de uil die lezen mij daar wel eens aan de tamme waterkant   ze kijken nooit naar meisjes in een ruitjesrok omdat de loper van het schaakspel sneller is hij holt de tijd voorbij hij weet niet eens hoe zwak ik ben hij mag mijn ziel niet zien   behoed het kind van pijn dat zeg ik altijd tegen hem mark koeke heeft een zoo omdat hij zelf een plaatsje zoekt voor later als zijn hanenkrop nog verder zwelt hij zelf dan een attractie wordt   ik heb ooit aan dat kind verteld dat het dan gratis onbetaalbaar wordt het niet meer sparen moet er zal toneel zijn zowaar overal zelfs op de stoep van ooit ook in het koninginnedal   er komt een show met licht zonder zware accenten en de maestro van de ondergang zal alle touwtjes zacht beheren de harlekijn is wel eens moe zegt dat pinokkio gelukkig is   hij heeft nooit echt beseft waarom de vrijheid hem de voeten ooit aanbad hij kon alleen maar lopen in de richting van de zon terwijl die niet bestond aan dat verlaten einde   in kleinigheden leeft wel eens de toekomst zegt een ooievaar die dode kindjes droeg hij vraagt zich wel eens af waarom alles zo opgesloten zit het vals gebit daar in de mond van mijn demente moeder   hij heeft daar in zijn dierentuin echt waar zelfs een giraf het beest eet haver en het zoekt naar klaver met een blad of vier het liefst nog meer geloof me nooit als ik vertel   over de ijzer hangt vandaag een beetje mist de lucht is broos gelijk het glas dat veel te dun was om te barsten bij de eerste schok mijn hart is oh zo sterk   dat zegt het varken altijd als het opgeladen wordt ik haat die boer dat wezen in zijn blinde biotoop ik hoop alleen maar op een dag als die vandaag   op beterschap op wat jolijt hetzij een walvis die goed weet dat plankton nooit oneindig leeft meneer lipinski en de uil zij vragen zich nooit af wanneer de afloop is de doop van het onnozel kind   in mei had ik een fan of vijf want elke maand heeft zo haar voorkeur voor een optreden in zure lucht de klucht vertelde aan mijn lief en de verlegenheid heeft nooit lang voortgeleefd   meneer lipinski en de uil zij weten niet wanneer ik stoppen zal ze zijn zo lui ze zitten daar in hun café ze drinken duvel misschien wel een koffie donkerzwart   er is die smart de pijn in mei weet elke vogel dat zijn jong verloren is de weemoed weegt te zwaar hij zal nooit goed echt nimmer weten waarom ik heb bestaan       uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
4 0

Ik ben Freddy niet.

Ze pikt een een stukje sinaasappel op van haar kant van het bord.  Ze doet dat met eetstokjes, die niet van bamboe maar van een transparant soort plastiek zijn gemaakt. Het lijkt op glas, maar het is geen glas en de eetstokjes kunnen zo de vaatwasser in - zonder te breken. Traag brengt ze het stukje vitamine C naar haar mond en kauwt er in stilte op. Er is niemand die merkt hoe tevreden ze nu is. Niemand, behalve ik. Mijn lief houdt veel van me. Ik weet dat, maar soms vraag ik het voor de zekerheid ook nog eens na. Mijn lief houdt vaak van me, enkel op zaterdagen niet.  Dan houdt ze van Freddy. Freddy is sterk. Soms davert zijn stem over me heen. Soms geeft hij me een knuffel. Ik weet niet welke van de twee ik het lastigst vind. Ik ben Freddy niet. Ik orden mijn pillen niet per dag, mijn boeken staan niet in alfabetische volgorde. Ik luister niet aandachtig. Ik geef snel op. Zaterdagen ontregelen me, zo ook vandaag. Dus breng ik extra structuur in mijn dag. Na het ontbijt wandel ik naar de stad en dwaal er rond. Ik stap langs etalages en neem foto’s van dingen die raar zijn. Soms pas ik wat kleding die ik dan niet koop. Rond de middag kijk ik op een bankje naar de foto’s die ik eerder die dag maakte. Soms glimlach ik. Nadien ga ik naar een leesgroep. Soms zeg ik er iets, maar vaak niet. Al die ogen en al die monden - ze kijken en praten, maar zeggen me niets.  Ik ben Freddy niet. Ik daver niet, ik haper. Ik stotter en stamel en struikel over woorden heen. Ik klauter en klim onder zinnen door. Op zaterdagen houdt mijn lief van Freddy, maar alle andere dagen houdt ze van mij. En als ik twijfel, vraag ik het voor de zekerheid nog eens na. Later die dag, in een supermarkt: een pakje witloof valt vanzelf uit het rek. Een baby huilt in het gangpad. Een kreeft zit met ingebonden scharen in een aquarium. Hij reageert niet op mijn tikjes op het glas en staart wezenloos voor zich uit. Ik koop een pak wit sandwichbrood omdat het op een enorm stuk ingepakt marsepein lijkt en stap de winkel uit, de avond in. Ook deze zaterdag gaat voorbij.

Sarah Skoric
31 2

Mijnenvegerman

  Ef þú vilt mig verðurðu að telja stjörnurnar fyrst.   Iemand ergeren. Dat wil ik niet. Onverstaanbaar zijn. Dat is al minder erg. Omdat de maan boven je bed het misschien vraagt, vertaal ik het dan maar :   Als je me wilt, dan moet je eerst de sterren tellen.   Dat eerste was Ijslands. Geloof me maar. Ik weet alles. Zelfs wat een hemellichaam peinzen durft, hetgeen een duizendpootje niet vergeten wil, voordat het weer een enkeltje verrekt. Zo gaat dat hier aan boord van onze mijnenveger. Hij is ook helemaal onzichtbaar voor de radar van het groot geweld, onvindbaar voor de ziel die er naar zoekt. Dat heb ik zelf gekozen. Wij eten hier uit slechts één bord. We zijn niet vies van speekseldruppels die ons redden van de dorst, al zijn ze van een kwal. Ik wil gewoon wat overleven, hier en overal. Het staat hier eigenlijk behoorlijk vol. De glazen spoelen wij pas als ze weer eens gulzig worden en de tafel staat zo scheef als zij zelf wil. Daar doen wij niets meer aan. Voorgoed. Op deze wanden is de gretigheid te zien van stemmen die we hoorden. Vergaan. Terloops. Het kan ook zijn dat het geschreven is door één van ons toen hij of zij beteuterd was.   There is a light green submarine that never sinks before the butterflies have left that wicked grass within my brain. They search for you, my darling. On the short I left my heart, a lonesome fairy tail. Il y avait une sirène qui voulait sourire comme une baleine. Je lui ai dit : n’essaie pas. Calme ta bouche comme une tempête qui veut dormir et laisse-moi t’embrasser. Je suis ta vague d’amour. Er ligt een bloedrood lichtschip, ginds waar de Wandelaar begint. Er drijft een boei daar aan het einde van zijn tocht. Hij vocht tegen de duisternis, verloor een arm aan een rivier. Toch vond hij hier heldere zee. I will never forget my friend Ricky and his fabulous destiny. He could dive in the sea, just like a butterfly, so desperate. He could swim like a tear in my eye. He could die as a flash in the sky.   Daarmee staat het hier vol, van boeg tot roer. Het zijn geschriften van ons alle vier. De bemanning werd gekozen lang geleden, nog in het hiervoormaals. Door een internationaal bureau. Het was een tijd zonder veel tegenstroom en alles vloeide vrolijk rond de kern van het bestaan. Dat zeg ik zelf en deze teksten in het Nederlands, die zijn van mij. Etienne, mijn rechterhand schrijft Frans en Odilon heeft enkel linker vingers die het Engels adoreren. De zeemeermin, van wie ik daverend veel houd, die komt uit Ijsland, bedacht enkel die eerste zin, omdat zij liever doelloos mijmert. Terwijl ze in mijn ogen kijkt. Wanneer ik stuur. Zowat de ganse dag. Ik ben ook zelf de kapitein. Gelukkig man. Enkel de zeemeermin, zij weet waarom. Zij heeft de handleiding door mij geschreven voor dit schip, niet willen lezen. Zout waren eerst haar ogen en daarna is ze me heel bedeesd gaan liefhebben, omdat ik zo veel kan. Ze zei ooit eens, jij mijnenvegerman, ik denk dat ik mijn voorgevoel vertrouwen blijf, terwijl je zelf mag dromen wat ik van je denk. Daarna was ze weer stil, wreef zeewier van haar bil, mijn lieveling. Doch op een nacht toen ik een dutje nam, heeft ze het toch ontdekt. Ze zag het plan, de schets en de getrokken lijnen. Ze weet nu hoe ik alles heb geplooid. De einder naar een mooi visioen. Dit bootje van papier. Het werd dusdanig klein, dat ik het door de hals van een ledige melkfles kreeg. Daarna heb ik gekozen voor dit nederig bestaan. Dit schip het is beschermd door stevig glas. De lucht is bij momenten wel een beetje zuur. Dat komt omdat de fles niet goed werd uitgespoeld. Dat is niet erg, zegt iedereen. We drinken wel wat zuiverheid, een druppel damp die op de kurk verschijnt. De zeemeermin, ze vindt het lekker warm, hier in ons paradijs. We drijven zomaar rond en wachten nergens op. Het aanspoelen is uitgesteld. Omdat er nog veel plaats is op de wanden voor een spreuk of duizend. Omdat duizelige nachten zo graag zien hoe ik haar mild bemin, die kieuwen zachtjes streel, wat schubben teken op mijn been, terwijl zij lacht, mijn zee-egeltje aait.     uit de reeks 'Reizen met Ricky' 

Bernd Vanderbilt
2 0

Zeus van Vlissegem

  Mariebillen op eigen sap. Dat eet hij liefst Meneer Pastoor. Hij is de Houtekiet van onze streek, onze contreien. Hij pakt ze allemaal. In het Parochieblad. Daarin staan zelfs wat foto’s. Echt. Omdat het hier nog mag. Afbeeldingen ook. Zo heidens als maar kan. Uitnodigingen. Ja, die eveneens. Wie komt er naar die ware zwijnerij? Mijn God. Ik weet niet eens hoe lang dat al gebeurt. Het zijn die geuren van de lust. Ze hangen in de lucht als ik daarlangs passeer, voorbij zijn pastorie. Het past zo goed. Zo diep en helemaal. Het zit geworteld in die Vlaemsche klei. Handen, vingers houden van getintel en de vorst die kleine kloven zoekt. Is hij weer bezig? In dat schriftje. Iets over het Oerwezen. Over die onderstroom. De aard van onze soort. Beweerd wordt. Door Roeland. Dat niets verloren mag gaan. Histories. Traditie. Over witloof telen in de volle grond. Over rabarber kweken, ploeteren en wroeten. Alles moet je voelen, best met zwarte aarde onder al je nagels.  Twinting jaren lang heeft hij niet gesproken en het was Tante Hannelore die hem eindelijk kon bevrijden uit zijn kooi, uit dat zwijgen van de leeuw. Roeland mocht zich laten gaan en zo is het gebeurd. Zij draagt nu zelfs een kind. Misschien is het van hem. Ik ben het vrijwel zeker dat het kindje struis zal worden. Gelijk die Zeus van Vlissegem. Gelijk Vulcanus met zijn hete kolen voor een barbecue en morgen is er weer een feestje naast de pastorie. Al wat bloot durft zijn mag komen. Zo sprak hij in zijn preek Meneer Pastoor, de Ondergod. Ge brengt wat drank mee, dankt de Heer, en laat je gaan. In overvloed. Op bangelijke dagen. Met de geestdrift van een geus of tien. Misschien zien we haar ook. Madame, elle ne se gêne pas, en daarmee wordt bedoeld, Bellona. Zij die zich niet zomaar laat doen en ons zo zot kan maken dat wij vechten voor een wip met haar. Ik denk dat hij vergeten is. Ze in te nemen. Een pil of drie en tante Hannelore is verzot op thee. Het liefst een soort die wat kan doen met ons. De mens. Het mag een drankje zijn dat ons durft mee te nemen naar een plaats waar mensenzeer vergeten wordt. Morgen de carotten uitdunnen, want er moet gewerkt worden. Men kan niet zomaar blijven wonen in dit thuis met zijn geneugden en de vele warme kamers. De wezenlijk mens moet er voor zwoegen. Oké, hij praat dan wel, nu sinds een jaar of twee. Toch zijn wij niet voor veel palaver, lege blablabla en Tante Hannelore zegt dat ik echt proeven moet. Van haar thee en alles wat hier leeft. Het glimt zo fel vandaag. Zelfs Roeland lacht. Haar buik is mooi, betoverd rond. Het is zo lang niet meer. Misschien een week of drie en dan zullen we zien op wie hij meest gelijkt. Roeland of Meneer de Ondergod. Het kan ook zijn dat er Wijze uit het Oosten is geweest die haar wat mirre schonk. Het glanst zo schoon. Dat vel is ingesmeerd met liefde van een hand of zes. Wij zien malkander gewoon graag. Dat staat geschreven aan de ingang van de kerk. Er hangt daar ook een doodszantje. Er is weer eentje heengegaan die weinig heeft geleefd. Wij drinken eerlijk bier en voor Meneer Pastoor is er goedkope wijn, zo zuur dat hij bij elke slok een zerpe muil opzet. Dat schrijft hij allemaal. Hij zit te kribbelen. Zijn epos is nogal kaduuk en Tante Hannelore kijkt tv. Men spreekt van heter weder en die zwieper van het weerbericht. Hij stond daar eens. In zijn short op het strand. Daar gaan wij ook graag naar toe. Roeland, Hannelore en Ignace. Dat ben ik. Ik mag mee als ik me niet te vrank gedraag in Bredene. We drinken daar alleen maar Sano en de glazen zijn zo sterk dat al het schuim zich lekker voelt. Doch. Morgen. Dan is er dus dat feest vlakbij de pastorie. De beesten zullen weten hoe het moet, want zij gedragen zich zo graag een keertje tuchteloos. De Zeus van Vlissegem, Bellona van Bredene, de Ondergod Himself. Alleman zal daar verschijnen. Hannelore moet toch wel voorzichtig zijn. Zo zal hij zeggen, want zo is hij. Roeland is zo gek niet als men denkt. Ik weet dat allemaal want wij, we zien malkander gewoon graag. In overvloed. Ook op benauwde dagen.     uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
0 0

Zes droge worsten alstublieft

  Mocht ik een nestvlieder zijn geweest, ik had een beter leven gehad. Ik kocht me dan de jongste jeans, een mooie riem met gaatjes voor wat bloemen en twee vleugels met de kleuren van naïviteit. Doch. Ik hield met vast aan roest, aan resten van een huis. Nochtans was het niet ingestort. Zo leek het toch. Het was wel grauw en grimmig. Ooit werd ik gebeten door een muur. Die wist vrij goed waarom en zelfs de trap liet mij eens vallen. Er was geen dokter in de buurt. Daar groeiden enkel bomen zonder oren. Al het gevoel zat ondergronds. De wortels kropen liever richting sloot. Om de ziel te spoelen. De armen van de hoop te strekken. Er was daarvoor een vijvertje met dikkoppen en smalle aaltjes slopen weg. Doorzichtigheid. Das was hun redding. Telkens weer. Gevaar alom daar in die streek. Veel te laat ben ik bezweken. Echt. De ledematen van de onschuld hingen toen al jaren los. Ik droom altijd dat ik niet langer stappen kan, dat zwaartekracht alleen al mij tot torsen dwingt. Mijn hoofd is daarbij als een kooitje voor een vogeltje van lood. Onder de pannen leeft er ginds altijd nog een familie dove dakwormen. Ze boren gaten in de zacht geworden schedel van een rot verleden. Maden ook en larven die vergiffenis niet lusten. Dat laten ze onaangeroerd. Misschien komt er een krekelstorm. Ze mogen landen op dit krot en alles opeten. De zot is niet meer thuis. Ze hebben hem verbrand. De urne is van haar, de laatste blinde ziel die van hem hield. Ze kocht een driewieler toen de malloot begon te stuiptrekken. Door het gewicht van misdaden. Het zonk naar slechts één voet. Mank niet zo. Dat riep eerst nog een strontvliegje met laarzen. Het was zeer goed geweten bij de dieren. Wat een beul dat ventje was. Ze scholden vaak naar hem. De lijp hij bleef maar komen naar zijn hok waar mest al grijze haren kreeg. Kuis mij dan toch eens uit. Dat riepen stal en ook mijn emmertje dat vol liep met zeer troebele verhalen. Met beelden die opeengestapeld al het zicht ontnamen. Ik zag niets meer. Voor een normale blik op madeliefjes dromerige wolken moest ik vluchten naar het veld. Veel verderop was dat. Daar aan die beek is er een brug. Niet groot. Daarop wordt nooit gedanst. Een duif uit Avignon verloor er ooit zijn ring. Ik heb een oog dat alles ziet, helaas. Die kreek voorbij. Jawel. Dat huis achter me laten deed zo’n deugd. Het was een woning waarvan niemand wist hoe krank het was. Ik liep graag weg. Richting het winkeltje met snoep wat blikken soep een bak met sla of twee. Gelijk een Griekse mini market. Zonder feta. Olie van olijven. Zonder zakjes kruiden voor tzatziki aan een haakje bij de kassa. De caissière had twee ogen die mijn geld bekeken. Nooit mijn ziel. Die zat te diep. Onder beton leven er pissebedden in een grote groep. Hoera de kalme duisternis. Hip hip aan iedereen die jarig is op stille dagen, geen gekrijs hoeft te aanhoren van een ouderling. Ja. Aan die kassa heb ik vaak gestaan. Ik schoof er aan achter een oude man die eenzaamheid kwam stelen van een laatste fles met drank. Ze stond alleen in een braaf rek. Zonder waarschuwing. Voor die heerlijke overdosis. Dat durfde hij nog niet. Alles wat je betaald, dat mag je hebben. Hetgeen je zomaar kreeg. Miserie grief wat zure kool. Dat moest je freten. Gewoon slikken. Als een medicijn waardoor je vel wat taaier wordt, je geest een laagje rubber krijgt. Voor de putten. Voor de schokken. Ik heb daar in dat winkeltje zo dikwijls weer een nieuwe binnenband gekocht. Dat hadden ze daar ook. Omdat de fietsmaker elke nacht met de caissière sliep. Overdag. Dan moest hij uitrusten, verkocht zij dan zijn restvoorraad, zijn kettingen een bel voor wie hallo wou zeggen aan een zebrapad. Het is bij die mevrouw daar met haar kassa dat ik alles in een grote fietszak stak. Ze droeg wel eens zes droge worsten rond haar nek omdat ze erg van vet en slingers hield. Dat kocht ik nooit. Eigenwijze schoonheid mag men niet ontnemen aan mistroostigheid. Omdat ze mij dat vroegen heb ik er des zomers houtskool twintig kilo groot formaat gekocht. Voor barbecues en taferelen met wat brandend vlees. Varkensenkels wilden zwarte croûte, al wat roze was vergeten. De idylle stoofde mee. Tot er geen vuur meer was en vettig spul weer van het rooster droop. Het wilde nimmer wachten op die tong van gore honger. Op dergelijke feesten kreeg de vraatzucht nooit genoeg. Ze at zowaar die poot. Van mijn stoel. Waaraan een beetje ketchup hing. Ze lustte zelfs mijn leed. Kon dat maar en ik herinner me. Er was op zulke mooie dagen meestal ook zo’n sfeer van zoete schijn die liefst wat zure neerslag dronk. Opgevangen in een bierplateau. De bui kwam altijd graag. Hij bracht verfrissing, spoelde alle borden en dat bitter restje loof. Geloof me toch. Het landschap was er mooi en ogenschijnlijk mals. Ik heb altijd wat meegegeten. Enkel de salade en het blad van brandnetels. Gedrenkt in wat citroen. Ja ook de stengel van een berenklauw. Maar sterk, dat werd ik er niet van. Ik sloeg nochtans mezelf. Want op een dag, dan heb toch die riem gekocht en als je me zou vragen wat ik echt niet missen kan, dan is het wel die heupgordel van leer. Voor alles wat een beetje roze leek en lijkt. Voor alles wat er vroeg en vraagt. Om rode kracht. Om dapperheid en vredevolle dagen.     uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
1 0

Sukkelkind

  Is it a masked singer? Zit er hier in het publiek een wandelende tak uit Engeland met rechterstuur die rare vragen stelt en daarna volgt een blik tomatensoep. Gooi maar. Allicht omdat het nog methaangassen verspeidt, dat lijk daar op zijn stoeltje. It stinks like hell! Dat roept een kieken uit Kentucky. Bedaart en steekt nog even weg die zwaarden. In een microfoon wordt ook gevraagd wie allemaal een lotje heeft gekocht. Nummertje elf is niet gewonnen door de fee. Ook niet door ene broze vlinder. Het is zowaar een specht. Wat zal het beestje doen? Hem gaten boren in de kop? Het vliegt, het landt naast hem Meneer de Clown, vandaag verkleed als toverbeul. Steek hem maar in zijn zwarte kist, de zwaarden passen in die gleuven. Daarna opnieuw die goochelspreuk. Twee barsten in de lucht. Een breuk in het heelal. Niets van dit alles. Kijk omhoog. Droog je tranen, sukkelkind, manke Pierrot en word misschien eens wakker. Voel dat alles écht gebleven is en niets voorbij. De film van Ome Willem heeft nog nooit een kleutertje gered. Oké. Meneer de Uil is deze nacht wel los geraakt. Hij heeft mijn sleutelbeen verlaten, zit nu op de rand van mijn bestaan. Het zal nooit overgaan. Ik lees dat in zijn ogen. Het heeft gewoon niet mogen zijn. Mijn hoofdkussen is platgeslapen, ergert zich al lang niet meer aan al die klanken die ‘s nachts uit mijn oren kruipen, aan die adem van die wrede dagen. Zolang ze maar niet pogen op te staan. Die blinde hoop. Dat zwik. Die stapel uitgeknipte dwergsoldaten. Allemaal voor hem, Meneer de Hottentot. Ik zie hem straks achter de tent. Daar in ons frietkot en Alfred heeft speciaal voor hem een stoel met lange poten neergezet. Aan het buffet. Daar waar een grijze man zijn bier halfweg de dood toewenst. Zijn naam is Lazarus.     tiende en laatste deel van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Buitengewoon onderwijs

Het was bijna 2 maanden geleden dat ik haar zag. Mijn laatstejaars leerling. Er zat een quarantaine, een stageperiode en de kerstvakantie tussen onze laatste ontmoeting. We hadden kookles. Ze bond haar kookschort om, knoopte de linten op haar rug terwijl ze haar buik onbewust, maar indrukwekkend ver, naar voor duwde.Ik keek en keek even snel weer weg In gedachte fluisterde ik: “Oh, kind, jij bent zwanger.”Ik maakte die gedachte zelfs niet af want ik corrigeerde meteen in mijn hoofd:“Nee, hóógzwanger”Ik keek, schrok en keek weg.Mondmasker, merci dat ik tenminste de helft van mijn stomverbaasd gezicht kon wegsteken achter u. Ik herinner me van de volgende lesuren amper iets. Alleen een bolle buik met gefloepte navel…Een overleg, met mijn collega, later, zitten we samen aan de tafel. Ik denk dat er een baby in je buik zit…"Anni, zou dat kunnen?"Ze schudde ‘van niet’."Anni, ik denk echt dat er een baby in je buik zit…"Ze keek boos."Anni, we zijn ongerust."Je buik lijkt echt wel heel dik.  Heel aarzelend en op kousenvoeten vraag ik:“Zouden wij jouw buik eens mogen zien?”Ze plooide haar slobbertrui, die meer een passend model leek, boven haar buik. Daaronder droeg ze een witte t-shirt, passend rond haar buik.Een witte t-shirt met daaronder een voetbal met een gesprongen sjoepap… Niemand sprak. We keken naar haar buik. Anni keek er zo ver mogelijk van weg. Zonder dat we ’t vroegen, plooide ze ook haar t-shirt boven haar buik. In mijn herinnering deed ze dat in slow-motion.Echter zonder tromgeroffel. Het bleef stil.We keken. "Anni, ik denk écht dat er een baby in je buik zit.""Als er een baby in je buik zit, komt die daar ook uit he, op een dag…" Een traan rolde.Ze zei: ‘ik ben bang’ 2dagen later werd haar zoon geboren.

TessaVH
3 0

Over wellevendheid

  Het was een lieve man. Kom je naar de eredienst? Hoorde ik dat goed? Is dit de laatste vrouw die met dat monster sliep en nooit zijn daden heeft gekend? Heeft zij dat nooit gezien wat achter dat gelaat wel leefde? Of was hij danig blind dat hij niet zag waarin zijn hand het mes gestoken had? Ik denk het niet. Een eredienst. Misschien met bloemen ook. Bij God. ‘Gij zult Uw ouders eren’. Doch is dat aan mij niet echt besteed. Die stelling moet op een naïeve dag verzonnen zijn door een betoverd koekoeksjong. Ik heb mijn kat gestuurd. Ze droeg een zwaar gewaad. Haar tanden hield ze wat verborgen rond een ruwe tong die liever zweeg. Ze zijn er niet vandaag. Die laatste vrouw. De kat. Het koekoeksjong. Ik kies nu zelf wie komen mag naar de terechtstelling. De circusdirecteur hij ging akkoord. Als jij betaald hebt met dat opgespaarde leed, dan mag jij alles kiezen. Drank. Publiek. Scenario. De kleuren van de tent, ook van de ondergang. Tot nu was alles goed verlopen. Er werd gejoeld toen zij daar eenmaal zaten. Vadertje Kadavertje en Moedertje met Plastiek Pop. De clown had zich verkleed als beul en kwam toen er een bever op de pauken sloeg. Het moedertje mocht gaan. De klacht ‘schuldig verzuim’ werkt afgezwakt tot ‘een normale dwaling van het brein’. Die soort van jullie, sprak Meneer de Uil, ze is nu eenmaal wreed van aard. Het zit er in. Het komt er uit. Zij heeft alleen maar wat getierd, de oren van het kind gevuld met gesel en een scheel geluid. Ik liet begaan. Het is de oehoe die vergroeid is met mijn sleutelbeen, die hier en nu, vandaag, alles beslissen zal. Ze mag vrij gaan, dat Vrouwtje met de Pop en ik geef toe, ze draagt, precies gelijk mijn kat een netelig gewaad, te zwaar zelfs voor het zwijn dat in een hoek te snurken ligt.       deel 9 van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
2 0

Zijn stoel mag in het stopcontact

  De leeuw zit achterin. Ginds tussen zebra, raaf en de fazant. Er is vandaag voldoende popcorn, bier van het merk Lazarus, zodat er niemand wordt gedood en bovendien heeft hij nimmer beweerd dat hij, zomaar zonder honger, ooit een wezen heeft gekeeld. Dat kan van hem niet gezegd worden. Van Vadertje Kadavertje en daarvoor zijn wij hier. Terwijl het stil is. Enkel buiten. Daar zit geen takje nog te wachten op een somber vogeltje want hier in deze tent is het te doen. De vraag van één miljoen. Firwat. Kan iemand twee knikker halen van het meest heldere glas want hij mankeert een oog of twee, dat manusje. Verbind de kabels maar. Zijn stoel mag in het stopcontact, zijn blik verdient een snoer dat hem die beelden nog eens brengt. De projectie op het grote scherm is niet voor nu. De roodste duivel drinkt zijn Jupiler, een blikje dat hij zelf heeft meegebracht van uit een zwartgeblakerd pompstation en wij de rest verkiezen Lazarus. Bij god. Wij zuipen ons vandaag eens lekker plat terwijl wij hem reanimeren. Ja. Het is zo jammer, zegt de gier dat hem geen vlees meer aan de ribben hangt. Zelfbedachte rampspoed zit hem wel nog steeds tussen de oren, maar van eetbare materie is nu wel geen sprake meer. Doch. Hij kan nog spreken. Dat ben ik zelf dusdanig zeker want ik hoor het elke nacht. Juist. Het is Meneer de Uil die het bevestigt. Hij weet alles wat de duisternis nooit meer verhullen kan. Zijn er tv-worstjes. Dat vraagt de Hottentot. Gij zot, roept er een varken met te luide snuit. Wij zijn hier niet gekomen voor een fraai diner. Klank en beeld ze moeten komen van die hufter daar, die handelaar in leed, in droefenis en als ik mij van jaartal niet vergis, dan is het stilaan tijd, zodat er straks niet van verjaring zal gesproken worden. Niet dom, Meneer het Zwijn, zo fluit de fuut die altijd op de vijver dreef. Achter ons huis, daar was dat paradijs met onderstroom en vaak die rare ondergang van wegkijkende zon.       deel 8 van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt

Bernd Vanderbilt
3 0