Zoeken

Dingen die gebeuren

‘Onverantwoord? Heeft je mama dat gezegd?’  ‘Nee.’  ‘Sam? Het klinkt als iets dat je mama zou zeggen.’  Twee paar identieke, heel lichtblauwe ogen aan het tafeltje naast mij.   Ik roer in mijn koffie, benieuwd naar het antwoord van het jongetje. Het was zo’n  langgerekte nee waar je een j achter lijkt te horen. Hij heeft blonde krullen. Vijf, misschien zes is hij. Zo oud als Alexander, toen het gebeurde.  Het is onmiskenbaar zijn vader die van over de tafel aandringt. De ogen, de krullen. Knappe, jonge kerel met een licht nasale stem. ‘Je mama heeft dat gezegd, geef het maar toe.’ Zacht, ingehouden. De jongen schopt tegen de tafelpoot, heen en weer, heen en weer. Ik schuif wat in zijn richting, een onzichtbaar millimetertje. Hij slaat zijn ogen op naar pa, ook een snelle blik naar mij, weer naar de tafel, dan weer naar zijn vader. Donker nu. ‘Laat dat, je hoeft niet zo zenuwachtig te doen als ik gewoon iets vraag. Heeft je moeder dat gezegd?’  Het kind kijkt strak naar de tafel. ‘Ja dus. Ja toch? Sam?’  Wat een bully!  ‘Ik rij altijd voorzichtig als ik met jou ben, Sam, dat weet je toch? Hè? Jij weet dat toch?’ Opnieuw een schichtige blik naar mij. En weer naar pa. De jongen friemelt aan de papieren onderlegger. Pa pakt zijn hand. Ik kuch. Je bent hier niet alleen, joh! ‘Ik wil dat je eerlijk bent. Als je niet mee durft omdat je denkt dat mama het niet goed vindt, dan zeg je dat gewoon.’ ‘Is het heel ver? Peiriedinges, waar is dat ?’ ‘Pairi Daiza. Een uurtje rijden. Maar natuurlijk, als je van mama niet naast mij in de auto mag? Dan vergeten we het. Je moet het zelf beslissen, je hebt nog tijd om na te denken.  ’ ‘Laat maar, ik weet het al, we doen het.’  ‘Sam, ik vind dat je erover na moet denken. Je moet mij wel vertrouwen, hè.’   ‘Ik weet het al, zeg ik toch, we gáán gewoon!’ Hij steekt zijn handen tussen zijn knieën, een brede glimlach naar de fronsende man tegenover hem. ‘Oké.’ De vader gooit zijn armen in de lucht. ‘Oké, oké, maar je mag het gerust toegeven als mama slechte dingen over mij zegt. Ik zal er niet boos om zijn. We kunnen trouwens ook hier in Antwerpen naar de Zoo gaan, hoor, dan hebben we ook een leuke namiddag.’ Stilte. Ik zie het malen in dat kinderhoofd. Of denk ik dat maar? Zal ik nog een cappuccino nemen? Ik kan niet vertrekken. Hij kijkt naar mij. Het is geen verbeelding, hij zoekt steun.  Ik steek mijn hand op naar de serveerster, wijs, nog een koffietje. Doe alsof ik verdiept ben in mijn boek.  ‘Geef het maar toe. Onverantwoord? Poeh. Waar haal je zo’n woord? Zeg het nu gewoon! Je moeder vindt dat ik niet voorzichtig genoeg ben! Hè?’  Alexander legt zijn handen op de leuning van de stoel en knikt een bijna onhoorbaar ‘Ja’. De klap op de tafel doet het zoutvaatje op de grond belanden. Van achter mijn boek zie ik de knokkels van die kleine handen wit worden. Ik wil hem in mijn armen nemen en hem vasthouden. En die klootzak tegen zijn schenen schoppen.  Bully staat op. Hij beent met grote stappen naar binnen. De neergeslagen wimpers tegenover mij trillen. Zou ik wat tegen hem zeggen?  Te laat, de vader komt terug, met de krant. ‘We zullen ’t er verder niet over hebben. Ik heb twee croques besteld, lust je dat? De jongen knikt. Stilte en geritsel van de krant.  ‘Mag ik even op je iPhone spelen?’ Pa schuift hem zonder kijken over de tafel. De jongen glimlacht. De storm is afgewend.  Hij lijkt zo klein in die diepe terrasstoel. Mijn Alexander was ongeveer dezelfde leeftijd, toen. Zulke dingen gebeuren. Ze overkomen mensen. Alleen niet jou. Andere mensen.  Pa leest zijn stomme krant. Hij weet niet eens of zijn zoon een croque lust. Wist Mark dat soort dingen van onze zoon? Ja, vast wel.  Onze Alex was nogal moeilijk met eten. Hij at nooit twee dingen tegelijk op zijn brood. Croque was enkel kaas of enkel  hesp. Zou die kerel nu met dat kind naar Pairi Daiza gaan? Wat een eikel. Heb je je zoon een keer in het weekend, ga je ook nog schuldgevoelens induceren, de moeder zwart maken. En verder lekker krantje lezen, hou jij jezelf maar bezig, lastpak.  Ach, daar gaat hij ook nog telefoneren. Pakt de telefoon gewoon af en loopt weg. Laat dat kind hier zitten, helemaal alleen. Onverantwoord. Ha. Het is zo gebeurd. Zoiets doe je toch niet? Er kan zoveel gebeuren.  Eén ogenblik is genoeg. Zo snel kan het gaan. Kan je een kind van zes zomaar meenemen?  Ik duw het chocolaatje bij mijn koffie naar hem toe en glimlach. Hij lacht verlegen terug,  ‘Dank u wel, mevrouw.’ Peutert het rode cellofaantje eraf. Contact maken is de eerste stap. Connectie is vertrouwen.  Met Alexander was het anders. ‘Was uw zoontje terughoudend of eerder vlot?’ Tjee, Alex ging met om het even wie mee, daar was niets voor nodig. Een vriendelijke babbel, een snoepje of een grapje. Nou, nee, dat klopt niet helemaal, niet met mannen met een snor. Als er iemand met een snor in de buurt was, begon hij met zijn handen te wapperen en als die persoon te dichtbij kwam, oh jee, dan was het spel op de wagen. Hij krijste alles bij elkaar, rende rond en flapperde zo hard dat hij bijna opsteeg. Het heeft een tijd geduurd voor wij zelf zagen wat de aanleiding voor zijn geschreeuw was. Baarden deden hem niets, ook niet baard mét snor, alleen losstaande snorren. Gek hé. En waar die angst vandaan kwam? Dat hebben we nooit kunnen achterhalen. Of hij eroverheen gegroeid is? Wat zou ik dat graag weten. Onze Alexander met zijn grappige moves. Ze hebben hem nooit gevonden. Hij  zou nu veertien zijn. Hij ís nu veertien, zeker weten.  Dit jaar stond er enkel nog een klein berichtje in de krant.  Anja en Mark D., ouders van de vermiste Alexander D, hebben dit jaar voor de tiende keer samen de verjaardag herdacht van hun zoon, verdwenen op 13 mei 2013. Alexander zou nu veertien zijn. Ten tijde van zijn verdwijning verbleef hij voor een maand bij zijn vader in het Spaanse T. waar deze na de scheiding van het echtpaar een nieuw leven was begonnen. Alexander raakte vermist tijdens een bezoek aan een plaatselijke patio de recreo. De vader werd grondig aan de tand  gevoeld, maar uiteindelijk kon hem niets ten laste gelegd worden. Van de jongen, die kenmerken binnen het autisme spectrum vertoont, werd tot op heden geen spoor teruggevonden. Indien u informatie heeft, gelieve contact te nemen met het nummer... of het plaatselijke politiekantoor. Geen enkel spoor. Zo’n klein berichtje. Het is frappant hoe dit jongetje op mijn Alex lijkt.  ‘Pairi Daiza, here we come!’ Na de croque lijkt de vader in een jolige stemming. ‘Kom Sam, als we wat doorrijden, zijn we er in een uurtje.’ Hij woelt door de krullen van de jongen. ‘En nee, ik zal niet te snel rijden. Huppekee. Je moet voorin zitten.’  Ik volg het tweetal met mijn ogen. ‘Hebben ze er ook eendjes?’ Het hoge stemmetje gevolgd door  de schaterlach van de vader. ‘Dat denk ik wel, pandaberen, olifanten én eendjes.’   Ze stappen in een knalrode Audi TT. Sam mee voorin. Geen gordel, denk ik te zien. Ze scheuren weg. Niet hard rijden? Brr. Die kerel verdient dat kind niet. Het kan zo vlug gebeuren. Haastig roep ik de ober en reken af. Een knalrode Audi TT en Pairi Daiza.    Reuzegroot, die parking. De parkeerwachter toont waar ik aan moet sluiten. Aha, twee rijen naar voor staat de Audi TT. Natuurlijk is hij er al. Een uurtje, zei de vader. Voor wie laag vliegt, jawel. Ik heb er anderhalf uur over gedaan. Panda-grot is the place to be. Volgens het boekje LA CITÉ DES IMMORTELS. Hier staat de tijd even stil en onthult China zijn schatten. Alles is authentiek: de tempels, de paviljoenen, de paden van halfedelstenen, de tuin, de kleurrijk verniste dakpannen, de rotsen, de stenen, het brons. Ik volg de mensenstroom. Wat een prachtig dierenpark! Over de brugjes stappen statige, grote vogels, met een lange snavel. Een soort pelikanen. Ze laten zich strelen. Zo groot hier. Groots. Ik besef dat ik een beetje voorbarig was en het ietwat te rooskleurig heb ingeschat om hier ‘mijn’ jongetje terug te vinden.  De mannetjespanda ligt vadsig op zijn rug in het gras, bamboe te eten, tenminste, ik denk dat het bamboe is.  ‘Kijk, hij eet blaadjes, papa. Eten beren altijd blaadjes? Beren zijn toch gevaarlijk? Vallen ze mensen aan? Je mag ze niet aaien, hè? Heeft het kleintje geen pijn als de mama hem zo draagt? Hij lijkt wel dood. Oh, kijk, ze knuffelt hem. Ze sabbelt aan zijn oortjes.’  Mijn god, het heeft zo moeten zijn! Zulke dingen gebeuren. Het is ’m!  Alexander. Sam. Aan één stuk door ratelt hij. Weg is de akelige spanning van daarstraks. Hij is opgewonden, dan gaat zijn stem altijd een toonaard hoger. Ach nee, het is mijn Alexander niet, ik weet het. Mijn zoon zou nu veertien zijn, ik zou hem ternauwernood herkennen. Maar dit jongetje herken ik. Oh ja. Hij likt aan een felgekleurde lolly, zijn lievelingskleur. Als hij kiezen kon, koos hij altijd voor blauw. ‘Kijk, papa,’ hij steekt zijn tong uit. Smurfenblauw.  De vader is alwéér met zijn smartphone in de weer, hij geeft geen antwoord. Ze staan links van mij, tegen de balustrade geleund. Nu steekt het kind zijn tong uit naar mij. Ik doe mijn duim omhoog en knipoog. Alexander. Wat is er mis mee om voor één dagje gelukkig te zijn, te doen alsof dit mijn jongetje is? Van op een afstand? Ik doe er niemand kwaad mee. Kan ik meteen een oogje in het zeil houden. Die man let niet genoeg op dat kind. En het is immers zo gebeurd. Knip. In een oogwenk is het gebeurd. ‘Ik ging naar het toilet,  mijn handen wassen,’ zei Mark, ‘twee minuten was ik er niet, twéé minuten heb ik ’m uit het oog verloren.’ Natuurlijk kunnen het tien minuten geweest zijn. Plasje doen, handen wassen. Ook nog even iets charmants zeggen tegen de toiletjuffrouw – zij herinnerde zich de knappe, blonde man met het slechte Spaans nog goed –  en ‘foetsie’,  mijn  lieve, blonde jongen. Er was een vijver, met eendjes. Ook veel mensen, in eerste instantie werd er niet aan de vijver gedacht. Maar na een uurtje hebben ze toch duikers gestuurd. Zonder resultaat. Wat is er met mijn jongen gebeurd?  Hij zit op de schouders van zijn vader. Het olifantenbad is fenomenaal. Aha, nu gaan ze eten. Zelf zou ik het Maison de thé verkiezen, maar ik volg hen naar de Orangerie waar ze burgers en frietjes serveren. Zonder mayo, natuurlijk, dat lust hij niet. ‘Zout, papa, mag ik zout gaan halen op de andere tafel?’ Ik woel door zijn haar als hij naar mij toe komt en stop hem het zoutvaatje in zijn handen. Zie je wel, hij herkent mij.  De vader bijt verstrooid in een dikke hamburger. ‘Zo, dit is leuk, hè? Vind je het leuk?’ Hij klapt zijn iPhone open- dicht, open -dicht. Welk belangrijk nieuws verwacht hij?  De jongen knikt enthousiast, zijn mond zit vol. ‘Hoe leuk vind je het dan? Vast wel leuker dan met mama naar de speeltuin?’ Alexander spert zijn ogen wijd open, blaast zijn wangen op en knikt. Hij veegt zijn mond af met zijn mouw. ‘Ja, dank u.’ Hij zakt een beetje naar beneden achter de tafel.  ‘Goed zo’, zegt bully, ‘Denk erom dat je háár niet vertelt dat we hier zijn geweest.’ Zijn telefoon biept. ‘Wacht,’ zegt hij, en na een blik op het scherm: ‘eet je frieten op, we moeten  er vandoor. Ik breng je terug naar mama.’  ‘Hee? Nu al? Waarom? Ik wil de show nog zien. En ik moet pipi doen!’ ‘Dadelijk, wacht hier. Ik ben zo terug!’ De man staat recht, loopt achter me om. ‘J’arrive, donnez-moi cinq minutes,’  blaft hij in zijn telefoon en verdwijnt, de mensenmassa in.  De jongen wriemelt op zijn kruk heen en weer.  Och arme, dat joch. ‘Zal ik met je mee naar het toilet gaan?’ Hij springt recht en grijpt mijn uitgestoken hand. Er staat een lange rij. Gedwee schuift hij aan bij de dames. ‘Ik kan het alleen’, zegt hij gedecideerd en doet de deur voor mijn neus dicht. Het duurt zeker tien minuten voor we terug zijn. Geen spoor van de vader. Rotkerel. Wéét hij dan niet wat er zoal kan gebeuren? Die man verdient verdomme dit kind niet. ‘Ik kom even bij je zitten,’ zeg ik. Een biepje:  ‘medicatie’ op mijn display.  ‘Wie is het? Mijn mama? Ze is vast ongerust. Ik mag van haar niet met papa meerijden in de Audi. Omdat ik nog te klein ben, zegt ze, ik moet in een kinderstoel.  Is het mijn mama?’ Ik duw de reminder weg. ‘Ja, het is je mama, ze is heel ongerust.’ ‘Is ze boos? Ik wou niet-’ ‘Nee hoor, ze is niet boos.’ Nog geen vader te bespeuren in het cafetaria. ‘Je mama vraagt of ik je naar huis kan brengen. Kom. Ik stuur haar een bericht dat we er binnen een uurtje zijn.’  ‘En papa dan?’  ‘Hem bellen we als we thuis zijn, kom vlug, je mama wacht.’  Een blik door het raam.  Bwah, als we hem tegenkomen, verzin ik wel een smoes. ... ‘Hier is mijn auto. Stap in. Ik maak je gordel vast. Ziezo.’ Opnieuw het biepje. Medicatie. Ik druk op ‘verwijderen’. Vandaag voel ik me niet depri. ‘En papa?’ Papa? Ach, zulke dingen gebeuren, nietwaar.

Goedele Billen
16 0

Oudejaarsavond - Nieuwjaarsdag

Oudejaarsavond Wat doe jij met de jaarwisseling?  Dé vraag die vanaf begin november gemiddeld drie keer per week komt. Mijn 15 jaar jongere ik kreeg er FOMO van. Ik zocht tot ik iets vond dat door kon gaan als leuk genoeg voor de avond van 31 december. En nu… Eerlijk? Nu heb ik er lak aan. Dat iedereen maar doet wat hij wil. Dat iedereen maar hard gaat feesten en zich lazarus drinkt. Dat iedereen maar lekker een nachtje doordoet.  Ik nestel me na het avondeten van 18u30 onder een deken in de zetel. Met een boek of Netflixserie, een grote mok thee. Laat. Mij. Allemaal. Gerust.                                                     Om 22u kruip ik in mijn bed. Oordoppen in. Geen vuurpijl of uitgelaten vreugdekreet krijgt me wakker.    Nieuwjaarsdag Ik heb er niets mee. Die lamlendige, lege dag waarop het leven stil ligt, het land slaapt. Ik start het jaar, élk jaar, monter en fris om 5u45. Boterhammetje en koffie. Wandelingetje daarna. Het is een dag zoals een andere.  Na het douchen onderga ik de verplichte huisbezoeken.  Geforceerd glimlachen naar familieleden die vermoeid in de zetel hangen. Liever waren ze in bed gebleven want vaak nog half dronken, brak van een nacht zonder slaap.                     Luister naar zatte nonkels, roddelende tantes, conversaties over de prijs aan de pomp, vastgoed en geplande citytrips.                                                                                                                 Eten dat vreten om te vreten wordt. Het derde stuk taart dat m’n strot uit komt na die afgezaagde gourmet of kaasfondue.                                                                                          Een stroom van onverstaanbaar voorgelezen, zeemzoet rijmende nieuwjaarsbrieven aan meters en peters in ruil voor een briefje van 20 euro.  Liefste peter, hoe meer ge mij geeft, hoe beter. Maar geeft ge mij niets, dan zijt ge mijne peter niet. 

Melanie Huyghe
31 1

Kinderen zijn om van te houden

Ik word elf  Je bent jarig zegt moeder  Je gaat naar een pleeggezin  Morgen  Voor hoe lang vraag ik  Voor een tijdje zegt moeder  Een hele tijd  Beter zo  Je zal zien  Beter Maar morgen pas  Vandaag is het feest  We eten taart en ik hou van je  Omdat ik van je hou van je hou van je hou  Daarom  Ze houdt van me en ik word elf Groot meisje zegt hij Elf  Je krijgt al borstjes  Als je elf bent krijg je borstjesEn dan is er feest  Ik eet bananentaart met slagroom  Hij lust geen taart  Ik eet alleen kleine meisjes zegt hij  Mama zegt plaag dat kind niet  Ze is niet boos op papa  Ze is nooit boos op papa  Ze houdt van papa  Papa houdt van mij  Papa geeft graag kusjes  Zodat we mama niet missen  Als ze naar de dokter gaat  In het ziekenhuis  Mama werkt in het ziekenhuis  Elke avond Bijna elke avond  Kom hier liefje zegt hij  Mis je mama liefje  Ik zie dat je haar vreselijk mist  Ik zie het wel  Kom bij papa liefje  Kom bij papa  Papa houdt het meest van jou zie je wel  Papa is hier  Luister naar je ouders  Wij houden van je  Te veel taart  Ik geef over  Vanavond niet gaan werken mama asjeblieft mama asjeblieft  Ik ben elf Ik wil geen borstjes  AsjeblieftPapa houdt van zijn kleine meisje  Kijk hoeveel papa van je houdt  Kleinemuisjemeisjes zijn de liefsten  Doe je ogen dicht  Hier een kusje daar een kusje  Mijn hoofd zit vol  Nog een  Eén kusje maar  Daar  Ik mis mama niet  Ik mis haar niet  Ik mis haar nooit niet Nee papa ik mis haar nietOf anders zegt hij  Of anders  Kinderen zijn om van te houden Toch                                          Of anders Papa Nee papa Hij houdt van meHoe erg kan zo’n pleeggezin nu zijn Niks erg Niets Niemendal Morgen zegt mama  

Goedele Billen
8 0

Onbetaalbaar

De Thalys vanuit Parijs was vertraagd. Daardoor had Félien haar verbinding gemist en was ze veel later dan voorzien aangekomen in Antwerpen Centraal. Dat deerde haar niet. De stad van de liefde had immers haar naam alle eer aangedaan.  De wieltjes van haar koffer ratelen over het Astridplein. Slagerij Roosemeyers sluit over een kwartiertje, maar dat haalt ze wel. Op het moment dat ze de Van Schoonhovenstraat ingaat, begint het te miezeren. Ze trekt de capuchon van haar hoodie over haar hoofd. Net voor de bocht, aan de rechterkant van de straat, is de slagerij van Ellen en Pieter, een familiezaak, doorgegeven van vader op zoon. De aluminium deur heeft altijd geklemd, maar is nu blijkbaar hersteld. Félien valt de winkel binnen. Ze doet haar capuchon af. Er zijn geen andere klanten zo net voor sluitingstijd.  Ook al is ze in weken niet meer in de winkel geweest, toch begroet Ellen haar vriendelijk: "Hey Félien. Dat is lang geleden…"  Félien wil de vraag voor zijn en valt haar in de rede: "Op vakantie geweest, hé. Drie weken…" Ze vertelt niet waar naartoe en met wie. Om het gesprek daarover uit de weg te gaan, laat ze haar blik opvallend dwalen over de salades in de koeltoog.  Terwijl Ellen een stukje plastic folie over het uiteinde van een gigantische salamiworst wikkelt, reageert ze zoals het een winkeljuffrouw betaamt - vleiend en toch commercieel: "Ja, ik zie het. Je straalt. Hier werken we gewoon door. Zelfstandigen, hé. Wat zal 't zijn voor jou?"  Félien voelt zich ongemakkelijk, alsof haar stralende gezicht haar zonde verraadt en ze leest het eerste het beste bordje af: "Preparé van de chef…" En na een aarzeling voegt ze eraan toe: "Doe maar tweehonderd gram."  Ellen veegt met een spatel de bruinoranje massa in een rond plastic potje. Tegelijkertijd vraagt ze: "Weet je het al van Fred en Irma?"  Félien kijkt verrast op. Haar verbazing tracht ze wanhopig te verbergen door op zoek te gaan naar een denkbeeldig boodschappenlijstje in de buidelzak van haar hoodie. Onder de klamme sweaterstof ontmoeten haar handen elkaar, alsof ze er zijn om elkaar gerust te stellen. Ze plaatst de nagel van haar linkerduim in de muis van haar rechterhand om bij de les te blijven. Stamelend reageert ze: "Nee… En… euhm… een sneetje blokpaté, een centimetertje ofzo."  Dat Félien niet doorvraagt, is voor Ellen allerminst een reden om niet verder te vertellen. Ook roddelen is inherent aan de job van een winkeljuffrouw, denkt ze. Ellen haalt de witte terrine uit de toog en duidt met een vleesmes vragend de dikte van de plak paté aan. Intussen zegt ze: "Hun huis staat te koop. Ze gaan uit elkaar." Félien knikt ter instemming van de centimeter, die eigenlijk eerder twee is, en probeert zo verbouwereerd mogelijk te reageren: "Allé, zo een schoon koppel."  Ellen pikt er maar al te graag op in en de ingetogen woede waarmee ze de plak blokpaté op het papiertje gooit, zegt veel over wat ze ervan vindt. Venijnig voegt ze eraan toe: "Schijn bedriegt, hé. Hij heeft haar bedrogen. Wat mag het nog zijn?"  Haar vraag klinkt als een commando. Félien vuurt terug: "Drie sneden hesp."  Ze voelt zich duizelen. Haar hart klopt in haar keel, het zweet breekt haar uit. Ellen ziet het niet, want ze ontdoet de ontvette beenham met een scherp mesje van zijn vacuümverpakking, ook al heeft Félien niet naar die variant gevraagd. Terwijl ze de klomp in de toog laat vallen en er het bordje in prikt, vraagt ze het dan toch: "Beenham of ontvette? Venten, ze zijn niet te vertrouwen."  "Doe maar van die Italiaanse," besluit Félien. Terwijl Ellen de Italiaanse ham uit de aparte toog met delicatessen haalt, praat ze ongeremd verder: "Naar 't schijnt heeft hij een minnares in het buitenland. Hij zit veel in Parijs. Drie was 't, hé?"  Félien knikt. Alle goede dingen bestaan uit drie. Oscar Wilde zei ooit: in married life three is company and two is none. Maar schellen hesp zijn natuurlijk geen huwelijk.  Met haar rug naar Félien toe vangt Ellen de glibberige plakken ham uit de snijmachine op. De veiligheidsklep maakt een harde klik. Félien schrikt op.  "Jij moet toch ook vaak naar Parijs, hé?" oppert Ellen. De vraag hapt Félien toe. Ze twijfelt of ze moet toegeven of ontkennen. Zoveel mogelijk de waarheid zeggen, beslist ze.  Net als ze wil spreken omdat het uitblijven van een antwoord ongemakkelijk wordt, vult Ellen de stilte: "We hebben terug van die worstjes die je zo graag eet."  Het klonk als een sorry, maar dat is het natuurlijk niet. Félien haast zich om te reageren: "Ja, dat valt voor. Doe er maar een stuk of vijf."  De worstjes hangen als slingers aan het plafond. Ellen heeft een trapje nodig om eraan te kunnen en dan nog moet ze op haar tippen staan. Félien probeert zichzelf tot bedaren te brengen door in te schatten welke worstjes Ellen zal nemen. Groepjes maken: eentje van twee en eentje van drie. Three is company, two is none. Tot haar verbazing snijdt Ellen twee keer twee worstjes af en daarna eentje. Félien probeert er niets achter te zoeken.  "Jij bent het toch niet?" vraagt Ellen haar, met het ene worstje nog in de hand.  "Wie?" stamelt Félien, ook al heeft ze de vraag maar al te goed begrepen. Als wanhopig afleidingsmanoeuvre voegt ze eraan toe: "En nog vijf plakjes jonge kaas. Dat zal 't zijn." "Awel, zijn minnares," verduidelijkt Ellen. De balans van baldadigheid en lacherigheid in haar stem is niet in evenwicht. Félien weet zich geen houding te geven. Wat weet Ellen? Wie van haar klanten heeft haar dit verteld? Of was het Irma zelf die haar op de hoogte bracht? Beide vrouwen kijken elkaar aan. Net als Félien denkt dat het juiste antwoord van haar gezicht valt af te lezen, wendt Ellen haar blik af en giechelt: "Hey zeg, dat was een grapje, hé."  Ellen bukt zich en pakt de vijf sneetjes reeds gesneden en voorverpakte Gouda uit de koelkast onder de toog. Als de glazen deur met een zachte plof dichtvalt, geeft ze Félien een dikke knipoog. Ze steekt alle vleeswaren in een grote, witte papieren zak en plakt die dicht met een sticker die uit de kassa rolt.  "Vierentwintig en een half," zegt ze. Terwijl Félien haar betaalkaart uit het etui trekt, valt een kaartje van de Parijse metro op zijn zijkant op de toog. Het kantelt en ligt tussen de twee vrouwen in. Félien houdt haar kaart tegen de betaalautomaat terwijl ze haar blik niet kan afwenden van het ticket.  "Parijs is een mooie stad, hé," zegt Ellen net iets te gespeeld. Ze neemt het ticket, legt het bovenop het pakket vleeswaren en overhandigt alles aan Félien. "Bedankt en tot ziens!" galmt de enthousiaste stem van de winkeljuffrouw door de slagerswinkel als Félien met het pak onder haar ene arm en de ratelende koffer voortgeduwd door de andere, zich snel naar de uitgang beweegt. Ze knijpt er nog snel een obligate "Tot ziens!" uit. Opgelucht geeft ze de aluminium deur een te harde duw, waardoor het lijkt alsof ze vanuit de winkel op straat wordt gekatapulteerd.  Intussen is het harder beginnen te regenen. Félien merkt het niet eens. De capuchon blijft af. In haar hoofd schijnt de zon. Hun huis staat te koop. Ze gaan scheiden. Daarom vroeg hij haar om bij hem in Parijs te blijven.  Als ze terug op het Astridplein staat, is het papier van de zak week. Aan de hoeken komen de eerste scheuren. Ze gooit alles in een vuilbak voor het hotel.  Op de trein van Antwerpen naar Brussel koopt ze online een veel te duur ticket naar Parijs. Het geeft niet, want net als een goede roddel is onbezonnen liefde onbetaalbaar. 

Véronique Scheyvaerts
49 1
Tip

Obstakel

Het is zaterdagochtend en het is vroeg. Ik trap me een weg doorheen de regen naar wat het verkeerde treinstation zal blijken. Ik ben te laat, denk ik, en zet nog wat kracht bij. Gelukkig zweet ik niet al te hard onder deze regenjas, dat is dan toch iets. Als ik mijn fiets op slot zet aan het verkeerde station, sijpelt het besef samen met het uitgestelde zweet binnen.Fak. Zonder echt nog te weten waarom, haast ik me naar het spoor voor een stoptrein die me toelaat om over te stappen in Dampoort. Tussen de twee stations in lees ik een verhaal over een vrouw die tekens ziet in de platgereden duiven die ze passeert en ik denk aan het exemplaar dat ik daarnet nipt wist te ontwijken toen ik met een rotvaart op mijn semi-platte banden langs de Coupure stoof. Als ik op het station van mijn overstap aankom is er chaos. De helft van de sporen is afgezet en de andere helft kan je enkel bereiken via dezelfde twee trappen. Het is opgehouden met regenen en de temperatuur stijgt. De regenjassen van de door elkaar lopende reizigers dampen en de lucht voelt klam binnen en buiten mijn mondmasker. Als het zweten al gestopt was onderweg naar hier, dan is die pauze nu definitief voorbij. Het komt met golven van misselijkheid. Er ligt een obstakel op het spoor, hoor ik rondom me. Ik vraag me af wat er classificeert als een obstakel en voel me wat ongemakkelijk in de menigte. Iedereen komt te dicht. Iedereen is een obstakel. Ik wil tegelijkertijd geen en dertig mondmaskers opzetten, wild om me heen beginnen sprayen met ontsmettingsmiddel en mensen herinneren aan die ene pandemie. Geen enkel bord in het station geeft nog treinuren aan, dus ik loop doelloos heen en weer, weg van de mensen en dan weer met de stroom mee, richting de treinen. Door mijn initiële fout – het station van vertrek – had ik mijn overstap toch al gemist, en nu lijkt alles opeens een optie in plaats van een plan. Ik heb te veel en te weinig keuzemogelijkheden. Dan krijg ik op mijn gsm plots een pushmelding over de nieuwe covid-maatregelen in Nederland. De clubs gaan open, zegt de app. Ik denk aan de platgereden duif in Gent en zie de massa mensen rond me in gedachten dansen. Hun plakkerige regenjassen tegen elkaar ritselend, de warmte van mensenlijven een stinkende stoom de ruimte inwalmend. Ik kan de geur bijna ruiken als ik beslis het station uit te lopen. Achter mij hoor ik de trein naar Amsterdam aankomen, volstromen en vertrekken. Ik neem mijn gsm en tik dat ik er niet zal geraken. Obstakel op het spoor, zeg ik, terwijl ik in gedachten een aangereden reuzenduif, poten omhoog, in de treinhal van Antwerpen Centraal verbeeld.

Fien
193 3