Zoeken

Over de onmacht van kameleons

  gelaten maanlicht beelden in de lucht die weigeren te fonkelen het bestiale paargedrag van tuinkabouters veel te veel vallende sterren boven het midden-oosten bloed en stof woestijnen vol een leeuw die zichzelf verslindt lamme vleermuizen die niet meer kunnen fladderen gruzelementen brokken die neervallen demente maagden naast gebroken vissen   wie doet mij deze dromen aan welke webcams blijven dit registeren welke vliezen spartelen tussen de tenen van een halfdode kikker over de ogen van de wanhoop stroomt thans paars verdriet   duistere krachten sluwe vossen op drie poten mankende tijd  ik zie je strompelen Hercules door de straat van Hormoes en bij het ochtendgloren grijp ik me vast het mos laat echter los en de kleuren zijn intussen allemaal verkeerd groen werd rood wit werd mauve iemand wisselde geel met zwart zwijgen willen de hoop verdwijnen de roze bloesem doem niet meer op dat is alles wat ik vraag aan die wereldbeelden die monsters met hun mensenogen en bedrieg mij nooit meer kindertijd je was te vals je liet me geloven dat er ook sprookjes zijn die geschreven werden door minder grimmige gedachten die geen horror verschuilen onder paddestoelen in een bos waar alles nu verdwaalt de jager elke keer zijn blaffer bovenhaalt wanneer een mot verschijnt straks dan houdt het op belooft de regen aan kameleons wanneer de regenboog zich scheuren laat het lot zijn frisse kant laat zien neen sorry nimf en nieuwgeboren waterjuffers ik geloof het niet de nachtvorst hij wil blijven heersen over mijn gemoed zo lang hij kan zo diep zijn ijs wil snijden door de druppels onschuld moet eraan geloven telkens weer en overal wat rest is weinig amper teder maanlicht fonkelingen die zich lang zullen verbergen deze keer want het einde nadert zware planeten wegen door op het heelal kromme knieën zullen moeten hopen op bomen die rechter kunnen lopen door de grijze plassen op het grauwe pad strompelt nog een tak die wandelen verleren wil die schimmel straks omarmen zal daarna gewoon uiteen wil vallen       uit de reeks 'Waanhoop'           

Bernd Vanderbilt
4 0

Ik zoom uit en ik zie

Ik zoom uit en ik zie: het dakvenster waaronder ikeen magneet boven een restauranttafelde man die zich - letterlijk - buiten de kring zet, altijd weerde lichte kromming in de nek van de pianisteen drenkeling naast de vijver, sigaret nog tussen de vingersde trillende kop van de spechtlichtblauwe rechthoekjes om in te zwemmeneen snelle eekhoornstaart tussen bleke stammeneen afscheid op een perron (zoen in de hals)regen die van mij weg valtde stilte onder muziekwitte rook uit lange afbrokkelende schoorsteneneen paarse vlek lavendel, trillend in de zongeen grenzen, alleen maar omheiningende verlangens en kneuzingen van alle mensenhet ongecontroleerd lachen om 3 uur 's nachtsal het door bijzienden onopgemerkteeen eenzaam bootje op een oceaan (als van papier)de vergissingen die ik maaktealle woorden die werden geschreven met alle pennen en toetsen die ik gebruikte, en alle gedachten en handelingen die die woorden veroorzaakten bij de lezersmouwen, pijpen en kussen (gevuld met veren)het zaadje onder de navel, de hik in het middenrif, de dood achter het borstbeende kalligrafie van wintertakkenhet geroffel van alle angstige hartende raakvlakken op een lichaamde teleurstelling verzameld in spiegelsdat iedereen zichzelf voor de gek houdtde klei onder de voeten, de stad onder de stadmijn eindigheid, die van de regen, die van de specht, die van de schoorsteenalle handen die ik aanraakte, veters die ik knoopte, adem die ik nam, onzin die ik hoordehet draaien in cirkels, het temmen, het laten gaan

Katrin Van de Velde
0 0

Naastenliefde

Ze had van kleins af aan verpleegster willen worden.‘Daar ben je te gevoelig voor’, had haar moeder op een donkere maandagochtend gezegd.‘Je bent beter af in de handelsschool’.Terwijl ze een zucht probeerde te onderdrukken, nam Diana haar schooltas op van de vloer.Haar krullende haren gleden zachtjes heen en weer over haar gezicht.Heimelijk teleurgesteld trok ze haar afgezakte sokken weer wat hoger.‘Alsof meedogenloosheid een nodige kwaliteit is in een verpleegster..’, dacht ze in zichzelf. Al herinnerde ze zich snel de boodschap uit de toespraak van de pastoor.Iedereen kan hulp bieden. Je moet er enkel de goede wil voor hebben. Met een gezonde vaart reed ze haar dorp door, richting Brugge, richting Sint-Jozef.De straten die ze passeerde ontluikte haar nieuwsgierigheid.Wat als ze vandaag niet naar school ging?Stel dat ze nu gewoon een andere straat insloeg?Welke onbekende wegen lagen er nog op haar te wachten?De koude wind waaide door haar haren.Later zou ze zelf kunnen kiezen wat ze deed.Met een strenge blik op de weg gericht en een borstbol in haar mond, trapte ze door. Van een jong meisje evolueerde ze in een sterke jonge vrouw.Als prille volwassene kreeg ze een heel rouwproces op haar bord.Haar broer stierf aan tweeëntwintig jaar, haar mama aan achtenveertig.Niets was nog hetzelfde.De discussies met haar moeder speelde zich nu slechts af in haar hoofd.De eerdere geschillen herhaalden zich als een nostalgisch melodietje uit een muziekdoos, maar er kwamen geen nieuwe bij.Elk argument bleef onuitgesproken. De stilte was wreed.Langzaam probeerde ze zaken een plek te geven. Ook zichzelf.Zij had een andere plek nodig. Diana vertrok thuis om op zichzelf te gaan wonen.Ze trapte door het leven en ondanks de tegenslagen onderweg, sloeg ze haar armen open voor om het even wie het nodig had. Van Familiehulp naar de afdeling Orthopedie in de Loofstraat, waar ze de volle dertig jaar werkte en nadien ook de OKRA-vereniging. Ze wou mensen helpen, mensen genezen, mensen terug sterk in hun schoenen zetten. Geleid door haar innerlijke drijfveer stond ze dag in, dag uit klaar om mensen gelukkiger te maken. O Diana van ‘t platteland, in je grootste droomwerp je gelukzalig je oogjes naar ‘t vredespatroon.Uw hand grijpt een handje, stevig en vol moedondersteunt gij het mensdom dat danst aan uw voet.Onze gids zijt gij, uw metgezellen zijn wijach leer onz’ waardering, voor ‘t kleinste blij. Dianas leven is een combinatie van doorzettingsvermogen, een positieve ingesteldheid, een aanstekelijke lach, dankbaarheid en heel veel moed.Als je Diana vraagt of het lot echt bestaat, antwoordt ze,“De wind zie je niet, maar die bestaat toch ook.” Moeder van de herder en het lam;hoed de kudde, leid ons bij de hand.     Silke Van RompaeyMet dank aan de auteur van ‘O moeder van bijstand’ en Diana Schotte voor het vertellen van haar verhaal.20/02/2025

Silkevr
8 0