Zoeken

Tip

portret van man

Door de manier waarop hij liep leek hij de kale bevolking te vertegenwoordigen. Maar een kaal kapsel maakt je niet haarloos. Zijn rosse baard stond namelijk als een imposant monument te pronken op zijn kin, die hij duidelijk niet voor de eerste keer samen met zijn kromme neus trots in de lucht stak. Mager als een tak droeg hij een zwarte t-shirt dat hem niet flateerde en wist hij zichzelf op theatrale wijze tussen de kleinste vrije gaatjes op het overbevolkte plein te wringen. Hoe zit dat met mensen die zich niet volgens hun lichaamsbouw kleden? Anders vragen we het hem eens. Eens hij uit de menigte kwam, zagen we in zijn hand het klein leren mapje waarin hij al zijn geheimen verborgen houdt. Geheimen over kaal zijn en het hebben van een rosse baard. Naast hem liep er een vrouw. Met grote woorden leerde hij haar een les en af te leiden uit de snelheid van hun passen ging die les over haast. Ze moesten namelijk op tijd komen bij zijn theater. De voorstelling waar hij afgelopen maanden hard aan gewerkt had, ging vanavond in première en moest fantastisch zijn. Maar op de trap voor zijn geliefde theater hadden een tiental mensen plaats genomen, en dat kon in geval van haast wel voor de laatste druppel zorgen. Met een liefdevolle toon vroeg hij hun om weg te gaan. Geen reactie werd er door de trapzitters gegeven. Als een ballon die op ontploffen stond keek hij de trapzitters machteloos aan. De kale man gromde en vloekte toen de sleutel niet uit zijn zak komen wou, de woede was hem nu echt naar het hoofd gestegen. De voordeur die met een slag opgengeslagen werd waarin vervolgens hij verdween, was de voordeur waarin hij een moment later terug verscheen, zijn hoofd even rood als de brandblusser die hij in zijn hand vasthield. Ze hadden duidelijk de foute dag uitgekozen om op zijn trap te komen ziKen. En met één handbeweging spoot hij ze er allemaal af.  

Tess Declercq
111 3

Nieuwsgierigen, blijf weg

Alsof we moesten kiezen tussen sterk zijn of gek worden, lazen we Chateau fort en Chateau de la folie op twee pijlen die elk een andere richting uit wezen. We speelden blad steen schaar en Nino won, dus trokken we naar de versterkte burcht. Die deed met zijn spitse toren en rode luiken minder Middeleeuws aan dan verwacht. Op de binnenkoer trok een man onkruid van tussen de kasseien en gooide het meters verder in het gras. Hij droeg een pet voor grootvaders of hippe stedelingen. Zijn ogen waren van zulk een warm bruin dat hij aan de aarde ontsproten leek. Nino zei bonjour tegen iedereen die zijn pad kruiste, terwijl ik dat steeds vergat. ‘Bonjour’, echoode de man, en ik na hem. Blij met ons onverwacht bezoek toonde hij ons de kasteeltuin, een droge bedding waarin enkele kalkoenen rondscharrelden die ons algauw even nieuwsgierig gadesloegen als wij hen. ‘Woont u hier?’ De man knikte. ‘Een erfenis waar je arm van wordt’, lachte hij. Hij wees naar de gevel, prevelde iets over de graaf van Henegouwen in de twaalfde eeuw en over een tunnel. Op zijn onderlip kleefde het tipje van zijn sigaret, die balanceerde op het ritme van zijn woorden zonder uit zijn mondhoek te donderen, een kunstje dat jaren ervaring verried. Nino vroeg hem wat over de steengroeves in de buurt. De man zei dat die nu gevuld waren met water en dat er tot op enkele jaren geleden in werd gedoken. Maar het water was zo duister dat een zestal duikers niet meer boven waren gekomen. Toen werd het duiken afgeschaft. Nino bleef er opmerkelijk emotieloos bij. Misschien had hij aanvaard dat de steengroeve almachtig was en mensen opslokte die zich te diep in haar buik waagden. De man wou ons nog de wapenzaal van het kasteel tonen, maar we bedankten vriendelijk en zetten onze tocht verder.  ‘Alweer iemand die ik niet licht vergeet’, zei ik. ‘Dat komt omdat hij op Bubu lijkt’, zei Nino.  ‘Je hebt gelijk’, zei ik, ‘Goed dat er meer dan één Bubu rondloopt.’ Ze waren wars van hypes en toch hadden ze charisma, omdat ze zich nergens wat van aantrokken. Ik vroeg me af op welke leeftijd ik het Bubu-schap zou bereiken.  Op het marktplein hielden we halt bij wat leek op de snel woekerende plant uit Jaap en de Bonenstaak. Ik haalde mijn gsm boven en opende een app om planten te determineren. ‘Anna Paulownaboom’, zei ik, ‘een sierboom uit China’. Nino lachte, omdat de bladeren gaten hadden en bruine randen, en dus geen recht deden aan de sjieke vrouwennaam en het label sierboom. Hij stak de draak met me omdat ik de natuur wilde kennen via een app. ‘Ik geniet van de namen’, verdedigde ik me. ‘Zilverschildzaad, Schietwilg, zwavelzwam’.  ‘Je houdt nog steeds meer van woorden’, zei hij.  Een lege batterij met een rode streep verscheen op mijn scherm. Twee procent had ik nog. ‘Wat is er?’, vroeg Nino. ‘Niks, waarom?’ ‘Je staat zo gebogen. Maak je je zorgen?’ ‘Ik wil graag verder rijden’ Even verder blonk een zwarte oldtimer op de oprit van een bungalow. ‘Arthur Haily’ was het automerk waar ik nog nooit van gehoord had. Op de voorruit prijkte een papier met een gsm-nummer en het order ‘Curieux, ’s abstenir’. Nieuwsgierigen, blijf weg. Het stak af tegen de frivoliteit van de wagen. Zeker nu nieuwsgierigheid een misdrijf bleek, zocht ik op mijn bijna platte gsm wie Anna Paulowna was. ‘Een Russische grootvorstin en de echtgenote van Willem II van de Nederlanden.’  ‘Maar wat heeft ze met die boom te maken?’, vroeg Nino. ‘De Duitse botanicus Philipp Franz von Siebold had deze boom uit China naar Europa gebracht en vernoemde hem naar Anna Paulowna als eerbetoon, omdat ze zo invloedrijk was in Europa.’ ‘Ik had nog nooit van haar gehoord’, zei Nino. ‘Elke vraag roept weer een andere op. Wie is die Duitse botanicus, en waarom was hij gefascineerd door de Nederlands-Russische keizerin? Hadden ze elkaar goed gekend, hadden ze een affaire?’ ‘Dus je zoekt dingen op die je telkens naar andere leiden, zoals een boom zich vertakt’, zei Nino.  ‘Wist je dat die boom vuurbestendig is? En dat ze er ski’s van maken?’ Nino lachte. ‘Dit valt onder verslaving.’ De batterij lichtte weer op, en doofde uit. Weg met de nieuwsgierigheid.  ‘Nu ben je alleen met jezelf’, zei Nino. ‘En met mij.’ (Dit is een fragment uit mijn manuscript 'Nino')

Pons
10 0

De Grote Politieke Show!

In een land hier ver vandaan—nou ja, eigenlijk gewoon hier om de hoek—stond een grootse verkiezingsstrijd op het punt los te barsten. De arena: het politieke podium. De hoofdrolspelers: onze geliefde politici. Volledig uitgerust met frisse pakken, stralende glimlachen en een eindeloze voorraad loze beloften. De Opkomst De eerste kandidaat, een meester in het spreken zonder ooit iets te zeggen, betreedt het podium. Laten we hem Bartje Blabla noemen. Bartje belooft alles en nog wat: gratis huizen, lagere belastingen, en elke vrijdag een gratis frietje voor iedereen. Het publiek gaat uit z’n dak. Ze weten al dat het te mooi klinkt om waar te zijn, maar ach, gratis friet is altijd goed. Dan is er Sofie Sprookjes, die beweert dat ze de files zal laten verdwijnen. Hoe? Door "strategisch geplaatste regenbogen" te bouwen waar auto's overheen kunnen rijden. "Innovatie!" roept ze vol overtuiging. "We zullen samen door die regenboog rijden naar een betere toekomst!" Het publiek knikt, hoewel niemand echt begrijpt wat ze bedoelt. En natuurlijk kan Gerrit Grootspraak niet achterblijven. Zijn specialiteit? Zijn stem verheffen zonder dat er inhoud in zit. "Wij zullen het tij keren! Een nieuwe dag is aangebroken!" schreeuwt hij met uitgestrekte armen, alsof hij een soort politieke Jezus is. Maar niemand weet precies wat die nieuwe dag inhoudt. Boeren? Regen? Niemand die het weet. De Verkiezingen Na een maandenlange campagne vol kleurige posters, nietszeggende leuzen en overvolle markten waar kandidaten handen schudden met baby’s en honden (want iedereen weet dat hondenstemmen cruciaal zijn), is het moment eindelijk daar: de verkiezingen. De stemmen worden geteld en... jawel, Bartje Blabla en zijn team van onzichtbare daden winnen! De Daden (of het gebrek eraan) En dan komt de echte test: regeren. Bartje staat nu op het punt om zijn wonderlijke beloften waar te maken. Maar zodra hij z'n stoel in het bestuursgebouw warmt, blijkt dat zijn geliefde frietjesbudget ergens is verdampt tussen de koffieautomaten en de jaarlijkse kerstborrel. "Ach," zegt hij nonchalant, "we moeten eerst even een paar onderzoeken doen. We willen toch wel weten wat voor sausjes mensen erbij willen." Sofie Sprookjes? Haar regenboogplannen worden geschorst, want de regenboogbruggen bleken toch net iets te duur. "We hadden het regenboogfundament iets steviger moeten maken," mompelt ze. Ondertussen verandert het fileprobleem in een dagelijkse snelwegpicknick. En Gerrit Grootspraak? Nou ja, hij blijft gewoon dingen roepen vanaf de zijlijn, met dezelfde retoriek als voorheen. "Een nieuwe dag zal komen!" blijft hij volhouden. Wanneer? Dat blijft een mysterie, zoals het recept van cola of waarom sokken altijd verdwijnen in de wasmachine. De Uitsmijter Zo gaat het leven verder in het politieke circus. Verkiezing na verkiezing, met steeds nieuwe beloften en steeds dezelfde uitkomst. Politiek in dit land is als een grootse toneelvoorstelling: iedereen klapt aan het einde, ook al hebben ze geen idee wat ze zojuist gezien hebben. Veel blabla, weinig boem boem—en dat is precies zoals ze het gepland hebben.

Guy Van Damme
32 1

De Put

De avondzon blonk op het wateroppervlak van ‘de put’, een groot meer dat ontstaan was door de ontginning van wit zand. De drie gele boeien die als bakens dienden voor de zwemmers waren door het tegenlicht amper zichtbaar. Het zou weer moeilijk worden om een rechte baan aan te houden tijdens het zwemmen. Het was zo’n slordige 650 meter heen en 650 meter terug, gaven de sporthorloges aan. Vandaag wilde Johan drie keer op en af zwemmen, dus hij zou iets meer dan een uur in het water liggen. Zo had hij het ook tegen Tine gezegd, die altijd een beetje ongerust was als hij in open water ging zwemmen. Zeker in ‘de put’. Die was op sommige plaatsen meer dan vijftig meter diep. Het bedrijf dat hier aan zandontginning gedaan had, had maar de toestemming gehad om maximaal 30 meter diep te gaan, maar een tiental jaar geleden bleek na grondverzakkingen rond het meer dat ze zich daar allerminst aan gehouden hadden. De stad had prompt de concessie niet verlengd en sindsdien lag de oude zandontginningsgroeve er achtergelaten bij. Al het materiaal dat het bedrijf nog had kunnen gebruiken in een andere groeve hadden ze meegenomen. De rest was slordig blijven liggen en werd ondertussen overwoekerd door plantengroei: metalen pijlers, prikkeldraad, een paar Herashekken, een isomo vlotter die tussen het riet beland was... Het gebied was na het aflopen van die concessie vrij toegankelijk geworden en drie jaar geleden kreeg de plaatselijke zwem- en triatlonclub de toestemming om er openwaterzwemmen in te organiseren. Ze moesten zelf een redder voorzien, iedereen moest een wetsuit dragen en een zwemboei om het middel hebben. Niemand mocht alleen zwemmen. De clubs organiseerden het zodat aan alle eisen voldaan werd en sindsdien werd er in het zomerseizoen twee keer per week in gezwommen. De drie gele boeien lagen er om te vermijden dat zwemmers tegen elkaar opbotsten. Johan woonde vlakbij en had thuis zijn wetsuit al aangetrokken. Tine had hem moeten helpen met de ritssluiting op zijn rug, er dreigde een stuk vel tussen te geraken. Stiekem had hij het ook graag dat ze op die manier aan zijn lijf zat. Hij kon niet uitleggen waarom. “Could you zip me up, honey?” had hij gevraagd. Tine had niets geantwoord, maar hem toch met een soort van zachte vaste hand geholpen.  Een kus.  “Wees voorzichtig.”  “Doe ik.” Daarna was hij op zijn fiets gesprongen – het was een zot zicht zo met zijn wetsuit op zijn fiets, maar daar gaf hij niet om – en was hij tot op het schiereilandje gereden halfweg het meer. Vandaar zouden ze in westelijke richting heen zwemmen. Tegen de zon in. Steven was de redder vandaag en hij meldde zich bij hem aan. Er lagen al vijf zwemmers in het water en het was nog maar vijf over zeven. Eentje ervan, met een groene zwemboei en een blauwe badmuts, was al bijna terug. Die moest vroeger vertrokken zijn dan zeven uur, dacht Johan. “Dat is Walter,” zei Steven. “Hij wilt weer meer dan zeven kilometer zwemmen vandaag en is gemakkelijk twee uur bezig. Goed zot.” “Dat is niks voor mij.” “Dat is voor heel weinig atleten.” “Ik ga mijn uurtje doen en dan zal het wel genoeg zijn.” “Hey, en Walter die zwemt hard. Die heeft een tempo van 1’35” per honderd meter.” “Hij mag het hebben. Ik ben blij dat ik er een uurtje tussenuit kan pitsen. Met die twee kleine koters thuis.” “Dat is waar, dat maakt een heel verschil. Walter heeft geen kinderen.” “Dat doet me denken aan die meme op internet.” “Ik weet welke je bedoelt. Erwin heeft die gisteren nog doorgestuurd in de whatsappgroep, niet?” “Ja, die. ‘If you are still married, you’re not training hard enough!’” “Grappig, eh. En voor sommigen een beetje waar. Het kan niet anders of hun gezinsleven lijdt eronder dat die zo veel trainen.” “Zo waar. Ik ga mijn uurtje doen. Tot dadelijk.” “Veel plezier.” Johan blies zijn zwemboei op, zette zijn oranje badmuts op en deed zijn zwembrilletje om. De zon verblindde inderdaad. Walter was al weer heen aan het zwemmen. Het water was warm en helder. Hij liet er zich voorover invallen en was vertrokken. Na een paar meter al zakte de bodem zo diep weg dat hij niet meer zichtbaar was. Hier was hij nog niet zo diep, maar iets verderop waar het water wat kouder was, wist je dat het meer op zijn diepst was. Er waren atleten die hier niet zwommen, bang voor de diepte, of die enkel dicht langs de kant bleven, waar ze de bodem konden zien. De eerste keren dat hij kwam zwemmen had hij er ook aan moeten wennen. Nu nog hield hij soms zijn ogen gesloten onder water, of liet hij zich afleiden door het ritme van zijn slagen of door het ritme van zijn eigen gedachten.   ***   Drie kwartier later stonden alle zwemmers, buiten Walter, aan de kant toen de brandweer arriveerde met hun duikersteam. “’t Zal wel een vis zijn ofzo,” had Walter gezegd, “en als het een lijk is, dan is er nu toch niks meer aan te doen.” En hij zwom voort. De rest was te zeer aangeslagen en stond dicht bij elkaar, de bovenstukken van hun wetsuits uitgetrokken. Het geluid van Walters zwemslagen in de verte. “Waar hadden jullie het lijk gezien?” “Voorbij de derde boei, aan de rechterkant.” “Dat is in het diepste van de put.” “Daar ja.” “Blijft die andere zwemmer gewoon zwemmen?” “Blijkbaar.” “Mmm.” “We zullen eens gaan kijken met de boot. Er is volgens de politie geen melding van een verdwijning in de buurt, of van één of ander verdacht voorval hier rond de put, maar we zullen eens gaan kijken. Als we hem nog vinden.” “Hij bewoog precies niet veel.” “Ja, maar een lijk dat nog niet lang in het water ligt dat zweeft en zinkt zowat in het water. Je kan er geen staat op maken. Het kan goed zijn dat hij weer naar de bodem gezakt is. Ben je zeker dat het een lijk is?” “We hebben het met z’n drieën gezien. Een magere man.” “Dan komt hij wel bovendrijven.” Johan verzweeg dat hij vond dat hij op hemzelf leek in zijn jonge jaren. Hij was ook lang, ruim een meter negentig, en had lange haren gehad vroeger. Het was alsof hij in een spiegel gekeken had naar zichzelf dertig jaar geleden en de angst was hem om het hart geslagen. “Zo mager was hij nu ook weer niet, vind ik,” zei Peter. “Maakt niet uit, maakt niet uit,” zei de brandweerman. “We gaan de boot in het water laten en eens een kijkje nemen.” Alsof het afgesproken was, wandelde de vijf zwemmers naar het bosje vijftig meter terug waar Steven zijn strandstoeltje had neergezet. Vandaar had hij hen in de gaten gehouden en door zijn verrekijker had hij gezien hoe drie zwemmers plots stopten met zwemmen daar achteraan en druk gebaarden. Vandaar zwommen ze rechtstreeks naar de kant en kwamen te voet terug langs de oever. Hij wist dat er iets niet in de haak was en hield de drie overige zwemmers tegen toen ze hier vooraan bij hem passeerden. Walter was not amused, maar had toch gewacht tot de drie hun verhaal gedaan hadden alvorens opnieuw het meer in te duiken. Anders geraakte hij nooit aan zijn kilometers, zei hij. Geen van hen stuurde een berichtje naar het thuisfront. Ze belden. Johan had zijn gsm niet bij en mocht die van Peter gebruiken. “Kom maar eerst naar huis om kleren aan te doen,” zei Tine, “anders vat je nog kou.” “Het lukt wel, ik heb een trui en een handdoek bij.” “Hoe gaat het met je?” “Onder de indruk.” “Dat zal wel. Doe straks het verhaal maar dan. Ik hou van jou.” “Heel veel.” Anderhalf uur later stopte het duikersteam van de brandweer met zoeken. Ze hadden de boordlichten van hun boot ontstoken en de lichtvlek kwam snel dichterbij. “We zien niet genoeg meer. Het wordt te donker. We gaan morgen en overmorgen moeten terugkomen. Het lijk zal wel komen bovendrijven. Het is ook zo’n groot meer, en zo diep, we kunnen blijven zoeken.” Iedereen had aan de kant gewacht. Ook Walter. Hij had zijn zeven kilometer gezwommen, en zag er bleekjes uit. “Suikers tekort, voel ik,” zei hij. “Ik heb ook dik twee uur in het water gelegen, dan is dat normaal, zeker.” En hij stak wat koeken binnen. “Nog iemand?” “Nu zijn jullie voor niks opgekomen,” zei Steven. “Nee, nee, daarvoor zijn we er. En we hebben sowieso weer wat oefening gehad. Daar moet je niet mee inzitten. Het is goed dat je gebeld hebt. En ik heb het al gezegd, normaal komt een lijk na een dag of twee bovendrijven, dus dan vinden we hem wel. Maar we gaan inpakken en naar huis nu. Het wordt laat en nu gaan we hem toch niet meer vinden.”   ***   Johan vertelde thuis alles wat hij gezien en beleefd had. Ook dat hij zo geschrokken was, omdat het lichaam dat in het water lag, zo hard op zijn jonge zelf had geleken. Groot, mager, lange bruine haren. Tine legde haar hand op zijn borstkas terwijl hij het vertelde naast haar in bed en suste hem later die nacht toen hij in paniek wakker schoot. De zwemmers die het lichaam gezien hadden, vertelden thuis allemaal hetzelfde en hadden allemaal moeilijke nachten.  Er werd geen lijk gevonden in de dagen daarop. “Dat kan,” zei Raf van het duikersteam. “Dat gebeurt soms dat een lijk niet komt bovendrijven, zeker als er om een of andere reden een gat in het hoofd of het lichaam zit waardoor de gassen zich niet gaan ophopen en ja, een lichaam is op zich altijd zwaarder dan water, dus dan blijft hij op de bodem. Het kan dus, ja het kan.” De week erop stond Johan er opnieuw. Hij wilde zich niet laten doen door het beeld dat hem ongevraagd en onberekenbaar voor de geest kwam op de meest onmogelijke momenten. Het zou wel slijten, dacht hij. De andere zwemmers dachten er ook zo over, alleen bij Peter zou het een paar weken duren voor hij het weer aandurfde.  En wat ze gezien hadden, liet zich niet zomaar doen. Keer op keer op ongeveer dezelfde plaats zagen ze het lichaam onder zich in het water. De ogen sluiten hielp niet. Het werd voor de drie zwemmers een spookbeeld dat hen met lege oogkassen en teruggetrokken lippen aankeek vanuit de diepte, hen zelfs leek te wenken, te lachen, alsof hij wou zeggen: “Kom, kom, kom naar deze weldadige diepte.” En dat wenken, was nog het akeligst van allemaal, de angst sloeg hen telkens genadeloos om het hart. Toch bleven ze minstens één keer per week trouw opdagen om te komen zwemmen en leek het erop dat ze vertrouwd geraakten met de angst en de gedachte dat die jonge man eenmaal dood gezien, altijd dood gezien zou worden.

Hans Van Ham
21 1

DVW-A500

Toen we bij de televisie nog met tapes werkten, werd elke zomer een student ingehuurd om banden te wissen zodat we deze opnieuw konden gebruiken. Ik was in die tijd niet veel ouder dan de vakantiehulpjes en sloot dan ook snel vriendschap met deze eenzame stakkers die een hele zomer lang in een donkere cel zaten, de ene na de andere tape in de machine schuivend. ‘Zorg ervoor dat de band altijd contact maakt met de magnetische kop,’ was het voornaamste advies dat ik aan deze jonge collega’s gaf. Verder viel er niet veel uit te leggen. De tapes moesten volledig langs de magneet glijden, dus het wissen duurde even lang als de band. Zelf werkte ik toen als monteur van trailers even verderop in het omroepgebouw. Ik maakte filmpjes van 30 seconden waarin ik alle hoogtepunten van de komende tv-programma’s stak. Soms was het zoeken om die halve minuut te vullen. Maar ik amuseerde me wel, er waren leuke collega’s en ‘s middags namen we lange pauzes. Alleen de jongen uit de donkere cel kwam nooit mee, hoezeer ik ook aandrong (niet overdreven hard, moet ik toegeven). Hij had van de baas een hoeveelheid te wissen tapes per dag gekregen en om dit te halen moest hij permanent in contact met de allesverterende magneet blijven. Hij zag die zomer amper zonlicht en werd wegens zijn ongebruinde huid op den duur “de witte wisser” genoemd. Zijn echte naam vergaten we al voordat zijn contract afliep. Op een van zijn eerste dagen klopte de wisser aan bij mijn montagecel.  ‘Ik weet niet of ik bij u moet zijn,’ zei hij terwijl hij in de deuropening aarzelde, ‘maar ik zoek een scherm.’ ‘Waar heb je dat voor nodig?’ Ik had niet veel zin om op te staan – het was een kwartier voor de middagpauze. ‘Ik zou graag zien wat er op de tapes staat,’ zei hij stil. Hij keek naar zijn schoenen. ‘Ik weet niet of dat mogelijk is, maar ik zal de Zebra vragen of hij eens komt kijken.’ ‘Dankuwel…’ De woorden bleven langer in mijn cel hangen dan degene die ze had uitgesproken. Tijdens de middagpauze vroeg ik het aan de Zebra, een oudere collega die altijd afgewassen streepjes-T-shirts droeg. Het was een technicus van de oude stempel die nog elk apparaat kon openen en herstellen met de schroevendraaiers die aan zijn riem hingen. Hij leefde voor dit soort klusjes. Later die dag stak de Zebra zijn hoofd bij mij binnen met een brede glimlach tussen zijn grijze baard. ‘Ik heb de wisser in gang gezet! Hij kan nu elk beeld zien een halve seconde voor het voorgoed gewist wordt. Ik heb de leeskop in de tape-machine een beetje naar voren getrokken en daarop de output naar de monitor geschakeld. Je moet mij die DVW-A500 niet leren kennen…’ Hij ging nog even door over types kabels en de geschiedenis van de videotape maar ik was toen al niet meer aan het luisteren. Kort daarna begon mijn vakantie en toen ik terugkwam was de bleke jongen samen met de tapes gewist. Het maakte allemaal niet veel uit. Een tijd later leerde ik Sonja kennen en zocht ik een baan dichter bij haar. Mijn tv-jaren waren voorbij.   Vandaag bezocht ik met mijn zoontje de dierentuin. Het is het enige weekend van de maand dat hij bij mij is (Sonja’s moeder is advocaat). We bekeken de rode panda’s, de sneeuwtijger en andere spectaculaire dieren en haastten ons toen naar de uitgang. De kleine moest op tijd thuis zijn of Sonja zou woedend zijn. ‘Kijk, papa!’ riep het kind terwijl ik naar mijn horloge keek. ‘Paarden met strepen!’ Ik keek al lopend opzij en zag inderdaad de zebra’s maar mijn blik bleef hangen aan de verzorger die hun uitwerpselen bijeenveegde. Ik kende dat gezicht: het was de witte wisser. Ik stopte zo bruusk dat mijn zoontje tegen me aanbotste. De jongen, die nu geen jongen meer was en door het buitenwerk ook niet meer wit, had me ook herkend en liet de zebrastront even voor wat hij was.  ‘Wacht, ik kom,’ riep de nu gebruinde wisser en verliet het dierenverblijf via de beveiligde sluis. Ik kon niet veel anders doen dan wachten.  ‘Ken jij de meneer van de zoo, papa?’ vroeg mijn zoontje. Ik zag dat hij onder de indruk was. Dat, en het feit dat we nu sowieso te laat bij Sonja zouden zijn, maakte mijn dag goed. De witte wisser kwam tevoorschijn tussen het voortschuifelende publiek, veegde zijn rechterhand af aan zijn overall en stak die naar me uit. Ik schudde de nauwelijks propere hand. ‘Jij… hier… in de zoo,’ zei ik. Ik deed geen moeite om me zijn naam te herinneren. ‘Ja, gek hè? En jij, nog altijd bij de tv?’ ‘Nee, dat is lang voorbij.’ Onwillekeurig aaide ik het haar van mijn zoontje. De witte wisser keek even rond, als om te zien of niemand meeluisterde. ‘Heb je even tijd?’ vroeg hij. Ik dacht aan Sonja en zei ‘ja’. ‘Zijn er ooit problemen geweest met die tapes, je weet nog wel, die ik toen moest wissen?’ ‘Problemen? Hoe dan? Ben je toen ontslagen of zo?’ Ik rekende uit wanneer het ook weer was dat hij in contact stond met de magneetkop. Het was twee jaar voor ik stopte, dat was dus de zomer van ‘13. Een tijd van onschuld en geluk. ‘Ik heb toen een, hoe zal ik het zeggen, een rare ervaring gehad met die tapes.’ Ik besefte nu dat ik in ‘13 nooit veel met hem had gepraat. Wat wist ik eigenlijk van die kerel? Was het zo’n complotdenker? Straks kreeg ik nog een preek over de corona-vaccins. Ik keek opvallend naar mijn horloge. ‘Weet je, ik moet toch voort. Deze jongen moet op tijd naar bed.’ Ik wees naar mijn zoontje. De wisser scheen het niet te horen en ging door met zijn verhaal. ‘Ik had toen die monitor waarop ik de beelden kon zien voor ze vernietigd werden. Dat had die oude grijze met zijn streepjes-T-shirts geregeld. Ik wilde dat echt graag. Het was zo triest voor die tapes dat niemand ze een laatste blik gaf.’ ‘’t Waren toch maar tapes?’ ‘Ik bedoel de mensen die erop stonden. Het waren oude opnames van die bekende quiz uit de jaren negentig…’ Hij verwachtte dat ik de naam van het programma noemde, maar zoals veel mensen die bij de tv werkten, keek ik zelden naar dat onding. Ik liet de stilte vallen tot hij ze weer opraapte. ‘In het publiek in de studio zaten allemaal oude mensen, ze waren misschien al dood toen ik hen wiste,’ zei hij. ‘Tja,’ zei ik, ‘zo gaat dat.’ ‘Papa, ik moet naar de wc,’ zei mijn zoontje. ‘Ik vrees dat wij verder moeten, man.’ ‘Nee, kom maar mee. De personeelstoiletten zijn veel properder en weet je’ – hij richtte zich nu tot mijn zoontje – ‘dan kan je ook de baby-zebra’s zien.’ Hij gaf een knipoog. ‘Mag het, papa?’ ‘Oké dan.’ De witte wisser nam ons mee achter de schermen van de zoo, waar een penetrante dierengeur hing. Hij toonde de weg naar het toilet en mijn zoontje holde erheen. ‘Misschien beter dat hij dit niet hoort,’ zei hij nu met een ernstig gezicht. ‘Het waren niet alleen bejaarden die ik wiste. Koffie?’ Voor ik kon antwoorden, zette hij twee kartonnen bekertjes in een roestig koffieapparaat. ‘Hij is hier beter dan op de tv,’ zei hij. ‘Dat is niet moeilijk, dat spul was niet te zuipen,’ zei ik. We lachten, maar kort. ‘Op een dag zat tussen het publiek de buurman van mijn oma, een sympathieke oude vent die ik goed kende omdat ik zijn gras maaide.’ Dit verhaal ging nergens naartoe. Zodra het toiletbezoek voorbij was, zou ik vertrekken. Tot dan knikte ik en zei af en toe ‘hm-hm’. ‘Het voelde fout om Omer te wissen, maar ja, zoals jij zegt: het waren maar tapes. Maar toen ik ‘s avonds thuis kwam, hing mijn moeder met oma aan de telefoon. Omer had die middag een hartaanval gekregen. Onmiddellijk dood.’ Hij zweeg terwijl hij me aankeek. De wc werd doorgespoeld. ‘Vanaf toen kwam ik elke dag vroeger naar het werk, soms als het nog donker was.’ Dat verklaarde veel. ‘Zo had ik tijd om de tapes te bekijken – fast forward, natuurlijk – voor ik ze wiste.’ ‘De presentator en de BV’s stonden er toch ook op, en die leven helaas nog altijd,’ zei ik. Afronden met een grapje. Waar bleef mijn zoontje? ‘Ja, natuurlijk, ik ben niet gek, hè,’ zei hij, ‘maar misschien versnelde het iets wat er al aan zat te komen?’ ‘Zoals bij die buurman?’ ‘Of zoals bij de Zebra,’ antwoordde hij razendsnel. De Zebra? Wat had die ermee te maken? En waar zat die kleine? Ik riep zijn naam, maar het enige antwoord waren dierengeluiden: gehinnik, gegrom. ‘Hij is naar de baby’s,’ antwoordde de witte wisser op mijn niet gestelde vraag en ging meteen verder: ‘De Zebra, ja. Een van de tapes was jullie personeelsfeest, de barbecue aan het begin van de zomer. De studenten waren niet uitgenodigd. Ik snap wel waarom die zo snel gewist moest worden. De Zebra die op tafel danste, jij met Ella van de boekhouding… Is zij de moeder?’ Hij draaide zijn hoofd in de richting van de dierengeluiden. ‘Oké, vriend, het was leuk om wat herinneringen op te halen, maar nu is het genoeg. Waar is mijn kind? Ik wil weg.’ ‘Geduld… nog koffie?’ ‘Nee.’ Ik gooide mijn verfrommelde bekertje naast de vuilnisbak om mijn punt te maken. ‘Toen ik de tape van jullie gore feestje wiste, weet je wat er toen gebeurde? Een van de grote lampen in de studio kwam los, en je raadt nooit wie er net onder liep?’ Hij moet de angst in mijn ogen gezien hebben, want hij grijnsde kort voor hij verder sprak. ‘De Zebra, natuurlijk, op slag dood. Maar toen was jij op vakantie met weer een andere griet.’ ‘Ik dacht dat die met pensioen was? Wat ben jij hier eigenlijk aan het vertellen? Ik ga mijn zoontje halen.’ Ik liep de gang in waarin het kind was verdwenen. ‘Voorzichtig,’ hoorde ik achter me, ‘je kunt niet zomaar elke deur opentrekken. Hier zitten niet alleen zebra’s.’ Ik draaide me met een ruk om. ‘Stop met die flauwekul, gast! Geef mijn kind en laat me gaan!’ ‘Toen vijf jaar geleden de inboedel van de omroep werd geveild, ben ik teruggegaan. Ik herkende de tape-machine meteen. De sticker met het zenderlogo die half afgescheurd was, de slordig gesoldeerde kabel, ja dat was mijn bakje. Ik heb het gekocht voor 99 euro.’ Hij opende de metalen kast naast het koffieapparaat. Daar stond de DVW-A500. De lichtjes op het toestel brandden, een zacht gezoem sidderde door de kast. ‘Ik heb de beveiligingscamera’s erop aangesloten,’ zei hij en wees naar een plastic koepel die boven de deur hing waardoor ik was binnengekomen. ‘Jij en je kind staan erop.’ ‘Godverdomme, vent, waar ben jij mee bezig?’ Ik greep hem bij de kraag van zijn stinkende overall. ‘De machine loopt,’ zei hij, ‘alles wordt gewist.’ Ik duwde hem opzij, trok een van de deuren open en riep de naam van mijn zoontje. Het was een bezemhok. ‘Ella was mijn zus, weet je.’ De tweede deur was de verlaten wc. ‘Ze was zwanger. Van jou, op de barbecue.’ Uit de derde deur kwam een vreselijke geur van dieren en stront. Het was er donker, ik zocht naar de schakelaar. ‘Ze ontdekte het tijdens je vakantie en is toen op de zendmast van de omroep geklommen.’ Het licht ging aan: een miezerig peertje verlichtte de kamer, of was het een kooi? Ik liep in een plas, geel, stinkend. ‘Mijn eigen schuld, zeker?’ klonk de witte wisser uit de verte. ‘Ik had haar ook gewist op de tape van het feestje.’ Dieper in de kooi, waar het licht niet kon komen, klonk een diepe grom samen met een klaaglijk janken. ‘En nu jullie twee… ik ben benieuwd.’ Ik ging de duisternis in.  

R.F.G. Vandenhoeck
21 1

Het gevierde viertal

Zij kwamen uit de vier windstreken voor het festijn aan het begin van de herfst. Over stad en land weerklonken klaroenen en bazuinen en veelkleurige vaandels kronkelden boven de wallen als duivels in wijwater. Ridder Ferguut gaf zijn zwarte hengst de sporen om als eerste bij de valbrug af te stijgen. Met zijn uit duizenden herkenbare bariton liet hij zich bij de vorst aankondigen. Kort na hem verscheen vrouwe Agete, gehuld in een karmijnrode kaproen. Zonder haar stem te verheffen betrad zij de stad, de wachters aarzelden niet om deze vermaarde speelvrouw met haar onafscheidelijke schalmei door te laten.  Als derde meldde zich de nar Esmoreit met zijn stoet van dobbelaars, messenwerpers en vaganten. Esmoreit, gevreesd voor zijn spot die scherper was dan het kromzwaard van de Turk, zat achterstevoren op een ezel en riep met schelle stem: Waar is toch die stad? Ik hoor trompetten maar dit spookachtige oord blijft onzichtbaar! Bij zoveel gein kletste zijn gevolg zich op de billen, hinnikend als drachtige merries. Later, toen de schemer zich als fluweel over de puntige daken van de stad voegde en de poortwachters hun laatste ronde deden, verrees in het westen, als silhouet voor de ondergaande zon, de vierde genodigde: de waarzegster Clementia. Gezeten op de bok van haar huifwagen, voortgetrokken door twee gemarmerde schimmels, richtte zij haar vorsende blik op de stad die reeds in de klauwen van de nacht lag. Zij wist wat haar te wachten stond, en dat er geen ontkomen aan was. De stad vrat, de stad zoop, de stad zwelgde – de ganse nacht tot aan het ochtendgloren. Zwijnen gevuld met zwanen, zwanen gevuld met forellen, forellen gevuld met kwartels, het kon niet op, neemt bij, er is genoeg voor eenieder, verordende de heer. Ferguuts stem werd zwakker door het gagelbier; Agete kon haar schalmei niet langer bespelen door het spijsvet in haar keel; Esmoreits gelach was overgegaan in geboer dat de bellen op zijn kap deed rinkelen; slechts Clementia nam niet deel aan de schranspartij, zij dronk een kruidenbrouwsel van foelie en kardemom en wachtte op het onvermijdelijke. De dageraad diende zich aan door kieren in luiken en deuren, en de vorst overzag het gelag. Nu kon het echte feest beginnen! Met één gebaar – zijn linkerhand flikkerde kort in de gloed van de fakkels – zette hij zijn getrouwen in beweging. Drie vadsige onwetenden en één heldere alwetende werden de banketzaal uitgesleept. Op het voorplein gleed de eerste zonnestraal over het versgeslepen blad van de bijl. De beul stond paraat op het schavot, uit de gaten in zijn kap glommen gele ogen en gele tanden. Zoals vorig jaar? vroeg de wreedaard. Nee, zei de heer, vierendelen!

R.F.G. Vandenhoeck
29 1

Aan de Paus

De paus bezoekt ons land. Bij die gedachte is er slechts één term  die me blijvend op de lippen brandt: Schuldig verzuim. Schuldig verzuim. Het is úw schuld, dat u de schuld van de daders bij de slachtoffers heeft gelaten. U heeft nagelaten, in eigen rangen schoon schip te maken. U verzuimt uw verantwoordelijkheid om niet een beetje, maar net met passie en met liefde voor het leven het voor àlle Leven op te nemen Het ligt in uw macht om bergen van normen en waarden te beïnvloeden. Maar u kijkt wereldvreemd toe,  als een incapabele herder; zie hoe uw zogenaamde schaapjes bloeden.  Verstikt door morele regels waar Jezus Hemzelf  gegarandeerd tegen zou rebelleren. Hij zou uw Vaticaan grondig  binnenste buiten keren. Maar goed ik ben geen Jezus fanaat het is deze tijd waar het mij om gaat.  De vrouwen die niet vrij mogen beschikken over hun lichamen  en door schuld en religie gedwongen worden om ongewenst te dragen en te baren. De mensen die niet vrij mogen vrijen, hun liefde niet open mogen beleven en als ze niet voldoen aan uw vereiste vorm  al evenmin een functie in uw Kerk mogen bekleden. Uw Kerk is er één van uitsluiting en onderdrukking, inconsequent en totaal in strijd met de oorspronkelijke bedoeling. Want ja het woord van uw God is mij bekend, het is me in mijn jonge hersentjes wekelijks ingeprent. En ik kan enkel zeggen: de essentie is een bron van waarheid en wijsheid,  dat valt niet te weerleggen, alleen zijn we zoals gewoonlijk  de weg volledig kwijt. Misleid door de machtsgreep van seksueel gefrustreerde oude mannen met een obsessie  om andermans leven in te plannen. Het slechtste idee ooit was om het lichaam te verzaken. Onderdrukken van seksualiteit is goed om mentale kortsluiting te veroorzaken, met alle gevolgen van dien, de pedofiele schade is niet te overzien.  Dus dump dat celibaat en eveneens de adoratie van de Maagd.  Val op uw knieën voor Shakti, voor Kali, voor de godin in elke Vrouw en beken de schuld van de Kerk, aan de onderdrukking, de muilkorving van onze eigen natuur. Het is hoog tijd voor berouw. Ja, maak de brandstapel klaar, de Erfzonde moet eraan, verbrand, verkoold, met huid en haar. Wij zijn gelijk geboren, er is niets mooier dan elkaar te bekoren, ons schaamteloos te verliezen in lichamelijke liefde. Die boom van goed en kwaad is een verzinsel, waarmee uw instituut aan de macht is gekomen, echter we waren al in het paradijs en jullie hebben het ons ontnomen. Maar het verhaal is gedaan, Naakt is het nieuwe gekleed; Kijk ik ben al met meerdere heidense mannen in de bosjes beland en zoals u ziet ben ik nog steeds niet door het hellevuur verbrand. Het wordt tijd dat u beseft: God is Natuur, Creatie, Evolutie, uw stenen tafels zijn al lang vergaan door erosie. Uw instituut heeft de grootste zonde tegen het Leven begaan: de Creatie vergiftigd met schuld en geschaam, ons beperkt in ons recht om vrij te bestaan, en dat allemaal in de Naam van. In de naam van de Moeder, de Dochter en de Planeet, in de naam van elke man, vrouw, kind, mens, die door uw instituut schade leed: U dient te gaan, u bent niet waardig te spreken in onze naam.  

Beatrijs Deneckere
22 0
Tip

Schaakmat

Ik ben wit, dus ik begin. Pion e4 en paard c3. De rest zien we later. Na een paar zetten, agressie aan de overkant. Dit kan ik tegen hem gebruiken. Speelt hij nu toren a2? Loper naar c4 krijgen. Dit verloopt veel te makkelijk. Ik ga winnen. Nog even m'n paard naar het centrum brengen en... Wacht? Mijn tegenstander heeft ook een réchterflank. Daarnet was dit deel van het veld nog onbelicht. Deal with it! Even op wandel met de koning dan maar. Niet met de loper aanvallen tegenstander, of ik hang, niet met... Hij ziet het niet. Weer mijn beurt om aan te vallen. Ik moet winnen, zo hoort het.  “Zet je hem nog schaakmat?” De blik van de toeschouwer maakt me ongemakkelijk. “Dit duurt inderdaad te lang”, laat ik me opdringen. Het bord verdwijnt. Ik zie stukken maar geen enkele zet meer. Daarnet zat ik nog op een middeleeuws slagveld, nu weer in de leefruimte. Waarom ben ik zenuwachtig? Angst om te winnen, of simpelweg om iets af te maken? Ik stamel en stotter nog wat met koningin en toren. De toeschouwer wordt echt ongeduldig nu: “Zet hem gewoon schaakmat!” Ik leg hem uit dat ik ‘het’ niet meer voel. “Dit is waarom ik ook niet graag plaatjes op feestjes draai”, zeg ik. “Ik vind mezelf wel een goede dj, maar word nerveus van publiek. Daarom zit ik hier.”  “Je hoeft niet elke zet voor je te zien”, bemoedigt de toeschouwer. Ik antwoord dat ik bang word als ik de volgende zet niet zie. “Bang om dood te gaan”, voeg ik er onnodig aan toe. Wat ik bedoel is dat ik momenteel niet verder kan omdat mijn hoofd wil weten hoe ik... doodga?  “Als je wil kan ik ervoor zorgen dat je weet hoe je doodgaat, ik kan het je zelfs laten zien”, knipoogt de toeschouwer. Ik besef plots weer waar ik me bevind. Hij zal toch niet... Ik weet dat hij een veel te donkere grap maakt, maar voel toch de drang om hem te overtuigen. Dat ik niet de dood op zich bedoel, maar de weg ernaartoe, leven dus. En dat hij me niet zal helpen door de weg korter te maken. Ja, je bent ergens onderweg gestopt met plannen maken en ja, door de dingen uit te stellen voelt het nu alsof je alleen maar kan aanmodderen, maar jij bent niet je vader. Jij hebt geen zelfmoord gepleegd. Het bloed dat door je moeder stroomt is niet dat van haar broer noch dat van haar zus. Ze deelden gewoon dezelfde ouders. En het bloed dat door jou stroomt is jouw bloed. Ook al heb je het van iemand anders gekregen.

Mr Jones
192 6