Zoeken

Je koffie

1.Als de vogels       donker boven je hoofd  vliegenen de kastanjesnaast je open barstenvallen de deuren op slotperst de geur van schimmeldoor het nieuwe plafonden sta je                            stilje beseft als een zweepslagin een mierennestdat je onderwegde ‘route du soleil’kwijt speelde- tijd voor koffie - zwart en bitterdie je voor de zoveelste keernaar binnen gietmokkend ergens op een                                          Hoog VerdiepIn een stadbadend in de echovan wat boegeroepterwijl de spiegel weigertje nog langer aan te kijkende vogels grijs boven je hoofd dreigen aan te vallenzolang het nat nietvan je gelaat glijdtals een masker van“ik ben niet hier”   2. Totje daarje koffietot je neemtals een oude hoer die niets meer doet                                dan oude klanten afwerken- buiten dromen de spiegelbeelden -alles raast voorbij vanachter de glazen straatomdat je niet vooruit wilen je de shotgun neemtnetjes verborgen onder een versleten boxeren knalt die godverdomse grijze vogelsuit die verdomde versleten luchttot, het valt,              jij valt,                         zij valt de koffieis op, de motorstoptdoor het vensterraam vang je nog een glimpvan een stad die daaltzie je daken zoals je ze nog nooit zagje glimlachtje schuift je stoel naar achterenlaat de vogels vrij en de koffie koud - zo daar ga je dan -het is al laatrust numaar.

Bart Vermeer
29 0

Diesel-tempo

Nieuwe school, avontuur - Ge wet wel - grote mond. Rondhangen me de vrienden, smore van lampbestuurde grond. Ontgrond, waar ik stond, met tanden van mijn mond, niet gedacht dat het bestond, nog voor dat alles echt begon.    Ik moest er nog mee starten, mee aan de slag, “Hallo - ik ben nieuw hier - ja - eerste dag”. Denkte echt dat da mijn woorden werden? Niks wereld-derde, elke dag die fucking Merde, Sorry dak ff hardop lach.   Vergelijk me met een beest als een tijger, een vechter, een krijger,  altijd eerst op startblokken, de steun van de steiger, Mensen vragen mijn mening, shit - really - ge moogt is raden waarom ik weiger.    “Hallo Mevrouw, goeiemorgen, ik zoek het toilet”, Ook zij had mij weer snel met de mond vol tanden gezet,  ik zeg ‘halloww.. da’s toch ni zo moeilijk he, zeg me gewoon de weg" Die vrouw bleek dus doof te zijn, en niemand da't da efkes zegt?!   Stunt nummer 1, en ik ben een man van vele, zou men stommiteit af en toe moeten kunnen verdelen, lokaal lokaliseren door te transporteren en te transformeren, zodat ik ’t me enkel moet verbeelden.    Dromen is erg maar vaak snel over, een soort manier waardoor ik mij naar een universe tover. Daar is het proper, rein en ongelogen, zonder te betogen, zonder ne moskee of synagoge.   Helemaal niet, waarom voelt gij u nu aangesproken? Ineens - ver uit het niks - komde gij hier aangekropen, ff kloppe, telefonneke, nee niks late wete, en dan nog verwachte da ge hier ’s avonds me ons mee kunt eten?!   Shit weg - die fucking vanzelfsprekendheid, Respect voor mekaar -neje- het volk van vandaag krijgt het schijt, in alle tegenstrijd, niemand is nog toegewijd, ge weet da gij de toekomst zijt, ge hebt zelfs nog geen beetje spijt.    Uw ouders - zo hard gewerkt om er voor u te zijn, centjes op de bank gezet voor uw succesje, groot of klein, Gij moet het wete, gij liever dan de mijn want - de mijn doe ik geen pijn, Gij zult het kruisje van het huisje zijn.   Sorry mama - ik lust da ni - ik wil alleen echte cola, meende gij da nu - men kind - shit verwende Lola. En Lola krijgt alweer haar zin,  dus tegen beter weten in,  klop ik vandaag weer op m’n kin omdat’k niet graag van m’n zusje win.   Ooit moeten we leren, doen we allemaal, en ’t is gewoon een feit, vandaag elk in ons eigen taal.  Fysiek of mentaal, introvert of asociaal. we moeten best massaal, organiseer nogmaals het laatste avondmaal.   Ma da's moeilijk want de tafel is te klein, of misschien hebbe we gewoon te weinig plek. Zijn weer maar eens verhuist, alles behalve fijn, weinig ander keus want den Immo ging op z'n bek.    Neenee, da's ni wa da'k zeg,  hoe wilde da'k het uitleg? Zo da gij mij verstaat, Immo en ik waren beginnen vechten op de straat.   

Flashlab
1 0

Hoe moeder stierf en dat dat eigenlijk mijn schuld was

  ‘Moeder, je zou me toch komen ophalen aan het station? Ik had gezegd om kwart voor twee. Half drie is het nu.’   ‘Moeder, het is drie uur. Waar blijf je? Bel je me?’   Maar moeder belde niet. En ook op de boerderij nam niemand op.     Om half vier kreeg ik de jongste broer aan de lijn. Ik zat op de rand van één van de grote bloembakken voor de stationsingang en keek verveeld rond. Na een weekend in Gent het dorp troostelozer dan ooit. Ik keek naar de bussen die af en aan kwam rijden. Naar de mensen die op en af stapten. De meesten beladen met zakken van de Aldi, er is een filiaal in de naburige gemeente. De Aldi is voor arme mensen, zei moeder altijd toen ik als kind vroeg waarom wij er nooit heen gingen. Arme mensen zonder auto.   De jongste broer ademde onregelmatig en probeerde zich goed te houden. ‘Ons moeder. Louiza, toch.’   Ik zocht tevergeefs houvast op de rand van de betonnen bloembak die, toen de jongste broer verderging, stroperig werd, als drijfzand. Ik dreigde weg te zinken. ‘Maarten. Met zijn tractor. En moeder, met de auto. Verblind door de zon, zeggen ze.’                                                                      *   In de keuken zaten de vier broers samen met vader aan tafel. Ze keken naar het tafelblad. Ze keken niet op toen ik ook ging zitten, maar bogen hun hoofd nog dieper. Hun neuzen raakten het tafelblad net niet. Wie niet beter wist, zou de aanblik komisch gevonden hebben.   De jongste broer richtte zich op. Hij keek me aan en ik dacht een veeg bloed op zijn T-shirt te zien. Dat hij er als eerste bij geweest was. Dat hij net het erf afgereden was, hij was de maaier komen halen, het gras op het stuk land aan de Wissel stond zo hoog. Daar, aan de Wissel, in de bocht… Moeders auto stak half in de gracht. De tractor van Maarten was er half over gegaan. Dat hij erbij was toen ze… Dat hij de deur eerst niet open kreeg. Hij had haar gordel losgemaakt, haar uit de auto gehaald. Ze had iets gezegd, maar hij begreep niet wat. Dat alles zo snel ging. Dat Maarten haar niet gezien had. Dat Maarten daar stond. Gewoon stond. Godverdomme, de klootzak.   Ik haastte me naar mijn kamer.                                                                   *   ‘Zusje, het is net zo druk nu. Kun je niet pas tegen de avond terugkeren? Ze komen materiaal leveren voor de nieuwe stal en vader is niet thuis. Ik ga me te erg moeten haasten. Kun je echt geen trein later nemen?’   ‘Nee, ma, dat kan ik niet. Ik vertrek nu naar het station. Ok?’                                                                        *     Maarten vraagt om langs te komen op de boerderij. Maar men wil Maarten niet zien. Men wijst hem met de vinger. Het is zijn schuld. De politie komt enkele keren langs en er passeert ook een verslaggever van de krant, maar niemand wil met hem praten behalve een loslippige buurvrouw.   In de krant heeft men het over een tragisch ongeval en over Maarten D. (39), een bekende van de familie, goed bevriend met de vier zonen van het slachtoffer. Dat hij mij om de twee weken de hersenen uit mijn kop neukt, heeft de verslaggever er niet bij vermeld.   Dat het niet de eerste keer is dat de jonge boer een ongeval veroorzaakt. Alleen niet eerder met zo’n tragische afloop. Het slachtoffer was een liefhebbende echtgenote en moeder van vier zonen en een dochter. Lid van de KVLV. Een hardwerkende boerin, die haar boerderij met trots bestierde.   Maar ik moet Maarten wel zien.   Ik klop op de achterdeur en vind zijn ouders in de keuken. Ze zitten aan tafel en veren op wanneer ik binnenkom. Een klamme hand, enkele woorden van medeleven en verder niets. Boeren zijn harde werkers, geen praatjesmakers. ‘Hij is bij de kalveren,’ zegt zijn vader ten slotte. Toonloos. Mijn tong plakt tegen mijn verhemelte. Ik trek de achterdeur geruisloos achter me dicht.   Hij staat werkloos naar de eerste kalverhut te staren, een emmer met melk in zijn rechterhand. Ik schuifel met mijn voeten in het stro, zodat hij wel moet omkijken. Hij ziet me, maar hij mijdt mijn blik. Hij zet de emmer neer en veegt zijn handen af aan zijn overall. ‘Louiza.’ Dan pakt hij de emmer weer op, gaat voor de tweede kalverhut staan en giet wat melk in het drinkbakje. Het kalfje begint meteen gulzig te drinken. ‘Ik heb haar niet zien komen,’ zegt hij. Hij gaat in de richting van de derde kalverhut. Het kalfje komt nieuwsgierig dichterbij, likt in afwachting aan de tralies. Ik sla mijn armen om zijn grote, logge bovenlijf. Hij houdt de emmer nog steeds in zijn hand. Zelfs wanneer zijn tranen in mijn hals beginnen te druppen.   Mannen huilen niet, wil ik zeggen.   De broers huilen niet. Vader ook niet.   Dus waar haal jij het recht?  

Valerie Tack
78 2

Een bubbel van niets

Zij is eenzamer dan het woord eenzaam zelf. Zij. Hoort. Niets. Zij hoort niets. Ook geen stilte, de stilte is iets. De stilte is stilte. Zij hoort niets. Rondom haar is een bubbel van niets. Een bubbel die al het geluid absorbeert en haar achterlaat in het niets. Ze. Hoort. Niets. Ze hoort haar vader niet juichen om de voetbal.  Ze hoort haar moeder niet vloeken omdat ze een bord heeft laten vallen. Ze hoort haar kleine broertje niet smeken om een koekje. Een koekje. Ze. Hoort. Niets. Op school kan ze niet volgen. Als de leerkracht even wegdraait om iets op het bord te schrijven, kan ze niet meer zien wat hij zegt. Om te antwoorden of iets te vragen, is ze te traag. School is een hel en wat erger is, ze hoort zichzelf het niet eens  uitschreeuwen van frustratie. In haar vriendengroep knikt ze vaak meer dan ze werkelijk begrijpt wat er juist gezegd wordt. Waar de anderen geen probleem hebben om door elkaar praten, kan zij haar hoofd niet snel genoeg draaien. Maar op school heeft ze tenminste vrienden. Mensen bij wie ze kan gaan zitten tijdens de pauzes en mensen die haar soms vragen voor groepswerken. Maar hoewel ze niet alleen is, is ze toch eenzaam. Wat soms een redding is, maar meestal een vloek is dat ze er perfect normaal uitziet. Ze wordt niet nagestaard of aangewezen, zoals ze soms zie bij andere gehandicapten. Gehandicapt. Een label dat op haar geplaatst wordt en waar ze niets over kan zeggen. Haar moeder heeft niet graag dat ze dat woord gebruik. Zij zegt dat ze een normaal meisje is, dat ze denkt zoals iedereen. Toch heeft haar moeder er geen problemen mee om de subsidies die haar status als gehandicapt met zich mee brengen, gretig te aanvaarden. Ze is geen gehandicapte, alleen als er van haar geprofiteerd kan worden. Mensen zijn raar. Nooit zullen ze voor een blinde iets dichterbij houden en vragen of hij het dan wel ziet. Toch roepen ze in haar oren. Ze voelt mijn trommelvliezen trillen van pijn. Maar ze hoort niets. Ze hoort niet wat er achter haar rug wordt gezegd. Of voor haar neus. Ze hoort geen taal, ze ziet alleen maar de taal van anderen. Gisteren zijn ze naar de dokter geweest. Hij stelde voor om te informeren naar een CI. Een cochleair implantaat. ZE ZOU KUNNEN HOREN. Haar moeder horen zingen terwijl ze was doet. Haar vader horen lachen om een grap op tv. Haar broertje horen zeggen dat hij van haar houdt. Ze zou zelfs mee kunnen roddelen over jongens op school. Ze komt bijna dansend thuis. Thuis kruipt ze meteen achter de computer, ze wil alles te weten komen over het CI. Ze begrijpt niet hoe het werkt, het zet  geluid om naar pulsaties en die rechtstreeks naar het slakkenhuis sturen. Wat ze wel begrijpt is dat ze een gaatje in haar schedel gaan boren. En dat de slaagkans op haar leeftijd slechts 50% is. En dat zelfs met een CI ze maar 30 decibel meer kan horen. En dat er mensen zijn die wensen dat ze zich nooit hadden laten opereren. En ze vraagt zich af of ze wel wilt horen.  Of ze wilt weten wat er over haar wordt gezegd. Of  ze ’s morgens de boren wil horen die nu al maanden vlak voor de deur de waterleiding proberen te vervangen en waarover haar ouders zo vaak klagen. Ze begint zich af te vragen of het dat is wat ze wilt. Stiekem, onder de dunne bescherming van haar lakens, zoekt ze meer informatie over een CI op. Hoe meer ze te weten komt, hoe meer ze begint te twijfelen. Kunnen horen lijkt haar heerlijk, maar ze is al heel haar leven doof, is ze wel klaar voor alles wat de horende wereld met zich meebrengt? Ze zal geen filter hebben in het begin. Ze zal alles horen. Ook dat wat normale mensen kunnen negeren, zal zij horen. Ze zal  haar ouders voor het eerst horen ruziemaken en het water van de kraan horen druppen en haar broertje over het parket horen glijden en hun kat op de trap horen en de vogels buiten horen fluiten en haar tantes horen roddelen ,al dat te samen, en ze zal niets kunnen wegfilteren. Hoe moet ze dan een gesprek voeren? Hoe moet ze dan erin slagen om niet afgeleid te worden door de wereld om haar heen? Door op alles te klikken waar op te klikken valt, geobsedeerd om zoveel mogelijk te leren, en dieper te gaan dan ooit te voren,  komt ze uit op een website van een dovenvereniging. Blijkbaar zijn er groepen waar mensen als zij niet de uitzondering zijn maar de regel. Plaatsen waar men niet met medelijden naar haar zullen kijken als ze ontdekken dat ze doof is. Er worden verschillende dingen georganiseerd, zoals wandelingen, spelletjesavonden, quizzen, maar ook gewoon momenten om met elkaar te praten. Hoe ze dan praten, weet ze niet. Hebben zij allemaal zo’n CI? Haar ouders blijven vragen wanneer ze een afspraak kunnen maken bij een specialist. Wanneer niet of. Ze twijfelen er niet aan dat ze een CI wil. En waarom ook niet? Waarom zou ze niet willen zijn als al de anderen? Dat is toch waar ze al heel mijn leven van droomt? Normaal zijn? Ze durf niets zeggen over de gebarenkringen die ze heeft opgezocht. Er is er eentje vlak in de buurt. Ze zou de bus kunnen nemen, gewoon een uurtje blijven om te zien hoe het er aan toegaat in een zaal vol met andere doven. Soms droomt ze ervan om stiekem weg te glippen en te gaan, hoeveel ze haar ouders er ook door kwets om haar apartheid te benadrukken. Ze weet hoe zwaar het op hen weegt om steeds weer te moeten zeggen dat ze doof is. Alsof zij gefaald hebben toen ze gemaakt werd. Maar ze wil gewoon al haar opties weten voordat ze een beslissing maakt. Ze is uiteindelijk dan toch geweest. Ze heeft gezegd dat ze met een vriendin ging zwemmen, heeft de bus genomen en is naar de dovenclub geweest. En eerlijk? Ze voelde zich er eerst net zo erg een buitenstaander als op school. Iedereen sprak er in gebarentaal en leek elkaar zo ook te verstaan. En zij verstond de taal weer niet. Hoewel er niets te horen viel, zag ze niet wat er gezegd werd. Toen ze na een kwartiertje wou opstaan en weer vertrekken, kwam er een vrouw naar haar toe. Ze sprak haar aan in gebarentaal, maar toen ze zag dat ze haar niet begreep, sprak ze tegen haar. Ze vroeg of ze hier voor de eerste keer was en waarom ze hier was. Ze luisterde naar haar verhaal. Over hoe eenzaam ze zich voelt op school en soms zelfs thuis, over hoe de dokter had voorgesteld om een CI te implanteren, over haar onderzoek op het internet en over ze steeds meer en meer begon te twijfelen over wat ze nu juist wil. Ze vertelde haar over hoe graag ze bij de groep zou willen ‘horen’. De vrouw glimlachte om haar onbewuste woordspeling, maar ze bedacht dat dat exact uitdrukte wat ze zeggen wilde. Ze vertelde de vrouw over haar verlangen om haar moeder slaapwel te horen zeggen, om haar vaders troostende woorden te horen. Ze vertelde haar alles wat al weken op haar maag lag. En de vrouw luisterde. Ze weet niet of ze alles verstond, of ze niet te snel praatte om haar lippen duidelijk te vormen, maar toch luisterde de vrouw. Daarna nam ze haar bij de hand en bracht haar naar een andere man toe. Ze gebaarden onderling iets, ze wist dat het over haar ging omdat ze een paar keer naar haar wezen en regelmatig in haar richting keken. Toen vertrok de vrouw en liet haar achter bij de man. Hij glimlachte en vertelde haar zijn naam. Daarna wees hij naar iets achter zijn oor, wat, zo vertelde hij haar, zijn CI was. Hij was net als zij doof geboren en was ook oraal, dat wil zeggen als je leert spreken en liplezen in plaats van gebaren, opgevoed. Toen hij rond haar leeftijd was, had men hem ook voorgesteld om een CI te laten implanteren en hij was akkoord gegaan. Toen keek hij haar aan en zei dat het uiteindelijk voor hem de juiste beslissing bleek te zijn. Het was moeilijk in het begin, zo zei hij, omdat je van niets naar alles gaat. Hij voelde zich soms depressief en alleen. Mensen verwachtten dat hij meteen alles zou kunnen wat zij ook konden, omdat hij nu toch een implantaat had. Maar zo snel ging dat niet en hij begon zijn beslissing te betreuren. Toen kwam hij ook via via hier terecht. Net zoals zij begreep hij niets in het begin, maar hij begon thuis gebarentaal te leren en door regelmatig te blijven komen, pikte hij het redelijk snel op. Met redelijk snel, zo waarschuwde hij haar, bedoelde hij een aantal jaar totdat hij echt vlot was. En met deze combinatie van de horende wereld en de dove wereld voelde hij zich het gelukkigste. Hij was doof, met of zonder implantaat, en hij voelde zich ook thuis in de Dovencultuur, maar als hij wou, kon hij ook met horende mensen converseren. Hij kon vertellen tegen zijn vrouw dat hij van haar houdt en haar horen antwoorden. Maar hij kon hetzelfde gebaren tegen zijn dove zoon. Ze heeft nog lang over dat gesprek nagedacht en soms denkt ize: “Ja, laat ik het zo doen, ik laat mij implanteren, maar ik leer ook gebarentaal.” Ze gaat op afspraak bij specialisten, bij dokters en bij mensen bij wie de operatie succesvol was, maar die definitieve stap durft ze nog steeds niet te zetten. Ondertussen is ze wel begonnen met gebarentaal te leren en gaat ze nog steeds stiekem naar de gebarenkringen, waar ze zich steeds beter en beter thuis voelt. Ze heeft het thuis nog niet durven zeggen, omdat ze weet wat haar ouders gaan denken. Dat ze geen CI wil, dat ze niet normaal wil zijn. Misschien is dat wel zo, misschien houdt ze wel van dat speciale kantje aan haar, zeker sinds ze mensen heeft leren kennen die ook van dat speciale kantje houden, maar vooral wil ze voorlopig gewoon nog geen beslissing nemen. Dus zij hoort niets. Ze is doof geboren. Ze heeft haar eerste schreeuw zelf niet gehoord. Ze heeft nog nooit iets gehoord. Zij. Hoort. Niets. Ze is doof, maar ze is ook Doof en voorlopig is ze het gelukkigste in haar bubbel van Niets.

Lotte
0 0

Kalverliefde

'It's good to be important, but it's more important to be nice.' Hij grijnsde en schreef het op een stukje papier neer dat hij uit een schrift had gescheurd. Ik heb nooit echt begrepen wat hij er eigenlijk mee wou vertellen. Hij gaf me het papieren vodje en ik nam met een verliefde blik aan. Hij was mooi: lichtbruin haar en blauwe ogen waarin ik nog steeds zou verdrinken mocht ik ze nu ergens tegenkomen. 'Dat komt uit een liedje van Scooter,' zei hij half betweterig, half lachend. Voor de muziekleken onder jullie: Scooter was een Duitse danceformatie die vooral eind vorige eeuw furore maakte. Zestien jaar waren we allebei, maar hij was ouder, want hij was van januari en ik van mei. Op die leeftijd was een maand een zee van tijd en bijgevolg dacht ik dus dat hij een stuk volwassener was dan ikzelf. In mijn hoofd weerklonk de hele tijd: 'Wat ben je geweldig Bob, jij bent de ware. Laten we trouwen en elkaar nooit meer loslaten.' 
Bob, dat was zijn naam. Genoemd naar Bob Dylan, of dat maakte hij me toch wijs. Ik kende hem al vanaf de lagere school. Ik had hem altijd gezien als een maatje, nooit echt als iemand waar ik verliefd op kon worden. Toen ik als puber hoorde dat hij interesse in mij had, was ik eigenlijk teleurgesteld. Bob had namelijk een klasgenoot met dezelfde naam waar ik al maanden een boon voor had. Toen mijn vriendinnen mij vertelden dat 'Bob' speciaal voor mij naar het jeugdhuis kwam, had ik dus die andere Bob verwacht. Helaas bleek die laatste op blonde meisjes te vallen en kwam ik met mijn lange kastanjebruine haren dus niet meteen in aanmerking. 
Maar goed, ik was zestien en een amoureuze teleurstelling kon ik toen nog mits een waardige vervanger makkelijk verwerken. Ik switchte dus van 'Bob' en begon steeds meer in dit exemplaar zijn buurt rond te hangen. Stel je dit even voor: een scoutsfuif in de parochiezaal van een landelijke gemeente. Aan de ingang af- en aanlopende pubers, de één al wat meer beschonken dan de andere. Ik was in mijn sas, want Bob zou er ook zijn. Vanavond zouden we vast en zeker voor de eerste keer zoenen. Het was al bijna middernacht: de obligatoire slows zouden dadelijk hun intreden maken. Gelukkig maar, want om één uur kwam mijn moeder mij oppikken om naar huis te gaan. Ik ging strategisch in de buurt van Bob staan. Om klokslag twaalf uur draaide de diskjockey de eerste slow. 'Afscheid' van Volumia, een kleffe muzikale misser uit de jaren '90. 'Neen hé' dacht ik bij mezelf, 'moet ik echt aan mijn kleinkinderen gaan vertellen dat ik op deze draak van een lied mijn eerste kus kreeg?' Meer tijd om daarover na te denken kreeg ik niet, want Bob kwam naar me toe en sloot me in zijn sterke armen. Er gingen duizend gedachten door mijn hoofd. Mijn vriendinnen die hun eerste kus reeds achter de rug hadden, hadden mij verteld dat het voelde alsof er een naaktslak in je mond kroop. Mijn angst was dus erg hoog, mijn verwachting erg laag. Het einde van de song naderde en er was nog niets gebeurd. 'Komaan gast!' dacht ik 'Maak er korte metten mee.' Ik weet niet meer hoe we er dan uiteindelijk aan zijn begonnen, maar ineens waren we in volle actie. We zoenden zelfs door tot een stuk in de volgende slow. Het had een mijlpaal moeten zijn in mijn jonge leven. Een romantich moment om nooit te vergeten, maar het enige wat ik de hele tijd kon denken was: 'Ze hadden gelijk: dit voelt als een slak.'   De relatie met Bob heeft welgeteld vier weken geduurd. We zagen elkaar één keer per week, maar echt romantisch ging het er dan niet aan toe. Hij wou om de één of andere rede op een vreemde manier indruk op me maken door overal zijn kritische mening over te geven. Ik snapte niet waar hij naartoe wou daarmee en voelde me al snel te dom voor hem. Achteraf gezien wisten we volgens mij beiden niet waar we mee bezig waren. Bij verliefdheid hoor je je goed te voelen. De enige gevoelens die ik me kan herinneren uit die tijd zijn onzekerheid en onwennigheid. Ik maakte een einde aan onze prille relatie in dezelfde parochiezaal dan waar ze begonnen was, onder het mom dat ik me te jong voelde om me te binden. Ik zei hem dat als het echt 'meant to be’ was, we elkaar wel in een latere fase van ons leven zouden terugvinden. Ik had dat in de 'Joepie' gelezen en dat klonk goed vond ik. Ergens hoopte ik ook vurig dat het écht zo zou lopen, dat we ooit zouden trouwen en elkaar nooit meer zouden loslaten. Helaas is de liefde nooit teruggekeerd. Zo werd Bob dus naast mijn eerste kus en mijn eerste vriendje, ook mijn eerste liefdesverdriet. Dat laatste, heb ik hem helaas nooit meer durven vertellen.    

Ans DB
0 0

Stadsgezichten

’s Zomers spreidt de stad haar straten uit, ze buigt haar asfalt onder elke stap. Ze zingt: ‘Moi, je suis chanteuse.’ Ergens in de verte luidt een kerkklok en als ik vraag: ‘Is dat de maat?’, dan zingt zij: ‘Nee’.‘Dansez,’  zingt zij: ‘dansez.’   - ondertussen trekt de massa  als een vloedgolf van oost naar west, wij zingen; ‘Wij zijn vissen in het water, in het water zijn wij op ons best’-   Een toeriste draagt haar camera als een opzichtig sieraad om haar hals. Zij kijkt zoals mensen doen die zich verbazen, houdt dan plots halt,-‘Doe joe want toe take a picture plies?’- ze duwt het toestel in mijn  hand. ‘Smile.’ zeg ik. Dat doet ze al.   Als ze zich over haar foto buigt dan zeg ik: ‘Het is vreemd, je ziet jezelf altijd pas op het tweede zicht.’ Ze kijkt zoals mensen doen die iets niet begrijpen en ze knikt. Later worden wij weer wat we waren, wat we liever zijn: twee vreemden in een stad die ons niet kent.   -de massa schuimt en kolkt. Wij houden ons wanhopig staande aan elkaar- Je marche au pas, je marche.  Een man stapt  andersom, hij roept: ‘Mon Dieu, ik ben de weg aan het verliezen.’ Ik wijs naar het verlengde van mijn vingertop. Hij legt zijn handen op mijn schouders en we kijken samen in de richting die ik pas verzon.’   Boven onze hoofden zweeft een kind aan een ballon. We staren, plaatsen onze handen boven onze ogen, bouwen zo een afdak voor de zon. Onze monden vormen ‘o’s’ waaruit alleen maar geschrokken stilte komt. Ik zie een vrouw, ze groeit, maar naar de grond. Ze loopt zo krom dat ze haar voorhoofd schuurt als ze  naar mij toe komt.  Ze zegt: ‘Ik zag je kijken.’,  plooit haar mondhoeken in iets wat bijna op een glimlach lijkt, ze zegt: ‘Ik draag mijn leven op de rug, het drukt.’ -de massa breekt, ik schreeuw: ‘Nu sta ik als een paal boven water! Ben ik naakt?’- De stad verschrompelt onder mijn kabaal. Zij roept: ‘Silence.’ Maar als ik voorstel om naar huis te gaan dan zegt zij: ‘Nee’. ‘Restez,’ zegt zij, ‘restez’.                    

Ulrike Burki
42 1