Zoeken

Pensioenleeftijd

Ik las in de krant een interview met de voorzitter van een politieke vereniging die zich anders wil opstellen. Hij stelde zelf een vraag. ‘Waarom bestaat er een pensioenleeftijd? Dat moeten ze me toch eens uitleggen.’ Ik begrijp wat hij bedoelt en ik zou daar samen met u een boom over kunnen opzetten, maar het nadeel van het opzetten van een boom is dat het nogal snel op ‘zagen’ uitdraait. Dat wil ik u niet aandoen beste lezer. Ook de boom niet. Ik heb, net zoals u, nogal wat gepensioneerden gekend in mijn leven. Mijn vader ging al op jonge leeftijd met brugpensioen en dat was nergens goed voor. Dan zou ik op mijn leeftijd nu ook al thuiszitten. Daar zie ik het nut niet van in. En iedereen werkt tegenwoordig toch zolang als hij of zij wil. Afijn, tot daar deze boom over het pensioen. Maar ik wil daar nog iets anders over kwijt. Daarvoor heb ik uw eerlijke mening nodig. De vraag is eenvoudig. Schat u me ouder in? Ik vraag het omdat ik – weeral eens – iemand tegenkwam die dacht dat ik al met pensioen was. Ik passeerde een oud-collega en het weerzien was hartelijk. “Ik ben blij je nog eens te zien”, zei ze. “Zo gepensioneerden onder elkaar.” Ik heb haar toch moeten overtuigen van het feit dat ik nog niet aan mijn pensioenleeftijd zit. Ze keek me ongelovig aan. Maar het moet dus iets te maken hebben met het feit dat mensen me ouder inschatten. De vorige keer dat het gebeurde is zelfs al enkele jaren geleden. Misschien ben ik oud geboren? Een oude ziel heb ik altijd gehad. Misschien uit zich die oude ziel nu ook aan de buitenzijde. Wie zal het zeggen? Misschien de voorzitter van de politieke vereniging die zich anders wil opstellen.

Rudi Lavreysen
0 0

Haakjesdagen

Of het nu ochtend, middag, avond of nacht is, met hangende pootjes, van een koude kermis of een gezellig feest ... Ik hou van thuiskomen. Ik doe het nooit langs de voordeur. Die is immers voor officiële bezoekers, desnoods voor pizza- en pakjesbezorgers. Thuiskomen doe ik langs de zijdeur. Huppelend de trapjes op, sleutel in het sleutelgat, drie draaitjes en hupsakee.  In het donker doe ik alles op de tast. Achter mij de deur weer sluiten en pas daarna gaat het licht aan. Wie thuiskomt in het donker en vermoedt dat alle andere gezinsleden er al zijn, sluit de deur en hangt de sleutel aan het haakje aan de muur. Dat is een huisregel. Niet dat officieuze bezoekers 's avonds niet meer welkom zijn, maar regels zijn regels. Ze zijn de sleutel tot succes. Daar valt niet over te discussiëren. Het zijn gewoontes die uitgegroeid zijn tot wetten, eens ze hun nut bewezen hebben.  Gewoonten zijn nog losjes, zoals het woord zelf. Daarom heeft het woord ook twee meervoudsvormen. Gewoontes en gewoonten. Ze zijn gewoon, je wordt ze gewoon. Een gewoonte impliceert vrijheid. Kies maar. Wat je ook doet, het is nooit fout. Mensen die je kennen zullen bij afwijkingen hooguit de wenkbrauwen even fronsen en denken: dat is niet van zijn gewoonte. Op zich nog geen reden tot paniek. Huisregels daarentegen zijn wetten. Hard en onwrikbaar. Die overtreed je niet. Die leef je na. 'Hou je haaks,' zeg ik telkens tegen de sleutel, nadat ik hem gezwind aan het haakje heb gehangen. Hij lijkt er altijd mee te schuddebuiken, wiebelend van links naar rechts. Pas als hij uitgedanst is, loop ik door. Als het licht is, gaat het er veel losser aan toe. In de zomer staat de zijdeur bij wijze van spreken altijd open. Ze is de actiefste deur van heel het huis. Ze is binnen en buiten. De sociale deur, die in principe altijd en voor iedereen openstaat. De deur waarlangs je welkom bent. Het toegangspoortje tot ons knusse huis, onze veilige thuis en tegelijkertijd de grote poort naar de buitenwereld.  En toch ... Toch zijn er van die dagen ... Kerstdag is al een paar keer zo'n dag geweest. Soms gebeurt het maar één keer op een jaar en meestal besef je pas 's avonds dat het zo was, met een glimlach. Een dag waarop de sleutel niet van het haakje komt. Een haakjesdag, een dag waarop niemand van het gezin nood had aan de buitenwereld. Alleen aan elkaar. Een gezinsonderonsje. Ongeveer het tegenovergestelde van een gezinsuitstap. Een dag waarop je beseft dat je gezin je alles is. Een dag die voorbereid is en tegelijkertijd verrassend verloopt. Een genietdag die letterlijk en figuurlijk alles in huis heeft om gezellig te zijn, ook al omdat je de dagen ervoor alles in huis hebt gehaald qua mondvoorraad.  Waar ik nu ineens aan moet denken ... Als je een vogeltje als huisdier hebt, opgesloten in een kooitje, weet je nooit of het vogeltje echt van je houdt. Open je het deurtje, en blijft het toch altijd bij je in de buurt, dan weet je 't zeker.  Een haakjesdag is een dag waarop we opgesloten zitten, zonder het te beseffen. Cocoonend, zoals dat heet, zo met elkaar verweven dat we ons ontpoppen als vrolijk fladderende vlinders. Smullend van elkaars gezelschap en eventueel af en toe van een hapje uit de oven. Huismusserij en toch vrij. Niet dat we dan constant aan het haardvuur zeemzoete liedjes zitten te zingen uit The Sound of Music, samen wafels bakken of ganzenbord spelen. Zo romantisch is het nu ook weer niet. En dat afgeslotene van de buitenwereld neem je best ook met een flinke korrel zout, want via het internet haal je heel de wereld naar binnen, ook als het buiten naar is. Maar we amuseren ons, ongedwongen. En niemand haakt af. Zelfs de sleutel geniet in stilte mee.  Tussen haakjes, ze zijn zeldzaam, haakjesdagen. Echt veel te zeldzaam.             

Danny Vandenberk
0 0

Zevenduizend vierhonderd en vijfentwintig kilometer weg van mij

De verstoorde azure waterrimpels, vervormd door de bonte boot, lijken weer hun natuurlijk ritme te vinden. Een groene lijn oerwoud snijdt de rivier af van de bewolkte lucht. Het zonlicht doet de huid en haren van de somber gestemde mensen stralen. Zelfs in het paradijs kent men afscheid. Drie mensen buigen zich over de rand van de boot. De oranje man verlost de inhoud van een doorzichtig, plastic tasje in het water onder hun. Op eenzelfde manier dat de lucht bevlekt is met witte wolken, krijgt de azure rivier asgrauwe vlekken. Rode bloemen vervoegen de aswolken, zachtjes bedeeld door een wit-blauwe jongedame. Het water ontfermt zich vanaf nu over de stoffelijke resten van mijn nani. Mijn ogen staren naar het tafereel voor mij, bevroren in de momentopname dat aan mij bezorgd was via het technologisch communicatiewonder van de 21e eeuw dat wij WhatsApp gedoopt hebben. Deze beelden, van as dat zich vermengt met water, zijn de laatste beelden die ik van mijn nani zal hebben. Ze zijn gekaderd door een ander, met een nauwkeurig oog voor wat op dat moment het belangrijkste was, en de nagelatenen in hun recht, verdriet en liefde laat. Ik vertrouw het oordeel van het oog. Ik veracht het beperkend, rechthoekig kader van mijn smartphone. Ik staar wat te lang naar de platte prent voor mij – mijn gedachten dwalend naar de azure rivier zevenduizend vierhonderd en vijfentwintig kilometer weg van mij – en het scherm verandert van een gedimde foto naar een reflectie van mezelf. De rode, droge, jeukende ogen die me aanstaren vanuit de weerspiegeling irriteren me mateloos. Mijn vinger swipet een paar keer over het ontgrendelingsscherm, en dan nog eens over de foto in het fotoalbum. Ik staar naar dezelfde oranje man, omringd door twee wit-blauwe vrouwen. Alledrie werpen ze een glimlach richting de fotograaf. Mijn ogen jeuken nog intenser, en een diep knagend besef kruipt dichter en dichter bij mijn hart. Geen enkele vorm van langeafstandscommunicatie – foto, tekst of video – kan de emotionele catharsis van afscheid schenken. Niet op eenzelfde wijze dat de nabijheid van een persoon die in hetzelfde schuitje als jij zit je kan schenken.

Eden Oscar
0 0

Brievenpost van Dinges | Aan dhr. Ruben Van Gucht

Geachte heer Van GuchtBeste Ruben Ik botste vorige week toevallig op uw nieuwe vriendin. Afijn, niet letterlijk, want het was een foto in de krant en u stond er zelf ook bij. Maar wat blijkt nu? In het meest recente bericht over u in de online dagbladpers – het vergt een dagelijkse opvolging – blijkt dat u op vakantie bent met een vorige vriendin. Begrijpen wie begrijpen kan. Een week daarvoor las ik nog een artikel dat betrekking had op uw persoon en uw vroegere vriendinnen. Het ging over het aantal bedpartners dat u op uw conto mag schrijven. Eerst waren het er 68, maar u verbeterde het zelf naar 69. Kijk, iedereen doet wat hij wil Ruben, laat daar geen misverstand over verstaan, maar als dit niet om te stoefen is, dan ben ik Harry Potter. Al zal u zich daar ook mee vereenzelvigen, met het toverstokske dat u denkt te hebben. Om te zorgen dat de rekening klopt, dat u niemand vergeet bij het tellen van uw bedpartners, duidt u het aan bij de desbetreffende persoon op uw telefoon. Wat een werk. Het lijkt me een soort van dubbele boekhouding te zijn. Ik vind het persoonlijk een rare sport, om dat allemaal bij te houden. Alhoewel, Marcel van de Boks houdt in de Kiezel ook bij wat de anderen drinken als we ‘pot’ leggen. Als er dan iemand zware bieren drinkt, weet hij dat en dan eist hij op het einde van de avond een stuk van de pot terug. Het is echt een gierige pin. Een gloeiige koe, zou ons vader vroeger hebben gezegd. Nog een trend waarbij u aan het stuur zit, net als bij heel wat andere BV's, is het kwijtraken van het rijbewijs. Wat is dat toch? Uzelf, Matthias S., Tom W., Adriaan VdH. en Tanja D. om er maar een paar te noemen. Het is ondertussen een lange lijst. Zelfs realityster Fabrizio Tzinaridis staat op het lijstje. Pas op, ik weet niet wie dat is (en ik weet ook niet wat een realityster is), maar hij was dus ook zijn rijbewijs kwijt.  Er zijn nog van die dinges. Zoals het live-gesprek met uzelf waarbij op de achtergrond plots een stel vrouwenbenen in beeld verscheen. Ook hebt u een tijdje geleden ruzie gehad met Jacques Vermeire, dat zelfs tot een rechtszaak leidde. Het houdt gewoon niet op.  Mijn geheel gratis advies? Zorg dat u terug een gewone BV wordt. Of nog beter: een BB. Een brave burger. Misschien kan ik het als volgt samenvatten. Blijf bij de sport. Blijf bij het wielrennen of bij het veldrijden. Maar rij u niet keer op keer vast. Ondertussen verblijf ik Met de meeste hoogachting   Désiré Dinges

Désiré Dinges
11 1

En jij? Tussen 2026 en Allerheiligen?

De januarilucht is nog zoet van goede voornemens. Alsof de wereld nog even collectief haar zuchten inhoudt en nog champagne-zoete beloftes uitademt. Ik zie ze, voel ze bijna, die vluchtige verlangens naar heruitvinding. Papieren vliegtuigjes met zoetgevooisde woorden, intenties en blijdschap –  de met zorg geschreven nieuwjaarsbrieven. Helaas tonen de statistieken een andere werkelijkheid. Tegen de tijd dat de kerstboom aan de straatkant staat, keert het oude vertrouwde stilletjes terug. In de schemer van een woonkamer gloeit een sigaret weer op, en is het wijnglas alweer gevuld. De nieuwe sportschoenen zijn ondertussen stofvangers onder de bank, terwijl het ritueel van de chips zak en het flikkerende televisielicht zijn troostrijke, onverbiddelijke regelmaat hervat. Het is geen verraad. Het is de zachte, maar meedogenloze terugkeer van de gewoonte. De zwaartekracht van de gewoonte is genadeloos. Men zegt dat eenentwintig dagen nodig zijn. Eenentwintig dagen om het lichaam en de geest een nieuw pad in te prenten. Maar hoe vaak worden voornemens gebakken in de oven van emotionele overvloed, gevoed door schuimwijn en peerpressure? We gooien ze feestelijk in de  lucht als confetti: licht, vrolijk, en gedoemd om neer te dwarrelen. Levensveranderingen zijn geen confetti’s met een moment van vrolijkheid. Het is een langzaam, vaak ongemakkelijk verschuiven van het fundament van je bestaan. Het vraagt niet om bubbels, maar om harde discipline, de sleur van herhaling, het geduld van de lange adem. Daarom schrijf ik mijn brief nu pas. Nu de laatste slingers zijn opgeruimd en de stilte is teruggekeerd. Een stilte die gevuld is met het gestage getik van regen tegen het raam. Dit is het uur van de rauwe helderheid. Geen glitter, geen voornemens, alleen maar het naakte feit van de dag. En juist hier, in deze nuchtere leegte, kan het echte werk beginnen. Het is in deze zelfreflectie dat een andere, diepere vraag opwelt. Niet: wat wil ik veranderen? Maar: waarvoor ben ik dankbaar? Wat heb ik nog steeds lief? Omdat dit de grondtoon is die alle veranderingen mogelijk maakt. Een leven geleefd in overgave is geen leven van passiviteit, maar een leven dat vertrekt vanuit die kern van erkende rijkdom. Het is de liefde voor de gewone dagen, het vertrouwen in de zoektocht, de zuivere intentie om aanwezig te zijn – niet enkel op de feestdagen, maar vooral op druilerige dagen. Daar ligt de echte vernieuwing. Niet in het afweren van wat was, maar in het omhelzen van wat ís, met een hart dat vol zit van dankbaarheid. De enige echte basis voor grote veranderingen in het leven.        

Heidi Schoefs
4 1

De buitenbeller

Tijdens het wandelen kom je wonderbaarlijke mensen tegen. Kijk, daar staat een echte buitenbeller. Op het terras van een taverne met een telefoon aan zijn oor. Het is behoorlijk koud, maar toch heeft hij enkel een trui aan. Tja, als je gebeld wordt, heb je geen tijd om snel een jas aan te trekken. Een echte buitenbeller rept zich meteen naar buiten. Hij neemt binnen zijn telefoon op en zegt tegen de persoon aan de andere kant van de lijn iets in de zin van 'Wacht, ik ga naar buiten'. Eenmaal buitengekomen deelt hij eerst zijn locatie met de persoon die hem gebeld heeft. Het is geen nieuw fenomeen, maar je ziet ze minder vaak, de buitenbellers. Dat heeft met de draadloze oortjes te maken. Dan valt het niet zo op en lijkt het alsof ze tegen zichzelf praten. Een buitenbeller kan ook een buitenroker zijn. Dan profiteren ze van het buitenbellen om meteen te gaan buitenroken. Andersom zal het ook wel eens gebeuren, maar toch beduidend minder.  Ik ken deze buitenbeller. Hij zwaait uitbundig. Misschien zegt hij tegen zijn gesprekspartner dat hij naar mij zwaait, want die kan natuurlijk niet zien dat de buitenbeller aan het zwaaien is. Maar zo duurt het gesprek wat langer en kan hij bij het terug binnenkomen tegen zijn tafelgenoten 'sorry, dat was dinges' zeggen en zo een gesprek over dinges op gang brengen. Het lijkt een tegengesteld gegeven, maar buitenbellen kan een meerwaarde voor het sociale gebeuren zijn. Nu steekt hij zijn duim naar mij omhoog. Dat weiger ik pertinent. Gewoon terugzwaaien is genoeg. Destijds waren er alleen binnenbellers. Je zag pas buitenbellers toen de eerste generatie draagbare telefoons eraan kwamen. Die kon je in het begin alleen thuis gebruiken, op het terras. Soms lijkt het alleen maar zo, dat de tijden veranderen.

Rudi Lavreysen
17 0

Wat ik niet begrijp

'De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.' Dat dacht ik op het vliegtuig toen we van Lissabon terugkwamen. Gerard Walschap komt niet vaak in mijn hoofd spoken, maar deze prachtige zin van hem was hier toch van toepassing. Laat me beginnen met het gegeven dat we op Portela Airport serieus hadden moeten wachten wegens een vertraging. Zitten, zitten, zitten. Zo lang dat je spijt begon te krijgen dat je geen koersbroek droeg. Met een zeemvel om je achterste te beschermen.  De eetwinkeltjes waren bijna uitverkocht en de rij bij de hamburgerzaak was zo lang dat je het einde niet zag. Mobiele telefoons werden aan de laadpalen massaal opgeladen en ik zag zelfs enkele koppeltjes ruzie krijgen.  Maar eindelijk verscheen het verlossende bericht op het bord met het nummer van de gate. Allen daarheen. Op het vliegtuig zat ik gescheiden van mijn familie. Ik zat naast een koppel. Zij hadden nog geen ruzie gehad. Het vliegtuig was nog aan het taxiën toen de vrouw naast me haar rugzak opende. Ze haalde er een grote bak met - denk ik – quinoa uit. Het deksel ging eraf en de geur van het goedje verspreidde zich over de aanpalende rijen. Ik moet hierbij aanvullen dat ik een vorm van misofonie heb. Het geluid van etende mensen of krakende chipszakjes jagen me behoorlijk op de kast. Daarom had ik bij het instappen al oortjes ingedaan. Want op de een of andere manier beginnen mensen altijd te eten als ze net in het vliegtuig of in de trein zitten.  Maar waarom was die grote bak quinoa niet verorberd tijdens het wachten op Portala Airport? Er was toch tijd genoeg. Dat is wat ik niet begrijp.  Daarom dacht ik aan die zin van Walschap. ‘De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.’ Alsmaar minder.

Rudi Lavreysen
6 0