Zoeken

Gekooid

Gevangen in mijn eigen gedachten, slenter ik door het lege labyrint van mijn leven. Eenzaam dool ik door doodse gangen en lege kamers die stilte echoën. De hoge muren die ik zelf heb gebouwd, vormen het fundament van mijn zijn.Door het sleutelgat van een voor mij nieuwe en onbekende deur sprankelt een streepje hoop, als de zon die haar stralen door het kleine gaatje perst. Mijn hand rust behoedzaam op de deurknop en laat mijn vingers flirten met het idee van een nieuwe opportuniteit. Een nieuwe kans om mezelf te laten zien, om gezien te worden voor wie ik echt ben. De mogelijkheid biedt zich aan als een zachte bries die me door de kier tegemoet komt. Twijfel loopt langs mijn ruggengraat omhoog en ik hou mijn voet achter de deur zodat de wind ze onmogelijk volledig kan openzwaaien. Nieuwsgierig laat ik mijn blik door de kamer, die in schril contrast staat met de grijze en sombere gangen waar ik in heb rondgedoold, glijden. Ze is gevuld met kleur, gelach, plezier, vriendschap met een gouden randje. Alles waar ik al die tijd zo hevig naar heb verlangd, het gevoel ergens bij te horen. Gehuld in overschaduwd zelfvertrouwen stap ik het uitnodigende onbekende in. De onwetende spotlight keert zich in mijn richting en ik heb maar één doel, één kans om de echte ik te laten zien. Overmand door een angst die zich als donderslag bij heldere hemel aandient, verstijf ik. De schijnwerper dooft zachtjes uit. Ik moet nu mijn kans grijpen vooraleer de aandacht verslapt en haal het vrolijkste masker uit mijn koffer tevoorschijn. Gejoel en luid applaus worden mijn richting uitgestuurd. Goedlachs maak ik een diepe buiging, terwijl stille tranen mijn ogen vullen. Enigszins opgelucht schuif ik mee aan de feesttafel. De eerste indruk ik gemaakt. Starende blikken prikken als kleine kopspeldjes in mijn huid, mogelijke oordelen branden op vreemde lippen. Onzekerheid werpt de hoogste kaart en vult mijn mond met een onophoudelijke woordenvloed gevolgd door een misselijkmakende, valse bulderlach. Een schaamrode paraplu opent zich, woede raast door mijn hoofd als de bui aan ongeloof zich over mij heen stort. Wat heb ik in godsnaam allemaal uitgekraamd? De woorden waarmee ik zopas de kamer heb gevuld hebben geen betekenis, geen waarde. Ze vormen niet meer dan gebakken, zoete lucht. Met een in steen gehouwen glimlach neem ik weemoedig afscheid. Een vertrek dat gepaard gaat met de aankondiging van mijn terugkomst, die met weinig enthousiasme wordt onthaald. Teleurgesteld in het zelfvertrouwen dat me in de steek heeft gelaten, werp ik nog een laatste blik op de warme sfeer die als een roze wolk in de kamer drijft en verdwijn geruisloos in de somberheid van mijn labyrint. Een doolhof waarin de weg naar zelfzekerheid en moed steeds moeilijker te vinden is.Zelfbewustzijn grijpt me bij de keel en slaat mijn hoofd hard tegen de pas gesloten deur. Het schreeuwt en brult, een woede die diep vanbinnen brandt. Opnieuw een kans verpest. Het geroezemoes aan de andere kant van de deur is oorverdovend. Een klaagzang van zelfmedelijden weerklinkt in de gehoorgang. Ik draag het gewicht van een leven vol twijfels en onzekerheden op mijn schouders en voel hoe ik er langzaamaan onder bezwijk. Mijn zelfvertrouwen barst en valt kapot. Buiten adem veeg ik de scherven samen. Met een uiterste precisie tracht ik alle stukjes weer op hun plaats te lijmen, maar mijn trillende handen maken er een zware opdracht van.  Een voorzichtige hand vlijt zich op mijn schouder en geeft er een bemoedigend kneepje in. De warme steun waar hij me mee omringt laat me zweven, alsof mijn lichaam zich vult met helium. We hebben elkaars vertrouwen gewonnen en met een bang hartje laat ik hem toe om mijn strakke jurkje van valse perfectie open te ritsen. Plots kan ik weer ademhalen, mijn longen vullen zich met frisse lucht nadat ze bevrijd zijn uit een veel te spannend korset. Met een met rozenwater doordrenkt wattenschijfje wrijft hij behoedzaam de restanten van de hardnekkige make-up van mijn gezicht en legt zo mijn natuurlijke schoonheid bloot. Liefdevol neemt hij mijn gezicht in zijn handen en drukt zijn lippen op de mijne.  Plots dringt het tot me door. Ik heb geen masker nodig, geen perfectie, want alles is er al. Alles is er altijd al geweest. Een overvloed die zich heeft schuilgehouden in het diepste van mijn zijn. Al die tijd ben ik op zoek geweest naar iets wat altijd al aanwezig was. Ik ben compleet, ik ben heel, ik had gewoon iemand nodig die het zag. Iemand die het geduld in zich droeg om steen per steen mijn muren af te breken en me kon laten zien welke herinneringen mijn hart vullen. Ik ben wie ik wil zijn, ik ben genoeg. Eindelijk word ik gezien. Dat besef bevrijdt me. Als een vogeltje dat veel te lang in zijn gouden kooitje opgesloten zat, sla ik eindelijk mijn vleugels uit en vlieg over de muren van mijn labyrint heen. Ver weg van de overdreven zelfbescherming van gouden tralies en muffe gangen vol angst.

Joni Motmans
5 0

Ford Scorpio

  Kijkt toe. Dit is geen ordinaire volkswagen. Het is een ware Touareg. Speciaal model met wankelmotor voor in twijfeltijden Zeer uniek. Deze machine is speciaal gebouwd voor op die parking naast mijn huis. Het gazon is gekleurd in prachtig British racing green. Bewondert dit. De velgen zijn verzilverd en de pook is van een lekker goud voor extra veel genot. Ik ben een connaisseur in die materie voor de echte man. Is het een kameel met paardenkracht, my lord? Scheurt hij 'wredig' door de bochten, plet hij elke schorpioen? Mijn god, wat glimmen toch die banden, wat zijn ze cool en beestig zwart. Pas maar op, gij kleine man. Ik heb veel zeggenschap, een generaal of tien voor elke vinger van de macht. Kom maar mee. Straks wordt uw ziel gekraakt onder de wielen van mijn Touareg. Er zijn hier knoppen voor de juiste straf en in de koffer ligt het masker voor de beul. Oejoejoei! Ik hoor. U bent wel degelijk een stoer geval, geen kwal die op uw ruitersstoeltje kwijlen zal.  Ik moet nu voort. Mijn voeten zijn doorboord met oude nagels en mijn hemelgeest zoekt frisse lucht. Toch is er hoop, voor U en mij, want de woestijn zal dorstig zijn. Hij slurpt zeer binnenkort de wereld op. Echt. De verlossing is nabij. Heb nog een dag of twee geduld. Dan zijn de oorlogen voorbij. Dan raast die storm niet meer, stopt die razernij. Dan zien die ogen van het zand, voorgoed weer zuiver licht en is ook onze duivel blij, met eindelijk wat rust.       uit de reeks 'Reizen met Ricky'    

Bernd Vanderbilt
0 0

Consultatieadres: Niemendal 9, 1307 Twijfelgem

  Dokter Schilferziel, met die spinnenwebben in je operatiekamer. Dokter Schilferziel, met je schilmachine, wreed geduld, schone collectie van weke schimmels. Dokter Schilferziel, ik heb nu al die afspraken gemaakt. Met het lijden uit een oude tijd, met een oorlogsgeest die mij wil tonen hoe het domme collectief kan culmineren in die waanzin rondom mij. Ik moet ook nog, zo heeft u aanbevolen, spreken tot sterren in de lucht. Ik wil het echt aanhoren waarom zij die vlucht ooit namen, weg van onze opschudding. Het zijn allicht die paddestoelen rond de eilen in het Niemendal. Zij kropen uit de onderwereld langs tentakels zwart als droevig roet. Het stopt intussen niet. Zure regen is een flauw begrip voor het arsenicum dat stoffen kleurt voor lijken die zo moeilijk die zo lastig stierven. Intussen heb ik al geoefend, dokter Schilferziel. Intussen heb ik geprobeerd, die loutering te proeven. Doch, ik kon, ik mocht niet dichter naderen. Mijn badkuip werd een geiser, kokend heet. De zon werd wreed toen ik aan die stralen trok. Hegesias hij bleef maar prevelen, alle doelen te versnijden. Een solipsistische kabouter las mij voor uit sprookjes waarin ik alles rondom mij op een te slimme dag verzonnen had. Later, dokter Schilferziel, dan kom ik nog eens langs. De wortelen die groeien in mijn achtertuin ze hebben, denk ik, psoriasis. De zonnebloemen zijn dit jaar zó neerslachtig dat zij alle schijn van bovenaf beschouwen als verkleurde lust. Ikzelf, dokter Schilferziel, ik voel het. Ik brokkel langzaam af gelijk de bergen doe op donderdag. Ik red me wel. Het moet. Mijn hart is dwaas. Mijn geest plant nog ballonvaarten. Over heuvelruggen. Die beweren. Dat het dak van deze wereld. Alles tegenhoudt.       uit de reeks 'Duim voor Dimitri'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Hotel Transit

Nadat hij voor de zoveelste keer de bons had gekregen – deze keer was hij te impulsief geweest volgens zijn ex-vriendin – besloot Milan met een dokter te gaan praten, want misschien lag het toch aan hem. Hoewel hij wist dat hij eerst een afspraak diende te maken, bij voorkeur gebruik makend van het daartoe voorziene, erg handige online consultatiesysteem, was hij meteen na zijn date richting zijn huisarts vertrokken. Het zou toch niet de eerste keer zijn dat er iemand tussenuit viel. Terwijl hij zijn tranen verbeet, peperde Milan zichzelf in dat dit géén impulsieve beslissing was maar een pure noodzaak, het kon niet langer wachten. ‘Dag dokter.’ ‘Gaat u zitten,’ sprak de dokter eentonig en hij nam een pen ter hand, zette zijn bril, die een opvallend montuur had zowel qua vorm als qua kleur, op zijn rechte neus en richtte zich op een vel papier dat geklemd zat tussen een klembord. Het verbaasde Milan dat een arts anno 2026 nog zo’n attribuut gebruikte, maar het vulde hem ook met respect. Bovendien gaf het hem het gevoel serieus te worden genomen. Iets waar hij al zo lang naar verlangde, iets wat hij in zijn relaties miste.‘Vertel het eens, waar hebt u last van?’ stak de dokter van wal, en hij zette de punt van zijn pen verwachtingsvol in de linkerbovenhoek van zijn A4’tje. ‘Wel, het is niet zo dat ik ergens pijn heb,’ begon Milan, ‘maar het is ook niet zo dat ik nergens geen pijn heb.’ De dokter liet een kuch ontsnappen die hij vakkundig opving in zijn behaarde vuist, en zonder zijn patiënt aan te kijken, ging hij verder.‘Maakt u zich ergens druk om?’ Daar moest Milan even diep over nadenken. Uiteindelijk zei hij iets in de stijl van ‘ik weet het niet’. ‘Hoe voelt u zich op dit moment?’ ‘Redelijk goed, maar…’ ‘U bent hier natuurlijk niet zomaar’, maakte de dokter zijn zin af. ‘Wat is het dat u doet van werk?’ ‘Ik werk voor een bedrijf.’ ‘Juist, ja.’ De dokter kribbelde enkele dingen op zijn papier en onderlijnde zo goed als alles wat hij net had neergeschreven. De laatste woorden werden zelfs dubbel onderlijnd. Helaas kon Milan niet lezen wat er stond. Hij werkte dan wel bij een bedrijf, erg bedrijvig was hij niet. Allerminst in handschriften lezen, laat staan die van dokters en ondersteboven.‘Hoeveel mensen werken er in uw bedrijf?’ ‘O, maar het is niet mijn bedrijf, ziet u. Ik ben maar een werknemer. Ik denk dat er om en bij de vijftig mensen werkzaam moeten zijn.’ ‘Wat is juist uw titel of functie?’ ‘Ik ben recent gepromoveerd tot floor manager.’ De dokter keek voor het eerst op van zijn klembord en keek Milan indringend aan. ‘Floor manager? Bent u van het onderhoudspersoneel?’ Hij toonde een goedbedoelde glimlach, maar noteerde verder, dus Milan besefte dat de dokter een grap maakte.‘Kan u mij eens een gewone werkdag beschrijven?’ Milan vertelde dat hij rond 7u ’s morgens opstond, het nieuws las, een douche nam, een ei bakte, een glas melk dronk en een gezonde smoothie maakte van selder, appel en kiwi voor in de auto. ‘Is er tot dan toe een moment waarop u zich niet goed voelt?’ ‘Nee. Of jawel, wanneer ik het nieuws lees, dat is soms heftig op een lege maag. En ja, in de auto soms ook.’ ‘Ja, we zijn niet gemaakt voor de ochtendspits.’ ‘Nee, dokter, nu ja, u hebt gelijk, maar dat bedoelde ik eigenlijk niet. Kijk, ik rijd met een Tesla, van het bedrijf – anders zou ik nooit een Tesla hebben gekozen – u begrijpt allicht dat de huidige omstandigheden rond dat merk me opzadelen met een schuldgevoel van zodra ik de wagen start.’ De dokter gaf blijk van antwoord met een monotoon geluid, waarvan Milan niet met zekerheid kon zeggen of de man het nu wel of niet begreep.‘En daarna? Wanneer u arriveert op uw werk…?’ gebaarde hij door met zijn pen enkele kleine cirkels in de lucht tussen hen beiden te tekenen. ‘Euh… Dan ga ik naar binnen door de glazen deur, neem ik de lift naar de achtste verdieping en ga achter mijn bureau zitten.’ ‘Ja?’ ‘Ja.’ ‘En wat doet u daar dan?’ ‘Dan doe ik mijn werk. Of wat wil u zeggen?’ ‘Kan u me zeggen wat dat is?’ zei de dokter, terwijl hij zichzelf een kop thee inschonk. Milan wilde iets antwoorden, maar vond plots geen woorden. Hij aarzelde en zei ten slotte dat het nogal complex was om zo even de inhoud van zijn job te omschrijven, vooral aan iemand zonder ervaring met dit soort werk. Maar wat hij zeker wist, is dat er veel mensen baat bij hadden. ‘Probeert u toch maar.’ Milan deed verwoede pogingen om exact te beschrijven wat hij daar een hele dag deed maar had niet het gevoel dat hij daarin slaagde. Hij viel over zijn eigen tong, verhaspelde woorden die hij niet kon vertalen, twijfelde over de betekenis van sommige woorden, sleurde er termen bij die hij eigenlijk zelf nooit helemaal heeft gevat. ‘Goed. En dan is het lunchtijd? Hoe verloopt dat?’ ‘Meestal ga ik naar beneden, naar de eetzaal, maar het gebeurt ook dat ik buiten iets ga eten. Soms praat ik met collega’s, soms scroll ik wat op mijn telefoon…’ ‘Waarover wordt er gesproken?’ ‘Gewoon, over de staat van de wereld, of over onze job.’ Opnieuw onderstreept hij iets.‘Bon. Ik ga u enkele korte vragen stellen en u moet even bondig antwoorden, zonder te veel na te denken. Zal dat lukken denkt u?’ Milan knikte. ‘Daar gaan we. Vraag één: voelt u zich soms heel klein, zo klein dat u nergens deel van uitmaakt?’ Milan knikte opnieuw. ‘Is uw leven nodeloos ingewikkeld? Zou u alles willen geven om het eenvoudiger te maken?’ Milan knikte hevig. ‘Ja, dit is helemaal mijn wens!’ ‘Vindt u het allemaal te groots? Vraagt u zich soms af waar het kleine geluk is gebleven?’ ‘Ja!’ ‘Hecht u veel belang aan de natuurlijke gang der zaken?’ Omdat Milan niet meteen met een antwoord kwam, keek zijn interviewer hem aan door zijn opvallend roze bril, waarvan het montuur onderaan een dikke rand had en bovenaan geen rand, waardoor het leek alsof de drager enorme wallen had. Het was ook daardoor dat Milan zich niet op de vraag kon concentreren, hij stelde zich vragen bij dit brilontwerp.‘Als u daarmee bedoelt dat ik de oude waarden respecteer, moet ik daar volmondig ja op antwoorden.’ ‘Hebt u op dit moment een relatie?’ ‘Nee, en dat is eigenlijk ook waarom ik hier ben.’ ‘Hoe is de relatie geëindigd? Wat was de reden?’ ‘Zij heeft er een punt achter gezet omdat ik een grens was overgegaan.’ ‘En geeft u haar gelijk?’ ‘Wel, ik wist zelfs niet dat daar een grens lag! Ze zei iets van dat ik te impulsief was.’ ‘Interessant.’ Opnieuw noteerde hij enkele dingen. ‘En hebt u spijt?’ ‘Ja, ook al vind ik niet echt dat ik schuld tref, kan ik een groot schuldgevoel niet van me afschudden. En dat gaat niet enkel over deze relatie, dokter. Ik heb het gevoel dat ik mijn verleden constant meedraag. Alsof ik er niet vanaf geraak. Begrijpt u? Aan de andere kant kan het me ook allemaal niet zoveel schelen.’ ‘U bedoelt dat u de andere de schuld geeft?’ ‘Nee, ik bedoel dat ik niets voel. Helemaal niets. En die combinatie, dat schuldgevoel en die totale leegte, dat vond ik niet gezond. Daarom dacht ik dat ik eens met een dokter moest spreken.’ ‘En helpt het?’ ‘Ja, het doet deugd om er eindelijk met iemand over te spreken. Kan ik misschien een wekelijkse sessie krijgen, althans voorlopig?’ ‘Dat zal niet nodig zijn,’ sprak de dokter gedecideerd, en hij trok een horizontale lijn onderaan het papier en legde het klembord voor zich op tafel. ‘U lijdt duidelijk een acute vorm van Europeïsme.’‘Europeïsme? Wat is dat?’‘Tja, dat weten we niet.’ ‘En nu? Wat moet ik ertegen doen?’ ‘Er valt weinig tegen te doen, vrees ik.’ ‘Kan ik dan helemaal niets doen?’ ‘Het hangt af van hoeveel u nu al doet’ zei de dokter met de stem der gewoonte.‘U kan, om maar iets te noemen, het nuttigen van een maaltijd bijvoorbeeld gaan bekijken als iets volstrekt functioneels, in plaats van iets dat genietbaar moet zijn. Maar het is bijzonder moeilijk om die switch te maken. Hoe zit het met uw alcoholinname?’ ‘Euh, ik drink graag een glaasje, maar geen excessieve hoeveelheden.’ ‘Mijn advies is dat u uw inname verhoogt tot dagelijks enkele glazen, ofwel volledig stopt met alcohol drinken.’ ‘Ik drink eigenlijk vooral als er andere mensen bij zijn.’ ‘Probeer eten los te koppelen van sociale interactie. Eet en drink zoveel mogelijk alleen. Koop grote merken, of ga naar de markt. Koopt u uw fruit en groenten volgens het seizoen?’ ‘Nee, maar ik weet dat het beter is voor het milieu.’ ‘Ja, maar niet voor uw mentaal welzijn! Stop ook met koffie drinken. Schakel over op thee, of alcohol natuurlijk. Schrap brood van het menu en eet uitsluitend rijst. Het is ook aangeraden om vroeg op te staan, tussen vijf en zes uur. Doe aan yoga of neem tijd voor een uitgebreid, liefst warm, ontbijt, met de belangrijke toevoeging dat u niet geniet van het eten, maar het als een natuurlijk proces beschouwt.’ ‘Oké, dank u dokter. En wat met het werk? Is het eigenlijk besmettelijk?’ ‘Besmettelijk?’ spuugde de dokter, waarbij Milan hoopte dat de dokter zelf niet met een besmettelijke ziekte rondliep.‘Het is een ware pandemie! Iedereen van uw leeftijdscategorie die hier binnenwandelt zonder duidelijke fysieke klachten schrijf ik hetzelfde voor.’Hij scheurde een briefje van een notitieblok, krabbelde er iets op en schoof het over de tafel in de richting van Milan. Zoals het een dokter betaamt, was het totaal onleesbaar. ‘Excuseer, dokter, maar wat staat er?’ ‘Drie weken Blankenberge, in Hotel Transit,’ sprak het heerschap, en Milan bemerkte een lichte trots in die woorden, alsof hij hiermee eer opstreek. Milan draaide het briefje om, al wist hij wel dat er niets op de achterkant stond. De dokter ging verder: ‘Boek een kamer in dit hotel, volpension, geen zicht op zee, dat is belangrijk. Maar als u dit briefje aan de receptie toont, weten ze genoeg.’ Ja maar, wat moet ik daar dan doen?’ ‘Zo weinig mogelijk. Lees geen boeken, bezoek geen musea en praat met zo weinig mogelijk mensen. Zeg enkel het strikt noodzakelijke. U hoeft niets te vinden of te kiezen, niets te voelen of te begrijpen. Als u toch enige gedachten of gevoelens zou ontwikkelen, meldt u zich meteen aan de balie.’ Milan keek de dokter vertwijfeld aan en keek dan nog eens naar het briefje in zijn hand.‘En dit zal me helpen?’ ‘Nee. Maar dat is niet het punt. De meeste patiënten knappen zichtbaar op. Niet omdat ze zich beter voelen, maar omdat ze ophouden met zich vragen te stellen of het beter kan. Wanneer u terug bent, evalueren we de situatie en kijken we na of u vatbaar bent voor betekenis.’ ‘En als dat zo is?’ ‘Kijk, zulke vragen zal u hopelijk niet meer stellen. Dan verlengen we de kuur.’De dokter nam zijn klembord weer op.‘De volgende!’

Lennart Vanstaen
0 0

Dit!

Dit huis liet hij voor me neerpoten. Na acht maanden stond het er. Van bouwplan naar realisatie. Echt, dit! Je vraagt je af of hij rijk is? Hij deed het uit liefde! Bepaalde hij de vorm, de ligging? Ik bezat geen grond. En ik, ontvang dit met open handen? Met een open hart! Vanavond krijg ik de sleutel. Het huis krijgt een naam, ik mag erover fantaseren. Hij wil geen naam bedenken. Luister, zeg ik tegen mijn dode moeder, hij weet er echt veel vanaf. Je moet je geen zorgen maken. Ze kent me, en weet dat mijn vingers nooit groen zullen zijn. Ik draag de nagels en de lak. De hakken van mijn schoenen zullen als naalden in de ons omringende natuur, ze maakt zich postuum zorgen. We kijken naar de foto, zitten zij aan zij in onze roze sofa. Poes snurkt. Hij streelt mijn blote been. Deze foto, en nog één met een hoekig tiny huis. Maar hij heeft je ooit geslagen! En nu dit? Mijn moeder haalt met haar assige lijf de oude koei van stal, ze laat ze loeien tot ik ontplof. Ik heb teruggemept, dat weet je toch nog? Ik roep het in haar linkeroor: ik heb hem toen dat blauwe oog! Ze trekt haar hoofd weg, drukt een handpalm tegen het geschrokken schelpje. Links. Prachtige oortjes heb je, ik hoor er de zee in. Dat zei hij op onze eerste date. Ik kuste hem, nam hem bij de hand, zocht het hoge gras, liet me vallen, hij viel naast me neer. Dit huis! Tiny krijgt een woning. Dit nest wil ik voor je neerpoten, dat beweerde hij al na een maand. Hij trok uit de achterzak van zijn jeans een verfrommeld papier. Deze foto liet me dromen. Dromen mag, zei hij. In een berichtje schrijft hij: kom je gauw naar de narcissen kijken? De naam 'narcis' vind ik zeker een optie. Jij?  Geen reactie.          

Ingrid Strobbe
2 1

De blaat-het-schaap-route

De vennen, de bomen, de bewegwijzering, dat alles ligt en staat in Oisterwijk. Geef toe, je denkt toch meteen aan oesters, een wijk vol oesters die in open monden verdwijnen. Met een  coupe champagne staat dat erg chique. Oisterwijk in Nederland dus, het is niet zo heel ver rijden.  We zijn met z'n drieën. Een vierde dame ligt in bed met migraine. Ik parkeer de auto aan Wout waar we allen plassen. Niet samen zoals van vrouwen wordt beweerd, maar iedereen apart. Niet samen bij de spiegel om de lippen te stiften, huidkleurig is oké vandaag. Tegen de dienster zeggen we 'tot straks' en wuiven erbij. De route telt 15km, dat is voor onze getrainde benen haalbaar. De gele cirkel aan de hemel warmt de aarde op, mijn bril met uv-bescherming komt van pas. Onmiddellijk valt de charmante omgeving op; rijhuisjes baden in decoratie en de straatstenen lijken vers gebakken. Het ruikt naar anjers in de bocht die we nemen. Besef nr.1: het plannetje vertoont enkele verrassingen. De cijfers links komen niet overeen met die aan de rechterzijde. Ik moet even herbekijken en draai het plan een keer op z'n kop, Martine neemt het over en concludeert in sneltempo, zij ziet dat al wat links staat horeca is, ik ben traag en moe. De route biedt ons een groene kijk op de wereld zodra we het dorp verlaten. Groen het gras met daarin een smalle beek. Een afgetopte boom zonder vogels, voorlopig horen we geen liedjes uit snavels ontsnappen. Het eerste ven duikt op, we lopen er langs. Ilse in een jeans, Martine en ik dragen een wandelbroek. Ik ben de enige met wandelschoenen van een merk dat wandelschoenen maakt, en toch word ik niet gezien als wandelaar. Ik ben het schaap. Dat zie je aan de vest die ik draag, een reden om mij vaak te knuffelen. Ze vinden dat belangrijk. Is dit een bijzondere dag? Het is een zondag zonder regen, het is een dag om natuurgebieden op te zoeken. Heel veel mensen doen het. Het is ook complimentendag. Het is een dag om te praten over mannen, kleinkinderen, borsten, baarmoeders, ex-en, en nummers. Er klopt iets niet na nummer 38. Na een koffiestop zoeken we nummer 62. Ergens te vinden? Nergens te vinden. Met drie bekijken we het plannetje, dan de omgeving, het plannetje, de wijdere omgeving waar we op de paaltjes enkel pijltjes zien, geen nummers.  Ik herinner me vaag dat ik jaren geleden, die richting uitging, dat kan toch niet kloppen, de herinnering wordt vager zodra ik ze uitspreek, het is echt jaren geleden, die richting is niet voor wandelaars. Hoopvol kijk ik in het rond. Martine neemt de leiding. Gelukkig neemt zij het van me over, ze vraagt het aan een man die bij zijn auto, hij bekijkt het plannetje. Hij kijkt achterom, bedenkt drie zadels die onder onze zitvlakken, hij zegt dat we via het fietspad, we doen wat hij ons vertelt. Zonder wanhoop geraken we verder. Nummer 42 straalt in het zonlicht. Is dat een paard? Ik kijk naar Ilse, dan in de verte, ik zie de rug van het dier, een ruiter ernaast. Kop richting grond, ze nam ons niet te grazen. Verderop lag het Diaconieven, een ven met een wel erg interessante naam. Martine wilde absoluut weten, het googlen begon, het ven was groter dan het Brandven, kleiner dan het Kolkven. We leerden dat het kloosterzusters betrof, we misten nummer 44 wegens onze blik op het scherm. Voor mijn part was het landgoed Lot met de Rosep het meest bijzondere gebied waar we doorheen wandelden; een privé-natuurgebied dat opengesteld voor iedereen nu voor een vijtiental minuten van ons was. Er lag een bruggetje over de Rosep, ik nam er een foto. Een elfde foto die in 2027 zal wissen. In dat jaar zal ik de beek onbelangrijk achten.  

Ingrid Strobbe
0 0

Stoten uit een blinde hoek

Ik zet me op de stoel aan de tafel in de bar waar een jaar geleden een oudere dame zat die gretig probeerde te achterhalen waar ik nu ‘echt vandaan kwam’. Het is zeker niet de eerste keer dat ik een ‘aanvaring’ heb met mensen die geïnteresseerd zijn in mijn raadselachtige etniciteit. Dat betekent niet dat ik daarom goed voorbereid ben op het type ijsbreker dat start met een “Excuseer, maar –” en niet met een “Hallo, ik heet [XXXX], wie ben jij?”. Een ongepaste vraag, die ik probeer zachtjes weg te lachen bij gebrek aan een beter antwoord. Nu ik hier, een jaar later, haar plaats bezet, heb ik nog altijd geen correct antwoord op haar vraag. Blijkbaar zou dit wel bestaan – assertief, geestig, een tikkeltje brutaal zelfs – als ik mijn witte vrienden en familie moet geloven. “Je had haar een lesje kunnen leren! Je had haar neer kunnen zetten en kunnen uitleggen waarom dergelijke vragen kwetsend en frustrerend zijn!” Een ietwat begrijpelijke reactie van mensen die nooit verder dan de schaduw van de kerktoren hoefden te reizen om al hun familie te zien. Om andere mensen met hun eigen tinten en vormen te zien. Daar zijn ze onder gelijken. Zo gelijk zelfs, dat ze misschien wel verlangen naar iets dat hen net een tikkeltje unieker zou maken. Maar dat nog altijd sociaal aanvaard is, uiteraard. “Waarom zeg je niet gewoon wat je origines zijn? Dat is toch niets om beschaamd over te zijn?” Alsof schaamte het gevoel is dat ik ervaar als ik me gevangen voel in hun wit koplicht. Het zijn goedbedoelde vragen, goedbedoelde opmerkingen, stoten uit een blinde hoek. Ik deelde dit voorval, samen met vergelijkbare voorvallen uit het verleden, met mensen die ook deze vragen krijgen, al dan niet vaker dan ik. Ook hier pik ik een patroon op. De ene persoon reageert met een lach en een grap op mijn eerste anekdotes, de andere met wat argwaan in de ogen. Maar na een openhartig gesprek vinden we herkenning en erkenning in elkaars levenservaring. Er volgt geen simpel advies, geen geestige ‘comebacks’, geen gemakkelijke oplossingen.

Eden Oscar
0 0

Ter nagedachtenis van die zomer (slotpagina)

  Het blijft wel zo, zegt de Inspecteur, weinig verandert. Spionage, het plannen van terreur, het is nog altijd strafbaar. Ook al is het slechts een ware hersenschim die van vernieling droomt. Ignace is nochtans morsdood, door mij vermoord. En toch, Meneer de Inspecteur, Ignace hij was niet meer dan een stripfiguur die nooit getekend werd. De muren zuchten en intussen heerst die valse vrijheid, leeft de laatste zomer. Vooralsnog. We zullen proeven van de tijd, Russische vodka proeven. De opwarming van onze Noordzee. Ik voel dat helemaal tot hier. Een frisse duik zit er niet in, het blijft bij drijven door de waarheid, door die eeuwige dwaasheid, door de hoop die Vlaemsche biggen altijd hebben op een beter leven Echt, Meneer de Inspecteur, niets is gelogen. Het is slechts op wat er gebeuren moet. Rampspoed of de komst van Layla, de glimlach van een herfst of Lorelei. En ik voel het in die zijarmen, aan de kreten van de Schelde. Alles moet, ergens uitmonden, eindigen.     Beste schrift, ik heb echt niet alles verbrand. Kafka is dat ook niet echt gelukt. Wat rest van wat ooit was, mijn vriend Ignace, zijn angsten en complotten, Sint-Amandus en zijn geest. Ik was erbij. Bijna. Ik ben daar geweest. Ik las een ziel die voor de wrede wereld zweeg, maar niet voor mij.     So long, Ignace, duizend tonnen bommen wachten onderweg. Ik wens je een behouden vaart. De Styx, de Noordzee en de Volga. Ze wachten op jou. Ze houden van jouw plot en voelen. Hoe na een korte dood. Jouw ziel. Altijd herleeft.   _____ In addenda, ter nagedachtenis aan Ignace Somers zijn betere haiku's. Verder nog, aan alleman die lezen kan:  Adieu, ik moet weer naar mijn cel, mijn isolement. De vrijheid weet het: Zelfs tussen een muur of vier kom ik er wel!       uit de reeks 'Ignace Somers'  

Bernd Vanderbilt
2 0