Zoeken

Jij werd een paradoxaal dubbelwezen (B. Schierbeek (De andere namen))

En jij werd je mond die sprak en nimmer aanstaande weken at of dacht, omdat je niet dacht wat je was of was wie je dacht. Er vormde zich een kieskeurige lach op je aangezicht die danste. Weinigen twijfelden er nog aan: wij zouden wel overwinteren. En zo werd de plaats al gauw de plaats geruimd en in de kiem gesmoord zoals ze zouden zeggen als niets nog echt was alleen maar virtueel zoals tussenin mij: jij. Jij bestaat alleen maar bij mij zei hij En wij bestaan alleen maar erbij dacht hij erbij. Zo dat staat netjes: ergens waar ik me tegoed doe aan jou. Hij keerde zich de rug toe en zijn rug draaide mee en hij keerde zich de rug toe en zijn rug draaide veel meer dan hij en hij bedacht zich: niet alles is rond. Buiten regent het, de stoelen zullen niet overblijven maar zij die zitten in het café, buiten zal het waaien, zij die overblijven zullen zich het zat van de mond vegen en opnieuw worden geboren uit hun dronkenschap,   alleen omdat ik dat wil.   Jij werd een paradoxaal dubbelwezen en leidde een alter ego de hoek om jouw buurt in hier hield jij de touwtjes stevig in handen en de broekspijp omgerold sta jij wel je personage te hulp: je biedt hem een stevige hand aan en leidt hem, soms zul je blij zijn en soms zal je weigeren jezelf nog te zijn maar gelukkig werd jij een paradoxaal dubbelwezen met een dubbel geweten dat zingt en mijn geklungel werd geapprecieerd door zij die dubbel stonden van het lachen dat ze niet meer uit zich kregen dus kermend kwam mijn schaduw de hoek om, alles is oké, buiten zal het regenen en waaien maar wij zullen blijven bestaan lieve.   ------------------------------------   Zo zit dat dus de staart in de achterkant in elkaar de volgorde: van voor naar achter van links naar echt. Alles is pas virtueel als we erin geloven. Met beide benen zul je altijd in de maling genomen worden en nooit apart maar neem je jezelf nu eens bij de handen en lach? Nee nooit was er genoeg zat zijn. Klein klein wezentje, wat doe je in theorie en wat doe je in praktijk? Wat doe je in de hersenpannetjes en wat doe je in mijn maag? Wat heb ik je misdaan, is het misschien een gezwel dat ik je in nestelde en jij die dacht: wel nu ben jij aan de beurt en ik die hier zit, ik en mijn gezwel, zucht wat gaat de tijd snel. Wat gaat de ziekte snel, en redt hij mij of ik hem? Wat kunnen we zonder elkander en wat keert hij om?Wij denken de perceptie meneer.   Nee niets of niemand meer dan mezelf, noem me Aldo zei hij me, de Italiaan en vraag aan Mauro kent hij nog Aldo (hij was zijn jeugdvriend); van toen hij 8 en toen hij dacht: laat mij je helpen. En helpen deed hij maar ook Aldo is ietwat paradoxaal misnoegd en verzuurd en geen jongens enkel mooie jonge meisjes als ze mooi zijn hehe Aldo jij dus ook? Aldo Dubbelwezen kent zichzelf maar wij twijfelen nog even. Wij leerden Aldo net kennen en kneden hem al naar ons gedachtengoed en helpen hem zichzelf te kneden. Italianen in Hasselt bestaan niet meer. Alleen maar verstaan we ze en helpen we ze liefst. Dat ik in sé niet bestond voor hem maar hij kende me nu en kon wel eens op me rekenen maar ik gaf hem steeds andere namen en hij leidde een relatief paradoxaal dubbelleven dankzij mijn toedoen.   Zijn nationaliteit is niets van zijn identiteit. Zijn geweten laat hem nochtans niet met rust, toen hij, ietwat nostalgisch vertelde dat hij 18 of 19 of ik was er niet bij maar hij schoof wel aan tafel bij de racistische schoonvader die hem niet mocht onder tafel maar kom nou, hij schoof wel bij en zei: ik ben niet banaal, ik ben niet Italiaan, ik ben paradoxaal genoeg een gepardonneerd scherpschutter en in mijn verheven stand zal ik nooit doden, dat heeft hij ook nooit gedaan, maar ik schuif nu bij en als het u even niet stoort, uw dochter en ik, wij zullen blijven bestaan als ik ze aan mij verteld krijg nu. Buiten zal het vanalles en nog wat maar aan tafel zitten zal ik.     Hij verschoof zijn dubbelleven   in twee stukken: zwart en wit.     Nergens nog voelde ik de voldoening naar me kruipen dus ik kroop naar hem, ik schoof hem mijn handen toe en weigerde beleefd te slapen. Ik was oververmoeid en eindelijk mooi. Mijn handen bleven schoon maar iemand zorgde voor mijn onder- gang en doopte mijn schuld in een zaterdag. Zaterdag wachtte ik op jou. We deden een gesprek. Weer werd er tweemaal een vallende ziekte gevonden en ontbond die zich tot troetelnaampje, ik noem je zo want je was toen mijn persoonlijke ziekte die ik ondervond en bewoonde. Jij werd draagbaar omdat ik je zo noemde, deze plek had geen geheimen meer voor ons. Onder elke steen streelde ik de woorden die over ons waakten want woorden zijn andere plekken die we erbij verzinnen en nodig hebben, soms, als het waait en huilt buiten dat ik geen naam heb en jij me zult blijven bestaan. _______________________   En je mond die sprak, nooit zou ik vergeten wat een plek was geworden en mezelf toesprak in de serene aandacht die je voorschotelde op de meest onnavolgbare momenten, ik luisterde aandachtig en keerde mezelf weer om en mezelf keerde zich weer om en -   We liepen onszelf bijna te pletter maar noemden het liefde. Deze stad was er ideaal voor, iedere weg ontspon zich in de naasten naast ons en wij weigerden maar de kieskeurige lippen te benoemen voor wat ze echt waren, spraakzame ambacht, die de treurnis zichzelf noemde in de plaats waar ze was en aanstalten maakte zichzelf te verzinnen want weet je nog hoe alles virtueel was hier.   De Italiaanse luchtmacht die me voor de ogen danst virtueel De weinige woorden die kermen en vormgeven dansen maar zijn ook virtueel Jouw blik op mij gericht looking at people looking at me virtueel en erbij verzonnen op de koop toe. Dit is het volk. Ze staren naar mij die zich omdraait en mijn ik die zich draait in zijn draaien ik waai en storm maar ze blijven staren dus ik weet ik zal blijven bestaan net zoals een stad zal blijven bestaan want ook hij heeft een naam die bestaan heeft, en als de stad zich keert zo ook ik. De stad is mijn rug en ik zoek hem. Ergens moet er meer zijn van dat waar ik aan de mond de lippen zet. The usual: Smalltalk, smalltown DJ play the song please bzzzzt zegt de DJ Bronski Beat in de oren en zo rap dat dat gaat dat praten op café als we het zat van onze mond vegen en geeuwen en zeggen dat dit altijd zo zal zijn en nooit zo zal blijven wegkwijnen. Ik zit en staar en zo u ook Aldo die heel de tijd geeuwt en de snelle mensen vertraagt. Ergens kermt een woord, de wind blijft en wij ook.

Dries Verhaegen
0 0

Stadslichaam 2

Wetende waar de steegjes uit bestaan doe ik het raam dicht. Zodat weten weten blijft, Ik weet ze wel te vinden en lik me de verwaande lippen van de zinnen, mijn handen sluiten aan en worden dingen.   De lucht oogt clandestien. In dit oord kan ik ademen. Twijfel sluipt door weinig heen; mij binnen. De huizen branden in kamers. De stad biedt een zwart gat aan waanzin en wikt de woorden.   Wat ze zeggen blijft je bij, niets is je nog onbekend en blijft in je hangen, zo bestaat de plek in jouw plaats.   En al wie nee zei wilde ik ter plekke namaken.   Hij sloot zijn ogen de bewoner en maalde er niet om, hier kon hij wel wonen en hij sloot de ogen meermaals voordat hij ze sloot, dit is wat hij nog zag, hij lag in de kou de vrouw te verdragen want die zijn er hier in overvloed in de schemering van schermen licht waarin alles ademt en gaat, en hij sloot meermaals zijn handpalmen tot ogen en zijn rug keerde hij tot bolletje en zijn lichaam, dit spreekt voor zich vroeg hij zich of hij wel deugde bij de medemens maar wat kan hij nog spreken als hij zichzelf niet ziet? Nee aan de verbreding van de gang die zijn gang gaat in stilte, dit is wat hij het liefst tegen de stroom in zegt zodat weinig nog vanzelfsprekend baat en zijn ogen laat hij hoe hij ze laat: verlaten en verder:   Nee aan de man, omdat hij alles al zal, omdat al die zal al valt bij de minste straat die schoongeveegd de kuisheid zwaarder maakt maar minder kon je niet verwachten in het gat waar de liefde al in viel.   7 keer 7 op 7 bestaat de stad opnieuw en opnieuw en   dit weten we: wat we spreken in strokende woorden met ambacht bereik je toch alles al? Herhaling in verval. Niemand die nog iemand zwaait. Herkenning die we koesteren in de woelige dag die de nacht verprutst. Licht speelt hier een rol die ademt. Ik zet de plaat op waar ik op zit en weeg de klank. De conclusie laat weinig onduidelijk:   Ik heb geen alter ego meer.   Mijn naam is een plek en mijn standplaats een vriend die angst onder de rode arm draagt, rood van het zwoegen en de inspanning toont zich in de laatste uren vrijheid, die is keurig en die is aanwezig. Meer moet er niet voor ons. Wij weten weinig en dat maakt ons in de meerderheid.   Ik ben je al lang kwijt. In de binnenkant van het lichaam dat ik al draag een resem woorden.   Wil je groter worden, dan doe je dat zo; verhuizen en ontwarren die plekken, de stad verkoopt zich niet. Waar vond je laatst jezelf waar je zelf was?

Dries Verhaegen
16 0