Zoeken

Oostende

Madensuyu start met eerlijkheid die me met rust kan laten; vooralsnog loopt het gesmeerd: de lucht oogt voorspelbaar,de wegenwacht afwezig, Tobin draagt nog net geen heden, abstracte ideeën over de liefde kunnen aanwezig zijn in de werkelijkheid of ons idee daarover, wij zijn het nieuwe anti en dat denk ik luidop.     Maar ergens verdraagt men het niet meer: de realiteit die onder de huid alles en iedereen uitbuit, de zee in zichzelf opsluit en de tranen verderzet. Eens aangekomen: de staat van het alles blijft onveranderd: al het aanwezige oogt me dubbel in de irissen en vrijt zich op een zucht van mijn liefde, de werkelijke afgrond van de huid in, mij dus, in ontbinding die zich kenmerkt langs de buitenkant. De zee is kraakbaar. De twijfel slaat dan toe.     of we met z’n 2 z’n 4 zouden kunnen zijn, ik vermoed van wel dan de dagelijkse omkeerbaarheid van minuten die in 2 dagen de rand opzoeken van bestaan zonder te overdrijven bijna onmogelijk maar of niet alles zo is ik heb daar naar de hemellichamen boven ons gestaard en me afgevraagd wat ik eigenlijk aan het zien was dat me blauw maakte staren van een buitenkant die dubbel oogt jezelf klein terugvinden  in een kosmos een kosmos die je bekijkt langs buiten en waarin alles verkleint tot dingen ik omgeef me alleen nog maar met dingen     Het alarm van een terugkomst die bijt in de kuiten, we zullen ze dragenwe kunnen de wereld met z’n 4 wel verplaatsen naar een buitenkant die zich het kwalijke dubbel ter verantwoording roept in een taal die buiten isbuiten het samenhorige want hier is de vijand ronduit scherp, vriend en zeer weinig aanwezig, onontkoombaar, vrij, alles, wat je niet zou willen.     verder: een gesloten gevel hier woont iedereen wij botsen op een tegenliggende straat het is hier warm van alle mogelijkheden dus wat in ons zich bevindt is van ons het anti  bijvoorbeeld                                                

Dries Verhaegen
36 0

Moonrock

Ik denk dat het omstreeks 21:13 geweest moet zijn dat de waanzin in de schoenen schoof, van daaruit alleen maar opwaarts, in een spiraalvormige beweging, een hoofd vol weldra, hoofd was een zware put geworden die een nieuw draagvlak voor de toekomst werd, we werden een vriendschap op houterige benen die bonkte in de kiezen en klapperde in de wijsheid. De drank was vroeg, de werkelijkheid oneindig; wij zouden weggegaan zijn naar een vrede moest er liefde ontstaan zijn, en die was er: een atmosferisch hoogtepunt dat willekeurig abstracties uitkoos: de opgezette pauw (kieskeurig) de ambivalentie die ook in de lucht hing (standvastig en immer aanwezig) de hiërarchie tussen de spraakmakers (altijd bereidwillig) maar hij ontstak slechts even af tegen het gelige schijnsel ‘avond’ die de muur bewerkte met pars pro toto. IK MOET JE HERKEND HEBBEN DAARIN. Daarna droomde ik weg:   de kasseien: eindeloos, vermeerderingseffect, de weg is in feite niet zo lang, het is alsof je kruipt in je stappen die de wil willen en de wijsheid begeren vooraleer te domineren en werkelijk ieder mens was een ding geworden als ik draaide door de steegjes op zoek naar de wagen ik vond de wagen niet meer ik heb nog nooit geweten dat ik zo blauw was de kasseien eindeloos het hoofd gewoon erg lang en moegestreden en iedere vriend had ik gewoonweg even niet meer voor een keer was ik anders maar dat-ligt-niet-aan-mij Tuxedomoon citaat zeer toepasselijk op ronddolen want het is hun klank die mij vastzet op de opdracht   de benen kermden en de wielen sputterden geelzucht en alles werd vroom zo ook de tastzin alles wat me nog restte en ik ben nooit vergeten hoe je anders was in mijn anders dat ik je aanreikte en vroeg en zeg nou zelf we waren een ander paradijselijk gebeuren   En ergens boven de beweging stopte de beweging al met versnellen boven waar de toekomst nu voorspeld werd en genegeerd. In mijn hoofd is alles zeer helder maar daarbuiten zwijg ik liefst en draai me om naar de buitenkant die is anders ziet u. Mijn benen zullen kermen en de wielen sputteren maar het hoofd het hoofd is een baken die ik vertrouw mijn boei van geweld, alleen hiermee kan ik nog standvastig de praktijk van angst beoefenen en een gebrek aan uitwegen verplichtte me de waanzin te kopen in mijn voeten het hoofd in.     Gelukkig ben ik nooit vergeten wat anders was en de vertrekken met slaap inkleurde en het gebonk verduisterde tot een tinnitus die me nooit echt zorgen baarde want ik was een jong vaandel- drager van de kleuren en zo heb ik me altijd ingezet te blijven.I’m a keeper, so you can keep me close bijgevolg en inderdaad de telefoon rinkelde plots:   Het was een stem die groette geen boodschap maar is dat niet in het zovele het zovele dat alles verschuilt in de minimale toevoegingen die elkaar opstapelen en elkaar opzeggen Het was een archeoloog die mij vond. Nee. Geen 2e Brussel, alleen maar een zoektocht naar het overgeblevene dat zweeg.  

Dries Verhaegen
7 0

Ode aan O

Een man blaast op een fluit die de vorm van een hond heeft. Is het alsof hij haast heeft, dat hij bijna leeft. Stilzwijgen want daarmee zegt hij niets van wat hij goed zou kunnen doen, de hond uitlaten als die aan hem gegeven is, huizen in de dromen van een schrijver, het zal je maar overkomen.   Is het alsof hij zegt: als ik leef als ik denk en schrijf. Daar is hij: tussen de lijnen gedrukt en is het nooit en net dan dat hij voor en na de letters komt: een alfabet maar dan metamorfose, een stilte maar dan pauze.   Ieder woord op zijn reeds ingevroren plaats roepen, slechts zo zal het woord zijn taalevolutie en de tijd overleven: schudden en daar en hier zijn, frequentie: trillen wordt tijd, tijd wordt taal en die begrijpen we.   De azerty van toen is de O P Q van nu.   Een cliché van een schrijver is je beste vriend. Je wou dat je hem was. Door je neergepende zinnen word je weer individu, een kluwen van vormen herkenning die groeit langs de randen van je straat, een denkbeeldige stad die in je zakt als het alfabet bij de geboorte.   Zo reilt en zeilt de taal: het kijkt achterom naar wie het altijd al was.   Een man blaast op een hond die op een fluit lijkt, is het alsof hij het bijna gelooft dat hij taal was. Dat de zaal voor hem vol zit, dat hij je in je schouders zakt en jij je verhaal doet.   Hij lijkt op tv, en ik dus ook op hem. Dit willen we. Hopelijk wordt die gelijkenis alleen maar erger. Zo hoop je op je verhaal. Abracadabra en je bestaat. Sensatie die in de schemering van je literaire kwaaltjes nog steeds sensatie is, een bekentenis aan mezelf. Op je gesprek met de zaal, let op, een plek, een thuis, een uitwuifgebaar van het gekende naar hetzelfde gesteente.   Ik ontdekte een woord, als een ander woord, maar noemde het mijn woord. Daarna benam ik me taal en schreef dat op.    

Dries Verhaegen
0 0

We zijn de klank niet vergeten

Er is weinig moed voor nodig die de stilte in de overgebleven stad geluid in fluistert. Op het einde van zo’n passieve rol betalen we rood. De straten rood de huizen rood en de mensen rood met de dood op de wangen en de schemer op hun ramen die fluisteren in de taal die hun schermen hen doen kijken. Zij zijn van de wereld en de wereld even van hen. Slechts dan dat warmte gloeit in de woonkamer vrouwenbenen die stappen met een soepele parochie maar geen religie meer. Geen religie meer. Alleen maar de reeds beschreven stilte en het verstikkende aanzien van grijs. Iedereen loopt nog ondersteboven de gesprekken binnen. Maar niemand leeft nog. Soms reanimeert een man een man. Fluisteren dat ze de ambacht het licht mogen laten zien om alles draaiende te houden. Soms is het weten de kanker van de stad. Weten dat een wolkenkrabber een flatcomplex een immanent handgebaar dat een huis zou kunnen nabootsen een afscheid kan zijn dat we allemaal anders interpreteren binnen de vier muren die we ingesmeerd de opvoeding navertellen. Geen religie meer; alleen maar adempauzes en andere dagen die andere gebaren vragen. Symbolen die we in de stenen herkennen en de Belgische hoop belichaamt tot co-housing de grens over of de grens in.     een weinig zeggende straat erin lopen en erin opgaan weinig bedoelen dus bestaan is makkelijker dan voordien je gaat op in het grijs en komt er grijs uit adem je de kleur in speel je de videotape van deja vu af en en speel je hem na _______________________________________________ Je weet waar je voor staat en vraagt je af: wat we hier doen, dat we dan aarden naar de complexe vormen en hun rituelen.     Je weet wat je zou kunnen doen. Maar de nacht die begint de dag en jij begint je verleden opnieuw op een plek die weigert. De mensen die steigeren in de randen die de kleuren gedag zeggen. Je zegt gedag. Je weet wat je zou kunnen doen. Alles is herkenbaar Iedereen te vervangen.     Geen wandaden zouden groot genoeg zijn voor de kamer van de aanpassing, geen enkel persiflage dat langer uit zichzelf kwam als een geest in de cryptische nacht waarin alles eens gebeurde: de aandacht gebeurde eerst, daarna volgde de aanwezigheid pas, wij die getuigen waren  van een klein leven dat zichzelf verbood. De dood in dachten we met 2. Maar de scheve situatie was van ons gezicht af te lezen en je knipte mij een haarlok die mezelf aanbood. De nacht waarin alles eens gebeurde, de statische inburgering van het volk gebeurde, en wij dus ook. De slaap gebeurt. Het leven gebeurt dan weer niet. Wij zullen blijven communiceren als ons daarom gevraagd wordt.   Al hetgeen ons is overgebleven zijn de kleuren zijn de wijze warme deuren naar kroegen en alcohol zijn de weinige vormen van ontreddering letterlijk overal zichtbaar zijn de stemmen hun tenor kwijt in de schandzalen van de fluistering die wij voelen en die ons roert van het vermaak met grote V van volk van het angstige maar vrijblijvende dat.     Ze zei nog: Dat wat jij leven noemt stel je gelijk aan afstevenen op de dood. Zeg me wat je altijd al hebben wou.   In die nacht liepen we op de afgrond van het vermaak af die ons opat en wij kauwden samen mee tot de tijd opgedeeld kon worden in het verval dat alles en niets en wij met ons meebrachten en trachtten te verpletteren in ons gesprek dat met kwade tongen gevoerd moest worden en niemand ontevreden achterliet. Wij werden toen geboren en bevroren in de teleurstelling en het tijdelijke (de herinnering misschien). Wij het gebouw waarin wij woonden. Alles heeft 4 muren in de hoofden van het volk die samen loopt te stampvoeten op het vuur onder hun grond. De bossen op het platteland op de steden werden stil en verspreidden een wezen dat leeft in de quarantaine van de stad. We vergeleken de hemellichamen boven ons met de plekken waar we al kwamen die weinig commotie met zich droegen en we in stilte leerden appreciëren en waar misschien wel Suzy of was het Lien of was het omdat ik elke ochtend daarmee wakker werd en de muren voelde krimpen en ik daar zo stil lag maar klaarwakker de kleuren als een ziekte opdronk en met me mee zou dragen als mijn identiteit en dit dus NIET LEVENSLANG maar wel erg lang. Het was een fase waarin ieder van ons de afgrond vermaak van zich afdroeg tot onze voeten scheurden en we rood achterlieten wat we al gehad hadden die we van zo ver zagen aankomen. Sommige kolen werden scholen en wij leerden onszelf koesteren en in ons woonden de schoonste schepsels maar geen woorden voor dit maal om deze te vergelijken met wat echt was, tenminste dat zei ons de opvoeding telkens om rekening te houden met dat echte en dat onechte te verpletteren met onze visie.       We liepen de letters stuk tot machinaal geweld die we in namaak of gesprek aan de kaak stelden.   Ze zei: on a parlé beaucoup ce soir mais qu’est-ce qu’on va boire? Ik eindigde in haar woorden die de tafel en mijn hoofd omgooiden. Ik gooide hem om en keek ernaar zonder te vermoeden dat alles van die dag aan anders zou verlopen binnen de lijnen van het mijne die de symmetrie van A en van B en C en van Q R S T U V W qu’est-ce qu’on va als het bier in de hoofden zwaar wordt en de woorden dus licht, wat dan, als de lichamen hevig en de levens langer (?) de binnenste waarheden de buitenste worden en alles boven op onder rond en om hemellichamen worden die we aanstaren en fata morgana over verspreiden maar in ons eigen zelf en bleven we de woorden stuk beleven tot de machine van volgzame dromen die ambivalent genoeg de dag nadien ons de hand kwamen schudden.   Ik werd bij je wakker en ik schudde tot frequentie gedragen tot ik je heel wat moeite kostte en mezelf wakker kuste want ook dat was liefde toen daar op die moment op die plek qu’est-ce qu’on va vertel het me si on est ici parfois en niet genoeg.     Werden we snel een beroep en deden we dat zoals het hoorde de bloemetjes buiten zetten liepen we onszelf voorbij de straat uit in de mond van een sekte die we in ons geloof droegen en nog voor ik het wist was ze een machine die me aanstond en ik die me afvroeg of we bakens konden verzetten door samen te zijn, dat terwijl we juist enkel en alleen onszelf zouden kunnen verzetten maar dat was in feite genoeg en dat pak stond me zo goed die avond maar ook dat geloofde ik niet genoeg en daarom groef ik mezelf diep in. Met mijn rug zat ik naar mijn weg die ik bewandeld had nog voor alles nog voor de wezens me elke nacht kwamen ophalen en in fluisterde monogaam om te gaan met de vrouw nog voor andere paden die ik bewandeld had me überhaupt deden nadenken over deze ziektes nog voor jou en mij en wij nog voor de Q R S T U V W nog voor de nacht die de dag inluidde die de stand van zaken alleen maar bevestigt en versterkt en die weg lachte terug maar het was mijn rug die nee zei dit keer en ik wilde alleen maar het nu en in dit nu zijn en alles dat eens achter mij was en toen nu was leek me overbodig omdat dat mij wel gevormd had maar niet vermomd, gelukkig maar.   Alleen ikzelf vermomde mezelf nu in het nu.   We liepen daarmee alles en iedereen en onszelf voorbij in de woorden.   Zonder meer zou ik kunnen zeggen dat dit ook wel geldt voor de muziek die mijn oren verveelt en streelt en geel kleurt van jaloezie maar ooit zal ik eens op de planken de andere oren geel maken van het zicht dat ze zijn en het zicht dat ik ben. Muziek die de Einsturzende Neubauten van het volk is. Muziek die de angst van de mensen kan verdragen en tegelijkertijd deze ook verzinnen in een andere taal die nog geschreven moest worden maar de moment dat die specifieke klank de oren betrad was ze er en ging ik ermee aan de slag. We raken snel uitgepraat over deze zieke lucht die ons manipuleert en vervuilt en bebouwt met grijs en vrijheid.   Ik vind mijn weg hier niet lieve; we hebben te lang gewacht met ziek zijn en nee zeggen tegen de impulsen tegen de de opties die ook nee zeiden en tegen de wijde wereld die ons alleen maar toelacht en daarmee verplettert.      Someone somewhere in summertime Somewhere someone probeerde ik de situatie aan mezelf te spiegelen aan de buitenkant, het gesprek zal stoppen, de mensen zullen de dood dragen in de steden, die ook de dood zullen vragen in steen, de mensen zullen alles uitspreken met een andere tongval, de ziektes zullen zich verspreiden in de gebouwen, new city old buildings maar vooral zal ik nog bij je zijn en de wachtende mensen een weg geven die achter me ligt en met mijn rug zat ik naar de weg die ik aanbood. Same town.   Hasta la via. Ze zegt dat ze nooit genoeg de maniak in mij heeft herkend; maar hoe zou zoiets uitspreekbaar moeten zijn dan? Met de tong van een maniak, met de tred van een maniak, met hand van een maniak en de andere nog van mezelf loop ik het weinige dat nog staat binnen de kroeg de alcohol, dat weldra in mij zal liggen samen met het bijkomende gedachtengoed en vriendschap. ____________       Ik eindigde mijn woorden ook op tafel zoals ik alles daar eindigde: mijn gedachtestroom in het hier en nu en toen hebben we geklonken op de beterschap die om de hoek leunt van de omkadering waar we nog steeds onze plek kennen en de armen verdubbeld terwijl de waanzin stagneert en zijn omzet vindt in andere lichaamsdelen die omhoog geworpen een symbool van veiligheid kunnen betekenen.   Ik heb toen nee gezegd en ja gelachen zoals wel vaker het geval is met mensen en heb toen de tonnen ervaring omhoog geworpen zodat iedereen het zien kon hoe en wat en waar en toen iedereen zweeg heb ik niet langer gezwegen zodat ik me zoals nu tussen de regels bevind en mijn hoofd hef ik op en dus ook de pen en *knip* ik ben vrij van de taal.   De weg die zich aanbood was hard en steil maar dat is nu dus hoe het altijd gaat: hard en steil zei ze en we lachten en we hebben ook wel gehuild maar net niet genoeg om groter dan onszelf te zijn want dat is hoe je groter dan jezelf je emoties laat zien aan de buitenwereld; een volk dat écht samenleeft what a life to have time & what a man makes a man niemand die het nog weet maar gehuild heb ik tot in vroege uurtjes waarin de gebouwen niet langer grijs maar slechts heel even zacht rood tot bloei komen en ik mezelf zie zoals ik ben.   Ay ay ay I am a monkey man en echt ver ernaast zat hij niet, omwille van zijn jonge aanblik zou ik hem plaats bieden in mijn verhaal zei ik hem en zo geschiedde dat ik hem vertelde.   Wat we toen hebben gedaan is een groot geheim wordt er gezegd maar niets is minder waar, “Ik heb  toen zijn hoofd als steen gegrepen en zijn dacht dat het een huis zou kunnen zijn, een huis voor veel en weinig tegelijk en dat menselijke ervan zou ik willen kneden tot iets buitenaards van omvangrijke grootte die ik van onderen uit kan bekijken.” Hij heeft toen zijn hoofd bij de haren gegrepen en liep naar buiten, daar waar het nacht was tenminste, en hij dacht aan haar en als hij naar boven kon kijken, kon zij dan ook? Nee, nu alles stil werd en alles gladgestreken zoals de vlakte hemellichamen die hij aanschouwde en als rechtstreeks bewijs van zichzelf vond in het hier en nu liep de afstand tussen hem en haar een blauwe lijn naar binnen in zijn ogen die hij greep aan zijn hoofd aan zijn haar die hij nooit meer wilde loslaten want de situatie sprak nu eens in zijn voordeel: alles was stil, hij staarde de lucht dichterbij, hij bestond echt en als alles zo bleef zou hij voor altijd zo willen kijken met de ogen. Bleef alles maar zo.           Je zou kunnen zeggen dat hij zijn stem had verloren in het mens zijn en verpletterd werd door het volk rondom maar nergens vond men zijn woorden meer dan in de keten gebouwen die grijs gegoten in de 2D van de 3D mij de ogen vulde; de staat was grijs, mijn lichaam rood, de dood droeg ik op mijn wangen en lippen en deze droogde op in de vlaktes waar de hemellichamen zowel boven als onder en daar en hier als wachter van de mens fungeerden terwijl de tijd was gestopt omdat men hem gegrepen bij de taal uitspuugde en alles en iedereen die stil was blijven staan besefte dat het tevergeefse geweld slechts een act van verwarring en angst was geweest.   De politiek kan vliegen ik zeg het u.   en nergens hebben ze de waanzin beter beschreven dan in boeken waar de werkelijkheid zich plooit en de vormen rekbaar zijn zonder dat ze hun waarde verliezen of verdwijnen in de camouflage van de overdaad alles is al té veel aanwezig dus we kunnen net zo goed overdrijven zonder dat het zal opvallen in het kluwen woord die zich bevindt in straten in gevels waar ik langsloop in de deuren die ik probeer in te trappen in de wagens die scheuren en dat geluid nabootsen heel hun leven lang in de postkantoren waar in uit is en uit in waar de taal circuleert waar de muren omhoog gaan en zo ook mijn blik.   Daar bevindt het zich dus. Boven mij. Altijd al boven mij. We worden geboren en weten niet genoeg. Zodat weten nog weten is gelukkig. De muzikant schreeuwt en kent zijn tekst nog. De weinige toeschouwers vergeten de zin van het bestaan en gaan en komen terug en komen opnieuw en opnieuw en weinig is nog zeker maar dit is alvast zeker: jij, ik, wij, en zij dat is een understatement.   Zo wil je je bestaan bevoorrechten en de kennis opdoen die je wekelijks moet opdoen opdat de kennis uit is en de bron ervan in. Je houdt jezelf altijd bij je en verstuurt jezelf slechts zelden naar de anderen die wel rond je heen bewegen want het zijn lichamen maar jezelf dat ben jezelf; je gedachtegoed dat ben jij niet; je persona dat ben jij niet; de tekst die je vertolkt in sé dat ben jij niet; jij bent alleen jij voor jezelf en niemand kan je zo nog wat maken dus houdt je blik ijzersterk en adem je dagelijkse hip hop in want het is overal.     See you on the other side want dat is waar de stad voor staat: misdaad en de geile stenen bij de kilheid grijpen zodat de stad weer ademen kan en zich vermomt in de weinig aanwezige messias van vandaag en morgen liefst een andere de stad draagt een religie als bijverdienste en verdenkt jou jou jou en mezelf verdenkt mezelf de aandacht die weerstaat de stedelijke ambivalentie maar weinig is ons nog zomaar gegeven in een stedelijke revolutie die de goden over ons afgeworpen hebben.       Brussel 7 uur misschien maar het zegt veel over de gulden ochtend die zich verspreidt over mij en over de armoede.   Kneed je me mee tot inwoner?   We zullen weinig nog zeggen maar weinig is nog zeker: Kendrick Lamar, dat is nog zeker, Festivals bij regenweer maar je hebt anderen dichter bij je, dat is ook zeker, Get God on the phone maar het zal langer duren dan je dacht en dan komt de spijt bij je die je versmacht en verdomme ook deze verplettert je, je leven dat je bijstaat, jezelf die jezelf van onderen aanstaart, je naasten naast je, niets blijkt voldoende als jij je je nog bent.     Ken je het kneden onder je vingers die je de lichamelijkheid  toedient in vormen mensen die nietszeggend de aanval kiezen in de vergeten uren voor de ochtend die iedere plek tot plek maakt en situeert in een web van zonden waarbij de spijt altijd laat de toekomst in suist en de vrouwen de lichamelijkheid bevestigen en wij ze naspelen als in een werkstuk dat een plek vormgeven kan waarbij de plek zijn rol als situatie plausibel vertolkt tot motief zijnde. Ik schrijf erover en drink me de verplettering in die me weinig onbekend laat: honey honey how you threw me de verplettering in de weg weg kwijtgespeeld de ontreddering of verbazing die me juist altijd bijblijft en zich afspeelt voor de ogen van volk dat zich verzamelt in de ziektes van mijn omkadering die zich vormgeeft in letterlijke zin.   Weten we wat te laat is?   om 10u opent ze zich de mond en praat ze eindeloos onder andere de toekomst komt voorbij dan kijk naar ons maar raak ons niet aan zegt ze als ze aan zet is ieder op zijn plaats op zijn tijd   het volk praat eindeloos over het einde waar ze naar uitkijken in het aangezicht gloeit hun het leven even maar want de dood staat op hen geschreven een ziekte is wat ze ademen     Zonder kader weten ze waar te eindigen in de liefde want het is een herhaling van de emotie die ze op het aangezicht verblijven in de grenzen, die ze in hen laten kruipen zoals een zicht of een beeld dat je bijblijft en het ego parten speelt. Alles draait om het volk en hun vaste stek.         De wezens die weinig nog aan het toeval overlaten en zich wegen tegen zichzelf om de zekerheid te bekrachtigen, in een stad waar alles luid is en zwaar weegt op de torso’s en schouders van zij die het nog verdragen zich buiten bepaalde grenzen te wagen en de zieke auto’s horen scheuren en dat hun hele leven lang Sir, zonder te klagen of tegen de grenzen aan te leunen en de sensatie te bejubelen. De wezens die weinig nog écht leven en slechts equatoriaal aanwezig zijn zoals de wiskunde aanwezig is, zoals de evenaar aanwezig is en de geschoolde taal aanwezig is, zoals de dood op hun wangen aanwezig is en de blijdschap in de magen, zoals de lichaamsdelen van buiten maar ook binnenin aanwezig zijn, zoals de muziek in de oren en de hemellichamen in de ogen. ________________________________________________   Het aanschouwen van een nieuw Venetië dat me terstond het oude Venetië uit de mond kietelt met nieuwe steden en oude gebouwen die een revolutie kunnen ontketenen in het blauw van gisteren in het nu van de herinnering die ik niet denken kan en niet denken wil en niet denken mag omdat alles plots moet en het stille denken dat zegt “het weinige komt eerst” maar dat weet je altijd pas erna, nadat de wilde weg zich in de ooghoeken slingert en wij hem afleggen, nadat de wateren dingen doen leven tot nieuwere dingen, nadat de man de vrouw vertrouwt en haar de kilte van een stedelijke nacht laat ontwarren, nadat Venetië zijn straten heeft schoongeveegd en het toerisme de jazz heeft ontdekt en het bloed de pijn en het zingen de stem van de stilte die zegt “het weinige komt eerst” en nadat het weinige eerst komt, komt het eerste ook weinig en nadat de weg de uitgang die in is heeft ontdekt en het in het uit en het uit het in heeft ontdekt en nadat ik mezelf heb ontdekt en als wij elkaar ontdekten openbaarde er zich ook een soort persoonlijk Venetië die wij aanraakten en in onze hand altijd met ons meedroegen en probeerden te vermommen in onze taal tot ook deze uit ons nu werd getrokken en wij hem konden herontdekken.   Daarna begon alles weer opnieuw en zo ook de mensen die het vertikten bij te leren van een hoopje water en een hoopje grijs dat toch menig woord sprak en spreken kon wat op zich al een openbaring had kunnen zijn. Daarna begon alles weer opnieuw en ook de armen die de rijken verstomden met geweld waarin eindelijk alles mogelijk was en de straten schoongeveegd leerden ze alles wat ze weten moesten van A tot Z tot A. Daarna begon alles weer opnieuw van jou tot mij van binnen naar buiten die het zicht vormgaf aan een stel ogen dat zich altijd maar naar boven verfde want het zijn de kleuren zegt men, de kleuren die het kluwen dat we aanschouwen besturen. Daarna begon jij ook opnieuw en nam ik de telefoon in de hand, de angst in de schouders en erop en de stem beefde en bad dat jij het niet vergat, ook tegen mij nog te spreken, de aandacht te verspreken tot een hoopje medeleven want daar dat ik het voor deed en de mensen deden het voor de abstractie van hun emoties, die ze op de straten smeerden en aan de muren kleefden, zoveel in herhaling vielen tot er niets meer van de oorspronkelijke betekenis te bekennen viel en in ons gesprek ook de laatste adem gestreden was en ik inhaakte.   Ik heb gehakkeld als volgt: On a parlé beaucoup ce soir, que’est-ce qu’on va boire? Pas hésiter, pas hésiter   Maar de twijfel was al in de lijn geslopen en ik had mijn stem verheven tot een wezen zo klein als de wereld soms ook wordt en zich dan opwerpt tegen de bolwerken die aan de muren gesmeerd een betere naam krijgen zoals de geabstraheerde emotie die in de mensen schreeuwt om een stem.     Ik had al eens het verre weg beleeft, hier, in de tegemoetkoming met een verleden. Daar leerde ik de ingang van de waanzin kennen als een scherpschutter op het puntje van mijn tong waar de woorden reeds klaarlagen en schokten en beefden om een extase te bereiken waarin ieder persoon brak onder de druk en invloed gebracht van de adrenaline die als het ware de riolering van de behuizing genoemd kan worden; waar de mensen huizen, daar beweegt het weinige als een springveer die zijn armen samenbrengt en de vuisten balt tot spiermassa.       Hoe het alom gekende schudt tot een holle spier Hoe de wegen kruisen tot machines met bijgevolg ontmoetingen, steden die in hun onderweg zijn geboren worden Hoe ik jij en wij en het Ego de weg aflegden met alles en niemand rond ons met de de hemellichamen boven en de streep van rood vuur die uit het volk hun monden naar ons wees “boven” - er was alleen maar boven ons als bewijs van onze moment die zich nu pas langzaam ontspon en nu pas en nu pas en vroeger was er niet meer toen was alles zwart en nu zal alles opentrekken en kan ik tevreden naar boven staren de ik en de jij van de luchtwegen die ons hier nu vertegenwoordigt en zo zal alles hier dan blijven tot ons gemaakt. (Dat.)                                          

Dries Verhaegen
5 1